{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De getuige [getuige 18] heeft verklaard dat [getuige 17] hem in 1996 in grote lijnen ditzelfde verhaal heeft verteld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de getuige [getuige 13] De getuige [getuige 13] heeft verklaard dat hem, in een auto onderweg van Amsterdam naar Abcoude, door [betrokkene 40] en [verdachte] was verteld dat op een plek in die omgeving twee mannen waren doodgeschoten waarna hun lijken in brand waren gestoken. [verdachte] vertelde dat hij daarbij aanwezig was geweest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het OVC-gesprek tussen [verdachte] en zijn broer In een afgeluisterd en opgenomen gesprek van 12 december 2007 van [verdachte] met zijn broer spreekt [verdachte] over ‘die gozer die heeft bekend dat ie het alleen gedaan heeft’ over ‘5 ruggen die naar die kankerhoer moeten worden gebracht zodat ze d’r bek dicht houdt’ dat ‘het voor die ex is’ dat ‘die andere dood gaat’ en dat hij hoopt ‘dat ie morgen dood gaat’. Gelet op de omstandigheden dat [betrokkene 34] in november 2007 tegen de politie had verklaard dat hij de moorden in zijn eentje had gepleegd en dat [betrokkene 34] toen al lijdende was aan een dodelijke ziekte, gaat het hof er van uit dat [verdachte] hier heeft bedoeld dat er geld moest worden betaald aan [betrokkene 60] of [getuige 17] opdat zij niet zouden verklaren wat zij wisten over de moorden. Het kennelijke belang dat [verdachte] had bij het onbekend blijven van die wetenschap draagt bij aan de overtuiging dat hij betrokkenheid had bij de zaak.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de telecomgegevens Uit de telecomgegevens blijkt dat het nummer * [0001] , dat in die periode in gebruik was bij [medeverdachte 1] en/of [verdachte] op drie verschillende in deze zaak relevante momenten zendmasten aanstraalt in de omgeving van in de zaak relevante locaties. Ook blijkt dat er contacten zijn tussen aan [medeverdachte 1] , [verdachte] en [betrokkene 34] als de gebruikers daarvan toegeschreven nummers. Het hof acht hier voorts van belang de vaststellingen met betrekking tot het nummer * [0002] . Waar [medeverdachte 1] heeft verklaard dat dit nummer bij hem in gebruik was ligt het voor de hand dat, nu ook contacten tussen de * [0002] en de * [0001] zijn vastgesteld, de * [0001] op die momenten in gebruik was bij [verdachte] .”</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft het hof onder de kop “Bewijsverweren” nog – voor zover hier van belang – het volgende overwogen: “3.6.2 Bewijsverweren Ten aanzien van het bewijs in de zaak Tanta zijn door de verdediging de navolgende te bespreken verweren gevoerd. (…)</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de telecomgegevens leveren onvoldoende bewijs op De verdediging heeft gesteld dat de verkeersgegevens onvoldoende aanwijzingen opleveren voor de aanwezigheid van [verdachte] op de plaats delict.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dat, zoals onder de inleidende bewijsoverwegingen al is overwogen, ook zonder dat de precieze locaties van de gebruikte ATF’s vast kan worden gesteld, zonder dat de precieze identificatie van de bellers en/of gebelde personen mogelijk is en zonder dat de inhoud van de contacten bekend is, conclusies aan de verkeersgegevens kunnen worden verbonden. Waar door getuigen is verklaard over de betrokkenheid van [betrokkene 34] , [verdachte] en [medeverdachte 1] , zijn de vaststellingen met betrekking tot de nummers * [0001] en * [0002] op 30 maart 1993 en 31 maart 1993 en de vaststelling met betrekking tot nummer * [0001] op 1 april 1993 wel degelijk van ondersteunende betekenis.”</p>\n<p class=\"lf-p\">15.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen het hof hierboven onder het kopje “de telecomgegevens” vermeldt (arrest, par. 3.6.1) is klaarblijkelijk een samenvatting van hetgeen het hof heeft overwogen in zijn arrest onder 3.5.2.5 zoals hiervoor, onder 15.2 reeds is aangehaald. Meer in het bijzonder betreft het de volgende passage: “Met betrekking tot de zaak Tanta kan worden vastgesteld dat de * [0001] en de * [0002] beide voorafgaand aan het schieten op 30 maart 1993 te 23.40 bij de Ouderkerkerplas zendmasten aanstraalden in Amsterdam, dat zij contact met elkaar hadden en dat zij na het schieten tegelijkertijd dezelfde zendmast in Vinkeveen aanstraalden 259; de Ouderkerkerplas is gelegen tussen Amsterdam en Vinkeveen. Voorts straalden beide telefoons rond de diefstal van Opel Kadett (op 31 maart tussen 21.55 en 23.55 uur op de Karel Lotsylaan te Amsterdam) zendmasten aan, binnen het bereik waarvan die locatie was gelegen. Tenslotte straalde de * [0001] kort voor het tijdstip van de moord op 1 april 1993 te 00.45 uur bij de Ouderkerkerplas (te weten om 00.11 uur) een zendmast aan binnen het bereik waarvan die locatie was gelegen. Voorts zocht de * [0001] op dat moment contact met de huistelefoon van de familie [A] .”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen het hof heeft afgeleid uit deze vaststellingen is – anders dan het middel kennelijk wil betogen – niet onbegrijpelijk, in het bijzonder ook niet ten aanzien van de gevolgtrekking dat de verdachte op de door het hof genoemde momenten in bezit was van de telefoon met nummer * [0001] . Voor het overige stuit de klacht af op de selectie- en waarderingsvrijheid met betrekking tot het aanwezige bewijsmateriaal die aan het hof toekomt en die in cassatie niet nader kan worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de zaak ‘Cobra’ (de (medeplichtigheid aan) moord in Antwerpen op [betrokkene 8] ) bevat het middel een tweetal klachten. In die zaak heeft het hof ten aanzien van het bewijs in samenvattende zin overwogen (door mij voor de overzichtelijkheid genummerd): “3.8.1 Bewijsoverwegingen Met betrekking tot [verdachte] zijn in de zaak Cobra in het bijzonder de navolgende elementen uit de bewijsmiddelen van belang. [1] - de verklaringen van de getuige [getuige 1] De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld dat hij in de organisatie heeft gezeten van de liquidatie van twee mensen in Antwerpen. De opdracht kwam van [betrokkene 40] , voor wie [medeverdachte 1] destijds volgens [getuige 1] samen met [verdachte] werkte. Met “werken” bedoelde [getuige 1] liquideren. [medeverdachte 1] zei tegen hem dat liquideren goedkoper is dan betalen. [medeverdachte 1] vertelde dat het schieten zelf door negers was gedaan en dat de man en de vrouw in een auto hadden gezeten. [medeverdachte 1] heeft [getuige 1] verteld dat zij de avond van de liquidatie hebben verzameld bij het Hilton in Rotterdam en daar vandaan naar Antwerpen zijn gereden. [getuige 1] heeft ook verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld dat [verdachte] betrokken was bij de liquidatie in Antwerpen. Hij begeleidde de twee negers en was in ieder geval ook bij het Hilton. [2] - de verklaringen van de getuige [getuige 13] De getuige [getuige 13] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [verdachte] geweldsdelicten uitvoerden in opdracht van [betrokkene 40] . Hij heeft verklaard dat [verdachte] hem heeft verteld dat [betrokkene 40] de opdrachtgever was van een liquidatie in Antwerpen waarbij een man en zijn vriendin in een auto waren doodgeschoten. Dit omdat die man nog geld tegoed had van [betrokkene 40] en het voor [betrokkene 40] goedkoper was die man te laten liquideren dan hem te betalen. [verdachte] vertelde dat de liquidatie was uitgevoerd door [medeverdachte 3] . [3] - de verklaringen van de getuige [getuige 14]De getuige [getuige 14] heeft verklaard dat [verdachte] in zijn bijzijn heeft gezegd dat hij betrokken was bij de moord op een man en een vrouw in Antwerpen. Het vuile werk was volgens [verdachte] door [medeverdachte 3] en [betrokkene 41] uitgevoerd. [4] - de telefoongesprekken van 5 mei 1993 Uit de inhoud van deze afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 3] contact heeft met [medeverdachte 1] die hem vertelt dat hij [verdachte] moet bellen. [medeverdachte 3] belt vervolgens met [verdachte] , die hem vertelt dat hij hem die avond of de volgende ochtend geld (10.000 gulden) zal geven om ‘die dingen’ te kopen. Ook wordt in dit telefoongesprek gezegd dat ‘het ding’ snel moet. In het licht van de inhoud van de overige bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat deze gesprekken zien op de voorbereiding van de moord. Het hof stelt met het oog op de in de tenlastelegging genoemde pleegplaats vast, dat dit gesprek is gevoerd door [medeverdachte 3] vanaf een Rotterdamse (010) huisaansluiting met [verdachte] als gebruiker van de ATF * [0013] . Uit het feit dat gebruik van die ATF in die tijd slechts mogelijk was in Nederland, Zwitserland en de Scandinavische landen, in samenhang met het gegeven dat [verdachte] zegt dat hij het geld ‘vanavond of morgenochtend’ zal geven, volgt dat dit gesprek in Nederland is gevoerd. Uit het feit dat, zoals uit de hierna weer te geven verklaring van de getuige [getuige 26] en uit de uitvoering van het delict blijkt, [medeverdachte 3] en [betrokkene 41] kort nadien daadwerkelijk over een wapen beschikten, volgt dat het geld ook daadwerkelijk kort daarna door [verdachte] is gegeven; ook dit moet geacht worden in Nederland te zijn gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">[5] - de verklaring van de getuige [getuige 26]De getuige [getuige 26] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat [betrokkene 41] rond Koninginnedag 1993 van [medeverdachte 3] een koffertje kreeg, waarin een pistool, een geluiddemper en munitie zaten. Het hof overweegt dat, gelet op de datum waarop [getuige 26] dit heeft verklaard (14 december 2007), de door haar gegeven tijdsaanduiding “rond Koninginnedag 1993” zeer wel verenigbaar kan zijn met een overhandiging die in tijd is gelegen tussen de telefoongesprekken van 5 mei 1993 en het delict op 8 mei 1993. [6] - de telecomgegevens Hiervoor is onder de inleidende bewijsoverwegingen al weergegeven welke vaststellingen uit de verkeersgegevens het hof van betekenis acht in de zaak Cobra. Ten aanzien van [verdachte] zijn dan in het bijzonder de contacten in de avond van 8 mei 1993 en in de vroege ochtend van 9 mei 1993 tussen de * [0001] en de * [0005] met de huislijn * [0009] van de familie [A] en de semafoon * [0003] van belang, evenals het contact vanaf de huislijn * [0009] met de huisaansluiting van [betrokkene 40] in de avond van 8 mei 1993. [7] - de rol van [medeverdachte 3] , [betrokkene 41] en [medeverdachte 1] Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 27] en [betrokkene 44] , in samenhang met de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 13] , [getuige 14] , [getuige 26] , [getuige 15] , [getuige 16] en [getuige 8] , volgt dat [medeverdachte 3] en [betrokkene 41] de personen zijn geweest die [betrokkene 8] en [betrokkene 9] hebben beschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de verklaringen van de getuigen [betrokkene 39] en [getuige 1] , in samenhang met de telecomgegevens, volgt dat [medeverdachte 1] in de avond van 8 mei 1993 met [medeverdachte 3] en [betrokkene 41] is mee geweest naar Antwerpen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">15.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel nu bevat als derde de klacht dat de vaststelling van het hof, in het hierboven aangehaalde onder [4] dat gebruik van een ATF (de afkorting van autotelefoon) in die tijd slechts mogelijk was in Nederland, Zwitserland en de Scandinavische landen en dus destijds niet in België gebruikt kon worden onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd aan de hand van een door de toenmalige verbalisanten verricht onderzoek. Inderdaad bevat de pleitnota de verwijzing naar een proces-verbaal van een dergelijk onderzoek – ook geciteerd in het middel – maar daaruit blijkt niet anders dan dat een zich in België bevindende autotelefoon, anders dan de ‘handheld’ ATF’s waarvan de verdachten zich bedienden gekoppeld aan de dakantenne en dus beschikkend over een groter zendvermogen, onder omstandigheden wel verbinding kon maken met een Nederlands basisstation. Dat maakt de vaststelling dat in het algemeen een ATF slechts in Nederland, Zwitserland en de Scandinavische landen gebruikt kan worden niet onbegrijpelijk. Voor het overige is de vaststelling van het hof, dat de plaats van de door de verdachte verrichte (medeplichtigheids)handelingen in Nederland is gelegen, gelet op hetgeen daarbij voorts nog wordt betrokken door het hof ook geenszins onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als vierde klaagt het middel dat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat de verdachte bij een van de rond het delict plaatsgehad hebbende ontmoetingen in het Hilton in het bezit was van de * [0001] . De zin van die klacht in cassatie ontgaat mij geheel en al. Dat de verdachte bij tenminste een van die ontmoetingen aanwezig was, zoals het hof heeft vastgesteld aan de hand van een getuigenverklaring, wordt daarmee in ieder geval niet bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel faalt in al zijn onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diverse klachten ‘Tanta’ 16. Het achtste middel bevat enkele bewijsklachten met betrekking tot de zaak Tanta.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn arrest heeft het hof met betrekking tot het bewijs van dit feit in concluderende zin het volgende overwogen: “3.6.3 Conclusies 3.6.3.1 De feitelijke gang van zaken Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat :</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[betrokkene 34] , [verdachte] en [medeverdachte 1] het plan hebben gemaakt om [betrokkene 6] en [betrokkene 5] om het leven te brengen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat er tevoren met één van de te gebruiken vuurwapens is ‘proefgeschoten’;- dat er eveneens tevoren een auto is gestolen, dat [betrokkene 34] en [verdachte] in die auto met de slachtoffers naar een afgelegen en verlaten parkeerplaats zijn gereden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat daar ook [medeverdachte 1] aanwezig was en dat daar beide slachtoffers zijn doodgeschoten, terwijl één van hen gezeten op zijn knieën tevergeefs om zijn leven smeekte, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat zij vervolgens de gestolen auto en de slachtoffers in brand hebben gestoken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Gebleken is dat er met twee verschillende vuurwapens is geschoten, terwijl uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat in ieder geval [medeverdachte 1] op één van de slachtoffers heeft geschoten. Van [verdachte] kan niet worden vastgesteld of ook hij heeft geschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.3.2 Medeplegen Uit de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken volgt dat [medeverdachte 1] , [betrokkene 34] en [verdachte] als medeplegers kunnen worden aangemerkt van het delict, ook al staat niet vast wie er - naast [medeverdachte 1] - heeft geschoten. Nu [medeverdachte 1] , en [verdachte] de feiten hebben ontkend en [betrokkene 34] niet heeft verklaard over een rol van anderen, kan een ieders rol en de onderlinge taakverdeling niet met zekerheid worden vastgesteld. [verdachte] heeft voor de belastende onderzoeksbevindingen ook geen verklaring willen geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel kan op basis van de bewijsmiddelen worden vastgesteld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat [verdachte] al in de plannen van [betrokkene 34] vooraf was betrokken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat hij samen met [betrokkene 34] en de slachtoffers in de nachtelijke uren naar een afgelegen plaats is gereden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat hij aanwezig is geweest bij het doodschieten van de slachtoffers, waarbij een van de slachtoffers nog om zijn leven heeft gesmeekt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat hij aanwezig is geweest bij het vervolgens in brand steken van de slachtoffers en de auto;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat hij vervolgens met [betrokkene 34] weer naar de woning aan de [a-straat] is gereden en daar aan anderen lacherig verslag heeft gedaan van het gebeurde.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt aldus vast dat [verdachte] zowel vóór, als tijdens en ná het delict een rol heeft gehad en ten tijde van het delict daarbij aanwezig is geweest. Dat die rol slechts zou hebben bestaan uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, is niet aannemelijk geworden, reeds omdat daarvoor in de verklaringen van de verdachte, medeverdachten of getuigen geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een verondersteld distantiëren door [verdachte] is ook niet gebleken; in het naderhand lacherig verslag uitbrengen van het gebeurde vindt het hof een indicatie voor het tegendeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof betrekt tenslotte in deze overweging hetgeen al hiervoor is geconcludeerd, namelijk dat [verdachte] in de periode april/mei 1993 samen met [medeverdachte 1] met meerdere moorden in verband kan worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is daarom van oordeel dat, ook als [verdachte] niet zou hebben geschoten, sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.3.3 Voorbedachte raad Het hof overweegt met betrekking tot de voorbedachte raad dat de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken geen andere conclusie toelaat dan dat sprake is van een geplande dubbele moord, waarbij de slachtoffers in de nachtelijke uren naar een afgelegen plaats zijn gebracht uitsluitend met als doel hen daar te doden en vervolgens de sporen zoveel mogelijk uit te wissen. De daders hebben ruimschoots de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Van contra-indicaties die er op wijzen dat is gehandeld in een opwelling is op geen enkele manier gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal daarom het tenlastegelegde medeplegen van twee moorden bewezen verklaren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel vangt aan met enkele klachten gericht op het bewezenverklaarde medeplegen van dit feit door de verdachte. Zo zou het hof wellicht toch ervan zijn uitgegaan dat de verdachte ook zelf heeft geschoten op de slachtoffers, terwijl uit de bewijsconstructie blijkt dat dit juist niet kan worden vastgesteld. Dat het hof tegelijkertijd iets anders heeft aangenomen heb ik in het arrest niet kunnen terugvinden en het middel wijst hierin helaas ook niet de weg. De klacht mist feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zou uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte met [betrokkene 34] en [medeverdachte 1] het plan hebben gemaakt om de slachtoffers van het leven te beroven. Met die passage – te lezen onder het (hierboven ook geciteerde) kopje “De feitelijke gang van zaken” – bedoelt het hof kennelijk echter niet iets anders dan onder het kopje “medeplegen” is gesteld, namelijk dat de verdachte al in de plannen van [betrokkene 34] vooraf was betrokken. Dat zulks het geval is kon door het hof worden afgeleid uit de feitelijke gang van zaken, erop neerkomende dat eerst gezamenlijk is ‘proefgeschoten’ en vervolgens de verdachte met [betrokkene 34] en de beide beoogde slachtoffers in een auto naar de plek des onheils is vertrokken, waar [medeverdachte 1] zich bij hen voegde. Daarnaast kan de planning vooraf blijken uit de in de bewijsmiddelen opgenomen verklaring van [getuige 17] .</p>\n<p class=\"lf-p\">16.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als volgend punt met betrekking tot het medeplegen voert het middel aan dat het hof de rol van de verdachte onvoldoende heeft geconcretiseerd, zodat uit de bewijsconstructie slechts blijkt dat de verdachte aanwezig is geweest en “mogelijk” van het voornemen op de hoogte was. Dat zou onvoldoende zijn voor het aannemen van medeplegen. Het middel miskent echter dat het hof uitgebreid heeft gemotiveerd waarom het tot het bewezenverklaarde medeplegen is gekomen. Het oordeel dat, ook als de verdachte niet zou hebben geschoten, sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als laatste met betrekking tot het medeplegen richt het middel zich tegen de overweging van het hof, dat het voor het bewijs mede gelet heeft op de omstandigheid dat de verdachte rond de periode van dit bewezenverklaarde feit “samen met [medeverdachte 1] met meerdere moorden in verband kan worden gebracht”. De klacht dat onduidelijk is wat dat verband is en of dat een strafbaar verband is, mist dunkt mij feitelijke grondslag. Duidelijk doelt het hof hierbij op de overige door het hof bewezenverklaarde feiten, gepleegd in 1993, waarbij zowel verdachte als [medeverdachte 1] als strafbare deelnemer zijn betrokken, dus de zaken ‘Opa’ en ‘Cobra’. Dat het hof hieraan conclusies verbindt ten aanzien van het bewijs van het medeplegen van het thans aan de orde zijnde feit lijkt mij niet onbegrijpelijk. Dat, zoals het middel nog stelt, het toekennen van bewijswaarde aan die betrokkenheid getuigt van een onjuiste rechtsopvatting van het hof lijkt mij niet aan de orde. Argumenten daarvoor noemt het middel niet, dus verwijs ik slechts naar het leerstuk van het schakelbewijs dat sinds jaar en dag is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een laatste en min of meer afzonderlijke klacht in dit middel is dat het hof een verklaring van [getuige 1] voor het bewijs heeft gebruikt, zonder in te gaan op een specifiek bij dit feit ingenomen uitdrukkelijk standpunt van de verdediging met betrekking tot de betrouwbaarheid van [getuige 1] . Buiten discussie staat dat het hof in algemene zin is ingegaan op de betrouwbaarheid van deze ‘kroongetuige’. Ik verwijs ook naar hetgeen daarover in het vierde middel naar voren is gebracht en mijn conclusie daaromtrent. De klacht dat het hof los daarvan (nogmaals) op die betrouwbaarheid van [getuige 1] had moeten ingaan lijkt mij geen goede papieren te hebben. Ik acht het namelijk niet onbegrijpelijk te zijn dat het hof hetgeen ten aanzien van de thans aan de orde zijnde zaak ‘Tanta’ is aangevoerd niet als een nieuw of afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van hetzelfde thema heeft gezien. Ik verwijs daartoe allereerst naar een passage uit de pleitnota, deels ook aangehaald in het middel, waarin staat vermeld: “Betrouwbaarheid 173. De vraagtekens die in de delen hiervoor reeds zijn geplaatst bij de verklaringen van deze getuige ten aanzien van de betrouwbaarheid, worden hier herhaald.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">174.</span>Gemarkeerd worden twee punten:  hetgeen reeds naar voren is gebracht omtrent de .38 – al dan niet special – revolver. Sturing door de CIE via het aantekeningboekje met betrekking tot deze daderwetenschap, ofwel inspiratie uit een film (vide deel 2: 'Leugenachtigheid').  De verwisseling van de nationaliteit van de slachtoffers; in 2003 zijn het nog Italianen, in 2007 is er de herinnering van de woorden die [medeverdachte 1] in 1994 zou hebben uitgesproken: 'Dat zal ik toch wel weten' (vide deel 2: 'Herinneringen').</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">175.</span>De verklaringen van [getuige 1] over Tanta dienen als onbetrouwbaar ter zijde te worden geschoven.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk op dat de aanhef van het hierboven aangehaalde, in het geheel niet uitnodigt tot het opnieuw bespreken van de betrouwbaarheid van [getuige 1] . Anders dan dat verwezen wordt naar hetgeen in algemene zin daarover eerder is opgemerkt (in de vorm van “vraagtekens”) komen daar geen nieuwe aspecten aan de orde. Voor de zekerheid merk ik daarenboven nog op dat raadpleging van de rest van de pleitnota leert dat in de daaropvolgende paragrafen weliswaar ook nog nadere opmerkingen worden gemaakt over de verklaring van [getuige 1] , zoals zijn wisselende verklaringen over bepaalde punten, maar de strekking daarvan lijkt mij toch niet te zijn dat daarmee opnieuw de betrouwbaarheid als zodanig van [getuige 1] weer ter discussie wordt gesteld. Kennelijk heeft het hof daarover net zo gedacht en in ieder geval is het niet onbegrijpelijk dat het hof in het gestelde geen hernieuwd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ontwaard. Daarmee is dus ook geen sprake van het veronachtzamen door het hof van de op art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv gebaseerde responsieplicht die geldt ten aanzien van zodanige standpunten. Ook deze laatste klacht faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel faalt in al zijn onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diverse klachten ‘Opa’ 17. Het negende middel bevat diverse bewijsklachten met betrekking tot de zaak Opa, het medeplegen van de moord op [betrokkene 7] .</p>\n<p class=\"lf-p\">17.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangevoerde klachten kunnen evident niet tot cassatie leiden. Ik zal ze dan ook slechts kort bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste klacht heeft betrekking op de bewijsoverwegingen van het hof die betrekking hebben op hetgeen zich op een eerdere datum dat de bewezenverklaarde moord heeft afgespeeld, namelijk het (mislukte) plan om [betrokkene 7] in Breukelen dood te schieten. De vaststelling van het hof aan de hand van verkeersgegevens van de telefoon waarover de verdachte beschikte dat de verdachte op die eerdere datum op zijn minst in de buurt van Breukelen is geweest is niet onbegrijpelijk. Of de verdachte daar al dan niet langere tijd in een hinderlaag heeft gelegen is niet relevant. Het hof heeft dat laatste namelijk niet vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede klacht houdt in dat [betrokkene 37] , de vriendin van het slachtoffer [betrokkene 7] , heeft verklaard dat buiten haar ouders niemand kon weten van haar (wel fatale) afspraak met hem en dat daarom de verdachte daarvan ook niet op de hoogte kon zijn en dat de bewezenverklaring daarom onvoldoende met redenen is omkleed. Het lijkt me echter veeleer aannemelijk dat het hof die gewraakte passage zo heeft opgevat dat buiten de verdachte – en de ouders – niemand van die afspraak afwist. Van enige tegenstrijdigheid is, uitgaande van die ‘kennelijke’ lezing, geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde klacht is dat het hof heeft miskend dat blijkens de telecom-verkeersgegevens het telefoontje van [betrokkene 37] , waarin zij een afspraak maakte met [betrokkene 7] , niet is gevolgd door het (ook telefonisch) inlichten van de verdachte over die afspraak en de locatie daarvan, maar dat dit telefoontje met de verdachte al eerder had plaatsgevonden. Dat dit enige tegenstrijdigheid zou opleveren voor het bewijs lijkt mij een misvatting. Het is immers heel wel denkbaar dat [betrokkene 37] de verdachte heeft ingelicht over hetgeen zij luttele minuten daarna met het slachtoffer zou gaan afspreken. Het hof heeft de gang van zaken dus niet onbegrijpelijk aldus kunnen opvatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel faalt in alle onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafoplegging: levenslange gevangenisstraf 18. Het tiende middel luidt als volgt: “Middel 10: Spaans voorbehoud Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 5 Kaderbesluit 13 juni 2002, 48 OLW, 348, 350, 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat (verkort zakelijk weergegeven) verdachte op verzoek van Nederland door Spanje is overgeleverd en Spanje aan de overlevering de voorwaarde heeft gesteld dat verdachte geen levenslange gevangenisstraf zal worden opgelegd die onvermijdelijk levenslang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest heeft het hof geoordeeld dat (verkort zakelijk weergegeven) als uitgangspunt heeft te gelden dat de herbeoordeling niet meer dan 25 jaar na oplegging van de straf plaatsvindt en dat na die termijn periodiek de mogelijkheid tot herbeoordeling wordt geboden. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu uit de vigerende regels, waaronder art. 5 Kaderbesluit, volgt dat verdachte de mogelijkheid tot herbeoordeling moet worden geboden na ten hoogste/tenminste 20 jaar, zodat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair wordt verzocht dat de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie vragen zal stellen, teneinde duidelijkheid te verkrijgen omtrent het moment waarop de herbeoordeling zal dienen plaats te vinden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">18.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien het middel – alsook de toelichting daarop – nogal met de deur in huis valt is enige toelichting mijnerzijds wellicht nuttig. Het Kaderbesluit waarop het middel doelt is het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna: Kaderbesluit EAB). Het Kaderbesluit EAB maakt de overlevering van personen (waaronder verdachten) tussen lidstaten van de EU mogelijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Een door de lidstaat aangewezen rechterlijke autoriteit beslist op het door de andere lidstaat middels het EAB gedane verzoek tot overlevering. Naast de verplichte weigeringsgronden uit art. 3, voorziet het Kaderbesluit EAB in art. 4 in een limitatieve opsomming van facultatieve weigeringsgronden voor de aangezochte Staat. Daarnaast kan de aangezochte staat een nadere garantie eisen van de Staat die het EAB heeft uitgevaardigd, welke garanties – ook beperkt – zijn geformuleerd in art. 5 Kaderbesluit EAB. Dat artikel luidt: “Artikel 5 Garanties van de uitvaardigende lidstaat in bijzondere gevallen De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan door het recht van de uitvoerende lidstaat afhankelijk worden gesteld van een van de volgende voorwaarden: “1. indien het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd ter uitvoering van een bij verstek opgelegde vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, dat wil zeggen dat de betrokkene niet aanwezig was omdat hij niet persoonlijk gedagvaard of anderszins in kennis gesteld is van datum en plaats van de terechtzitting die tot het verstekvonnis heeft geleid, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een voldoende garantie geeft dat de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de gelegenheid zal worden gesteld in de uitvaardigende lidstaat om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>indien het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, strafbaar is gesteld met een levenslange vrijheidsstraf of een maatregel welke levenslange vrijheidsbeneming meebrengt, kan de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat in het rechtsstelsel van de uitvaardigende lidstaat de mogelijkheid van herziening van de opgelegde straf of maatregel - op verzoek of ten minste na 20 jaar - bestaat, dan wel van toepassing van gratiemaatregelen waarvoor de betrokkene krachtens de nationale wetgeving of praktijk van die lidstaat in aanmerking kan komen, strekkende tot niet-uitvoering van die straf of maatregel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat.”</div>\n<p class=\"lf-p\">18.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het middel klaagt over de schending van het tweede lid van art. 5 Kaderbesluit EAB kan het niet slagen. Dat betreft geen rechtsregel op schending waarvan men de (Nederlandse) rechter kan betrappen. Anders dan het kennelijke vertrekpunt van het middel heeft het Kaderbesluit zelf geen rechtstreekse werking, maar bevat het alleen regels die ertoe strekken om door de lidstaat te worden verwerkt in de eigen rechtsorde. In dit verband is de volgende passage uit de Memorie van toelichting bij de Overleveringswet, in welke wet het Kaderbesluit EAB is geïmplementeerd in het Nederlandse recht, instructief: “Het onderhavige kaderbesluit strekt tot vervanging van de bestaande voorwaarden en procedures van uitlevering per 1 januari 2004. Dit wordt bereikt door vervanging van uitleveringsverzoeken door een geüniformeerd Europees aanhoudingsbevel, een sterke reductie van het aantal toetsingscriteria en door een meer onderling afgestemde procedure, waarbij niet langer regeringen maar nog slechts justitiële autoriteiten zijn betrokken en waaraan termijnen zijn gekoppeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kaderbesluiten worden in artikel 34 van het op 2 oktober 1997 te Amsterdam tot stand gekomen Verdrag betreffende de Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam (Trb. 1998, 11), voortaan: het EU-verdrag, beschreven. Kort samengevat zijn kaderbesluiten verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat. Er bestaat echter de vrijheid om vorm en middelen zelf te bepalen. Ten slotte is van belang dat kaderbesluiten geen rechtstreekse werking hebben. Het kaderbesluit als rechtsinstrument komt dus zeer nauw overeen met de uit het EG-recht bekende richtlijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">18.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het middel er over wil klagen dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de door Spanje gevraagde garantie – de toelichting bij het middel tendeert daar enigszins naar – geldt dat de uitleg van die garantie een feitelijke kwestie is, die in cassatie slechts op begrijpelijkheid wordt getoetst. De rechtsklacht over de uitleg van die gevraagde garantie faalt dan ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het middel in de toelichting nog verwijst naar art. 48 Overleveringswet het volgende. Dat artikel luidt als volgt: “De voorwaarden die door de buitenlandse uitvoerende justitiële autoriteit in overeenstemming met het op 13 juni 2002 door de Raad vastgestelde kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (PbEG L 190) worden gesteld bij de overlevering van de opgeëiste persoon aan Nederland, zijn verbindend voor iedere persoon of instantie die in Nederland is belast met een publieke taak.”</p>\n<p class=\"lf-p\">18.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het middel wordt een citaat aangehaald uit de pleitnota van de verdediging, zoals voorgedragen op de terechtzittingen van het hof van 28 en 29 november 2016. Uit dat citaat blijkt dat de verdediging, onder verwijzing naar art. 48 Overleveringswet, een beroep heeft gedaan op de door Spanje gestelde voorwaarde, inhoudende – kort gezegd – dat niet een straf zal worden opgelegd die ‘onvermijdelijk’ levenslang is. Waar het middel hier opnieuw als uitgangspunt neemt dat dan ook, wederom ontleend aan art. 5 lid 2 Kaderbesluit EAB, heeft te gelden dat daarvan slechts sprake kan zijn als op een eerder moment dan na 25 jaar een toetsing van de vrijheidsbeneming van een levenslanggestrafte plaatsvindt, kan een klacht daarover niet slagen omdat het hof dát kennelijk niet in de door Spanje gestelde voorwaarde heeft gelezen. En dat het hof die garantie niet zo gelezen heeft is niet onbegrijpelijk, gelet op de formulering van die voorwaarde, zoals die in het middel zelf ook wordt aangeduid. In het pleidooi van de raadsman wordt in dat kader nog ingegaan op de zich in het dossier bevindende (enigszins) uiteenlopende vertalingen van de Spaanse rechterlijke beslissingen naar aanleiding van het EAB, maar geen ervan bevat een verwijzing naar een verdere strekking van die voorwaarde, te weten dat volgens de Spaanse beslissing sprake zou moeten zijn van toetsing binnen c.q. na een bepaalde termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de volledigheid merk ik nog op dat de met de door Spanje verlangde garantie geheel spoort met hetgeen door de Nederlandse Staat in dit verband, in alle gevallen waarin een EAB wordt uitgevaardigd, wordt verklaard, zie art 45 Overleveringswet, luidende: “1. Bij of in een Europees aanhoudingsbevel dient door de uitvaardigende officier van justitie te worden verklaard: (…) b. indien het strafbare feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, is bedreigd met een levenslange vrijheidsstraf dat, in voorkomend geval, naar Nederlands recht de mogelijkheid bestaat van de toepassing van gratie op de opgelegde straf of maatregel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aan een verklaring, bedoeld in het eerste lid, is iedere persoon of instantie die in Nederland is belast met een publieke taak, gebonden.”</div>\n<p class=\"lf-p\">18.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat Spanje bij de beslissing op een Nederlands EAB een verdergaande eis zou stellen zou voorts een verrassing zijn, zo voeg ik daar aan toe. Het Kaderbesluit EAB is door Spanje geïmplementeerd in de “Ley 3/2003, de 14 de marzo, sobre la orden europea de detención y entrega”. Art. 11 lid 1 van die wet omschrijft de garantie die de Spaanse autoriteiten – binnen het raamwerk van art. 5 Kaderbesluit EAB – verlangen op het punt van de oplegging van een levenslang gevangenisstraf. De bepaling luidt aldus: “Articulo 11 Artículo 11. Garantías que deberán ser solicitadas del Estado de emisión en casos particulares.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Cuando la infracción en que se basa la orden europea esté castigada con una pena o una medida de seguridad privativas de libertad a perpetuidad, la ejecución de la orden de detención europea por la autoridad judicial española estará sujeta a la condición de que el Estado miembro de emisión tenga dispuesto en su ordenamiento una revisión de la pena impuesta, o la aplicación de medidas de clemencia a las cuales la persona se acoja con arreglo al derecho o práctica del Estado de emisión, con vistas a la no ejecución de la pena o medida.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>(…)”</div>\n<p class=\"lf-p\">18.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet-authentiek vertaald (maar wel acht slaand op de Nederlandse vertaling van het Kaderbesluit EAB) staat in dit artikellid: “Indien het strafbare dat ten grondslag ligt aan het Europese bevel bedreigd wordt met een straf of veiligheidsmaatregel die vrijheidsbeneming inhoudt voor oneindige duur, zal de executie van het aanhoudingsbevel door de Spaanse rechterlijke autoriteit onderworpen worden aan de voorwaarde dat de wetgeving van de uitvaardigende lidstaat voorziet in een herziening van de opgelegde straf, dan wel in toepassing van gratiemaatregelen waarvoor de betrokkene krachtens de nationale wetgeving of praktijk van die lidstaat in aanmerking kan komen, strekkende tot niet-uitvoering van die straf of maatregel”.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus kent Spanje (net als een aantal andere lidstaten) slechts een ‘partiële’ verwerking van het facultatieve voorbehoud van art. 5 kaderbesluit EAB. De – ook binnen de termen van art. 5 EAB toegestane – eis dat binnen of na afloop van een bepaalde termijn een herziening van de levenslange gevangenisstraf zou moeten plaatsvinden komt niet terug in de Spaanse implementatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">De steller van het middel doet tevens een verzoek aan de Hoge Raad tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie, over de precieze uitleg van art. 5 Kaderbesluit EAB. Het op zichzelf curieuze verschijnsel doet zich namelijk voor dat de verschillende, alle evenzeer authentieke vertalingen van art. 5 Kaderbesluit EAB niet met elkaar lijken te sporen op het punt van de daarin voorkomende ‘termijnbepaling’ van 20 jaar. In het kader van de onderhavige strafzaak speelt dit onderdeel van art. 5 Kaderbesluit EAB echter geen rol, zo volgt uit het voorgaande. Dat maakt dat het verzoek tot het voorleggen van deze kwestie aan het EU-Hof kansloos: dat Hof houdt zich immers niet bezig met kwesties van hypothetische aard.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mijn conclusie op dit punt is dat het verzoek dient te worden afgewezen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">19.</span>Het elfde middel klaagt dat het hof in strijd met art. 3 EVRM aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd, althans dat het oordeel van het hof dat tot oplegging daarvan kan worden overgegaan onvoldoende met redenen omkleed is.</div>\n<p class=\"lf-p\">19.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel is gegrond op de opvatting dat uit het arrest dan wel de Nederlandse regelgeving niet volgt of, en zo ja, wanneer en op welke wijze eerder opgelegde – nog niet (volledig) ten uitvoer gelegde – onvoorwaardelijke tijdelijke gevangenisstraffen ten uitvoer zullen gelegd, in geval een verdachte, zoals in de onderhavige zaak, (nadien) tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 28 en 29 november 2016 omtrent het bij de strafoplegging betrekken van een eerdere veroordeling is aangevoerd, heeft het hof mijns inziens op niet onbegrijpelijke wijze als volgt samengevat: “Namens [verdachte] is het verweer gevoerd dat de in Boek 1, Titel VI van het Wetboek van Strafrecht (Sr) neergelegde regeling – meer in het bijzonder de artikelen 57, 59 en 63 – naar zowel de letter als de strekking daarvan in de weg staat aan de oplegging van een levenslange gevangenisstraf door het hof. Deze regeling vindt in de zaak van [verdachte] toepassing, omdat hij na het plegen van de tenlastegelegde feiten (1993 en 2000) en voorafgaand aan zijn berechting door het hof tot gevangenisstraf is veroordeeld, immers in 1996 tot zes weken en in 2005 tot vier jaren. De wettelijk opdracht aan het hof tot het bij de straftoemeting betrekken van deze tussentijdse strafopleggingen betekent in het geval van zijn veroordeling door het hof tot een levenslange gevangenisstraf, dat hij wordt bestraft boven het ultieme strafplafond van levenslang. Met zo’n bestraffing – “levenslang plus” – zou het hof ten onrechte voorbijgaan aan de wettelijke regeling en aan de systematiek van straftoemeting en samenloop, aldus – samengevat – de verdediging.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van dat verweer overweegt het hof als volgt: “Aan de wettelijke regeling en de daarop betrekkelijke rechtspraak van de Hoge Raad(287) dient het volgende te worden ontleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 57 Sr in verbinding met artikel 63 Sr begrenst in het voorkomende geval het maximum van de door de rechter op te leggen hoofdstraf. Bij strafoplegging naar aanleiding van samenloop van misdrijven (bij gelijktijdige berechting dan wel in retrospectief in de sleutel van de regeling van artikel 63 Sr) is de rechter gebonden aan een maximum, te weten een derde boven het hoogste maximum van de tijdelijke gevangenisstraf, waarmee die ter berechting voorliggende misdrijven zijn bedreigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval waarin het hof de oplegging aan [verdachte] van een levenslange gevangenisstraf overweegt, behoeft het hof derhalve geen acht te slaan op de voren weergegeven wettelijke begrenzing, omdat de levenslange gevangenisstraf in de wettelijke systematiek immers geen tijdelijke gevangenisstraf is. Wel zal het hof in dat geval acht hebben te slaan op de in artikel 59 Sr neergelegde beperking van de mogelijkheden tot straftoemeting. Wanneer het hof beslist tot de oplegging aan [verdachte] van een levenslange gevangenisstraf kunnen aan hem door het hof niet ook nog andere vrijheidsbenemende straffen worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan door de verdediging is betoogd houdt artikel 59 Sr wel dit cumulatieverbod in, doch vormt het voor de rechter die bij de bestraffing de doorwerking van eerdere, tussentijdse veroordelingen tot tijdelijke gevangenisstraf zal hebben te betrekken, geen beletsel om aan de verdachte, in casu [verdachte] een levenslange gevangenisstraf op te leggen. Nu de door het hof gekwalificeerde misdrijven in de wet (ook) met levenslange gevangenisstraf zijn bedreigd, staat de door de verdediging aangeroepen wettelijke regeling niet naar de letter daarvan noch naar zijn bedoeling aan die oplegging aan [verdachte] in de weg.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(287)</span>HR:2006:AY7757; HR:2005:AS5556 (i.h.b. CAG onder 13) en HR:2008:BC6273.</div>\n<p class=\"lf-p\">19.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen overigens namens de verdachte op voornoemde terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, heeft het hof aldus opgevat dat dit het verweer inhoudt dat oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd is met het in art. 3 EVRM neergelegde verbod op een onmenselijke behandeling of bestraffing. Dat is mijns inziens geen onbegrijpelijke uitleg van het desbetreffende gedeelte van het verweer. Het hof heeft paragraaf 7.3 van het arrest gewijd aan een uitgebreide uiteenzetting op basis van de jurisprudentie van het EHRM en het – ten tijde van het wijzen van het arrest – door de Hoge Raad gehanteerde kader. Vervolgens heeft het hof de ontwikkelingen in de Nederlandse praktijk, uitmondend in het Besluit adviescollege levenslanggestraften (hierna: Besluit ACL), getoetst. Op basis daarvan komt het hof tot de volgende conclusie en afsluitende opmerkingen: “Al hetgeen in het voorgaande is overwogen brengt het hof tot de conclusie dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan de verdachte niet in strijd kan komen met de eisen die daaraan op grond van artikel 3 EVRM moeten worden gesteld. (…) Tot slot verdient het volgende nog opmerking. Het hof heeft hiervoor een juridische beoordeling gegeven van een sinds zeer korte tijd bestaande regeling. De conclusie luidt dat deze regeling aan de daaraan te stellen eisen die voortvloeien uit verdragsrecht, voldoet. Pas na geruime tijd zal echter blijken hoe de regeling wordt toegepast. In zoverre heeft de gegeven materiële beoordeling een beperkte betekenis omdat juist uit de praktische toepassing zal dienen te blijken of de beslispraktijk zich verdraagt met de verdragseisen. Ook zal de toekomst leren of de procedure en het toetsingskader zoals neergelegd in het Besluit, duurzaam van karakter zijn. Er is immers voor de nabije toekomst een voorstel voor een wettelijke regeling in het vooruitzicht gesteld. Daarnaast blijkt uit het feit dat het op 1 maart 2017 in werking getreden Besluit op 1 juli 2017 al zijn eerste wijziging ondergaat, reeds dat de bestuurlijke inzichten in beweging zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoordeling van zowel de materiële toetsingscriteria als de procedurele regels vormt daarom een momentopname. Deze biedt evenwel voldoende grondslag voor de slotsom dat voor oplegging van een levenslange gevangenisstraf geen contra-indicaties bestaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">19.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad heeft op 5 juli 2016 zijn beslissing op de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf onverenigbaar is met art. 3 EVRM aangehouden, teneinde de wijziging van de tenuitvoerleggingspraktijk af te wachten, zodat een tot levenslang veroordeelde zou worden voorzien in een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de straf, met een mogelijke verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidsstelling tot gevolg.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inmiddels heeft de Hoge Raad zich bij arrest van 19 december 2017 – en dus na het wijzen van het arrest door het hof in de onderhavige zaak – uitgesproken over de vraag of de oplegging van de levenslange gevangenisstraf – gelet op de op dat moment bestaande tenuitvoerleggingspraktijk – onverenigbaar was met de eisen die art. 3 EVRM stelt. De wijze van herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf zoals voortvloeiend uit het (gewijzigde) Besluit ACL, alsmede de daarmee gepaard gaande wijzigingen in de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden en de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, is daarbij in overweging genomen. In het kader van de toetsing van die herbeoordeling overwoog de Hoge Raad als volgt: “3.5.2. Op grond van de rechtspraak van het EHRM heeft als uitgangspunt te gelden dat de (eerste) herbeoordeling na niet meer dan 25 jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf plaatsvindt en dat na die termijn periodiek de mogelijkheid van herbeoordeling wordt geboden. Daarmee is niet onverenigbaar dat art. 4, derde lid, Besluit ACL bepaalt dat de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening uiterlijk 27 jaar na aanvang van de detentie geschiedt, in aanmerking genomen dat blijkens art. 1, aanhef en sub g, Besluit ACL die termijn reeds aanvangt op het moment van de inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ter zake van het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd.(17) Voorts is de veroordeelde op grond van de Gratiewet te allen tijde bevoegd een verzoek tot gratie in te dienen. Indien een gratieverzoek ter zake van een levenslange gevangenisstraf wordt ingediend na ommekomst van de genoemde termijn van 27 jaar, is het Adviescollege belast met de taak om de minister te informeren over de voortgang van resocialisatie- en re-integratieactiviteiten.(18) 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de herbeoordeling moet, gelet op de eisen die art. 3 EVRM stelt, de vraag aan de orde komen of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. De algemene maatstaf die – voor zover hier relevant – op grond van art. 2, aanhef en onder b, Gratiewet wordt aangelegd, houdt in of het aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Met het oog op de toepassing van die maatstaf is van belang dat, in de onder 3.4 geschetste procedure van herbeoordeling, de beslissing omtrent gratie onlosmakelijk is verbonden met de advisering door het Adviescollege omtrent het aanbieden van re-integratieactiviteiten, waarbij deze advisering als \"het voortraject van de gratieprocedure\" is te beschouwen.(19) De criteria die het Adviescollege aanlegt, zoals opgenomen in art. 4, vierde lid, Besluit ACL, zijn derhalve tevens van belang voor de beslissing omtrent gratieverlening.(20) Het komt bij de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening of de beoordeling van een nadien ingediend verzoek tot gratieverlening derhalve aan op de vraag of – gelet op het gedrag en de ontwikkeling van de veroordeelde gedurende zijn detentie, en in aanmerking genomen de overige in art. 4, vierde lid, Besluit ACL genoemde criteria – verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege deze samenhang tussen enerzijds de in de gratieprocedure toepasselijke maatstaf en anderzijds de advisering door het Adviescollege, verschaft art. 4, vierde lid, Besluit ACL voor de veroordeelde ook in voldoende mate inzicht in de objectieve criteria die worden aangelegd bij de in 3.4 geschetste procedure van herbeoordeling.(21) 3.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de procedurele waarborgen in verband met de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening dan wel de beoordeling van een gratieverzoek is het navolgende van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat door het Adviescollege advies is uitgebracht, neemt de minister op de voet van art. 7 Besluit ACL een beslissing omtrent het (al dan niet) aanbieden van re-integratieactiviteiten. De minister kan slechts gemotiveerd afwijken van het advies van het Adviescollege om die activiteiten aan te bieden.(22) Indien het verloop van de procedure dan wel (de motivering van) de beslissing van de minister daartoe aanleiding geeft, kan de veroordeelde tegen die beslissing opkomen in een procedure bij de burgerlijke rechter.(23) De Gratiewet kent geen termijn waarbinnen een beslissing omtrent het al dan niet verlenen van gratie wordt genomen. Indien echter niet binnen een redelijke termijn de beslissing wordt genomen ter zake van de in art. 4, derde lid, Besluit ACL genoemde ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening of op een door de veroordeelde ingediend gratieverzoek, kan de burgerlijke rechter op vordering van de veroordeelde gebieden dat binnen een daartoe gestelde termijn die beslissing wordt genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts voorziet de Gratiewet niet in een rechtsmiddel tegen een (negatieve) beslissing omtrent de verlening van gratie. Naar ook in parlementaire stukken wordt opgemerkt,(24) kan de veroordeelde echter in verband met die beslissing het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter. Deze kan beoordelen of de negatieve beslissing omtrent de verlening van gratie, in het licht van de eisen die art. 3 EVRM stelt, onrechtmatig is. Die beoordeling richt zich met name op de redenen die zijn opgegeven voor deze beslissing. Die motiveringsplicht berust, indien een verzoek tot gratieverlening wordt afgewezen, op art. 18, tweede lid, Gratiewet. Eenzelfde verplichting tot opgaaf van redenen moet, in het licht van de rechtspraak van het EHRM,(25) worden aangenomen indien de in art. 4, derde lid, Besluit ACL genoemde ambtshalve beoordeling niet tot gratieverlening leidt. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing omtrent gratieverlening is in het bijzonder van belang indien wordt afgeweken van het onder 3.4 sub (g) genoemde advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, nu dit advies – naar wordt bevestigd in de parlementaire stukken – in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing omtrent gratieverlening.(26) 3.5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het kader van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf dienen, in overeenstemming met de eisen die art. 3 EVRM stelt, voor de ommekomst van de onder 3.4 sub (a) genoemde termijn van 25 jaar aan de veroordeelde activiteiten – onder meer in de vorm van arbeid, scholing en gedragsinterventies – te worden aangeboden die hem in staat stellen zich gedurende de detentie te ontwikkelen, alsook inzicht te verkrijgen in de relevante en noodzakelijke ontwikkelingsmogelijkheden, ten behoeve van een mogelijke terugkeer in de samenleving en met het oog op de advisering en de besluitvorming omtrent het aanbieden van re-integratieactiviteiten na ommekomst van die termijn. De onder 3.3 genoemde regelingen sluiten een zodanig aanbod van activiteiten niet uit, waarbij nog van belang is dat, in verband met het aanbieden van passende (medische) behandeling en (psychiatrische) zorg aan de veroordeelde, reeds in het jaar nadat de levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden, gedragsdeskundige rapportage plaatsvindt.(27)De Penitentiaire beginselenwet voorziet in het recht van (beklag en) beroep ter zake van beslissingen die verband houden met het detentie- en re-integratieplan en de daarin op te nemen activiteiten, ook voor het einde van de eerder genoemde termijn van 25 jaar, alsook beslissingen omtrent het verlenen van re-integratieverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of het detentieverloop in een individueel geval in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM stelt, komt in deze penitentiaire rechtsgang aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6 De Hoge Raad is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de onder 3.3 en 3.4 geschetste regelingen en in aanmerking genomen hetgeen onder 3.5 is overwogen met betrekking tot de beoordelingsmogelijkheden van de burgerlijke rechter alsmede de penitentiaire rechter in de fase van tenuitvoerlegging, het Nederlandse recht thans voorziet in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf, dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met art. 3 EVRM. De recente introductie van dit stelsel betekent dat thans geen (doorslaggevende) betekenis toekomt aan de feitelijke mogelijkheden tot bekorting van de levenslange gevangenisstraf zoals die voordien bestonden. Dat laat onverlet dat indien op enig moment zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder vigeur van het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk nimmer wordt verkort, zulks bepaaldelijk een factor van betekenis zal zijn bij de alsdan te beantwoorden vraag of de oplegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging verenigbaar is met art. 3 EVRM. Die vraag is thans echter niet aan de orde.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(17)</span>Vgl. in dit verband EHRM 13 november 2014, nr. 40014/10, Bodein tegen Frankrijk, § 61.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(18)</span>Art. 4, eerste lid aanhef en onder b en d, Besluit ACL.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(19)</span>Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 338, p. 22 en Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 10, 16.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(20)</span>Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 354, p. 2 en Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 8, 15.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(21)</span>Vgl. EHRM 17 januari 2017, nr. 57592/08, Hutchinson tegen Verenigd Koninkrijk, § 59-65 en EHRM 23 mei 2017, nr. 22662/13, 51059/13, 58823/13, 59692/13, 59700/13, 60115/13, 69425/13 en 72824/13, Matiošaitis en anderen tegen Litouwen, § 168.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(22)</span>Art. 7, tweede lid, Besluit ACL.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(23)</span>Vgl. Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 338, p. 20 en Toelichting, Stcrt. 2016, 65365, p. 6-7.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(24)</span>Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16, waarin wordt verwezen naar het arrest van het Hof Den Haag van 5 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:952.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(25)</span>Vgl. EHRM 23 mei 2017, nr. 22662/13, 51059/13, 58823/13, 59692/13, 59700/13, 60115/13, 69425/13 en 72824/13, Matiošaitis en anderen tegen Litouwen, § 181, waarin onder \"review\" tevens wordt begrepen \"the executive giving reasons\".</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(26)</span>Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(27)</span>Toelichting, Stcrt. 2017, 48627, p. 6.</div>\n<p class=\"lf-p\">19.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel zich sinds de Hoge Raad voornoemd arrest wees geen wijzigingen hebben voorgedaan in (het beleid aangaande) de tenuitvoerleggingspraktijk van de levenslange gevangenisstraf, klaagt het middel dat de Nederlandse regelgeving niet aan de eisen zoals voortvloeiend uit art. 3 EVRM voldoet, zodat de oplegging van de straf daarmee in strijd is en onvoldoende met redenen is omkleed. Volgens de stellers van het middel volgt, anders dan voorheen, uit het wettelijk systeem thans niet (zonder meer) in hoeverre eerder aan de verdachte opgelegde – nog niet (volledig) ten uitvoer gelegde – onvoorwaardelijke tijdelijke gevangenisstraffen opgaan in de levenslange gevangenisstraf. Ten gevolge van die onduidelijkheid ten tijde van de oplegging van de straf, zou de verdachte niet weten aan welke voorwaarden hij moet voldoen om na verloop van (welke?) tijd terug te kunnen keren in de samenleving. De voorwaarden zouden onvoldoende nauwkeurig en specifiek zijn, zodat de verdachte niet concreet weet wat hij zal moeten doen om in aanmerking te komen voor vrijlating.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vragen die de stellers van het middel opwerpen over de mogelijke invloed van de nog niet (volledig) ten uitvoer gelegde eerder opgelegde sancties, lijken mij toch vooral te zien op de executiefase. Ik citeer enkele daarvan: “Betekent dit dat die straf nog zal moeten worden uitgezeten na ommekomst van de 25 jaarstermijn?; de herbeoordeling niet eerder zal plaatsvinden dan na ommekomst van de 25 jaar te vermeerderen met de nog te executeren straf?; de (openstaande) straf ten uitvoer zal worden gelegd na in vrijheidsstelling in de zaak waarin levenslang is opgelegd?; dit ter beoordeling staat van de Adviescollege en/of Minister op een door het Adviescollege/Minister te bepalen datum?”</p>\n<p class=\"lf-p\">19.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met vragen die de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf betreffen stelt J. Silvis in het tijdschrift Sancties, onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.5.5. van het in het voorgaande aangehaalde arrest van de Hoge Raad, dat de penitentiaire rechtsgang het mogelijk maakt dat de praktijk van de tenuitvoerlegging kritisch kan worden gevolgd. Ik meen dat de door de stellers van het middel opgeworpen vragen zich eveneens voor een beantwoording in die (toekomstige) executiefase lenen. Desalniettemin komt het mij vanwege de ogenschijnlijk vernieuwende vragen die in het middel worden opgeworpen toch dienstig voor de bezwaren van de stellers van het middel wat nader te bespreken. Daarbij zij al vooraf opgemerkt dat de bezwaren die door de stellers van het middel zijn aangevoerd naar ik meen niet tot gevolg hebben dat oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd met art. 3 EVRM geacht moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooropgesteld kan worden dat ook onder de nieuwe regelgeving het uitgangspunt van de levenslange gevangenisstraf blijft dat de veroordeelde niet meer terugkeert in de samenleving. Met de mogelijkheid van herbeoordeling die de staatssecretaris voorstelde en die sinds de inwerkingtreding van het Besluit ACL inmiddels onderdeel is van de Nederlandse regelgeving, is beoogd aan te sluiten bij het bestaande sanctiestelsel. Niet is gekozen voor een verkorting van rechtswege van de levenslange gevangenisstraf, maar voor een nadere regulering van de gratieprocedure door een herbeoordeling na een zekere periode. De initiële gedachte was dat de termijn van 25 jaar waarna die herbeoordeling plaats zou vinden, zou bewerkstelligen dat, ook bij het verlenen van gratie als gevolg van de nieuwe herbeoordeling, de duur van de detentie bij oplegging van een levenslange gevangenisstraf nog steeds substantieel langer is dan de maximale tijdelijke gevangenisstraf van dertig jaar. Door de werking van de regeling van de vervroegde invrijheidsstelling komt die laatstgenoemde hoogste tijdelijke gevangenisstraf immers neer op twintig jaar, aldus de staatssecretaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf de aankondiging van het voornemen tot wijziging van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf sprak de staatssecretaris over de 25-jaarstermijn, waarbij de aanvang van de detentie als startpunt werd genomen. Daarbij heeft hij op enig moment, bij de beantwoording van Kamervragen, aandacht besteed aan de ‘huidige’ populatie levenslanggestraften. Dat betreft de groep levenslanggestraften die reeds voor de inwerkingtreding van het Besluit ACL en aanverwante regelgeving een levenslange gevangenisstraf ondergingen. Ten aanzien van die groep heeft hij aangegeven de eerste oplegging van de levenslange straf te willen aanhouden als startpunt voor de 25-jaarstermijn. Art. 4 van het initiële Besluit ACL bevatte daarom in lid 2 en 3 als termijnbepaling voor de ambtshalve gratiebeslissing en voor de herbeoordeling door het Adviescollege de volgende bepalingen: “2. De Minister neemt uiterlijk vijfentwintig jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf een voorstel tot gratieverlening als bedoeld in artikel 19 van de Gratiewet in overweging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het eerste advies van het Adviescollege, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt vijfentwintig jaar na aanvang van de detentie uitgebracht.”</div>\n<p class=\"lf-p\">19.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kort na de inwerkingtreding van het Besluit ACL werd echter besloten de koppeling van de termijn aan het moment van oplegging los te laten en de start van de detentie aan te houden als ijkpunt. In verband met de sterk variërende lengtes van de voorlopige hechtenis zou de koppeling van de termijn aan de (eerste) oplegging van de straf in de praktijk immers tot grote verschillen tussen gedetineerden leiden. Dat leidde tot een wijziging van het Besluit ACL die door de staatssecretaris als volgt toelichtte: “Dat maakt dat ik heb besloten de termijn van de (ambtshalve) herbeoordeling aan te scherpen om te bewerkstelligen dat voor elke gedetineerde de re-integratiefase op hetzelfde moment aanvangt en gelijk is qua minimale duur. Ik heb ervoor gekozen dat alle levenslanggestraften vijfentwintig jaar na aanvang van de detentie in aanmerking kunnen komen voor re-integratieactiviteiten, waaronder verlof, en dat uiterlijk twee jaar daarna de herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf plaatsvindt. Aldus vervalt de eerdere koppeling met het moment van eerste strafoplegging. Zoals eerder aangegeven past een dergelijke opzet binnen de jurisprudentie van het EHRM. De aanpassing is inmiddels opgenomen in artikel 4, tweede lid, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten gevolge van die aanpassingen luiden de eerder genoemde leden inmiddels als volgt: “2. Het eerste advies van het Adviescollege, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt vijfentwintig jaar na aanvang van de detentie uitgebracht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Uiterlijk twee jaar na het in het tweede lid bedoelde tijdstip wordt aan de hand van een voorstel tot gratieverlening als bedoeld in artikel 19 van de Gratiewet de mogelijkheid tot gratieverlening beoordeeld.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is de definitiebepaling van dat startpunt, zoals genoemd in art. 1 onder g van het Besluit ACL, ongewijzigd gebleven: “detentie: de periode van vrijheidsbeneming vanaf het moment van de inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ter zake van het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het Besluit ACL en de bijbehorende parlementaire geschiedenis kan niet worden opgemaakt dat de staatssecretaris een afwijkende regeling heeft willen treffen voor (inmiddels) levenslanggestraften die voorafgaand aan de oplegging van die straf bezig waren een (tijdelijke) vrijheidsstraf uit te zitten. Het komt mij – mede in het licht van de toelichting van de staatssecretaris bij de wijziging, waarin hij spreekt over “alle levenslanggestraften” – logisch voor dat deze groep overeenkomstig de andere wordt behandeld en dat hun 25-jaarstermijn dus aanvangt op het moment dat sprake is van de start van de detentie zoals bedoeld in art. 1 sub g van het Besluit ACL.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermeldenswaard in dat verband is mijns inziens ook dat door de start van de voorlopige hechtenis voor het feit waarvoor uiteindelijk levenslang wordt opgelegd, de executie van de eerdere straf wordt opgeschort. Dat volgt uit art. 68 lid 1 Sv, waarin het volgende is opgenomen: “De termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de verdere tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken of uit anderen hoofde rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Ondergaat evenwel de verdachte op het tijdstip dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven een vrijheidsstraf, dan wordt de tenuitvoerlegging van de straf van rechtswege geschorst zolang het bevel van kracht is. De in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt in dat geval zoveel mogelijk in mindering gebracht op die straf.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laten ‘consumeren’ van de voorlopige hechtenis door de vrijheidsstraf was – zo stelt Reijntjes – kennelijk niet de bedoeling van de wetgever. Het laten voortduren van de vrijheidsstraf naast de voorlopige hechtenis is dus niet mogelijk. In geval de verdachte al een vrijheidsstraf ondergaat, is bepaald dat de duur van het voorarrest uiteindelijk in mindering wordt gebracht op de straf die hij reeds aan het uitzitten was. De wetgever meende ten tijde van de toevoeging van de laatste twee zinnen van dit artikellid, in 1979, dat het toepassen van een korting op de nog op te leggen straf – zoals gebruikelijk is ingevolge art. 27 lid 1 Sr – onvoldoende recht zou doen aan de positie van de gedetineerde. De periode van voorlopige hechtenis die is uitgezeten in verband met feit waarvoor latere vervolging plaatsvindt, wordt daarom afgetrokken van de vrijheidsstraf die reeds was opgelegd. Ingeval de later opgelegde straf een levenslange gevangenisstraf betreft, zal dat weinig effect hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 68 lid 1 Sv bewerkstelligt weliswaar dat de periode van het voorarrest in ieder geval ergens op in mindering kan worden gebracht – aftrek van de levenslange gevangenisstraf kan namelijk op basis van art. 27 Sr niet – maar in de praktijk kan dat geen wijziging van de duur van de uiteindelijke gevangenisstaf opleveren: die blijft immers levenslang. Onder de nieuwe regeling zal de periode van het voorarrest, die met terugwerkende kracht geldt als executie van de eerdere vrijheidsstraf, overlappen met de 25-jaarstermijn die bij de aanhouding en inverzekeringstelling voor het onderhavige feit in detentie reeds is aangevangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderhavige geval kan uit het arrest van het hof worden opgemaakt dat de verdachte voor de onderhavige feiten op 19 februari 2008 (opnieuw) in verzekering is gesteld en het voorarrest sindsdien voortduurt. Die datum zou dus – op basis van het voorgaande – als startpunt hebben te gelden voor de termijn van 25 jaar. Het hof heeft voorts overwogen dat de verdachte reeds op 30 oktober 2007 was aangehouden in verband met de heropening van het opsporingsonderzoek dat in 1996 was afgesloten. Die detentie duurde aanvankelijk slechts kort, tot 13 november 2007, waarna een straf is geëxecuteerd. Uitgaande van 19 februari 2008 zou de verdachte eerst in het jaar 2033 worden beoordeeld op zijn geschiktheid om te kunnen starten met re-integratieactiviteiten, terwijl het vanaf 19 februari 2008 ondergane voorarrest, alsmede de eerdere in voorarrest doorgebrachte periode in verband met het heropende onderzoek, ingevolge art. 68 lid 1 Sv in mindering kunnen worden gebracht op zijn strafrestant.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens is de vraag in hoeverre de executie van nog niet (volledig) ten uitvoer gelegde straffen in de levenslange gevangenisstraf opgaat. In dat verband merk ik op dat de geschiedenis van de totstandkoming van de regeling van de meerdaadse samenloop weinig informatie bevat aangaande de oplegging van de levenslange gevangenisstraf. Wel staat vast dat er destijds overeenstemming bestond omtrent de absorptie door de levenslange gevangenisstraf van alle andere vrijheids- en vermogensstraffen, met uitzondering van de verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen. Dat is dus het stelsel dat in het (huidige) art. 59 Sr is te vinden. Voorts werd destijds in de Commissie-De Wal opgemerkt dat gratieverlening met de toepassing van de geabsorbeerde straffen gepaard kan gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat dat precies betekende is mij echter niet zo duidelijk, met name niet of deze destijds aangehangen clausulering ook gold voor eerder opgelegde vrijheidsstraffen. Op basis van de heersende opvatting in de literatuur, voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Besluit ACL en aanverwante regelgeving, kan mijns inziens wel worden aangenomen dat de ten tijde van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf nog ten uitvoer te leggen eerder opgelegde straffen, op het punt van de executie in de levenslange gevangenisstraf opgaan. Hoe dat vorm krijgt bij gratieverlening onder de huidige regelgeving, kan op twee verschillende manieren worden bezien. De meest elegante en door mij voorgestane aanpak is de toepassing van dit absorptiestelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan blijven de eerder opgelegde straffen uit beeld en is alleen de vraag naar de (mogelijke) gratiëring van de levenslange straf op enig moment aan de orde. Maar ook als men dat anders ziet zal de uitkomst niet wezenlijk anders zijn. Immers, ingeval de herbeoordeling van de levenslanggestrafte op enig moment tot de conclusie leidt dat zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn rehabilitatie dat er met de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de straf geen legitieme strafdoelen meer worden gediend, zou het tot verbazing leiden als bij die stand van zaken vervolgens geoordeeld wordt dat niettemin tot (het voortzetten van) de tenuitvoerlegging van (een) eerder opgelegde vrijheidsstraffen straf(fen) dient te worden overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee zou dan ook al gauw, zo lijkt het, ook geen redelijk met de strafrechtstoepassing te verenigen doel meer zijn gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het voorgaande vermag ik niet in te zien dat de regelgeving aangaande de herbeoordelingsprocedure door het uitblijven van specifieke bepalingen omtrent nog niet (volledig) ten uitvoer gelegde eerder opgelegde gevangenisstraffen, te onduidelijk zou zijn. Mogelijk kunnen die strafrestanten wel een rol gaan spelen in de herbeoordelingsprocedure. Dat houdt echter primair verband met de inhoudelijke criteria die gelden bij de herbeoordeling. Maar de uitkomst van die herbeoordeling behoeft uiteraard niet al vast te staan bij de oplegging van de levenslange gevangenisstraf. Of er nog sprake kan zijn van een nog uit te zitten straf volgend op de gratieverlening voor de levenslange straf laat zich in zijn algemeenheid niet voorspellen en dat is een onzekerheid die inherent is aan de beoordeling op een veel later moment, zoals die is ingebakken in de thans geldende regeling. Dat sprake zal zijn van een verplaatsing van het beoordelingsmoment naar een later moment, zoals door de steller van het middel wordt gesuggereerd, vind ik op basis van de geldende regeling niet aannemelijk. Maar te zijner tijd zou daar (alsnog) over kunnen worden geklaagd. Dat thans niet onomstotelijk vaststaat op welke wijze de strafrestanten van de verdachte van invloed zullen zijn op de herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf van de verdachte maakt mijns inziens niet dat de oplegging van die straf strijd met art. 3 EVRM oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het middel voor het overige bedoelt te klagen over onduidelijkheid van de criteria die gelden voor de procedure van herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf, merk ik op dat uit het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 volgt dat op basis van de wetsgeschiedenis kan worden aangenomen dat de criteria die door het ACL zullen worden gehanteerd ook van belang zijn voor de beslissing omtrent gratieverlening. Volgens de Hoge Raad maakt de samenhang van de beide beoordelingsmomenten dat de in art. 4 lid 4 Besluit ACL genoemde criteria ook de gratieprocedure voorzien van objectieve criteria die voldoende inzichtelijk zijn voor de levenslanggestrafte. De overweging van het hof strookt daarmee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik begrijp de overwegingen van het hof immers zo dat de beoordelingsmomenten in elkaars verlengde liggen, in die zin dat het positieve advies aangaande de start van re-integratieactiviteiten en de daarbij in acht genomen factoren uit het Besluit als uitgangspunt wordt genomen bij de beoordeling van de mogelijke gratieverlening aan de levenslanggestrafte. Op basis van de verwijzing naar de overweging van het EHRM in de zaak Hutchinson komt het hof voorts niet onbegrijpelijk tot de conclusie dat bezwaarlijk kan worden geoordeeld dat vooraf vastgestelde objectieve en kenbare criteria ontbreken. Uit de overweging van het EHRM waarnaar het hof verwijst blijkt immers dat het EVRM geen hoge mate van specificiteit of precisie voorschrijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verlengde daarvan merk ik op dat het EHRM in die zaak ten aanzien van de mogelijkheid tot gratieverlening in het Verenigd Koninkrijk overwoog dat de bestaande en nog te wijzen jurisprudentie van het EHRM beoogt (inter)nationale rechterlijke instanties richting te geven bij het nakomen van de wettelijke taak tot gratiëring conform het verdrag te vervullen. Vervolgens staat het EHRM toe dat de concrete uitleg van de desbetreffende bepaling in de praktijk nadere invulling vindt, waarbij gewezen wordt op de plicht van de ‘Secretary of State’ om een zodanige beslissing te motiveren en op het belang van de mogelijkheid een zodanige beslissing aan rechterlijke toetsing te onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">20.</span>Het twaalfde middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dat onder meer inhield in dat oplegging van de levenslange gevangenisstraf aan de verdachte strijd zou opleveren met art. 3 EVRM nu deze straf de facto en de jure niet meer te verminderen zou zijn omdat hij een vreemdeling is.</div>\n<p class=\"lf-p\">20.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de toelichting op het middel wordt gedoeld op de volgende passage uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 en 29 november 2016 gehechte pleitnota: “43. De Hoge Raad is glashelder: een levenslange gevangenisstraf kan niet worden opgelegd indien niet reeds ten tijde van de oplegging duidelijk is dat er na verloop van tijd een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van die straf bestaat die tot verkorting of voorwaardelijke invrijheidsstelling kan leiden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">44.</span>Die mogelijkheid tot herbeoordeling dient aan diverse voorwaarden te voldoen. Herbeoordeling na niet meer dan vijfentwintig jaar na oplegging van de levenslange straf en de - zoals de Hoge Raad het duidt - belangrijke waarborg dat herbeoordeling door een rechter plaatsvindt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">45.</span>Om geen misverstanden te laten bestaan is ook overwogen dat die mogelijkheid tot herbeoordeling in het Nederlandse recht ontbreekt en dat deze ook in praktijk nonexistent is. Zolang dit niet is gewijzigd, is niet alleen de tenuitvoerleggingspraktijk strijdig met artikel 3 EVRM, oplegging van de straf levert eveneens een schendig van artikel 3 EVRM op.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">46.</span>Het is dus aan de politiek. Na de uitspraak van het EHRM is in allerijl door de Staatssecretaris een brief naar de Tweede Kamer gezonden met voorgenomen beleidswijzingen. Daar is meer dan één opmerking over te maken. Het belangrijkste bezwaar is dat de voorgestelde beleidsaanpassing er niet toe zal leiden dat de Nederlandse praktijk in lijn is met artikel 3 EVRM en de eisen die de Hoge Raad heeft neergelegd. Ter illustratie van de bezwaren zijn enkele nieuwsberichten gepubliceerd op de website van de Stichting Forum Levenslang bijgevoegd waarin deze gemotiveerd zijn opgetekend. (BIJLAGE H2) 47. Ten aanzien van [verdachte] is er een extra punt waarom de plannen van de Staatssecretaris niet tot de vereiste reële mogelijkheid van herbeoordeling zullen leiden. Hoe zal worden omgegaan met de resocialisatie c.q. re-integratie van vreemdelingen zonder verblijfsstatus? Hierover wordt met geen woord gerept in de plannen terwijl dit bij 'reguliere' penitentiaire programma's en verlofregelingen een obstakel vormt. [verdachte] heeft geen verblijfsstatus een veroordeling zal tot gevolg hebben dat hem de toegang tot Nederlands grondgebied wordt ontzegd. De mogelijkheid van verlof in het kader van re-integratie is er dus niet, een resocialisatie is dan een wassen neus. De plannen die in de pijplijn zitten zullen voor [verdachte] hoe dan ook geen reële mogelijkheid van herbeoordeling realiseren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">48.</span>Dat de Staatssecretaris plannen heeft gepresenteerd - geen toezeggingen - betekent niet dat sprake is van een daadwerkelijke wijziging van het Nederlandse recht. De discussie hierover is al maanden gaande en consensus is nog niet in zicht. De tenuitvoerleggingspraktijk is ongewijzigd en er is geen reële mogelijkheid tot herbeoordeling die voldoet aan de eisen van artikel 3 EVRM.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">49.</span>Oplegging van de levenslange gevangenisstraf aan [verdachte] is in strijd met artikel 3 EVRM.”</div>\n<p class=\"lf-p\">20.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nogmaals stel ik voorop dat het hof in paragraaf 7.3 uitvoerig stilstaat bij de jurisprudentie van het EHRM en het – ten tijde van het wijzen van het arrest – door de Hoge Raad gehanteerde kader, waaraan vervolgens de ontwikkelingen in de Nederlandse praktijk getoetst worden. Daartoe is onder meer het volgende overwogen: “Om aan een goed begrip bij te dragen heeft de staatssecretaris in de brief van 20 december 2016 de betekenis en inhoud van enkele centrale, door hem gehanteerde, begrippen verduidelijkt. Het gaat om de volgende. a. Gedurende de gehele detentie krijgt de veroordeelde net als elke gedetineerde reguliere resocialisatie-activiteiten aangeboden (structuur, regelmaat, aansprekén op eigen verantwoordelijkheid). De activiteiten zijn neergelegd in een op de individuele veroordeelde toegesneden detentieplan. Deze zien niet op “daadwerkelijke concrete terugkeer in de samenleving”. Een uitgebreidere inhoudelijke beschrijving hiervan wordt gegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 2 september 2016. In het nieuwe beleid wordt onder resocialisatie- activiteiten verstaan de activiteiten gedurende de eerste 25 jaar van de detentie in het kader van een zinvolle dagbesteding waarmee het sociaal functioneren wordt bevorderd. Doel daarbij is onder meer het zoveel mogelijk beperken van mogelijke detentieschade. b. Op enig moment worden ook re-integratieactiviteiten aangeboden. Er wordt dan een groter beroep gedaan op zelfredzaamheid en zelfontplooiing. Ook wordt er initiatief verwacht van de veroordeelde. Er worden in dat kader geleidelijk meer vrijheden geboden. Verlof kan op enig moment onderdeel daarvan zijn. De activiteiten worden neergelegd in een re-integratieplan. De resultaten worden gemonitord. c. Rehabilitatie. Dit is het overkoepelende begrip waaronder zowel resocialisatie als reïntegratie valt. Dit begrip staat centraal in de Europese rechtspraak. Aan rehabilitatie wordt aldus vanaf de start van de detentie gewerkt. (…) 4. Voorbereiding op terugkeer in de samenleving De laatste voorwaarde luidt dat de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf - ook voordat de herbeoordeling plaatsvindt - kan voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving doordat hem mogelijkheden tot resocialisatie worden geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof merkt allereerst op dat in de beleidscontext van de staatssecretaris aan de begrippen rehabilitatie, resocialisatie en re-integratie niet geheel dezelfde betekenis toekomt als in de terminologie van het EHRM. De eisen die door het EHRM worden gesteld kunnen in het begrippenkader van de staatssecretaris zo worden begrepen dat met het oog op voorbereiding van terugkeer in de samenleving aan de veroordeelde mogelijkheden voor zowel resocialisatie als voor re-integratie moeten worden geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dat het EHRM in zijn uitspraken met regelmaat heeft overwogen dat op de staat de verplichting rust om de levenslanggestrafte mogelijkheden tot rehabilitatie te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerder genoemde uitspraak in de zaak van Harakchiev tegen Bulgarije heeft het Straatsburgse hof tot uitdrukking gebracht dat de autoriteiten daarin een ruime marge van appreciatie hebben. Maar het is geen “matter of indifference”. Er dienen voorwaarden te worden geschapen waaronder de veroordeelde kan streven naar verbetering van zichzelf met het oog op aanpassing van de straf op enig moment.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verdrag legt de autoriteiten geen absolute verplichting op om programma’s of activiteiten voor rehabilitatie of re-integratie aan te bieden. Het vereist dat aan gedetineerden een kans wordt geboden om, hoe ver in de tijd ook, ooit de vrijheid te herkrijgen. Om die kans reëel en tastbaar te doen zijn, moet een effectieve gelegenheid tot rehabilitatie worden gegeven die niet illusoir is. In de uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM in de zaak van Murray tegen Nederland van 26 april 2016 is geoordeeld dat de op de autoriteiten rustende verplichting niet zo moet worden geïnterpreteerd dat een “excessive burden” op de staat wordt gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts neemt het hof in overweging dat aan de veroordeelde gedurende de gehele detentie reguliere resocialisatie-activiteiten worden aangeboden die zijn neergelegd in een op de individuele veroordeelde toegesneden detentieplan. Het doel hiervan is om te komen tot een zinvolle dagbesteding waarmee het sociaal functioneren wordt bevorderd. Niet is gesteld of gebleken dat voor de verdachte een dergelijk detentieplan niet is opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de meergenoemde periode van 25 jaar detentie en na een positief advies daartoe, worden ook re-integratieactiviteiten aangeboden waarbij een groter beroep wordt gedaan op eigen initiatief, zelfredzaamheid en zelfontplooiing. Vrijheden worden in dat kader geleidelijk uitgebreid. De activiteiten worden neergelegd in een re-integratieplan. De resultaten ervan worden gemonitord met het oog op overweging van gratiëring van de straf op enig moment.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof betrekt hierbij dat een levenslange gevangenisstraf op grond van artikel 10, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) evenals overige vrijheidsstraffen in een gevangenis ten uitvoer wordt gelegd. Dit geschiedt in beginsel reeds na oplegging van de straf in eerste aanleg, indien daarvan sprake is. Behoudens bijzondere omstandigheden bestaat het gevangenisregiem op grond van artikel 19, eerste lid, Pbw uit tenuitvoerlegging in algehele dan wel beperkte gemeenschap. Dit brengt gezien het bepaalde in de artikelen 20 en 21 Pbw met zich dat minst genomen aan de gedetineerde de gelegenheid wordt geboden om gemeenschappelijk aan activiteiten deel te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte een reële verwachting kan hebben dat de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf een perspectief op rehabilitatie biedt dat in overeenstemming is met de daaraan op grond van het EVRM te stellen eisen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">20.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stellers van het middel geven terecht aan dat in hoger beroep “onder meer” het verweer is gevoerd dat de verdachte een vreemdeling is, niet beschikt over een verblijfsstatus en niet voor resocialisatie/re-integratieactiviteiten in aanmerking komt, zodat de verdachte niet zal kunnen terugkeren in de samenleving. Dat in het voorgaande aangehaalde verweer komt er op hoofdlijnen op neer dat niet tot oplegging van de levenslange gevangenisstraf kan worden overgegaan wegens het ongewijzigd blijven van de tenuitvoerleggingspraktijk en het ontbreken van een reële mogelijkheid tot herbeoordeling, waardoor die niet voldoet aan de eisen van art. 3 EVRM. Op basis van de overwegingen van het hof in paragraaf 7.3 van het arrest kan mijns inziens niet worden volgehouden dat het heeft nagelaten te responderen op dat verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft kennelijk geen aanleiding gezien expliciet stil te moeten staan bij de vreemdelingenstatus van de verdachte. Dat lijkt mij niet onbegrijpelijk, aangezien de pleitnota dit onderdeel van het betoog aanmerkt als een “extra punt” en de responsieplicht uit art. 359 lid 2 Sv niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Desalniettemin ligt een reactie op het betreffende punt in de overwegingen van het hof besloten. Overwogen is namelijk dat resocialisatie-activiteiten niet zien op daadwerkelijke concrete terugkeer in de samenleving. Voorts stelt het hof vast dat gedurende de gehele detentie reguliere resocialisatie-activiteiten worden aangeboden, die zien op een zinvolle dagbesteding waarmee het sociaal functioneren wordt bevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het middel overigens bedoelt te klagen dat het oordeel van het hof dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf geen strijd oplevert met art. 3 EVRM, onvoldoende met redenen is omkleed, faalt het eveneens. Het hof heeft immers overwogen dat de resocialisatie-activiteiten worden neergelegd in een op de individuele veroordeelde toegesneden detentieplan. Het vastleggen van die aanpak in een detentieplan biedt perspectieven om het eerste gedeelte van de levenslange gevangenisstraf te doen verlopen volgens het progressieprincipe dat door het EHRM wordt voorgeschreven. Dat principe gaat ervan uit dat de (levens)langgestrafte zich gedurende de straf progressief door het gevangenisregime beweegt: waar in de begindagen de nadruk ligt op bestraffing en vergelding, zouden de latere fases meer op de voorbereiding op vrijlating gericht moeten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lijkt mij inherent aan de persoonsgerichte aanpak die het gevangeniswezen van de Dienst Justitiële Inrichtingen voorstaat, dat bij een levenslanggestrafte rekening wordt gehouden met eventuele verschillen met gedetineerden die een tijdelijke straf opgelegd gekregen hebben. Ook de vreemdelingenstatus van een levenslanggestrafte, die wellicht in een later stadium in het onderhavige geval relevant zal worden, lijkt mij zo’n verschil waarvoor maatwerk kan worden geleverd. De mogelijke vragen met betrekking tot die status van de verdachte zullen mijns inziens pas werkelijk van belang worden na positieve advisering door het ACL na 25 jaar, omdat pas dan de daadwerkelijke terugkeer in (een) samenleving in zicht komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat lijken mij vragen die zich lenen voor een beantwoording in de (toekomstige) executiefase. Daarvoor heeft het hof genoegzaam ruimte gelaten door in de eerder aangehaalde slotoverwegen (kortweg) te overwegen dat pas na verloop van tijd zal blijken hoe de regeling – die het hof in lijn met de jurisprudentie van het EHRM acht – zal worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafoplegging: redelijke termijn 21. Het dertiende middel klaagt dat het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep in strijd is met art. 6 en 13 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof ten onrechte heeft nagelaten in het arrest de ten uitvoer leggende instantie te adviseren de herbeoordeling eerder te doen plaatsvinden dan na 25 jaar, te weten minus een door het hof in het arrest aan te geven aantal jaren of maanden, in verband met de schending van de redelijke termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 28 en 29 november 2016 in dat kader heeft aangevoerd, heeft het hof mijns inziens op niet onbegrijpelijke wijze opgevat als betoog dat ertoe strekt de overschrijding van de redelijke termijn te laten verdisconteren in de strafoplegging. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen: “Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van [verdachte] door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafzaak tegen [verdachte] - het zij herhaald - maakt deel uit van een samenstel van strafzaken onder de noemer Passage. In dat kader stonden aanvankelijk twaalf, en thans nog tien, verdachten terecht. Het gaat in alle gevallen bovendien om levensdelicten van een bijzondere categorie: moorden gepleegd in het criminele milieu. In het kader van de bewijsvoering heeft het Openbaar Ministerie de verklaringen van kroongetuigen en een anonieme bedreigde getuige gepresenteerd. Daarnaast gaat het om een uitzonderlijk groot aantal onderzoeksbevindingen van uiteenlopend karakter die alle voorwerp van het onderzoek ter terechtzitting zijn geweest. Dergelijk onderzoek levert naar zijn aard tal van complicaties op die zich in het kader van Passage in aanzienlijke mate hebben gemanifesteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg zijn tal van onderzoekshandelingen verricht die mede ten dienste stonden van de uitoefening van de verdedigingsrechten van [verdachte] . In veel gevallen betrof het onderzoek waar namens hemzelf om was verzocht of onderzoek op verzoek van medeverdachten dat namens hem werd ondersteund. Desondanks hebben incidenten rondom de kroongetuige [getuige 1] tot vertragingen in de voortgang geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tweede aanleg heeft opnieuw onderzoek naar de verklaringen van [getuige 1] plaatsgevonden. In deze gedingfase werkten de introductie van de kroongetuige [getuige 2] en, in beperkte mate, de inbreng van verklaringen van de zussen en de ex-partner van [betrokkene 23] vertragend. De verklaringen van deze getuigen stonden in een aanmerkelijk ver verwijderd verband van de zaak van [verdachte] . Wel heeft de raadsvrouw het tijdsverloop benut om de advocaat-generaal gedurende een groot deel van de appelfase meermalen om aanvullend onderzoek te vragen naar telecomgegevens waaraan in veel gevallen gehoor werd gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit alles brengt met zich dat de gangbare maatstaven voor de bepaling van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn van berechting onvoldoende houvast bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De behandeling in eerste aanleg is geëindigd op 29 januari 2013. Het hof wijst heden, 29 juni 2017, arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de heropening van het opsporingsonderzoek dat in 1996 was afgesloten is [verdachte] op 30 oktober 2007 aangehouden. De detentie heeft aanvankelijk slechts kort geduurd, namelijk tot 13 november 2007. Daarna is een straf geëxecuteerd. Vanaf 19 februari 2008 is de vrijheidsbeneming hervat en deze duurt nog steeds voort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De op zijn redelijkheid te beoordelen termijn heeft in de eerste aanleg derhalve ongeveer 5 jaren en 3 maanden geduurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede aanleg heeft bijna 4,5 jaar geduurd. De genoemde lange periodes van vrijheidsbeneming dragen eraan bij dat ten aanzien van de appelfase strenger dient te worden geoordeeld over de geoorloofdheid van de lange duur van het proces dan in het geval [verdachte] op vrije voeten zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor genoemde factoren hebben tot gevolg dat de vuistregel dat per feitelijke instantie de behandeling in beginsel de duur van 16 maanden niet mag overschrijden niet hanteerbaar is. Niettemin kan worden geconcludeerd dat de redelijke termijn is overschreden. Deze vaststelling dient evenwel in sterke mate te worden gerelativeerd tegen de achtergrond van wat het hof hiervoor heeft overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan [verdachte] zal een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd. Gelet op deze omstandigheid en in het licht van genoemde relativering volstaat het hof met de vaststelling dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden. Het verweer wordt verworpen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">21.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de toelichting beogen de stellers van het middelen te klagen over schending van art. 6 en 13 EVRM, omdat – anders dan voorheen – niet volgehouden zou kunnen worden dat de aard van de opgelegde straf zich nog verzet tegen een wijze van vermindering van de straf, “nu levenslang op dit moment niet (meer) automatisch ook ten gevolge heeft dat een gedetineerde levenslang in een cel weg kwijnt” en zodoende in zaken als de onderhavige een (zeer aanzienlijke) schending van de redelijke termijn op enigerlei wijze moeten worden verdisconteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stellers van het middel verwijzen daarbij naar de beslissing van het EHRM van 15 oktober 2013 in de zaak Borges de Brito tegen Nederland. In die zaak overwoog het hof dat een strafkorting als passende compensatie kan gelden ingeval de duur van de procedure genoegzaam in aanmerking is genomen bij het op uitdrukkelijke en meetbare wijze verlagen van de straf. Niettemin zijn volgens het Europese Hof ook alternatieve wijzen van compensatie niet uitgesloten, bijvoorbeeld in de vorm van een geldbedrag. Volgens de stellers van het middel voorziet de Nederlandse regelgeving in zaken als de onderhavige evenwel niet in een procedure, waarin betrokkene een verzoek om schadevergoeding kan indienen. Voorts zou een procedure ex art. 89 Sv niet mogelijk zijn nu de zaak niet is beëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Een civielrechtelijke procedure zou tot slot tot mislukken gedoemd zijn nu de Staat verplicht is rechterlijke uitspraken ten uitvoer te leggen en geen sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooropgesteld zij dat de Hoge Raad recentelijk geen noodzaak zag tot herziening van de door de hem gehanteerde algemene uitgangspunten en regels met betrekking tot de inbreuk op het in art. 6 lid 1 EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. Daarbij verwees de Hoge Raad naar de eerdere overweging dat: “een redelijke en met de eisen van rechtszekerheid en praktische hanteerbaarheid strokende toepassing van het in art. 6, eerste lid, EVRM vervatte voorschrift inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn meebrengt dat bedoelde vuistregels, die het resultaat zijn van een langer durende rechtsontwikkeling, een zekere duurzaamheid moeten hebben, en omdat de in 2008 herijkte vuistregels - in onderling verband en samenhang bezien - in de praktijk blijken te voldoen. Dit stelsel van vuistregels houdt – kort gezegd – in dat in zaken die zijn geëindigd met de oplegging van een betrekkelijk geringe straf, wordt volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, terwijl in overige gevallen de betreffende verdragsschending in de regel wordt gecompenseerd door vermindering van de duur van de opgelegde vrijheidsstraf of taakstraf, dan wel de hoogte van de opgelegde geldboete of ontnemingsmaatregel.”</p>\n<p class=\"lf-p\">En voegde daaraan toe dat: “Dit thema vraagt om praktisch werkbare uitgangspunten en regels die waar mogelijk tot een uniforme rechtstoepassing leiden. Bij de formulering daarvan is een zekere ruwheid onontkoombaar. Onvermijdelijk zijn er ook gevallen waarin zij slecht of geheel niet toepasbaar zijn, zoals bij sancties die zich naar hun aard niet lenen voor strafvermindering, bijvoorbeeld de levenslange gevangenisstraf en vrijheidsbenemende maatregelen. Ook in die gevallen pleegt te worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Dat geldt ook indien een benadeelde partij zich met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces heeft gevoegd en de strafrechter desverzocht heeft vastgesteld dat vanwege de duur van de strafprocedure jegens haar inbreuk is gemaakt op genoemd verdragsvoorschrift. Geen rechtsregel verzet zich evenwel ertegen dat in zulke gevallen de betrokkene zich na het onherroepelijk worden van de uitspraak met een op die door de strafrechter vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn gebaseerde, tegen de Staat gerichte vordering tot schadevergoeding wendt tot de civiele rechter (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014/525).”</p>\n<p class=\"lf-p\">21.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis daarvan heeft het hof in het onderhavige geval kunnen volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM. Voorts dwingt geen rechtsregel de feitenrechter ertoe om bij oplegging van de levenslange gevangenisstraf een eventuele schending van de redelijke termijn op enigerlei wijze te (laten) verdisconteren in de procedure voor de latere herbeoordeling van die straf.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het middel er tot slot toe strekt te betogen dat de enkele vaststelling van de overschrijding van de termijn strijd oplevert met art. 13 EVRM (het recht op een “effective remedy”), is het gebaseerd op een onjuiste uitleg van die bepaling. Die vaststelling neemt immers niet weg dat de verdachte zich met zijn klacht over de inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM tot de rechter heeft kunnen wenden. Voor zover geklaagd wordt over de beperkte kans op succes ingeval op alternatieve wijze wordt gezocht naar compensatie merk ik op dat de daadwerkelijkheid (“effectiveness”) van een rechtsmiddel (“remedy”) in de zin van art. 13 EVRM volgens het EHRM niet afhangt van de zekerheid van een voor de rechtszoekende gunstige uitkomst. Dat blijkt uit de hiervoor al genoemde EHRM-zaak Borges de Brito tegen Nederland en lijkt mij eveneens van toepassing op de alternatieve wijzen van schadevergoeding ingeval de strafrechter heeft gekozen voor de enkele vaststelling van de schending van art. 6 lid 1 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 22. Naar mijn oordeel falen alle namens de verdachte ingediende middelen. Ik meen dat de namens de verdachte ingediende middelen 1, 4 tot en met 9 alsmede 12 en 13 zich lenen voor afdoening met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">22.</span>Ambtshalve merk ik op dat de verdachte gedetineerd is en dat sinds de dag dat het cassatieberoep werd ingesteld, te weten 3 juli 2017, meer dan 16 maanden zijn verstreken. Een deel van deze termijn is echter toe te rekenen aan het door de Hoge Raad verleende uitstel voor het indienen van cassatiemiddelen in verband met de complexiteit van de zaak. Mijns inziens hangt het af van de datum waarop de Hoge Raad uitspraak zal doen in deze zaak of op dat moment de redelijke termijn is geschonden. Ook als de redelijke termijn in cassatie is geschonden, hoeven daaraan geen rechtsgevolgen te worden verbonden. De aan de verdachte opgelegde levenslange gevangenisstraf leent zich naar haar aard niet voor vermindering. Andere gronden voor ambtshalve cassatie zijn door mij evenmin aanwezig bevonden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">24.</span>Deze conclusie strekt tot afwijzing van het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie en tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Verdachte [betrokkene 34] is een natuurlijke dood gestorven. Verdachte [betrokkene 22] is het slachtoffer geworden van een moordaanslag in Istanbul.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 29 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2501.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dit verband ook HR 4 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6375, NJ 2000/581; HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5506 en HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6906.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 226k Sv opent een dergelijke mogelijkheid voor reeds veroordeelde getuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afspraak heeft blijkens art. 226g lid 1 Sv uitsluitend betrekking op misdrijven, als omschreven in art. 67 lid 1 Sv die gepleegd zijn in georganiseerd verband en gezien hun aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren of naar misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 226g lid 1 Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 226h Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 226j Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 226j Sv. Deze getuige mag blijkens lid 2 niet als bedreigde getuige worden gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 1 december 2011, Stb. 2011, 600.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Kamerstukken II 1999/00, 26294, 15, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thans: Stcrt. 2012, 26860.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 28 en 29 november 2016, aangehechte pleitnota p. 3 en Proces-verbaal 15 februari 2017, aangehechte pleitnota (‘aanvulling standpunten’) i.h.b. p. 4-17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 15 februari 2017, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 9,11,12 en 13 januari 2017, aangehechte pleitnota p. 102-105. De voetnoten laat ik achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met weglating van voetnoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 2.2.2.2.4.2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 3.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1612, NJ 1999/773 m.nt. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Arrest, par. 2.2.2.2.4.2.1 (p. 36).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 5, 8, 9, 11, 12, 18 en 30 september en 10 oktober 2014, p. 1-10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader D. van der Bel, A.M. van Hoorn en J.J.T.M. Pieters, Informatie en opsporing, Zeist: SSR/Kerckebosch 2013, p. 282.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. EHRM 9 juni 1998, ECLI:NL:XX:1998:AD4193, NJ 2001/471 (Teixeira de Castro/Portugal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met weglating van een voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 6 december 2017, Stb. 2017, 489.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 21 december 2005, Stb. 2006, 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie F.W. Bleichrodt en M.C.P. Korten, ‘Het onontgonnen terrein van getuigenbescherming’, NJB 2012, 23, p. 1566 en in het algemeen M.C.P. Korten, Getuigenbescherming in Nederland (diss. Rotterdam), eigen uitgave z.p. 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport van werkgroep getuigenbescherming in Nederland. Getuigenbescherming in Nederland (rapport van april 1995, niet gepubliceerd), p. 12. Overigens was de werkgroep van oordeel dat een kroongetuige wat betreft deze belangenafweging een andere, op het oog meer achtergestelde positie inneemt dan een ‘gewone’ bedreigde getuige, omdat de mate waarin de Staat zelf mede verantwoordelijk is voor het ontstaan van de bedreiging bij de afweging betrokken dient te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting bij Besluit getuigenbescherming, Stb. 2006, 21, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, Stcrt. 2012, 26860, par. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.W. Bleichrodt en M.C.P. Korten, ‘Het onontgonnen terrein van getuigenbescherming’, NJB 2012/23, p. 1565.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie J.H. Crijns, M.J. Dubelaar en K.M. Pitcher, Collaboration with Justice in the Netherlands, Germany, Italy and Canada. A comparative study on the provision of undertakings to offenders who are willing to give evidence in the prosecution of others, Leiden: Leiden University/WODC 2018, p. 123-125.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer F.W. Bleichrodt en M.C.P. Korten, ‘Het onontgonnen terrein van getuigenbescherming’, NJB 2012/1300 en S.L.J. Janssen, De kroongetuige in het Nederlandse strafproces (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 234 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook S.L.J. Janssen, De kroongetuige in het Nederlandse strafproces (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 236-242.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.W. Bleichrodt en M.C.P. Korten, ‘Het onontgonnen terrein van getuigenbescherming’, NJB 2012, 23, p. 1567 en M.C.P. Korten, Getuigenbescherming in Nederland (diss. Rotterdam), eigen uitgave z.p. 2015, p. 287.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. M.C.P. Korten, Getuigenbescherming in Nederland (diss. Rotterdam), eigen uitgave z.p. 2015, p. 237 en 240 met nadere verwijzingen en J.H. Crijns, M.J. Dubelaar en K.M. Pitcher, Collaboration with Justice in the Netherlands, Germany, Italy and Canada. A comparative study on the provision of undertakings to offenders who are willing to give evidence in the prosecution of others, Leiden: Leiden University/WODC 2018, p. 375.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1191, NJ 1998/799 m.nt. Schalken, rov. 5.2.3, waarin de Hoge Raad onder meer overwoog dat hij zich niet in algemene zin uitlaat over de kroongetuige omdat dit de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan bij pleidooi door de verdediging van [medeverdachte 1] is aangevoerd, kan uit G.P.M.F. Mols, Getuigen in strafzaken, Deventer: Kluwer 2003, p. 325 niet worden afgeleid dat deze auteur een verplichte koppeling tussen de kroongetuigeregeling en beschermingsafspraken voor ogen staat. Op de betreffende pagina wordt slechts de parlementaire geschiedenis op dit punt aangehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, Stcrt. 2012, 26860, par. 5 onder 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 3.1 (p. 57).</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 865.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 237.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:64 rov. 2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1191, NJ 1998/799, m.nt. Schalken, rov. 7.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover Kamerstukken II 1998/99, 26294, 3, p. 4-5 en 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie middel 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 3.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 3.3.7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voetnoten laat ik achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 1.2 (p. 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, Korte samenvatting Hoofdstuk 3.2, 3.3 en 3.4 (p. 101), samenvatting van p. 62-101.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 14 (zaaksdossier ‘Cobra’).</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 822 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 3.8.3.1 (p. 126, ‘De feitelijke gang van zaken’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 23 (zaaksdossier ‘Tanta’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 897.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 28 en 29 november 2016, aangehechte pleitnota, p. 216-217.</p>\n<p class=\"lf-p\">2002/584/JBZ, PbEU L 190.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/03, 29042, 3, p. 2. Zie voorts V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. Amsterdam VU), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 93.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 28 en 29 november 2016, aangehechte pleitnota p. 270 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie N. Keijzer en E. van Sliedregt (red.), The European Arrest Warrant in Practice, Den Haag: T.M.C. Asser Press 2009, p. 195. Naast Spanje wordt de op dezelfde wijze geformuleerde voorwaarde verlangd door Estland, Finland en Polen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJ EU, arrest van 16 juli 2015, Sommer Antriebs- und Funktechnik, C-369/14, ECLI:EU:C:2015:491, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsmede K. Lenaerts en P. van Nuffel, Europees recht, Antwerpen-Cambridge: Intersentia 2017, p. 647. Vgl. ook mijn conclusie voorafgaand aan HR 13 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 28 en 29 november 2016, aangehechte pleitnota, p. 259-268.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met overname van de voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 28 en 29 november 2016, aangehechte pleitnota, p. 268-269.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 november 2016, houdende de instelling van een Adviescollege levenslanggestraften, Stcrt. 2016, 65365, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 6 juni 2017, Stcrt. 2017, 32577.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 7.3.5 en 7.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, rov. 3.1-3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 augustus 2017, nr. 2117970, houdende wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden en van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting in verband met de wijzigingen in het kader van de uitvoering van de levenslange gevangenisstraf, Stcrt. 2017, 48627, zie HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, rov. 3.3 en 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftuur, p. 118.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Silvis, ‘Levenslang in perspectief gezet: binnen de ruime marges van het EVRM’, Sancties 2018/23, p. 148. Hij verwees daarbij naar een illustratieve zaak (Gerechtshof Den Haag 27 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:320) van een levenslanggestrafte die al ruim 30 jaar vast zat en voor wie de inmiddels geldende termijn van 25 jaar aldus ruimschoots was verstreken. Advisering door de ACL was daarom niet meer aan de orde, hetgeen volgens het hof onverlet liet dat de eisen zoals voortvloeiend uit art. 3 EVRM in ogenschouw genomen moesten worden. De Staat was volgens het hof tekortgeschoten in de informatievoorziening over de re-integratieactiviteiten van de levenslanggestrafte. Noemenswaardig is mijns inziens dat het hof overwoog van de Staat gevergd mag worden dat hij naarmate de tijd voortschrijdt, zeker in een geval waarin inmiddels geldende de termijn reeds is verstreken, met een steeds grotere mate van precisie laat weten wat de levenslanggestrafte moet doen om voor gratie in aanmerking te komen, zodat hij weet waar hij aan toe is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 29279, 325, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 29279, 325, p. 3; Kamerstukken II 2015/16, 29279, 338, p. 19 en 26-27 en Kamerstukken II 2016/17, 29279, 366, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 29279, 325, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 29279, 366, p. 11-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2016, 65365, p. 1-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 29279, 390, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 29279, 390, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. Reijntjes, commentaar op art. 68 Sv, aant. 4 (‘De twee gevallen van het eerste lid’), in: A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen c.s., Wetboek van Strafvordering (online, bijgewerkt tot 1 februari 2013).</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. Reijntjes, commentaar op art. 68 Sv, aant. 4 (‘De twee gevallen van het eerste lid’), in: A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen c.s., Wetboek van Strafvordering (online, bijgewerkt tot 1 februari 2013).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 7.5 (p. 160).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag naar eventueel later nog op te leggen straffen blijft hier buiten beschouwing, dat kan wel degelijk, voor zover niet beperkt door art. 63 Sr. Vgl. HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6273, NJ 2008/429.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. ten Voorde, C.P.M. Cleiren en P.M. Schuyt, Meerdaadse samenloop in het strafrecht. Een onderzoek naar doel, grondslag, karakter, strekking en functie van de wettelijke regeling van meerdaadse samenloop (artikel 57-63 Sr), Den Haag: Boom juridische uitgevers 2013 (in opdracht van het WODC), p. 31 en 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. ten Voorde, C.P.M. Cleiren en P.M. Schuyt, Meerdaadse samenloop in het strafrecht. Een onderzoek naar doel, grondslag, karakter, strekking en functie van de wettelijke regeling van meerdaadse samenloop (artikel 57-63 Sr), Den Haag: Boom juridische uitgevers 2013 (in opdracht van het WODC), 31 en 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. ten Voorde, C.P.M. Cleiren en P.M. Schuyt, Meerdaadse samenloop in het strafrecht. Een onderzoek naar doel, grondslag, karakter, strekking en functie van de wettelijke regeling van meerdaadse samenloop (artikel 57-63 Sr), Den Haag: Boom juridische uitgevers 2013 (in opdracht van het WODC), p. 31 en 37. Vgl. F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren (diss. Amsterdam VU), Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 104, onder verwijzing naar HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7757, NJ 2007/543, m.nt. Buruma en in het bijzonder de noot van Mevis bij HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556, NJ 2006/10, onder punt 7: “staat op het feit dat de tweede rechter berecht levenslang, dan staat het die rechter vrij die straf op te leggen, ongeacht wat de eerste rechter heeft opgelegd.(…) Wordt door de tweede rechter inderdaad alsnog levenslange vrijheidsstraf opgelegd, dan zal elke vrijheidsstraf die door de eerste rechter is opgelegd en die nog moet worden geëxecuteerd in die levenslange gevangenisstraf op gaan, terwijl van enige andere door de eerste rechter opgelegde straf bekeken moet worden of die nog ten uitvoer kan worden gelegd. Als gezegd, doet het bepaalde in art. 59 Sr aan dit uitgangspunt niet af omdat dit artikel alleen geldt in geval van gelijktijdige berechting.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, rov. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 7.3.4 (p. 151-152).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 7.3.4 (p. 152).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst hierbij naar par. 59 en 60 in EHRM 17 januari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0117JUD005759208 (Hutchinson/Verenigd Koninkrijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 17 januari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0117JUD005759208 (Hutchinson/Verenigd Koninkrijk), par. 63.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 17 januari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0117JUD005759208 (Hutchinson/Verenigd Koninkrijk), par. 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met weglating van de voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 7.3 (p. 149).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 7.3 (p. 156-157).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 28 en 29 november 2016, aangehechte pleitnota, p. 269.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.8.4, onder d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. C. Kelk, ‘Toekomstbestendige resocialisatie’ (Boekbespreking van ‘Toekomstbestendige resocialisatie’, de oratie van P.M. Schuyt, Leiden 2016 (niet gepubliceerd)), Sancties 2016/35, p. 228.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 26 april 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0426JUD001051110, NJ 2017/463 m.nt. Myjer (Murray/Nederland), par. 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 29279, 338, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 28 en 29 november 2016, aangehechte pleitnota p. 276-277.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 15 oktober 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1015DEC002938811 (Borges de Brito/Nederland), par 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 15 oktober 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1015DEC002938811(Borges de Brito/Nederland), par 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558, rov. 2.1 en 2.2, onder verwijzing naar HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 en HR 9 januari 2001, ECLI:NL: HR:2001:AA9372, NJ 2001/307 (ontnemingszaken) en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558, rov. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558, rov. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 22 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5881, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 15 oktober 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1015DEC002938811 (Borges de Brito/Nederland), par 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 22 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5881.</p></div>", "next": 0}