{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie o.m. H.J. Snijders, Nederlands arbitragerecht. Een artikelsgewijs commentaar op de art. 1020-1076 Rv, 2011, p. 358-359; H.J. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1065 Rv, aant. 7; P. Sanders, Het Nederlandse arbitragerecht. Nationaal en internationaal, 2001, p. 197-199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9395, NJ 2004/384 m.nt. H.J. Snijders (International Military Services/Modsaf-IR), rov. 3.3. Vgl. ook ’s hofs vooropstelling in rov. 7.2; in cassatie niet bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3137, NJ 2010/171 m.nt. H.J. Snijders (International Military Services/Modsaf-IR), rov. 4.3.1: “(…) Zelfs indien schending van procedureregels ertoe leidt dat sprake is van strijd met de beginselen van een goede procesorde, moet art. 1065 lid 1, onder e, Rv naar zijn aard met terughoudendheid worden toegepast. (…)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2495, NJ 2007/294 (Spaanderman/Anova Food), rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1266, NJ 1994/765 m.nt. H.J. Snijders (Nordström/Van Nievelt Goudriaan &amp; Co (Nigoco)), rov. 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECRM 27 november 1996, ECLI:NL:XX:1996:AD2654, NJ 1997/505 m.nt. P.J. Boon (Nordström c.s./Nederland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. art. 1033 lid 2 Rv. Zie ook G.J. Meijer, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1034, aant. 1 onder verwijzing naar Kamerstukken II 1983-1984, 18 464, nr. 3, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">De disclosureverplichting is thans neergelegd in art. 11 van de ICC Rules of Arbitration (versie 1 maart 2017), te raadplegen via https://iccwbo.org/dispute-resolution-services/arbitration/rules-of-arbitration.</p>\n<p class=\"lf-p\">De IBA-Guidelines worden sinds 2004 uitgegeven. De laatste versie (2014) is te raadplegen via https://www.ibanet.org/Publications/publications_IBA_guides_and_free_materials.aspx.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de IBA-Guidelines (versie 2014), p. 18 onder 4: “The purpose of disclosure is to inform the parties of a situation that they may wish to explore further in order to determine whether objectively – that is, from the point of view of a reasonable third person having knowledge of the relevant facts and circumstances – there are justifiable doubts as to the arbitrator’s impartiality or independence. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">De Leidraad is te raadplegen via https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Leidraad-onpartijdigheid-en-nevenfuncties-in-de-rechtspraak-januari-2014.pdf Zie memorie van grieven punten 30-42.</p>\n<p class=\"lf-p\">De IBA-Guidelines (versie 2004), p. 18 onder 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De s.t. van Bursa verwijst op dit punt onder meer naar de volgende bronnen: de noot van H.J. Snijders bij HR 18 februari 1994, NJ 1994/765 (Nordström/Nigoco); M.C. van Leyenhorst, Procedurele aspecten van wraking. In: TvA 2013/2 onder 7; de noot van M.C. Leyenhorst bij rechtbank Rotterdam 11 mei 2011, TvA 2014/28, onder 4 en 11; T.H. Webster en M. Bühler, Handbook of ICC Arbitration: Commentary, Precedents, Materials, London: Sweet &amp; Maxwell 2014, p. 228, 236-237, 241-242; Hooggerechtshof Zweden 9 juni 2010, T 156-09 en Cour d’Appel de Reims 2 november 2011, 10/02888 (Avax/Tecnimont).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van antwoord punt 15; de pleitnotities in appel zijdens Güriş van 8 november 2016 punten 31-32 (onder expliciete verwijzing naar rov. 4.6 van het rechtbankvonnis). Zie ook de verzetdagvaarding van 2 augustus 2013 punt 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt verwezen naar de memorie van grieven, p. 15 onder 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt verwezen naar de memorie van grieven, p. 17 (onder 10) en onder 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dit verband ook ’s hofs samenvatting van de stellingen van Bursa in rov. 8.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt verwezen naar de memorie van grieven, p. 17 onder 10; de pleitnotities van mr. Tubbergen in hoger beroep, onder 40. Ook wordt gewezen op het betoog van Bursa dat Dayinlarli zich onder valse voorwendselen heeft onttrokken (memorie van grieven p. 17 (onder 10) en onder 41).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt verwezen naar de pleitnotities van mr. Tubbergen in hoger beroep onder 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de verzwaarde stelplicht nader M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, 2011, p. 59-60; H.W.B. thoe Schwartzenberg, Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2013, p. 111-121; W.D.H. Asser, Bewijslastverdeling, 2004, p. 115-117. Zie over de verzwaarde stelplicht verder o.m. HR 20 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0058, NJ 1988/500 m.nt. W.L. Haardt (Timmer/Deutman); HR 6 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9376, NJ 1990/573 m.nt. P.A. Stein (Janssen/Nefabas); HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1611, NJ 1997/175 m.nt. C.H.J. Brunner (De Heel/Staat-ABP-Korver); HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2244, NJ 1999/286 m.nt. W.M. Kleijn (Vergeten testament).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bursa heeft het onderhavige punt in de processtukken tamelijk summier toegelicht. In eerste aanleg is het bezwaar niet aangevoerd. Zie verder de memorie van grieven, p. 14-15 en pleitnota in appel onder punten 36-37. Zie voor de gemotiveerde betwisting van Güriş memorie van antwoord punten 37-40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook de memorie van antwoord punt 40.</p></div>", "next": 0}