{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Hoge Raad 12 maart 2004, nr. 37 801, na conclusie A-G Groeneveld, ECLI:NL:HR:2004:AF4956, BNB 2004/270 met noot Freudenthal, V-N 2004/15.11 met aantekening van de redactie, FED 2004/412 met noot Bollen-Vandenboorn, NTFR 2004/375 met commentaar Lighart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 29 maart 1944, nr. B 7821.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 1 maart 1950, nr. B 8789, ECLI:NL:HR:1950:117.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad heeft het over schuldenaar maar zal schuldeiser hebben bedoeld. Zie ook HR BNB 1982/328 in onderdeel 4.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 16 september 1953, nr. 11 462, BNB 1953/220.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 4 november 1953, nr. 11 430, ECLI:NL:HR:1953:AY3379, BNB 1953/337 met noot Smeets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 23 april 1958, nr. 13 524, BNB 1958/187.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 3 november 1982, nr. 21 204, ECLI:NL:HR:1982:AW9442, BNB 1982/328, FED 1983/1003.1 met noot Rijkers, V-N 1982/2374, 16 met aantekening van de redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 18 december 1985, nr. 23 186, ECLI:NL:HR:1985:AW8131, BNB 1986/49, V-N 1986/269, 23, FED 1986/807.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 21 december 1988, nr. 25 891, ECLI:NL:HR:1988:ZC3958, BNB 1989/120 met noot Hofstra, FED 1989/134 met noot Van Dijk, V-N 1989/181,11 met aantekening van de redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 22 februari 1989, nr. 25 961, ECLI:NL:HR:1989:ZC4000, BNB 1989/124 met noot Van Dijck, V-N 1989/1017, 6 met aantekening van de redactie, FED 1989/174.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 26 september 1998, nr. 33 238, ECLI:NL:HR:1998:AA2323, BNB 1998/290 met noot Kavelaars, V-N 1998/33.5 met aantekening van de redactie, FED 1998/460 met aantekening Van Dijck.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 1998/290.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.E.A.M. van Dijck en I.J.F.A. van Vijfeijken, Het kasstelsel in de Wet IB 2001, FED: Deventer 2006, p.126-127 en p. 131.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Laatstelijk HR BNB 1998/290”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “In deze geest ook Hof Arnhem 1964 FED IB artikel 15[1]:25.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “In zijn FED-aantekening 1993/312”.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.E.A.M. van Dijck en I.J.F.A. van Vijfeijken, Het kasstelsel in de Wet IB 2001, FED: Deventer 2006, p. 89.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Asser-Hartkamp 4-1 blz. 466 e.v.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraak van de Raad van Beroep Amsterdam in onderdeel 4.15 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de zaak HR B 8425 in onderdeel 4.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">NTFRB 2018/5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Hof Arnhem-Leeuwarden 5 september 2017, nr. 16/00337, NTFR 2017/2672, met commentaar van Oosterbaan”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “HR 28 oktober 2016, nr. 15/05890, NTFR 2016/2604, met commentaar van Bitter”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Uit de gepubliceerde uitspraak blijkt niet dat de inspecteur de stelling heeft ingenomen dat het aldus verminderde loon dient te worden verhoogd tot het niveau van het fictieve loon ex art. 12a Wet LB 1964”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “HR 16 september 1953, nr. 11.468, BNB 1953/220”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Hof Den Haag 23 juli 2013, nrs. 12/00391 en 12/00392, NTFR 2013/2316. Deze uitspraak is door HR 3 april 2015, nr. 13/04361, NTFR 2015/1157, zonder nadere motivering ex art. 81, lid 1, Wet RO gesanctioneerd”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “J.E.A.M. van Dijck en I.J.F.A. van Vijfeijken, Het kasstelsel in de Wet IB 2001, Fed, Deventer 2006 (2e druk), p. 90”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “In zijn commentaar in NTFR 2017/2672 wijst Oosterbaan op civielrechtelijke perikelen bij de door het hof voorgestane verrekening”.</p>\n<p class=\"lf-p\">N.E.D. Faber, Verrekening, Kluwer : Deventer 2005, p. 179 – 181.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, nt. CJHB (Haviltex). Vgl. ook HR 20 februari 2004, JOR 2004/157, nt. SCJJK (DSM/Fox)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Vgl. HR26 januari 2001, NJ 2002, 118, nt. JH (Standard Groep Holland BV /ING). In zijn noot onder dit arrest merkt Hijma terecht op dat de verwijzing van de Hoge Raad naar art. 6:130 BW moet worden gelezen als een verwijzing naar art. 6:140 BW”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Vgl. (in verband met een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking) HR 26 januari 2001, NJ 2002, 118, nt. JH (Standard Groep Holland BV /ING)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 6, blz. 517-518; MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, blz. 520, en MvT, Parl. Gesch. Overgangsrecht (Inv. 3, 5 en 6), blz. 163. Vgl. ook HR 21 september 1988, BNB 1989, 71, nt. JB (X te Z) en HR 3 mei 1989, NJ 1990, 711, nt. CJHB (X te Z). Vgl. voorts Asser-Hartkamp 4-I (2004), nr. 559.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Vgl. HR 7 november 1913, NJ 1913, blz. 1225 e.v. (Schaub/Vis)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">N.E.D. Faber, Verrekening, Kluwer : Deventer 2005, p. 117 – 119.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Een voorbeeld van verrekening in rekening-courant (in casu tussen een bank en haar werknemer)is te vinden in HR26 maart 1931,NJ 1931, blz. 665 e.v. (Nationale Bankvereeniging/Van der Vloodt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Aangenomen moet word en dat hieronder slechts vorderingen tot schadevergoeding zijn begrepen die met de arbeidsovereenkomst verband houden. In dezelf de zin Van der Grinten c.s., Arbeidsovereenkomstenrecht (2002), blz. 121”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Vgl. art. 7:632 lid 2, tweede zin, BW”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Vgl. MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 438, m. 3, blz. 29”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Vgl. in dit verband HR 14 juni 2002, JOR 2002/152 ( [...] / [...] c.s.), waarin de Hoge Raad de rechtsgevolgen van vernietiging (nietigheid van het betreffende beding) en van een beroep op art. 6:248 lid 2 BW (het niet van toepassing zijn van het betreffende beding) duidelijk van elkaar onderscheidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.H.J. Mijnssen, De rekening-courantverhouding, Deventer : Kluwer 2010, p. 37-40.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J. Tekstra, Verrekening door de fiscus, Deventer : Kluwer, 2011, p. 46-53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie § 1.3”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “In sommige gevallen kunnen er meer dan twee partijen bij de verrekening betrokken zijn, bijvoorbeeld omdat een vordering (gemeenschappelijk) aan twee schuldeisers toebehoort. Zie hierover B.W. Wessels in: Wessels e.a. 1996, p. 8 en 9”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie T.M. Parl. Gesch. Boek 6, p. 491” .</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie T.M. Parl. Gesch. Boek 6, p. 491 en Verbintenissenrecht Boek 6 BW, Art. 127, aant. 11 (R.J.Q. Klomp). merkt hierover op: “Inningsbevoegdheid zonder schuldeiserschap schept geen wederkerigheid.” (Faber 2005, p. 26)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie T.M. Parl. Gesch. Boek 6, p. 491”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie Verbintenissenrecht Boek 6 BW, Art. 127, aant. 15 (R.J.Q. Klomp), B.W. Wessels in: Wessels e.a. 1996, p. 20 en in hetzelfde boek M.E.M.G. Peletier, p. 29-31” .</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Die luidt: “hij bevoegd is (….) tot betaling van zijn schuld”.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie verder § 3.7”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie Verbintenissenrecht Boek 6 BW, Art. 127, aant. 16 (R.J.Q. Klomp)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie eveneens het arrest Nieuwkoop/Ontvanger, nader te bespreken in § 3.7”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie de in de vorige noot vermelde vindplaats en Asser/Hartkamp &amp; Sieburgh 6-II, p. 191”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie eveneens M.E.G.M. Peletier in Wessels e.a. 1996, p. 31-32”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie S.C.J.J. Kortmann en N.E.D. Faber in hun noot bij het arrest Kuijsters/Gaalman q.q., HR 30 september 1994, AA 1995, p. 127 en hun reactie op de reactie van R.J. Verschoof op deze noot, AA 1995, p. 573-574. Zie voorts Faber 2005, p. 66-69 met enkele voorbeelden en eveneens F.M.J. Verstijlen, ‘De directe actie in het vermogensrecht’, NJB 2009, p. 1631” .</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie art. 6:3 BW en M.E.G.M. Peletier in Wessels e.a. 1996, p. 32-36” .</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie verder § 2.2.7” .</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie voor de verrekeningsmogelijkheden van de fiscus in dit verband de § 2.4.6.4 en 2.4.8. Vindt kwijtschelding van een vordering plaats buiten het kader van een gerechtelijk crediteurenakkoord, dan wordt door de betreffende crediteur(en) afstand van recht gedaan conform art. 6:160 lid 1 BW. De vordering gaat daarmee teniet en kan om die reden niet meer in verrekening worden gebracht. Een akkoord dat tot stand is gekomen op de voet van art. 287a Fw geldt als een buitengerechtelijk onderhands akkoord (zie Wessels Insolventierecht IX, p. 52) en leidt daarom tot afstand van recht in de voornoemde zin, zonder dat een natuurlijke verbintenis resteert. Zie voor de schone lei art. 358 lid 1 Fw”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Ook kan het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn een schuldeiser na een akkoord een beroep op verrekening te ontzeggen, met name indien schuld en vordering op dezelfde contractuele verhouding berusten. Zie in dit verband HR 31 januari 1992, NJ 1992, 686, PvS (Van der Hoeven/Comtu) en R.H. van Erp, ‘Verrekening na een (faillissements)akkoord’, WPNR 1993/6079, p. 90-94”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie Verbintenissenrecht Boek 6 BW, art. 129, aant. 3 (R.J.Q. Klomp). Hartkamp en Sieburgh achten deze terugwerkende kracht niet consequent: Asser/Hartkamp &amp; Sieburgh 6-II, p. 193”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie voor een voorbeeld van deze regel: Faber 2005, p. 203”.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.B. Krans, C.J.J.M. Stolker, W.L. Valk, (red.), Burgerlijk Wetboek : de tekst van de Boeken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10 van het BW voorzien van commentaar met toevoeging van aanverwante nationale en Europese regelgeving, Deventer: Wolters Kluwer, 2017, p. 3216-3220.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. van Slooten, M.S.A. Vegter, E. Verhulp, Arbeidsrecht : de tekst van Titel 7.10 BW en andere relevante regelgeving met betrekking tot het arbeidsrecht, voorzien van commentaar, Deventer : Wolters Kluwer 2018, p. 87-89.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh 6-II 2017/225, online geraadpleegd 26 november 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Heerman van Voss, 7-V 2015/156 en 2015/157, online geraadpleegd 27 november 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Barentsen, Arbeidsovereenkomst, art. 7:632 BW, aant. 1 en 5. Online geraadpleegd op 27 november 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 2.1 van de feitenvaststelling van het Hof in onderdeel 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 2.2 van de feitenvaststelling door het Hof in onderdeel 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 2.3 van de feitenvaststelling door het Hof in onderdeel 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 2.2 voor het verwijzingsarrest HR BNB 2017/13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 2.4.1. van HR BNB 2017/13 in onderdeel 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o 4.4. van de uitspraak van het Hof in onderdeel 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het arrest HR BNB 1953/220 onderdeel 4.21 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest HR BNB 1953/220 staat: “als de schuldenaar zulks zal verzoeken”. In latere arresten, bijvoorbeeld HR BNB 1953/337, in onderdeel 4.22, en HR BNB 1982/328, niet opgenomen in deze conclusie, staat: “als de schuldeiser zulks zou verzoeken”. Gelet hierop wordt hier niet de schuldenaar bedoeld maar de schuldeiser.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 4.5 van de uitspraak van het Hof in onderdeel 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil tussen het brutoloon en het nettoloon. Zie onderdeel 5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het middel van belanghebbende onderdeel 3.1. Zie voor de toelichting onderdelen 3.2 tot en met 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het oordeel van het Hof dat het verschil tussen het brutoloon en nettoloon vorderbaar is r.o. 4.4 in onderdeel 2.3. Zie tevens belanghebbendes middel in onderdeel 3.1 waar staat dat hij in cassatie komt tegen r.o. 4.5-4.7 van het Hof in onderdeel 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o.4.5 van het oordeel van het Hof in onderdeel 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende verwijst naar de opmerkingen van Van Dijck en Van Vijfeicken in onderdeel 4.30 waar is vermeld dat de Hoge Raad een volstrekt liquide vordering wenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie R.E.C.M. Niessen, Rechtsvinding in belastingzaken: legitimatie en motivering, Sdu Uitgevers : Amersfoort 2009, p. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de wettekst van artikel 6:111 BW onderdeel 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Tekst &amp; Commentaar in onderdeel 4.37 over artikel 6:127 BW. En zie opmerkingen Faber over artikel 6:140 BW in onderdeel 4.33. Vgl. ook r.o. 3.5.2 van Hoge Raad 23 maart 2018, nr. 17/01075, ECLI:NL:HR:2018:428, NJB 2018/699, AA 20180715 met noot van Van Boom, JOR 2018/170 met noot Rongen (niet opgenomen in deze conclusie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de wettekst van artikel 6:127 BW onderdeel 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitgebreider over de bevoegdheid tot verrekening de beschrijving van Tekstra in onderdeel 4.36, de toelichting op het wederkerig schuldenaarschap in Tekst &amp; Commentaar in onderdeel 4.37 en in Asser/Sieburgh in onderdeel 4.39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de wettekst van artikel 6:140 BW onderdeel 4.5. Zie ook Faber in onderdeel 4.33 en Mijnssen in onderdeel 4.35..</p>\n<p class=\"lf-p\">T. den Boon, R. Hendrickx (red.), Groot woordenboek van de Nederlandse taal, Van Dale Uitgevers: Utrecht, 2015 Zie onderdelen 4.8 tot en met 4.13 over de parlementaire geschiedenis van thans artikel 3.146 Wet IB 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor HR B 8789 onderdeel 4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor paragraaf 22 van de toelichting en leidraad bij het Besluit IB 1941 onderdeel 4.9 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de vier gevallen onderdeel 4.8. In artikel 15 Besluit IB 1941 werd “ontvangen of verrekend zijn” als één geval beschouwd. Vanaf artikel 33 Wet IB 1964 werden “ontvangen” en “verrekenen” als twee aparte gevallen beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de Memorie van Toelichting op de Wet IB 1964 onderdeel 4.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de Memorie van Toelichting op de Wet IB 1964 onderdeel 4.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor HR B 8425 onderdeel 4.16. Van Dijck en Van Vijfeicken schrijven in onderdeel 4.31 dat de Hoge Raad hier tot een uitzonderlijk ruim begrip van ‘verrekenen’ kwam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor HR B 8789 onderdeel 4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdelen 5.31 en 5.32. Zie tevens onderdeel 5.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdelen 5.23-5.31 en 5.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdelen 4.8-4.13. Zie tevens onderdelen 5.23-5.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor HR B 8789 onderdeel 4.16. Zie tevens 5.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 4.5 in onderdeel 2.3, waar het Hof heeft vermeld dat de werknemer voldoening kan bewerkstelligen door zijn loonvordering te verrekenen met een schuld die hij aan de werkgever heeft. In r.o. 4.6 heeft het Hof vastgesteld dat belanghebbende een schuld in rekening-courant aan de BV had. Of het Hof hier de algemene verrekeningsregels van artikel 6:127 BW of verrekening in rekening-courant van artikel 6:140 BW op het oog heeft is onduidelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 4.5 in onderdeel 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie na verwijzing van de Inspecteur. Zie tevens proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 5 april 2017, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 7:632, lid 1, BW staat: “(…) is verrekening door de werkgever van zijn schuld ter zake van het uit te betalen loon slechts toegelaten met de volgende vorderingen op de werknemer”. Zie onderdeel 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 6:127, lid 2, BW in onderdeel 4.4: “Een schuldenaar heeft de bevoegdheid tot verrekening”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de gevallen waarin verrekening mogelijk is, onderdelen a tot en met e van artikel 7:632, lid 1, BW. Zie voor toelichting op deze vijf categorieën onderdeel 4.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/Heerma van Voss in onderdeel 4.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 7:632, lid 4, BW in onderdeel 4.7. Zie tevens de memorie van toelichting op boek 7 BW in onderdeel 4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Barentsen in onderdeel 4.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Mijnssen in onderdeel 4.35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdelen 5.40-5.42.</p></div>", "next": 0}