{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">4.4.4.Nu belanghebbende haar stelling verder niet nader onderbouwd heeft, geen controle heeft uitgeoefend op de daadwerkelijk gemaakte kosten en op het aantal dagen, ook aan slagers de vergoeding uit de latere bouw-CAO tot medio 2005 vergoedde en de hele vergoeding na een controle van de Vereniging Registratie Ondernemingen in 2006 is beëindigd omdat deze niet zou zijn toegestaan, heeft belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vergoeding ziet op kosten die haar werknemers hebben gemaakt. (…) Afdrachtsvermindering lage lonen 4.6.Tussen partijen is niet in geschil dat deze correctie de overige correcties volgt. Nu het beroep voor de overige correcties van belanghebbende ongegrond is, is het beroep in zoverre ook ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Bespreking middel 1 en 4: vaststaande feiten en inbreng stukken na verwijzing Cassatiemiddel 1 5.1 Belanghebbende draagt als eerste middel voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in overwegingen 2.3 tot en met 2.6 citeert uit gedingstukken, ingebracht door de Ontvanger, welke gedingstukken alsmede de inhoud daarvan, door belanghebbende zijn bestreden, en in diverse overwegingen op grond van de gedingstukken, vermeld in overwegingen 2.3 tot en met 2.6, uitlatingen/stellingen van de Ontvanger aannemelijk acht, zonder in de bestreden uitspraak uiteen te zetten waarom de betwisting van belanghebbende niet kan slagen en daarmee die betwiste feiten als vaststaand lijkt te hanteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling cassatiemiddel 1 5.2 Het eerste middel strekt ten betoge dat het Hof bepaalde feiten als vaststaand heeft aanvaard, ondanks betwisting door belanghebbende. Dienaangaande merk ik op dat de vaststelling van de feiten aan het Hof is. De motiveringsplicht ter zake gaat niet zover dat gemotiveerd op al hetgeen belanghebbende betwist moet worden ingegaan. Het gaat met name om geciteerde passages welke als citaat juist te achten zijn. Naar mijn mening is hier geen sprake van enig onbegrijpelijke vaststelling van de feiten. Daarom faalt het eerste middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatiemiddel 4 5.3 Het vierde middel luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in (overweging 4.15 van) de bestreden uitspraken stelt dat de door de Ontvanger ingebrachte stukken niet buiten de procedure moeten worden gehouden omdat die stukken het verweer, dat krachtens de verwijzingsopdracht moet worden onderzocht, ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Blijkens de toelichting op het vierde middel stelt belanghebbende zich op het standpunt dat ‘feiten en omstandigheden die reeds ten tijde van de eerdere gerechtelijke procedures bestonden na verwijzing niet meer ingebracht kunnen worden tenzij daartoe door (…) [de Hoge Raad] uitdrukkelijk de mogelijkheid is geboden of een eerder gedaan bewijsaanbod door het Hof is afgewezen en dat bewijsaanbod ziet op een na verwijzing nogmaals te berechten onderwerp’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof 5.5 Het Hof heeft, voor zover hier van belang, in r.o. 4.15 en r.o. 4.17 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende betoogt dat op de stukken die de Ontvanger in zijn nader stuk van 31 augustus 2017 heeft ingebracht geen acht mag worden geslagen omdat na verwijzing enkel stukken mogen worden ingebracht die de Ontvanger niet eerder in het geding had kunnen brengen. Het Hof volgt het betoog van belanghebbende niet omdat de door de Ontvanger ingebrachte stukken het verweer ondersteunen dat krachtens de verwijzingsopdracht moet worden onderzocht (vgl. HR 9 augustus 2013, nr. 12/02248, ECLI:NL:HR:2013:198). (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof komt tot de conclusie dat de Ontvanger – gelet op de bewijsopdracht van het Hof – de stukken die hij in zijn nader stuk van 31 augustus 2017 heeft ingebracht, mocht inbrengen. Zij dienen derhalve niet buiten aanmerking te worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Het Hof heeft blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 19 juli 2017 onder meer het navolgende kenbaar gemaakt aan partijen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter deelt mede dat het Hof gelet op de informatie die tijdens het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen tot een ander voorlopig oordeel is gekomen met betrekking tot de op grond van artikel 8:31 Awb toe te passen sanctie. Het Hof is voornemens om ervan uit te gaan dat er op basis van artikel 7, lid 2, Uitv.besl.Inv. een rechtsgeldige melding betalingsonmacht is gedaan, wat meebrengt dat artikel 36, lid 3, Inv. van toepassing is. Het Hof zal in dit licht aan de Ontvanger de bewijsopdracht geven om aannemelijk te maken dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij mag de Ontvanger geen gebruik maken van bewijsstukken die afkomstig zijn uit het FlOD-dossier of bewijsstukken die zijn afgeleid uit het FlOD-dossier, zodat belanghebbende zich niet in een nadeliger bewijspositie bevindt. Als de Ontvanger erin slaagt aannemelijk te maken dat sprake is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, dient de Ontvanger voorts het bedrag van de aansprakelijkheidstelling aannemelijk te maken. De voorzitter merkt hierbij op dat de Ontvanger ter onderbouwing van het bedrag van de aansprakelijkheidsstelling heeft gewezen op de opgelegde naheffingsaanslagen. Het Hof wil dat de Ontvanger deze naheffingsaanslagen nader onderbouw[t] en dan met name de in deze aanslagen opgenomen correctie inzake de kilometervergoedingen en nettoloonafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts wijst zij erop dat de gemachtigde de extrapolatie van de steekproef van 2005 naar 2006 en 2007 heeft bestreden en dat de Ontvanger hier wellicht ook op kan reageren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Ontvanger vraagt met betrekking tot de steekproef of het Hof van elke post een onderbouwing verwacht en merkt op dat dat tot een zeer omvangrijk dossier zal leiden. Het Hof merkt in reactie hierop op dat het van de Ontvanger vooral wordt verwacht dat hij de naheffingsaanslagen onderbouwd zonder invloed van het FlOD-dossier. De Ontvanger mag hierbij dus geen gebruik maken van informatie afkomstig uit het FlOD-dossier of daaruit afgeleide verklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling cassatiemiddel 4 5.7 Het gaat bij de beoordeling van het vierde middel vooral om de uitleg van het verwijzingsarrest van de Hoge Raad. ’s Hofs oordeel dat de inbreng van de door de Ontvanger nader ingebrachte stukken toelaatbaar is, lijkt volgens de uitspraak van het Hof te zijn gebaseerd op een arrest van de Hoge Raad van 9 augustus 2013. Daarin is, voor zover thans van belang, overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad heeft bij arrest van 26 februari 2010, nr. 09/01148, ECLI:NL:HR:2010:BK1519, BNB 2010/139, het door belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof ingestelde beroep in cassatie ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Hoge Raad onder meer overwogen: “3.3.1. Middel 2 betoogt dat de onderhavige belastingschulden in verband met hun bijzondere aard en karakter dienen te worden aangemerkt als schulden die zijn verknocht aan de echtgenoot in de zin van artikel 1:94, lid 3, BW en daarom niet in de gemeenschap vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit middel faalt. De door belanghebbende bepleite verknochtheid volgt niet uit de enkele omstandigheid dat het hier gaat om belastingschulden van de echtgenoot (HR 25 juni 1993, nr. 14996, NJ 1994, 31). Voorts heeft belanghebbende geen feiten gesteld die verknochtheid meebrengen in verband met de aard van de baten waarop die schulden betrekking hebben. Anders dan belanghebbende voorstaat, doet voor de vraag naar de verknochtheid van de schulden niet ter zake dat de verschuldigde belasting over de desbetreffende baten bij wijze van schatting is bepaald.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de terugwijzing van het geding door het Hof heeft de Rechtbank opnieuw uitspraak gedaan en het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij het Hof. Bij de thans in cassatie bestreden uitspraak heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Het heeft daartoe geoordeeld dat, gelet op de hiervoor in 5.1.6 geciteerde overwegingen van de Hoge Raad, aangenomen moet worden dat de schulden waarvoor belanghebbende (ten dele) aansprakelijk is gesteld, niet verknocht zijn in de zin van artikel 1:94, lid 3, BW. Tegen dit oordeel richt zich het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel wordt terecht voorgesteld. Hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn hiervoor in 5.1.6 geciteerde arrest, staat er niet aan in de weg dat belanghebbende na de terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank haar standpunt omtrent de verknochtheid van de belastingschulden aan de persoon van de echtgenoot kon doen steunen op nader aangevoerde stellingen. Het Hof heeft dit miskend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Feteris heeft over het innemen van nieuwe feitelijke stellingen en onderbouwingen na verwijzing geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat partijen na verwijzing geen nieuwe geschilpunten meer kunnen opwerpen, brengt als regel mee dat zij na verwijzing ook geen nieuwe feitelijke stellingen meer kunnen innemen. Daarmee is de mogelijkheid tot feitelijke inbreng in het geding na verwijzing overigens niet uitgesloten. Volgens de HR mag een partij in dat stadium wel een schriftelijke toelichting geven op hetgeen zij in eerdere instantie, voorafgaande aan de cassatieprocedure, had aangevoerd.[] Ook mag een partij na verwijzing nieuwe feiten ter ondersteuning van een voorheen ingenomen stelling aanvoeren, als de verwijzingsrechter die stelling dient te onderzoeken. Een partij mag na verwijzing echter als regel niet buiten haar oorspronkelijke feitelijke stellingen treden.[] (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor besproken regel dat na verwijzing geen nieuwe feitelijke stellingen kunnen worden ingenomen, is niet absoluut. In de rechtspraak zijn daarop in enkele groepen gevallen verzachtingen aangebracht. Ik noem de volgende situaties:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>De noodzaak een nieuwe stelling in te nemen ontstaat doordat inmiddels sprake is van een nieuwe juridische situatie. Die situatie zal doorgaans het gevolg zijn van het arrest waarbij de HR de zaak verwijst. Dat zal met name het geval zijn als de HR in dat arrest omgaat. Het gaat dan om onverwachte wendingen in zijn opvattingen, waardoor partijen niet valt te verwijten dat zij bepaalde stellingen nog niet eerder in het geding hadden aangevoerd. In die gevallen pleegt de HR in geval van verwijzing uitdrukkelijk in het arrest te vermelden dat partijen hun stellingen op dit punt na verwijzing mogen aanpassen. Het moet dan wel gaan om nieuwe stellingen die aansluiten bij een punt dat voor de lagere rechter al in geschil was en waarop de verwijzing betrekking heeft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Na het arrest van de HR geeft nieuwe rechtspraak van het HvJ aanleiding tot een andere juridische benadering die afwijkt van de opvatting waarvan de HR in dat arrest is uitgegaan. (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Er is sprake van gewijzigde omstandigheden in een geval waarin de beslissing van de rechter dient te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van zijn beslissing. In belastingzaken zal dit zich niet vaak voordoen, maar in boetezaken valt te denken aan het overlijden van de belanghebbende, waardoor de boete op grond van art. 5:42 Awb vervalt, of aan een (verdere) overschrijding van de redelijke termijn na het arrest van de HR. In aansprakelijkheidsprocedures geldt hetzelfde voor een beroep op verjaring die is ingetreden na het wijzen van de gecasseerde uitspraak.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.9 In een conclusie van 11 november 2011 heb ik over de reikwijdte van een verwijzingsopdracht geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Als uitgangspunt geldt dat partijen de omvang van de rechtsstrijd bepalen. Toegespitst op het beroep in cassatie betekent dit dat het aan de partij die in cassatie gaat is om te bepalen welke oordelen van het desbetreffende gerechtshof, of in geval van sprongcassatie de rechtbank, een partij bij de Hoge Raad wil aantasten. De door de partij die in cassatie gaat bij wege van cassatieklachten aangevoerde gronden bepalen de omvang van de rechtsstrijd in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de Hoge Raad op een bij beroepschrift aangevoerde grond, of eventueel ambtshalve, een hofuitspraak vernietigt en de beslissing van de hoofdzaak afhangt van feiten die bij de vroegere behandeling niet zijn komen vast te staan, verwijst de Hoge Raad het geding naar een (ander) gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Een verwijzingsarrest bevat een verwijzingsopdracht, al dan niet specifiek geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als hoofdregel geldt dat het verwijzingshof gebonden is aan de in cassatie niet of tevergeefs bestreden oordelen in de vernietigde hofuitspraak. Die oordelen zijn daarmee definitief komen vast te staan. Indien het verwijzingshof niettemin overgaat tot hernieuwde beoordeling daarvan, treedt het verwijzingshof in principe buiten de verwijzingsopdracht. In verband daarmee is een dergelijke uitspraak in beginsel vatbaar voor cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Als ratio voor deze beperking van de omvang van de rechtsstrijd na verwijzing wordt veelal gewezen op het beginsel ‘lites finiri oportet’, inhoudende dat procedures op een ordelijke manier ten einde moeten komen. Daarmee hangt samen een beginsel van proceseconomie inhoudende dat van partijen mag worden verlangd dat zij stellingen inbrengen c.q. handhaven wanneer dat redelijkerwijs mag worden verwacht. Dat beperkt de mogelijkheid dat een partij een geschilpunt in de loop van een procedure niet inbrengt of laat varen, maar daar achteraf alsnog of opnieuw mee aankomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procedure na verwijzing zijn daarop bepaalde uitzonderingen mogelijk. Daarbij gaat het om ontwikkelingen waarmee partijen redelijkerwijze niet eerder in de procedure rekening konden houden. Bijvoorbeeld omdat die ontwikkelingen worden opgeroepen door de inhoud van het verwijzingsarrest. Of door nieuwe wetgeving of jurisprudentie, waaronder Europeesrechtelijke, opgekomen na de vernietigde hofuitspraak. Ook nadien opgekomen gewijzigde feitelijke verhoudingen kunnen een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien dergelijke uitzonderingen zich in een bepaald geval voordoen zal de Hoge Raad daarvan veelal melding maken in de verwijzingsopdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verwijzingshof is aldus gebonden aan de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad. Het verwijzingshof moet zich in principe beperken tot een nadere beoordeling van de feitelijke punten waarvoor is verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 De vraag rijst aldus of in casu sprake is van het ongeoorloofd creëren door het Hof van de mogelijkheid voor de Ontvanger om nieuwe feiten aan te voeren, ter onderbouwing van al dan niet eerder ingenomen stellingen, of dat het gaat om nader ingebrachte stukken die passen binnen de verwijzingsopdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Gelet op de gedingstukken lijkt het belanghebbende vooral te gaan om de inbreng van nadere stukken door de Ontvanger over de hoogte van het bedrag van de naheffingsaanslagen, met name omtrent kilometervergoedingen en nettoloonafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 De Hoge Raad heeft bij verwijzingsarrest van 2 december 2016 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel wordt niet gerespondeerd op belanghebbendes voor het Hof ingenomen standpunt dat de niet-overgelegde stukken mede van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende een verwijt als bedoeld in artikel 36, (…) [lid 4, A-G], laatste volzin, van de Wet kan worden gemaakt, alsmede voor de beantwoording van de vraag of de BV opzet of grove schuld in de zin van artikel 7, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 kan worden verweten. In zoverre slagen de middelen 1 en 2. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middel 10 bestrijdt de verwerping door het Hof van belanghebbendes stelling dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het middel voert onder meer aan dat het Hof, door aan die verwerping ten grondslag te leggen dat de rechtbank in de hiervoor in 2.1.2 genoemde uitspraak van 6 april 2011 een onherroepelijk oordeel over de naheffingsaanslag heeft gegeven, een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 49, lid 7, van de Wet, aangezien belanghebbende in de procedure betreffende de aansprakelijkstelling met betrekking tot de naheffingsaanslag andere grieven heeft aangevoerd dan reeds door de belastingrechter zijn beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 49, lid 7, van de Wet kan het bezwaar tegen een beschikking tot aansprakelijkstelling geen betrekking hebben op feiten of omstandigheden die van belang zijn geweest bij de vaststelling van een belastingaanslag en ter zake waarvan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan. Deze bepaling komt, afgezien van een enkele redactionele aanpassing waarmee geen inhoudelijke wijziging is beoogd, overeen met het voorheen geldende artikel 50, lid 6, van de Wet (zie Kamerstukken II 2001/02, 28 123, nr. 3, blz. 6). Met betrekking tot de reikwijdte van laatstgenoemde bepaling is in de totstandkomingsgeschiedenis daarvan het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1987/88, 20 588, nr. 3, blz. 118): \"Wij wijzen er nog op dat de verbodsbepaling (…) alleen geldt met betrekking tot de feiten en omstandigheden ter zake waarvan een rechterlijke uitspraak is gewezen. Het gaat dus om feiten of omstandigheden die blijken uit die uitspraak, zodat duidelijk is dat de rechter zich daarover heeft uitgelaten. Zaken die ter zitting naar voren zijn gebracht en/of in de gedingstukken zijn opgenomen, maar waarover de rechter zich niet heeft uitgelaten vallen hier dus niet onder. Voor zover andere feiten en omstandigheden die voor de vaststelling van de belastingaanslag van belang zijn geweest, in geding worden gebracht en die niet eerder ter beslissing aan de belastingrechter zijn voorgelegd of waarover die rechter geen onherroepelijke uitspraak heeft gewezen, blijft te dien aanzien bezwaar en beroep wel mogelijk.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de hiervoor in 2.6.2 opgenomen toelichting volgt dat artikel 49, lid 7, van de Wet niet eraan in de weg staat dat de aansprakelijk gestelde bestuurder in een procedure betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling voor een belastingaanslag feiten en omstandigheden betreffende die aanslag aanvoert die niet eerder aan de belastingrechter zijn voorgelegd of waarover die rechter geen onherroepelijke uitspraak heeft gedaan. Uit het door het middel bestreden oordeel blijkt niet dat het Hof het vorenstaande heeft onderkend. Middel 10 slaagt derhalve in zoverre. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het hiervoor in 2.3 en 2.6.3 overwogene kan ‘s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De middelen 6, 8 en 11 behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Het komt mij voor dat waar door de Ontvanger nadere stukken zijn ingebracht, dat is geschied ingevolge de door het verwijzingsarrest ontstane (nieuwe) uitgangspunten en in lijn met de verwijzingsopdracht. Daarom acht ik ’s Hofs bewijsopdracht aan de Ontvanger toelaatbaar. Daarop stuit het vierde middel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Bespreking middel 2 en 3: toepassing artikelen 8:31 en 8:42 van de Awb Cassatiemiddel 2 6.1 Belanghebbende draagt als tweede middel voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof art. 8:42 Awb onjuist toepast door er niet voor te zorgen dat de Ontvanger alle stukken die betrekking hebben op de zaak laat inbrengen daaronder te verstaan de onderliggende stukken van het boekenonderzoek en de sepotbeslissing[] van de Officier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en Hoge Raad 6.2 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft ten aanzien van artikel 8:42 van de Awb overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende heeft voorts gesteld, dat de Ontvanger niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, namelijk niet alle door het Openbaar Ministerie opgestelde strafrechtelijke stukken die volgens belanghebbende wel aan de Inspecteur ter beschikking zijn gesteld. Het Hof stelt voorop, dat in een aansprakelijkheidsprocedure als deze de op de zaak betrekking hebbende stukken, die op grond van artikel 8:42 van de Awb aan de belastingrechter moeten worden overgelegd, ook de stukken zijn, die de Inspecteur ter beschikking hebben gestaan bij het opleggen van de naheffingsaanslagen en het daaraan ten grondslag liggende boekenonderzoek (vgl. Hoge Raad 12 juli 2013, 11/04625, ECLI:NL:HR:2013:29; 10 april 2015, 14/01189, ECLI: NL:HR:2015:874; 12 juni 2015, 14/04015, ECLI:NL:HR:2015:1515 en 18 december 2015, 14/04143, ECLI:NL:HR:2015:3602). Immers, in beginsel staat de hoogte van de belastingaanslag, waarvoor aansprakelijk wordt gesteld, in een aansprakelijkheidsprocedure als deze ook ter discussie. De Ontvanger heeft gesteld dat hij noch de Inspecteur over meer strafrechtelijke stukken heeft beschikt dan de verklaringen die zijn opgenomen in de brieven van 26 september 2008 en 25 februari 2009. Gelet op de onder 2.5 vermelde brief van de Inspecteur van 17 januari 2008 en de op 25 januari 2008 verleende toestemming voor het gebruik van de strafrechtelijke stukken acht het Hof deze stelling ongeloofwaardig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen is vermeld onder 2.5 duidt er naar het oordeel van het Hof veeleer op dat de Inspecteur naar aanleiding van zijn onder 2.5 vermelde brief van 17 januari 2008 alle strafrechtelijke stukken heeft gekregen en dat hij in die stukken aanleiding heeft gevonden om nadien bij brieven van 26 september 2008 en 25 februari 2009 specifiek te verzoeken om de door hem in die brieven genoemde verklaringen, die hij gelet op de specifieke omschrijving onder verwijzing naar de FIOD-nummering alleen maar kan hebben geput uit de eerder aan hem ter beschikking gestelde strafrechtelijke stukken, te mogen gebruiken. Bovendien wijst ook de onder 2.4 vermelde bevinding, die is ontleend aan de uitspraak op bezwaar, dat bij de doorzoeking pro forma loonberekeningen over 2007 zijn aangetroffen erop, dat de Ontvanger over meer strafrechtelijke stukken heeft beschikt dan alleen over de verklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Ontvanger niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De omstandigheid dat het FIOD-dossier inmiddels is vernietigd, doet hier niet aan af (Hoge Raad 23 mei 2014, 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.2). Mede gelet op hetgeen onder 4.8 is overwogen zal het Hof hieraan evenwel geen consequenties verbinden op de voet van artikel 8:31 van de Awb (Hoge Raad 14 november 2014, nr. 12/05832, ECLI:NL:HR:2014:3041).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Dat artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is geschonden, staat vast. De Hoge Raad heeft bij verwijzingsarrest van 2 december 2016 in r.o. 2.1 immers geoordeeld: ‘Het Hof heeft geoordeeld dat de Ontvanger niet heeft voldaan aan zijn uit artikel 8:42, lid 1, Awb voortvloeiende verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Tegen dit oordeel zijn geen middelen gericht’.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Het Hof heeft na verwijzing ten aanzien van artikel 8:42 van de Awb overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het Hof staat, nu tegen het oordeel van het gerechtshof inzake de schending van artikel 8:42 van de Awb (rechtsoverweging 4.9 van de betreffende uitspraak) door de Staatssecretaris van Financiën geen cassatieberoep is gesteld, in deze verwijzingsprocedure vast dat de Ontvanger niet heeft voldaan aan zijn uit artikel 8:42, lid 1, van de Awb, voortvloeiende verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken - te weten het FIOD-dossier - over te leggen. Dientengevolge ligt, ingevolge artikel 8:31 van de Awb, de vraag voor welke consequenties hieraan moeten worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling cassatiemiddel 2 6.5 Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb luidt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.6 Anders dan belanghebbende lijkt te veronderstellen, impliceert het niet overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, als voorzien in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, niet dat het daarbij in gebreke blijven van het bestuursorgaan (de Ontvanger) moet leiden tot vernietiging van het desbetreffende bestuursbesluit (de naheffingsaanslagen).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 De wettelijke regeling hier behelst dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:31 van de Awb de gevolgtrekkingen kan maken die hem geraden voorkomen (zie het hierna besproken middel).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8 Dat betekent dat het tweede middel geen doel treft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatiemiddel 3 6.9 Belanghebbende draagt als derde middel voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof art. 8:31 Awb onjuist toepast (door de schending van art. 8:42 Awb enkel middels een procedurele sanctie af te doen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad en Hof 6.10 De Hoge Raad heeft in r.o. 2.2.2 van het verwijzingsarrest overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft op grond van artikel 8:31 Awb aan die schending geen gevolgen verbonden. Het Hof heeft daartoe verwezen naar zijn oordeel dat belanghebbendes stelling dat de naheffingsaanslag te hoog is, faalt op grond van het bepaalde in artikel 49, lid 7, van de Wet, aangezien de rechtbank in de hiervoor in 2.1.2 genoemde uitspraak van 6 april 2011 een onherroepelijk oordeel over de naheffingsaanslag heeft gegeven. De middelen 1 en 2 bestrijden dit oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel wordt niet gerespondeerd op belanghebbendes voor het Hof ingenomen standpunt dat de niet-overgelegde stukken mede van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende een verwijt als bedoeld in artikel 36, (…) [lid 4, A-G], laatste volzin, van de Wet kan worden gemaakt, alsmede voor de beantwoording van de vraag of de BV opzet of grove schuld in de zin van artikel 7, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 kan worden verweten. In zoverre slagen de middelen 1 en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11 Het Hof heeft na verwijzing ten aanzien van artikel 8:31 van de Awb overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8:31 Awb 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof is van oordeel dat het niet meer kunnen overleggen van het FIOD-dossier door de Ontvanger niet tot vernietiging van de beschikking dient te leiden. Die sanctie zou te ver strekkend zijn. Echter, naar het oordeel van het Hof kan in het onderhavige geval niet zonder gevolg aan het niet-overleggen van het FIOD-dossier voorbij worden gegaan. Daartoe overweegt het als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 4 november 2009 heeft belanghebbende namens de BV met betrekking tot de naheffingsaanslag een melding betalingsonmacht gedaan die op 5 november 2009 bij de Ontvanger is ingekomen (zie 2.8). Dit is binnen enkele dagen na de vervaldag van de naheffingsaanslag. De Ontvanger heeft echter gemotiveerd gesteld dat het aan opzet of grove schuld van de BV is te wijten dat de naheffingsaanslag werd opgelegd, zodat ter zake van de naheffingsaanslag op grond van artikel 7, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit, geen rechtsgeldige melding kon plaatsvinden. Het is dan aan belanghebbende om daartegen gemotiveerd verweer te voeren. Door het niet voldoen door de Ontvanger aan de op hem rustende verplichting tot het overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, is niet uit te sluiten dat belanghebbende daarmee in haar bewijspositie is geschaad. Dit klemt te meer nu het gevolg daarvan mogelijk zou zijn dat belanghebbende als aansprakelijkgestelde wordt geconfronteerd met het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 36, lid 4, van de Wet. Onder deze omstandigheden acht het Hof het in het kader van de toepassing van artikel 8:31 van de Awb passend, aan de schending door de Ontvanger van artikel 8:42 van de Awb het gevolg te verbinden dat moet worden geoordeeld dat belanghebbende voor de toepassing van artikel 7, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit, is geslaagd in haar verweer tegen de stelling van de Ontvanger dat de naheffingsaanslag is te wijten aan opzet of grove schuld van de BV. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte aansprakelijkstelling 4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het niet voldoen door de Ontvanger aan de op hem rustende verplichting tot het overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, is niet uit te sluiten dat belanghebbende daarmee in haar bewijspositie is geschaad. Dit klemt te meer nu het gevolg daarvan zou kunnen zijn dat belanghebbende zich mogelijk niet op alle punten kan verweren tegen de hoogte van de aansprakelijkstelling. Onder deze omstandigheden acht het Hof het in het kader van de toepassing van artikel 8:31 van de Awb passend, dat belanghebbende voor het Hof alle feiten en omstandigheden kan aanvoeren tegen de hoogte van de aansprakelijkstelling, ook al zouden die al eerder in het kader van de naheffingsaanslag aan de Rechtbank zijn voorgelegd. Het Hof verwijst naar de rechtsoverwegingen 4.21 en verder van deze uitspraak. Gelet op het feit dat belanghebbende op 17 september 2012 inzage heeft gehad in de onderliggende stukken van het boekenonderzoek, ziet het Hof geen aanleiding om de bewijslast, voor zover deze volgens de normale bewijslastverdeling op belanghebbende rust, ingevolge artikel 8:31 van de Awb te verschuiven naar de Ontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling cassatiemiddel 3 6.12 Artikel 8:31 van de Awb bepaalt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, kan de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie is over artikel 8:31 van de Awb opgemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het (…) voorgestelde artikel geeft de rechtbank de mogelijkheid, die gevolgen aan de niet-naleving van een verschijnings-, inlichtingen- of mededelingsplicht te verbinden die haar passend voorkomen. Zo zal een bestuursorgaan kunnen worden geconfronteerd met een gegrondverklaring van het ingestelde beroep, al dan niet gepaard gaande met een veroordeling tot schadevergoeding, alsmede met een veroordeling in de proceskosten. Ten aanzien van de appellant geldt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard of dat het beroep ongegrond kan worden verklaard, terwijl onder deze omstandigheden niet uitgesloten moet worden geacht dat de appellant in de proceskosten wordt veroordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14 Bij arrest van 10 april 2015 heeft de Hoge Raad overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 Awb aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim (zie HR 14 november 2014, nr. 12/05832, ECLI:NL:HR:2014:3041, BNB 2015/46). De rechter mag geen toepassing geven aan het bepaalde in artikel 8:31 Awb zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten (zie HR 3 april 2015, nr. 14/04129, ECLI:NL:HR:2015:740).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15 De Hoge Raad heeft bij arrest van 18 december 2015 geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het [tweede, A-G] middel keert zich tevens tegen de oordelen van het Hof dat de Inspecteur met zijn weigering de gevraagde gegevens betreffende de tipgever te verstrekken – door overlegging van ongeschoonde stukken of op andere wijze – de rechtsorde ernstig heeft geschonden en dat dit op zichzelf reeds rechtvaardigt dat het Hof daaruit de gevolgtrekking maakt dat de aanslagen moeten worden vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof is er bij deze oordelen kennelijk van uitgegaan dat een inspecteur die na afwijzing van zijn beroep op artikel 8:29 Awb volhardt in zijn weigering een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk (ongeschoond) over te leggen, steeds de rechtsorde in ernstige mate schendt, en dat deze handelwijze op zichzelf reeds voldoende aanleiding kan zijn de in geschil zijnde belastingaanslag(en) te vernietigen. Daarmee heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft aldus miskend dat bij toepassing van artikel 8:31 Awb alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen, waaronder het belang van de niet overgelegde stukken voor de waarheidsvinding. In zoverre treft het middel doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde middel bevat klachten over de door het Hof gehanteerde bewijslastverdeling. Het middel richt zich met name tegen het oordeel dat de aan de erflater opgelegde belastingaanslagen moeten worden vernietigd omdat de betrouwbaarheid van de tipgever niet vaststaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Het door het Hof gegeven oordeel komt erop neer dat met toepassing van artikel 8:31 Awb is vastgesteld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan de erflater opgelegde aanslagen op deugdelijke gronden berusten en in stand kunnen blijven. Zoals in het algemeen geldt voor oordelen betreffende de bewijswaardering, worden aan een dergelijk overeenkomstig artikel 8:31 Awb gegeven oordeel geen hoge motiveringseisen gesteld. Wel zal dat oordeel zodanig met redenen moeten zijn omkleed dat het op begrijpelijkheid kan worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Inspecteur heeft in hoger beroep aangevoerd dat van de 76 personen aan wie naar aanleiding van de door de tipgever verstrekte informatie een vragenbrief is verstuurd, er inmiddels 71 hebben erkend in Luxemburg (een) bankrekening(en) te hebben aangehouden. Blijkens zijn overwegingen is het Hof van de juistheid daarvan uitgegaan. Ook staat in cassatie vast, dat in geen enkel geval is gebleken dat de door de tipgever verstrekte informatie onjuist is en dat de belanghebbenden zelf (de beide kinderen van de erflater) behoren tot degenen die hebben erkend dat de informatie van de tipgever te hunnen aanzien juist is. In de bestreden uitspraak is verder melding gemaakt van de toezegging van de Inspecteur mee te werken aan een verhoor van de tipgever op zodanige wijze dat diens identiteit niet behoeft te worden onthuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van de in onderdeel 2.4.3 vermelde feiten en voormelde door de Inspecteur gedane toezegging, is zonder nadere motivering die ontbreekt onbegrijpelijk ’s Hofs oordeel dat onzekerheid omtrent de betrouwbaarheid van de tipgever zonder meer tot vernietiging van de door belanghebbenden bestreden belastingaanslagen moet leiden, en dat onvoldoende aanleiding bestaat om de betrouwbaarheid van de informatie waarop de aanslagregeling is gebaseerd (nader) te doen onderzoeken. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.16 Gelet op het voorgaande zijn er in zoverre geen beperkingen gesteld aan de gevolgtrekkingen die een bestuursrechter kan maken die hem geraden voorkomen. Een bestuursrechter kan aldus gemotiveerd, met toepassing van artikel 8:31 van de Awb, een beroep gegrond of ongegrond verklaren. Ook minder verstrekkende gevolgen zijn mogelijk, zoals een andere bewijslastverdeling of veroordeling in de proceskosten. Toegepast op de onderhavige zaak: de gevolgtrekkingen zouden kunnen zijn i) in het geheel voorbijgaan aan het niet overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, ii) de beschikking aansprakelijkstelling vernietigen, iii) uitgaan van een andere bewijslastverdeling, iv) een proceskostenvergoeding uitspreken, ook na een ongegrond (hoger) beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17 De keuze is aan het Hof en kan in cassatie maar beperkt worden getoetst. Zie het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015: ‘zoals in het algemeen geldt voor oordelen betreffende de bewijswaardering, worden aan een dergelijk overeenkomstig artikel 8:31 Awb gegeven oordeel geen hoge motiveringseisen gesteld. Wel zal dat oordeel zodanig met redenen moeten zijn omkleed dat het op begrijpelijkheid kan worden getoetst’.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18 Naar mijn mening is het niet onbegrijpelijk te achten dat in r.o. 4.14, in verband met de hoogte van de aansprakelijkstelling, ‘het Hof geen aanleiding [ziet] om de bewijslast, voor zover deze volgens de normale bewijslastverdeling op belanghebbende rust, ingevolge artikel 8:41 van de Awb te verschuiven naar Ontvanger’.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.19 Artikel 8:31 van de Awb is in casu toegepast i) met betrekking tot de vraag of belanghebbende voor de toepassing van artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit IW 1990 is geslaagd in haar verweer tegen de stelling van de Ontvanger dat de naheffingsaanslag te wijten is aan opzet of grove schuld van [A] BV en ii) ten aanzien van het mogen aanvoeren van alle feiten en omstandigheden tegen de hoogte van de aansprakelijkstelling. Opmerking verdient dat het Hof artikel 8:31 van de Awb niet heeft toegepast bij de beantwoording van de vraag of sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 36, derde lid, IW 1990.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.20 Belanghebbendes klacht in cassatie dat het Hof niet heeft gerespondeerd op de stelling dat vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling als sanctie op de schending van artikel 8:42 van de Awb moet volgen, faalt, nu het uitgaat van een onjuiste lezing van de Hofuitspraak. Het Hof heeft in r.o. 4.6 namelijk overwogen dat de sanctie van de vernietiging van de beschikking te ver strekkend zou zijn. Ten aanzien van belanghebbendes daarop voortbouwende klacht dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd (dan wel een motivering ontbreekt), merk ik op dat weliswaar toegegeven kan worden het Hof niet nader heeft gemotiveerd waarom vernietiging van de beschikking te ver strekkend is, maar dit mijns inziens geen nadere motivering behoefde. Dat vernietiging ‘te verstrekkend [zou] zijn’, is juist te zien als de motivering voor de weigering op grond van artikel 8:31 van de Awb de beschikking te vernietigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.21 Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij het Hof van 19 juli 2017 heeft het Hof benadrukt dat in het kader van het aannemelijk maken door de Ontvanger van het bestaan van kennelijk onbehoorlijk bestuur, geen gebruik mag worden gemaakt van (thans verdwenen) bewijsstukken die afkomstig zijn uit het FIOD-dossier of die zijn afgeleid uit het FIOD-dossier, zodat belanghebbende zich niet in een nadeliger bewijspositie bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.22 Kennelijk heeft het Hof ook zonder het FIOD-dossier voldoende aanleiding gezien om te komen tot het oordeel dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur door belanghebbende. Dat oordeel acht ik niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk, zoals ik hierna nog nader zal toelichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.23 Een en ander moet betekenen dat dit middel niet tot cassatie kan leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Bespreking middel 5: kennelijk onbehoorlijk bestuur Hof 7.1 Het Hof heeft geoordeeld, voor zover thans van belang, in r.o. 4.10 tot en met 4.13:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijk onbehoorlijk bestuur 4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 36, lid 3, van de Wet, kan pas worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - gehandeld zou hebben als de aansprakelijk gestelde bestuurder heeft gedaan. Dit is onder meer het geval indien de aansprakelijk gestelde bestuurder van een lichaam heeft bewerkstelligd dat belastingschulden van dat lichaam onbetaald zijn gebleven terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven en hem te dezer zake persoonlijk een ernstig verwijt treft (HR 31 maart 2017, nr. 15/02939, ECLI:NL:HR:2017:530). Hierbij dienen alle ter zake dienende omstandigheden in onderling verband en samenhang te worden betrokken (HR 14 oktober 2005, nr. C04/172HR, ECLI:NL:HR:2005:AT6017).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, rust op de Ontvanger de last feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de hier aan de orde zijnde periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Ontvanger heeft zich ter zitting van het Hof op het standpunt gesteld dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur omdat belanghebbende toen het haar - na het overlijden van Van de Ven op 11 september 2006 - in januari 2007 duidelijk was geworden dat de loonadministratie en daarmee de aangiften onjuist waren, pas vanaf week 13 (april) 2007 acties heeft ondernomen om de onjuistheden aan te passen terwijl die acties niet hebben bestaan uit het indienen van een suppletie-aangifte, maar het vanaf week 13 (april) 2007 tot week 26 (juli) 2007 geleidelijk indienen van minder onjuiste aangiften en het vanaf week 26 (juli) 2007 indienen van juiste aangiften.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het Hof is de Ontvanger in zijn bewijslast geslaagd. Hierbij heeft het Hof het volgende in aanmerking genomen. Gelet op de strekking van de bestuurdersaansprakelijkheid - bestrijding van misbruik - vormt ook het opzettelijk achterwege laten van de inhouding en afdracht van verschuldigde loonbelasting en premies kennelijk onbehoorlijk bestuur (HR 4 februari 2011, nr. 09/03451, ECLI:NL:HR:2011:BP2982, rechtsoverweging 3.3.3, en HR 11 januari 1995, nr. 29170, ECLI:NL:HR:1995:AA3054, BNB 1995/203). Daarbij heeft in het aansprakelijkheidsrecht te gelden dat eenieder in beginsel alleen voor zijn eigen daden en nalatigheden aansprakelijk is te houden, behoudens welomschreven, op de wet gebaseerde, uitzonderingen (vgl. HR 8 augustus 2014, nr. 12/05618, ECLI:NL:HR:2014:2149 en HR 11 november 2005, nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">C04/197HR, ECLI:NL:HR:2005:AT6018). Aangezien belanghebbende - naar zij heeft erkend - in januari 2007, nadat het haar duidelijk was geworden dat de loonadministratie van de BV en daarmee de ingediende aangiften onjuist waren, geen contact met de Belastingdienst heeft opgenomen, is er naar het oordeel van het Hof sprake van het ‘opzettelijk achterwege laten’ van de zijde van belanghebbende. Belanghebbende heeft de situatie dat er sprake is van een te lage inhouding en afdracht van verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen in stand gelaten. Hierbij merkt het Hof nog op dat op het moment dat belanghebbende - naar zij heeft erkend - in januari 2007 bekend werd met de fiscale onjuistheden er voldoende financiële middelen in de BV aanwezig waren, zij desondanks er niet voor heeft gekozen om contact met de Belastingdienst op te nemen en de kennelijk aanwezige financiële middelen aan te wenden voor de betaling van de verschuldigde belasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook merkt het Hof nog op dat op 5 november 2006 het boekenonderzoek reeds was aangevangen (zie 2.2) en dat belanghebbende bekend was met de brief van 30 oktober 2006 (zie 2.5) zodat belanghebbende op 5 november 2006 redelijkerwijs kon twijfelen aan de juistheid van de reeds ingediende aangiften. [] Cassatiemiddel 5 7.2 Belanghebbende draagt als vijfde middel voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof (in overwegingen 4.10 tot en met 4.13) ten onrechte oordeelt dat belanghebbende kennelijk onbehoorlijk heeft bestuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 In de toelichting op het vijfde middel stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het Hof een verkeerde maatstaf heeft aangelegd bij het oordeel dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Volgens belanghebbende heeft het Hof het vereiste van ‘opzettelijk achterwege laten’ als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2011 verkeerd uitgelegd. Van ‘opzettelijk achterwege laten’ als bedoeld in voornoemd arrest is volgens belanghebbende geen sprake in casu, alwaar zij als bestuurder geen contact met de Belastingdienst heeft opgenomen nadat aangiften zijn gedaan en geconstateerd wordt dat er fouten zijn gemaakt in die aangiften.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Anders dan in de zaak leidend tot het arrest van 4 februari 2011, is er in casu volgens belanghebbende geen wetenschap van het onjuist doen van aangifte en heeft het Hof dit in casu ook niet vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Voorts bestrijdt belanghebbende ’s Hofs vaststelling dat er voldoende financiële middelen in [A] BV aanwezig waren en diverse vaststellingen van feiten en omstandigheden door het Hof als bedoeld in r.o. 4.12 en 4.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling cassatiemiddel 5 7.6 Op grond van artikel 36, derde lid, IW 1990, is indien aan de meldingsplicht als bedoeld in artikel 36, tweede lid, IW 1990 is voldaan ‘een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling’.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 In casu is de melding betalingsonmacht op 4 november 2009 door belanghebbende gedaan en op 5 november 2009 door de Ontvanger ontvangen. Het gaat in casu dus om kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode tussen 5 november 2006 en 5 november 2009, terwijl de aan [A] BV opgelegde naheffingsaanslagen LB/PVV betrekking hebben op de periode 1 januari 2004 t/m 31 december 2005, waarvoor belanghebbende aldus aansprakelijk is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8 De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 december 1993 geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middel 13 berust op de onjuiste opvatting dat een bestuurder ingevolge het bepaalde in artikel 32a van de Wet [de rechtsvoorganger van IW 1990, A-G] slechts aansprakelijk kan worden gesteld voor belastingschulden welke zijn ontstaan tijdens de in dat artikel bedoelde periode van drie jaar en treft daarom evenmin doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9 Bij arrest van 4 februari 2011 heeft de Hoge Raad overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft zijn oordeel dat het niet betalen van de onderhavige belastingschulden het gevolg is geweest van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur erop gebaseerd dat belanghebbende wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat belasting- en premieschulden van de BV onbetaald zouden blijven en dat hem te dezer zake persoonlijk een ernstig verwijt treft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middel II betoogt dat het Hof hierbij van een onjuist criterium is uitgegaan en verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2001, C99/298HR, LJN AB2053, NJ 2001/454.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurdersaansprakelijkheid van artikel 36 IW 1990 is inhoudelijk een ongewijzigde voortzetting van de bestuurdersaansprakelijkheid zoals deze bij Wet van 21 mei 1986, Stb. 276 (hierna: WBA), was neergelegd in de artikelen 32 en 32a van de Wet op de loonbelasting 1964 en de artikelen 41a en 41b van de Wet op de omzetbelasting 1968. Gelet op de strekking van de WBA - bestrijding van misbruik - vormt ook het opzettelijk achterwege laten van de inhouding en afdracht van verschuldigde loonbelasting en premies en het opzettelijk niet voldoen van verschuldigde omzetbelasting kennelijk onbehoorlijk bestuur (vgl. de in de onderdelen 3 en 5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest van de Hoge Raad van 22 december 1993, nr. 28672, BNB 1994/151, vermelde wetsgeschiedenis). 's Hofs oordeel dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur aangezien belanghebbende persoonlijk een ernstig verwijt treft omdat hij als bestuurder van de BV heeft bewerkstelligd dat de onderhavige belastingschulden onbetaald bleven terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat belasting- en premieschulden van de BV onbetaald zouden blijven, getuigt gelet op vorenbedoelde wetsgeschiedenis niet van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het middel faalt derhalve.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10 ’ ’s-Hofs overweging dat er sprake is van het ‘opzettelijk achterwege laten’ door belanghebbende, aangezien belanghebbende ‘nadat het haar duidelijk was geworden dat de loonadministratie van de B.V. en daarmee de ingediende aangiften onjuist waren’ geen contact heeft opgenomen met de Belastingdienst, acht ik niet onbegrijpelijk. Uit de aldus gegeven motivering kan mijns inziens namelijk worden afgeleid dat belanghebbende ‘wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat belasting(…) schulden van de BV onbetaald zouden blijven’, als bedoeld in het arrest van 4 februari 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.11 Ook het vijfde middel faalt. p 8Bespreking middel 6: hoogte aansprakelijkheid Hof 8.1 Het Hof heeft ten aanzien van de hoogte van de aansprakelijkstelling overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het niet voldoen door de Ontvanger aan de op hem rustende verplichting tot het overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, is niet uit te sluiten dat belanghebbende daarmee in haar bewijspositie is geschaad. Dit klemt te meer nu het gevolg daarvan zou kunnen zijn dat belanghebbende zich mogelijk niet op alle punten kan verweren tegen de hoogte van de aansprakelijkstelling. Onder deze omstandigheden acht het Hof het in het kader van de toepassing van artikel 8:31 van de Awb passend, dat belanghebbende voor het Hof alle feiten en omstandigheden kan aanvoeren tegen de hoogte van de aansprakelijkstelling, ook al zouden die al eerder in het kader van de naheffingsaanslag aan de Rechtbank zijn voorgelegd. Het Hof verwijst naar de rechtsoverwegingen 4.21 en verder van deze uitspraak. Gelet op het feit dat belanghebbende op 17 september 2012 inzage heeft gehad in de onderliggende stukken van het boekenonderzoek, ziet het Hof geen aanleiding om de bewijslast, voor zover deze volgens de normale bewijslastverdeling op belanghebbende rust, ingevolge artikel 8:31 van de Awb te verschuiven naar de Ontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatiemiddel 6 en beoordeling 8.2 Belanghebbende draagt als zesde middel voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof (in overwegingen 4.14 tot en met 4.35) ten onrechte oordeelt dat de hoogte van de aansprakelijkheid niet verminderd/aangepast moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Blijkens de toelichting op het zesde middel klaagt belanghebbende dat het Hof niet is ingegaan op belanghebbendes stelling dat de aansprakelijkstelling met een bedrag van € 9.567 moet worden verlaagd. Deze klacht faalt, wegens onjuiste lezing van de uitspraak van het Hof. In r.o. 4.29 is het Hof namelijk op deze stelling ingegaan. Hetzelfde geldt voor belanghebbendes klacht dat het Hof niet is ingegaan op belanghebbendes stelling over extrapolaties. De ter zake door het Hof gemaakte afwegingen zijn naar mijn mening niet onbegrijpelijk te achten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4 Aldus strandt het zesde middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Bespreking middel 7 FIOD-stukken; onschuldpresumptie Cassatiemiddel 7 9.1 Belanghebbende draagt als zevende middel voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof ten onrechte niet respondeert op de stelling van belanghebbende dat het sepot van de Officier van Justitie aansprakelijkheid voorkomt, zoals door uw Raad beslist in het arrest van 2 juni 2017, NTFR 2017/1432.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Gelet op de toelichting op het middel, stelt belanghebbende dat door ’s Hofs overwegingen over belanghebbendes wetenschap van een onjuiste administratie en ingediende aangiften (alsmede dat belanghebbende moest twijfelen aan de juistheid van de aangiften) een verband bestaat tussen de fiscale procedure en het strafrechtelijke sepot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling cassatiemiddel 7 9.3 Het lijkt mij de vraag of hier sprake is van een schending van de onschuldpresumptie en meer in het bijzonder of ’s Hofs oordeel dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, twijfel oproept over de juistheid van de gronden van het sepot.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft ten aanzien van de seponering overwogen: ‘Naar aanleiding van het in 2006 aangevangen boekenonderzoek heeft eind 2006 een aanmelding plaatsgevonden bij het Openbaar Ministerie ter zake van het vermoeden van een fiscaal delict. De zaak is op 12 oktober 2009 geseponeerd’.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5 De Hoge Raad heeft bij arrest van 2 juni 2017 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de rechtspraak van het EHRM leidt de Hoge Raad af dat het in artikel 6, lid 2, EVRM neergelegde vermoeden van onschuld niet is beperkt tot procedures betreffende een ‘criminal charge’, maar zich kan uitstrekken tot een daarop volgende bejegening door een bestuurlijke autoriteit of gerechtelijke procedure die op zichzelf bezien niet onder de reikwijdte van artikel 6, lid 2, EVRM valt (zoals een procedure betreffende een belastingaanslag). In laatstbedoelde gevallen dient de belanghebbende te stellen en te bewijzen dat een voldoende verband (‘link’) bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en de latere bejegening door een bestuurlijke autoriteit of de latere gerechtelijke procedure. Een dergelijk verband is bijvoorbeeld aanwezig als die latere procedure een onderzoek vereist van de uitkomst van de eerdere strafrechtelijke procedure, in het bijzonder in een geval waarin die latere procedure de rechter dwingt tot een onderzoek van een strafrechtelijk oordeel, tot een heroverweging of beoordeling van het bewijs in het strafrechtelijke dossier, tot een oordeel over de deelname van de belanghebbende aan de gebeurtenissen die hebben geleid tot de eerdere ‘criminal charge’, of tot een oordeel over de bestaande aanwijzingen van mogelijke schuld van de belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hiervoor bedoelde verband met artikel 6, lid 2, EVRM is niet beperkt tot de situatie waarin de strafrechtelijke procedure is geëindigd in een vrijspraak, maar kan ook aan de orde zijn indien het betreft belanghebbenden “in respect of whom criminal proceedings have been discontinued”. Vergelijk voor dit een en ander EHRM 12 juli 2013, nr. 25424/09, Allen tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409, punten 92 tot en met 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de rechtspraak van het EHRM volgt tevens dat een strafrechtelijke vrijspraak niet eraan in de weg hoeft te staan dat in een latere gerechtelijke procedure de gedragingen waarvan de belanghebbende is vrijgesproken, als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs bewezen worden verklaard, mits de rechterlijke autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in de strafzaak werd verweten (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643, BNB 2015/173, rechtsoverweging 2.6.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen hiervoor in 2.4.1 en 2.4.2 is overwogen, brengt mee dat ook in een geval waarin een strafrechtelijke vervolging door seponering is beëindigd en het daardoor niet tot een rechterlijke uitspraak is gekomen, bij een latere bejegening door een bestuurlijke autoriteit of in een latere gerechtelijke procedure sprake kan zijn van schending van artikel 6, lid 2, EVRM. Dit zal zich onder meer kunnen voordoen als het sepot een zogenoemd technisch sepot is, inhoudend dat niet (verder) wordt vervolgd op de grond dat onvoldoende bewijs aanwezig is. In een dergelijk geval is niet uitgesloten dat de latere bejegening door de desbetreffende bestuurlijke autoriteit of de uit de latere gerechtelijke procedure voortvloeiende uitspraak van de rechter twijfel doet ontstaan over de juistheid van de gronden waarop is beslist de strafrechtelijke vervolging niet aan te vangen of niet door te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste middelonderdeel kan evenwel niet tot cassatie leiden. Uit ’s Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende, op wiens weg dit had gelegen, feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de gevolgtrekking kunnen rechtvaardigen dat het door de Inspecteur ingenomen standpunt en het oordeel van het Hof met betrekking tot de onderhavige aanslagen of de vergrijpboete in strijd met artikel 6, lid 2, EVRM twijfel oproept over de juistheid van de gronden van het sepot. Met name heeft belanghebbende niet het hiervoor in 2.4.1 bedoelde vereiste verband geadstrueerd, reeds omdat niet is gesteld noch is gebleken van welke strafbare feiten belanghebbende werd verdacht. Het Hof hoefde zich derhalve niet te laten weerhouden van het oordeel dat belanghebbende inkomsten uit hennepteelt heeft genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6 Belanghebbende heeft in haar beroepschrift in eerste aanleg bij de Rechtbank opgemerkt over het sepot:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>Het strafrechtelijk onderzoek tegen het lichaam en belanghebbende heeft geleid tot een sepot. Het Openbaar Ministerie zag geen bewijs om belanghebbende verwijten te maken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">51.</span>Onder deze omstandigheden is aan belanghebbende geen verwijt te maken van kennelijk onbehoorlijk bestuur.</div>\n<p class=\"lf-p\">9.7 In de toelichting op haar tweede middel in de eerste cassatieronde (HR nr. 16/01532) heeft belanghebbende geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende heeft in haar verdediging telkens verwezen naar het sepot dat is gekomen op het strafrechtelijk onderzoek. Daaruit kan niet anders worden afgeleid dan dat belanghebbende geen verwijt gemaakt kan worden. Als bovendien het proces-verbaal van de Fiod niet voorhanden is, kan enkel uit de beweegredenen van de Officier worden afgeleid waarom tot een sepot is gekomen. Belanghebbende wijst er op dat zij noch de vennootschappen vervolgd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het sepot wegens gebrek aan bewijs betekent niet meer en minder dan dat de Officier geen bewijs aanwezig acht dat belanghebbende en/of de vennootschappen verwijtbaar hebben gehandeld. Dat constaterend kan enkel door kennisname van de beweegredenen van de Officier tot een andere conclusie worden gekomen dan dat de vennootschappen en belanghebbende niet opzettelijk onjuiste aangifte hebben gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8 In het proces-verbaal van de zitting van het verhandelde ter zitting bij het Hof van 19 juli 2017 is, voor zover thans van belang, ten aanzien van het sepot opgemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">In reactie op pagina 3, achtste alinea, van de pleitnota verklaart de Ontvanger dat het sepot niet is ingebracht, omdat hij hier niet over beschikt of over heeft beschikt. Hij heeft het sepot zelfs nooit ingezien. Daarnaast is het sepot naar zijn mening niet relevant, omdat dit de strafrechtelijke kant van de zaak betreft. De aansprakelijkstelling is gebaseerd op de door Inspecteur vastgestelde feiten. Wat de FIOD verder met de zaak heeft gedaan, is naar zijn mening fiscaal niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter houdt de Ontvanger voor dat Hof ’s-Hertogenbosch het sepot kennelijk wel relevant achtte en hem heeft verzocht het sepot in te brengen. De Ontvanger herhaalt dat het sepot naar zijn mening niet relevant is en hij hier niet over beschikt. Hij heeft naar aanleiding van het verzoek van Hof ’s-Hertogenbosch de strafrechtelijke stukken tevergeefs geprobeerd te verkrijgen. Bij brief van 1 mei 2017 heeft hij voorts opnieuw verzocht om de strafrechtelijke stukken aan hem te doen toekomen. Ook op deze brief is vooralsnog geen reactie gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter merkt op dat de Ontvanger de strafrechtelijke procedure en de onderhavige los van elkaar lijkt te zien en houdt de Ontvanger voor dat de Hoge Raad bij arrest van 2 juni 2017, nr. 15/05179, ECLI:NL:HR:2017:958 heeft geoordeeld dat de belastingrechter in het kader van de onschuldpresumptie rekening moet houden met de uitkomst van een strafrechtelijke procedure, ook als deze door seponering is beëindigd. Het verbaast de voorzitter dan ook dat de Ontvanger stelt dat de uitkomst van de strafrechtelijke procedure niet relevant is voor de onderhavige procedure, omdat dit in het licht van de onschuldpresumptie mogelijk wel relevant kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Ontvanger verklaart in reactie hierop niet bekend te zijn met dit recente arrest en wijst erop dat dit arrest nog niet was gewezen toen de procedure bij Hof ’s-Hertogenbosch voorlag. Het Hof merkt op dat de Hoge Raad in het zojuist genoemde arrest alleen heeft verduidelijkt hoe in belastingzaken met de onschuldpresumptie omgegaan dient te worden. In het arrest is dus geen nieuwe rechtsregel neergelegd, maar slechts een uitleg gegeven van reeds bestaand recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In reactie op pagina 4, derde alinea, van de pleitnota verklaart de Ontvanger dat naar zijn mening de argumentatie van de officier van justitie om de strafrechtelijke procedure jegens belanghebbende te seponeren naar zijn mening niet van belang is, omdat ook het FIOD- dossier naar zijn mening niet relevant is.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.9 De redenen om hier over te gaan tot sepot blijken niet uit het beschikbare procesdossier. In het algemeen geldt dat er verschillende redenen kunnen zijn om te seponeren, zoals de te lage prioriteit van de strafzaak of de voorkeur van de Belastingdienst om alsnog af te doen met een boete. Ook zou het kunnen gaan om bewijsproblemen bij het strafrechtelijk vereiste van ‘opzet’ hetgeen meer is dan ‘grove schuld’ bij beboeting, zoals in casu. Dit laatste blijft hierbij dus open staan. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat in het sepot te kennen gegeven zou zijn dat is geseponeerd omdat zou zijn komen vast te staan dat belanghebbende of haar B.V. geen enkel verwijt treft. Dat is in het algemeen ongebruikelijk en lijkt mij hier niet in de rede te liggen gezien de vastgestelde feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.10 Een schriftelijke kennisgeving van sepot moet zijn verzonden aan belanghebbende en/of haar B.V. Die heeft belanghebbende echter niet overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.11 Het gaat materieel mijns inziens nog verder, omdat belanghebbende, op wie hier stelplicht rust, niet gesteld heeft dat en met name hoe, een te omschrijven redengeving voor het sepot in de weg zou staan aan de constatering dat hier sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.12 Belanghebbende heeft mijns inziens geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de gevolgtrekking kunnen rechtvaardigen dat het door de Ontvanger ingenomen standpunt en het oordeel van het Hof met betrekking tot de onderhavige naheffingsaanslagen of de vergrijpboete, in strijd met artikel 6, tweede lid, van het EVRM, twijfel zou oproepen over de juistheid van de gronden van het sepot. Daarmee valt mijns inziens het doek.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.13 Het zevende middel kan evenmin tot cassatie leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Bespreking middel 8: proceskostenvergoeding Hof 10.1 Het Hof heeft geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof acht geen grond aanwezig voor een integrale proceskostenvergoeding. De Ontvanger treft naar het oordeel van het Hof geen verwijt dat hij een uitspraak heeft gedaan terwijl op dat moment duidelijk is dat die uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook heeft de Ontvanger naar het oordeel van het Hof niet in vergaande mate onzorgvuldig gehandeld (vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011 :BP2975).</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatiemiddel 8 10.2 Belanghebbendes achtste middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte aan belanghebbende geen hogere vergoeding dan de forfaitaire proceskostenvergoeding heeft toegekend. Volgens belanghebbende is sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op grond waarvan kan worden afgeweken van de forfaitaire berekening van de toe te kennen proceskostenvergoeding. Het niet overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken kwalificeert volgens belanghebbende als onzorgvuldig handelen van de Ontvanger, dan wel het tegen beter weten in procederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling cassatiemiddel 8 10.3 In het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 is overwogen dat voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit grond is indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 Het moet in uitgangspunt dus gaan om een uitspraak of beschikking en niet om een proceshandeling, zoals de verplichting voor een bestuursorgaan ingevolge artikel 8:42 van de Awb de op de zaak betrekking hebbende stukken te over te leggen. Echter, blijkens het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2011 is niet uit te sluiten dat ook in andere gevallen aanleiding kan bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5 In dit verband kan worden gewezen op de uitspraak van gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de zogenoemde tipgeverzaak, waar het Hof aanleiding heeft gezien om af te wijken van de forfaitaire proceskostenvergoeding.Dit wegens (a) de bewerkelijkheid van de onderhavige zaak, (b) de – niet alleen in kwantitatief, maar ook in kwalitatief opzicht – meer dan gebruikelijke correspondentie en de meer dan gebruikelijke zittingen, en (c) de procesopstelling van de inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 Een en ander blijft ter beoordeling van de feitenrechter. Aan diens oordeel om al dan niet een hogere proceskostenvergoeding dan de forfaitaire toe te kennen, worden geen hoge motiveringseisen gesteld. Thans komt men in cassatie, naar het mij voorkomt, niet verder dan de constatering dat ’s Hofs oordeel over de proceskosten geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk te achten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7 Aldus moet het achtste middel het lot van de voorgaande delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2018, nr. 16/01500, ECLI:NL:GHARL:2018:1165, NTFR 2018/618 met noot Dijkstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2018, nr. 16/01501, ECLI:NL:GHARL:2018:1167, NLF 2018/0569 met noot Vetter.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak met nummer 18/00984 gaat het om een beschikking aansprakelijkstelling ten aanzien van door een BV onbepaald gebleven naheffingsaanslagen LB/PVV over de periodes 13 mei 2005 tot en met 31 december 2005, 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 en 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 ten bedrage van in totaal € 806.513.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Breda 6 april 2011, nr. 10/2332, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ3309, FutD 2011-1087.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 juni 2013, nr. AWB 12/7330, ECLI:NL:RBZWB:2013:5880, V-N 2013/43.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep is gegrond verklaard ten aanzien van belanghebbendes stelling dat hij recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar door de Ontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 februari 2016, nr. 13/00892, ECLI:NL:GHSHE:2016:419, V-N 2016/27.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep is gegrond verklaard voor zover het betreft belanghebbendes stelling dat hij recht heeft op een hogere dwangsom dan door de Rechtbank is uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft daarbij overwogen dat de hoogte van de belastingaanslag, waarvoor aansprakelijk wordt gesteld, in de aansprakelijkheidsprocedure ook ter discussie stond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij brief van 14 november 2014 heeft de Ontvanger het Hof geïnformeerd, dat het FIOD-dossier na het sepot is vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: bedoeld zal zijn artikel 36, vierde lid, laatste volzin van de IW 1990.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 2 december 2016, nr. 16/01532, ECLI:NL:HR:2016:2722, BNB 2017/36 met noot Vetter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitspraak van de Rechtbank is vernietigd (t.a.v. de verschuldigde dwangsom), de door de Ontvanger verbeurde dwangsom is vastgesteld op € 1.260. Tevens is een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend van € 500, ten laste van de Staat (Minister voor Rechtsbescherming) en is de Ontvanger veroordeeld in de (forfaitair bepaalde) proceskosten en is gelast dat de Ontvanger het door belanghebbende griffierecht vergoedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij zij opgemerkt dat ik bepaalde cassatiemiddelen in samenhang moeten worden behandeld en daarom in onderdelen zijn samengevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 juni 2013, nr. AWB 12/7330, ECLI:NL:RBZWB:2013:5880, V-N 2013/43.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 2 december 2016, nr. 16/01532, ECLI:NL:HR:2016:2722, BNB 2017/36 met noot Vetter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij arrest van 6 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:10) heeft de Hoge Raad ter verbetering van het arrest van 2 december 2016 een herstelarrest gewezen, waarin staat dat in het dictum van het arrest de zinsnede \"vernietigt de uitspraak van het Hof,\" wordt vervangen door: \"vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de dwangsom en het griffierecht,\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: bedoeld zal zijn artikel 36, vierde lid, laatste volzin, IW 1990.</p>\n<p class=\"lf-p\">NTFR 2018/618.</p>\n<p class=\"lf-p\">NLF 2018/0569.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Breda 6 april 2011, nr. 10/2332, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ3309, FutD 2011-1087.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 9 augustus 2013, nr. 12/02248, ECLI:NL:HR:2013:198, BNB 2013/219 met noot Zwemmer.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 445.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: ‘HR 20 maart 1959 (civiele kamer), NJ 1959/581.’ Voetnoot in origineel: ‘Zie HR 6 maart 1946, B. 8200 (sprekend over nieuwe gezichtspunten), HR 20 oktober 1954, BNB 1954/348, en HR 9 juni 1976, BNB 1976/169. Vgl. ook van de civiele kamer HR 27 april 1990, NJ 1990/528, en HR 25 maart 2011, NJ 2013/5 (in dit geval werden nieuwe producties aanvaard waarmee een partij haar eerdere stellingen had gepreciseerd en nader onderbouwd).’ Conclusie A-G IJzerman 11 november 2011, nr. 10/03793, ECLI:NL:PHR:2011:BQ0540, BNB 2011/300.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opgemerkt zij dat het oordeel van het Hof dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur niet lijkt te zijn gegrond op nieuw aangevoerde feiten en omstandigheden, als aangevoerd door de Ontvanger. Dit oordeel is naar mijn mening vooral gebaseerd op door belanghebbende ter zitting van het Hof gegeven verklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting bij het Hof van 19 juli 2017 heeft de Ontvanger het standpunt ingenomen ‘dat het sepot niet is ingebracht, omdat hij hier niet over beschikt of over heeft beschikt’. Voorts achtte de Ontvanger het sepot niet relevant is. De voorzitter van het Hof heeft de Ontvanger voorgehouden ‘dat Hof ’s-Hertogenbosch het sepot kennelijk wel relevant achtte en hem heeft verzocht het sepot in te brengen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 16 december 1993, houdende wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, Stb. 1993, 650.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 121.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, V-N 2015/20.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 18 december 2015, nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600, na conclusie A-G IJzerman, BNB 2016/39 met noot Haas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2014, nr. 12/05832, ECLI:NL:HR:2014:3041, BNB 2015/46.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak HR nr. 18/00984 is daaraan door het Hof toegevoegd: ‘Belanghebbende is, ondanks dat zij –naar zij heeft erkend - in januari 2007 bekend werd met de onjuistheden in de loonadministratie en de ingediende aangiften, pas vanaf week 13 (april) 2007 tot week 26 (juli) 2007 geleidelijk overgegaan tot het indienen van minder onjuiste aangiften en vanaf week 26 (juli) 2007 tot het indienen van juiste aangiften’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat belanghebbende in dit kader om: vaststellingen t.a.v. de na 1 januari 2007 gedane aangiften (zie r.o. 4.12) en de vaststelling dat aanleiding bestond om te twijfelen aan de ingediende aangiften (zie r.o. 4.13).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, er wordt dan bij de driejaarstermijn niet zoals in artikel 36, vierde lid, IW 1990 aangesloten bij het moment dat het lichaam in gebreke is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/03451, ECLI:NL:HR:2011:BP2982, BNB 2011/109 met noot Zwemmer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onderdeel 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarvoor r.o. 4.17 van de uitspraak van het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 2 juni 2017, nr. 15/05179, ECLI:NL:HR:2017:958, BNB 2017/181 met noot de Bont.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 69 e.v. van de AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 67f, eerste lid, van de AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. r.o. 2.4.4 van het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802, BNB 2007/260 met noot Pechler.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975, BNB 2011/103.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 februari 2018, nr. 16/00009, ECLI:NL:GHSHE:2018:515, NTFR 2018/614 met noot Van der Voort Maarschalk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975, BNB 2011/103 en Hoge Raad 30 augustus 1996, nr. 30 881, ECLI:NL:HR:1996:AA2060, BNB 1996/373 met noot Ilsink.</p></div>", "next": 0}