{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">2.105 Voor zover het onderdeel een beroep doet op het zoekraken van de ID-kaart van [dochter 1] faalt het om dezelfde reden als het vorige onderdeel. Voor het overige blijkt uit het oorspronkelijk proces-verbaal (blz. 7, eerste alinea) dat de Raad voor de kinderbescherming zich toen op het standpunt heeft gesteld dat het goed zou zijn als er omgang zou zijn van [dochter 1] en [dochter 2] met de man, maar dat de Raad dat nog niet zomaar ziet gebeuren: daar zag de vertegenwoordiger van de Raad veel problemen. Uit het oorspronkelijk proces-verbaal en de aanvulling daarop blijkt niet dat de jeugdbeschermer/gezinsvoogd een hiervan afwijkend standpunt heeft ingenomen; deze heeft zich uitdrukkelijk aangesloten bij het standpunt van de Raad voor de kinderbescherming. In dat licht bezien, is niet onbegrijpelijk dat het hof aan het slot van rov. 4.15 vaststelt dat de G.I. en de Raad nu praktisch geen mogelijkheden zien om tot een regeling van het contact tussen de man en [dochter 1] te komen. De klacht faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.106 Onderdeel 1D (ter aanvulling op onderdeel 2.8) is gericht tegen de vaststelling in rov. 4.19 dat de man weigert begeleid contact met [dochter 1] tot stand te brengen en dat hij heeft geweigerd de ID-kaart van [dochter 1] aan de vrouw af te geven, alsmede tegen het oordeel van het hof in rov. 4.20 dat dat de moeder met eenhoofdig gezag over [dochter 1] belast zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middelonderdeel bouwt voort op de onderdelen 1B en 1C en deelt in het lot daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.107 Onderdeel 1E (ter aanvulling op onderdeel 2.3.9) is gericht tegen de vaststelling in rov. 4.10 dat van de zijde van de vrouw onweersproken is gesteld dat het goed gaat met [dochter 1] in het gezin van de vrouw, op school en op sociaal vlak. Het onderdeel verwijst naar een reeks mededelingen van de vrouw, de voorzitter van het hof, de man, de Raad voor de kinderbescherming en de gezinsvoogd, die in het aanvullend proces-verbaal zijn vermeld en de de daaraan gehechte brief van mr. Kousedghi van 21 maart 2018. Die mededelingen zijn volgens het onderdeel niet betwist. Volgens de klacht lieten zij geen andere conclusie toe dan het niet goed gaat met [dochter 1] : thuis noch op school.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.108 In wezen vraagt het onderdeel een hernieuwde uitleg van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is medegedeeld en een beoordeling van feitelijke aard. Daarvoor is in cassatie geen plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.109 Onderdeel 1F klaagt dat het hof bij zijn oordelen over de onttrekking van [dochter 1] aan het opzicht en wettig gezag van de vrouw in rov. 4.15, 4.19 en 4.20 is voorbijgegaan aan de mededeling van de man ter zitting dat hij met toestemming van de vrouw met [dochter 1] naar het buitenland is gereisd. Dit is volgens het onderdeel een essentiële stelling, die de vrouw toen niet heeft weersproken. Om die reden had het hof, volgens de klacht, de juistheid hiervan als tussen partijen vaststaand moeten aannemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.110 Dit middelonderdeel werpt geen ander licht op hetgeen hiervoor bij de bespreking van de onderdelen 2.1.11 onder III en IV al is opgemerkt. Het onderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.111 Onderdeel 1G is gericht tegen de vaststelling dat de man niet in gesprek wilde gaan met de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling. Het onderdeel verwijst naar mededelingen van de man en deze jeugdbeschermer die zijn vermeld in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, in combinatie met het aanvullend procesverbaal en de brief van de advocaat van 21 maart 2018. Volgens de man is het niet zo dat hij niet communiceert met de jeugdbeschermer, maar was hij, de man, van mening dat omgang moest worden uitgevoerd overeenkomstig de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2015. Volgens de man heeft de jeugdbeschermer slechts opgemerkt dat de man niet naar de intakegesprekken en naar hem toe wil komen, omdat de man vasthoudt aan, wat hij noemt: de ‘rechtens juiste stand van zaken’.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.112 Het onderdeel faalt. Gelet op de mededeling van de jeugdbeschermer die is weergegeven op blz. 4 van het proces-verbaal (“We komen niet verder met de omgang met de vader. Ik denk dat dit te maken heeft met het feit dat de vader zegt dat de huidige situatie niet rechtsgeldig is. Hij weigert naar intakegesprekken en naar mij te komen”) is de bestreden vaststelling in rov. 4.10, 4.15 en 4.19 geenszins onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskostenveroordeling 2.113 Onderdeel 2.16 (de nummers 2.13 – 2.15 ontbreken in het cassatieverzoekschrift) heeft betrekking op de veroordeling van de man in de kosten van de procedure in het principaal en incidenteel hoger beroep. Het middelonderdeel stelt voorop dat het slagen van een of meer van de voorgaande klachten reeds meebrengt dat de kostenveroordeling niet in stand kan blijven. Die klacht deelt het lot van de voorgaande klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.114 Daarnaast klaagt dit middelonderdeel over onjuistheid, althans onbegrijpelijkheid, van de kostenveroordeling. Ter toelichting wordt aangevoerd dat de proceskosten doorgaans worden gecompenseerd in familiezaken en dat het slechts tot een veroordeling in de proceskosten komt indien sprake is van misbruik van procesrecht of van een duidelijk kansloze procedure. Indien het hof de man in de proceskosten heeft veroordeeld omdat hij heeft vastgehouden aan, wat de man de ‘rechtens juiste situatie’ noemde, kan deze beslissing volgens de klacht niet in stand blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.115 Art. 237 Rv bepaalt dat het eindvonnis een beslissing inhoudt over de proceskosten. De hoofdregel luidt dat de partij die in het ongelijk is gesteld in de kosten wordt veroordeeld. De proceskosten mogen in bepaalde gevallen worden gecompenseerd, onder meer in familiezaken; dat omvat ook gedingen tussen (niet gehuwde) gewezen levenspartners. Dit gebeurt ook in de praktijk. Voor verzoekschriftprocedures bepaalt art. 289 Rv dat de eindbeschikking een veroordeling in de proceskosten kan inhouden. Indien de rechter van deze bevoegdheid gebruik maakt, dient hij of zij rekening te houden met de regels van art. 237 Rv. De beslissing van de rechter om wel of geen gebruik te maken van de bevoegdheid tot compensatie van proceskosten kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.116 In het licht hiervan heeft het hof geen rechtsregel geschonden door – aansluitend bij de hoofdregel van art. 237 Rv − de man als de in ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. Die beslissing is niet onbegrijpelijk, te meer niet omdat het hof in rov. 4.10, 4.16 en 4.20 heeft geconcludeerd dat de man in deze procedure zijn eigen belang boven dat van [dochter 1] heeft gesteld door vast te houden aan wat hij beschouwde als de ‘rechtens juiste’ situatie. Onderdeel 2.16 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.117 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 4.20 - 5.4 en tegen het dictum van de beschikking van 19 december 2017. Het mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft verder geen bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.118 Toepassing van art. 81 lid 1 RO wordt in overweging gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de in cassatie bestreden beschikking onder 2, hier verkort weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de gedingstukken berustte dit verblijf op een verstekvonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 15 april 2013, waarin de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] voorlopig bij de man werd bepaald. De vrouw verbleef enige tijd in Brazilië.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie alinea 1.14 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een afzonderlijke beschikking van dezelfde datum is het verzoek tot ondertoezichtstelling van [dochter 2] afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:295.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 juni 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2425.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoek van de man (1) om verwijzing naar de rechtbank Oost-Brabant en een verzoek (onder 2) m.b.t. de tenuitvoerlegging van een beslissing in kort geding van 4 februari 2014 blijven hier buiten beschouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de tussenbeschikking in eerste aanleg van 17 februari 2015, blz. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr. C/02/276004 FA RK 14-334; zie rov. 3.7 Rb.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de oorspronkelijke beschikking was sprake van Stichting Kompaan en De Bocht; dit is gewijzigd bij herstelbeschikking van 23 april 2015 (vgl. rov. 7.2 van de tussenbeschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 23 juli 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr. F 200.168.603/01.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 1:250 BW. Bij beschikking van dezelfde datum (nr. F 200.168.603/02) heeft het hof een verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beroepen beschikking van 17 februari 2015 afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1510.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb Oost-Brabant 27 juli 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:4105 ((nr. C/01/290500 / FA RK 15-1001).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11134.</p>\n<p class=\"lf-p\">De man heeft ook cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 19 december 2017 in de B-procedure (na cassatie en verwijzing). In deze parallelzaak (nr. 18/01172) neem ik vandaag eveneens conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie E.L. Schaafsma-Beversluis, Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 285, aant. 2 onder verwijzing naar de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2000-2001, 27 824, nr. 3, blz. 40). Zie ook Van Mierlo, T&amp;C Rv, art. 285, aant. 3 en Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een verrassingsuitspraak is sprake wanneer de rechter partijen niet of onvoldoende heeft gehoord over wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan zijn beslissing en, zo doende, partijen verrast met een beslissing waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat, geen rekening behoefden te houden; HR 17 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0358, NJ 2004/39. Zie ook HR 15 september 2006 ECLI:NL:HR:2006:AV9446, NJ 2006/505; E. Tjong Tjin Tai, ‘Verrassingsbeslissingen door de civiele rechter’, NJB 2000, blz. 259 - 264.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank Oost-Brabant kwam in rov. 4.4 van haar beschikking van 27 juli 2016 tot dezelfde slotsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/33-36; A. Hammerstein, T&amp;C Rv, art. 337 Rv, aant. 3.b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter toelichting: bij verstekvonnis in kort geding van 15 april 2013 is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] voorlopig bij de man is, dat [dochter 1] voorlopig aan de man wordt toevertrouwd, en aan de man vervangende toestemming verleend om alle beslissingen ten behoeve van [dochter 1] te nemen. In het vonnis in kort geding van 4 februari 2014 is een omgangsregeling tussen de vrouw en [dochter 1] vastgesteld waarbij de voorzieningenrechter heeft overwogen dat partijen een voorlopige regeling zijn overeengekomen die zal gelden totdat in de bodemprocedure beslist is en op voorwaarde dat de crèche bereid is daarvoor ruimte beschikbaar te stellen. In hoger beroep is dit vonnis bekrachtigd bij arrest van 24 juni 2014. Het hof overwoog dat het contact tussen de vrouw en [dochter 1] niet bij de crèche heeft kunnen plaatsvinden en dat het aangewezen is, de beslissing over de contactregeling over te laten aan de bodemrechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middelonderdeel noemt als vindplaats van dit betoog een brief van de cassatieadvocaat van de man van 28 februari 2017. Bedoeld is kennelijk de brief die als bijlage was gevoegd bij een brief van de advocaat van de man in feitelijke instantie van 31 maart 2017 (dossierstuk nr. 1023C).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Tonkens-Gerkema/Van Nispen, T&amp;C Rv, art. 257 Rv, aant. 2.b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie R.Y. Nauta, T&amp;C Rv, art. 821 Rv, aant. 2.a. De verhouding tussen voorlopige voorzieningen als bedoeld in art. 821 – 826 Rv en andersoortige voorlopige voorzieningen kwam in ander verband aan de orde in HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414, NJ 2018/411 m.nt. S.F.M. Wortmann.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie B.E.S. Chin-A-Fat, Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 826 Rv, aant. 4; M.J.C. Koens, T&amp;C BW, art. 1:253p BW, aant. 1-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met dit laatste bedoelt de man kennelijk het voorval in september 2016 toen de man [dochter 1] had meegenomen naar Duitsland; zie rov. 4.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderdeel 2.1.11 onder II en III wordt gemeld dat de man in de strafzaak cassatieberoep heeft ingesteld (zaaknr. 18/00247). Mij is ambtshalve bekend dat de man op 9 oktober 2018 in dat beroep niet-ontvankelijk is verklaard (met toepassing van art. 80a RO). Desgewenst kan de man zich in een Borgersbrief hierover uitlaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laatste volgt ook uit rov. 4.15 (tweede alinea).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Nauta, T&amp;C Rv, art. 810a Rv, aant. 2.c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie B.E.S. Chin-A-Fat, Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv, aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de motivering die de rechtbank Oost-Brabant in rov. 4.12 van de beschikking van 27 juli 2016 heeft gegeven voor afwijzing van het verzoek ex art. 810a Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies van de Raad voor de kinderbescherming van 16 november 2015 is uitgebreid besproken in rov. 4.8 van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 juli 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Chin-A-Fat, Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810 Rv, aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Chin-A-Fat, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv, aant. 1 en 4; Nauta, T&amp;C Rv, aant. 1 en 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de man bedoelt met “de overeenkomst van 10 april 2013” blijkt uit de inleiding van het cassatieverzoekschrift onder 1.6 (blz. 5). Daar is sprake van een omgangsovereenkomst van 21 oktober 2012 en een later op 10 april 2013 gesloten overeenkomst omtrent de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] , die in het verstekvonnis in kort geding van 15 april 2013 zou zijn vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De man denkt daar anders over. Onder meer zijn beroepschrift d.d. 21 april 2015 tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 februari 2015 bevat een gedetailleerde uiteenzetting van zijn visie op de gang van zaken tot dat moment.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover ook rov. 3.5 van de nu bestreden beschikking van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Oost-Brabant 16 februari 2017 (nr. C/01/290500, FA RK 15-1001, blz. 8, 9 en 12), inmiddels in hoger beroep bekrachtigd door Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 april 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:1639).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook het verslag d.d. 31 juli 2015 met bijlage, zoals dit op 3 augustus 2015 door SCJ naar de rechtbank en het hof is gestuurd (e-mail, dossierstuk 92).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, NJ 2014/154 m.nt. S.F.M. Wortmann.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middelonderdeel verwijst naar alinea 2.8 van de conclusie vóór de beschikking van de Hoge Raad van 8 juli 2016 (ECLI:NL:PHR:2016:240).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie laatstelijk: HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1972, rov. 5.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie recent HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1221, rov. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, blz. 132.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tussenrapport van de bijzondere curator d.d. 8 juli 2015 is overgelegd als dossierstuk 86.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de man met het woord ‘voogd’ bedoelt, volgt uit de toelichting op onderdeel 2.7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov 4.38 van de in alinea 1.14 genoemde beschikking (“De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek van de moeder om te bepalen dat haar het eenhoofdig gezag toekomt”.) Toen de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] eenmaal bij de vrouw was bepaald, heeft de rechtbank Oost-Brabant vervolgens op 16 februari 2017 bepaald dat de man gerechtigd is tot begeleid contact met [dochter 1] in het omgangshuis van Stichting Kompaan/De Bocht, onder de voorwaarde dat de vrouw in het bezit komt van de ID-kaart van [dochter 1] , en partijen bevolen mee te werken aan de omgangsregeling. Het meer of anders verzochte werd afgewezen, waaronder verzoeken van de man en van de vrouw tot eenhoofdig gezag over [dochter 1] en het verzoek van de man tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] . De beslissing op het verzoek over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is toen aangehouden tot 17 augustus 2017, in afwachting van een rapport van Kompaan/De Bocht over het verloop van het beoogde begeleide contact.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover in de volgende alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling ziet ook op een gezamenlijk gezag dat het gevolg is van een aantekening in het gezagsregister (als bedoeld in art. 1:252 lid 2 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie, Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:251a BW, aant. 1.2 en 1.3 (Punselie); idem, art. 1:253n, aant. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2963, NJ 2000/20 m.nt. S.F.M. Wortmann, HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9669, NJ 2008/107, HR 24 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0237, NJ 2008/557.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Groene Serie, Personen- en familierecht, art. 1:251a BW, aant. 1.2; art. 1:253n BW, aant. 5.1. Zie ook Hof Amsterdam 8 november 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AR7923, genoemd in T&amp;C BW, art. 1:251a BW, aant. 3 (M.J.C. Koens). Voorbeelden zijn: het aanvragen van een reisdocument voor het kind of een geneeskundige behandeling van het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:GHAMS:2017:3228, genoemd in Groene Serie, Personen- en familierecht, art. 1:251a BW, aant. 1.3. Zie bijv. gerechtshof Den Haag 24 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1605, genoemd in Groene Serie, Personen- en familierecht, art. 1:253n, aant. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze maatstaf: HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5882, NJ 2012/637; Van Mierlo, T&amp;C Rv, art. 19 Rv, aant. 2.c.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking maakt melding ervan dat de toenmalige advocaat van de man zich op 22 november 2016 heeft onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De man heeft als prod. 2050 (in ordner XI-B) een rolkaart van het hof overgelegd. Daarin is vermeld dat op 30 mei 2017 per fax een brief van de man is ingekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een brief van de griffie van de Hoge Raad van 25 april 2018 vermeldt dat het hof het proces-verbaal op 16 april 2018 heeft verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336, JVggz 2016/2 m.nt. F.L.G. Geissel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 91 Rv bevat een overeenkomstig voorschrift voor dagvaardingsprocedures.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 april 1999, NJ 1999/656 m.nt. S.F.M. Wortmann; HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2161, NJ 2003/286 m.nt. J.M.M. Maeijer (rov. 3.27).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaste rechtspraak: HR 21 januari 1994, NJ 1994/335 en HR 2 april 1999, NJ 1999/656. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/265.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid tot indiening van een aanvullend verzoekschrift in cassatie indien het proces-verbaal van de lagere rechter bij het verstrijken van de cassatietermijn nog niet is verstrekt, is vermeld in artikel 3.5.4.1 van het Procesreglement van de Hoge Raad (Stcrt. 2017, nr. 5928), onder verwijzing naar HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3720, NJ 2006/31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie blz. 8 en blz. 4 van het oorspronkelijk proces-verbaal. De in het aanvullend proces-verbaal in verbinding met de brief van mr. Kousedghi opgenomen verklaring is daarmee niet in tegenspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie De Bock, Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), art. 237 Rv, aant. 3; J.H. van Dam-Lely, T&amp;C Rv, art. 237 Rv, aant. 2.c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt of hij in het gegeven geval aanleiding vindt voor een veroordeling in de proceskosten, aldus HR 24 oktober 1997, NJ 1998/68. Zie ook o.m. Van Mierlo, T&amp;C Rv, art. 289 Rv, aant. 2.a. en b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van A-G Wesseling-van Gent, alinea 2.7, voor HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3694, NJ 2001/651.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3694, NJ 2001/651. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/160 en 270; L.H.M. Zonnenberg, Proceskostenveroordeling in familierecht: gewoon doen! EB 2012/45.</p></div>", "next": 0}