{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">(…) Deze opvatting [opvatting van het Hof, A-G] zou ontegenzeggelijk juist zijn, niet alleen - en dan uit de aard der zaak - als op grond van een en dezelfde vermindering twee maal zou zijn uitbetaald, maar ook als een verminderingsbeschikking abusievelijk twee maal in de administratie zou zijn verwerkt en aldus tot twee (gelijke) uitbetalingen zou hebben geleid. Heel wat minder zeker zou dit echter zijn als op een bezwaarschrift per abuis twee maal uitspraak zou zijn gedaan. Op een bezwaarschrift kan immers slechts een maal uitspraak worden gedaan en elke verdere vermindering geschiedt bij een ambtshalve genomen beschikking, ongeacht of de inspecteur, achteraf een fout ontdekkend, deze geheel eigener beweging herstelt dan wel of hij dit doet naar aanleiding van een nadere brief van belanghebbende, die dan echter geen bezwaarschrift meer kan heten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier nu was er een nadere brief, echter in de vorm van een door de vrouw ingediend bezwaarschrift tegen haar aanslag. In ons beperkte stelsel van afzonderlijke aanslagen worden vermogensinkomsten, aan wie van de echtgenoten ook toekomend, met de bijbehorende voorheffingen tot het fiscale inkomen van de man gerekend. Dit bezwaarschrift moest derhalve worden afgewezen waarna de behandelende ambtenaar kon overwegen de aanslag van de man te verminderen, zoals hij dan ook deed, maar toen ambtshalve en nog niet wetend - misschien doordat de stukken nog niet in de legger waren gedeponeerd? - dat die aanslag reeds verminderd was. Met een aan het civiele recht ontleende terminologie zou men kunnen zeggen dat de tweede en ambtshalve verleende vermindering door het reeds bestaan van de eerste vermindering geen oorzaak had en daarom nietig, eventueel zelfs non existent was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik ga hier niet in op de ook door de A.-G. slechts voorzichtig ter sprake gebrachte mogelijkheid van nietigheid van administratief-rechtelijke beschikkingen en volsta met het uitspreken van mijn mening dat men de civielrechtelijke oorzaak- en nietighedenleer bezwaarlijk naar het administratieve recht kan overplanten. Juist in het belastingrecht, waar financiële verplichtingen en aanspraken in administratieve beschikkingen worden vastgelegd en de wet de wegen aangeeft, waarlangs deze eventueel kunnen worden aangetast, zal aan die beschikkingen zg. formele rechtskracht moeten worden toegekend. In ander verband is dit kort geleden opnieuw gebleken uit het arrest HR. 25-3-1981, BNB 1981/17 [bedoeld zal zijn BNB 1981/171, A-G]: een notaris is niet bevoegd inzake de overdrachtsbelasting, verschuldigd door zijn cliënt, uit eigen hoofde een bezwaarschrift in te dienen, maar als hij dat heeft gedaan en van de inspecteur een uitspraak heeft ontvangen dan is hij ontvankelijk in zijn beroep daartegen (zij het dat de rechter niet anders kan doen dan belanghebbende - alsnog - niet-ontvankelijk te verklaren in zijn oorspronkelijke bezwaarschrift).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het onderhavige geval betekent dit, dat de tweede beschikking haar werking behoudt totdat zij langs de daarvoor geëigende weg onwerkzaam is gemaakt. Die weg is hier de navordering ex het tweede lid van art. 16 en niet, zoals belanghebbende kennelijk meende, het eerste lid. De verminderingen wijzigden immers het saldo van de aanslag zelf en het is dan ook niet nodig dat de aanslag reeds in zijn oorspronkelijk vorm een te hoge verrekening bevatte.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.24 In het arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2010 is voor zover hier van belang het volgende bepaald:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Navordering kan op grond van artikel 16, lid 2, aanhef en letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven doordat een voorheffing ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend. (…) 3.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling van artikel 16, lid 2, van de AWR, die spreekt over 'alle gevallen', biedt geen ruimte voor een beperking tot gevallen waarin de inspecteur zich er niet van bewust was dat hij een fout maakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25 A-G Van Ballegooijen merkte in zijn conclusie van 27 augustus 2009 bij voornoemd arrest het volgende op over artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van de AWR:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is dus op grond van artikel 16, lid 2, aanhef en onderdeel a, AWR, geen nieuw feit nodig voor navordering in het geval te weinig belasting is geheven doordat een voorheffing ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend. Artikel 16, lid 2, aanhef en onderdeel a, AWR betreft kortweg verrekeningskwesties.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Beoordeling van de beide beroepen in cassatie 5.1 De Staatssecretaris heeft als cassatiemiddel voorgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending van het recht, met name van artikel 10:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en/of artikel 6:22 Awb en/of artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), doordat het Hof heeft geoordeeld dat ondanks een formeel juist gegeven mandaat en een binnen dat mandaat passende verrichting sprake is van een non-existent ambtshalve genomen besluit omdat de betrokken ambtenaar frauduleus heeft gehandeld, waardoor navordering niet mogelijk is. Zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat [G] met het vaststellen van de ambtshalve genomen beschikking van 14 juni 2014 een verrekening en teruggaaf van dividendbelasting heeft gefingeerd en hiermee buiten de grenzen van de aan hem gemandateerde bevoegdheden is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Het is duidelijk dat [G] niet had mogen fingeren, in de zin van verzinnen of voorwenden, dat er dergelijke dividendbelasting te verrekenen was door belanghebbende. Echter, ik betwijfel of [G] daarmee is getreden buiten de grenzen van de formeel aan hem toebedeelde ambtelijke bevoegdheid om een belastingaanslag of verminderingsbeschikking vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Hier is een vergelijking mogelijk met het algemene bestuursrecht. Stel dat een gemeenteambtenaar die belast is met de afgifte van bouwvergunningen is omgekocht om in strijd met de geldende regelingen een bouwvergunning af te geven. Als die ambtenaar de vergunning afgeeft gaat het mijns inziens om een formeel geldige bouwvergunning. Deze blijft als zodanig in stand totdat die, zo mogelijk, is ingetrokken door het bestuur of vernietigd is door de bestuursrechter (waartoe ongetwijfeld gronden aanwezig zullen zijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Niet in geschil is dat [G] , ten tijde van het ambtshalve verlenen van de verminderingsbeschikking, intern bevoegd was verklaard om hier de bevoegdheden van de inspecteur uit te oefenen (onder meer) als voorzien in artikel 65 van de AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Op basis daarvan heeft [G] naar mijn mening een formeel geldige verminderingsbeschikking vastgesteld. Dat die materieel helemaal niet deugt, kan daaraan mijns inziens niet afdoen. Ik zou niet weten waarom de verminderingsbeschikking ‘non-existent’ zou zijn, in de zin van niet-bestaand of niet tot stand gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Dat neemt niet weg dat ik mij wel andere gevallen kan voorstellen waarin een gefingeerde belastingaanslag of beschikking wegens ontbreken van formele bevoegdheid niet tot stand komt, zodat men kan spreken van ‘non-existent’. Dat zou bijvoorbeeld kunnen als een ambtenaar die in het geheel niet betrokken is bij de Belastingdienst zich meester maakt van een bepaald aanslagbiljet en zogenaamd een belastingaanslag oplegt. Of indien een fiscaal geïnteresseerde onderzoeksjournalist een aanslagbiljet fingeert en zogenaamd een aanslag oplegt aan een hem onwelgevallig bedrijf. Het ontbreken van enige formele bevoegdheid om een aanslag op te leggen, maakt dat dit niet kan gelukken. Daaraan kan alsdan niet afdoen dat een schriftelijk bekend gemaakte ‘beschikking’ wellicht kunstig is vervaardigd en ‘naar uiterlijke verschijningsvorm een verminderingsbeschikking is’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Ik ben het niet eens met de vaststelling van het Hof dat niet kan worden betwijfeld en door partijen ook niet betwijfeld wordt dat [G] met het vaststellen van de ambtshalve genomen beschikking van 14 juni 2014 een teruggaaf van dividendbelasting heeft gefingeerd en hiermee buiten de grenzen van de aan hem gemandateerde bevoegdheden is getreden. Dit laatste is door de Inspecteur in de procedure bij het Hof niet erkend. De Inspecteur heeft immers het standpunt ingenomen dat [G] bevoegd was een ambtshalve vermindering te verlenen en heeft daaruit afgeleid dat de navorderingsaanslag formeel juist tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Het Hof heeft vastgesteld dat de beschikking van 14 juni 2014 een ambtshalve vermindering ex artikel 65 van de AWR betreft. In de procedure voor het Hof had belanghebbende gesteld dat de beschikking niet op de voorgeschreven wijze was bekend gemaakt en daarom vernietigd diende te worden. Het Hof is hier niet op ingegaan, maar ik wil er toch het volgende over opmerken. In het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2012 is bepaald dat ‘de enkele omstandigheid dat een aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, (…) geen grond [is] voor vernietiging van die aanslag en geeft evenmin grond om aan te nemen dat die aanslag van rechtswege nietig is (…). Wel leidt die omstandigheid ertoe dat de bezwaartermijn pas aanvangt op de dag van de ontvangst door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger van het aanslagbiljet of van een afschrift daarvan (…).’ In casu zie ik geen reden om ten aanzien van een ambtshalve beschikking die (veronderstellenderwijs) niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt anders te oordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Ik meen dat [G] bij het afgeven van de verminderingsbeschikking niet buiten de grenzen van zijn formele bevoegdheden is getreden. Zoals volgt uit de memorie van toelichting bij de invoering van de Derde Tranche Awb gaat het bij mandaat om een bevoegdheidsuitoefening. Blijkens het afschrift uit het Centraal bevoegdhedenregister was bij mandaatbesluit aan [G] in de periode van 1 september 1979 tot 12 september 2014 mandaat verleend om de bevoegdheden van inspecteur uit te oefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 De bevoegdheden van de inspecteur volgen uit de AWR. De bevoegdheid van een inspecteur om een artikel 65 AWR-beschikking af te geven volgt uit artikel 65 van de AWR en uit onderdeel 17 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Onderdeel 17 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht dient naar mijn mening te worden gezien als een in een beleidsregel neergelegde interne instructie van hoe de bevoegdheid van een inspecteur als neergelegd in artikel 65 AWR dient te worden uitgeoefend. In onderdeel 17, punt 2 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht is immers bepaald dat genoemd onderdeel 17 een uitputtende regeling bevat van de gevallen waarin de inspecteur van de bevoegdheden genoemd in artikel 65 AWR gebruik maakt. Onderdeel 17 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht is mijns inziens niet te zien als een ‘clausulering’ (een beperking van de omvang van het mandaat), maar als een instructie (wanneer de bevoegdheden dienen te worden uitgeoefend). Het niet opvolgen van hetgeen staat vermeld in onderdeel 17 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht levert naar mijn mening dan ook geen bevoegdheidsgebrek op.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Wil de inspecteur een ambtshalve vermindering ex artikel 65 AWR verlenen, dan zal sprake dienen te zijn van (1) een onjuiste belastingaanslag, (2) een onjuiste beschikking, (3) een in de wet voorziene vermindering, (4) een in de wet voorziene ontheffing, dan wel (5) een in de wet voorziene teruggaaf. Indien geen sprake is van één van deze vijf genoemde situaties dan mag een inspecteur materieel gezien niet een ambtshalve vermindering verlenen. In casu staat vast dat er bij belanghebbende geen sprake was van één van de bovengenoemde vijf situaties, zodat [G] geen verminderingsbeschikking had mogen afgeven. Echter, dat doet mijns inziens niet af aan zijn formele bevoegdheid, als voornoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Zoals Zijlstra e.a. hebben opgemerkt wordt een beschikking die door de gemandateerde is afgegeven in strijd met de gegeven instructies aangemerkt als een beschikking van de mandaatgever. Er staan de mandaatgever dan niet meer mogelijkheden ter beschikking om de afgegeven beschikking te wijzigen dan in het geval de mandaatgever zelf de beschikking had afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 Indien een op zichzelf daartoe bevoegde belastingambtenaar een (overduidelijk) te hoge aanslag oplegt, dient een belanghebbende tijdig bezwaar (en beroep) in te stellen, teneinde te komen tot vernietiging van de aanslag. Het (fiscale) bestuursrecht kent niet de figuur van de van rechtswege nietige aanslag of een van rechtswege nietige beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Indien het zich voordoet dat een op zichzelf bevoegde ambtenaar een (veel) te hoge verminderingsbeschikking heeft opgelegd, zal dat nadien moeten worden gecorrigeerd door navordering, binnen de mogelijkheden van artikel 16, van de AWR. Dit is de situatie die zich hier mijns inziens voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16 Ik zie dus weinig in de door het Hof ontwikkelde redeneringen als gebaseerd op overschrijding van mandaat. Niettemin wil ik nog een opmerking maken bij de door het Hof hieraan gegeven uitwerking. Het Hof heeft geen reden gezien om de rechtsgevolgen van de naar zijn oordeel non-existente verminderingsbeschikking niettemin in stand te houden, onder meer, aangezien belanghebbende nadeel zou ondervinden indien het besluit in stand zou worden gelaten, omdat het dan wel, als rechtsgeldige verminderingsbeschikking, zou kunnen dienen als grondslag voor navordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.17 ’ ’s Hofs uitwerking kan ik niet goed volgen. Het moet mijns inziens gaan om een zelfstandige beoordeling van de verminderingsbeschikking Die was voor belanghebbende gunstig, want vormde de grondslag van de uitbetaling van 19,5 miljoen euro aan belanghebbende. Het lijkt mij dan ook niet vol te houden dat belanghebbende door die beschikking zou zijn geschaad in haar belang. Aan dat gegeven kan niet afdoen dat die beschikking de weg tot navordering heeft geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18 Over het hier kunnen opleggen van een navorderingsaanslag merk ik nader het volgende op. Uit het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 1981 volgt dat navordering ex artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van de AWR mogelijk is ingeval er sprake is van een fout die bij de verrekening van een voorheffing ten nadele van de fiscus is gemaakt. Dat doet zich in casu voor. Het gegeven dat [G] de fout bewust heeft gemaakt, maakt niet dat artikel 16, tweede lid, onderdeel a, AWR toepassing zou missen. In het arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2010 is immers bepaald dat nu artikel 16, tweede lid, AWR, spreekt over 'alle gevallen', er geen ruimte is voor een beperking van de regeling tot gevallen waarin de inspecteur zich er niet van bewust was dat hij een fout maakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19 Een en ander betekent naar mijn mening dat de onderhavige navorderingsaanslag in beginsel rechtsgeldig is opgelegd, tot correctie van de ten onrechte verleende teruggaaf, als verleend op basis van de, naar formeel bestuursrecht existente, verminderingsbeschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20 Aldus slaagt het middel van de Staatssecretaris, zodat de uitspraak van het Hof moet worden vernietigd. Nu belanghebbende in de procedure voor het Hof de navorderingsaanslag tevens op andere, nog onbesproken, gronden heeft betwist dient, naar ik meen, verwijzing te volgen om die gronden alsnog te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.21 Van de kant van belanghebbende is als cassatiemiddel voorgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending van het recht ten aanzien van de proceskostenvergoeding op grond van art. 8:75 Algemene Wet Bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22 Het Hof heeft in weerwil van het verzoek van belanghebbende om een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen, de in het algemeen gebruikelijke forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend. Het Hof zag geen reden tot toekenning van een hogere, of zelfs integrale, proceskostenvergoeding, nu de Inspecteur naar het oordeel van het Hof niet tegen beter weten in heeft geprocedeerd dan wel zeer onzorgvuldig heeft gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.23 Ik merk op dat de voor de eventuele toekenning van een meer dan forfaitaire proceskostenvergoeding aan te leggen maatstaf is of de inspecteur een duidelijk onhoudbaar standpunt heeft ingenomen en gehandhaafd, c.q. het tegen beter weten in heeft laten aankomen op een procedure. De Hofuitspraak geeft geen blijk van het aanleggen van een onjuiste maatstaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.24 Vervolgens heeft het Hof er terecht op gewezen dat het standpunt als ingenomen door de Inspecteur niet mag worden aangemerkt als duidelijk onhoudbaar, ook al omdat de Inspecteur door de Rechtbank in het gelijk is gesteld. Thans kan bovendien worden gewezen op het mijns inziens gegronde beroep in cassatie van de Staatssecretaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.25 Daarop stuit het middel van belanghebbende inhoudelijk af. Indien naderhand mocht blijken dat het beroep van belanghebbende ongegrond is, zal er geen plaats meer zijn voor enige vergoeding van proceskosten, maar dat moet thans worden afgewacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond en het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 juni 2017, nr. 16/01062, ECLI:NL:GHARL:2017:5324, NTFR 2017/2198, met commentaar Sitsen, FutD 2017/1598, met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik gebruik ‘beschikking’, hier en in het vervolg, in de algemene betekenis als bedoeld in artikel 1:3, van de Awb, nu het gaat om een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan als gericht op individueel gevolg voor belanghebbende. In artikel 65, van de AWR is geen sprake van ‘beschikking’. Bezwaar staat niet open.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Gelderland 19 juli 2016, nr. AWB 15/1864, ECLI:NL:RBGEL:2016:3952, NTFR 2016/2469, met commentaar Hogendoorn, FutD 2016/1848, met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">NTFR 2016/2469.</p>\n<p class=\"lf-p\">FutD 2016/1848.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: in het oorspronkelijk commentaar stond in plaats van het euroteken telkens een vraagteken.</p>\n<p class=\"lf-p\">NTFR 2017/2198.</p>\n<p class=\"lf-p\">FutD 2017/1598.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 21 april 2006, nr. 41 033, na conclusie Niessen, ECLI:NL:HR:2006:AT3051, BNB 2006/302, met noot Happé.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: artikel 23, eerste lid, AWR luidde destijds: “Hij die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, daaronder begrepen bezwaar betreffende de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of tegen een ingevolge enige bepaling van de belastingwet genomen voor bezwaar vatbare beschikking, kan een bezwaarschrift indienen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 20 december 2013, nr. 12/02872, na conclusie IJzerman, ECLI:NL:HR:2013:1797, BNB 2014/42, met noot Pechler.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: op dat moment luidde artikel 26, eerste lid, van de AWR hetzelfde als in 2014 (zie onderdeel 4.1 van deze conclusie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Omwille van de leesbaarheid hier herhaalt wat in artikel 65 AWR is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 18 december 2013, Stcrt. 2013, 35879 (inwerkingtreding 25-12-2013).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 165 - 169.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.H.M. Dölle, Bestuursrecht in praktijk. Mandaat en delegatie, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 11-12 en 21-22.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.E. Zijlstra e.a., Algemeen bestuursrecht 2001. Mandaat en delegatie, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2001, p. 130-132.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.W. Severijnen, Praktijkdossiers Algemene wet bestuursrecht. Mandaat, delegatie en attributie, Deventer: Kluwer 2003, p. 33, 35, 36 en 38-39.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. Poelman e.a., Cursus Belastingrecht. Studenteneditie 2017-2018, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 25-26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 7 april 2003, nr. 02/1350, ECLI:NL:GHAMS:2003:AI1323, V-N 2003/57.5 met commentaar onbekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1945/55, 4080, nr. 2, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1954/55, 4080, nr. 3, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A.-G.: het voorgestelde en bij wet van 2 juli 1959 (Stb. 1959,301) luidende artikel 16, tweede lid, van de AWR, luidde: “Navordering kan mede plaats vinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven doordat een voorlopige aanslag of een voorheffing tot een te hoog bedrag is verrekend”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1959, 301.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 6 oktober 1999, nr. 34 446, na conclusie Van den Bergen, ECLI:NL:HR:1999:AA2912, BNB 1999/442, met noot Van Soest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1984, 531.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2002, 613.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 3 juni 1981, nr. 20341, na conclusie Mok, ECLI:NL:HR:1981:AM5972, BNB 1981/199, met noot Scheltens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: opgemerkt zij dat ten tijde van deze casus zowel artikel 16 als artikel 65 van de AWR reeds van toepassing waren verklaard op de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (zie in dit verband Stb. 1962,319 en Stb. 1964, 523). In 1980 (jaar waarin de navorderingsaanslag werd opgelegd) luidde artikel 16, tweede lid, AWR, als volgt: “Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven doordat (…) dan wel een voorlopige aanslag of een voorheffing ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verrekend. (…)”. In de jaren 1978 en 1979 (onduidelijk is in welk jaar de ambtshalve vermindering heeft plaatsgevonden) luidde artikel 65 AWR: “Een onjuiste belastingaanslag kan door de inspecteur ambtshalve worden verminderd. Een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf kan door hem ambtshalve worden verleend.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 12 februari 2010, nr. 08/03621, na conclusie Van Ballegooijen, ECLI:NL:HR:2010:BJ9074, BNB 2010/107, met noot Zwemmer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Van Ballegooijen 27 augustus 2009, nr. 08/03621, ECLI:NL:PHR:2010:BJ9074, BNB 2010/107, met noot Zwemmer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader onderdeel 1.6 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 1.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procedure voor het Hof: zie (1) hetgeen staat vermeld onder punt 3 in de pleitnota van de Inspecteur en (2) pagina 6 en 7 van het proces-verbaal van de zitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 29 juni 2012, nr. 11.03759, na conclusie IJzerman, ECLI:NL:HR:2012:BW0194, BNB 2012/253, met noot Van Amersfoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zij opgemerkt dat nu het opleggen van een ambtshalve beschikking ex artikel 65 AWR niet aan een termijn is gebonden en belanghebbende niet in haar rechtszekerheid geschaad wordt bij het verkrijgen van een ambtshalve vermindering, HR BNB 2014/182 in dit geval mijns inziens geen analoge toepassing behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.7 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijlage 2 bij verweerschrift van de Inspecteur in hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.6 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar nu de interne instructie is neergelegd in beleidsregels leidt een dergelijk niet opvolgen wel tot strijd met artikel 4:84 van de Awb en dus tot een inhoudelijk onrechtmatig genomen besluit. Zie onderdeel 4.9 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen die beschikking kon belanghebbende niet in bezwaar komen, maar daaraan zou zij, gezien het ontvangen bedrag, ongetwijfeld geen behoefte hebben gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de bespreking van dit arrest de onderdelen 4.19 t/m 4.23 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.24 en 4.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat (onder meer) om de door belanghebbende bij het Hof aangevoerde stellingen dat (1) het opleggen van de navorderingsaanslag in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, (2) de opgelegde navorderingsaanslag in strijd is met artikel 7 van het EVRM en artikel 1 EP EVRM, en (3) de berekening van belastingrente en nadien van de invorderingsrente in strijd is met artikel 6 van het EVRM en artikel 1 EP EVRM.</p></div>", "next": 0}