{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">A-G Machielse concludeerde dat het hof hieruit kon afleiden dat de verdachte “een aandeel heeft gehad in gedragingen die verband hielden met de misdrijven [mijn cursivering, EH] waarop het oogmerk van de organisatie was gericht en de realisering van deze misdrijven daadwerkelijk heeft ondersteund.” De slotsom van de Hoge Raad luidde dienovereenkomstig dat het oordeel van het hof dat de verdachte “door zo te handelen daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisaties bestaande oogmerk [mijn cursivering, EH] en derhalve aan die organisaties heeft \"deelgenomen\" in de hiervoor bedoelde betekenis” niet onbegrijpelijk was en het middel faalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbesproken blijft of en, zo ja, waarom uit de in het arrest opgesomde gedragingen van de verdachte kon worden afgeleid dat hij een aandeel had in, of ondersteunde, gedragingen die specifiek betrekking hadden op het oogmerk van de organisatie op bedreigingen met een terroristisch misdrijf. Omdat ik dat aandeel ook niet direct zie, houd ik het ervoor dat voor “deelneming” aan een organisatie die het oogmerk heeft op misdrijven én op terroristische misdrijven, niet is vereist dat de verdachte een aandeel heeft in, of ondersteunt, gedragingen die strekken tot verwezenlijking van of rechtstreeks verband houden met het oogmerk van de organisatie op de terroristische misdrijven. Die benadering sluit aan bij de ten aanzien van een organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr en het oogmerk op uiteenlopende misdrijven gekozen lijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">93.</span>De steller van het middel verwijst specifiek naar één van de andere Hofstadgroep-zaken, te weten HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132. Een vergelijking van deze zaak met de zojuist gememoreerde zaak laat zien hoezeer het in de Hofstadgroep-zaken om grensgevallen ging. De verdachte in de door de steller van het middel aangehaalde zaak werd verweten te hebben deelgenomen aan een organisatie met het oogmerk op – onder meer en samengevat – opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, het verspreiden van opruiende geschriften, aanzetten tot haat, en bedreigingen met (terroristische) misdrijven. Uit de bewijsvoering in de zaak bleek dat de verdachte: (1) bijeenkomsten had bijgewoond waarbij over de gewelddadige verspreiding van de islam werd gesproken; (2) zich tijdens zulke bijeenkomsten en ook overigens had ingespannen om het door hem aangehangen gedachtegoed betreffende de islam en de verspreiding daarvan op anderen over te brengen; (3) tijdens zulke bijeenkomsten om geld had gevraagd ter ondersteuning van gezinsleden van gedetineerde geestverwanten; (4) tezamen met anderen in een pand woonde waarin documenten en beeldmateriaal aanwezig waren met betrekking tot de gewelddadige jihad. Uit deze gedragingen van de verdachte kon volgens de Hoge Raad niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte aan de organisatie had “deelgenomen”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">94.</span>De parallel van de thans voorliggende zaak met de laatstgenoemde zaak wordt in de toelichting op het middel extra aangezet door erop te wijzen dat het hof in de onderhavige zaak eveneens heeft vastgesteld dat de verdachte bijeenkomsten bijwoonde waarop over de gewelddadige verspreiding van de islam werd gesproken. De vergelijking gaat, meen ik, mank. Uit de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Machielse aangaande de zaak waarin de Hoge Raad op 3 juli 2012 casseerde, komt duidelijk naar voren dat de verdachte wel beschikte over haatzaaiende, discriminerende en/of opruiende documenten en opnames van de Hofstadgroep en ook dat hij zich kennelijk schaarde achter de radicaalislamitische ideeën van die groep, maar dat in de zaak niet bleek dat de verdachte de geschriften of opnames die hij in zijn bezit had verder wilde verspreiden of aan de verdere verspreiding buiten de besloten gesprekskring had bijgedragen. Zo een passief consumeren van het radicale gedachtengoed van een organisatie verschaft niet, althans niet zonder meer, daadwerkelijk aandeel in of ondersteuning aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het relevante oogmerk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">95.</span>In de onderhavige zaak liggen de feiten anders. Het hof overweegt dat de verdachte al in een vroeg stadium betrokken was bij de organisatie en “een belangrijke ondersteunende rol” heeft gespeeld. Deze rol bestond onder meer erin dat hij regelmatig deelnam aan demonstraties die door andere deelnemers aan de organisatie waren georganiseerd, hij bezoeker was van het pand van de organisatie en hij was aangewezen als degene bij wie men terecht kon met vragen over het [F] . De bewijsmiddelen houden over de rol van de verdachte voorts onder meer het volgende in:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De deskundige (antropoloog) M. de Koning, die in 2010/2011 startte met een onderzoek naar activistische netwerken ( [D] , [E] , / [B] en [A] ) in Nederland en België, die niet tot mainstream islam kunnen worden gerekend, heeft over de rol van de verdachte verklaard dat hij “een vaste klant in de outer circle” van de organisatie was (b.m. 6 en 16) en een graag geziene gast bij de verschillende activiteiten (b.m. 10). De verdachte onderhield met verschillende medeverdachten in de relevante periode telefonisch contact (b.m. 96).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Door middel van onderzoek in open bronnen naar [A] / [B] / [C] is in kaart gebracht hoe deze organisaties met elkaar zijn verweven in de manier waarop zij zich in de (geschreven) media en op het internet uitten. Op zeven van de tien van de video's door [A] / [B] op YouTube gezet, komt de verdachte voor (b.m. 33).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Bij een doorzoeking in de woning van de verdachte [medeverdachte 3] zijn op een harde schijf twee foto’s aangetroffen waarop de verdachte is te zien in het pand van de organisatie, gezeten achter een tafel/bureau terwijl een microfoon op die tafel staat. Over de tafel is een vlag gedrapeerd met daarop een jihadistische afbeelding/tekst (b.m. 37).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De verdachte heeft verklaard één keer per week in het pand van de organisatie te zijn gekomen (b.m. 39).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De verdachte is te zien in een op YouTube geplaatste video, getiteld “Wij feliciteren de umma met het ontstaan van de Islamitische kalifaat.”, waarin de medeverdachte [medeverdachte 3] een groep mannen toespreekt die Arabische teksten scanderen (b.m. 7). De verdachte is ook bij de openbare bijeenkomsten/demonstraties in Den Haag bij [G] op 2 september 2013 (b.m. 61-63), op de [b-straat] op 8 september 2013 (b.m. 64-66) en de [c-straat] op 24 juli 2014 (b.m. 69-71) aanwezig geweest. Bij deze bijeenkomsten/demonstraties werden onder meer vlaggen getoond die in gebruik zijn bij terroristische organisaties, werden antisemitische leuzen gescandeerd en werd een antidemocratisch spandoek getoond (b.m. 67).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De verdachte heeft zelf verklaard bij de bijeenkomst van “ [A] ” in Urk aanwezig te zijn geweest en bij veel demonstraties, waarvan hij via internet en Facebook op de hoogte raakte (b.m. 8). Tevens heeft de verdachte verklaard “in het begin vaak” mee te zijn gegaan (b.m. 9).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De verdachte heeft op het Facebookprofiel onder zijn alias “ [naam] ” foto's en filmpjes gepost die aanwijzingen of beeldvormingen weergeven, welke in verband staan met de gewapende strijd in Syrië (b.m. 11-13). Het hof heeft diverse Facebook- en Twitterberichten van de verdachte overeenkomstig de op dagvaarding I onder 1A en 1B tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en gekwalificeerd als het opruien tot onder meer het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en het verspreiden van daartoe opruiende geschriften.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De verdachte is in het kader van “ [F] ” één van de aanspreekpunten voor het geval zich vragen of opmerkingen met urgentie voordeden (b.m. 95). In het kader van dat project werden aan de verdachte ook taken toebedeeld (b.m. 96).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">96.</span>Aldus heeft de verdachte in de onderhavige zaak zich niet beperkt tot het passief tot zich nemen van het gedachtengoed van de groep. De verdachte heeft zich zelf actief betoond, zowel in het openbaar als in het pand van de organisatie. Hij heeft bovendien zelf ook enkele van de misdrijven gepleegd waarop het oogmerk van de organisatie was gericht. Onder die omstandigheden acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte aan de organisaties heeft “deelgenomen” als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr en art. 140a, eerste lid, Sr niet onjuist of onbegrijpelijk. Dat oordeel is tevens toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">97.</span>Ook deze deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">98.</span>Het derde middel faalt in alle onderdelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">VII. Het vierde middel: vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting VII.1 Het middel en de relevante overwegingen van het hof 99. Het vierde middel richt diverse klachten tegen het oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde feiten strafbaar zijn. De kern van de klachten is dat het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte niet worden beschermd door de vrijheden van godsdienst en meningsuiting getuigt van één of meer onjuiste rechtsopvattingen, althans op één of meer onderdelen mede in het licht van de door de verdediging gevoerde verweren onbegrijpelijk is of ontoereikend is gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">100.</span>Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7, 13, 14, 20, 21, 22 en 28 maart 2018 en 3, 4, 5 en 6 april 2018 en 14 mei 2018 heeft de raadsman van de verdachte aldaar op 21 en 22 maart 2018 het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig de in het procesdossier aanwezige pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden onder 3.1 tot en met 3.114 in dat strafrechtelijke veroordeling van de verdachte in strijd komt met art. 9 EVRM en/of art. 10 EVRM. Gezien de omvang van deze verweren, volsta ik met verwijzing daarnaar en naar de door het hof gegeven samenvatting in het volgende randnummer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">101.</span>Het hof heeft de namens de verdachte gevoerde verweren in het bestreden arrest als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen: “Strafbaarheid van het bewezen verklaarde [...]Vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuitingNamens de verdachte heeft de verdediging een beroep gedaan op de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting (artikel 9 en 10 het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het beroep stuit naar het oordeel van het hof af op artikel 17 EVRM. In de onderhavige zaak is komen vast te staan dat de verdachte de vrijheid van meningsuiting heeft ingezet voor doeleinden die overduidelijk in strijd zijn met de geest van het EVRM: zij hebben, geïnspireerd door religieus fundamentalisme, aangezet tot het meedoen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, waarin altijd terroristische misdrijven worden gepleegd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat kan worden gekwalificeerd als te zijn gericht op de vernietiging van de in het Verdrag beschermde rechten en vrijheden. Daarom ontvalt aan hem al bij voorbaat de bescherming van artikel 9 en 10 EVRM (vergelijk ook EHRC 2017/169. EHRM, 27-6-2017, 343678/14).Het hof overweegt daarbij nog, dat ook een materiële toets op basis de artikelen 9 en 10 EVRM niet tot een ander oordeel leidt. Het EVRM zelf en de beperkingssystematiek van het EVRM brengen dat met zich mee. Volledigheidshalve zal het hof de daaromtrent gemaakte afwegingen hieronder weergeven.Het hof verwerpt het beroep van de verdediging op artikel 9 EVRM (godsdienstvrijheid), dat bescherming biedt aan uitingen voor zover zij naar objectieve maatstaven een directe uitdrukking van godsdienst of levensovertuiging vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewezenverklaarde uitingen die oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd – en dus opruien tot terroristische misdrijven dan wel geschriften die daartoe opruien verspreiden – kunnen naar objectieve maatstaven niet worden beschouwd als het directe belijden van een godsdienst.De verdediging heeft verder bepleit dat het ten laste gelegde handelen wordt beschermd door artikel 10 EVRM. De door de tenlastelegging beoogde strafbepaling dient dan ook buiten toepassing te blijven en de verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat met de veroordeling van de verdachte ter zake van uitingsdelicten inbreuk wordt gemaakt op het recht van de verdachte op vrije meningsuiting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, EVRM. Het hof heeft dan ook te onderzoeken of die inbreuk gerechtvaardigd is als bedoeld in artikel 10, tweede lid, EVRM.Het recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van voornoemde verdragsbepaling toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van genoemde vrijheid vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 131 en 132 Sr vormen toegankelijke en voorzienbare beperkingen. Gelet op hetgeen de verdachte wist van de strijd in Syrië, nl. dat de gewapende strijdgroepen in Syrië ernstige misdrijven pleegden, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen e.d. met een terroristisch oogmerk, was voor hem voorzienbaar dat (het verspreiden ter) opruiing tot 'deelname aan de gewapende jihadstrijd' als strafbaar feit in de zin van deze artikelen zou worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen moeten worden beschouwd als in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is. Uit de Europese jurisprudentie moet worden afgeleid dat \"noodzakelijk\" inhoudt: een dringende maatschappelijke noodzaak (\"pressing social need\") waarbij aan de lidstaten een zekere vrijheid toekomt bij de waardering van die noodzaak. Bij die waardering moet een afweging worden gemaakt tussen het fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting (het individuele grondrecht) en het fundamentele belang van bescherming van de democratische (rechts-)staat (het algemene fundamentele maatschappelijke belang) plaatsvinden. Een aanvaardbare beperking van de vrijheid van meningsuiting dient in ieder geval te voldoen aan eisen van proportionaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof oordeelt dat nu de bewezen verklaarde feiten opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd – waarvan de betekenis hierboven is weergegeven – in beginsel de Nederlandse democratische rechtsstaat in gevaar is. De terroristische misdrijven die worden gepleegd door degenen die - na te zijn opgeruid - vanuit Nederland uitreizen en deelnemen aan de gewapende jihadstrijd zijn hiervoor al weergegeven en besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de inbreuk op verdachtes recht op haar vrijheid van meningsuiting niet in strijd is met artikel 10 EVRM. Een veroordeling voor het bewezen verklaarde handelen is naar het oordeel van het hof derhalve niet in strijd met voornoemde verdragsbepaling.Toetsing aan het grondwettelijk beperkingssysteem leidt tot dezelfde uitkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">102.</span>De steller van het middel komt op tegen vier onderdelen van de bovenstaande overwegingen. Deze onderdelen zijn in de cassatieschriftuur gelabeld A) tot en met D). Ik zal de in het middel en de toelichting erop gehanteerde indeling hierna zoveel mogelijk eerbiedigen.</div>\n<p class=\"lf-p\">VII.2 Art. 17 EVRM 103. Het middel klaagt onder A) over het oordeel van het hof dat de verdachte op grond van art. 17 EVRM niet de bescherming kan inroepen van de artikelen 9 en 10 EVRM.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">104.</span>De Engelse, authentieke, tekst van art. 17 EVRM luidt: “Nothing in this Convention may be interpreted as implying for any State, group or person any right to engage in any activity or perform any act aimed at the destruction of any of the rights and freedoms set forth herein or at their limitation to a greater extent than is provided for in the Convention.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">105.</span>Niet geheel ten onrechte noemt Buyse deze verdragsbepaling “one of the most paradoxical provisions of the Convention”. Hij doelt daarmee in de eerste plaats op de ratio ervan. Voor zover het zich richt tot groepen en individuele personen, is de strekking van art. 17 EVRM “to make it impossible for them to derive from the Convention a right to engage in any activity or perform any act aimed at destroying any of the rights and freedoms set forth in the Convention.”Daarmee raakt het verdragsartikel aan het concept van de ‘weerbare democratie’, dat berust op de gedachte dat een democratie zich ertegen moet (kunnen) wapenen dat zij met de door haarzelf aangereikte instrumenten omvergeworpen wordt. In lijn met die grondgedachte mag een persoon of groep die zich tot doel stelt de rechten en vrijheden van het EVRM te vernietigen zich niet ter verwezenlijking van dat doel op het EVRM kunnen beroepen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">106.</span>In de rechtspraak van het EHRM komt men directe toepassing van art. 17 EVRM tegen, en ook gevallen waarin art. 17 EVRM indirect een rol speelt. In die laatste gevallen is de bepaling een interpretatietool die als argument bijdraagt aan de conclusie dat een beperking van het betrokken mensenrecht noodzakelijk is in een democratische samenleving. Directe toepassing van art. 17 EVRM brengt daarentegen mee dat een beroep op de rechten die het EVRM toekent, de klager wordt ontzegd omdat de klacht ratione materiae onverenigbaar is met het Verdrag. Gelet op het doel van de bepaling en de ingrijpende consequenties van de toepassing ervan, kan de verdragsbepaling volgens het EHRM alleen directe toepassing vinden “on an exceptional basis and in extreme cases”. De Hoge Raad heeft dit laatste eveneens benadrukt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">107.</span>Het exceptionele karakter van art. 17 EVRM en de ratio van de bepaling brengen onder meer met zich dat niet alle door het EVRM gewaarborgde fundamentele rechten met een beroep op die bepaling kunnen worden ontzegd. Zo wordt aangenomen dat de in art. 15 EVRM als niet-derogeerbaar aangemerkte rechten niet op grond van art. 17 EVRM buiten toepassing kunnen worden gelaten. Het EHRM heeft geoordeeld dat het doel van art. 17 geen rechtvaardiging kan bieden om personen die hebben deelgenomen aan activiteiten die erop gericht zijn de grondrechten van het EVRM te beschadigen, in een daaropvolgende (straf)procedure de aanspraken van art. 5 en/of art. 6 EVRM te onthouden. Het is dus in de praktijk vooral de context van de materiële, en meer in het bijzonder die van de ‘politieke’, vrijheden, zoals die van art. 9, art. 10 en art. 11 EVRM, waarin art. 17 EVRM aan de ontvankelijkheid van een klacht in Straatsburg rechtstreeks in de weg kan staan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">108.</span>Een beroep op specifiek art. 10 EVRM stuit af op het bepaalde in art. 17 EVRM als de litigieuze uitingen “incompatible with the values proclaimed and guaranteed by the Convention” zijn. Het komt er uiteindelijk op aan of “the statements are directed against the Convention’s underlying values, for example by stirring up hatred or violence, and whether by making the statement, the author attempted to rely on the Convention to engage in an activity or perform acts aimed at the destruction of the rights and freedoms laid down in it”.De uitingen ten aanzien waarvan het EHRM tot nu toe heeft geoordeeld dat zij aan dat criterium voldoen en dus de bescherming van het EVRM ontberen, kunnen nader worden gecategoriseerd. Ernstige vormen van discriminatie (islamofobie, antisemitisme, xenofobie, enz.) zijn een eerste categorie van gevallen. Daarnaast is art. 17 EVRM een aantal keren met succes ingeroepen tegen de ontkenning van de holocaust en de uitgesproken minachting voor de slachtoffers daarvan. Aan de verdragsbepaling kan ook toepassing worden gegeven wanneer EVRM-rechten worden ingeroepen ter zake van politieke uitingen (of verenigingen) waaraan een streven naar een totalitair regime ten grondslag ligt of die anderszins een met een democratische staat onverenigbare politieke visie uitdragen. Hier het meest van belang is echter een (vierde) categorie van uitingen, te weten uitingen die oproepen tot haat of geweld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">109.</span>Vanwege de context van die zaak is hier in het bijzonder relevant de ontvankelijkheidsbeslissing in Belkacem/België.Belkacem, ten tijde van de feiten leider en woordvoerder van de organisatie Sharia4Belgium, klaagde in Straatsburg dat zijn recht op vrije meningsuiting was geschonden bij de strafvervolging ter zake van door hem op YouTube geplaatste video’s. In deze video’s riep hij op om niet-moslims te “domineren” en te “bestrijden”. Het EHRM overweegt niet te twijfelen aan de haatdragende strekking van zijn boodschap en sluit zich aan bij de nationale rechter die had vastgesteld dat de klager trachtte haat, discriminatie en geweld te zaaien tegen alle personen die geen moslim zijn. Een dergelijke algemene en heftige aanval acht het EHRM in tegenspraak met de aan het Verdrag ten grondslag liggende waarden van tolerantie, sociale vrede en gelijkheid. Met betrekking tot de door Belkacem uitgedragen wens Sharia te vestigen, stelt het Hof de zaak vervolgens tegenover Gündüz/Turkije, waarin het Hof eerder had geoordeeld dat het enkele verdedigen van de Sharia, zonder oproep tot geweld om deze te vestigen, niet als hate speech kan worden beschouwd. In Belkacem is van zo een oproep tot geweld wél sprake. Het EHRM verklaarde de klager op grond van art. 17 EVRM niet-ontvankelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">110.</span>Eveneens in verband met de onderhavige zaak in het bijzonder relevant is de zaak Roj TV A/S/Denemarken.De klager in die zaak is een Deens(e) bedrijf en televisiezender. Nadat Turkse autoriteiten zich over de zender hadden beklaagd en in Duitsland reeds een verbod op de zender was uitgevaardigd, is het bedrijf in Denemarken vervolgd en veroordeeld voor het ‘promoten’ van een binnen Europa algemeen als terroristisch beschouwde organisatie, te weten de Koerdische PKK. De Deense rechter stelde vast dat de klager via de televisie-uitzendingen gedurende vier jaar “had promoted the PKK’s terror operation”. De feitenrechter oordeelde dat de eenzijdige verslaggeving met “repetitive incitement to participate in fights and actions, incitement to join the organisation/the guerrilla, and the portrayal of deceased guerrilla members as heroes, amounted to propaganda for the PKK, and that it could not only be considered a declaration of sympathy.” Geconstateerd was ook dat de klager in die jaren in significante mate werd gefinancierd door de PKK.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het EHRM benadrukt vervolgens dat de nationale rechter de televisie-uitzendingen uitvoerig heeft bestudeerd en de zaak in drie instanties heeft beoordeeld, waarbij ook het recht van de verdachte op vrije meningsuiting is betrokken. Na het beoordelingskader voor toepassing van art. 17 EVRM te hebben vooropgesteld, verklaart het Hof de klacht ratione materiae niet-ontvankelijk. Daartoe hecht het veel gewicht aan de vaststelling van de nationale rechter. Het EHRM komt tot de conclusie dat: “taking firstly account of the nature of the impugned programmes, which included incitement to violence and support for terrorist activity, elements extensively examined by the national courts, secondly, the fact that the views expressed therein were disseminated to a wide audience through television broadcasting and, thirdly, that they related directly to an issue which is paramount in modern European society – the prevention of terrorism and terrorist-related expressions advocating the use of violence – the applicant company´s complaint does not, by virtue of Article 17 of the Convention, attract the protection afforded by Article 10.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">111.</span>Ik vind in de rechtspraak van het EHRM geen steun voor het standpunt van de steller van het middel dat per uiting afzonderlijk zou moeten worden geëxpliciteerd of art. 17 EVRM een beroep op het EVRM van de verdachte ontzegt. In het bijzonder ook niet in de in dat verband in de cassatieschriftuur genoemde uitspraak in de zaak Ibragim Ibragimov e.a./Rusland. In die zaak leidde noch directe toepassing noch indirecte toepassing van art. 17 EVRM het EHRM tot de slotsom dat art. 17 EVRM aan een beroep op het EVRM in de weg stond. Integendeel, het EHRM constateerde een schending van art. 10 EVRM. Over het onderzoek van de nationale rechter in die zaak was het Straatsburgse Hof duidelijk niet ingenomen. De nationale rechter had boeken als ‘extremistisch’ gekwalificeerd, maar zich daarbij vrijwel geheel verlaten op het oordeel van een deskundige zonder zelf te identificeren welke uitingen in die boeken extremistisch waren. Voor zover wel kon worden opgemaakt welke concrete uitingen waren bedoeld, kon het EHRM de kwalificatie als extremistisch niet volgen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het EHRM niet toestaat dat de nationale rechter, die concrete uitingen heeft geïdentificeerd en niet-onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat zij in onderlinge samenhang bezien aanzetten tot geweld, niet zou mogen beslissen dat deze uitingen op grond van art. 17 EVRM collectief geen bescherming aan het EVRM kunnen ontlenen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">112.</span>De steller van het middel vraagt in relatie tot art. 17 EVRM nog aandacht voor de geschiedenis van de grondwetsherziening van 1983. In het kader daarvan is aan de orde geweest of de herziene Nederlandse Grondwet een bepaling zou moeten bevatten van de strekking van art. 17 EVRM. De memorie van toelichting bij de “Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake grondrechten”, houdt dienaangaande het volgende in: “Het vraagstuk van de aantasting van grondrechten door middel van grondrechten leidt tot de concrete vraag of in navolging van artikel 17 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden een bepaling moet worden opgenomen, op grond waarvan kan worden tegengegaan, dat de grondrechten door middel van de uitoefening van grondrechten worden aangetast. Dat een dergelijke aantasting mogelijk is, lijkt niet voor bestrijding vatbaar. Onder gebruikmaking van de grondrechten kunnen activiteiten worden ontplooid, welke juist op het teniet doen van deze rechten zijn gericht. Zo kan door middel van het geschreven woord de overgang worden nagestreefd naar een politieke orde, waarin de vrijheid van meningsuiting in ernstige mate is beknot en waarin slechts aanhangers van het aan de macht zijnde politieke regime recht van spreken hebben.Met de staatscommissie en de indieners van wetsontwerp 11 051 beantwoorden wij de vraag ontkennend.Vooreerst kan men betwijfelen of een grondwetsartikel op dit stuk een maatschappelijke of politieke ontwikkeling als hier bedoeld kan tegenhouden. Verder bieden de beperkingsclausules van de verschillende artikelen – gewezen zij bijv. op de artikelen 1.7 en 1.8 – reeds de nodige mogelijkheden om bepaalde maatregelen te treffen, indien dat ooit wenselijk mocht worden.”</div>\n<p class=\"lf-p\">En de memorie van antwoord zegt over deze kwestie: “Hoewel in het voorlopig verslag enerzijds instemming wordt betuigd met de conclusie van de regering, dat geen behoefte bestaat aan opneming van een bepaling overeenkomstig artikel 17 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt anderzijds de vraag opgeworpen waarom geen bepaling is opgenomen om de aantasting van grondrechten en wellicht ook van andere zeer zwaarwegende belangen door grondrechten tegen te gaan. Verwezen wordt daarbij naar de intreerede van prof. dr. G. van den Bergh in 1936 over de democratische staat en de niet-democratische partijen, waarin onder meer de vraag wordt aangesneden in hoeverre politieke partijen, al dan niet als vereniging georganiseerd, wier doelstellingen in strijd met de goede zeden zijn, mogen worden verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting is er reeds op gewezen, dat de beperkingsclausules voldoende mogelijkheden inhouden om de in dit opzicht noodzakelijke maatregelen te treffen. Van die mogelijkheid is reeds in verschillende gevallen gebruik gemaakt, zoals ook in het voorlopig verslag wordt opgemerkt. Wij wijzen hierbij nog op het volgende. In het wetsontwerp zijn alle grondrechten, welke de burger het recht tot bepaalde gedragingen verschaffen, voorzien van een beperkingsclausule. Dit brengt mee, dat de wetgever de uitoefening van een grondrecht, ook wanneer daardoor iemand anders in zijn grondrecht wordt aangetast, aan beperkingen kan onderwerpen. Deze mogelijkheid heeft de wetgever, zoals reeds werd opgemerkt, op verschillende wijzen benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijke voorbeelden daarvan biedt het Wetboek van Strafrecht, waarin tal van strafbaarstellingen voorkomen welke (mede) dienen om de burgers in hun grondrechtelijke belangen te beschermen. Gewezen zij onder meer op de artikelen 137c en volgende, welke tot doel hebben het recht om niet naar ras gediscrimineerd te worden te beschermen tegen een te ver gaande uitoefening van het recht gedachten of gevoelens te openbaren. Een ander voorbeeld biedt artikel 1401 Burgerlijk Wetboek. Dit artikel, dat gericht is tegen het begaan van onrechtmatige daden, kan ook in die gevallen worden ingeroepen waarin de betreffende daad wordt verricht in de uitoefening van een grondrecht, zoals sommige meningsuitingen welke iemands persoonlijke levenssfeer aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze voorbeelden blijkt, dat in het bestaande Nederlandse recht reeds een pakket van bescherming tegen aantasting van grondrechten door grondrechten aanwezig is. Daarbij is in het algemeen deze constructie gevolgd, dat het startpunt van de bescherming in wetgeving is gelegen, die verder voor een belangrijk deel door middel van rechtspraak wordt geëffectueerd. Zou men hieraan nu een grondwettelijke bepaling als artikel 17 van het Europese Verdrag toevoegen, dan zou dat aan de vraag waar de vrijheidsgrenzen van de burger bij de uitoefening van grondrechten liggen een sterk politieke component toevoegen en de beantwoording van die dikwijls politieke vraag niet in de eerste plaats aan de politiek verantwoordelijke organen maar primair aan de rechterlijke macht opdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter zou dan bij voorbeeld de vraag moeten beantwoorden op welk moment iemand het recht op vrijheid van meningsuiting verliest als hij wijzigingen in het bestaande staatkundige bestel bepleit; godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke opvattingen van andersdenkenden bestrijdt; de ongelijkheid van man en vrouw belijdt; e.d. Wij menen, dat, wanneer een dergelijke veelomvattende beperkingsbevoegdheid in één (te) simpele formule zou worden neergelegd, dit te zeer ten koste zou gaan van het waarborgkarakter van de grondrechten en de rechterlijke macht te zeer voor politieke strijdvragen zou plaatsen. In het wetsvoorstel is daarom gekozen voor een systeem, dat de wetgever de gelegenheid biedt in te grijpen in die gevallen waarin naar zijn oordeel de uitoefening van een grondrecht verder moet worden beperkt; bij voorbeeld op de wijze als in artikel 137c Wetboek van Strafrecht is geschied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beperkingsclausules voorzien daarin.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">113.</span>De steller van het middel neemt het standpunt in, dat deze grondwetsgeschiedenis ten onzent zou moeten leiden tot een “zeer stringente invulling van art. 17 EVRM op nationaal niveau.” Zij verwijst daartoe naar art. 53 EVRM dat verbiedt het Verdrag als rechtvaardiging te gebruiken om op nationaal niveau erkende grondrechten te beperken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">114.</span>Aan haar betoog ligt derhalve kennelijk de veronderstelling ten grondslag dat de Grondwet op nationaal niveau een hoger beschermingsniveau van grondrechten erkent. Dat berust dan kennelijk op de gedachte dat de reden dat de Grondwet niet een met art. 17 EVRM vergelijkbare bepaling bevat erin is gelegen dat in Nederland naar het oordeel van de grondwetgever voor de onder art. 17 EVRM te scharen vormen van misbruik van grondrechten een hoger beschermingsniveau zou moeten bestaan dan het EVRM waarborgt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">115.</span>Uit de door mij geciteerde parlementaire geschiedenis maak ik op dat de veronderstelling waarvan de steller van het middel uitgaat, onjuist is. De minister heeft vooropgesteld niet voor bestrijding vatbaar te achten dat het gebruik van grondrechten kan worden gericht op het teniet doen van grondrechten. De minister geloofde echter ten eerste niet dat een met art. 17 EVRM vergelijkbare bepaling de democratie zou hoeden voor ondemocratische ontwikkelingen, terwijl hij ten tweede van oordeel was dat de voorgestelde beperkingsclausules van de grondwettelijke grondrechten de wetgever voldoende ruimte zouden bieden om, bijvoorbeeld door middel van strafbaarstellingen, vormen van misbruik van grondrechten te verbieden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hij meende dat in Nederland “reeds een pakket van bescherming tegen aantasting van grondrechten door grondrechten aanwezig is”. Een ander argument om geen bepaling van de strekking van art. 17 EVRM op te nemen was van meer Nederlands constitutioneel-rechtelijke aard: zo een bepaling zou niet de wetgever maar de rechter voor de vraag stellen of van een inbreuk op grondwettelijke rechten sprake is, en dat aan de hand van een algemene, veelomvattende bepaling. De grondwetgever gaf de voorkeur aan de preciezere beperkingsclausules van de afzonderlijke grondrechten. Duidelijk is dat de grondwetgever door af te zien van een met art. 17 EVRM vergelijkbare grondwettelijke bepaling niet heeft beoogd gedragingen die op de voet van art. 17 EVRM door het Verdrag niet worden beschermd, naar nationaal recht wel bescherming te bieden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">116.</span>Terug naar de voorliggende zaak. Het hof heeft zijn oordeel dat het beroep op art. 9 en art. 10 EVRM afstuit op art. 17 EVRM bondig gemotiveerd, met verwijzing naar de zaak Belkacem. Een verschil tussen die zaak en de onderhavige zaak is volgens de steller van het middel dat in die zaak werd opgeroepen tot het plegen van geweld in en het omverwerpen van het openbaar gezag van een Partijstaat bij het EVRM, zijnde een democratische rechtsstaat. Ik lees de beslissing van het EHRM echter zó dat het totalitaire gevaar dat van de uitingen van Belkacem over de Sharia uitging een tweede zelfstandige grond vormt voor toepassing van art. 17, naast de eerste grond dat de klager opriep tot geweld tegen niet-moslims. Voor de stelling dat aansporingen tot haat en/of geweld louter met de onderliggende waarden van het EVRM in strijd kunnen komen indien en voor zover die haat en/of dat geweld zijn gericht tegen mensen die zich binnen de Raad van Europa bevinden, zie ik in de Straatsburgse rechtspraak geen enkele steun, in het bijzonder ook niet in de hiervoor besproken zaak Roj TV A/S/Denemarken. Het EHRM besteedt in die Deense zaak geen enkele aandacht aan de vraag of de door de klager in die zaak aangemoedigde organisatie de rechtsvrede van een bij het EVRM aangesloten land (in dat geval bijv. Turkije) bedreigt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">117.</span>Het hof heeft niet expliciet tot uitdrukking gebracht te hebben onderkend dat art. 17 EVRM een bijzonder en ingrijpend instrument is dat naar het oordeel van het EHRM en de Hoge Raad is gereserveerd voor exceptionele gevallen. In zoverre is de door het hof gegeven motivering van zijn oordeel over de toepasselijkheid van art. 17 EVRM wat summier. In het oordeel van het hof ligt evenwel besloten dat naar het oordeel van het hof van zo een exceptioneel geval hier sprake is. Vergelijkt men de onderhavige zaak met de hiervoor al meermalen genoemde zaak Roj TV A/S/Denemarken, dan springen vooral de overeenkomsten tussen beide zaken in het oog. Evenals de Deense zaak betreft het hier de strafvervolging ter zake van het verbaal ondersteunen van deelneming aan binnen de Raad van Europa algemeen als terroristisch aangemerkte organisaties. De in die Deense zaak vastgestelde “repetitive incitement to participate in fights and actions” en “incitement to join the organisation” sluiten vrijwel naadloos aan op de door het hof in de onderhavige zaak bewezenverklaarde opruiingsdelicten. Daar staat wel tegenover dat in de Deense zaak niet een aantal berichten van een individu op social media, maar televisie-uitzendingen gedurende vier jaar en met een groot bereik waren bewezenverklaard. Het komt mij echter voor dat dit verschil in intensiteit, duur en frequentie van de delicten het oordeel van het hof in de onderhavige zaak niet onbegrijpelijk maakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">118.</span>Ik meen dan ook dat het oordeel van het hof dat aan de verdachte op grond van art. 17 EVRM “bij voorbaat” de bescherming van art. 9 EVRM en art. 10 EVRM ontvalt, niet onjuist of onbegrijpelijk is en dat het tevens toereikend is gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">119.</span>Het bovenstaande brengt mee dat onderdeel A) van het middel tevergeefs is voorgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">120.</span>Indien de Hoge Raad mijn oordeel deelt, behoeven de onderdelen B) en C) van het middel geen bespreking. Die onderdelen hebben immers betrekking op de subsidiaire overwegingen van het hof dat – ook als toepassing van art. 17 EVRM niet meebrengt dat de verdachte de bescherming van art. 9 EVRM en art. 10 EVRM niet kan inroepen – art. 9 EVRM en art. 10 EVRM in casu jegens de verdachte niet zijn geschonden. Volledigheidshalve en voor het geval de Hoge Raad ten aanzien van onderdeel A) van het middel anders oordeelt, bespreek ik hieronder de onderdelen B) en C) van het middel.</div>\n<p class=\"lf-p\">VII.3 Inbreuk op art. 9 EVRM 121. Onder B) keert het middel zich met drie deelklachten tegen de overweging van het hof dat “de bewezenverklaarde uitingen […] naar objectieve maatstaven niet [kunnen] worden beschouwd als het directe belijden van een godsdienst”, waarop het hof zijn oordeel dat art. 9 EVRM aan de uitingen geen bescherming biedt, heeft doen steunen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">122.</span>Volgens de steller van het middel heeft het hof dit oordeel gemotiveerd op een wijze die – ten eerste – “in directe tegenspraak” is met “diverse andere overwegingen” uit de bestreden uitspraak. Ter stutting van die stelling wordt gewezen op de volgende overwegingen: (i) dat de verdachte en medeverdachten “geïnspireerd door religieus fundamentalisme” hebben aangezet tot het meedoen aan de gewapende jihadstrijd; en (ii) dat niet aan het hof ter beoordeling was “of er inderdaad sprake is of was van een geloofsovertuiging”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">123.</span>Ik deel het standpunt van de steller van het middel niet. Wat de door mij als (i) genummerde overweging betreft, meen ik dat het gegeven dat iemand tot de door hem of haar begane gedraging is geïnspireerd door een godsdienst, zeker niet uitsluit dat die gedraging (naar objectieve maatstaven gemeten) toch niet als het directe belijden van een godsdienst kan worden aangemerkt. Een gewelddadig ideaal staat immers niet gelijk aan een godsdienst. In contradictie met de bestreden overweging is op het eerste oog misschien wel de formulering van overweging (ii). Begrepen in haar context heeft deze overweging (ii) evenwel – in de woorden van het hof – betrekking op de vraag “welke motieven precies ten grondslag liggen aan het gepredikt en toegepast stelselmatig geweld in Syrië”. Het is dit motief van de verdachte en de medeverdachten, waarvan is overwogen dat het niet ter beoordeling van het hof staat. De reden daarvoor is dat zelfs als dat motief religieus is geen enkele godsdienst kan dienen als legitimatie van terreur. Aldus heeft het hof ook met deze overweging (ii) – in lijn met de bestreden overweging – tot uitdrukking gebracht dat opruien tot terreur geen uitlating is die gestalte kan geven aan het directe belijden van een godsdienst. Zo bezien is van innerlijke tegenstrijdigheid van de bestreden uitspraak zeker geen sprake.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">124.</span>Voor de – ten tweede – door de steller van het middel gesuggereerde tegenstrijdigheid tussen de met onderdeel B) van het middel aangevallen overweging en de gebezigde bewijsmiddelen geldt eigenlijk hetzelfde als voor overweging (i). De in het rapport en de verklaring van de deskundige (beide voor het bewijs gebruikt; bewijsmiddelen 4 en 5) beschreven religieuze achtergronden van de jihadstrijd behelzen dat die strijd mede is geïnspireerd en ingegeven door religieus gedachtegoed, maar dat betekent nog niet dat een oproep tot deelneming aan die jihadstrijd reeds daarom als het directe belijden van een godsdienst moet worden gekarakteriseerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">125.</span>De – ten derde – in onderdeel B) van (de toelichting op) het middel te lezen klacht houdt in dat het hof met de bestreden overweging een te strenge maatstaf voor de toepassing van art. 9, eerste lid, EVRM heeft aangelegd. Daartoe wordt aangevoerd dat het EHRM “zeer terughoudend” toetst of sprake is van het belijden van een godsdienst en wordt in het bijzonder gewezen op de zaak EHRM 2 december 2014, nrs. 31706/10 en 33088/10 (Güler en Uğur/Turkije).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">126.</span>Art. 9, eerste lid, EVRM beschermt de vrijheid van gedachten, geweten en religie. De Engelse (authentieke) tekst luidt: “Everyone has the right to freedom of thought, conscience and religion; this right includes freedom to change his religion or belief and freedom, either alone or in community with others and in public or private, to manifest his religion or belief, in worship, teaching, practice and observance.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">127.</span>De rechtspraak van het EHRM bevestigt dat de verdragsbepaling zo moet worden begrepen dat daarin twee aspecten van de vrijheid van gedachten, geweten en religie worden gewaarborgd. Het eerste aspect betreft de vrijheid om bepaalde gedachten en overtuigingen te hebben en ze eventueel te wijzigen. Dit eerste aspect heeft betrekking op het ‘forum internum’ van het individu en is absoluut van aard. Art. 9, tweede lid, EVRM biedt alleen grond om inbreuken op het tweede aspect van de vrijheid, de vrijheid om de door art. 9 beschermde gedachten en overtuigingen al dan niet openlijk te manifesteren, te legitimeren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">128.</span>Duidelijk is dat de verdachte in de onderhavige zaak niet het hebben dan wel het wijzigen van zijn opvattingen, godsdienst of levensovertuiging als zodanig wordt aangerekend. Inbreuk op het absolute aspect van de in art. 9 EVRM gegarandeerde vrijheid is dus niet aan de orde. Uiteraard kan strafrechtelijke vervolging wegens de uitoefening van een godsdienst of levensovertuiging of een door zo een overtuiging ingegeven gedraging een inbreuk op art. 9, eerste lid, EVRM opleveren. Daarvoor is dan wel nodig dat én sprake is van een mening of overtuiging die voldoet aan de daaraan onder art. 9, eerste lid, EVRM te stellen eisen én dat de gedraging ter zake waarvan de strafvervolging plaatsvindt als een manifestatie van die mening of overtuiging kan worden beschouwd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">129.</span>Art. 9, eerste lid, EVRM beschermt zowel religieuze als niet-religieuze opvattingen. Het EHRM acht het niet de taak van de overheid – de rechter daaronder begrepen – om de claim dat van een godsdienst of levensovertuiging sprake is, indringend te onderzoeken. Niettemin stelt het Straatsburgse Hof aan de te beschermen ‘thoughts, conscience and religion’ de eis dat zij zijn aan te merken als “views that attain a certain level of cogency, seriousness, cohesion and importance.” Aan dat vereiste voldoen zowel de grote traditionele, als diverse relatief nieuwe religies. Ook over coherente en oprechte meer thematische wijsbegeerlijke opvattingen, zoals veganisme en pacifisme, strekt art. 9, eerste lid, EVRM zich onder omstandigheden uit. Ik kan de steller van het middel wel volgen voor zover zij meent dat het EHRM tamelijk terughoudend toetst of een opvatting een door art. 9 EVRM beschermde overtuiging behelst.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">130.</span>Maar wanneer op zichzelf kan worden aangenomen dat de klager een door art. 9 EVRM beschermde opvatting van voldoende “cogency, seriousness, cohesion and importance” bezit, is nog niet iedere gedraging die daardoor op enige wijze is geïnspireerd, gemotiveerd of beïnvloed een ‘manifestatie’ van die opvatting, die door het tweede aspect van de in art. 9 EVRM vervatte vrijheid wordt beschermd. Dat is vaste rechtspraak van het EHRM. Ik citeer in dit verband de uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM in de zaak S.A.S./Frankrijk over het Franse boerkaverbod: “It is also true that an act which is inspired, motivated or influenced by a religion or beliefs, in order to count as a “manifestation” thereof within the meaning of Article 9, must be intimately linked to the religion or beliefs in question. An example would be an act of worship or devotion which forms part of the practice of a religion or beliefs in a generally recognised form. However, the “manifestation” of religion or belief is not limited to such acts; the existence of a sufficiently close and direct nexus between the act and the underlying belief must be determined on the facts of each case.”</div>\n<p class=\"lf-p\">In voormelde zaak nam de Grote Kamer aan dat het dragen van een boerka een manifestatie van religie was. De verklaring van de klaagster dat zij moslim is en dat haar geloof het dragen van een boerka gebiedt, volstond, aangezien “there is no doubt that this is, for certain Muslim women, a form of practical observance of their religion and can be seen as a “practice” within the meaning of Article 9 § 1 of the Convention.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">131.</span>Het komt mij voor dat de door de Grote Kamer genoemde – en vaker door het EHRM herhaalde – maatstaven van een “intimate link” en een “sufficiently close and direct nexus” tussen de gedraging en de onderliggende door art. 9 EVRM beschermde opvatting geen andere maatstaven zijn dan het door het hof (ik bedoel nu: het gerechtshof Den Haag) in de onderhavige zaak gehanteerde criterium of de gedraging ter zake waarvan de verdachte is vervolgd het ‘direct belijden’ van de gestelde godsdienst betreft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">132.</span>Ook geeft het oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde gedragingen niet als het direct belijden kunnen worden beschouwd niet ervan blijk dat aan een ‘manifestatie’ van een door art. 9 EVRM beschermde overtuiging door het hof te strenge eisen zijn gesteld. Voor een overzicht van uitspraken en ontvankelijkheidsbeslissingen waarin het EHRM (en vroeger: de Commissie) hebben geoordeeld dat van een manifestatie in de hier bedoelde zin niet of onvoldoende sprake is, verwijs ik naar de door medewerkers van het Europese Hof samengestelde Guide on Article 9 of the Convention.In veel van de in dit indrukwekkende overzicht genoemde gevallen was het verband tussen de gedragingen waarin de klager is beperkt enerzijds en de door art. 9 EVRM beschermde opvatting anderzijds wel te ontwaren, maar toch onvoldoende voor een manifestatie. De namens de verdachte gestelde relatie van zijn opruiende Facebook- en Twitterberichten met zijn godsdienst, staat daarmee in schril contrast.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">133.</span>Ook de verwijzing naar de zaak Güler en Uğur/Turkije in de cassatieschriftuur overtuigt mij allerminst dat het hof een te strenge maatstaf heeft aangelegd. Heel anders dan de verdachte in de onderhavige zaak, waren de wegens propaganda voor een terroristische organisatie strafrechtelijk veroordeelde klagers in die zaak veroordeeld omdat zij hadden deelgenomen aan een religieuze ceremonie ter herdenking van drie door ‘security forces’ gedode PKK-leden. Die ceremonie had een islamitisch karakter (mevlût); tijdens de ceremonie werden onder meer passages uit de Koran voorgedragen en werd gebeden. Het EHRM stelde vast dat niet ter discussie staat dat mevlût “is a religious ceremony commonly celebrated by Muslims in Turkey”. De enkele omstandigheid dat de ceremonie was georganiseerd “on the premises of a political party in which symbols of a terrorist organisation were displayed did not deprive the participants of the protection guaranteed by Article 9 of the Convention.”Het ligt nogal voor de hand dat deelneming aan een religieuze ceremonie in beginsel wordt beschouwd als de ‘manifestatie’ van een religie, tenzij bijzondere omstandigheden dat anders maken. Evident is naar mijn idee dat hetzelfde niet kan worden gezegd van de uitingen op Facebook en Twitter zoals gedaan en verspreid door de verdachte.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">134.</span>Onderdeel B) van het middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">VII.4 Voorzienbaarheid van de inbreuk op grondrechten 135. Onderdeel C) van het middel komt op tegen ’s hofs afwijking van het in hoger beroep gevoerde (deel)verweer dat in de kern erop neerkomt dat de door het hof bij een bewezenverklaring te geven interpretatie van art. 131 en art. 132 Sr zoveel extensiever is dan tot nu toe werd aangenomen dat de op deze strafbepalingen gebaseerde beperking op grondrechten niet is”‘prescribed by law” en/of “voorzien bij wet”, als bedoeld in art. 9, tweede lid, en art. 10, tweede lid, EVRM, respectievelijk art. 6 en art. 7 Gw. Immers, niet zou zijn voldaan aan de accessibility en foreseeability die het EHRM van de wettelijkheid van een grondrechtbeperking vergt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">136.</span>Zoals hiervoor reeds onder randnummer 101 weergegeven, heeft het hof in reactie op dit gevoerde (deel)verweer het volgende overwogen: “De artikelen 131 en 132 Sr vormen toegankelijke en voorzienbare beperkingen. Gelet op hetgeen de verdachte wist van de strijd in Syrië, nl. dat de gewapende strijdgroepen in Syrië ernstige misdrijven pleegden, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen e.d. met een terroristisch oogmerk, was voor hem voorzienbaar dat (het verspreiden ter) opruiing tot 'deelname aan de gewapende jihadstrijd' als strafbaar feit in de zin van deze artikelen zou worden aangemerkt.De bepalingen moeten worden beschouwd als in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">137.</span>Voor zover onderdeel C) van het middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd te reageren op het gevoerde verweer, zijnde een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van die bepaling, faalt het. Het hof heeft immers met zijn hiervoor geciteerde overwegingen op dat verweer gerespondeerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">138.</span>Voor zover onderdeel C) van het middel klaagt dat deze overwegingen van het hof onbegrijpelijk zijn of de motivering van de afwijking van het betoog van de verdediging ontoereikend is, faalt het eveneens. Zoals hierboven in mijn bespreking van het eerste middel uitvoerig uiteengezet, meen ik dat het oordeel van het hof goed aansluit bij de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad betreffende art. 131 Sr en art. 132 Sr.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">139.</span>Het oordeel van het hof dat, voor zover van een beperking van de ingeroepen grondrechten sprake is, deze op art. 131 Sr en art. 132 Sr gebaseerde beperking als voldoende toegankelijk en voorzienbaar moet worden beschouwd, is dus niet onjuist of onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">140.</span>Onderdeel C) van het middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">VII.5 Toetsing aan art. 6 Gw en art. 7 Gw 141. Het middel komt onder D) op tegen de deeloverweging van het hof dat “[t]oetsing aan het grondwettelijk beperkingssysteem leidt tot dezelfde uitkomst.” De steller van het middel is het daarmee oneens en meent dat het hof het absolute censuurverbod van art. 7 Gw heeft miskend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">142.</span>Ingevolge art. 120 Gw treedt de rechter niet in de grondwettigheid van wetten en verdragen. Een verweer dat ertoe strekt dat art. 131 Sr en/of art. 132 Sr buiten toepassing dient of dienen te blijven omdat de toepassing ervan in de voorliggende zaak in strijd komt met bepalingen van de Grondwet, vraagt de rechter die bepalingen van het wetboek van strafrecht in concreto te toetsen aan de Grondwet. Het hof heeft dus slechts kunnen oordelen dat art. 6 en art. 7 Gw niet aan de veroordeling van de verdachte in de weg staan, wat er ook zij van de voor dat oordeel gegeven motivering.</div>\n<p class=\"lf-p\">143 Ook onderdeel D) van het middel faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">144.</span>Het vierde middel faalt in alle onderdelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">VIII. Het vijfde middel: redelijke inzendtermijn 145. Het vijfde middel klaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">146.</span>Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld op 7 juni 2018. Blijkens een op de stukken van het geding geplaatst stempel zijn de stukken bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 19 maart 2019. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden met ruim één maand. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Deze termijnoverschrijding moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">147.</span>Het vijfde middel is gegrond.</div>\n<p class=\"lf-p\">IX. Slotsom 148. Het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel falen. In elk geval het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het vijfde middel is gegrond en moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">149.</span>Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">150.</span>Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In de oorspronkelijk eveneens samenhangende zaken 18/02563 en 18/02566 is het cassatieberoep ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de in het dossier aanwezige “Akte cassatie” zijn van het cassatieberoep uitgesloten de vrijspraken, deelvrijspraken en de beslissing tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">TK 2003-2004, 28 463, nr. 10 p. 12 Report of the IICISAR, A/HRC/25/65, d.d. 12.02.2014, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1881-1886), deel II, tweede druk, p. 65.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het verspreiden nader mijn bespreking van het tweede middel. Gebrek aan bewijs voor de openbaarheid van de op dagvaarding I in de tenlastelegging genoemde Facebookberichten gaf het hof aanleiding de verdachte ter zake van die berichten van het feit van art. 131 Sr vrij te spreken (feit 1A op dagvaarding I).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin HR 28 juni 1937, ECLI:NL:HR:1937:231, NJ 1938/191: “dat art. 131 Sr., strafbaar stellend het opruien tot eenig strafbaar feit, niet den eisch stelt dat de opruiing eenig gevolg heeft”. Daarover nader: J. Limburg, De strafbare opruiing (diss. Leiden), Den Haag: 1890, p. 45-46; J.W. Fokkens, ‘art. 131’, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, losbl. aant. 7; en A.L.J. Janssens &amp; A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, vierde druk, Deventer: Kluwer 2019, p. 301-302.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus uitdrukkelijk HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237, NJ 2010/22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het blijkt ook hieruit, dat (voorstellen tot) wijzigingen in de formulering van het bestanddeel in art. 131 Sr steeds zijn vergezeld van een voorstel tot overeenkomstige wijziging van art. 132 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop laat zich dan ook makkelijk denken. Het tweede middel bevat daarover een klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitdrukkelijk HR 9 maart 1903, W 7898 en HR 28 november 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB6269, NJ 1968/132. Vgl. ook onderdeel 5 van de conclusie van A-G Wortel vóór HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1818, NJ 2001/694, m.nt. De Jong .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 5 februari 1934, ECLI:NL:HR:1934:156, NJ 1934, p. 620 e.v. Zie ook Kamerstukken II 1933/34, 237, nr. 3, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toen ingevoerde art. 131 Sr luidde: “Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrifte, tot eenig strafbaar feit opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1934/405.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smidt, a.w., p. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smidt, a.w., p. 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smidt, a.w., p. 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smidt, a.w., p. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1886/87, 53, nr. 3, 2-3. Zie daarover ook Limburg, a.w., p. 55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarover nader het hoofdartikel ‘Opruiing’ in het Weekblad van het Recht van 3 maart 1916, W 9900.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1920/619. De achtergrond daarvan vormde, zoals de naam al doet vermoeden, de opkomst en groei van de communistisch-revolutionaire invloeden in binnen- en buitenland. Zie over de politieke en juridische achtergronden van de genoemde wet en de discussie over het ingevoerde bestanddeel nader de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Machielse vóór HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132 en de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen vóór HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1069, NJ 2019/349, m.nt. Dommering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1919/1920, 428, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1900/1901, 100, nr. 5, p. 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 16 juni 1920, p. 2741-2742 en Kamerstukken II 1919/1920, nr. 5 (Memorie van Antwoord), p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1919/1920, nr. 5 (Memorie van Antwoord), p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1919/1920, nr. 5 (Memorie van Antwoord), p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1919/1920, nr. 5 (Memorie van Antwoord), p. 15. De minister stelde zich op het standpunt dat de strafwaardigheid daarvan ter gelegenheid van een meer algemene herziening van het Wetboek van Strafrecht nog maar eens ernstig zou moeten worden overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1919/20, 428, nr. 4 (Voorlopig Verslag), p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1919/1920, nr. 5 (Memorie van Antwoord), p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 1934/405, Stb. 1954/169 en Stb. 1984/91.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 12 juni 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen’, Stb. 2009/245.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dat voorstel en de kritiek erop: L.A. van Noorloos, ‘Verheerlijking van terrorisme. Een nieuwe kans?’, NJB 2014/1907, met nadere verwijzingen ( zijn voetnoot 35).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van toelichting bij de Goedkeuring van het op 16 mei 2005 te Warschau tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34), Kamerstukken II 2007/08, 31 422 (R 1853), nr. 3, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2007/08, 31422 (R 1853), nr. 3, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme, Trb. 2006/34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2007/08, 31 422 (R 1853), nr. 6, p. 3. Vgl. ook Kamerstukken II 2007/08, 31 422 (R 1853), nr. 3, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2007/08, 31 422 (R 1853), nr. 3, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Van Noorloos, a.w.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 18 september 2014, nr. 105, met als onderwerp “Aanpak Nederlandse jihadstrijders”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 18 september 2014, nr. 105, item 6, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 34 466, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 34 466, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 34 466, nr. 4, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2017/18, 34 466, nr. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2017/18, 34 466, nr. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die zaken betreffen bovendien vaak niet de uitleg van de bestanddelen “opruien tot enig strafbaar feit”. Zie bijv.: HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1818, NJ 2001/694, m.nt. De Jong en de hofstadgroep-arresten HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5136, NJ 2012/656; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161, NJ 2012/657; en HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658, m.nt. Keijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1069, NJ 2019/349, m.nt. Dommering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. HR 9 maart 1903, W 7898, waarin de Hoge Raad oordeelde dat in eerste aanleg “terecht uit de geheele strekking van het stuk” was afgeleid dat het opruiend was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. HR 26 juni 1916, W 9955, NJ 1916, p. 703 e.v., waarin volgens de Hoge Raad “het hof feitelijk en dus in cassatie onaantastbaar heeft beslist dat het manifest strekte tot persoonlijke dienstweigering”. Tegen deze achtergrond moet naar mijn inzicht het bij pleidooi door de verdediging genoemde, en door het aanhalen van dat pleidooi ook in de cassatieschriftuur (zesde pagina) voorkomende, HR 29 juni 1908, W 8741 worden begrepen. Het hof had de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging, niet – zoals de verdediging in hoger beroep betoogde – omdat verdachtes uitleg van wat met sabotage wordt bedoeld niet rechtstreeks aanzette tot een strafbaar feit, maar vanwege een (nogal curieuze) uitleg van de tenlastelegging door het hof. De A-G trachtte de Hoge Raad uit te nodigen die uitleg onbegrijpelijk te oordelen, maar de Hoge Raad ging met die uitleg toch akkoord. Over de reikwijdte van art. 131 Sr zegt de uitspraak in wezen dus niets.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de cassatieschriftuur geciteerde (onder 1.4, vijfde pagina) gedeelten van het pleidooi in hoger beroep wijzen nog wel op de door Janssens &amp; Nieuwenhuis (Uitingsdelicten, derde druk, Deventer: Kluwer 2011, p. 284) aangehaalde zaak over het Amsterdamse Palingoproer, HR 12 april 1887, W 5417. In die zaak was echter nog het oude recht van toepassing. De Hoge Raad gaf dus geen uitleg en toepassing aan art. 131 Sr en/of art. 132 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 maart 1903, W 7898. Vgl. voor ‘aanhitsen’ ook HR 17 november 1930, ECLI:NL:HR:1930:77, NJ 1931, p. 119 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 januari 1894, W 6464. Vgl. voor ‘aanzetten’ tevens HR 17 december 1928, ECLI:NL:HR:1928:184, NJ 1929, p. 638 e.v. en HR 17 november 1930, ECLI:NL:HR:1930:77, NJ 1931, p. 119 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 juni 1903, W 7940. Zie voor ‘aansporen’ voorts: HR 5 april 1909, W 8859: HR 21 november 1921, ECLI:NL:HR:1921:140, NJ 1922, p. 177 e.v.; HR 20 maart 1933, ECLI:NL:HR:1933:70, NJ 1933, p. 909 e.v.; en HR 5 februari 1934, ECLI:NL:HR:1934:156, NJ 1934, p. 620 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 februari 1934, ECLI:NL:HR:1934:156, NJ 1934, p. 620 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de verschillende (bijna) synoniemen uitgebreid: Limburg 1890, a.w., p. 41-44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus uitdrukkelijk HR 26 juni 1916, W 9955, NJ 1916, p. 703 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 november 1890, W 5967.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 januari 1894, W 6464.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Patijn, conclusie vóór HR 17 november 1890, W 5967. In 1914 heeft nog eens een A-G, Besier ditmaal, verdedigd dat niet is vereist dat rechtstreeks tot enig strafbaar feit wordt opgeruid; zie zijn conclusie vóór HR 11 mei 1914, ECLI:NL:HR:1914:157, NJ 1914, p. 889 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 november 1890, W 5967. De cursiveringen heb ik overgenomen uit (de publicatie van) het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 januari 1894, W 6464; HR 15 juni 1903, W 7940; HR 11 mei 1914, ECLI:NL:HR:1914:157, NJ 1914, p. 889 e.v.; en HR 17 november 1930, ECLI:NL:HR:1930:77, NJ 1931, p. 119 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 15 juni 1903, W 7940; HR 5 april 1909, W 8859; HR 11 mei 1914, ECLI:NL:HR:1914:157, NJ 1914, p. 889 e.v.; en HR 17 december 1928, ECLI:NL:HR:1928:184, NJ 1929, p. 638 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 november 1921, ECLI:NL:HR:1921:140, NJ 1922, p. 177 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 april 1909, W 8859.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. HR 17 november 1930, ECLI:NL:HR:1930:77, NJ 1931, p. 119 e.v. Bewezenverklaard waren de woorden “nou vooruit, jongens, alle tegelijk boven op hem”. In hun context beschouwd had het hof daaruit afgeleid dat de verdachte het publiek had aangehitst om zich in groten getale op de politieagent te storten, om zich samen met geweld tegen hem te verzetten. De Hoge Raad zag dit als opruien tot wederspannigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 maart 1933, ECLI:NL:HR:1933:60, NJ 1933, p. 925 e.v., m.nt. Taverne.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nog afgezien ervan of en, zo ja, in hoeverre in parlementaire stukken tot uitdrukking gebrachte inzichten over de (wenselijke) betekenis van de bestaande wet überhaupt bij uitleg van die wet door de rechter dienen te worden betrokken. Zie daarover M.J. Borgers, Bij nader inzien (afscheidsrede VU), Deventer: Wolters Kluwer 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, p. 2. In de toelichting op het middel (schriftuur onder 1.15) wordt in dat verband geciteerd uit de in feitelijke aanleg gevoerde pleidooien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, onder i.h.b. 1.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, onder 1.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237, NJ 2010/22, waarin de vermeende omstandigheid dat toehoorders van de woorden niet onder de indruk zouden zijn aan de strafbaarheid niet afdeed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, onder 1.17 en 1.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoende is dat opzettelijk wordt verspreid en dat de verdachte weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt. Een opruiende bedoeling is niet vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artt. 119, 132, 134, 137e, 139d, 240b, 254a, 261, 271, 326c, 334, 350a, 350b, 350d, 421 en 441 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onder meer Janssens &amp; Nieuwenhuis 2019, a.w., p. 102 en p. 318, en A-G Bleichrodt, conclusie vóór HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:331, NJ 2018/160.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Smidt deel II, a.w., p. 44 en met betrekking tot art. 132 Sr: Kamerstukken II 1933/34, 237, nr. 5 p. 5-6 en nr. 8, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 671, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie, met verwijzingen, onderdeel 4 van de conclusie van de toenmalige A-G Van Dorst vóór HR 9 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1337, NJ 1999/346.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buruma merkt op dat de term ‘verspreiden’ door de opkomst van het internet obsoleet is geworden. Zie Y. Buruma, ‘Internet en strafrecht’, in: Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 128e jaargang/1998-I, Deventer: Tjeenk Willink, p. 156.</p>\n<p class=\"lf-p\">Janssens en Nieuwenhuis, a.w., 2011, p. 90 en 91.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 62-63 van de pleitaantekeningen overeenkomstig welke de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7, 13, 14, 20, 21, 22 en 28 maart 2018 en 3, 4, 5 en 6 april 2018 en 14 mei 2018 aldaar op 21 en 22 maart 2018 het woord tot verdediging heeft gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. o.a. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1068, NJ 2019/117, m.nt. Mevis. In die rechtspraak wordt ook zelfs onvoldoende belang aangenomen als het strafmaximum door de onjuiste toepassing van de samenloopregeling ten nadele van de verdachte onjuist was, maar de opgelegde straf ook onder het met juiste toepassing van de samenloopregeling geldende strafmaximum blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft in dit verband art. 140, eerste en tweede lid, Sr en art. 140a, eerste en derde lid, Sr. Ik merk op dat beide artikelen zijn gewijzigd bij de – op het moment van dit schrijven nog niet in werking getreden – Wet van 27 september 2019 tot wijziging van onder meer het Wetboek van Strafrecht in verband met de herwaardering van de strafbaarstelling van enkele actuele delictsvormen (herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen), Stb. 2019/311. De wijzigingen laten de wettekst van de genoemde leden ongemoeid. Mogelijk zal de genoemde wet van 27 september 2019 in werking zijn getreden wanneer de Hoge Raad arrest wijst. Naar ik vermoed zal de Hoge Raad in dat geval reppen van art. 140 (oud) Sr en art. 140a (oud) Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 24 juni 2004 tot wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met terroristische misdrijven (Wet terroristische misdrijven), Stb. 2004/290.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7585, NJ 2012/35, m.nt. Schalken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:12, NJ 2019/262, m.nt. Kooijmans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover uitvoerig de bespreking van het derde middel in mijn vandaag genomen conclusie in de zaak met nr. 18/02548.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225, m.nt. De Hullu; HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264; HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:400; en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413, NJ 2018/73, m.nt. Kooijmans. Vgl. ook HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:575, NJ 2018/107.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. N. Keijzer, noot bij HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658: “Evenals van strafbare medeplichtigheid slechts sprake kan zijn indien het desbetreffende misdrijf is bevorderd, veronderstelt mijns inziens de term “ondersteunt”, dat de betrokkene het plegen van misdrijven als door de organisatie beoogd bevordert, in die zin dat het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven wordt vergroot.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225, m.nt. De Hullu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus met zoveel woorden HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559, m.nt. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. de Hullu, noot bij: HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, NJ 2003/64; HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122, NJ 2007/336, m.nt. Schalken; en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tenlastelegging was wel enigszins anders ingericht. In die zaken was het feit van art. 140a Sr niet als een afzonderlijk feit op de tenlastelegging opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik doel op: HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5136, NJ 2012/656; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161, NJ 2012/657; en HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658, m.nt. Keijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Machielse, conclusie vóór HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658, m.nt. Keijzer, onderdeel 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dezelfde zin J. de Hullu, Materieel strafrecht, zevende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 447.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie vóór HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132, onderdelen 4.4 tot en met 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trb. 1951/154.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Buyse, ‘Prohibition of the abuse of rights. Article 17’, in: P. van Dijk e.a., (red.), Theory and practice of the European Convention on Human Rights, Cambridge/Antwerpen/Portland: Intersentia 2018, p. 1085-1095 (p. 1086).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: EHRM 18 november 2007, nr. 3738/02, par. 90 (Marini/Albanië); EHRM (GK) 6 januari 2011, nr. 34932/04, par. 87 (Paksas/Litouwen); EHRM (GK) 23 februari 2016, nr. 11138/10, par. 222 (Mozer/Moldavië en Rusland); en EHRM 17 april 2018, nr. 24683/14, par. 30 (Roj TV A/S/Denemarken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de artikelen 1 en 18 van het Duitse Grundgesetz kunnen als een uitdrukking van dat concept worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder verwijzing naar de travaux préparatoires EHRM (GK) 17 juni 2004, nr. 58278/00, par. 99 (Ždanoka/Letland) en EHRM (GK) 15 oktober 2015, nr. 27510/08, par. 113, NJ 2017/451, m.nt. Dommering (Perinçek/Zwitserland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze twee benaderingen het EHRM zelf uitdrukkelijk in EHRM 3 oktober 2019, nr. 55225/14, par. 36 (Pastörs/Duitsland). Vgl. over de overlap tussen de toepasselijkheid van art. 17 EVRM en de noodzakelijkheid in een democratische samenleving van een inbreuk op het grondrecht: EHRM 28 augustus 2018, nr. 1413/08 en 28621/11, par. 62 (Ibragim Ibrahimov e.a./Rusland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. EHRM (GK) 6 januari 2011, nr. 34932/04, par. 87 (Paksas/Litouwen); EHRM (GK) 15 oktober 2015, nr. 27510/08, par. 114 (Perinçek/Zwitserland); EHRM 17 april 2018, nr. 24683/14, par. 46 (Roj TV A/S/Denemarken) en EHRM 3 oktober 2019, nr. 55225/14, par. 37 (Pastörs/Duitsland).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:220, NJ 2017/259 (rov. 3.5), m.nt. Dommering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Buyse 2018, a.w., p. 1089.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 1 juli 1961, nr. 332/57 (Lawless no. 3/Ierland) en EHRM 18 november 2007, nr. 3738/02, par. 90 (Marini/Albanië).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 17 april 2018, nr. 24683/14, par. 30 (Roj TV A/S/Denemarken). In dezelfde zin Buyse 2018, a.w., p. 1089 en P. de Morree, noot bij EHRM 14 maart 2013, nrs. 26261/05 en 26377/06 (Kasymakhunov en Saybatalov/Rusland), EHRC 2013/122, onderdeel 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM (GK) 15 oktober 2015, nr. 27510/08, par. 115 (Perinçek/Zwitserland); EHRM 17 april 2018, nr. 24683/14, par. 31 (Roj TV A/S/Denemarken) en EHRM 22 januari 2019, nr. 20373/17, par. 38 (Ŝimuniċ/Kroatië).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. ECRM 11 oktober 1979, nrs. 8348/78 en 8406/78 (Glimmerveen en Hagenbeek/Nederland); EHRM 2 september 2004, nr. 42264/98 (W.P. e.a./Polen) en EHRM 16 november 2004, nr. 23131/03 (Norwood/Verenigd Koninkrijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. EHRM 20 oktober 2015, nr. 25239/13 (M.Bala M’Bala/Frankrijk) en EHRM 3 oktober 2019, nr. 55225/14 (Pastörs/Duitsland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. EHRM 9 juli 2013, nr. 35943/10, par. 36 (Vona/Hongarije).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 27 juni 2017, nr. 34367/14 (Belkacem/België).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 4 december 2003, nr. 35071/97 (Gündüz/Turkije).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 17 april 2018, nr. 24683/14 (Roj TV A/S/Denemarken).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 28 augustus 2018, nrs. 1413/08 en 28621/11 (Ibragim Ibragimov e.a./Rusland).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 28 augustus 2018, nrs. 1413/08 en 28621/11, par. 104-109 en 112-118 (Ibragim Ibragimov e.a./Rusland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs ook op hetgeen de minister heeft geantwoord aan de Eerste Kamer: “Ook zonder een bepaling als artikel 17 Europees Verdrag zal naar ons oordeel de rechter in dergelijke gevallen tot een goede oplossing komen.” Kamerstukken I 1976/77, 13 872 en 13 873, nr. 55b, p. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval zijn de uitlatingen van de verdachte naar mijn inzicht verstrekkender dan die in EHRM 2 oktober 2008, nr. 36109/03 (Leroy/Frankrijk), waarin het EHRM art. 17 niet toepaste op een cartoonist die op 11 september 2001 een tekening maakte (en nadien publiceerde) die de aanval op het WTC symboliseerde met daarbij de slogan (vrij vertaald) ‘wij droomden ervan.. Hamas deed het.’ Bestreden arrest, p. 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 11, hiervoor aangehaald onder randnummer 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestendige overweging van het EHRM is dat “Article 9 § 1 does not cover each act which is motivated or influenced by a religion or belief”. Geciteerd uit EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02, par. 82 (Pretty/Verenigd Koninkrijk). Zie in dezen verder EHRM (GK) 13 februari 2003, nrs. 41340/98, 41342/98, 41343/98 en 41344/98, par. 92 (Refah Partisi e.a./Turkije) en EHRM 16 oktober 2012, nr. 2158/12, par. 18 (Schilder/Nederland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl.: EHRM 25 mei 1993, nr. 14307/88, par. 33 (Kokkinakis/Griekenland); EHRM 12 april 2007, nr. 52435/99, par. 79 (Ivanova/Bulgarije); en EHRM 12 mei 2009, 6303/05, par. 23 (Masaev/Moldavië).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. EHRM 25 mei 1993, nr. 14307/88 (Kokkinakis/Griekenland) en EHRM 12 mei 2009, 6303/05 (Masaev/Moldavië). Een strafbaarstelling kan ook als zodanig, nog voordat strafvervolging ter zake daarvan plaatsvindt, een inbreuk op de vrijheden van art. 9 EVRM behelzen; zie met verdere verwijzingen EHRM (GK) 1 juli 2014, nr. 43835/11, par. 110 (S.A.S./Frankrijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder andere de Grote Kamer-zaken EHRM (GK) 1 juli 2014, nr. 43835/11, par. 55 (S.A.S./Frankrijk) en EHRM 26 april 2016, nr. 62649/10, par. 68 (Izzettin Doğan e.a./Turkije).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ECRM 10 februari 1993, nr. 18187/91 (W./Verenigd Koninkrijk) respectievelijk ECRM 16 mei 1977, nr. 7050/75 (Arrowsmith/Verenigd Koninkrijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM (GK) 1 juli 2014, nr. 43835/11, par. 55 (S.A.S./Frankrijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM (GK) 1 juli 2014, nr. 43835/11, par. 56 (S.A.S./Frankrijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: EHRM 15 januari 2013, nrs. 48420/10, 36516/10 en 51671/10 par. 83 (Eweida e.a./Verenigd Koninkrijk); EHRM 5 januari 2016, nr. 50255/12, par. 151 (Süveges/Hongarije); en EHRM 10 januari 2017, nr. 29086/12, par. 41 (Osmanoğlu en Kocabaş/Zwitserland).</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzingen in Guide on Article 9 of the European Convention on Human Rights, par. 32, p. 13-16, te raadplegen via http://echr.coe.int.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 2 december 2014, nr. 31706/10 en 33088/10, par. 40-42 (Güler en Uğur/Turkije).</p></div>", "next": 0}