{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het verzoek van de vader om een onderzoek te gelasten naar zijn zorgcapaciteiten en de plaatsingsmogelijkheden van de minderjarigen bij hem in het gezin, kan worden opgevat als een verzoek in de zin van art. 810a Rv. Ook in het cassatieverzoekschrift wordt daarvan uitgegaan. Deze bepaling, die per 1 april 1995 in werking is getreden als onderdeel van de herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht, regelt het recht van een ouder op contra-expertise. Art. 810a lid 2 Rv bepaalt: “In zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.21 Vast te stellen is dat in art. 810a lid 2 Rv niet omschreven is wie als ‘ouder’ in de zin van de bepaling moet worden aangemerkt. Nu het begrip ‘ouder’ geen vaste, wettelijke betekenis heeft (vergelijk onder 2.29-2.30), betekent dat dat niet duidelijk wie precies gebruik kunnen maken van het recht op contra-expertise. Zo is niet duidelijk of vereist is dat de ouder gezag uitoefent over de minderjarige. Hierdoor sluit de wettekst niet uit dat onder de reikwijdte van de bepaling ook valt de ouder van wie het ouderlijk gezag is beëindigd of de vader die het kind heeft erkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.22 Uit de wetsgeschiedenis van art. 810a Rv blijkt het volgende. Het tweede lid is aan art. 810a Rv toegevoegd als gevolg van het (gewijzigde) amendement Van der Burg c.s. Aanvankelijk stelde de regering een nieuw art. 810a Rv voor, met de volgende tekst: “In zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, beslist de rechter niet dan nadat een ouder op diens verzoek in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en tenzij het belang van het kind zich daartegen verzet.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op deze bepaling luidde als volgt (mijn onderstreping): “Het voorgestelde nieuwe artikel 810a Rv beoogt tegemoet te komen aan de wens van de Tweede Kamer, zoals onder meer blijkende uit de aangenomen motie op stuk nr. 9 in het kader van de behandeling van de wetsvoorstellen nrs. 21 818 en 21 980, om te voorzien in een mogelijkheid dat belanghebbenden in kinderzaken in geval van bezwaren tegen in een raadsrapport vervatte conclusies, een tegenverzoek laten verrichten. De beperking dat het rapport tot de beslissing van de zaak kan leiden houdt in dat het rapport wel een vraag moet betreffen die relevant is voor het oordeel van de rechter in de desbetreffende zaak. Een soortgelijke formulering, zij het in de context van een getuigenverhoor, treft men in het bewijsrecht reeds aan in artikel 192, eerste lid, Rv. Bij de beperking dat het belang van het kind zich niet tegen de aanhouding mag verzetten, kan gedacht worden aan spoedeisende zaken of aan het geval dat voor de totstandkoming van het rapport de medewerking van het kind noodzakelijk is en het onwenselijk is het kind (wederom) aan een onderzoek te onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovengenoemde redactionele wijzigingen zijn abusievelijk niet opgenomen in wetsvoorstel 22 170 (Wijziging van enige bepalingen van het voorstel van wet houdende wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van de limitering van alimentatie na scheiding), dat thans ter behandeling in de Eerste Kamer ligt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.23 Tegen de voorgestelde bepaling werd vanuit de Tweede Kamer ingebracht dat deze alleen soelaas bood voor ouders die de in te schakelen deskundige zelf kunnen betalen. Vervolgens is bij amendement een aanvulling op de bepaling voorgesteld door toevoeging van een tweede en een derde lid aan art. 810a Rv. Na wijziging luidde het amendement als volgt: “1. In zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd zaken als bedoeld in het tweede lid alsmede die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, beslist de rechter pas nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van de ouderlijke macht, of van de voogdij of de ontzetting van de toeziende voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan lelden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In de in het tweede lid genoemde zaken wordt het aan de in dat lid bedoelde deskundige toekomende bedrag overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels door de rechter vastgesteld en ten laste van 's Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaald. Van de ouder kan een bijdrage worden gevraagd overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.”</div>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting op het (gewijzigde) amendement is het volgende te lezen: “In dit amendement wordt het recht op contra-expertise in zaken waarin een maatregel van kinderbescherming wordt getroffen geregeld. Hiermee wordt voor de verweerder recht gedaan aan het beginsel van equality of arms.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.24 Uit de geciteerde passages leid ik af dat het recht op contra-expertise waarop art. 810a lid 2 Rv betrekking heeft, toekomt aan de ouder die door de rechter in de procedure waarin het gaat over een maatregel van kinderbescherming, als belanghebbende wordt aangemerkt. Dit sluit aan bij de ‘vooropstelling’ van de Hoge Raad over de strekking van de bepaling (die niet los kan worden gezien van lid 1 van art. 810a Rv): “3.3.2 (…) Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993/94, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993/94, p. 4135-4161).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan te nemen is dat als ouders van een minderjarige niet betrokken zijn in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming – omdat zij niet als belanghebbende zijn aangemerkt – het doel van de bepaling, het desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken van het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming, niet in beeld komt. Anders gezegd: als een ouder geen belanghebbende is in de procedure, speelt het met de bepaling te dienen doel om recht te doen aan het beginsel van equality of arms, geen rol. De ouder heeft dan immers geen zelfstandige eigen positie in de procedure, waardoor ook geen sprake is van ‘het weerspreken van een standpunt’. De ouder kan dan slechts de positie van informant hebben (zie onder 2.26-2.28). Het ligt niet in de rede om een ouder die niet als belanghebbende kwalificeert en die dus geen van de rechten heeft die toekomen aan een belanghebbende (zie onder punt 2.7), het veel verdergaande recht op contra-expertise toe te kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.25 Ik merk nog op dat tijdens de parlementaire behandeling niet is ingegaan op de vraag aan wie (c.q. aan welke ouders) precies het recht op contra-expertise van art. 810a lid 2 Rv toekomt. Wel is tijdens de mondelinge behandeling door de indiener van het amendement Van der Burg het volgende opgemerkt: “Ik kom vervolgens bij het begrip “ouder” en “voogd”. In de terminologie “ouder” wordt het juridische begrip “ouder” gehanteerd. Daaronder moet dan tevens worden verstaan het begrip “voogd”. Dit behoeft niet apart genoemd te worden, voor zover mij is meegedeeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lijkt mij te ver voeren om uit deze enkele opmerking af te leiden dat ook de juridische ouder die niet op de voet van art. 798 lid 1 Rv als belanghebbende is aangemerkt, het recht op contra-expertise van art. 810a lid 2 Rv toekomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.26 Nu hiervoor is besproken dat de vader door het hof terecht niet is aangemerkt als belanghebbende, betekent dat dat hem ook niet het recht toekomt van art. 810a lid 2 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.27 De cassatieklachten over het afwijzen van het verzoek van de vader op contra-expertise hebben een enigszins andere invalshoek. Zij houden met name in dat de vader door het hof van ‘het kastje naar de muur’ wordt gestuurd, als wordt overwogen dat hij geen recht heeft op contra-expertise omdat hij eerst een verzoek ex art. 1:253c BW moet doen om hem (als juridische vader van [kind 2] ) met het gezag te belasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.28 Hoewel het voorstelbaar is dat de vader zich van ‘het kastje naar de muur’ gestuurd voelt, kunnen de klachten niet slagen vanwege het juridische gegeven dat het in de onderhavige zaak gaat om de vraag of het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Daarvoor is bepalend of de minderjarigen zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd, en de moeder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn (art. 1:266 lid 1 onder b BW). Het verzoek van de vader ziet veeleer op de (uitvoering van) de uithuisplaatsing van de minderjarigen. Daarbij gaat het hem erom of zij in het huidige pleeggezin moeten blijven of dat zij in het nieuwe gezin van de vader moeten worden geplaatst. Het hof overweegt dan ook terecht dat het verzoek van de vader in feite los staat van een beëindiging van het gezag van de moeder (rov. 12). Het hof heeft bij zijn oordeel bovendien laten meewegen dat de vader niet meer in gezinsverband met de moeder samenleeft. Zou dit wel het geval zijn, dan zouden de opvoedcapaciteiten van de vader en de wenselijkheid van een thuisplaatsing in dát gezin mogelijk wel relevant kunnen zijn voor de beslissing of het gezag van de moeder al dan niet beëindigd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.29 Gelet op het voorgaande falen ook de klachten in subonderdeel B.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zaak 17/0407. In deze zaak heb ik op 16 februari 2018 geconcludeerd, zie ECLI:NL:PHR:2018:113.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Rotterdam 21 maart 2017, zaaknummer C/10/519290. Deze uitspraak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2017, zaaknummer 200.217.957/01, ECLI:NL:GHDHA:2017:2525; PFR-Updates.nl 2017-0258.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de moeder is van de beschikking in hoger beroep gekomen. Blijkens rov. 13 van de beschikking van het hof is het hoger beroep van de moeder ter zitting van 6 september 2017 behandeld en is de vader voor die zitting opgeroepen als informant. Het is mij niet bekend of in die zaak inmiddels uitspraak is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie proces-verbaal van de zitting bij het hof. Omdat het procesdossier geen volledig proces-verbaal van de zitting bij het hof bevatte, is dit alsnog opgevraagd en ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusie is op 16 februari 2018 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2018:113.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de aard van de verzoekschriftprocedure S. Boekman, De verzoekschriftprocedure, 1996, p. 9 e.v.; Wesseling-van Gent, Hoofdlijnen van de contentieuze procedure, 1986, p. 19-30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ‘zich aanstonds onbevoegd verklaren’ heeft alleen betrekking op het ontbreken van rechtsmacht in een zaak die niet ter vrije beschikking van partijen staat, het ontbreken van bevoegdheid van een burgerlijke rechter en op absolute onbevoegdheid. Zie Snijders, Klaassen &amp; Meijer, Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2017, nr. 302 en Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 153-154 en 156 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1963-1964, 7753, nr. 3, p. 7 (MvT): “Iedere belanghebbende is bevoegd een verweerschrift in te dienen, onverschillig of hij ingevolge artikel 429f is opgeroepen of niet.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1963-1964, 7753, nr. 3, p. 7 (MvT): “Vrees dat nu ieder die zich als belanghebbende aandient aan de behandeling zou kunnen deelnemen behoeft niet te bestaan, want bij twijfel aan werkelijk belang is het laatste woord aan de rechter ook zonder uitdrukkelijke wetsbepaling.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149 m.nt. J.M.M. Maeijer (Veldhof/Leonhard Woltjer Stichting), rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486 (Scheipar), rov. 3.3.2; HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45 (Lips/Broex), rov. 3.4.2; HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9921, NJ 2012/339, rov. 3.3.3 en HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1338, NJ 2014/299 met red. aant., rov. 3.5.2; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3636, NJ 2016/172 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Hoeksma/Trade), rov. 4.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 7 juli 1994 tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht (Stb. 1994/570), in werking getreden op 1 april 1995 (Stb. 1994/774).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 6 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het advies van 22 maart 2016 van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht over het belanghebbendenbegrip in art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen, onder punt 19. Dit advies ziet op de vraag van de minister “of de beide volzinnen van art. 798 lid 1 Rv aan de rechter in civiele zaken betreffende minderjarigen, bijvoorbeeld in zaken over ondertoezichtstelling, voldoende ruimte laten om aan de hand van de omstandigheden van het geval te beoordelen of de ouder zonder gezag is aan te merken als belanghebbende.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover nader mijn conclusie van 2 februari 2018 in de prejudiciële zaak met rolnummer 17/04701 (onder 2.13-2.15). De conclusie is op 16 februari 2018 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2018:113.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming, Stb. 2014/130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010-2011, 32 015, nr. 37 (Amendement Kooiman en Van Toorenburg).</p>\n<p class=\"lf-p\">S.F.M. Wortmann onder punt 4 van haar noot bij HR 12 september 2012, NJ 2014/482 (W./SBJ Noord-Brabant).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het advies van 22 maart 2016 van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht over het belanghebbendenbegrip in art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen, onder punt 30: “Uit de toelichting wordt niet duidelijk waarom de pleegouders daartoe de beschikking dienden te krijgen over alle hiervoor onder 9 en 10 vermelde bevoegdheden van een belanghebbende, en niet kon worden volstaan met het hiervoor onder 13 vermelde spreekrecht van de informant, bijvoorbeeld door wettelijk te verankeren dat dergelijke pleegouders steeds als informant in de zin van art. 800 lid 2 Rv zijn aan te merken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het advies van 22 maart 2016, onder punt 42 tot en met 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991-1993, 22 487, nr. 3, p. 12 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991-1993, 22 487, nr. 3, p. 11-12: “De afwijking bestaat slechts hierin, dat niet voor de verschenen belanghebbenden, maar voor degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden de dag van de uitspraak de appeltermijn doet aanvangen.”. Zie ook Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 6, p. 15 (MvA).</p>\n<p class=\"lf-p\">T&amp;C Burgerlijke rechtsvordering, aant. 4 bij art. 806 Rv (Nauta).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991-1993, 22 487, nr. 3, p. 12 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">T&amp;C Burgerlijke rechtsvordering, aant. 7 bij art. 806 Rv (Nauta).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991-1993, 22 487, nr. 6, p. 10 (MvA).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 12 (MvT). Zie in dit verband ook de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad over de vraag of een ouder zonder gezag bevoegd is hoger beroep in te stellen van een beslissing over (verlenging van de) ondertoezichtstelling van de minderjarige (HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482 m.nt. S.F.M. Wortmann (W./SBJ Noord-Brabant).</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie bestond uit rechters, advocaten, een lid van het bureau van de NVvR en ambtenaren van justitie. Zie S.F.M. Wortmann, Familieprocesrecht. In: FJR 1995 3/4, p. 56 en L.J.H. Gijbels, Advocatuurlijke wetenswaardigheden betreffende de wet herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht. In: FJR 1995 3/4, p. 59. Zie ook E.L. Schaafsma-Beversluis en J.A.M.P. Keijser, Het nieuwe personen- en familieprocesrecht, 1995, p. 121-128.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brochure van het Ministerie van Justitie, Het Nieuwe Familieprocesrecht, 1995, p. 6–9 en Bijlage I, p. 21-28. Zie ook E.L. Schaafsma-Beversluis en J.A.M.P. Keijser, Het nieuwe personen- en familieprocesrecht, 1995, p. 121-128.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de in de vorige noot genoemde Brochure, Bijlage I, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het procesreglement Gezag en Omgang is van toepassing op alle verzoeken aan de rechtbank op grond van titel 14 en 15 van Boek 1 BW, met uitzondering van die waarop het Procesreglement Civiel Jeugdrecht van toepassing is, zo is vermeld in art. 1.1 van het reglement. Zie Procesreglement Gezag en Omgang, In werking getreden op 1 april 2004 (Stcrt. 24 maart 2004), laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 april 2017. Het reglement is te raadplegen via rechtspraak.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 januari 2018 (Stcrt. 8 december 2017, nr. 70367). Het reglement is te raadplegen via rechtspraak.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 8 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 9 (MvT). Zie tevens S.F.M. Wortmann, Familieprocesrecht. In: FJR 1995 3/4, p. 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1992-1993, 22 487, nr. 6, p. 9 (MvA).</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2017, p. 197. Zie over het juridisch ouderschap voorts uitvoering het Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, 2016, p. 156-187.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, 2016, p. 158-159.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover nader mijn conclusie van 2 februari 2018 in de prejudiciële zaak met rolnummer 17/04701 (onder 2.29). De conclusie is op 16 februari 2018 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2018:113.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader Asser/De Boer 1* 2010/738.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, 2016, p. 157.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, 2016, p. 316.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2017, p. 368.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, 2016, p. 213.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2017, p. 368; T&amp;C Personen- en familierecht, aant. 2 bij art. 1:245 BW (Ter Haar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het (ontstaan van) gezamenlijk ouderlijk gezag mijn conclusie van 2 februari 2018 in de prejudiciële zaak met rolnummer 17/04701 (onder 2.36-2.39). De conclusie is op 16 februari 2018 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2018:113.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gecertificeerde instelling is een rechtspersoon met een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in art. 3:4 van de Jeugdwet en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert (art. 1.1 Jeugdwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/De Boer 1* 2010/818, onder verwijzing naar HR 25 september 1998, NJ 1999/379, rov. 3.2 met verwijzing naar EHRM 28 november 1988, Serie A, nr. 144, NJ 1991/541 (Nielsen), rov. 61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 1:248 BW verklaart het tweede lid van art. 1:247 BW van overeenkomstige toepassing op de voogd en op degene die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die minderjarige toekomt. Zie nader over art. 1:247 lid 2: Asser/De Boer 1* 2010/818a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil tussen ontheffing en ontzetting was gelegen in de verschillende wettelijke gronden waarop deze maatregelen konden worden uitgesproken. Het rechtsgevolg van deze maatregelen was hetzelfde: het verlies van het gezag. Zie P. Vlaardingerbroek e.a., Hedendaagse personen- en familierecht, 2017/10.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 12 maart 2014, Stb. 2014/130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over gezagsbeëindiging P. Vlaardingerbroek e.a., Hedendaagse personen- en familierecht, 2017/10.2.1; S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium personen- en familierecht, 2015, nr. 137.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.R. Bruning e.a., Jeugdrecht en jeugdhulp, 2016, par. 6.7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2008–2009, 32 015, nr. 3, p. 35 (MvT). Zie over het recht op omgang P. Vlaardingerbroek e.a., Hedendaagse personen- en familierecht, 2017/11.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Vlaardingerbroek (e.a.), Hedendaagse personen- en familierecht 2017/10.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 6 oktober 2015, no. 58455/13, EHRC 2015/239 (N.P./Moldavië).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook EHRM 17 december 2002, ECLI:NL:XX:2002:AF4977, NJ 2004/632 m.nt. J. de Boer, rov. 89-93 (Venema/Nederland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover nader T. de Jong, Procedurele waarborgen in materiële EVRM-rechten (diss.), 2017, par. 6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. EHRM 8 juli 1987, Series A no. 121–A, ECLI:NL:XX:1987:AC0468, NJ 1988/828 m.nt. E.A. Alkema, rov. 62-64 (W./V.K.); EHRM 24 februari 1995, no. 16424/90, ECLI:NL:XX:1995:AD2307, NJ 1995/594 m.nt. J. de Boer (McMichael/V.K.), rov. 87. Zie verder T. de Jong, Procedurele waarborgen in materiële EVRM-rechten (diss.), 2017, par. 6.3.1; Asser/De Boer 1* 2010/842-843; D. van Grunderbeeck, Beginselen van personen- en familierecht. Een mensenrechtelijke benadering (diss. K.U. Leuven), 2003, p. 587, 665-666 en M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, EVRM, minderjarigheid en ouderlijk gezag. A whole code of juvinile law?, 1994, p. 302-303.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit overzicht is ontleend aan M.R. Bruning, GS Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 4.2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 8 juli 1987, Series A no. 121–A, ECLI:NL:XX:1987:AC0468, NJ 1988/828 m.nt. E.A. Alkema, rov. 63 (W./V.K.). Zie ook EHRM 17 december 2002, ECLI:NL:XX:2002:AF4977, NJ 2004/632 m.nt. J. de Boer, rov. 89-93 (Venema/Nederland).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 24 februari 1995, no. 16424/90, ECLI:NL:XX:1995:AD2307, NJ 1995/594 m.nt. J. de Boer (McMichael/V.K.), rov. 77; EHRM 20 december 2001, no. 32899/96, EHRC 2002/15 m.nt. E. Brems (Buchberger/Oostenrijk), rov. 43-44; EHRM 21 september 2006, no. 12643/02, EHRC 2006/129 (Moser/Oostenrijk), rov. 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 10 mei 2001, RJD 2001-V, p. 119 (T.P./V.K.), rov. 80-83.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 9 mei 2006, no. 18249/02, ECLI:NL:XX:2006:AY5276, (C./Finland), rov. 56-58; EHRM 8 april 2004, no. 11057/02, EHRC 2004/46, (Haase/Duitsland), rov. 97; EHRM 21 september 2006, no. 12643/02, EHRC 2006/129 (Moser/Oostenrijk), rov. 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 16 juli 2002, no. 56547/00, EHRC 2002/87 m.nt. J.H. Gerards (P., C. en S./V.K.), rov. 136; EHRM 21 september 2006, no. 12643/02, EHRC 2006/129 (Moser/Oostenrijk), rov. 70; EHRM 19 februari 2013, no. 1285/03 (B./Roemenië (No. 2)), rov. 116, 118; EHRM 8 januari 2013, no. 37956/11, EHRC 2013/162 m.nt. J.H. de Graaf (A.K. en L./Kroatië), rov. 72; EHRM 16 februari 2016, no. 72850/14, EHRC 2016/141 (Soares de Melo/Portugal), rov. 116-117.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 13 juli 2000, EHRC 2000/74 m.nt. J. van der Velde (Scozzari en Giunta/Italië); EHRM 8 juli 1987, Series A no. 121–A, ECLI:NL:XX:1987:AC0468, NJ 1988/828 m.nt. E.A. Alkema, rov. 63 (W./V.K.); EHRM 17 juli 2012, no. 64791/10, EHRC 2012/210, (M.D./Malta), rov. 78-79.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een overzicht van deze waarborgen in jeugdbeschermingszaken M.R. Bruning, GS Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 4.2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 8 juli 1987, Series A no. 121–A, ECLI:NL:XX:1987:AC0468, NJ 1988/828 m.nt. E.A. Alkema, rov. 65 (W./V.K.); EHRM 7 augustus 1996, ECLI:NL:XX:1996:AB9924, NJ 1998/324 (Johansen/Noorwegen), rov. 86-89; EHRM 16 november 1999, no. 31127/96, EHRC 2000/9 m.nt. E. Brems (E.P./Italië), rov. 53-54.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook M.R. Bruning, GS Personen- en familierecht, art. 1:255 BW, aant. 10.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitvoerig over de betekenis van het begrip “familie- en gezinsleven” in art. 8 EVRM: D. van Grunderbeeck, Beginselen van personen- en familierecht. Een mensenrechtelijke benadering (diss. K.U. Leuven), 2003, p. 28-37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. EHRM 13 december 2007, no. 39051/03, EHRC 2008/25 (Emonet/Zwitserland), rov. 33; EHRM 1 juni 2004, no. 45582/99, NJ 2004/667 m.nt. De Boer; EHRC 2004/68, (L. en anderen/Nederland), rov. 36 en EHRM 12 juli 2001, no. 25702/94, ECHR 2001‑VII, rov. 150 (K. en T./Finland) en EHRM 13 juni 1979, no. 6833/74 (Marckx/België), rov. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.R. Bruning, GS Personen- en familierecht, art. 1:255 BW, aant. 10.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderscheid is ontleend aan C.J. Forder, Commentaar op art. 8 EVRM, par. C.1.1.1. In: Sdu Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, 2013, p. 539.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een overzicht van rechtspraak van EHRM met betrekking tot de vraag wanneer partnerrelaties en bredere familie- en andere relaties als ‘family life’ moeten worden aangemerkt: C.J. Forder, Commentaar op art. 8 EVRM, par. C.1.1.11 en C 1.1.13. In: Sdu Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, 2013, p. 539-540 en 548; D.J. Harris, M O’Boyle, E.P. Bates &amp; C.M. Buckley, Law of the European Convention on Human Rights, 2014, p. 526-528 en B. Rainey, E. Wicks en C. Ovey, Jacobs, White, and Ovey, The European Convention on Human Rights, 2017, p. 370-374.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie EHRM 21 juni 1988, no. 10730/84, ECLI:NL:XX:1988:AD0368, NJ 1988/746 m.nt. Alkema (Berrehab/Nederland), rov. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie EHRM 26 mei 1994, no. 16969/90 (Keegan/Ierland), rov. 44-45 en EHRM 18 december 1986, no. 9697/82, ECLI:NL:XX:1986:AC9627, NJ 1989/97 m.nt. Alkema (Johnston en anderen/Ierland), rov. 55-56. Zie ook C.J. Forder, Commentaar op art. 8 EVRM, par. C.1.1.1.2 In: Sdu Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, 2013, p. 541.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie EHRM 13 juni 1979, no. 6833/74, ECLI:NL:XX:1979:AC3090, NJ 1980/462 m.nt. Alkema (Marckx/België), rov. 31. Zie ook C.J. Forder, Commentaar op art. 8 EVRM, par. C.1.1.1.2 In: Sdu Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, 2013, p. 540-541 en D.J. Harris, M O’Boyle, E.P. Bates &amp; C.M. Buckley, Law of the European Convention on Human Rights, 2014, p. 527.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 1 juni 2004, no. 45582/99, NJ 2004/667 m.nt. De Boer, EHRC 2004/68, (L. en anderen/Nederland), rov. 37. Zie ook EHRM 21 december 2010, no. 20578/07, NJ 2011/508 m.nt. S.F.M. Wortmann (Anayo/Duitsland), rov. 56 : “However, a biological kinship between a natural parent and a child alone, without any further legal or factual elements indicating the existence of a close personal relationship, is insufficient to attract the protection of Article 8 (compare L., cited above, § 37). As a rule, cohabitation is a requirement for a relationship amounting to family life. Exceptionally, other factors may also serve to demonstrate that a relationship has sufficient constancy to create de facto ‘family ties’ (see Kroon and Others v. the Netherlands, 27 October 1994, § 30, Series A no. 297-C; and L., cited above, § 36).”</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 26 mei 1994, no. 16969/90 (Keegan/Ierland), rov. 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 5 november 2002, no. 33711/96, ECLI:NL:XX:2002:AP0887, NJ 2005/34 m.nt. De Boer, EHRC 2003/1 m.nt. Brems (Yousef/Nederland), rov. 51. Zie ook S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium personen- en familierecht 2018/6.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 1 juni 2004, no. 45582/99, NJ 2004/667 m.nt. De Boer, EHRC 2004/68 (L. en anderen/Nederland), rov. 37-40.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 22 maart 2012, no. 45701/09, EHRC 2012/130 (Ahrens/Duitsland), rov. 59. De kwestie viel overigens wel onder het door art. 8 EVRM beschermde ‘private life’ van de vader. Vgl. rov. 60. Zie ook EHRM 22 maart 2012, no. 23338/09 (Kautzor/Duitsland), rov. 61-63.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 21 december 2010, no. 20578/07, NJ 2011/508 m.nt. S.F.M. Wortmann (Anayo/Duitsland).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 21 december 2010, no. 20578/07, NJ 2011/508 m.nt. S.F.M. Wortmann (Anayo/Duitsland), rov. 57-60. Zie ook B. Rainey, E. Wicks en C. Ovey, Jacobs, White, and Ovey, The European Convention on Human Rights, 2017, p. 371-372.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 21 december 2010, no. 20578/07, NJ 2011/508 m.nt. S.F.M. Wortmann (Anayo/Duitsland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 13 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW7010, onder 2.6. Het cassatieberoep werd in deze zaak verworpen met toepassing van art. 81 RO (ECLI:NL:HR:2012:BW7071).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium personen- en familierecht 2018/6.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 22 juni 2004, no. 78028/01 en 78030/01, ECLI:NL:XX:2004:AR3874, NJ 2005/507 m.nt. De Boer, EHRC 2004/82 m.nt. Brems (Pini en anderen/Roemenië), rov. 136-148.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 27 april 2010, no. 16318/07, ECLI:NL:XX:2010:BN2897, EHRC 2010/79 m.nt. Forder, RvdW 2010/1353 (Moretti en Bernadetti/Italië), rov. 48. Zie ook C.J. Forder, Commentaar op art. 8 EVRM, par. C.1.1.1.2 In: Sdu Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, 2013, p. 546.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie EHRM 9 juni 1998, no. 40/1997/824/1030, FJR 1998/214, ECLI:NL:XX:1998:BL8275 (Bronda/Italië), rov. 51. Vgl. ook EHRM 27 april 2000, no. 25651/94 (L.//Finland), rov. 101 en 124-128.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een voorbeeld van een zaak waarin ‘family life’ met een meerderjarig kind werd aangenomen EHRM 13 december 2007, no. 39051/03, EHRC 2008/25 (Emonet/Zwitserland), rov. 37. Zie anders: EHRM 7 november 2000, no. 31519/96 (Kwakye-Nti en Dufie/Nederland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dit onderwerp ook S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium personen- en familierecht 2018/6 en C.J. Forder, Commentaar op art. 8 EVRM, par. C.1.1.2 In: Sdu Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, 2013, p. 548-549.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. EHRM 19 februari 1996, no. 23218/94, ECLI:NL:XX:1996:ZA2384, NJ 1997/538 m.nt. De Boer, AB 1998/53 m.nt. Sewandono (Gül/Zwitserland), rov. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 7 augustus 1996, no. 21794/93, NJ 1997/540 m.nt. De Boer (C./België), rov. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK); New York, 20 november 1989; inwerkingtreding op 2 september 1990, Trb. 1990, 46 (en/fr); Trb. 1990, 170 (nl); Trb. 1995, 92; Trb. 1996, 188; Trb. 1997, 83 (rectificatie); Trb. 1998, 62; Trb. 2001, 169; Trb. 2002, 233.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nederland heeft het verdrag op 6 februari 1995 geratificeerd, waarna het op 8 maart 1995 in werking is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9726, NJ 2006/584 m.nt. J.E. de Boer.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR2013:BZ3641, NJ 2013/382 m.nt. S.F.M. Wortmann.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1748, NJ 2015/336 m.nt. S.F.M. Wortmann.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7043, NJ 2010/397 m.nt. Wortmann.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Wesseling-van Gent voor HR 21 mei 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL7043, NJ 2010/397 m.nt. Wortmann, onder 2.3-2.6. Zie ook haar conclusie voor HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BR5312 (de Hoge Raad heeft in die zaak het cassatieberoep verworpen onder toepassing van art. 81 lid 1 RO) onder 4.5-4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Forder en R. Bakker, Kroniek van personen- en familierecht. In: NJB 2010/176.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Forder, Is de oudste broer belanghebbende in de kinderbeschermingsprocedures met betrekking tot zijn broertjes en zusjes? In: NJB 2011/1088. Zie ook: C. Forder, Uitsluiting oudste broer schendt artikelen 6 en 8 EVRM. In: NJB 2012/343.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover nader mijn conclusie van 2 februari 2018 in de prejudiciële zaak met rolnummer 17/04701 (onder 2.13-2.15). De conclusie is op 16 februari 2018 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2018:113.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn conclusie van 2 februari 2018 in de prejudiciële zaak met rolnummer 17/04701 (onder 2.14). De conclusie is op 16 februari 2018 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2018:113.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de noot van S.F.M. Wortmann onder punt 2. HR 21 mei 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL7043, NJ 2010/397 m.nt. S.F.M. Wortmann. Zie over dit punt voorts de conclusie van A-G Langemeijer, onder punt 2.18, voor HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482 m.nt. S.F.M. Wortmann (W./SBJ Noord-Brabant).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482 m.nt. S.F.M. Wortmann (W./SBJ Noord-Brabant).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482 m.nt. S.F.M. Wortmann (W./SBJ Noord-Brabant). Opmerking verdient dat de uitspraak van de Hoge Raad dateert van vóór 1 januari 2015, zodat de oude regeling van ondertoezichtstelling nog van toepassing was. Om die reden worden in de uitspraak ook de ‘oude’ artikelnummers genoemd zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (Stb. 2014/130).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de noot van Wortmann bij het arrest onder punt 3. HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482 m.nt. S.F.M. Wortmann (W./SBJ Noord-Brabant).</p>\n<p class=\"lf-p\">G. de Groot, Ruimte voor rechtsontwikkeling in civiele procedures bij de Hoge Raad. In: NTBR 2016/45 (par. 4.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">P.A.J.Th. van Teeffelen, Is een gescheiden ouder (ook zonder gezag) altijd belanghebbende in procedures tot ondertoezichtstelling? In: EB 2015/44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2437, rov. 5.2; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4263, rov. 3.8.1-3.8.4 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:585, JPF 2015/76 m.nt. J.H. de Graaf, rov. 3.6. Ook een partner van de moeder die elders woont is als belanghebbende aangemerkt: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:10105, PFR-Updates 2016-0014, rov. 4.1-4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesreglement Civiel Jeugdrecht, in werking getreden op 1 april 2006 (Stcrt. 11 augustus 2006), laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 april 2017 (Stcrt. 2017, nr. 18819). Het reglement is te raadplegen via rechtspraak.nl. Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 182, antwoord op vraag 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 182, antwoord op vraag 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015- 2016, Aanhangsel van de Handelingen, Aanhangselnummer 925.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraagsteller refereert hier aan eerder gestelde vragen over het belanghebbende begrip, zie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 182, antwoord op vraag 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies van de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht over het belanghebbende-begrip art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7043, NJ 2010/397 m.nt. Wortmann, rov. 4.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verzoekschrift tot cassatie punten 1.2-1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2017, zaaknummer 200.217.957/01, ECLI:NL:GHDHA:2017:2525; PFR-Updates.nl 2017-0258, rov. 5 en rov. 8. Zie ook het verzoekschrift tot cassatie punt 1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010-2011, 32 015, nr. 37 (Amendement Kooiman en Van Toorenburg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook het advies van 22 maart 2016 van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht over het belanghebbendenbegrip in art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen, onder punten 33-37. Onder punt 33 is opgemerkt: “De zinsnede ‘Degene die niet de ouder is’ roept de vraag op of ook een of meer van de hiervoor onder 31, a tot en met c, aangeduide drie typen ouders onder de reikwijdte van de tweede volzin valt. Daarbij spreekt aanstonds voor zich dat de juridische ouder niet onder de tweede volzin kan vallen, omdat deze gezien de art. 1:198 en 1:199 BW wél de ouder is. Voor het biologische ouderschap en het stiefouderschap is de beantwoording van die vraag echter complexer.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Noch in de beschikking van de rechtbank noch in die van het hof is vastgesteld dat de vader de biologische vader van [kind 1] is. Uit de stukken leid ik echter af dat dat wel het geval is. Zie ook het verzoekschrift in cassatie, p. 2, waar dat is vermeld. Rov. 11 van de beschikking van het hof duidt er ook op dat de vader de biologische vader is (“Uit het EVRM volgt dat de nationale wet in beginsel de biologische ouder een mogelijkheid moet bieden …. Nu de wet de vader die mogelijkheid biedt …”) Verder staat vast dat de vader niet de juridische vader van [kind 1] is. De vader is wel de juridische vader van [kind 2] en, zo begrijp ik, ook zijn biologische vader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010-2011, 32 015, nr. 37 (Amendement Kooiman en Van Toorenburg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010-2011, 32 015, nr. 37 (Amendement Kooiman en Van Toorenburg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2017, zaaknummer 200.217.957/01, ECLI:NL:GHDHA:2017:2525; PFR-Updates.nl 2017-0258, rov. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals in het verzoekschrift tot cassatie punten 1.6-1.7 is aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 16 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3551. Zie ook Gerechtshof Den Haag 25 februari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2252 en rechtbank Overijssel 12 maart 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:1549.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 januari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:340.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4263. Zie idem gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:10105.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wenk’ bij gerechtshof Den Haag 13 mei 2015, RFR 2015/140.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Limburg 3 november 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:9790.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook het advies van 22 maart 2016 van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht over het belanghebbendenbegrip in art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen, onder punten 33-37. Onder punt 33 is opgemerkt: “De zinsnede ‘Degene die niet de ouder is’ roept de vraag op of ook een of meer van de hiervoor onder 31, a tot en met c, aangeduide drie typen ouders onder de reikwijdte van de tweede volzin valt. Daarbij spreekt aanstonds voor zich dat de juridische ouder niet onder de tweede volzin kan vallen, omdat deze gezien de art. 1:198 en 1:199 BW wél de ouder is. Voor het biologische ouderschap en het stiefouderschap is de beantwoording van die vraag echter complexer.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het Advies van 22 maart 2016 van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht over het belanghebbendenbegrip in art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen, onder punt 33-35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitvoeriger hierover mijn conclusie in de zaak met nummer 17/0407, waarin ik op 16 februari 2018 heb geconcludeerd, zie ECLI:NL:PHR:2018:113.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het appelrekest van 21 juni 2017 punten 12-14 en het petitum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof vermeldt in rov. 8 van de bestreden uitspraak abusievelijk art. 1:253b BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van [kind 1] is voor een dergelijk verzoek nog wel de tussenstap van erkenning nodig, omdat alleen de juridische ouder tot het gezag bevoegd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting van het hof van 17 juli 2017, blad 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 7 juli 1994 tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht (Stb. 1994/570), in werking getreden op 1 april 1995 (Stb. 1994/774).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover ook het advies van 22 maart 2016 van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht over het belanghebbendenbegrip art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen, onder 36: “In bepalingen van Boek 1 BW wordt het begrip ouder namelijk in verschillende zin gebruikt. In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het begrip ‘ouder’ niet nader omschreven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">R.Y. Nauta, Tekst en Commentaar Rv, aant. 6 bij art. 810a Rv; B.E.S. Chin-A-Fat, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 3 bij art. 810a Rv. Zie voor bezwaren tegen de wettekst verder E.P. von Brucken Fock, De herziening van het procesrecht in zaken betreffende minderjarigen. In: FJR 1995-3/4, p. 61-72. Volgens Von Brucken Fock zouden onder omstandigheden ook anderen dan ouders, die family life met de minderjarige hebben, gebruik moeten kunnen maken van het recht op contra-expertise (p. 69).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 13 (derde nota van wijziging).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 13 (derde nota van wijziging).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 15 (amendement van Van der Burg c.s.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 18 (gewijzigd amendement van Van der Burg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 18 (gewijzigd amendement van Van der Burg).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann (H./Raad voor de Kinderbescherming) , rov. 3.3.2-3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II, 24 februari 1994, p. 4157.</p></div>", "next": 0}