{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Bij het licht van de hiervoor genoemde jurisprudentie is de Raad van oordeel dat het Uwv gebonden was aan de door het RSVZ verstrekte E 101-verklaring. Het Uwv heeft de juiste weg bewandeld door in verband met de gerezen twijfel aan de juistheid van die verklaring het RVSZ te verzoeken om intrekking daarvan. De vervolgens tot stand gekomen intrekking van de verklaring brengt naar het oordeel van de Raad mee dat op betrokkene niet langer ook ten aanzien van de werkzaamheden die hij in loondienst in Nederland uitoefende de Belgische wetgeving van toepassing is. De omstandigheid dat de intrekking van de E 101-verklaring niet ook aan appellante bekend is gemaakt doet geen afbreuk aan de rechtskracht daarvan. Indien appellante van mening is dat die intrekking op onjuiste gronden berust, ligt het op haar weg daartegen in België rechtsmiddelen aan te wenden. De Raad is voorts van oordeel dat het Uwv evenals destijds aan de verklaring ook aan de intrekking daarvan met ingang vanaf 15 juni 2000 gevolgen diende te verbinden voor de vraag of betrokkene verplicht verzekerd was op grond van de Nederlandse sociale werknemersverzekeringswetten. Hierin ligt besloten dat de Raad appellante niet kan volgen in haar opvatting dat uit de hiervoor vermelde arresten zou blijken dat het Uwv nog gebonden is aan de verklaring voor zover het gaat om de periode welke voorafgaat aan de datum waarop die verklaring is ingetrokken (17 maart 2003).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23 De Hoge Raad heeft het tegen dit oordeel gerichte cassatieberoep ongegrond verklaard omdat de bestreden oordelen niet berusten op artikelen waarin het cassatieberoep is opengesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.24 Op 28 september 2016 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant geoordeeld dat een besluit van de SVB over de verzekeringsplicht niet bindend is:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de beschikking van de SVB blijkt, dat het Belgische Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen der zelfstandigen op 18 september 2009 heeft beslist dat belanghebbende in België niet is verzekerd als zelfstandige. De rechtbank gaat er vanuit dat de inspecteur en de rechter gebonden zijn aan het besluit van de Belgische autoriteit dat belanghebbende in België niet als zelfstandige is verzekerd, conform hetgeen in 4.14.1 is overwogen. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende in België wordt aangemerkt als zelfstandige en dat dat de premieplicht in Nederland niet verhindert, stuit reeds hierop af.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat in dit geval echter niet om de vraag of belanghebbende in België als zelfstandige verzekerd is, maar of hij dat is als werknemer van [B BVBA] . Naar Belgisch sociaal verzekeringsrecht gelden de beheerder of zaakvoerder van een bvba met een eenhoofdig bestuur en de directeur, enig aandeelhouder van een besloten vennootschap als zelfstandigen. Vaststaat dat belanghebbende noch zaakvoerder, noch directeur/enig aandeelhouder is van [B BVBA] . Over de verzekeringsplicht van belanghebbende als werknemer heeft het Belgische bevoegde orgaan kennelijk niet verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu er geen verklaring is van de Belgische bevoegde autoriteit, resteert de vraag of belanghebbende is gebonden aan het standpunt van de SVB, nu het besluit van 10 mei 2010 onherroepelijk is komen vast te staan. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH0546, BNB 2009/312, r.o 3.43.5) geoordeeld dat de Belastingdienst in beginsel is gebonden aan een onherroepelijk vaststaande verklaring van de SVB over de verzekeringsplicht van een in België wonend persoon in Nederland, maar niet dat die gebondenheid ook geldt voor de belanghebbende zelf. De rechtbank ziet daarvoor ook geen rechtsbasis, noch in de Nederlandse wet, noch in Vo 1408/71, noch in de toepassingsverordening waar de inspecteur ter zitting naar heeft verwezen (Vo 574/72).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank leidt uit al het vorenoverwogene af dat het besluit van de SVB van 10 mei 2010 niet bindend is nu belanghebbende bestrijdt dat hij premieplichtig is en dat de rechtbank voor de premieheffing zelfstandig moet beoordelen of belanghebbende in Nederland is verzekerd. In dit geval klemt dat te meer omdat de SVB blijkbaar geen rekening heeft gehouden met het gegeven dat belanghebbende structureel ook in België werkzaamheden in dienstbetrekking heeft verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25 Op 15 juni 2017 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch geoordeeld niet bevoegd te zijn om de geldigheid van een door de SVB afgegeven A1-verklaring na te gaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof overweegt voorts dat het vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) is, dat de detacheringsverklaring zowel voor de bevoegde organen als de rechterlijke instanties van de lidstaat waarin een werknemer is gedetacheerd, in casu België, bindend is zolang deze niet is ingetrokken (vgl. HvJ 10 februari 2000, nr. C-202/97, Fitzwilliam Executive Search en HvJ 27 april 2017, nr. C-620/15, Rosa Flussschiff GmbH). In het onderhavige geschil gaat het echter om de vraag wat de status is van de detacheringsverklaring in het land van afgifte, in casu Nederland. Gelet op voormelde arresten is het Hof van oordeel dat voor het onderhavige geval overeenkomstig heeft te gelden dat het Hof niet bevoegd is de geldigheid na te gaan van het in de detacheringsverklaring opgenomen standpunt van het voor Nederland bevoegde orgaan wat betreft de staving van de feiten op grond waarvan het genoemde standpunt is ingenomen. Belanghebbende is ingevolge de detacheringsverklaring in Nederland premieplichtig voor de premie volksverzekeringen, zodat de Inspecteur de premie volksverzekeringen terecht van belanghebbende heeft geheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26 Van Schendel is kritisch op voornoemd oordeel van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch dat het niet bevoegd is om de geldigheid van een door de SVB afgegeven A1-verklaring te toetsen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is iets anders in deze uitspraak van Hof Den Bosch dat mijn aandacht trok. Dat is r.o. 4.9 over de bindende werking van A1-verklaringen. Het hof verklaarde zich onbevoegd om: ‘(…) de geldigheid na te gaan van het in de detacheringsverklaring opgenomen standpunt van het voor Nederland bevoegde orgaan wat betreft de staving van de feiten op grond waarvan het genoemde standpunt is ingenomen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik meen dat dit oordeel onjuist is en dat het hof als feitenrechter wel degelijk bevoegd is de geldigheid van een door de SVB afgegeven A1-verklaring te toetsen. Het hof baseerde zijn vermeende onbevoegdheid op beslissingen van het HvJ (het hof noemt HvJ 10 februari 2000, zaak C-202/97, Fitzwilliam, en HvJ 27 april 2017, zaak C-620/15, Rosa Flussschiff GmbH, NTFR 2017/1442) dat een door een bevoegd orgaan van een lidstaat afgegeven A1-verklaring bindend is voor de bevoegde organen én de rechterlijke instanties van de lidstaat waarbij een werknemer is gedetacheerd, zolang deze verklaring niet is ingetrokken. Het hof constateert terecht dat het in de zaak van de dga geen rechterlijke instantie is van de ‘ontvangende’ lidstaat, maar van de ‘afgevende’ lidstaat. Ook dan – aldus het hof – zijn de beslissingen van het HvJ van overeenkomstige toepassing. Het hof motiveert niet waarom deze rechtspraak van overeenkomstige toepassing is ten aanzien van de rechterlijke instanties van de lidstaat van afgifte van de A1-verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof brengt een cryptische beperking aan in zijn vermeende onbevoegdheid, namelijk: ‘(…) wat betreft de staving van feiten op grond waarvan het genoemde standpunt is ingenomen’. Ik moet raden wat het hof bedoelt. Acht het zich wel bevoegd om te oordelen of de SVB op basis van de door hem vastgestelde feiten een juiste A1-verklaring heeft afgegeven? Dit strookt met r.o. 4.8, waarin het hof oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de afgegeven A1-verklaring onjuist is. Hoe het ook zij, naar mijn mening heeft het hof als feitenrechter de taak en bevoegdheid de volledige rechtsgeldigheid van door de SVB afgegeven A1-verklaringen te toetsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gevolg van zijn oordeel is dat aan het bevoegde orgaan, in Nederland de SVB, een absolute macht zou toekomen om te beslissen in welke EU-lidstaat een grensoverschrijdend werkende EU-burger sociaal verzekerd is. De rechter in de ontvangende lidstaat is op grond van vaste rechtspraak van het HvJ niet bevoegd en de rechter in de afgevende lidstaat – aldus dit hof – ook niet. Welke rechter dan wel, is de voor de hand liggende vraag. Verzekerde EU-burgers die grensoverschrijdend werken zou dus elk recht worden ontzegd hun recht te zoeken. ‘De l’esprit des lois’ (Montesquieu, 1748) heeft ons met de scheiding der machten in een Trias Politica anders geleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27 Op 1 juni 2018 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch overwogen dat de inspecteur een voorlopige aanslag IB/PVV mag baseren op een door de SVB afgegeven maar nog niet onherroepelijk vaststaande A1-verklaring:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhavige zaak betreft een voorlopige aanslag. Mede gelet op artikel 14 van de AWR is het Hof van oordeel dat de Inspecteur de voorlopige aanslag heeft mogen baseren op een A1-verklaring, die ten tijde van het vaststellen van de voorlopige aanslag nog niet onherroepelijk was. Uit deze verklaring volgt, dat belanghebbende – voorlopig – geen vrijstelling toekwam over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013. De uitspraak van de CRvB en de beslissing op bezwaar van 20 maart 2018 geven geen aanleiding om daar met terugwerkende kracht anders over te oordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">De A1-verklaring van 20 maart 2018 strookt met het door de Inspecteur nader ingenomen standpunt dat over de periode 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 belanghebbende een vrijstelling van de heffing van premie volksverzekeringen toekomt. In zoverre moet de voorlopige aanslag worden verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende heeft tijdens het verstrekken van inlichtingen door partijen bij de raadsheer-commissaris op 22 mei 2018 (onderbouwd) de suggestie gewekt, dat de SVB de procedure als bedoeld in artikel 16, lid 2, van de Verordening (EG) nr. 987/2009, om de aangewezen organen van elke lidstaat waar werkzaamheden worden verricht op de hoogte te brengen van de voorlopige vaststelling van de toepasselijke wetgeving (van 20 maart 2018), heeft gefrustreerd door (1) stukken alleen in de Nederlandse taal ter beschikking te stellen en (2) de stukken te zenden aan een onjuist adres en/of onjuist orgaan. Aldus is, zo begrijpt het Hof belanghebbende, niet waarschijnlijk dat de betrokken organen van de andere lidstaten binnen de in artikel 16, lid 3, van de Verordening (EG) nr. 987/2009 bedoelde periode van twee maanden de SVB in kennis zullen stellen dat zij nog niet met de voorlopige vaststelling van de SVB kunnen instemmen of daarover een ander standpunt innemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verstrijken van de termijn van twee maanden zal, aldus begrijpt het Hof belanghebbende, de voorlopige vaststelling door de SVB aldus ten onrechte definitief worden. Alhoewel hetgeen is vermeld onder 2.8 aanleiding geeft te vermoeden dat de SVB de lidstaat Duitsland niet op hoogte heeft gebracht van de voorlopige vaststelling, omdat zij er niet van uitgaat dat in die lidstaat werkzaamheden zijn verricht, kan dit en de kwesties die belanghebbende naar voren heeft gebracht niet in onderhavige procedure aan bod kunnen komen. Belanghebbende zal deze argumenten moeten aanvoeren in de procedure bij de CRvB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorlopige vaststelling socialezekerheidswetgeving en verrekening 4.28 In een periode waarin lidstaten van mening verschillen over de vraag welke socialezekerheidswetgeving van toepassing is, wordt op grond van artikel 6 Verordening 987/2009 de wetgeving van één van de lidstaten voorlopig op de betrokkene toegepast. In artikel 6 Verordening 987/2009 zijn regels gegeven aan de hand waarvan moet worden bepaald welke socialezekerheidswetgeving in dat geval voorlopig moet worden toegepast. Voorlopig geïncasseerde premies en betaalde uitkeringen moeten de organen van de betrokken lidstaten met elkaar verrekenen volgens titel IV, hoofdstuk III van Verordening 987/2009. Artikel 6 Verordening 987/2009 luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorlopige toepassing van een wetgeving en voorlopige betaling van uitkeringen 1. Tenzij in de toepassingsverordening anders is bepaald, wordt in geval van een meningsverschil tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, op de betrokkene voorlopig de wetgeving van een van deze lidstaten toegepast, waarbij de rangorde als volgt wordt bepaald:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>de wetgeving van de lidstaat waar de betrokkene feitelijk zijn werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst verricht, indien de werkzaamheden in slechts één lidstaat worden uitgeoefend;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats, indien de betrokkene al dan niet in loondienst werkzaamheden in twee of meer lidstaten verricht en een deel van zijn werkzaamheden in de lidstaat van woonplaats verricht of indien hij noch in loondienst noch anders dan in loondienst werkzaam is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>in alle andere gevallen, de wetgeving van de lidstaat waar het eerst om toepassing van de wetgeving is verzocht, indien de betrokkene in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht. (…) 4. Indien is komen vast te staan dat de toepasselijke wetgeving niet die van de lidstaat is waar voorlopige aansluiting heeft plaatsgevonden, of dat het orgaan dat voorlopige uitkeringen heeft verleend, niet het bevoegde orgaan was, wordt het als bevoegd aangemerkte orgaan geacht retroactief bevoegd te zijn geweest alsof er geen meningsverschil heeft bestaan uiterlijk vanaf de datum van voorlopige aansluiting of van de eerste voorlopige betaling van de uitkeringen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Zo nodig wordt de financiële situatie van de betrokkene met betrekking tot de premies en uitkeringen die voorlopig worden betaald, door het als bevoegd aangemerkte orgaan en het orgaan dat voorlopig uitkeringen heeft verstrekt dan wel voorlopig premies heeft ontvangen, geregeld, waar zulks passend is, overeenkomstig titel IV, hoofdstuk III, van de toepassingsverordening. Door een orgaan overeenkomstig lid 2 voorlopig gedane verstrekkingen worden vergoed door het overeenkomstig de bepalingen van titel IV van de toepassingsverordening bevoegde orgaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.29 In artikel 84 Verordening 883/2004 is over de inning van premies of bijdragen en de terugvordering van prestaties vermeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Premies of bijdragen die aan een orgaan van een lidstaat verschuldigd zijn, en prestaties die ten onrechte door een orgaan van een lidstaat zijn verleend, kunnen in een andere lidstaat worden geïnd, respectievelijk teruggevorderd, volgens de procedures en met de waarborgen en voorrechten die van toepassing zijn op de inning van premies of bijdragen die verschuldigd zijn aan, en de terugvordering van prestaties die ten onrechte zijn verleend door, het overeenkomstige orgaan van laatstbedoelde lidstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen van rechterlijke en overheidsinstanties betreffende de inning van premies of bijdragen, renten en alle andere kosten of de terugvordering van krachtens de wetgeving van een lidstaat ten onrechte verleende prestaties, worden op verzoek van het bevoegde orgaan in een andere lidstaat erkend en ten uitvoer gelegd binnen de grenzen en volgens de procedures waarin de wetgeving voorziet en volgens alle andere procedures die van toepassing zijn op gelijkaardige beslissingen van die lidstaat. Deze beslissingen worden door het bevoegde orgaan uitvoerbaar in die lidstaat verklaard voorzover de wetgeving en alle andere procedures van die lidstaat dit vereisen. (…) 4. De wijze van toepassing van dit artikel, inclusief de te vergoeden kosten, wordt geregeld bij de toepassingsverordening of, voor zover nodig en bij wijze van aanvulling, door middel van overeenkomsten tussen lidstaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.30 Titel IV, hoofdstuk III, van Verordening 987/2009 ziet op de terugvordering van ten onrechte verstrekte prestaties, terug- en invordering van voorlopige betalingen en premies, verrekening en bijstand bij terug- en invordering. De in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen zijn een uitwerking van artikel 84, lid 4, Verordening 883/2004. Artikel 71 Verordening 987/2009 bepaalt dat de invordering van schuldvorderingen zoveel mogelijk plaatsvindt door middel van verrekening:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van artikel 84 van de basisverordening en binnen het bij dit artikel vastgestelde kader vindt de invordering van schuldvorderingen zoveel mogelijk plaats door middel van verrekening, zowel tussen de organen van de lidstaten, als ten aanzien van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon overeenkomstig de artikelen 72 tot en met 74 van de toepassingsverordening. Wanneer de schuldvordering geheel of gedeeltelijk niet door middel van de verrekening kan worden geïnd, wordt het resterende deel van de verschuldigde bedragen ingevorderd overeenkomstig de artikelen 75 tot en met 85 van de toepassingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.31 In artikel 73 Verordening 987/2009 wordt uitgewerkt hoe voor de toepassing van artikel 6 Verordening 987/2009 de verrekening van onder meer voorlopig betaalde premies dient plaats te vinden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Met het oog op de toepassing van artikel 6 van de toepassingsverordening stelt het orgaan dat voorlopige uitkeringen heeft betaald, hoogstens drie maanden nadat de toepasselijke wetgeving of het voor de betaling van de uitkeringen verantwoordelijke orgaan is vastgesteld, een verklaring op met daarin het bedrag dat voorlopig is betaald, en stuurt deze verklaring aan het als bevoegd aangemerkte orgaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het orgaan dat is aangemerkt als bevoegd voor de betaling van de uitkeringen, houdt het uit hoofde van de voorlopige betaling verschuldigde bedrag in op de achterstallige betalingen van de overeenkomstige uitkeringen die het aan de betrokkene verschuldigd is en maakt onverwijld het ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de voorlopige uitkeringen heeft betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de voorlopig betaalde uitkeringen de achterstallige betalingen overtreffen of indien er geen achterstallige betalingen zijn, houdt het als bevoegd aangemerkte orgaan het bedrag in op de lopende betalingen onder de voorwaarden en binnen de grenzen als voor een dergelijke verrekeningsprocedure is bepaald bij de wetgeving die door dit orgaan wordt toegepast, en maakt het het ingehouden bedrag onverwijld over aan het orgaan dat de voorlopige uitkeringen heeft betaald.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het orgaan dat van een rechtspersoon en/of natuurlijke persoon voorlopige premies heeft ontvangen, gaat pas over tot terugbetaling van de bedragen in kwestie aan de persoon die deze heeft betaald, nadat het bij het als bevoegd aangemerkte orgaan navraag heeft gedaan naar de bedragen die op grond van artikel 6, lid 4, van de toepassingsverordening eventueel aan dit orgaan verschuldigd zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van het als bevoegd aangemerkte orgaan, welk verzoek uiterlijk drie maanden na de vaststelling van de toepasselijke wetgeving wordt ingediend, maakt het orgaan dat voorlopige premies heeft ontvangen, deze premies aan dit orgaan over, opdat deze worden verrekend met de over dezelfde periode door de betrokken rechts- of natuurlijke persoon aan het voor de betrokken periode als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigde premies. De overgemaakte premies worden met terugwerkende kracht geacht betaald te zijn aan het als bevoegd aangemerkte orgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de voorlopig betaalde premies meer bedragen dan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon aan het als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigd is, betaalt het orgaan dat de premies voorlopig had ontvangen, het teveel betaalde bedrag aan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.32 Om tot een oplossing te komen ingeval er een meningsverschil bestaat tussen lidstaten, bevat het besluit nr. A1 van 12 juni 2009 (hierna: Besluit A1) een dialoogprocedure:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In dit besluit zijn de regels vastgelegd voor de toepassing van een dialoog- en bemiddelingsprocedure, waarvan gebruik kan worden gemaakt in de volgende gevallen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>gevallen waarin twijfels bestaan over de geldigheid van een document of de juistheid van ondersteunend bewijs betreffende de status van een persoon, met het oog op de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 of van Verordening (EG) nr. 987/2009, of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>gevallen waar een meningsverschil bestaat tussen lidstaten met betrekking tot het vaststellen van de toepasselijke wetgeving. (…) 5. Het orgaan dat of de autoriteit die twijfels uit over de geldigheid van een document dat is afgegeven door een orgaan of autoriteit van een andere lidstaat, of niet instemt met de (voorlopige) bepaling van de toepasselijke wetgeving, wordt hierna aangeduid als het verzoekende orgaan. Het orgaan van de andere lidstaat wordt hierna aangeduid als het aangezochte orgaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.33 De eerste fase van de dialoogprocedure begint met een verzoek van het verzoekende orgaan om verduidelijking van de beslissing en om intrekking of ongeldigverklaring van de A1-verklaring. Het aangezochte orgaan dient het verzoekende orgaan binnen drie maanden op de hoogte stellen van het resultaat van het onderzoek:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Indien zich een van de onder punt 1 bedoelde situaties voordoet, neemt het verzoekende orgaan contact op met het aangezochte orgaan en verzoekt om de noodzakelijke verduidelijking van de beslissing van dat orgaan, en in voorkomende gevallen, om intrekking of ongeldigverklaring van het betreffende document, dan wel om herziening of nietigverklaring van de beslissing. (…).</div>\n<p class=\"lf-p\">4.34 Indien de lidstaten niet tot een gezamenlijke oplossing zijn gekomen, kunnen zij besluiten de tweede fase van de dialoogprocedure te doorlopen of de zaak rechtstreeks voor te leggen aan de Administratieve Commissie:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">13.</span>Indien de organen niet tot overeenstemming kunnen komen in de eerste fase van de dialoogprocedure, of indien het aangezochte orgaan niet in staat is geweest zijn onderzoek binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek af te ronden, stellen de organen hun bevoegde autoriteiten daarvan op de hoogte. Beide organen stellen een verslag op van de stappen die zij hebben genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten kunnen besluiten de tweede fase van de dialoogprocedure te beginnen, dan wel de zaak rechtstreeks aan de Administratieve Commissie voor te leggen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">15.</span>Indien de bevoegde autoriteiten besluiten de tweede fase van de dialoogprocedure in gang te zetten, benoemen zij beide, binnen twee weken nadat zij door de organen zijn geïnformeerd, een centrale contactpersoon. Deze contactpersonen hoeven niet noodzakelijk bevoegd of deskundig te zijn ten aanzien van de betreffende materie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">16.</span>De contactpersonen doen al het nodige om de partijen binnen zes weken na hun benoeming tot overeenstemming te brengen over de zaak. De contactpersonen stellen beiden een verslag op van hun activiteiten en stellen de organen op de hoogte van het resultaat van de tweede fase van de dialoogprocedure.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bemiddelingsprocedure 17. Indien in de dialoogprocedure geen overeenstemming kan worden bereikt, kunnen de bevoegde autoriteiten de zaak aan de Administratieve Commissie voorleggen. De bevoegde autoriteiten stellen beide een memorandum op ten behoeve van de Administratieve Commissie waarin zij de voornaamste geschilpunten uiteenzetten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">18.</span>De Administratieve Commissie tracht binnen zes maanden na de datum waarop de zaak aan haar is voorgelegd, een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden. De Administratieve Commissie kan besluiten de zaak voor te leggen aan de conciliatiecommissie die uit hoofde van de statuten van de Administratieve Commissie opgericht kan worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">5Twee kolommen: sociale zekerheidsrecht en fiscaal recht Sociale zekerheidsrecht 5.1 Artikel 6, lid 1, Algemene ouderdomswet (hierna: AOW) luidt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en a. ingezetene is; b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Artikel 6a AOW luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen: a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Artikel 33, lid 1, Algemene nabestaandenwet vermeldt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Sociale verzekeringsbank stelt op aanvraag vast of recht op nabestaanden- of wezenuitkering bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Artikel 5c Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten luidde tot en met 31 december 2014 als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Sociale Verzekeringsbank stelt ambtshalve en, desgevraagd, op aanvraag vast of een natuurlijke persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 5 of 5b vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Per 1 januari 2015 is artikel 5c Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten vervangen door artikel 2.1.3 Wet langdurige zorg:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Sociale verzekeringsbank stelt ambtshalve en, desgevraagd, op aanvraag vast of een natuurlijke persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 2.1.1 of 2.1.2 vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Artikel 14, lid 1, Algemene Kinderbijslagwet luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Sociale verzekeringsbank stelt op aanvraag vast of een recht op kinderbijslag bestaat. De aanvraag om het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, wordt ingediend voor 1 december van het kalenderjaar na het kalenderjaar waarover recht op het extra bedrag aan kinderbijslag bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Artikel 6, lid 1, Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) bepaalt dat de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen premieplichtig is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Premieplichtig voor de volksverzekeringen is de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fiscaal recht 5.8 Artikel 57 Wfsv bepaalt dat de rijksbelastingdienst de premie heft voor de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De rijksbelastingdienst heft de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Artikel 58 Wfsv bepaalt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De premie voor de volksverzekeringen wordt, onverminderd het tweede lid en onder verrekening van de krachtens dat lid geheven premie, bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels, met uitzondering van artikel 3.154 van de Wet inkomstenbelasting 2001.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voorzover de premieplichtige van een inhoudingsplichtige loon geniet in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voorzover de premieplichtige aan de loonbelasting is onderworpen op grond van artikel 5a van de Wet op de loonbelasting 1964 is het tweede lid niet van toepassing.</div>\n<p class=\"lf-p\">Parlementaire geschiedenis 5.10 Bij de invoering van de AOW in 1957 is in de parlementaire geschiedenis de keuze om de heffing en inning van de premies volksverzekeringen aan de Belastingdienst toe te bedelen, als volgt toegelicht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Heffing en invordering van de premie door de Rijksbelastingdienst Naar de mening van de ondergetekenden is het uit een oogpunt van doelmatigheid gewenst één onderdeel van de uitvoeringstaak ten aanzien van de voorgestelde ouderdomsverzekering, nl. de heffing en invordering der verschuldigde premiën, niet op te dragen aan de Sociale Verzekeringsbank. In overeenstemming met het advies van de S.E.R. is in het ontwerp van wet met dit onderdeel der uitvoeringstaak belast de Rijksbelastingdienst. Deze dienst toch beschikt reeds ten aanzien van het overgrote deel der bevolking over de gegevens omtrent het inkomen, en daarmede over de gegevens, waarvan de kennis vereist is voor de bepaling van het bedrag der voor de ouderdomsverzekering verschuldigde premie en beschikt voorts over een omvangrijk en geschoold invorderingsapparaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ware denkbaar de gegevens omtrent het inkomen door de belastingdienst aan de Sociale Verzekeringsbank te doen verstrekken, opdat ook de premieheffing en invordering geheel door de Sociale Verzekeringsbank zouden kunnen geschieden. Hierdoor zou echter een aanzienlijke vermeerdering van administratieve werkzaamheden optreden, terwijl deze gang van zaken ook in het oog vallende moeilijkheden zou opleveren in de gevallen, waarin een verzekerde tegen de hoogte van de hem opgelegde premie-aanslag - en daarmede tegen de hoogte van zijn aan de premie-aanslag ten grondslag liggend inkomen - bezwaar maakt. In al deze gevallen zou de Sociale Verzekeringsbank zich weer met de belastingdienst dienen te verstaan, en het zou dus - althans materieel gezien - toch uiteindelijk deze dienst zijn, die over de hoogte van de premie-aanslag beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de ondergetekenden weegt het voordeel, dat men zou kunnen zien in het opdragen ook van dit deel der uitvoeringstaak - de heffing en invordering der premiën - aan de Sociale Verzekeringsbank en in het – althans formeel - buiten de uitvoeringsorganisatie laten van de belastingdienst niet op tegen de nadelen, verbonden aan genoemde vermeerdering van administratieve werkzaamheden en aan de geschetste te verwachten moeilijkheden. Het opdragen, om redenen van doelmatigheid, van de heffing en invordering van de premiën aan de Rijksbelastingadministratie brengt uiteraard voor die administratie een aanmerkelijke uitbreiding van werkzaamheden mede. De invordering van de premiën zal door deze dienst moeten worden ingepast in het geheel van het invorderingsbeleid, waarbij de aard van de verschuldigde bedragen kan nopen tot een zekere differentiatie in dat beleid, zoals ook bij de invordering van de naar karakter uiteenlopende belastingen nodig kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zeer grote ervaring van de Rijksbelastingdienst op dit terrein geeft grond voor de verwachting, dat op deze wijze de zware taak van heffing en invordering van de honderden miljoenen aan premie, waarom het hier gaat, plaats vindt op de meest verantwoorde wijze, die binnen het bereik ligt. Wordt aldus een deel van de werkzaamheden, verbonden aan de uitvoering van de wettelijke ouderdomsverzekering, als zelfstandige taak, toevertrouwd, onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën, aan een overheidsorgaan, dat buiten de kring van de uitvoeringsorganen der sociale verzekering staat, voor het karakter van de voorgestelde verzekering als zodanig heeft deze doelmatigheidsmaatregel uiteraard generlei betekenis. De heffing en de invordering door de belastingdienst van de verschuldigde premie zal in het systeem van de voorgestelde regeling geschieden overeenkomstig de bepalingen, welke gelden voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting en de loonbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Op 1 januari 1990 werd de Wet financiering volksverzekeringen ingevoerd. De doelstelling van de Wet financiering volksverzekeringen was de uniformering van de grondslag van belasting- en premieheffing volksverzekeringen:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de nieuwe opzet worden volgens de voorstellen van de commissie-Oort de belasting en alle premies volksverzekeringen over dezelfde grondslag geheven. Omdat de aftrekbaarheid van de premies volksverzekeringen vervalt, wordt het belastbaar inkomen gelijk aan het premie-inkomen. Tevens worden de ontvangen AOW/AWW-uitkeringen in de heffing betrokken. (…) Zoals de commissie in haar rapport aangeeft, is de uniformering van de maatstaf als een niet onbelangrijke vereenvoudiging te beschouwen. Daarnaast maakt de uniformering van de maatstaf het mogelijk om te komen tot combinering van de heffingen voor de belasting en de premies volksverzekeringen over een zelfde grondslag over een lang traject. (…) Het percentage in de eerste tariefschijf bestaat uit twee componenten, enerzijds uit een belastingcomponent en anderzijds uit een premiecomponent die de som is van de vijf afzonderlijk vastgestelde premies voor de volksverzekeringen. Deze som zal van jaar tot jaar kunnen verschillen. Voor het kabinet is dit aspect essentieel. Het kabinet onderschrijft volledig de zienswijze dat het karakter van de premieheffing gehandhaafd moet blijven. Alleen op deze wijze kan zeker gesteld worden dat de bestuurlijke verhoudingen met betrekking tot de sociale zekerheid onaangetast blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 De Wet financiering volksverzekeringen is komen te vervallen met de invoering van de Wet financiering sociale verzekeringen, die zowel betrekking heeft op de volksverzekeringen als de werkgeversverzekeringen. In de memorie van toelichting bij de ‘Regels betreffende de financiering van de sociale verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen)’ wordt benadrukt dat de doelstelling is de processen van heffing en inning voor de sociale verzekeringen te vereenvoudigen. De premieheffing- en inningstaak ter zake van de werknemersverzekeringen is overgeheveld van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen naar de Belastingdienst:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wetsvoorstel beoogt de huidige processen van heffing en inning van premies voor de sociale verzekeringen en de belastingen te vereenvoudigen. Het voorstel is de heffing en inning van premies voor de werknemersverzekeringen samen te voegen met de heffing en inning van loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Dit betekent dat werkgevers voortaan bij één loket terecht kunnen om één gecombineerde aangifte te doen voor loonbelasting, premie voor de volksverzekeringen en premies voor de werknemersverzekeringen. Hiertoe wordt de huidige premieheffing- en inningtaak van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) overgeheveld naar de Belastingdienst. De Belastingdienst draagt dus voortaan zorg voor de gecombineerde heffing en inning van de premies voor de sociale verzekeringen én de loonbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 De rol van de Belastingdienst voor de sociale verzekeringen is die van een ‘collecterend loket’. De Belastingdienst wordt daarmee verantwoordelijk voor de heffing en inning van de werknemersverzekeringen naast de loonbelasting en de volksverzekeringen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het collecterende loket De Belastingdienst krijgt bij wet de heffing en inning van de premies voor de werknemersverzekeringen opgedragen. Het collecterende loket wordt daarmee ondergebracht bij de Belastingdienst. De werkgevers doen via dit loket één gecombineerde aangifte voor de loonbelasting en premies sociale verzekeringen (loonaangifte) en dragen op basis daarvan de verschuldigde premies en loonbelasting af. Deze aangifte bevat alle relevante gegevens op nominatief niveau (=op naam van de individuele werknemer gesteld) die van belang zijn voor de heffing en inning van premies en loonbelasting en voor het distribuerende proces (toekennen van uitkeringen) van UWV. (…) Uniformering heffing en inning Het heffingsregime voor de loonbelasting en de huidige heffingsregimes voor de werknemersverzekeringen worden geharmoniseerd tot één uniform regime (afdracht op aangifte achteraf). De geringe verschillen in de inning van loonbelasting en premies verdwijnen. Ook de rechtsbescherming in de collecterende functie gaat het fiscale regime volgen. Dit betekent onder meer dat de bestaande rechtsgang (rechtbank, Centrale Raad van Beroep en in sommige gevallen de Hoge Raad) zal veranderen. De nieuwe rechtsgang bestaat uit rechtbank, gerechtshoven en Hoge Raad (na inwerkingtreding van de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties). In het kader van dit wetsvoorstel zal op twee onderdelen een materiële uniformering van heffingsregimes plaatsvinden. Het regime voor de premies werknemersverzekeringen zal ten aanzien van de anoniemenheffing en de loontijdvakken worden aangepast aan het regime van de loonbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 In de memorie van toelichting wordt de keuze voor twee kolommen (ook in de rechtsingang) als volgt toegelicht:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.5 Beroep en hoger beroep Na de inwerkingtreding van de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties zal het beroep in premieheffing- en inningzaken – evenals in fiscale zaken – worden ingesteld bij de rechtbank, en hoger beroep bij het gerechtshof. (…) De uniformering van de rechtsgang zal ertoe leiden dat de rechtsontwikkeling ten aanzien van gemeenschappelijke elementen in begrippen als loon en dienstbetrekking meer eenheid zal gaan vertonen. Omdat in de sfeer van de premieheffing en -inning nog slechts de fiscale rechtsgang resteert, treden ook synergie-effecten op. Zo zal bij geschillen die nu zowel aan de bestuursrechter als aan de belastingrechter kunnen worden voorgelegd een besparing kunnen worden gerealiseerd, omdat nog slechts sprake is van één rechtsgang. Gedacht kan worden aan procedures inzake geschillen over aansprakelijkheid, het loonbegrip, het begrip dienstbetrekking en rente. Voor zover de werknemer in beroep gaat tegen een uitspraak op bezwaar inzake de door UWV afgegeven beschikking over het verzekerd zijn, dient dit – evenals thans het geval is – te worden ingesteld bij de bestuursrechter. Er is niet voor gekozen om geschillen over de beschikkingen verzekeringsplicht van het collecterende loket (bij de Belastingdienst) en van het distribuerende loket (bij UWV en ziekenfondsen) bij één rechter onder te brengen. Omdat in de gekozen systematiek zowel de rechtseenheid door cassatie (zie hierna bij 3.5.6) als de rechtsbescherming van de werknemer voldoende gewaarborgd zijn, is ervoor gekozen het uitgangspunt van de twee loketten ook voor de rechtsbescherming door te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 In de memorie van toelichting bij de Wet ‘Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering’ is de taak van de SVB als verwerker van gegevens afkomstig uit het buitenland, als volgt toegelicht:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is nu enerzijds de taak geregeld, die de SVB heeft als verbindingsorgaan op basis van Europese verordeningen of verdragen voor gegevens over uitkeringen en gezinsbijslagen die in het buitenland worden verstrekt of over verzekerde tijdvakken in het buitenland. Dit soort informatie is niet alleen van belang voor de taakuitoefening door de SVB zelf, maar ook van belang voor het College zorgverzekeringen voor de uitvoering van de Zorgverzekeringswet of de AWBZ, en tevens voor de Belastingdienst in verband met de heffing van premies werknemersverzekeringen en volksverzekeringen of voor de Belastingdienst/Toeslagen in verband met de verrekening met - met name - gezinstoeslagen waartoe ook de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget worden gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze toeslagen worden door de Belastingdienst/Toeslagen op basis van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen uitgevoerd. In dit lid is ook tot uitdrukking gebracht, dat het niet alleen om het doorgeven van gegevens gaat, maar ook om bewerkingen die met toepassing van die gegevens worden uitgevoerd, zoals ten behoeve van de verrekening met gezinsbijslagen. De gegevens uit het buitenland moeten bijvoorbeeld worden omgerekend in andere valuta of worden toegerekend per kind. Anderzijds wordt bepaald, dat de SVB aan de hand van de gegevens die hij verwerkt voor de uitvoering van taken op verzoek van de genoemde bestuursorganen en zorgverzekeraars verzekering of verzekeringstijdvakken kan vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft dan informatie die niet uit het buitenland afkomstig is. Dit is bijvoorbeeld aan de orde, omdat de SVB op grond van hoofdstuk 5 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) belast is met het verlenen van ontheffing wegens gemoedsbezwaren. Overigens bevat het derde lid, afgezien van de aanvulling, materieel geen andere regeling dan met onderdeel h was beoogd. De formulering is verduidelijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Coördinatieregeling in de Awb niet van toepassing op fiscale besluiten 6.1 In afdeling 3.5 van de Awb zijn de samenhangende besluiten geregeld. In paragraaf 3.5.3 is de coördinatie van de besluitvorming geregeld. De coördinatieregeling kan door het betrokken bestuursorgaan of de wetgever van toepassing worden verklaard. Er wordt één bestuursorgaan verantwoordelijk gemaakt voor het proces, het zogeheten coördinerend bestuursorgaan. Het coördinerend bestuursorgaan bevordert een doelmatige en samenhangende besluitvorming, waarbij de bestuursorganen in ieder geval rekening dienen te houden met de onderlinge samenhang tussen de te nemen besluiten. De aanvrager van de besluiten dient zoveel mogelijk gelijktijdig, in elk geval binnen zes weken, de samenhangende besluiten aan te vragen bij het coördinerend bestuursorgaan. De beslistermijn voor het bestuursorgaan vangt aan op de dag waarop de laatste aanvraag is ontvangen. De bevoegde bestuursorganen zenden de door hen genomen besluiten toe aan het coördinerend bestuursorgaan, dat vervolgens de besluiten de gelijktijdig bekendmaakt en gelijktijdig ter inzage legt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Het maken van bezwaar of het instellen van beroep, loopt eveneens via het coördinerend bestuursorgaan. Bij het coördinerend bestuursorgaan dient het bezwaar- of beroepschrift te worden ingediend, dat vervolgens een afschrift daarvan doorstuurt aan de bevoegde bestuursorganen. De bevoegde bestuursorganen zenden de door hen genomen beslissingen op bezwaar of beroep toe aan het coördinerend bestuursorgaan, dat de beslissingen gelijktijdig bekend maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 In artikel 3:29 Awb wordt de relatieve en absolute bevoegdheid geregeld van de bestuursrechters die een oordeel moeten vellen over besluiten die onder de coördinatieregeling vallen. Hierbij worden alle te coördineren besluiten waartegen beroep of hoger beroep is ingesteld door hetzelfde rechtscollege beoordeeld. In uitzonderingsgevallen kan de bestuursrechter het beroep of hoger beroep verwijzen naar een andere bestuursrechter die hij meer geschikt acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 In de memorie van toelichting bij de Wet ‘Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met een regeling over samenhangende besluiten’ (Wet samenhangende besluiten Awb) is ingegaan op de complexiteit van besluitvorming door verschillende onderdelen van de overheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit ons rechtssysteem vloeit voort dat de besluitvorming door de overheid haar grondslag in de wet moet hebben. Bestuursorganen bezitten slechts bevoegdheden die door de wetgever worden toegekend. De wet regelt voorts de wijze waarop die bevoegdheden gehanteerd moeten worden. Op die manier moet een zorgvuldige besluitvorming worden gegarandeerd, een besluitvorming die voldoet aan de rechtsstatelijke eisen van rechtszekerheid voor de burgers, van democratie en van doelmatigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maken van regels die op een evenwichtige wijze voldoen aan deze eisen, vereist dat rechtszekerheid en zorgvuldigheid steeds worden afgewogen tegen snelheid en doelmatigheid. Op deze basis heeft de bijzondere wetgever voor verschillende beleidsterreinen verschillende wetten tot stand gebracht, die elk verschillende belangen beogen te behartigen. Om die reden bevat elke wet haar eigen afwegingskader: het zgn. specialiteitsbeginsel . De bestuursrechtelijke wetgeving concentreert zich bijgevolg bijna steeds op een bepaald besluit, zoals een vergunning, een uitkering of een ontheffing, op een bepaald terrein, zonder rekening te houden met het feit dat in veel situaties meer dan dat ene besluit nodig is, omdat meerdere belangen betrokken zijn. Het resultaat daarvan is dat de burger voor het verrichten van een activiteit soms verschillende besluiten van een of meer bestuursorganen nodig heeft en dat deze besluiten door de bestuursorganen op de in de verschillende wetten voorgeschreven wijze moeten worden genomen. (…) 6.5 Op grond van artikel 3:21 Awb juncto artikel 4:21, lid 2, Awb is de coördinatieregeling niet van toepassing op aanspraken of verplichtingen die voortvloeien uit een wettelijk voorschrift inzake de heffing van een premie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 In de artikelsgewijze toelichting is opgemerkt dat de coördinatieprocedure zich minder goed laat denken bij fiscale besluiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat een coördinatieprocedure zich ook minder goed laat denken bij fiscale besluiten, bevat het tweede lid ook daarvoor een uitzondering.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Intrekking of vervanging van een besluit genomen door een bestuursorgaan 7.1 In artikel 4:6 Awb is een regeling opgenomen dat een bestuursorgaan een herhaalde aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beslissing:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Op grond van artikel 6:19 Awb heeft het beroep van belanghebbende mede betrekking op een besluit ter vervanging van het bestreden besluit:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) heeft bij uitspraak van 23 november 2016 overwogen dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook doen als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld, dan zal de bestuursrechter de mogelijkheden tot finale geschilbeslechting onderzoeken, waaronder de mogelijkheid de afdelingen 8.2.2.a en 8.2.7 van de Awb toe te passen. Dat kan ook tot hernieuwde besluitvorming door het bestuursorgaan leiden, als de bestuursrechter of het bestuursorgaan tot het oordeel komt dat het geconstateerde gebrek zich niet op een andere manier laat herstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan uit oogpunt van finale geschilbeslechting door de bestuursrechter in de gelegenheid wordt gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen, dan zal de bestuursrechter de nadere motivering van het bestuursorgaan vervolgens in een (eind)uitspraak toetsen, tenzij het bestuursorgaan de aanvraag of het verzoek alsnog inwilligt. Als de bestuursrechter heeft volstaan met vernietiging van het besluit, omdat dat wat betreft de nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet deugdelijk is gemotiveerd, dan kan het bestuursorgaan opnieuw - overeenkomstige - toepassing geven aan artikel 4:6 van de Awb, als het opnieuw afwijzend op de aanvraag of het verzoek beslist. Het kan er ook voor kiezen de aanvraag of het verzoek af te wijzen zonder dit te doen. In dat laatste geval behandelt het bestuursorgaan dus de aanvraag of het verzoek op de manier die onder 3.3 en in 3.4 is beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. Als het bestuursorgaan zulk beleid niet voert en het hierover in het besluit ook geen standpunt heeft ingenomen, dan zal de bestuursrechter het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen zodanig standpunt alsnog in te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Bröring en de Graaf schrijven dat de Awb geen bepaling kent over de intrekking en wijziging van besluiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2.3 In hoeverre is een wettelijke grondslag vereist?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ligt voor de hand dat waar voor het nemen van een besluit een wettelijke grondslag vereist is, ook voor het intrekken ervan een wettelijke grondslag is vereist. Intrekking van een besluit levert immers weer een nieuw besluit op. Gelet op het legaliteitsbeginsel mag men dan ook een specifieke bevoegdheid tot intrekking verwachten. Veelal is zo’n bevoegdheid in de desbetreffende wet te vinden. (…) Soms is echter voor het intrekken van een besluit geen bevoegdheid in de wet te vinden. Uit het ontbreken van een wettelijke grondslag mag, anders dan men op grond van het legaliteitsbeginsel zou verwachten, echter niet zonder meer worden geconcludeerd dat intrekking dan niet mogelijk is. In de jurisprudentie wordt in dergelijke gevallen soms uitgegaan van een geïmpliceerde bevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat wil zeggen dat de bevoegdheid tot het intrekken van een besluit geacht wordt opgesloten te liggen in de bevoegdheid om ditzelfde besluit te weigeren. Een enkele maal wordt een impliciete intrekkingsbevoegdheid afgeleid uit andere wettelijke bepalingen. Uitgangspunt voor het aannemen van een impliciete intrekkingsbevoegdheid is dat de bevoegdheid waaruit ze wordt afgeleid (zoals de bevoegdheid om het besluit te weigeren), niet volstrekt gebonden moet zijn. Is de oorspronkelijke bevoegdheid volledig gebonden, dan wordt aangenomen dat voor de intrekking een expliciete wettelijke grondslag is vereist. Betreft de oorspronkelijke bevoegdheid echter een discretionaire bevoegdheid, dan redeneert men dat de wetgever een intrekkingsbevoegdheid heeft geïmpliceerd. Daaruit vloeit dan weer voort dat de intrekking enkel kan plaatsvinden op gronden waarop het besluit in eerdere instantie ook had kunnen worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Hernieuwde behandeling van het bezwaar door een bestuursorgaan Wet- en regelgeving 8.1 Het zogeheten zorgvuldigheidsbeginsel is neergelegd in artikel 3:2 Awb, welke luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 In artikel 7:10 Awb is neergelegd dat het bestuursorgaan binnen zes weken beslist op een bezwaar:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Verder uitstel is mogelijk voor zover: a. alle belanghebbenden daarmee instemmen, b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.</div>\n<p class=\"lf-p\">5 Indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, doet het bestuursorgaan hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Artikel 7:11 Awb bepaalt dat in bezwaar een heroverweging van het besluit plaatsvindt:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4 Artikel 7:12 Awb luidt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. Betreft het een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden is gericht, dan wordt de beslissing tevens bekendgemaakt op dezelfde wijze als waarop dat besluit bekendgemaakt is, tenzij het bestreden besluit in stand wordt gelaten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de beslissing wordt hiervan mededeling gedaan aan de belanghebbenden die in bezwaar of bij de voorbereiding van het bestreden besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Bij de mededeling, bedoeld in het derde lid, is artikel 6:23 van overeenkomstige toepassing en wordt met het oog op de aanvang van de beroepstermijn zo duidelijk mogelijk aangegeven wanneer de bekendmaking van de beslissing overeenkomstig het tweede lid heeft plaatsgevonden 8.5 In paragraaf 10 Besluit Fiscaal Bestuursrecht was over de mogelijkheid dat de inspecteur uitstel van de beslissing op bezwaar verleent, opgenomen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Als een bezwaarschrift wordt ingediend over een geschilpunt waarover in een andere zaak al wordt geprocedeerd, kan de inspecteur met inachtneming van artikel 7:10, vierde lid, van de Awb, met de belanghebbende afspreken dat hij pas uitspraak op het bezwaarschrift doet als het oordeel van de belastingrechter in die andere zaak onherroepelijk is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het moet gaan om een rechtsvraag waarin de individuele omstandigheden van belanghebbenden geen rol spelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De inspecteur verbindt aan afspraken over verder uitstel zoals bedoeld in onderdeel 10.1. de voorwaarde dat na het maken van de afspraak geen nieuwe geschilpunten aan het bezwaarschrift worden toegevoegd, en dat beroep tegen de uitspraak geen nieuwe geschilpunten betreft. (…) 6. Verder uitstel van een beslissing op een bezwaarschrift is mogelijk in verband met naleving van wettelijke procedurevoorschriften (zie artikel 7:10, lid 4, letter c, van de Awb). Onder ‘wettelijke procedurevoorschriften’ valt niet het verzamelen van informatie op grond van artikel 47 van de AWR in verband met een nader feitenonderzoek bij het beoordelen van een bezwaar tegen een ambtshalve aanslag of in het kader van een FIOD-onderzoek.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.6 In een ongevraagd advies aan de regering heeft de Raad van State gewezen op de knelpunten van de uniforme termijnen waarbinnen een beslissing op bezwaar moet worden genomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 7:10 Awb neergelegde uniforme termijnen waarbinnen de beslissing op bezwaar moet zijn genomen, vormen namelijk een knelpunt voor bepaalde categorieën besluiten. In het algemeen moet het voor bestuursorganen goed te doen zijn de interne gang van zaken zo te organiseren dat bij één, tijdig genomen, besluit de gehele besluitvorming naar aanleiding van het bezwaar wordt voltooid. Er zijn echter gevallen waarin voor het vervangen van het primaire besluit in bezwaar een aanmerkelijk langere termijn nodig is dan artikel 7:10 Awb toelaat, omdat alsnog een wettelijk voorgeschreven procedure dient te worden doorlopen of een verplicht extern advies dient te worden ingewonnen, of het een situatie betreft ten aanzien waarvan voor de aanvankelijke afwijzing van de aanvraag minder strenge procedure-eisen golden dan voor een positieve beslissing. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin, alvorens alsnog te kunnen anticiperen, eerst de uitgebreide procedure van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet worden gevolgd, of waarin alsnog een MER-procedure moet worden doorlopen dan wel wegens de gegrondheid van het bezwaar alsnog een medisch of arbeidskundig onderzoek moet worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7:10 Awb biedt het bestuursorgaan en de rechter echter geen enkele ruimte voor het maken van een uitzondering voor dergelijke gecompliceerde procedures. Tegen deze achtergrond geeft de Raad in overweging in artikel 7:10 Awb een voorziening te treffen voor onder meer de hiervoor genoemde situaties, in de vorm van een uitzondering op de in genoemde artikelen opgenomen termijnen voor die categorieën van besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parlementaire geschiedenis 8.7 In de memorie van toelichting op de wet ‘Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet openbaarheid van bestuur en enkele andere wetten in verband met de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen’ is de aanpassing van de beslistermijn voor de bezwaarprocedure in verband met de naleving van procedurevoorschriften als volgt toegelicht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgestelde onderdeel c bevat een nieuw element. Ingevolge dat onderdeel is uitstel van een beslissing mogelijk voor zover dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften. Een voorbeeld van zo’n wettelijk voorschrift is artikel 7:9 Awb. (…) Een vergelijkbare situatie bestaat indien bij de voorbereiding van de beslissing op bezwaar blijkt dat een deugdelijke heroverweging van het bezwaar nader onderzoek vereist. In een dergelijk geval is een extra termijn van zes weken vaak toereikend. Soms vereist het nadere onderzoek echter meer tijd, met name als het bestuursorgaan heeft gevraagd om (nader) advies van een deskundige of om een toelichting op een advies waarvan de juistheid wordt betwist. Men denke aan het geval dat een bouwvergunning aanvankelijk op een onjuiste grond is geweigerd, maar over verlening pas kan worden besloten nadat alsnog het advies van de welstandscommissie is ingewonnen. Ook kan het gebeuren, dat in bezwaar blijkt dat een aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gelaten wegens onvolledigheid. De juiste beslissing is dan om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen, maar omdat het hele proces voor behandeling van de aanvraag nog moet beginnen, is de resterende termijn voor de beslissing op bezwaar dan vaak te kort. Doet een dergelijke situatie zich voor, dan is duidelijk dat van een deugdelijke heroverweging geen sprake kan zijn als de gevraagde advisering of toelichting niet wordt afgewacht, maar ook dat het onmogelijk is om binnen een termijn van (zes + zes =) twaalf of (tien + zes =) zestien weken op het bezwaar te beslissen als de gevraagde advisering of toelichting wel wordt afgewacht. Gezien het vorenstaande achten wij de extra verdagingsmogelijkheid gerechtvaardigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8 De regering deelt het oordeel van de Raad van State dat het gekozen criterium erg ruim is en beperkt dient te worden tot procedurevoorschriften:</p>\n<p class=\"lf-p\">De mening van de Raad dat het gekozen criterium erg ruim is geformuleerd wordt gedeeld. Om die reden is de Raad in zijn advies in zoverre gevolgd dat verder uitstel van de beslistermijn in artikel 7:10, vierde lid, onder c, Awb wordt beperkt tot procedurevoorschriften. Het wetsvoorstel en de toelichting zijn op dit punt aangevuld. Wij zien echter niet in waarom een procedurevoorschrift uit de Algemene wet bestuursrecht en uit andere algemene wetten anders behandeld zou moeten worden dan een procedurevoorschrift uit een bijzondere wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9 De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft toegelicht dat de duur van het uitstel op grond van artikel 7:10, lid 4, Awb mede afhankelijk is van het procedurevoorschrift:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de VVD-fractie hebben een vraag over het voorgestelde artikel 7:10, lid 1. Ingevolge dit lid moet het bestuursorgaan binnen zes weken (of 12 weken), gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, beslissen. De beslissing kan voor zes weken worden verdaagd. Ingevolge lid 4 is verder uitstel mogelijk. Hoe lang mag dat verdere uitstel duren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe lang uitstel mogelijk is, hangt af van de grond waarop uitstel wordt gevraagd. De termijn van het uitstel op grond van de onderdelen a en b hangt af van de termijn waarmee de indiener en/of belanghebbenden instemmen. De termijn voor uitstel op grond van onderdeel c is zo lang als redelijkerwijs nodig is en hangt bovendien af van de aard van het voorschrift. Wat redelijk is hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien bijvoorbeeld nog een deskundigenrapport nodig is dan zal dat wat meer tijd vergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de SGP-fractie vragen zich af of de formulering van artikel 7:10, lid 4, onderdeel c niet te ruim is. Is het risico niet groot dat gemeentebesturen te gemakkelijk met een beroep op de vereiste zorgvuldigheid onder de termijnen uit zullen willen komen? Zij vragen of het noodzakelijk is om het uitstel op basis van dit artikel in de mededeling op grond van het vijfde lid zorgvuldig te motiveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De formulering van artikel 7:10, vierde lid, onderdeel c is inderdaad vrij ruim. Een minder ruime formulering is niet mogelijk in verband met de bestaande uiteenlopende situaties. Uiteraard dient uitstel op grond van het vierde lid zorgvuldig gemotiveerd te worden. Verder bestaat voor de belanghebbende de mogelijkheid hiertegen in beroep te gaan. Op die manier kan de rechter de handelswijze van het bestuursorgaan toetsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie 8.10 De ABRvS heeft op 5 november 2003 overwogen dat als het eindoordeel in een civiele procedure zou worden afgewacht, in strijd zou zijn gehandeld met het bepaalde in artikel 7:10 Awb:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Appellanten bestrijden met recht het oordeel van de rechtbank dat het in beroep bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb, nu appellant sub 2, door niet het eindvonnis in de civiele procedure af te wachten, geen juiste en zorgvuldige belangenafweging terzake van de wegonttrekking heeft kunnen verrichten. Bij het nemen van zijn beslissing op bezwaar was appellant sub 2 gebonden aan de in artikel 7:10 van de Awb neergelegde beslistermijn. Deze beloopt op grond van het eerste lid zes, of - indien een adviescommissie is ingesteld - tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift, terwijl de termijn op grond van het derde lid voor ten hoogste vier weken kan worden verdaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het vierde lid is verder uitstel mogelijk voorzover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee instemmen. Nu appellante sub 1 belang had bij een tijdige beslissing op bezwaar was toepassing van de laatstgenoemde bepaling niet aan de orde. Appellant sub 2 had het eindoordeel in de civiele procedure dan ook slechts in de besluitvorming kunnen betrekken voorzover dit binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, eventueel verlengd met de in het derde lid vermelde termijn, beschikbaar zou zijn gekomen. Hiervan was geen sprake; door het eindvonnis af te wachten zou appellant sub 2 derhalve hebben gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:10 van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft dit miskend.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.11 De ABRvS heeft op 26 juli 2006 overwogen dat als de instemming met het uitstel wordt ingetrokken, de beslissing op bezwaar niet langer mag worden uitgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling is van oordeel dat een bestuursorgaan slechts uitstel als bedoeld in het vierde lid van artikel 7:10, vierde lid, van de Awb mag verlenen als is voldaan aan de in dat artikellid genoemde voorwaarden. Nu de aanvrager op enig moment te kennen heeft gegeven niet (langer) in te stemmen met verder uitstel van de beslissing op bezwaar, was niet (meer) aan die voorwaarden voldaan en mocht verweerder die beslissing dus niet (langer) uitstellen. Verweerder heeft appellant vóór de hoorzitting schriftelijk geïnformeerd over de redenen om de beslissing op bezwaar niet verder uit te stellen. Deze beroepsgrond faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12 De Hoge Raad heeft in HR BNB 2015/109 geoordeeld dat uitstel in de zin van artikel 7:10, lid 4, Awb de beslistermijn van artikel 7:10, lid 1, Awb niet opschort:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klachten richten zich tegen het hiervoor weergegeven oordeel van het Hof dat de SVB geen dwangsom heeft verbeurd. Bij de beoordeling van die klachten moet het volgende worden vooropgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het bepaalde in artikel 7:10, lid 1, van de Awb bedraagt de beslistermijn voor het bestuursorgaan in beginsel zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. Die termijn wordt opgeschort voor zolang de indiener in verzuim is als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb (lid 2 van voormeld artikel). Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen (lid 3 van meervermeld artikel). Verder uitstel is (onder meer) mogelijk voor zover alle belanghebbenden daarmee instemmen (lid 4, aanhef en letter a, van meervermeld artikel).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.3. ’ s Hofs oordeel berust kennelijk op de opvatting dat uitstel in de zin van artikel 7:10, lid 4, van de Awb de beslistermijn als bedoeld in het eerste lid van dat artikel opschort, als gevolg waarvan in het onderhavige geval na belanghebbendes brief van 25 april 2012 nog een ongebruikt deel van de beslistermijn zou resteren, zodat de in die brief vervatte ingebrekestelling prematuur zou zijn. Die opvatting is onjuist. Opschorting vindt slechts plaats in de gevallen bedoeld in het tweede lid van artikel 7:10 Awb. De klachten slagen daarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de brief van 30 juni 2011 kan niets anders worden afgeleid dan dat de SVB de duur van het uitstel (mede) heeft willen laten afhangen van belanghebbendes bereidheid om te wachten op de afloop van een lopende procedure betreffende dezelfde materie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de in 3.1.4 bedoelde brief van 25 april 2012 heeft belanghebbende te kennen gegeven niet langer bereid te zijn te wachten op de beslissing op het bezwaar. Noch uit de brief van 30 juni 2011, noch uit de overige stukken van het geding blijkt van een afspraak tussen partijen op grond waarvan de SVB in dat geval nog een nadere termijn heeft om op het bezwaar te beslissen. Dit brengt mee dat het uitstel voor het geven van een beslissing op het bezwaar met belanghebbendes brief van 25 april 2012 met onmiddellijke ingang is beëindigd, zodat de SVB vanaf het moment van ontvangst van die brief in verzuim is. De in dezelfde brief vervatte ingebrekestelling is derhalve niet prematuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien belanghebbende met zijn brief van 25 april 2012 de SVB in gebreke heeft gesteld en de SVB pas op 29 juni 2012 op het bezwaar heeft beslist, heeft de SVB een dwangsom verbeurd die met inachtneming van artikel 4:17, leden 1, 2 en 3, van de Awb € 1.260 bedraagt, zijnde het bedrag dat op grond van de in die bepalingen vervatte regeling ten hoogste verschuldigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13 In HR BNB 2016/111 heeft de Hoge Raad beslist dat het gerechtshof niet bevoegd is de inspecteur een termijn te stellen waarbinnen hij een uitspraak kan doen zonder enige dwangsom te verbeuren:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde middel keert zich tegen ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur in gebreke was tijdig uitspraak te doen en dientengevolge dwangsommen verschuldigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel betoogt in de eerste plaats dat het Hof verzuimd heeft ermee rekening te houden dat de Rechtbank de Inspecteur in het gelijk had gesteld en dat daardoor een situatie was ontstaan waarin de beslissingstermijn was opgeschort. Het Hof had onder die omstandigheden de Inspecteur een nadere termijn moeten stellen, aldus het middel. Dit betoog faalt. In artikel 7:10 Awb zijn de gevallen genoemd waarin de termijn voor het geven van een beschikking, zoals een uitspraak op bezwaar, wordt opgeschort. Daarbij is niet het geval genoemd dat de rechter in eerdere aanleg heeft aangenomen dat de termijn voor het geven van de beschikking niet is overschreden. De uitspraak die in deze zaak door de Rechtbank is gedaan brengt dan ook niet mee dat de termijn voor het doen van uitspraak op de door belanghebbende gemaakte bezwaren is opgeschort. Het Hof was niet bevoegd de Inspecteur een termijn te stellen waarbinnen die uitspraak alsnog kon worden gedaan zonder enige dwangsom te verbeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">9De taak van de bestuursrechter Wet 9.1 Artikel 8:41a Awb bepaalt dat de bestuursrechter het aan hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Artikel 8:69 Awb luidt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.</div>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Artikel 8:70 Awb bevat een opsomming van de dicta die de bestuursrechter ter beschikking staan bij het doen van een uitspraak:</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitspraak strekt tot: a. onbevoegdverklaring van de bestuursrechter, b. niet-ontvankelijk verklaring van het beroep c. ongegrondverklaring van het beroep, of d. gegrondverklaring van het beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Artikel 8:72 Awb regelt welke afdoeningsmodaliteiten de bestuursrechter ter beschikking staan indien hij het beroep gegrond verklaart:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De bestuursrechter kan bepalen dat: a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij: a. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven; b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De bestuursrechter kan zo nodig een voorlopige voorziening treffen. Daarbij bepaalt hij het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De bestuursrechter kan bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, het bestuursorgaan aan een door hem aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.</div>\n<p class=\"lf-p\">9.5 Artikel 8:113 Awb geeft de twee mogelijkheden die de hogerberoepsrechter ter beschikking staan voor de afdoening van een zaak:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De hogerberoepsrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.</div>\n<p class=\"lf-p\">9.6 Artikel 8:119 Awb biedt de mogelijkheid dat de bestuursrechter een onherroepelijk geworden uitspraak kan herzien:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Hoofdstuk 6, titel 8.1, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en artikel 8:13, titel 8.2, met uitzondering van artikel 8:41, tweede lid, titel 8.3 en titel 8.5, met uitzondering van artikel 8:109, zijn voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het griffierecht is gelijk aan het griffierecht dat ten tijde van de indiening van het verzoek verschuldigd zou zijn geweest voor het beroep of hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien de uitspraak wordt herzien, betaalt de griffier het griffierecht terug.</div>\n<p class=\"lf-p\">Parlementaire geschiedenis 9.7 In de memorie van toelichting bij de Wet wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht) is ingegaan op de veranderde taakopvatting van de bestuursrechter. Toegelicht wordt dat de samenleving behoefte heeft aan een bestuursrechter die binnen een redelijke termijn duidelijkheid schept over de geldigheid van besluiten en geschillen en daarover zo definitief mogelijk beslist:</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de keuze voor het primaat van de rechtsbeschermingsfunctie en, in het verlengde daarvan, de toegenomen aandacht voor de geschilbeslechtende taak van de bestuursrechter, is de vraag naar de effectiviteit van de bestuursrechtspraak scherper op de voorgrond komen te staan. Belanghebbenden, en meer in het algemeen de samenleving, hebben behoefte aan een bestuursrechter die binnen een redelijke termijn duidelijkheid schept over de rechtspositie van belanghebbenden en de geldigheid van besluiten en geschillen daarover zo mogelijk definitief beslecht. In dat opzicht functioneert het bestuursprocesrecht nog niet optimaal, als is er wel een ontwikkeling in de goede richting. Dit wetsvoorstel beoogt deze ontwikkeling te ondersteunen en verder door te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voornaamste reden waarom de bestuursrechtspraak thans soms onvoldoende effectief is, is het verschijnsel dat wel is aangeduid als «bestuurlijk pingpongen». Als de bestuursrechter constateert dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft, moet hij dit besluit in beginsel vernietigen. Vaak volstaat hij daar ook mee (een zogenaamde «kale» vernietiging). In veel gevallen moet het bestuursorgaan dan een nieuw besluit nemen. Omdat veel gebreken in besluiten herstelbaar zijn (de meeste vernietigingen vinden plaats wegens onzorgvuldige voorbereiding of onvoldoende motivering), komt het nogal eens voor dat het nieuwe besluit dezelfde strekking heeft als het vernietigde besluit. Tegen het nieuwe besluit staat dan opnieuw bezwaar en beroep open. In sommige gevallen leidt dat opnieuw tot vernietiging en weer een nieuw besluit. In dergelijke gevallen kan het lang duren voordat partijen definitief weten waar zij aan toe zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8 Bij de nota van wijziging is artikel 8:41a Awb toegevoegd. De artikelsgewijze toelichting benadrukt de stimulans die uitgaat van de wettelijke opname van de verplichting tot finale geschilbeslechting:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt een algemene verplichting voor de bestuursrechter om het hem voorgelegde geschil zo veel mogelijk definitief te beslechten. (…) Bij nader inzien vinden wij echter incorporatie in dit wetsvoorstel, dat reeds voorziet in een aanscherping van artikel 8:72 mede ter bevordering van finale geschilbeslechting, meer voor de hand liggen. Verwacht mag worden dat van deze algemene bepaling een verdere stimulans uitgaat naar de bestuursrechter om zoveel mogelijk tot definitieve geschilbeslechting te komen. Met het voorgestelde artikel 8:41a wordt tevens reeds gevormde jurisprudentie wettelijk vastgelegd. Zowel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als de Centrale Raad van Beroep nemen aan dat op de bestuursrechter een plicht rust om de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil te onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.9 De memorie van toelichting bij de ‘Wet Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht’ (Wet aanpassing bestuursprocesrecht) vermeldt over de judiciële lus van artikel 8:113, lid 2, Awb:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de hogerberoepsrechter een uitspraak van de bestuursrechter vernietigt, doet hij wat de rechtbank zou behoren te doen (artikel 8:113, eerste lid). Dit kan betekenen dat de hogerberoepsrechter het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaart (indien hij oordeelt dat de rechtbank dit beroep ten onrechte gegrond heeft verklaart), met het gevolg dat het bestuursorgaan wordt ontheven van zijn verplichting tot het nemen van een nieuw besluit ter vervanging van het vernietigde besluit (artikel 8:72, eerste lid). De vernietiging van een uitspraak van de rechtbank kan echter ook leiden tot gegrondverklaring van het inleidend beroep (indien de hogerberoepsrechter oordeelt dat de rechtbank het dit beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard), en vervolgens tot vernietiging van het bestreden besluit (aangezien de rechtbank dit – ingevolge artikel 8:72, eerste lid – had moeten doen), en daarmee tot de verplichting van het bestuursorgaan om alsnog een vervangend besluit te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze situatie heeft tot gevolg dat nog geruime tijd onduidelijkheid over de rechtspositie van belanghebbenden ten opzichte van het bestuursorgaan blijft bestaan. Want in beginsel is het vervangende besluit vatbaar voor beroep bij de rechtbank, en tegen de uitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld. Zo’n hernieuwde behandeling in twee instanties is niet altijd nodig, zeker niet als het gaat om herstel van een relatief klein gebrek of als er geen geschil meer is over de feiten. Dan kan zich de situatie voordoen dat behandeling in twee instanties uit een oogpunt van kwaliteit niet meer nodig is, en uit een oogpunt van definitieve beslechting van het geschil binnen een redelijke termijn (zoals voorgeschreven door artikel 6 EVRM) zelfs onwenselijk is 9.10 In de memorie van toelichting bij de ‘Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen’ (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie) is over de mogelijkheid van herziening in de zin van thans 8:119 Awb opgemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen dienen in de gelegenheid te zijn, herziening van een onherroepelijke einduitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 en van de president van de rechtbank als bedoeld in artikel 8.3.8 te vragen, indien deze uitspraak in het licht van nieuw gebleken feiten van vóór deze uitspraak geen stand meer kan houden. Nieuwe feiten die na de uitspraak opkomen en een ander licht werpen op de zaak, kunnen niet tot herziening van de uitspraak leiden. Indien bij voorbeeld door nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen blijkt, dat er wel degelijk een causaal verband is tussen bepaalde arbeidsomstandigheden en een bepaalde ziekte, is dat geen reden die tot herziening kan leiden. Het is immers de taak van de rechter te beoordelen of een besluit van een bestuursorgaan rechtmatig is. Dat kan uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van hetgeen het bestuursorgaan bij het nemen van het besluit bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn. Daartoe behoren bovengenoemde nieuwe feiten evident niet. Het bovenstaande houdt uiteraard niet in, dat aan deze nieuwe feiten geen betekenis zou kunnen toekomen. Zij kunnen voor het bestuur aanleiding vormen om al dan niet op verzoek van de belanghebbende terug te komen op het eerder genomen besluit. Wij merken nog op dat het soms niet eenvoudig is te beoordelen of het gaat om feiten die aanleiding kunnen geven tot een verzoek om herziening dan wel om feiten die zouden kunnen leiden tot een verzoek om terug te komen op een eerder genomen besluit. In geval van twijfel daarover menen wij dat het in de rede ligt niet de rechter te verzoeken zijn uitspraak te herzien, maar het bestuursorgaan te vragen zijn eerdere besluit te heroverwegen. Voor alle duidelijkheid zij nog opgemerkt, dat het rechtsmiddel van herziening evenmin kan worden gebruikt voor het herstellen van processuele misslagen. De mogelijkheden voor een succesvol gebruik van dit middel zijn derhalve beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie 9.11 De Hoge Raad heeft in HR BNB 2004/226 een verzoek om herziening afgewezen omdat de in het verzoekschrift vermelde feiten en omstandigheden, als ze de Hoge Raad vóór het wijzen van het arrest bekend waren geweest, gelet op het beperkte karakter van de aan de Hoge Raad opgedragen toetsing, niet tot een andere beslissing hadden kunnen leiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als grond voor herziening van een uitspraak van de Hoge Raad als bedoeld in artikel 29e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kunnen ingevolge artikel 29 van die wet in verbinding met artikel 8:88, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht slechts dienen feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór die uitspraak, die tevens bij de indiener van het verzoekschrift tot herziening vóór die uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die voorts, waren zij bij de Hoge Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderhavige verzoekschrift behelst geen feiten of omstandigheden als hiervóór bedoeld. Het gaat daarin immers om feiten die, indien zij de Hoge Raad vóór het wijzen van zijn arrest bekend waren geweest, gelet op het beperkte karakter van de aan de Hoge Raad opgedragen toetsing, in cassatie niet tot een andere beslissing zouden hebben kunnen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.12 De Hoge Raad heeft in HR BNB 2005/84 overwogen dat aan een gerechtshof op voet van thans artikel 8:119 Awb gevraagd kan worden een uitspraak, waartegen tevergeefs beroep in cassatie is ingesteld, te herzien:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De bevoegdheid van het Hof en van de Hoge Raad Een verzoek tot herziening ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet worden gedaan bij het rechtscollege dat de uitspraak heeft gedaan waarvan herziening wordt verzocht. Nu het onderhavige verzoek inhoudt dat herziening wordt gevraagd van de in de aanhef van dit arrest vermelde uitspraak van het Hof, heeft belanghebbende juist gehandeld door dit verzoek in te dienen bij het Hof, zodat in zoverre er voor het Hof geen reden kon bestaan het verzoek met overeenkomstige toepassing van artikel 6:15, lid 1, Awb, door te zenden naar de Hoge Raad.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijk heeft het Hof gemeend dat het niet bevoegd was zijn uitspraak te herzien, dat belanghebbende nog slechts de Hoge Raad kon verzoeken om herziening van het arrest van 5 december 2003 en dat het verzoek daarom met overeenkomstige toepassing van artikel 6:15, lid 2, Awb moest worden doorgezonden naar de Hoge Raad. 's Hofs opvatting is onjuist. Na het door de Hoge Raad gewezen arrest is de uitspraak van het Hof onherroepelijk geworden. Artikel 8:88 Awb laat toe herziening te vragen van onherroepelijk geworden uitspraken. De mogelijkheid van herziening is niet zinvol indien daarvan slechts gebruik kan worden gemaakt voor een rechterlijke instantie die geen volledige rechtsmacht heeft op het punt van de vaststelling van de voor de beslissing van belang zijnde feiten. Zou, indien beroep in cassatie is ingesteld, herziening slechts mogelijk zijn van de uitspraak in cassatie, dan zou, gezien het beperkte karakter van de aan de Hoge Raad opgedragen toetsing een herzieningsverzoek slechts zelden kunnen worden ingewilligd. Op zichzelf mogelijk gegronde herzieningsverzoeken zou een verschillend lot kunnen treffen, al naar gelang in het verleden wel of niet beroep in cassatie is ingesteld. Dat resultaat is niet verenigbaar met de strekking van artikel 8:88 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de mogelijkheid van herziening is gegeven voor het - binnen de in artikel 8:88 Awb aangegeven grenzen - kunnen herstellen van beslissingen die berusten op een ondeugdelijke feitelijke grondslag, en wat betreft de vaststelling van de feiten de in cassatie ter beoordeling gestaan hebbende uitspraak, indien en voorzover deze in cassatie in stand is gebleven, voor de toepassing van artikel 8:88 Awb als onherroepelijk geworden uitspraak moet worden beschouwd, kan van laatstbedoelde uitspraak op de in de wet genoemde gronden herziening worden verzocht, onverminderd de (beperkte) mogelijkheid herziening te vragen van het in cassatie gewezen arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het hiervoor overwogene volgt dat het Hof ten onrechte niet ertoe is overgegaan het aan hem gerichte verzoek tot herziening in behandeling te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.13 In HR BNB 2011/100 heeft de Hoge Raad overwogen dat het bestuursorgaan bij het vaststellen van de belastingaanslagen in het algemeen geen beleidsvrijheid toekomt:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een definitieve afdoening van geschillen binnen een redelijke termijn dient de rechter in belastingzaken indien hij het beroep gegrond verklaart het juiste bedrag van de aanslag of van een voor bezwaar vatbare beschikking, bijvoorbeeld een beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet WOZ, als regel zelf vast te stellen op de voet van artikel 8:72, lid 4, van de Awb. De rechter zal daartoe in het algemeen in staat zijn, aangezien het bestuursorgaan bij het vaststellen van belastingaanslagen en andere beschikkingen in belastingzaken in het algemeen geen beleidsvrijheid toekomt. Een uitzondering op de zojuist vermelde regel zal zich voordoen in gevallen waarin de rechter over zo weinig relevante feitelijke gegevens beschikt, dat hij zich - desgeraden na inwinning van deskundigenbericht en/of andere informatie - redelijkerwijs niet in staat acht zelf het bedrag van de belastingaanslag of beschikking (in dit geval: betreffende de waarde van een onroerende zaak) vast te stellen, ook niet door middel van schatting van (elementen van) de belastinggrondslag of de grondslag van de beschikking (in dit geval: de waarde). Indien hij geen aanleiding ziet voor toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus, kan de rechter in dergelijke bijzondere gevallen op grond van artikel 8:72, lid 4, van de Awb gebruik maken van zijn bevoegdheid om na vernietiging van de uitspraak op bezwaar het bestuursorgaan op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.14 Op 28 januari 2015 heeft de grote kamer van de ABRvS geoordeeld dat een verzoek om herziening op voet van thans artikel 8:119 Awb niet onredelijk laat mag worden ingediend. Bij de invulling van dit criterium zal als regel worden uitgegaan van een termijn van één jaar:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De behoefte aan zekerheid bij belanghebbenden en bestuursorganen over de rechtskracht van een besluit is een belangrijke reden om een grens te stellen aan de mogelijkheid om herziening te vragen. In dit licht bezien is het niet onredelijk om van degene die om herziening verzoekt te verwachten dat hij dat niet onredelijk laat doet nadat de uitspraak is gedaan of nadat hij op de hoogte is geraakt van nova die volgens hem aanleiding kunnen zijn voor herziening. Het belang van de rechtseenheid is ermee gediend dat alle hoogste bestuursrechters aan het \"onredelijk laat\"-criterium eenzelfde invulling geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht daarvan zal bij verzoeken om herziening het \"onredelijk laat-criterium\" worden gehanteerd en wel aldus dat bij de invulling van dit criterium als regel zal worden uitgegaan van een termijn van één jaar. Dit betekent dat de indiening van een verzoek om herziening als onredelijk laat wordt aangemerkt, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar na het bekend worden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Een uitzondering op die regel wordt gemaakt voor die uitzonderlijke gevallen waarin het belang van de rechtszekerheid van andere belanghebbenden en bestuursorganen dermate betrokken is, dat het hanteren van een zo lange termijn niet aanvaardbaar zou zijn. Dit laatste kan zich eerder in meerpartijengeschillen dan in tweepartijengeschillen voordoen, en eerder indien bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, een besluit in stand is gebleven waarbij aan een of meer belanghebbenden toestemming is verleend om bepaalde activiteiten te verrichten. In dergelijke uitzonderlijke gevallen waarin de termijn van één jaar niet wordt gehanteerd, zal een termijn gelden van drie maal zes weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor in 3.4 geformuleerde regels gelden niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een punitieve sanctie. Een dergelijk verzoek is niet aan een termijn gebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.15 De Hoge Raad heeft zich in HR BNB 2015/91 uitdrukkelijk bij de hierboven door de ABRvS uitgezette lijn aangesloten:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 In het belang van de rechtsvorming en de rechtseenheid wordt het volgende vooropgesteld (zie ook ABRvS 28 januari 2015, nr. 201407367/2/A4, ECLI:NL:RVS:2015:310).</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van degene die om herziening verzoekt mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek om herziening wordt als regel als onredelijk laat aangemerkt, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor in 1.1.2 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan deze termijn gebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Literatuur 9.16 In Tekst en Commentaar is ingegaan op het beslisschema van artikel 8:72 Awb met het oog op de finale geschilbeslechting:</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het artikel verleende bevoegdheden hebben tot doel een effectieve geschilbeslechting te stimuleren. Dit neemt niet weg dat na een vernietiging vaak nog een nieuwe procedure volgt tegen een nieuw te nemen besluit. Aan art. 8:41a en 8:72 ligt de gedachte ten grondslag dat het geschil zo mogelijk definitief (finaal) wordt beslecht en dat dus nieuwe procedures over dezelfde kwestie moeten worden voorkomen. De lijn is dat de bestuursrechter, voordat hij tot vernietiging concludeert, eerst beziet of hij het geconstateerde gebrek kan passeren met toepassing van art. 6:22. Als hij dat artikel toepast, komt hij niet toe aan art. 8:72, omdat het dan niet tot een gegrondverklaring en vernietiging komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het gebrek niet kan worden gepasseerd, moet de rechter het besluit vernietigen. Hij beziet dan eerst of hij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kan laten (lid 3 onderdeel a). Als echter het dictum van het bestreden besluit anders moet komen te luiden, is dat niet mogelijk. Dan beziet de bestuursrechter of hij zelf in de zaak kan voorzien (lid 3 onderdeel b). Als ook dat niet mogelijk is, beziet de bestuursrechter of het alsnog mogelijk is om nog geen einduitspraak te doen, maar een bestuurlijke lus toe te passen (art. 8:51a of 8:51d) via een tussenuitspraak (art. 8:80a en 8:80b). Na toepassing van de bestuurlijke lus kan het zijn dat het geschil niet meer bestaat en het beroep wordt ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere gevallen beziet de bestuursrechter daarna of hij alsnog de rechtsgevolgen in stand kan [laten] of zelf in de zaak kan voorzien. Pas als dat niet mogelijk is, komt de bestuursrechter toe aan de mogelijkheid om het bestuursorgaan op te dragen een nieuw besluit te nemen of andere handelingen te verrichten (lid 4 aanhef). Deze opdracht wordt bij voorkeur voorzien van aanwijzingen omtrent het te nemen besluit (zie toel. NvW bij Wet aanpassing bestuursprocesrecht, Kamerstuk 32450, 8, p. 58-59) 9.17 In zijn artikel ‘Tussen toen en nu: Het relevante tijdstip voor besluitvorming in bezwaar en toetsing in beroep’ gaat Verheij in op de regel dat: ‘de bestuursrechter toetst ex tunc, maar het bestuur beslist ex nunc’:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsen is wat bestuursrechters doen. “Toetsen” is nagaan of iets – in dit geval een besluit - aan een maatstaf voldoet. Het is in beginsel redelijk om daarbij terug te kijken naar het tijdstip waarop het besluit tot stand kwam, want met latere en toen niet voorzien bare gebeurtenissen kon het bestuur immers geen rekening houden. Het bestuur, daarentegen, moet niet nagaan of genomen besluiten aan maatstaven voldoen, maar besluiten nemen. Het bestuur toetst niet, maar beslist. Beslissen moet soms “ex nunc”, maar soms ook “ex tunc”. Eigenlijk zegt de klassieke regel dat het bestuur ook in bezwaar en administratief beroep niet toetst, maar beslist. Dat de rechter ex tunc oordeelt en het bestuur nu eens ex nunc, dan weer ex tunc, is een afgeleide. De kern is dat het bestuur beslist en de rechter toetst. Daarom oordeelt de rechter die zelf in de zaak voorziet, niet altijd ex tunc. In de zaak voorzien is namelijk geen toetsen, maar beslissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Overschrijding redelijke termijn 10.1 Artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 Artikel 51 Handvest bepaalt het toepassingsgebied van het Handvest:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Dit Handvest breidt het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie, noch wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken.</div>\n<p class=\"lf-p\">10.3 In artikel 52, lid 3, Handvest wordt bepaald dat voorzover het Handvest rechten bevat die corresponderen met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens (hierna: EVRM) er dezelfde inhoud en reikwijdte aan wordt gegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt 10.4 De eerste volzin van artikel 6, lid 1 EVRM correspondeert met de tweede volzin van artikel 47 Handvest. Artikel 6, lid 1, EVRM luidt:</div>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden. (…) 10.5 Artikel 13 EVRM vermeldt het recht op een daadwerkelijke rechtsmiddel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 Het HvJ heeft bij arrest van 26 februari 2013 met nr. C‑617/10 (Åkerberg Fransson) overwogen dat met het opleggen van belastingboeten en strafvervolging wegens belastingfraude uitvoering wordt gegeven aan het recht van de Europese Unie:</p>\n<p class=\"lf-p\">24 In casu moet om te beginnen worden opgemerkt dat de belastingboeten en de strafvervolging waarvan Åkerberg Fransson het voorwerp is of is geweest, gedeeltelijk verband houden met het feit dat hij zijn aangifteverplichtingen op btw-gebied niet is nagekomen. (…) 27 Bijgevolg wordt met belastingboeten en strafvervolging wegens belastingfraude, zoals die waarvan de verdachte in het hoofdgeding het voorwerp is of is geweest wegens verstrekking van onjuiste inlichtingen op btw-gebied, uitvoering gegeven aan de artikelen 2, 250, lid 1, en 273 van richtlijn 2006/112 (voorheen de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn) en artikel 325 VWEU, en dus aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.</p>\n<p class=\"lf-p\">28 Dat de nationale regelingen die als grondslag dienen voor die belastingboeten en strafvervolgingen niet zijn vastgesteld om uitvoering te geven aan richtlijn 2006/112, doet niet af aan die vaststelling, aangezien met de toepassing van deze regelingen wordt beoogd schending van de bepalingen van deze richtlijn te bestraffen en dus uitvoering te geven aan de door het Verdrag aan de lidstaten opgelegde verplichting om gedragingen waarmee de financiële belangen van de Unie worden geschaad, effectief te bestraffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">29 Dit vooropgesteld, kan een nationale autoriteit of rechterlijke instantie die moet onderzoeken of een nationale bepaling of maatregel waarmee in een situatie waarin het optreden van de lidstaten niet volledig door het Unierecht wordt bepaald, het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, in overeenstemming is met de grondrechten, daarbij nog steeds nationale maatstaven voor de bescherming van de grondrechten toepassen, op voorwaarde dat deze toepassing niet afdoet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, noch aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht (zie voor dit laatste aspect arrest van 26 februari 2013, Melloni, C‑399/11, punt 60).</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7 In HR BNB 2011/232 is de Hoge Raad van oordeel dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 EVRM mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderhavige geschil betreft de heffing van leges ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning. In het midden kan blijven of het geschil de 'determination of civil rights and obligations' in de zin van artikel 6, lid 1, van het EVRM betreft. Immers, de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Dit beginsel noopt ertoe dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM (onder meer het arrest van 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi Pizzati tegen Italië, JB 2006/134). Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de heffingsambtenaar tot vergoeding van die schade worden veroordeeld (vgl. de in de onderdelen 10.2, 10.5 en 10.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters).</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8 De ABRvS heeft bij arrest van 29 januari 2014 geoordeeld dat de omstandigheid dat een zaak wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst van een andere zaak, waarvan redelijkerwijze te verwachten is dat die uitkomst relevant zal zijn voor de beslissing in de aangehouden zaak, kan leiden tot een gerechtvaardigde overschrijding van de redelijke termijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van de in 4.3. genoemde termijnen blijft de vaste rechtspraak van de Afdeling gelden dat de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van appellant gedurende de gehele procesgang onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de als uitgangspunt gehanteerde termijnen gerechtvaardigd te achten (…). Zo kan het inschakelen van een deskundige door een bestuursorgaan of de rechter er onder omstandigheden toe leiden dat overschrijding van de termijn die een procedure in beginsel ten hoogste mag duren gerechtvaardigd is. Daarbij speelt een rol of het inschakelen van een deskundige redelijk was en of daarmee niet onredelijk veel tijd gemoeid is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de omstandigheid dat sprake is van een groot aantal bezwaarmakers tegen een besluit kan aanleiding geven overschrijding van de als uitgangspunt gehanteerde termijnen gerechtvaardigd te achten. Dat geldt eveneens in gevallen waarin het in procedures over eenzelfde problematiek, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, redelijk moet worden geacht dat het bestuursorgaan of de rechter uit overwegingen van procedurele efficiëntie de behandeling van de zaak aanhoudt in afwachting van de uitkomst in één of een beperkt aantal andere zaken en redelijkerwijs te verwachten is dat de uitkomst daarvan relevant zal zijn voor de beslissing in de aangehouden zaken. Indien de zaak of zaken waarvan de uitkomst wordt afgewacht aanhangig is of zijn bij de nationale rechter, zal deze die dan wel binnen een redelijke termijn moeten afhandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat de beslissing is genomen in de zaak of zaken waarvan de uitkomst is afgewacht, zullen de zaken die in afwachting daarvan zijn aangehouden bovendien voortvarend moeten worden afgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9 De Hoge Raad heeft ter zake van de overschrijding van de redelijke termijn in het overzichtsarrest HR BNB 2016/140 geoordeeld dat de tijd die gemoeid is met het afwachten van een beslissing in een andere procedure bij een andere rechter, bij de beoordeling of sprake is van de overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing blijft:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, blijft buiten beschouwing de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit geldt zowel voor zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld als voor zaken die zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, indien het afwachten van die beslissing redelijk is (zie HR 21 maart 2014, nr. 13/00478, ECLI:NL:HR:2014:636, BNB 2015/34; hierna: het arrest BNB 2015/34).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De buiten beschouwing te laten termijn die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing in die zaak zelf vangt aan op de dag na verzending van de verwijzingsuitspraak door de nationale rechter. Indien de behandeling van een zaak door de rechter is aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, vangt deze buiten beschouwing te laten periode niet eerder aan dan op het moment dat de aanhoudende rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de gestelde vragen door het Hof van Justitie. In beide gevallen eindigt de buiten beschouwing te laten termijn op de dag van openbaarmaking van de prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie (zie het arrest BNB 2015/34 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (grote kamer) van 29 januari 2014, nr. 201302106/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:188, BNB 2015/33; hierna: de uitspraak van de grote kamer van 29 januari 2014).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de rechter besluit de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, en hij partijen bij zijn schriftelijke kennisgeving omtrent die aanhouding niet in de gelegenheid heeft gesteld hun opvatting daarover binnen een bepaalde termijn kenbaar te maken, dan zal bij de beslissing op een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moeten worden beoordeeld of de beslissing van die rechter om de behandeling van de zaak aan te houden redelijk was gelet op de stand van de procedure en de jurisprudentie ten tijde van die schriftelijke kennisgeving. Bij bevestigende beantwoording van die vraag zal de periode tussen het moment waarop de rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing tot aanhouding en de openbaarmaking van de prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie, buiten beschouwing moeten blijven bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden. De rechter is alleen gehouden daarop in de motivering van zijn uitspraak in te gaan indien een partij de redelijkheid van het besluit tot aanhouding betwist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verdient aanbeveling dat de rechter, indien hij partijen in kennis stelt van zijn beslissing om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, hen daarbij uitdrukkelijk in de gelegenheid stelt eventuele bezwaren tegen die beslissing schriftelijk aan hem kenbaar te maken binnen een door hem gestelde termijn, in de regel zes weken na verzending van de kennisgeving. Indien partijen van de aldus geboden mogelijkheid geen gebruik maken, mag ervan worden uitgegaan dat zij zich kunnen verenigen met de beslissing van de rechter om de zaak aan te houden en heeft als uitgangspunt te gelden dat het afwachten van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie redelijk is. In deze gevallen dient de periode, gelegen tussen het moment waarop de rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing tot aanhouding en de openbaarmaking van de prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie, dan ook in beginsel buiten beschouwing te worden gelaten bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een partij, nadat zij daartoe door de rechter in de gelegenheid is gesteld, bezwaren tegen de aanhouding kenbaar maakt en de rechter besluit de aanhouding desondanks te handhaven, is hetgeen hiervoor in 3.7.3 is overwogen van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een partij, al dan niet daartoe in de gelegenheid gesteld, haar bezwaren tegen de beslissing tot aanhouding aan de rechter kenbaar maakt, en de rechter naar aanleiding daarvan afziet van verdere aanhouding, heeft tot slot te gelden dat de periode tussen het moment dat de rechter partijen in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om de zaak aan te houden en zijn reactie op de daartegen ingebrachte bezwaren, dient te worden betrokken bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden (zie met betrekking tot het in 3.7.3 tot en met 3.7.5 overwogene de uitspraak van de grote kamer van 29 januari 2014).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen hiervoor in 3.7.1 tot en met 3.7.5 is overwogen met betrekking tot het afwachten van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie, indien het afwachten van die beslissing redelijk is, dient overeenkomstig te worden toegepast indien de inspecteur dan wel de rechter de zaak aanhoudt in afwachting van een uitspraak in een procedure bij een andere rechter dan het Hof van Justitie (vgl. EHRM 22 juni 2000, nr. 32492/96 e.a., Coëme, ECLI:CE:ECHR:2000:0622JUD003249296, par. 139-140 en EHRM 22 september 1994, nr. 13616/88, Hentrich, ECLI:CE:ECHR:1994:0922JUD001361688, par. 61). De eventueel buiten beschouwing te laten periode eindigt dan uiterlijk op de dag van de openbaarmaking van de uitspraak van die andere rechter of, indien dat eerder is, de dag waarop de inspecteur de belanghebbende dan wel de rechter partijen in kennis stelt van de inhoud van die uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.10 Okhuizen heeft bij voornoemd arrest aangetekend dat het nieuw is dat de regels die gelden bij het aanhouden van een zaak omdat een prejudiciële vraag aan het HvJ gesteld wordt, ook gelden bij aanhouding van een zaak in afwachting van een uitspraak van een andere instantie:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw zijn ook de regels die de Hoge Raad in r.o. 3.7.2 e.v. geeft over de termijn die gemoeid is met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing van het HvJ. De Hoge Raad neemt in r.o. 3.7.2 tot en met 3.7.5 de rechtsoverwegingen 4.7.1 tot en met 4.7.4 van de uitspraak van de grote kamer van de ABRvS van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, AB 2014/115 letterlijk over. Dit is nota bene de uitspraak waarin de ABRvS zich wat betreft de uitgangspunten voor de lengte van de redelijke termijn in eerste instantie en de verdeling daarvan over de bezwaar- en beroepsfase conformeerde aan de Hoge Raad. De Hoge Raad neemt niet alleen de tekst letterlijk over, maar geeft daar vervolgens ook uitbreiding aan: deze regels gelden niet alleen wanneer gewacht wordt op een prejudiciële vraag, maar ook bij aanhouding van een zaak in afwachting van een andere uitspraak in een procedure bij een andere rechter dan het HvJ. Ook dan kan termijnverlenging aan de orde zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.11 Ik heb over de reikwijdte van het Handvest geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Handvest werkt uitsluitend binnen de context van het recht van de Europese Unie. Zijn oogmerk is om de gelding van grondrechten te waarborgen in die gevallen waarin uitvoering wordt gegeven aan de doelstellingen van de Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 51 verplicht de instellingen, organen en instanties van de Unie haar bepalingen na te leven ‘uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen’. Voor de lidstaten geldt, blijkens de Toelichting, dat zij conform de jurisprudentie van het Hof de grondrechten van de Unie alleen moeten eerbiedigen wanneer zij optreden binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie. Het tweede lid benadrukt dat het Handvest het toepassingsgebied van de Unie niet uitbreidt buiten zijn bevoegdheden en geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie schept. Het Handvest kan dus niet te hulp worden geroepen in geval van een ontslag wegens zwaarlijvigheid aangezien deze omstandigheid niet een verboden discriminatiegrond vormt in de zin van de Richtlijn 2000/78 van 27 november 2000 betreffende gelijke behandeling in arbeid en beroep. Ook heeft het Handvest – om een ander voorbeeld te noemen – geen betekenis voor arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd nu het EU-recht louter regels kent ten aanzien van arbeid voor bepaalde tijd. In het vermaarde arrest Åkerberg Fransson leidde het Hof uit artikel 51 af dat het optreden van de lidstaten in overeenstemming moet zijn met de gewaarborgde grondrechten, en dat een nationale regeling die binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, ook binnen het bereik van het Handvest ligt. In de literatuur wordt hierin algemeen gelezen dat dit betekent dat het Handvest zowel geldt waar de lidstaten maatregelen nemen ter implementatie van EU-recht, als waar zij met een beroep op verdragsrechtelijke bepalingen een regeling treffen waarin wordt afgeweken van de vier vrijheden. Dit laatste werd nog eens bevestigd in een arrest betreffende de Oostenrijkse regulering van kansspelautomaten. In het arrest Åkerberg Fransson hadden de prejudiciële vragen betrekking op aan de belanghebbende wegens niet-nakoming van zijn aangifteverplichtingen opgelegde sancties. Het ging erom of door het opleggen van een bestuursrechtelijke sanctie en een strafrechtelijke vervolging het in artikel 50 Handvest neergelegde ne bis in idem-beginsel was geschonden. Het Hof achtte zich bevoegd om hier te toetsen aan het Handvest omdat uit artikel 4, lid 3, VEU en de Btw-richtlijn voortvloeit dat de lidstaten verplicht zijn om alle bestuurlijke maatregelen te treffen tot inning van de Btw en om fraude te bestrijden (punt 25). Daarom dienen zij maatregelen te treffen ter bestrijding van activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden (artikel 325 WVEU). De betreffende regelingen ter zake van boetes en strafvervolging zijn weliswaar niet ingesteld om uitvoering te geven aan de Btw-richtlijn, maar dienen wel om de schending van haar bepalingen te bestraffen; dus geven zij uitvoering aan de specifieke verplichting om gedragingen waarmee de financiële belangen van de Unie worden geschaad, effectief te bestraffen (punt 28). In het arrest Siragusa wordt het algemene deel van de overwegingen uit Åkerberg Fransson verder uitgewerkt. Het Hof haakt hier in op het hierboven al geciteerde begrip ‘ten uitvoer brengen van het Unierecht’. In een inmiddels befaamde overweging verklaart het dat dit ‘vereist dat er een zekere mate van een verband bestaat dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere’. Factoren die daarbij relevant zijn, zijn of de nationale regeling</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de uitvoering van een Unierechtelijke bepaling beoogt,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>wat de aard van deze regeling is,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>of zij niet andere doelstellingen nastreeft dan het Unierecht, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>of er een Unierechtelijke regeling is welke specifiek is voor deze materie. (…) Korte tijd na het wijzen van dit arrest heeft het Hof in het arrest Hernández nog een nadere regel gegeven voor de beoordeling van de reikwijdte van het Handvest. Het enkele feit dat een nationale maatregel valt binnen het gebied waarop de Unie over bevoegdheden beschikt, betekent niet per se dat die maatregel binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt waardoor het Handvest van toepassing zou worden. Deze zaak betrof een ontslagkwestie. De Unie heeft hierin bevoegdheden op de voet van artikel 153, lid 2, VWEU en de Richtlijn 2000/78. Maar die Europeesrechtelijke bepalingen blijven beperkt tot ontslagvergoedingen die de werknemer kan eisen, terwijl de relevante Spaanse regeling die in de zaak Hernández aan de orde was, ziet op een schadevergoeding in verband met een ontslag welke de werkgever in een bepaald geval van de staat kan eisen. Dus valt de nationale regeling buiten het terrein waarop daadwerkelijk een Europese regeling bestaat.</div>\n<p class=\"lf-p\">11Beantwoording van de prejudiciële vragen Ten geleide 11.1 Belanghebbende woonde in 2013 in Nederland. Hij was in 2013 werkzaam op een binnenschip dat eigendom is van [B] B.V. (hierna: [B] B.V.). Aan [B] B.V. is voor dit schip op 19 augustus 2010 een Rijnvaartverklaring afgegeven. Belanghebbende heeft gevaren in Nederland en België.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 Tot 1 februari 2013 was belanghebbende in loondienst bij [B] BV en vanaf 1 februari 2013 bij [C] Ltd. (hierna: [C] Ltd) te Cyprus. De SVB heeft op 4 januari 2013 een A1-verklaring afgegeven, welke inhield dat belanghebbende werknemer was van [B] BV en van 3 januari 2013 tot en met 31 december 2013 onderworpen was aan de heffing premie volksverzekeringen in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 De SVB heeft, kennelijk in reactie op een brief van gemachtigde waarin gesommeerd werd een besluit te nemen op het verzoek in een brief van 25 april 2013 om de Cypriotische wetgeving van toepassing te verklaren, op 24 juni 2014 een A1-verklaring afgegeven. Deze A1-verklaring van 24 juni 2014 houdt in dat belanghebbende van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 was onderworpen aan de heffing van premie volksverzekeringen in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4 Het door [C] Ltd en haar werknemers tegen de A1-verklaring van 24 juni 2014 gemaakte bezwaar is door de SVB afgewezen. Het daartegen gerichte beroep van belanghebbende is door de rechtbank Noord-Nederland gegrond verklaard en de rechtbank Noord-Nederland heeft de SVB opgedragen een nieuw besluit te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.5 De CRvB heeft bij uitspraak van 29 december 2017 op het hoger beroep van de SVB geoordeeld dat de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland bevestigd moeten worden en dat de SVB wordt opgedragen om binnen twaalf weken nieuwe besluiten te nemen op de ingediende bezwaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.6 De SVB heeft op 20 maart 2018 de A1-verklaring van 24 juni 2014 herroepen. Op 20 maart 2018 heeft de SVB eveneens een nieuwe A1-verklaring afgegeven. Die A1-verklaring houdt in dat belanghebbende in dienst is van [C] Ltd. en is onderworpen aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving voor de periode 1 februari 2013 tot en met 30 april 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.7 De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een verzamelinkomen van € 41.419 en premie-inkomen van € 33.363.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8 Bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2013 heeft de Inspecteur niet de door belanghebbende verzochte vrijstelling premie volksverzekeringen verleend. De Inspecteur heeft belanghebbendes bezwaar afgewezen en de Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9</p></div>", "next": 239614}