{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Aangezien de lijfrente niet meer voldoet aan de voorwaarden waaronder de aftrek van de lijfrentepremie is genoten, is op grond van artikel 3.107 Wet IB 2001 de inkomensvoorziening deel uit gaan maken van de heffingsgrondslag van box 3. De uitkeringen uit die inkomensvoorziening dienen dan ook niet meer in box 1 in aanmerking te worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.16 De tweede klacht van belanghebbende slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde klacht 8.17 In cassatie heeft belanghebbende aangevoerd dat de heffing van revisierente op grond van artikel 30i AWR een sanctie in de zin van artikel 6 EVRM is. Hierdoor dient, aldus belanghebbende, de heffing van revisierente op de voet van artikel 30i AWR achterwege te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.18 In artikel 1.7 Wet IB 2001 is neergelegd dat onder lijfrente een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering, welke niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, wordt verstaan. Deze verboden dienen in de polis te worden opgenomen. Op voet van artikel 7:978 Burgerlijk Wetboek heeft een verzekeringsnemer anders het recht toe om de verzekering af te kopen. Daarnaast dienen de lijfrentes afgesloten worden bij een toegelaten verzekeraar in de zin van artikel 3.126, lid 1, Wet IB 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.19 Indien in strijd wordt gehandeld met de voorwaarden van artikel 3.133, lid 2 Wet IB 2001, wordt revisierente op grond van artikel 30i AWR in rekening gebracht. Met de dreiging van revisierente wordt dus in de sfeer van de inkomstenbelasting bevorderd dat geen handelingen zullen plaatsvinden waardoor een lijfrente niet meer aan de wettelijke vereisten voldoet. Dit lijkt een aanwijzing voor het mogelijk punitieve karakter van de revisierente.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.20 Brouwer heeft beargumenteerd dat de revisierente een straf is in de zin van artikel 6 EVRM. Hij voert aan dat de nadruk bij de revisierente ligt op de bestraffing van de overtreden norm en niet op de reparatoire functie van compensatie van geleden nadeel door de overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.21 In de parlementaire geschiedenis van de wet Brede Herwaardering I is betoogd dat indien in strijd met de voorwaarden wordt gehandeld, bijvoorbeeld in geval van afkoop, de fiscale behandeling wordt teruggedraaid en het door de Belastingdienst geleden rentenadeel als gevolg van belastinguitstel wordt vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.22 Voor de benaderingswijze van dit rentenadeel wordt in de parlementaire stukken over de Brede Herwaardering aangesloten bij het bedrag aan heffingsrente dat in rekening gebracht had kunnen worden, indien de premie-aftrek ongedaan gemaakt zou kunnen worden door middel van navorderingsaanslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.23 Brouwer heeft aangevoerd dat het door de overheid geleden rentenadeel niet voortvloeit uit de afkoop maar uit de (terecht) verleende premie-aftrek. Zijns inziens leidt de afkoop van de lijfrente tot een tweeledig voordeel voor de Belastingdienst. In de eerste plaats wordt de belasting over de afkoopsom eerder ontvangen dan wanneer niet zou worden afgekocht. In de tweede plaats zal de afkoopsom tegen het hoogste progressieve tarief van de inkomstenbelasting worden belast, terwijl over een termijn minder belasting verschuldigd zou zijn. De Belastingdienst heeft, aldus Brouwer, zowel een liquiditeits- als een progressievoordeel. Van schade voor de overheid die dient te worden gecompenseerd is zijn inziens dan ook geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.24 Bij de behandeling van de Wet IB 2001 en de Invoeringswet IB 2001 is een enigszins gewijzigde verklaring voor het in rekening brengen van revisierente gegeven. De revisierente vormt een rentevergoeding voor het feit dat de belasting over de premies en het behaalde rendement pas op een (veel) later tijdstip is verschuldigd dan ingeval de lijfrente van begin af aan als niet gefacilieerd spaarproduct zou zijn behandeld. Hiermee wordt voorkomen dat een belastingplichtige die een lijfrente waarvoor premie-aftrek is genoten en in een later stadium afkoopt, beter af zou zijn dan een belastingplichtige die van meet af aan zijn geld zou hebben belegd in een regulier spaarproduct dat onder het forfaitaire rendement valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.25 In de nota naar aanleiding van het nader verslag wordt de vraag of het rentenadeel van de Staat als gevolg van belastinguitstel niet meer dan gecompenseerd wordt doordat over de rendementen die worden gegeneerd over de ten onrechte afgetrokken premies belasting wordt geheven, ontkennend beantwoord. Opgemerkt wordt: “bij premie-aftrek spaart de overheid namelijk als het ware mee met de belastingplichtige”. Het over de inleg van de Staat (het fiscale voordeel van de aftrek) behaalde rendement, komt, ook na belastingheffing, deels toe aan de belastingplichtige. Dit betekent een voordeel ten opzichte van de belastingplichtige die uit zijn netto-inkomen heeft gespaard. Om dit voordeel weg te nemen dient, aldus de wetgever, revisierente in rekening te worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.26 In deze uitleg door de (mede-)wetgever staat niet, althans in mindere mate, de compensatie van de door de Staat geleden schade op de voorgrond maar met name de gelijke behandeling van belastingplichtigen die in box 3 belast zijn en belastingplichtigen die lijfrentrenteaftrek hebben genoten maar in een later stadium een verboden handeling in de zin van artikel 3.133 Wet IB 2001 hebben uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.27 Het EHRM heeft een autonome invulling aan het begrip ‘criminal charge’ gegeven. In het arrest Engel e.a. tegen Nederland heeft het EHRM een drietal criteria neergelegd om vast te stellen of sprake is van een ‘criminal charge’. Het EHRM kijkt naar i) de classificatie van de overtreding naar nationaal recht; ii) de aard van de overtreding; en iii) de ernst en zwaarte van de strafbedreiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.28 Op grond van het nationale recht wordt de revisierente gezien als rente: de economische vergoeding voor het ter beschikking hebben van (overheids)gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.29 De te overtreden norm, artikel 3.133, lid 2, Wet IB 2001, is gericht op alle belastingbetalers.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.30 Uit de rechtspraak van het EHRM is af te leiden dat het criterium om te bepalen of een sanctie als ‘criminal charge’ dient te worden aangemerkt, is of de sanctie leedtoevoeging en afschrikking ten doel heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.31 Van de revisierente op grond van artikel 30i AWR gaat een prohibitieve werking uit nu een belastingplichtige die een handeling verricht in strijd met de voorwaarden voor premie-aftrek, of inbreuk maakt op het onderhoudskarakter, niet alleen op grond van artikel 3.133, lid 1, Wet IB 2001 wordt geconfronteerd met het terugnemen van de premie-aftrek en het behaalde rendement, maar ook te maken krijgt met de heffing van revisierente van 20%.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.32 Het door de wetgever nagestreefde doel van de revisierente is om een belastingplichtige die een handeling in strijd met de voorwaarden voor premie-aftrek heeft gedaan, hetzelfde te behandelen als een belastingplichtige die van zijn netto-inkomen heeft gespaard. Daardoor wordt een belastingplichtige die in strijd met de voorwaarden heeft gehandeld in vergelijking met een belastingplichtige die recht blijft houden op premie-aftrek, fiscaalrechtelijk veel minder gunstig behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.33 Nu het doel is om de voordelen van de fiscale begeleiding terug te draaien zodat een belastingplichtige gelijk wordt behandeld als een persoon die geen fiscale begeleiding heeft gehad, heeft het heffen van revisierente, mijns inziens, geen leedtoevoeging tot doel. Dit neemt niet weg dat belastingplichtigen de regeling doordat zij de situatie na afkoop vergelijken met de situatie dat zij wel premie-aftrek kregen, als leedtoevoeging kunnen ervaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.34 Dat het doel van de revisierente niet leedtoevoeging is, komt eveneens naar voren in de door de wetgever opgenomen tegenbewijsregeling. Daarmee wordt voorkomen dat een belastingplichtige die in strijd met de voorwaarden heeft gehandeld, door de revisierente harder wordt getroffen dan redelijkerwijze nodig was voor het terugdraaien van de fiscale begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.35 Alles tegen elkaar afwegend heeft de revisierente weliswaar punitieve aspecten maar staat het reparatoire karakter van de revisierente, gelet op de door de wetgever gegeven toelichting, op de voorgrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.36 Dus faalt de derde klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde klacht 8.37 Belanghebbende klaagt dat het Hof ten onrechte artikel 30i AWR wegens strijd met artikel 7 EVRM niet buiten toepassing heeft gelaten. Belanghebbende betoogt dat uit de tekst van artikel 30i AWR niet kenbaar is dat sprake is van een bestraffing en dat daardoor een wettelijke grondslag ontbreekt voor deze bestraffing, zoals wordt geëist in artikel 7 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.38 Nu de revisierente niet als punitieve sanctie kan worden aangemerkt, kan ook van een schending van artikel 7 EVRM geen sprake zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.39 Ook de vierde klacht faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde klacht 8.40 Belanghebbende voert in zijn vijfde klacht aan dat het Hof de feiten onjuist heeft vastgesteld. Hij betoogt dat de uitspraak van Hof onbegrijpelijk is, omdat het Hof de door van [C] BV aan hem verstrekte uitkeringen niet tot de vastgestelde feiten heeft gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.41 Naar ik begrijp wil belanghebbende - voor het eerst in cassatie - aanvoeren dat de door [C] BV verstrekte uitkeringen niet op voet van artikel 3.107a Wet IB 2001 als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.42 In cassatie is evenwel geen ruimte voor het innemen van nieuwe feitelijke stellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.43 De vijfde klacht faalt derhalve.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal De Inspecteur van de Belastingdienst/kantoor [P] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Den Haag 11 november 2014, nr. SGR 14/3490 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 28 december 2016, nr. BK-14/01698 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 28 december 2016, nr. BK-15/00008, ECLI:NL:GHDHA:2016:4037, V-N 2017/13.1.4, Vp-bulletin 2017/18, NTFR 2017/326 met commentaar Kastelein, FutD 2017-0133.</p>\n<p class=\"lf-p\">NTFR 2017/326 met commentaar Kastelein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijk is hier artikel 30i AWR bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de wet Overige fiscale maatregelen 2011, Stb. 2010, 873 is artikel 3.107a Wet IB 2001 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009 gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de wet Overige fiscale maatregelen 2011, Stb. 2010, 873 is ook artikel 3.137 Wet IB 2001 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009 gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 198, nr. 3, p. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 198, nr. 3, p. 80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 138-141.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 142.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 170-174.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 177-178.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2000/01, 27466, nr. 3, p. 59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 3, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 3, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 3, p. 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 3, p. 44-45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 10 mei 2010, nr. DGB2010/3119M, Stcrt. 2010, 7589.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010/11, 32 505, nr. 3, p. 20-21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 23 maart 2012, nr. 10/03582, ECLI:NL:HR:2012:BR4559, na conclusie A-G Van Ballegooijen van 28 juni 2011, BNB 2012/150 met noot Zwemmer, V-N 2012/17.12 met noot redactie, NTFR 2012/918 met commentaar Kastelein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 198, nr. 3, p. 113-115.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 198, nr. B, p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 198, nr. B, p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 198, nr. 15, p. 41 en 52 Kamerstukken I 1991/92, 21 198, nr. 3a, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. A, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. A, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 17, p. 160.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 78-80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 202c, p. 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.E.C.M. Niessen, ‘Het wetsontwerp Brede Herwaardering’, FED 1989/632.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.P.A.M. van Arendonk, ‘Het nieuwe lijfrenteregime volgens de Brede Herwaardering: tijdverspilling?’, MBB 1989/9, p. 223-232.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.Th.L. Brouwer: ‘Brede herwaardering op weg naar het Staatsblad? (9) Revisierente als straf?’, FED 1990/80.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.E.C.M. Niessen, Brede herwaardering I en III Nieuwe regels voor lijfrente- en kapitaalverzekeringen in de inkomstenbelasting, Arnhem: Gouda Quint, 1995, p. 132-134.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie J.E.A.M. van Dijck, WFR 1987/5788”.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Knigge et al, Gehoord de Procureur-Generaal: opstellen aangeboden aan prof. mr. J.W. Fokkens ter gelegenheid van zijn afscheid als Procureur-Generaal van de Hoge Raad der Nederlanden, Deventer: Wolters Kluwer, 2016, p. 225-226.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Art. 3.124 e.v. Wet IB 2001”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Art. 3.100 Wet IB 2001”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Art. 3.132 Wet IB 2001”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Europees Hof voor de Rechten van de Mens 8 juni 1976, nr. AC0386, ECLI:NL:XX:1976:AC0386, NJ 1978,223.</p>\n<p class=\"lf-p\">Europees Hof voor de Rechten van de Mens 21 februari 1984, nr. AC9954, ECLI:NL:XX:1984:AC9954,NJ 1988,937 met noot Alkema, AB Klassiek 2009/8 met noot Barkhuysen en Van Emmerik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 juli 2002, nr. 34619/97, RJ&amp;D ECHR 2002-8. Op dezelfde dag zijn de arresten Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic tegen Zweden gewezen. Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 juli 2002, ECLI:NL:XX:2002:AV1874, BNB 2003/2 met noot Feteris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Europees Hof voor de Rechten van de Mens 23 november 2006, nr. 73053/01, ECLI:NL:XX:2006:AZ9064,BNB 2007/150 met noot Feteris, AB 2007, 51 met een noot Barkhuysen en van Emmerik, FED 2007/36 met een noot. Thomas, NJB 2007,366, NJCM Bulletin 2007, blz. 167 e.v., met noot den Houdijker .</p>\n<p class=\"lf-p\">AB Klassiek 2009/8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 8 december 1993, nr. 29 340, ECLI:NL:HR:1993:ZC5535, BNB 1994/51, FED 1994/20, WFR 1993/2002, 2, V-N 1994/70,18 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 28 januari1998, nr. 32 732, ECLI:NL:HR:1998:AA2391, BNB 1998/147 met noot Wattel, V-N 1998/8.11 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 8 juli 1998, nr. 32 417, ECLI:NL:HR:1998:AA2337, BNB 1998/326 met noot Wattel, V-N 1998/35.8 met noot redactie, FED 1998/446, WFR 1998/1092.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 23 oktober 2009, nr. 43 840, ECLI:NL:HR:2009:BK0896, BNB 2009/317, NTFR 2009/2283 met commentaar Castelijn, NJB 2009,1958, FED 2009/95 met aantekening Vetter, V-N 2009/52.31 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 19 december 2014, nr. 13/01874, ECLI:NL:HR:2014:3612, BNB 2015/44 met noot Haas, NTFR 2015/380 met commentaar Rolleman, V-N 2015/2.23.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 24 februari 2017, nr. 15/02182, ECLI:NL:HR:2017:310, NJB 2017/564, BNB 2017/102 met noot van Eijsden, NLF 2017/0629 met noot Perdaems, NTFR 2017/747 met commentaar Beune, NJB 2017/564.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 15 januari 2001, nr. 200003188/1, ECLI:NL:RVS:2001:AA9919, VR 2002,6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 20 november 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF0846, nr. 200201742/1, JB 2003/18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 18 juli 2007, nr. 200700547/1, ECLI:NL:RVS:2007:BA9812, JB 2007/169, AB 2007,349.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Fiscale bestuurlijke boetes en het recht op een behoorlijk proces, Kluwer: Deventer 2002, p. 109-112 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Arrest van 21 februari 1984, NJ 1988, 937, par. 53”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “In het arrest-Schmautzer van 23 oktober 1995, FED 1996/235, par. 28, verwees het EHRM wel naar de mogelijkheid van vervangende hechtenis, maar dit vormde slechts een aanvullend argument (‘In addition’). Daarop wijst ook het arrest-Lauko van 2 september 1998, FED 1998/788, betreffende een lichte bestuurlijke boete. In dit arrest vond het EHRM de betreffende overtreding strafrechtelijk van aard, terwijl uit het arrest niet blijkt dat vervangende hechtenis mogelijk was”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie EHRM 23 oktober 1995, arrest-Schmautzer, FED 1996/235, par. 28. Dit betrof een bestuurlijke boete die volgens de toepasselijke Oostenrijkse wettelijke regeling behoorde tot de ‘Verwaltungsstraftaten’. Ook hier lijkt het slechts om een aanvullend argument te gaan (‘This is moreover reflected in the terminology employed.’)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “ECRM 30 mei 1991, nr. 11598/85 (zaak-Stenuit), FED 1992/668, par. 62. Zie ook HR 19 juni 1985, BNB 1986/29”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Vgl. EHRM 24 februari 1994, arrest-Bendenoun, BNB 1994/175, par. 47 (het feit dat een fiscale bestuurlijke boete niet is bedoeld als schadevergoeding pleit ervoor om deze als ‘criminal’ aan te merken). Zie ook HR 18 oktober 1995, BNB 1996/34 over de kostenopslag bij naheffing van parkeerbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “EHRM d.d. 28 juni 1984, Series A, no. 80, par. 71. Sterkere aanwijzingen zijn er indien het nationale recht een anticumulatieregel bevat; zie de vorige alinea.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “EHRM 29 mei 1986, NJ 1987, 432, met name par. 40.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Een maatregel die niet als straf is bedoeld valt niet als ‘criminal’ onder de werkingssfeer van art. 6 EVRM, ook al zijn de gevolgen ervan ingrijpend. Zie EHRM 7 juli 1989, Tre Traktörer AB, Series A, no. 159, par. 46.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “EHRM 23 maart 1994, arrest-Ravnsborg, Series A, no. 283-B, par. 35. Hierbij moet men bedenken dat bij lichte straffen ook reeds op grond van de aard van de overtreding sprake kan zijn van een ‘criminal charge’; zie hierna onder letter d”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie par. 85 van het arrest-Engel e.a., EHRM 8 juni 1976, NJ 1978, 223”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie bijv. EHRM 24 februari 1994, arrest-Bendenoun, BNB 1994/175, par. 47, en EHRM 29 augustus 1997, E.L. e.a. tegen Zwitserland, BNB 1998/61, par. 45. In dit laatste arrest leidt het hof uit de aanmerkelijke hoogte van de opgelegde straf af dat er ook een zware straf dreigde”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Argumenten voor deze opvatting zijn te ontlenen aan het in noot 6 vermelde arrest-Engel e.a., waarin het hof in par. 82 overwoog dat het gaat om ‘the penalty that the person concerned risked incurring’”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie A-G Niessen 22 december 2017, nr. 17/02950, ECLI:NL:PHR:2017:1462, V-N Vandaag 2018/169.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 9 februari 2018, nr. 17/02950, ECLI:NL:HR:2018:167, V-N Vandaag 2018/298.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 3.2 voor belanghebbendes klacht en de toelichting daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.7 voor de wettekst van artikel 3.133 Wet IB 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.8 voor de wettekst van artikel 3.137 Wet IB 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdelen 4.13 - 4.15 voor de parlementaire geschiedenis van artikel 3.133 en 3.137 Wet IB 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.1 voor de wettekst van artikel 30i AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.3 voor de wettekst van artikel 3.106 Wet IB 2001 en onderdeel 4.4 voor de wettekst van artikel 3.107 Wet IB 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.12 voor de parlementaire toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook onderdelen 8.13 en 8.15 van deze conclusie waar ik inga op het in box 1 heffing betrekken van de uitkeringen gedaan door [J] BV aan belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 7.4 voor het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2018 met nr. 17/02950.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.5 voor de wettekst van artikel 3.107a Wet IB 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het besluit van 10 mei 2010 onderdeel 4.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbendes tweede klacht is opgenomen in onderdeel 3.4 en de toelichting in onderdeel 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.22 voor de aanpassingen op grond van de wet Overige fiscale maatregelen 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdelen 4.5 en 4.8 voor de wetteksten zoals ze gelden met terugwerkende kracht en onderdeel 4.22 voor de voorgestelde aanpassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 107a Wet IB 2001 en het besluit van 10 mei 2010, nr. DGB 2010/3119M geldt voor lijfrente-uitkeringen na 2009 het regime van de beperkte saldomethode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 3.6 in onderdeel 2.1 voor de feitenvaststelling en onderdeel 12 van de uitspraak van de Rechtbank waaruit blijkt dat de lijfrenteverplichting na de verkoop van de werkmaatschappij over is gegaan op [F] BV. Daaruit leid ik af dat ook de uitkering van [J] BV heeft plaatsgevonden na de verkoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdelen 8.3 en 8.4 en tevens de parlementaire toelichting op artikel 3.106 Wet IB 2001 en artikel 3.107 Wet IB 2001 in onderdeel 4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de klacht onderdeel 3.6 en de toelichting daarop in onderdelen 3.7 en 3.8 Zie onderdeel 4.23 voor HR BNB 2012/150.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het arrest HR BNB 1998/1326 in onderdeel 6.11 waarin is geoordeeld dat omkering en verzwaring van de bewijslast een dwangmiddel van administratiefrechtelijke aard is een geen maatregel met een afschrikwekkend of bestraffend karakter en het arrest HR BNB 2009/317 in onderdeel 6.13 waarin is geoordeeld dat de van het in rekening brengen van de kosten op grond van de kostenwet een preventieve en afschrikwekkende werking kan uitgaan jegens (potentiele) wanbetalers, maar dat dit aspect niet zo overheersend is dat sprake is van een ‘criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het artikel van Brouwer onderdeel 5.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verleende premie-aftrek wordt teruggenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.2 voor de memorie van toelichting bij de wet Brede Herwaardering. Dit wordt ook herhaald in de memorie van antwoord op de Eerste Kamer van 5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van toelichting in onderdeel 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn bijdrage is opgenomen in onderdeel 5.13 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn artikel over de verschillen in de uitleg van de wetgever over het nut en noodzaak van de revisierente onderdeel 5.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het nader rapport wordt dit geantwoord op vragen van de Raad van State. Zie onderdeel 5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de nota naar aanleiding van het nader verslag bij de Wet IB 2001 onderdeel 5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie eveneens onderdeel 5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit argument wordt herhaald in de nota naar aanleiding van het nader verslag (onderdeel 5.8), memorie van antwoord bij vragen uit de Eerste Kamer in onderdeel 5.9 en de Nota naar aanleiding van het verslag van de behandeling in de eerste kamer in onderdeel 5.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdelen 6.3 en 6.4 voor de arresten Engel e.a tegen Nederland en Öztürk tegen Duitsland waar het EHRM de drie criteria bespreekt. Zie ook de uitgebreide bespreking door Barkhuysen en Van Emmerik in onderdeel 6.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 50 van het EHRM in onderdeel 6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van artikel 30i AWR vermeldt: ‘Met betrekking tot de inkomstenbelasting wordt rente – revisierente – verschuldigd’. Zie voor de kritiek door Brouwer op het ‘rente’ gedeelte van revisierente onderdeel 5.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de bespreking van Barkhuysen en Van Emmerik in onderdeel 6.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting bij de wet Brede Herwaardering werd gesproken over de prohibitieve strekking van het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en in rekening brengen van revisierente. Zie onderdeel 4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdelen 8.24 en 8.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk onderdelen 6.10, 6.11 en 6.13 – 6.15 en 6.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie belanghebbendes klacht in onderdeel 3.9 en de toelichting in 3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 3.10 voor belanghebbendes klacht en 3.11 voor de toelichting daarop.</p></div>", "next": 0}