{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het hof heeft met de onder 16.1 en 17.1 in het voorgaande opgenomen overwegingen uitdrukkelijk blijk gegeven van het opleggen van een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt en daarbij uitvoerig overwogen welke factoren tot het doen van die keuze hebben bijgedragen. Daarmee is voldaan aan de eisen die voortvloeien uit art. 359 lid 6 jo. 415 Sv. Geen rechtsregel dwingt de feitenrechter tot nadere motivering van de opgelegde straf in het kader van de verhouding van die straf tot de opgelegde straffen in zaken van medeverdachten. In zoverre faalt het middel aldus.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts vestigt het middel de aandacht op de zaken van medeverdachten [medeverdachte 4] en [betrokkene 37] , waarin op 28 oktober 2014 tot schorsing van de voorlopige hechtenis is overgegaan, mede gelet op de lange periode van onzekerheid waarin de verdachten verkeerden en het jaar waarin de feiten zijn gepleegd (1993). Volgens de stellers van het middel maakt dat de overweging van het hof ten aanzien van de strafoplegging, inhoudend dat het tijdsverloop niet heeft te gelden als strafverminderende omstandigheid, onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze klacht snijdt geen hout. Daargelaten dat het hier wederom gaat om een vergelijking met zaken van medeverdachten, menen de stellers van het middel kennelijk dat de relativering van het strafvorderlijk belang bij (voortzetting van) de voorlopige hechtenis in het kader van het eindoordeel in de onderhavige zaak van strafverminderende invloed kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schorsing van de voorlopige hechtenis is een figuur die zich leent voor zaken waarin weliswaar wordt aangenomen dat de voor (voortzetting van) de voorlopige hechtenis vereiste bezwaren en gronden aanwezig zijn, maar desalniettemin afgezien wordt van de feitelijke tenuitvoerlegging daarvan, omdat het beoogde strafvorderlijke doel ook met schorsing ( onder voorwaarden) kan worden bereikt. Dat strafvorderlijk doel kan bijvoorbeeld bestaan in het voorkomen van vlucht, recidive, collusie of van verstoring van de openbare orde. Ik vermag niet in te zien hoe die beoordeling op enigerlei wijze van invloed kan zijn op de begrijpelijkheid van de strafoplegging op het moment dat het feit eenmaal bewezenverklaard is.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel faalt evident.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">18.</span>Het achtste middel klaagt dat het hof in strijd met art. 3 EVRM aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd, althans dat het oordeel van het hof dat tot oplegging daarvan kan worden overgegaan onvoldoende met redenen omkleed is.</div>\n<p class=\"lf-p\">18.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel is gegrond op de opvatting dat uit het arrest dan wel de Nederlandse regelgeving niet volgt of, en zo ja, wanneer en op welke wijze eerder opgelegde – nog niet (volledig) ten uitvoer gelegde – onvoorwaardelijke tijdelijke gevangenisstraffen ten uitvoer zullen worden gelegd indien een verdachte, zoals in de onderhavige zaak, nadien tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 19 december 2016 omtrent het bij de strafoplegging betrekken van een eerdere veroordeling is aangevoerd, heeft het hof mijns inziens op niet onbegrijpelijke wijze als volgt samengevat: “Namens [verdachte] is het verweer gevoerd dat de in Boek 1, Titel VI van het Wetboek van Strafrecht (Sr) neergelegde regeling – meer in het bijzonder de artikelen 57, 59 en 63 – naar zowel de letter als strekking daarvan in de weg staat aan de oplegging van enige gevangenisstraf door het hof. Deze regeling vindt in de zaak van [verdachte] toepassing, omdat hij, zoals hiervoor vastgesteld, na het plegen van het tenlastegelegde feit (1993) en voorafgaand aan zijn berechting door het hof meermalen tot gevangenisstraf is veroordeeld. De wettelijke opdracht aan het hof tot het bij de straftoemeting betrekken van deze tussentijdse strafoplegging betekent, gelet op het door het hof daarbij te betrekken strafmaximum van 20 jaren, dat er voor het hof in het geheel geen ruimte meer bestaat voor het opleggen aan [verdachte] van een tijdelijke gevangenisstraf, van welke duur ook. Nu dat strafmaximum van tijdelijke gevangenisstraf reeds is bereikt, staat dat gegeven bovendien in de weg aan de oplegging door het hof van een levenslange gevangenisstraf, dit gelet op de bedoeling die bij de wetgever bij het treffen van die wettelijke regeling heeft voorgezeten, aldus – samengevat – de verdediging.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van dat verweer overweegt het hof als volgt: “Aan de wettelijke regeling en de daarop betrekkelijke rechtspraak van de Hoge Raad(76) dient het volgende te worden ontleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 57 Sr in verbinding met artikel 63 Sr begrenst in het voorkomende geval het maximum van de door de rechter op te leggen hoofdstraf. Bij strafoplegging naar aanleiding van samenloop van misdrijven (bij gelijktijdige berechting dan wel in retrospectief in de sleutel van de regeling van artikel 63 Sr) is de rechter gebonden aan een maximum, te weten een derde boven het hoogste maximum van de tijdelijke gevangenisstraf, waarmee die ter berechting voorliggende misdrijven zijn bedreigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval waarin het hof de oplegging aan [verdachte] van een levenslange gevangenisstraf overweegt, behoeft het hof derhalve geen acht te slaan op de vorenweergegeven wettelijke begrenzing, omdat de levenslange gevangenisstraf in de wettelijke systematiek immers geen tijdelijke gevangenisstraf is. Wel zal het hof in dat geval acht hebben te slaan op de in artikel 59 Sr neergelegde beperking van de mogelijkheden tot straftoemeting. Wanneer het hof beslist tot de oplegging aan [verdachte] van een levenslange gevangenisstraf kunnen aan hem door het hof niet ook nog andere vrijheidsbenemende straffen worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan door de verdediging is betoogd houdt artikel 59 Sr wel dit cumulatieverbod in, doch vormt het voor de rechter die bij de bestraffing de doorwerking van eerdere, tussentijdse veroordelingen tot tijdelijke gevangenisstraf zal hebben te betrekken, geen beletsel om aan de verdachte, in casu [verdachte] een levenslange gevangenisstraf op te leggen. Nu één van de door het hof bewezenverklaarde en gekwalificeerde misdrijven in de wet (ook) met levenslange gevangenisstraf is bedreigd, staat de door de verdediging ingeroepen wettelijke regeling noch naar de letter noch naar zijn bedoeling aan oplegging van die straf aan [verdachte] in de weg.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(76)</span>HR:2006:AY7757 en HR:2005:AS5556 (i.h.b. CAG onder 13) en HR:2008:BC6273.</div>\n<p class=\"lf-p\">18.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen overigens namens de verdachte op voornoemde terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, heeft het hof aldus opgevat dat dit het verweer inhoudt dat oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd is met het in art. 3 EVRM neergelegde verbod op een onmenselijke behandeling of bestraffing. Dat is mijns inziens geen onbegrijpelijke uitleg van het desbetreffende gedeelte van het verweer. Het hof heeft paragraaf 7.3 van het arrest gewijd aan een uitgebreide uiteenzetting op basis van de jurisprudentie van het EHRM en het – ten tijde van het wijzen van het arrest – door de Hoge Raad gehanteerde kader. Vervolgens heeft het hof de ontwikkelingen in de Nederlandse praktijk, uitmondend in het Besluit adviescollege levenslanggestraften (hierna: Besluit ACL), getoetst. Op basis daarvan komt het hof tot de volgende conclusie en afsluitende opmerkingen: “Al hetgeen in het voorgaande is overwogen brengt het hof tot de conclusie dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan de verdachte niet in strijd kan komen met de eisen die daaraan op grond van artikel 3 EVRM moeten worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot verdient het volgende nog opmerking. Het hof heeft hiervoor een juridische beoordeling gegeven van een sinds zeer korte tijd bestaande regeling. De conclusie luidt dat deze regeling aan de daaraan te stellen eisen die voortvloeien uit verdragsrecht, voldoet. Pas na geruime tijd zal echter blijken hoe de regeling wordt toegepast. In zoverre heeft de gegeven materiële beoordeling een beperkte betekenis omdat juist uit de praktische toepassing zal dienen te blijken of de beslispraktijk zich verdraagt met de verdragseisen. Ook zal de toekomst leren of de procedure en het toetsingskader zoals neergelegd in het Besluit, duurzaam van karakter zijn. Er is immers voor de nabije toekomst een voorstel voor een wettelijke regeling in het vooruitzicht gesteld. Daarnaast blijkt uit het feit dat het op 1 maart 2017 in werking getreden Besluit op 1 juli 2017 al zijn eerste wijziging ondergaat, reeds dat de bestuurlijke inzichten in beweging zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoordeling van zowel de materiële toetsingscriteria als de procedurele regels vormt daarom een momentopname. Deze biedt evenwel voldoende grondslag voor de slotsom dat voor oplegging van een levenslange gevangenisstraf geen contra-indicaties bestaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">18.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad heeft op 5 juli 2016 zijn beslissing op de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf onverenigbaar is met art. 3 EVRM aangehouden, teneinde de wijziging van de tenuitvoerleggingspraktijk af te wachten, zodat een tot levenslang veroordeelde zou worden voorzien in een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de straf, met een mogelijke verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidsstelling tot gevolg.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inmiddels heeft de Hoge Raad zich bij arrest van 19 december 2017 – en dus na het wijzen van het arrest door het hof in de onderhavige zaak – uitgesproken over de vraag of de oplegging van de levenslange gevangenisstraf – gelet op de op dat moment bestaande tenuitvoerleggingspraktijk – onverenigbaar was met de eisen die art. 3 EVRM stelt. De wijze van herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf zoals voortvloeiend uit het (gewijzigde) Besluit ACL, alsmede de daarmee gepaard gaande wijzigingen in de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden en de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, is daarbij in overweging genomen. In het kader van de toetsing van die herbeoordeling overwoog de Hoge Raad als volgt: “3.5.2. Op grond van de rechtspraak van het EHRM heeft als uitgangspunt te gelden dat de (eerste) herbeoordeling na niet meer dan 25 jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf plaatsvindt en dat na die termijn periodiek de mogelijkheid van herbeoordeling wordt geboden. Daarmee is niet onverenigbaar dat art. 4, derde lid, Besluit ACL bepaalt dat de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening uiterlijk 27 jaar na aanvang van de detentie geschiedt, in aanmerking genomen dat blijkens art. 1, aanhef en sub g, Besluit ACL die termijn reeds aanvangt op het moment van de inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ter zake van het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd.(17) Voorts is de veroordeelde op grond van de Gratiewet te allen tijde bevoegd een verzoek tot gratie in te dienen. Indien een gratieverzoek ter zake van een levenslange gevangenisstraf wordt ingediend na ommekomst van de genoemde termijn van 27 jaar, is het Adviescollege belast met de taak om de minister te informeren over de voortgang van resocialisatie- en re-integratieactiviteiten.(18) 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de herbeoordeling moet, gelet op de eisen die art. 3 EVRM stelt, de vraag aan de orde komen of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. De algemene maatstaf die – voor zover hier relevant – op grond van art. 2, aanhef en onder b, Gratiewet wordt aangelegd, houdt in of het aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Met het oog op de toepassing van die maatstaf is van belang dat, in de onder 3.4 geschetste procedure van herbeoordeling, de beslissing omtrent gratie onlosmakelijk is verbonden met de advisering door het Adviescollege omtrent het aanbieden van re-integratieactiviteiten, waarbij deze advisering als \"het voortraject van de gratieprocedure\" is te beschouwen.(19) De criteria die het Adviescollege aanlegt, zoals opgenomen in art. 4, vierde lid, Besluit ACL, zijn derhalve tevens van belang voor de beslissing omtrent gratieverlening.(20) Het komt bij de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening of de beoordeling van een nadien ingediend verzoek tot gratieverlening derhalve aan op de vraag of – gelet op het gedrag en de ontwikkeling van de veroordeelde gedurende zijn detentie, en in aanmerking genomen de overige in art. 4, vierde lid, Besluit ACL genoemde criteria – verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege deze samenhang tussen enerzijds de in de gratieprocedure toepasselijke maatstaf en anderzijds de advisering door het Adviescollege, verschaft art. 4, vierde lid, Besluit ACL voor de veroordeelde ook in voldoende mate inzicht in de objectieve criteria die worden aangelegd bij de in 3.4 geschetste procedure van herbeoordeling.(21) 3.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de procedurele waarborgen in verband met de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening dan wel de beoordeling van een gratieverzoek is het navolgende van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat door het Adviescollege advies is uitgebracht, neemt de minister op de voet van art. 7 Besluit ACL een beslissing omtrent het (al dan niet) aanbieden van re-integratieactiviteiten. De minister kan slechts gemotiveerd afwijken van het advies van het Adviescollege om die activiteiten aan te bieden.(22) Indien het verloop van de procedure dan wel (de motivering van) de beslissing van de minister daartoe aanleiding geeft, kan de veroordeelde tegen die beslissing opkomen in een procedure bij de burgerlijke rechter.(23) De Gratiewet kent geen termijn waarbinnen een beslissing omtrent het al dan niet verlenen van gratie wordt genomen. Indien echter niet binnen een redelijke termijn de beslissing wordt genomen ter zake van de in art. 4, derde lid, Besluit ACL genoemde ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening of op een door de veroordeelde ingediend gratieverzoek, kan de burgerlijke rechter op vordering van de veroordeelde gebieden dat binnen een daartoe gestelde termijn die beslissing wordt genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts voorziet de Gratiewet niet in een rechtsmiddel tegen een (negatieve) beslissing omtrent de verlening van gratie. Naar ook in parlementaire stukken wordt opgemerkt,(24) kan de veroordeelde echter in verband met die beslissing het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter. Deze kan beoordelen of de negatieve beslissing omtrent de verlening van gratie, in het licht van de eisen die art. 3 EVRM stelt, onrechtmatig is. Die beoordeling richt zich met name op de redenen die zijn opgegeven voor deze beslissing. Die motiveringsplicht berust, indien een verzoek tot gratieverlening wordt afgewezen, op art. 18, tweede lid, Gratiewet. Eenzelfde verplichting tot opgaaf van redenen moet, in het licht van de rechtspraak van het EHRM,(25) worden aangenomen indien de in art. 4, derde lid, Besluit ACL genoemde ambtshalve beoordeling niet tot gratieverlening leidt. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing omtrent gratieverlening is in het bijzonder van belang indien wordt afgeweken van het onder 3.4 sub (g) genoemde advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, nu dit advies – naar wordt bevestigd in de parlementaire stukken – in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing omtrent gratieverlening.(26) 3.5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het kader van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf dienen, in overeenstemming met de eisen die art. 3 EVRM stelt, voor de ommekomst van de onder 3.4 sub (a) genoemde termijn van 25 jaar aan de veroordeelde activiteiten – onder meer in de vorm van arbeid, scholing en gedragsinterventies – te worden aangeboden die hem in staat stellen zich gedurende de detentie te ontwikkelen, alsook inzicht te verkrijgen in de relevante en noodzakelijke ontwikkelingsmogelijkheden, ten behoeve van een mogelijke terugkeer in de samenleving en met het oog op de advisering en de besluitvorming omtrent het aanbieden van re-integratieactiviteiten na ommekomst van die termijn. De onder 3.3 genoemde regelingen sluiten een zodanig aanbod van activiteiten niet uit, waarbij nog van belang is dat, in verband met het aanbieden van passende (medische) behandeling en (psychiatrische) zorg aan de veroordeelde, reeds in het jaar nadat de levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden, gedragsdeskundige rapportage plaatsvindt.(27)De Penitentiaire beginselenwet voorziet in het recht van (beklag en) beroep ter zake van beslissingen die verband houden met het detentie- en re-integratieplan en de daarin op te nemen activiteiten, ook voor het einde van de eerder genoemde termijn van 25 jaar, alsook beslissingen omtrent het verlenen van re-integratieverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of het detentieverloop in een individueel geval in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM stelt, komt in deze penitentiaire rechtsgang aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6 De Hoge Raad is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de onder 3.3 en 3.4 geschetste regelingen en in aanmerking genomen hetgeen onder 3.5 is overwogen met betrekking tot de beoordelingsmogelijkheden van de burgerlijke rechter alsmede de penitentiaire rechter in de fase van tenuitvoerlegging, het Nederlandse recht thans voorziet in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf, dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met art. 3 EVRM. De recente introductie van dit stelsel betekent dat thans geen (doorslaggevende) betekenis toekomt aan de feitelijke mogelijkheden tot bekorting van de levenslange gevangenisstraf zoals die voordien bestonden. Dat laat onverlet dat indien op enig moment zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder vigeur van het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk nimmer wordt verkort, zulks bepaaldelijk een factor van betekenis zal zijn bij de alsdan te beantwoorden vraag of de oplegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging verenigbaar is met art. 3 EVRM. Die vraag is thans echter niet aan de orde.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(17)</span>Vgl. in dit verband EHRM 13 november 2014, nr. 40014/10, Bodein tegen Frankrijk, § 61.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(18)</span>Art. 4, eerste lid aanhef en onder b en d, Besluit ACL.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(19)</span>Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 338, p. 22 en Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 10, 16.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(20)</span>Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 354, p. 2 en Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 8, 15.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(21)</span>Vgl. EHRM 17 januari 2017, nr. 57592/08, Hutchinson tegen Verenigd Koninkrijk, § 59-65 en EHRM 23 mei 2017, nr. 22662/13, 51059/13, 58823/13, 59692/13, 59700/13, 60115/13, 69425/13 en 72824/13, Matiošaitis en anderen tegen Litouwen, § 168.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(22)</span>Art. 7, tweede lid, Besluit ACL.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(23)</span>Vgl. Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 338, p. 20 en Toelichting, Stcrt. 2016, 65365, p. 6-7.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(24)</span>Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16, waarin wordt verwezen naar het arrest van het Hof Den Haag van 5 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:952.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(25)</span>Vgl. EHRM 23 mei 2017, nr. 22662/13, 51059/13, 58823/13, 59692/13, 59700/13, 60115/13, 69425/13 en 72824/13, Matiošaitis en anderen tegen Litouwen, § 181, waarin onder \"review\" tevens wordt begrepen \"the executive giving reasons\".</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(26)</span>Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(27)</span>Toelichting, Stcrt. 2017, 48627, p. 6.</div>\n<p class=\"lf-p\">18.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel zich sinds de Hoge Raad voornoemd arrest wees geen wijzigingen hebben voorgedaan in (het beleid aangaande) de tenuitvoerleggingspraktijk van de levenslange gevangenisstraf, klaagt het middel dat de Nederlandse regelgeving niet aan de eisen zoals voortvloeiend uit art. 3 EVRM voldoet, zodat de oplegging van de straf daarmee in strijd is en onvoldoende met redenen is omkleed. Volgens de stellers van het middel volgt, anders dan voorheen, uit het wettelijk systeem thans niet (zonder meer) in hoeverre eerder aan de verdachte opgelegde – nog niet (volledig) ten uitvoer gelegde – onvoorwaardelijke tijdelijke gevangenisstraffen opgaan in de levenslange gevangenisstraf. Ten gevolge van die onduidelijkheid ten tijde van de oplegging van de straf, zou de verdachte niet weten aan welke voorwaarden hij moet voldoen om na verloop van (welke?) tijd terug te kunnen keren in de samenleving. De voorwaarden zouden onvoldoende nauwkeurig en specifiek zijn, zodat de verdachte niet concreet weet wat hij zal moeten doen om in aanmerking te komen voor vrijlating.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vragen die de stellers van het middel opwerpen over de mogelijke invloed van de nog niet (volledig) ten uitvoer gelegde eerder opgelegde sancties, lijken mij toch vooral te zien op de executiefase. Ik citeer enkele daarvan: “Betekent dit dat die straf nog zal moeten worden uitgezeten na ommekomst van de 25 jaars-termijn?; de herbeoordeling niet eerder zal plaatsvinden dan na ommekomst van de 25 jaar te vermeerderen met de nog te executeren straf?; de (openstaande) straf ten uitvoer zal worden gelegd na in vrijheidsstelling na herbeoordeling?; dit slechts ter beoordeling staat van de Adviescollege en/of Minister op een door dit College of minister te bepalen tijdstip?”</p>\n<p class=\"lf-p\">18.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met vragen die de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf betreffen stelt J. Silvis in het tijdschrift Sancties, onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.5.5. van het in het voorgaande aangehaalde arrest van de Hoge Raad, dat de penitentiaire rechtsgang het mogelijk maakt dat de praktijk van de tenuitvoerlegging kritisch kan worden gevolgd. Ik meen dat de door de stellers van het middel opgeworpen vragen zich eveneens voor een beantwoording in die (toekomstige) executiefase lenen. Desalniettemin komt het mij vanwege de ogenschijnlijk vernieuwende vragen die in het middel worden opgeworpen toch dienstig voor de bezwaren van de stellers van het middel wat nader te bespreken. Daarbij zij al vooraf opgemerkt dat de bezwaren die door de stellers van het middel zijn aangevoerd naar ik meen niet tot gevolg hebben dat oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd met art. 3 EVRM geacht moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooropgesteld kan worden dat ook onder de nieuwe regelgeving het uitgangspunt van de levenslange gevangenisstraf blijft dat de veroordeelde niet meer terugkeert in de samenleving. Met de mogelijkheid van herbeoordeling die de staatssecretaris voorstelde en die sinds de inwerkingtreding van het Besluit ACL inmiddels onderdeel is van de Nederlandse regelgeving, is beoogd aan te sluiten bij het bestaande sanctiestelsel. Niet is gekozen voor een verkorting van rechtswege van de levenslange gevangenisstraf, maar voor een nadere regulering van de gratieprocedure door een herbeoordeling na een zekere periode. De initiële gedachte was dat de termijn van 25 jaar waarna die herbeoordeling plaats zou vinden, zou bewerkstelligen dat, ook bij het verlenen van gratie als gevolg van de nieuwe herbeoordeling, de duur van de detentie bij oplegging van een levenslange gevangenisstraf nog steeds substantieel langer is dan de maximale tijdelijke gevangenisstraf van dertig jaar. Door de werking van de regeling van de vervroegde invrijheidsstelling komt die laatstgenoemde hoogste tijdelijke gevangenisstraf immers neer op twintig jaar, aldus de staatssecretaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf de aankondiging van het voornemen tot wijziging van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf sprak de staatssecretaris over de 25-jaarstermijn, waarbij de aanvang van de detentie als startpunt werd genomen. Daarbij heeft hij op enig moment, bij de beantwoording van Kamervragen, aandacht besteed aan de ‘huidige’ populatie levenslanggestraften. Dat betreft de groep levenslanggestraften die reeds voor de inwerkingtreding van het Besluit ACL en aanverwante regelgeving een levenslange gevangenisstraf ondergingen. Ten aanzien van die groep heeft hij aangegeven de eerste oplegging van de levenslange straf te willen aanhouden als startpunt voor de 25-jaarstermijn. Art. 4 lid 2 en 3 van het initiële Besluit ACL bevatte daarom als termijnbepaling voor de ambtshalve gratiebeslissing en voor de herbeoordeling door het Adviescollege de volgende bepalingen: “2. De Minister neemt uiterlijk vijfentwintig jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf een voorstel tot gratieverlening als bedoeld in artikel 19 van de Gratiewet in overweging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het eerste advies van het Adviescollege, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt vijfentwintig jaar na aanvang van de detentie uitgebracht.”</div>\n<p class=\"lf-p\">18.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kort na de inwerkingtreding van het Besluit ACL werd echter besloten de koppeling van de termijn aan het moment van oplegging los te laten en de start van de detentie aan te houden als ijkpunt. In verband met de sterk variërende lengtes van de voorlopige hechtenis zou de koppeling van de termijn aan de (eerste) oplegging van de straf in de praktijk immers tot grote verschillen tussen gedetineerden leiden. Dat leidde tot een wijziging van het Besluit ACL die door de staatssecretaris als volgt toelichtte: “Dat maakt dat ik heb besloten de termijn van de (ambtshalve) herbeoordeling aan te scherpen om te bewerkstelligen dat voor elke gedetineerde de re-integratiefase op hetzelfde moment aanvangt en gelijk is qua minimale duur. Ik heb ervoor gekozen dat alle levenslanggestraften vijfentwintig jaar na aanvang van de detentie in aanmerking kunnen komen voor re-integratieactiviteiten, waaronder verlof, en dat uiterlijk twee jaar daarna de herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf plaatsvindt. Aldus vervalt de eerdere koppeling met het moment van eerste strafoplegging. Zoals eerder aangegeven past een dergelijke opzet binnen de jurisprudentie van het EHRM. De aanpassing is inmiddels opgenomen in artikel 4, tweede lid, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten gevolge van die aanpassingen luiden de eerder genoemde leden inmiddels als volgt: “2. Het eerste advies van het Adviescollege, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt vijfentwintig jaar na aanvang van de detentie uitgebracht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Uiterlijk twee jaar na het in het tweede lid bedoelde tijdstip wordt aan de hand van een voorstel tot gratieverlening als bedoeld in artikel 19 van de Gratiewet de mogelijkheid tot gratieverlening beoordeeld.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is de definitiebepaling van dat startpunt, zoals genoemd in art. 1 onder g van het Besluit ACL, ongewijzigd gebleven: “detentie: de periode van vrijheidsbeneming vanaf het moment van de inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ter zake van het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het Besluit ACL en de bijbehorende parlementaire geschiedenis kan niet worden opgemaakt dat de staatssecretaris een afwijkende regeling heeft willen treffen voor (inmiddels) levenslanggestraften die voorafgaand aan de oplegging van die straf bezig waren een (tijdelijke) vrijheidsstraf uit te zitten. Het komt mij – mede in het licht van de toelichting van de staatssecretaris bij de wijziging, waarin hij spreekt over “alle levenslanggestraften” – logisch voor dat deze groep overeenkomstig de andere wordt behandeld en dat hun 25-jaarstermijn dus aanvangt op het moment dat sprake is van de start van de detentie zoals bedoeld in art. 1 sub g van het Besluit ACL.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermeldenswaard in dat verband is mijns inziens ook dat door de start van de voorlopige hechtenis voor het feit waarvoor uiteindelijk levenslang wordt opgelegd, de executie van de eerdere straf wordt opgeschort. Dat volgt uit art. 68 lid 1 Sv, waarin het volgende is opgenomen: “De termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de verdere tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken of uit anderen hoofde rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Ondergaat evenwel de verdachte op het tijdstip dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven een vrijheidsstraf, dan wordt de tenuitvoerlegging van de straf van rechtswege geschorst zolang het bevel van kracht is. De in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt in dat geval zoveel mogelijk in mindering gebracht op die straf.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laten ‘consumeren’ van de voorlopige hechtenis door de vrijheidsstraf was – zo stelt Reijntjes – kennelijk niet de bedoeling van de wetgever. Het laten voortduren van de vrijheidsstraf naast de voorlopige hechtenis is dus niet mogelijk. Ingeval de verdachte al een vrijheidsstraf ondergaat, is bepaald dat de duur van het voorarrest uiteindelijk in mindering wordt gebracht op de straf die hij reeds aan het uitzitten was. De wetgever meende ten tijde van de toevoeging van de laatste twee zinnen van dit artikellid, in 1979, dat het toepassen van een korting op de nog op te leggen straf – zoals gebruikelijk is ingevolge art. 27 lid 1 Sr – onvoldoende recht zou doen aan de positie van de gedetineerde. De periode van voorlopige hechtenis die is uitgezeten in verband met feit waarvoor latere vervolging plaatsvindt, wordt daarom afgetrokken van de vrijheidsstraf die reeds was opgelegd. Ingeval de later opgelegde straf een levenslange gevangenisstraf betreft, zal dat weinig effect hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 68 lid 1 Sv bewerkstelligt weliswaar dat de periode van het voorarrest in ieder geval ergens op in mindering kan worden gebracht – aftrek van de levenslange gevangenisstraf kan namelijk op basis van art. 27 Sr niet – maar in de praktijk kan dat geen wijziging van de duur van de uiteindelijke gevangenisstaf opleveren: die blijft immers levenslang. Onder de nieuwe regeling zal de periode van het voorarrest, die met terugwerkende kracht geldt als executie van de eerdere vrijheidsstraf, overlappen met de 25-jaarstermijn die bij de aanhouding en inverzekeringstelling voor het onderhavige feit in detentie reeds is aangevangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderhavige geval kan uit het arrest van het hof worden opgemaakt dat de verdachte voor de onderhavige feiten op 19 februari 2008 in verzekering is gesteld. Die datum zou dus – op basis van het voorgaande – als startpunt hebben te gelden voor de termijn van 25 jaar. Dan zou hij eerst in het jaar 2033 worden beoordeeld op zijn geschiktheid om te kunnen starten met re-integratieactiviteiten, terwijl het vanaf 19 februari 2008 ondergane voorarrest ingevolge art. 68 lid 1 Sv in mindering kan worden gebracht op zijn strafrestant.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens is de vraag in hoeverre de executie van nog niet (volledig) ten uitvoer gelegde straffen in de levenslange gevangenisstraf opgaat. In dat verband merk ik op dat de geschiedenis van de totstandkoming van de regeling van de meerdaadse samenloop weinig informatie bevat aangaande de oplegging van de levenslange gevangenisstraf. Wel staat vast dat er destijds overeenstemming bestond omtrent de absorptie door de levenslange gevangenisstraf van alle andere vrijheids- en vermogensstraffen, met uitzondering van de verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen. Dat is dus het stelsel dat in het (huidige) art. 59 Sr is te vinden. Voorts werd destijds in de Commissie-De Wal opgemerkt dat gratieverlening met de toepassing van de geabsorbeerde straffen gepaard kan gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat dat precies betekende is mij echter niet zo duidelijk, met name niet of deze destijds aangehangen clausulering ook gold voor eerder opgelegde vrijheidsstraffen. Op basis van de heersende opvatting in de literatuur, voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Besluit ACL en aanverwante regelgeving, kan mijns inziens wel worden aangenomen dat de ten tijde van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf nog ten uitvoer te leggen eerder opgelegde straffen, op het punt van de executie in de levenslange gevangenisstraf opgaan. Hoe dat vorm krijgt bij gratieverlening onder de huidige regelgeving, kan op twee verschillende manieren worden bezien. De meest elegante en door mij voorgestane aanpak is de toepassing van dit absorptiestelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan blijven de eerder opgelegde straffen uit beeld en is alleen de vraag naar de (mogelijke) gratiëring van de levenslange straf op enig moment aan de orde. Maar ook als men dat anders ziet zal de uitkomst niet wezenlijk anders zijn. Immers, ingeval de herbeoordeling van de levenslanggestrafte op enig moment tot de conclusie leidt dat zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn rehabilitatie dat er met de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de straf geen legitieme strafdoelen meer worden gediend, zou het tot verbazing leiden als bij die stand van zaken vervolgens geoordeeld wordt dat niettemin tot (het voortzetten van) de tenuitvoerlegging van (een) eerder opgelegde vrijheidsstraffen straf(fen) dient te worden overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee zou dan ook al gauw, zo lijkt het, ook geen redelijk met de strafrechtstoepassing te verenigen doel meer zijn gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het voorgaande vermag ik niet in te zien dat de regelgeving aangaande de herbeoordelingsprocedure door het uitblijven van specifieke bepalingen omtrent nog niet (volledig) ten uitvoer gelegde eerder opgelegde gevangenisstraffen, te onduidelijk zou zijn. Mogelijk kunnen die strafrestanten wel een rol gaan spelen in de herbeoordelingsprocedure. Dat houdt echter primair verband met de inhoudelijke criteria die gelden bij de herbeoordeling. Maar de uitkomst van die herbeoordeling behoeft uiteraard niet al vast te staan bij de oplegging van de levenslange gevangenisstraf. Of er nog sprake kan zijn van een nog uit te zitten straf volgend op de gratieverlening voor de levenslange straf laat zich in zijn algemeenheid niet voorspellen en dat is een onzekerheid die inherent is aan de beoordeling op een veel later moment, zoals die is ingebakken in de thans geldende regeling. Dat sprake zal zijn van een verplaatsing van het beoordelingsmoment naar een later moment, zoals door de stellers van het middel wordt gesuggereerd, vind ik op basis van de geldende regeling niet aannemelijk. Maar te zijner tijd zou daar (alsnog) over kunnen worden geklaagd. Dat thans niet onomstotelijk vaststaat op welke wijze de strafrestanten van de verdachte van invloed zullen zijn op de herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf van de verdachte maakt mijns inziens niet dat de oplegging van die straf strijd met art. 3 EVRM oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het middel voor het overige bedoelt te klagen over onduidelijkheid van de criteria die gelden voor de procedure van herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf, merk ik op dat uit het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 volgt dat op basis van de wetsgeschiedenis kan worden aangenomen dat de criteria die door het ACL zullen worden gehanteerd ook van belang zijn voor de beslissing omtrent gratieverlening. Volgens de Hoge Raad maakt de samenhang van de beide beoordelingsmomenten dat de in art. 4 lid 4 Besluit ACL genoemde criteria ook de gratieprocedure voorzien van objectieve criteria die voldoende inzichtelijk zijn voor de levenslanggestrafte. De overweging van het hof daaromtrent strookt daarmee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik begrijp die overwegingen van het hof immers zo dat de beoordelingsmomenten in elkaars verlengde liggen, in die zin dat het positieve advies aangaande de start van re-integratieactiviteiten en de daarbij in acht genomen factoren uit het Besluit als uitgangspunt wordt genomen bij de beoordeling van de mogelijke gratieverlening aan de levenslanggestrafte. Op basis van de verwijzing naar de overweging van het EHRM in de zaak Hutchinson komt het hof voorts niet onbegrijpelijk tot de conclusie dat bezwaarlijk kan worden geoordeeld dat vooraf vastgestelde objectieve en kenbare criteria ontbreken. Uit de overweging van het EHRM waarnaar het hof verwijst blijkt immers dat het EVRM geen hoge mate van specificiteit of precisie voorschrijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verlengde daarvan merk ik op dat het EHRM in die zaak ten aanzien van de mogelijkheid tot gratieverlening in het Verenigd Koninkrijk overwoog dat de bestaande en nog te wijzen jurisprudentie van het EHRM beoogt (inter)nationale rechterlijke instanties richting te geven bij het nakomen van de wettelijke taak tot gratiëring conform het verdrag te vervullen. Vervolgens staat het EHRM toe dat de concrete uitleg van de desbetreffende bepaling in de praktijk nadere invulling vindt, waarbij gewezen wordt op de plicht van de ‘Secretary of State’ om een zodanige beslissing te motiveren en op het belang van de mogelijkheid een zodanige beslissing aan rechterlijke toetsing te onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">19.</span>Het negende middel klaagt dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende met redenen omkleed is, voor zover deze mede is gebaseerd op het gevaar voor recidive.</div>\n<p class=\"lf-p\">19.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de verdachte ten tijde van het opleggen van de straf reeds 69 jaar oud was, en niet in te zien zou zijn waarom onder deze omstandigheden een tijdelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur niet geëigend zou zijn om het door het hof aangenomen recidivegevaar weg te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting op het middel wordt ten eerste opgemerkt dat het feit waarvoor de verdachte eerder tot 17 jaar gevangenisstraf is veroordeeld, gepleegd zou zijn in 2007 en zodoende 10 jaar voorafgaand aan de oplegging van de levenslange gevangenisstraf. Volgens de verdachte is de verwijzing door het hof naar het recidivegevaar gelet op dat tijdsverloop onbegrijpelijk, mede omdat de verdachte in die periode logischerwijs alleen maar ouder is geworden. Daarbij wordt erop gewezen dat de verdachte veel zittingen heeft gemist, omdat hij gelet op zijn leeftijd niet alles meer kan volgen en bovendien het dossier niet volledig heeft kunnen lezen door oogklachten. Ook zou onbegrijpelijk zijn dat het hof niets heeft overwogen over de mogelijkheden tot resocialisatie en re-integratie, waardoor de verdachte op termijn wel op een juiste en verantwoorde manier zou kunnen terugkeren in de samenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij wordt opgemerkt dat de verdachte in verband met die eerdere veroordelingen nog minstens een aantal jaren in detentie zou moeten blijven, “alvorens hij de gevangenispoorten definitief zou mogen verlaten”. Ter onderbouwing van dat standpunt verwijzen de stellers van het middel naar een arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2006, dat “de enkele omstandigheid dat de verdachte thans niet behandelbaar is, (…) op zichzelf niet mee[brengt] dat het gevaar dat van de verdachte bij verblijf in de vrije samenleving uitgaat - gelet op diens persoonlijkheid en diens in het verleden niet onder controle te krijgen drankmisbruik - na de tenuitvoerlegging van een tijdelijke gevangenisstraf niet op een andere wijze kan worden gekeerd, bijvoorbeeld door opname in de gesloten afdeling van een psychiatrische instelling, en dat dus een levenslange gevangenisstraf onvermijdelijk is”.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik breng hierbij in herinnering dat bij het oordeel in cassatie over de strafmotivering een terughoudende toets past, waarbij wordt bezien of die aan de wettelijke eisen voldoet, en niet of de straf of maatregel werkelijk wordt gedragen door de opgegeven factoren. Enkel ingeval de opgelegde straf tegen de achtergrond van het bewezenverklaarde feit en de ter terechtzitting gebleken omstandigheden zodanig is gemotiveerd dat de strafoplegging verbazing wekt zal de cassatierechter ingrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals blijkt uit het onder 17.1 aangehaalde heeft het hof in het onderhavige geval ter motivering van de straf onder meer acht geslagen op de eerdere veroordelingen van de verdachte, ter onderbouwing van de redelijke vrees dat hij zich in vrijheid verkerend andermaal schuldig zal maken aan het plegen van eenzelfde of soortgelijk misdrijf. Daarmee is voldaan aan de eisen die voortvloeien uit art. 359 lid 6 jo. 415 Sv. Geen rechtsregel dwingt de feitenrechter tot nadere motivering van de opgelegde straf in het kader van de mogelijkheden tot resocialisatie en re-integratie, ten behoeve van het op verantwoorde wijze laten terugkeren van de verdachte in de samenleving. Voorts loopt de vergelijking van het onderhavige geval met het arrest waarnaar door de stellers van het middel wordt verwezen mank. In die zaak werd immers door het hof enerzijds de conclusie van de psychiater – inhoudend dat het ten laste gelegde slechts gedeeltelijk aan de verdachte kon worden toegerekend – overgenomen, waarin volgens de Hoge Raad besloten lag dat een tijdelijke gevangenisstraf werd overwogen. Desalniettemin werd vervolgens gekozen voor een levenslange gevangenisstraf, gelet op het grote gevaar voor recidive wegens het ontbreken van behandelmogelijkheden. In het onderhavige geval kan echter van enige aanwijzing in de overwegingen van het hof inhoudend dat het voornemens was een tijdelijke gevangenisstraf op te leggen, niet worden gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafmotivering kan de opgelegde straf dragen. Zodoende faalt het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafoplegging: redelijke termijn 20. Het tiende middel klaagt dat het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep in strijd is met art. 6 en 13 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof ten onrechte heeft nagelaten in het arrest de ten uitvoer leggende instantie te adviseren de herbeoordeling eerder te doen plaatsvinden dan na 25 jaar, te weten minus een door het hof in het arrest aan te geven aantal jaren of maanden, in verband met de schending van de redelijke termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover relevant voor de beoordeling van dit laatste middel houdt het bestreden arrest het volgende in: “Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de redelijke termijn waarbinnen de berechting dient plaats te vinden, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De aanleiding om deze vraag ambtshalve aan de orde te stellen is daarin gelegen dat de behandeling van de zaak van [verdachte] zowel in eerste als in tweede aanleg uitzonderlijk lang heeft geduurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafzaak tegen [verdachte] - het zij herhaald - maakt deel uit van een samenstel van strafzaken onder de noemer Passage. In dat kader stonden aanvankelijk twaalf, en thans nog tien, verdachten terecht. Het gaat in alle gevallen bovendien om levensdelicten van een bijzondere categorie: moorden gepleegd in het criminele milieu. In het kader van de bewijsvoering heeft het Openbaar Ministerie de verklaringen van kroongetuigen en een anonieme bedreigde getuige gepresenteerd. Daarnaast gaat het om een uitzonderlijk groot aantal onderzoeksbevindingen van uiteenlopend karakter die alle voorwerp van het onderzoek ter terechtzitting zijn geweest. Dergelijk onderzoek levert naar zijn aard tal van complicaties op die zich in het kader van Passage in aanzienlijke mate hebben gemanifesteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg zijn tal van onderzoekshandelingen verricht die mede ten dienste stonden van de uitoefening van de verdedigingsrechten van [verdachte] . In veel gevallen betrof het onderzoek dat namens hemzelf was verzocht of onderzoek op verzoek van medeverdachten dat namens hem werd ondersteund. Desondanks hebben incidenten rondom de kroongetuige [getuige 1] tot vertragingen in de voortgang geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tweede instantie werkten de introductie van de kroongetuige [getuige 2] en, in beperkte mate, de inbreng van verklaringen van de zussen en de ex-partner van [betrokkene 23] vertragend. De verklaringen van deze getuigen stonden in een aanmerkelijk ver verwijderd verband van de zaak van [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit alles brengt met zich dat de gangbare maatstaven voor de bepaling van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn van berechting onvoldoende houvast bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De behandeling in eerste aanleg is geëindigd op 29 januari 2013. Het hof wijst heden, 29 juni 2017, arrest. [verdachte] is op 19 februari 2008 aangehouden. De detentie duurt sindsdien onafgebroken voort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De op zijn redelijkheid te beoordelen termijn heeft in de eerste aanleg derhalve bijna 5 jaren geduurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede aanleg heeft bijna 4,5 jaar geduurd. De genoemde lange periodes van vrijheidsbeneming dragen eraan bij dat ten aanzien van beide fasen van berechting strenger dient te worden geoordeeld over de geoorloofdheid van de lange duur van het proces dan in het geval [verdachte] op vrije voeten zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor genoemde factoren hebben tot gevolg dat de vuistregel dat per feitelijke instantie de behandeling in beginsel de duur van 16 maanden niet mag overschrijden niet hanteerbaar is. Niettemin kan worden geconcludeerd dat de redelijke termijn is overschreden. Deze vaststelling dient evenwel te worden gerelativeerd tegen de achtergrond van wat het hof hiervoor heeft overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan [verdachte] zal een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd. Gelet op deze omstandigheid en in het licht van genoemde relativering volstaat het hof met de vaststelling dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">20.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de toelichting beogen de stellers van het middelen te klagen over schending van art. 6 en 13 EVRM, omdat – anders dan voorheen – niet volgehouden zou kunnen worden dat de aard van de opgelegde straf zich nog verzet tegen een wijze van vermindering van de straf, “nu levenslang thans niet meer automatisch/per definitie ook ten gevolge heeft dat een gedetineerde levenslang in een cel weg kwijnt” en zodoende in zaken als de onderhavige een (zeer aanzienlijke) schending van de redelijke termijn op enigerlei wijze moeten worden verdisconteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stellers van het middel verwijzen daarbij naar de beslissing van het EHRM van 15 oktober 2013 in de zaak Borges de Brito tegen Nederland. In die zaak overwoog het hof dat een strafkorting als passende compensatie kan gelden ingeval de duur van de procedure genoegzaam in aanmerking is genomen bij het op uitdrukkelijke en meetbare wijze verlagen van de straf. Niettemin zijn volgens het Europese Hof ook alternatieve wijzen van compensatie niet uitgesloten, bijvoorbeeld in de vorm van een geldbedrag. Volgens de stellers van het middel voorziet de Nederlandse regelgeving in zaken als de onderhavige evenwel niet in een procedure, waarin betrokkene een verzoek om schadevergoeding kan indienen. Voorts zou een procedure ex art. 89 Sv niet mogelijk zijn nu de zaak niet is beëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Een civielrechtelijke procedure zou tot slot tot mislukken gedoemd zijn nu de Staat verplicht is rechterlijke uitspraken ten uitvoer te leggen en geen sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooropgesteld zij dat de Hoge Raad recentelijk geen noodzaak zag tot herziening van de door de hem gehanteerde algemene uitgangspunten en regels met betrekking tot de inbreuk op het in art. 6 lid 1 EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. Daarbij verwees de Hoge Raad naar de eerdere overweging dat: “een redelijke en met de eisen van rechtszekerheid en praktische hanteerbaarheid strokende toepassing van het in art. 6, eerste lid, EVRM vervatte voorschrift inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn meebrengt dat bedoelde vuistregels, die het resultaat zijn van een langer durende rechtsontwikkeling, een zekere duurzaamheid moeten hebben, en omdat de in 2008 herijkte vuistregels - in onderling verband en samenhang bezien - in de praktijk blijken te voldoen. Dit stelsel van vuistregels houdt – kort gezegd – in dat in zaken die zijn geëindigd met de oplegging van een betrekkelijk geringe straf, wordt volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, terwijl in overige gevallen de betreffende verdragsschending in de regel wordt gecompenseerd door vermindering van de duur van de opgelegde vrijheidsstraf of taakstraf, dan wel de hoogte van de opgelegde geldboete of ontnemingsmaatregel.”</p>\n<p class=\"lf-p\">En voegde daaraan toe dat: “Dit thema vraagt om praktisch werkbare uitgangspunten en regels die waar mogelijk tot een uniforme rechtstoepassing leiden. Bij de formulering daarvan is een zekere ruwheid onontkoombaar. Onvermijdelijk zijn er ook gevallen waarin zij slecht of geheel niet toepasbaar zijn, zoals bij sancties die zich naar hun aard niet lenen voor strafvermindering, bijvoorbeeld de levenslange gevangenisstraf en vrijheidsbenemende maatregelen. Ook in die gevallen pleegt te worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Dat geldt ook indien een benadeelde partij zich met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces heeft gevoegd en de strafrechter desverzocht heeft vastgesteld dat vanwege de duur van de strafprocedure jegens haar inbreuk is gemaakt op genoemd verdragsvoorschrift. Geen rechtsregel verzet zich evenwel ertegen dat in zulke gevallen de betrokkene zich na het onherroepelijk worden van de uitspraak met een op die door de strafrechter vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn gebaseerde, tegen de Staat gerichte vordering tot schadevergoeding wendt tot de civiele rechter (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014/525).”</p>\n<p class=\"lf-p\">20.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis daarvan heeft het hof in het onderhavige geval kunnen volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM. Voorts dwingt geen rechtsregel de feitenrechter ertoe om bij oplegging van de levenslange gevangenisstraf een eventuele schending van de redelijke termijn op enigerlei wijze te (laten) verdisconteren in de procedure voor de latere herbeoordeling van die straf.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het middel er tot slot toe strekt te betogen dat de enkele vaststelling van de overschrijding van de termijn strijd oplevert met art. 13 EVRM (het recht op een “effective remedy”), is het gebaseerd op een onjuiste uitleg van die bepaling. Die vaststelling neemt immers niet weg dat de verdachte zich met zijn klacht over de inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM tot de rechter heeft kunnen wenden. Voor zover geklaagd wordt over de beperkte kans op succes ingeval op alternatieve wijze wordt gezocht naar compensatie merk ik op dat de daadwerkelijkheid (“effectiveness”) van een rechtsmiddel (“remedy”) in de zin van art. 13 EVRM volgens het EHRM niet afhangt van de zekerheid van een voor de rechtszoekende gunstige uitkomst. Dat blijkt uit de hiervoor al genoemde EHRM-zaak Borges de Brito tegen Nederland en lijkt mij eveneens van toepassing op de alternatieve wijzen van schadevergoeding ingeval de strafrechter heeft gekozen voor de enkele vaststelling van de schending van art. 6 lid 1 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 21. Naar mijn oordeel falen alle namens de verdachte ingediende middelen. Ik meen dat de namens de verdachte ingediende middelen 1, 4 tot en met 7 alsmede 9 en 10 zich lenen voor afdoening met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">21.</span>Ambtshalve merk ik op dat de verdachte gedetineerd is en dat sinds de dag dat het cassatieberoep werd ingesteld, te weten 3 juli 2017, meer dan 16 maanden zijn verstreken. Een deel van deze termijn is echter toe te rekenen aan het door de Hoge Raad verleende uitstel voor het indienen van cassatiemiddelen in verband met de complexiteit van de zaak. Mijns inziens hangt het af van de datum waarop de Hoge Raad uitspraak zal doen in deze zaak of op dat moment de redelijke termijn is geschonden. Ook als de redelijke termijn in cassatie is geschonden, hoeven daaraan geen rechtsgevolgen te worden verbonden. De aan de verdachte opgelegde levenslange gevangenisstraf leent zich naar haar aard niet voor vermindering. Andere gronden voor ambtshalve cassatie zijn door mij evenmin aanwezig bevonden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">23.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De nummering van de middelen in de schriftuur loopt op tot tien. Abusievelijk is door de opstellers van de schriftuur echter twee maal een zesde middel opgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte [betrokkene 34] is een natuurlijke dood gestorven. Verdachte [betrokkene 22] is het slachtoffer geworden van een moordaanslag in Istanbul.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 29 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2501.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dit verband ook HR 4 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6375, NJ 2000/581; HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5506 en HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6906.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 226k Sv opent een dergelijke mogelijkheid voor reeds veroordeelde getuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afspraak heeft blijkens art. 226g lid 1 Sv uitsluitend betrekking op misdrijven, als omschreven in art. 67 lid 1 Sv die gepleegd zijn in georganiseerd verband en gezien hun aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren of naar misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 226g lid 1 Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 226h Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 226j Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 226j Sv. Deze getuige mag blijkens lid 2 niet als bedreigde getuige worden gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 1 december 2011, Stb. 2011, 600.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Kamerstukken II 1999/00, 26294, 15, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thans: Stcrt. 2012, 26860.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 19 december 2016, aangehechte pleitnota p. 4 en Proces-verbaal 15 februari 2017, aangehechte pleitnota (‘Aanvullende pleitaantekeningen inzake [verdachte] ’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 15 februari 2017, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 9,11,12 en 13 januari 2017, aangehechte pleitnota p. 102-105. De voetnoten laat ik achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met weglating van voetnoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 2.1.2.2.5.2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1612, NJ 1999/773 m.nt. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook arrest, par. 2.1.2.2.5.2.1 (p. 35).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 5, 8, 9, 11, 12, 18 en 30 september en 10 oktober 2014, p. 1-10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader D. van der Bel, A.M. van Hoorn, J.J.T.M. Pieters, Informatie en opsporing, Zeist: SSR/Kerckebosch 2013, p. 282.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. EHRM 9 juni 1998, ECLI:NL:XX:1998:AD4193, NJ 2001/471 (Teixeira de Castro/Portugal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met weglating van een voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 6 december 2017, Stb. 2017, 489.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 21 december 2005, Stb. 2006, 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie F.W. Bleichrodt en M.C.P. Korten, ‘Het onontgonnen terrein van getuigenbescherming’, NJB 2012, 23, p. 1566 en in het algemeen M.C.P. Korten, Getuigenbescherming in Nederland (diss. Rotterdam), eigen uitgave z.p. 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport van werkgroep getuigenbescherming in Nederland. Getuigenbescherming in Nederland (rapport van april 1995, niet gepubliceerd), p. 12. Overigens was de werkgroep van oordeel dat een kroongetuige wat betreft deze belangenafweging een andere, op het oog meer achtergestelde positie inneemt dan een ‘gewone’ bedreigde getuige, omdat de mate waarin de Staat zelf mede verantwoordelijk is voor het ontstaan van de bedreiging bij de afweging betrokken dient te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting bij Besluit getuigenbescherming, Stb. 2006, 21, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, Stcrt. 2012, 26860, par. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.W. Bleichrodt en M.C.P. Korten, ‘Het onontgonnen terrein van getuigenbescherming’, NJB 2012/23, p. 1565.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie J.H. Crijns, M.J. Dubelaar en K.M. Pitcher, Collaboration with Justice in the Netherlands, Germany, Italy and Canada. A comparative study on the provision of undertakings to offenders who are willing to give evidence in the prosecution of others, Leiden: Leiden University/WODC 2017, p. 123-125.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer F.W. Bleichrodt en M.C.P. Korten, ‘Het onontgonnen terrein van getuigenbescherming’, NJB 2012/1300 en S.L.J. Janssen, De kroongetuige in het Nederlandse strafproces (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 234 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook S.L.J. Janssen, De kroongetuige in het Nederlandse strafproces (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 236-242.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.W. Bleichrodt en M.C.P. Korten, ‘Het onontgonnen terrein van getuigenbescherming’, NJB 2012, 23, p. 1567 en M.C.P. Korten, Getuigenbescherming in Nederland (diss. Rotterdam), eigen uitgave z.p. 2015, p. 287.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.C.P. Korten, Getuigenbescherming in Nederland (diss. Rotterdam), eigen uitgave z.p. 2015, p. 237 en 240 met nadere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1191, NJ 1998/799 m.nt. Schalken, rov. 5.2.3, waarin de Hoge Raad onder meer overwoog dat hij zich niet in algemene zin uitlaat over de kroongetuige omdat dit de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan bij pleidooi door de verdediging van [medeverdachte 1] is aangevoerd, kan uit G.P.M.F. Mols, Getuigen in strafzaken, Deventer: Kluwer 2003, p. 325 niet worden afgeleid dat deze auteur een verplichte koppeling tussen de kroongetuigeregeling en beschermingsafspraken voor ogen staat. Op de betreffende pagina wordt slechts de parlementaire geschiedenis op dit punt aangehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, Stcrt. 2012, 26860, par. 5 onder 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 3.1 (p. 53).</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 865.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 237.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:64 rov. 2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1191, NJ 1998/799 m.nt. Schalken, rov. 7.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover Kamerstukken II 1998/99, 26294, 3, p. 4-5 en 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 19 december 2016, aangehechte pleitnota p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 14 (zaaksdossier ‘Cobra’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 3.6.3.1 (p. 75).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inbegrip van een voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 3.6.1 (p. 73).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met weglating van een voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:241.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964, NJ 2014/514 m.nt. Mevis Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016, 437, rov. 4.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3, zie meer specifiek m.b.t. het meewegen van de opstelling van de verdachte HR 13 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353, rov. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 268.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 495-496 en B.F. Keulen &amp; G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 385-386.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. S. Meijer, ‘Voorlopige vrijheidsbeperking vooropgesteld’, Platform Modernisering strafvordering, 2018, 8, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 19 december 2016, aangehechte pleitnota, p. 21-23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 7.2 (p. 81).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met overname van de voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 19 december 2016, aangehechte pleitnota p. 24-28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 november 2016, houdende de instelling van een Adviescollege levenslanggestraften, Stcrt. 2016, 65365, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 6 juni 2017, Stcrt. 2017, 32577.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 7.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, NJ 2016/348 m.nt. Kooijmans, rov. 3.1-3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 augustus 2017, nr. 2117970, houdende wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden en van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting in verband met de wijzigingen in het kader van de uitvoering van de levenslange gevangenisstraf, Stcrt. 2017, 48627.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, rov. 3.3 en 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftuur, p. 87.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Silvis, ‘Levenslang in perspectief gezet: binnen de ruime marges van het EVRM’, Sancties 2018/23, p. 148. Hij verwees daarbij naar een illustratieve zaak (Gerechtshof Den Haag 27 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:320) van een levenslanggestrafte die al ruim 30 jaar vast zat en voor wie de inmiddels geldende termijn van 25 jaar aldus ruimschoots was verstreken. Advisering door de ACL was daarom niet meer aan de orde, hetgeen volgens het hof onverlet liet dat de eisen zoals voortvloeiend uit art. 3 EVRM in ogenschouw genomen moesten worden. De Staat was volgens het hof tekortgeschoten in de informatievoorziening over de re-integratieactiviteiten van de levenslanggestrafte. Noemenswaardig is mijns inziens dat het hof overwoog van de Staat gevergd mag worden dat hij naarmate de tijd voortschrijdt, zeker in een geval waarin inmiddels geldende de termijn reeds is verstreken, met een steeds grotere mate van precisie laat weten wat de levenslanggestrafte moet doen om voor gratie in aanmerking te komen, zodat hij weet waar hij aan toe is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 29279, 325, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 29279, 325, p. 3; Kamerstukken II 2015/16, 29279, 338, p. 19 en 26-27, Kamerstukken II 2016/17, 29279, 366, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 29279, 325, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 29279, 366, p. 11-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2016, 65365, p. 1-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 29 279, 390, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 29 279, 390, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. Reijntjes, commentaar op art. 68 Sv, aant. 4 (‘De twee gevallen van het eerste lid’), in: A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen c.s., Wetboek van Strafvordering (online, bijgewerkt tot 1 februari 2013).</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. Reijntjes, commentaar op art. 68 Sv, aant. 4 (‘De twee gevallen van het eerste lid’), in: A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen c.s., Wetboek van Strafvordering (online, bijgewerkt tot 1 februari 2013).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 7.5 (p. 95).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag naar eventueel later nog op te leggen straffen blijft hier buiten beschouwing, dat kan wel degelijk, voor zover niet beperkt door art. 63 Sr. Vgl. HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6273, NJ 2008/429.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. ten Voorde, C.P.M. Cleiren en P.M. Schuyt, Meerdaadse samenloop in het strafrecht. Een onderzoek naar doel, grondslag, karakter, strekking en functie van de wettelijke regeling van meerdaadse samenloop (artikel 57-63 Sr), Den Haag: Boom juridische uitgevers 2013 (in opdracht van het WODC), p. 31 en 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. ten Voorde, C.P.M. Cleiren en P.M. Schuyt, Meerdaadse samenloop in het strafrecht. Een onderzoek naar doel, grondslag, karakter, strekking en functie van de wettelijke regeling van meerdaadse samenloop (artikel 57-63 Sr), Den Haag: Boom juridische uitgevers 2013 (in opdracht van het WODC), p. 31 en 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. ten Voorde, C.P.M. Cleiren &amp; P.M. Schuyt, Meerdaadse samenloop in het strafrecht. Een onderzoek naar doel, grondslag, karakter, strekking en functie van de wettelijke regeling van meerdaadse samenloop (artikel 57-63 Sr), Den Haag: Boom juridische uitgevers 2013 (in opdracht van het WODC), p. 31 en 37. Vgl. F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren (diss. Amsterdam VU), Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 104, onder verwijzing naar HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7757, NJ 2007/ 543 m.nt. Buruma en in het bijzonder de noot van Mevis bij HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556, NJ 2006/10, onder punt 7: “staat op het feit dat de tweede rechter berecht levenslang, dan staat het die rechter vrij die straf op te leggen, ongeacht wat de eerste rechter heeft opgelegd.(…) Wordt door de tweede rechter inderdaad alsnog levenslange vrijheidsstraf opgelegd, dan zal elke vrijheidsstraf die door de eerste rechter is opgelegd en die nog moet worden geëxecuteerd in die levenslange gevangenisstraf op gaan, terwijl van enige andere door de eerste rechter opgelegde straf bekeken moet worden of die nog ten uitvoer kan worden gelegd. Als gezegd, doet het bepaalde in art. 59 Sr aan dit uitgangspunt niet af omdat dit artikel alleen geldt in geval van gelijktijdige berechting.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, rov. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 7.3.4 (p. 87-88).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, par. 7.3.4 (p. 88).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst hierbij naar par. 59 en 60 in EHRM 17 januari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0117JUD005759208 (Hutchinson/Verenigd Koninkrijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 17 januari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0117JUD005759208 (Hutchinson/Verenigd Koninkrijk), par. 63.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 17 januari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0117JUD005759208 (Hutchinson/Verenigd Koninkrijk), par. 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9381, NJ 2007/525 m.nt. De Jong, rov. 4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 268.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 926-927.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 923-924, omtrent de gepaste terughoudendheid bij de motivering van de straf ten aanzien van de werking daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij wordt verwezen naar HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 15 oktober 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1015DEC002938811 (Borges de Brito/Nederland), par 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 15 oktober 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1015DEC002938811 (Borges de Brito/Nederland), par 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558, rov. 2.1 en 2.2, onder verwijzing naar HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 m.nt. De Hullu en HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9372, NJ 2001/307 m.nt. De Hullu (ontnemingszaken) en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558, rov. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558, rov. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 22 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5881, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 15 oktober 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1015DEC002938811 (Borges de Brito/Nederland), par 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 22 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5881.</p></div>", "next": 0}