{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">57.</span>Nog minder verlangde de Hoge Raad in dit opzicht van de bewijsmotivering in een arrest van 20 maart 1933. De Hoge Raad redde de in zowel de bewezenverklaring als de bewijsmotivering te lezen, maar evident onjuiste, aanwijzing van het strafbare feit waartoe was opgeruid. Bewezenverklaard was dat de verdachte in 1932 een geschrift had tentoongesteld waarin werd opgeruid tot het bij art. 95 van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande strafbaar gestelde feit, kort gezegd weigering van de dienstplicht. Ook de bewijsmotivering hield in dat het feit waartoe zou zijn opgeruid was verboden bij art. 95 van dat wetboek. Wat de feitenrechter evenwel over het hoofd had gezien, was dat dit wetboek sinds 1 januari 1923 niet meer van kracht was. De A-G concludeerde tot vernietiging, maar de Hoge Raad gaf er een wending aan. Het gedeelte van de bewezenverklaring dat op art. 95 van het Crimineel Wetboek betrekking had, achtte hij overbodig. Ook als aan dat deel geen aandacht wordt geschonken, hield de bewezenverklaring in dat de verdachte een bord, waarop stond vermeld “Weigert Militaire dienst!”, openlijk heeft tentoongesteld en aangeslagen. Dit feit viel alsnog onder art. 132 Sr, omdat het geschrift opruit tot een ander strafbaar feit, namelijk het weigeren of opzettelijk nalaten te gehoorzamen aan enig dienstbevel, de militaire dienst betreffende.</div>\n<p class=\"lf-p\">V.5 Tussenbalans 58. Samenvattend wijst de (oudere) rechtspraak van de Hoge Raad uit dat van “opruien” sprake is wanneer tot iets wordt aangespoord, opgehitst of aangezet, ongeacht of dat in hartstochtelijke of in bezadigde bewoordingen is verpakt en ongeacht of de opruiing afhankelijk wordt gesteld van voorwaarden of eventualiteiten. Dat het moet gaan om opruiing tot “enig strafbaar feit” brengt mee dat uit de strekking van de bewezenverklaarde uitingen rechtstreeks een bepaald strafbaar feit moet kunnen worden aangewezen waartoe is aangezet of aangespoord. De strekking van de uitingen moet dus zodanig zijn dat uitvoering van de gedragingen waartoe zij aansporen een strafbaar feit oplevert, althans dat die gedragingen niet denkbaar zijn zonder dat zij met een strafbaar feit gepaard gaan. Zo nodig wijst de Hoge Raad op grond van de feitelijke vaststellingen van de feitenrechter zelf het feit aan waartoe wordt opgeruid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>De actuele politieke discussie over de strafbaarstelling van – kort gezegd – de verheerlijking van terrorisme, stelt de betekenis van opruien niet in een ander daglicht. De steller van het middel betoogt onder andere dat “verheerlijking of propaganda niet onder opruiing vallen”. De juistheid van die stelling kan uit het politieke debat niet worden afgeleid en ook overigens verdient zij nuancering. In het debat is steeds onder ogen gezien dat de strafbaarstelling van verheerlijking, vergoelijking en bagatellisering van bepaalde ernstige misdrijven een aanvulling zou vormen op het bestaande strafrechtelijke instrumentarium, in die zin dat zo een strafbepaling een zodanig ruim bereik zou hebben dat daaronder (vele) uitingen kunnen worden gebracht die thans niet strafbaar zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">De steller van het middel heeft dus politieke steun voor haar stelling in zoverre dat niet elke vorm van verheerlijking, vergoelijking, bagatellisering of – wat zij noemt – propaganda ook zonder meer opruiend is in de zin van art. 131 Sr en art. 132 Sr. Dat komt mij juist voor: opruien, aansporen en aanzetten zijn niet hetzelfde als verheerlijken of aanprijzen. Daar staat echter tegenover dat de reden dat het tot een nieuwe strafbaarstelling als hier bedoeld tot op heden niet is gekomen in belangrijke mate erdoor is ingegeven dat de verantwoordelijke ambtsdragers en parlementariërs van oordeel zijn (geweest) dat zo een strafbaarstelling niet nodig is. Niet omdat verheerlijking, vergoelijking en bagatellisering nooit strafwaardig zouden (kunnen) zijn en nooit strafrechtelijke vervolging zouden rechtvaardigen, maar omdat een dergelijke strafbaarstelling overinclusief is, terwijl de strafwaardige varianten van verheerlijking en propaganda ook thans al vervolgbaar zijn, onder meer op grond van art. 131 Sr en/of art. 132 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat men bedenkingen heeft bij een aanvullende strafbaarstelling van verheerlijking van terrorisme als zodanig, betekent – ik zou zeggen: uiteraard – niet dat die verheerlijking van terrorisme in het geheel niet strafbaar is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">60.</span>De in de (oudere) rechtspraak van de Hoge Raad aan het bestanddeel “tot enig strafbaar feit” gegeven uitleg past mijns inziens goed bij de ratio van deze wettelijke beperking van de strafbare vormen van opruiing. Die ratio komt erop neer dat de wetgever in beginsel geen grond zag het opruien tot daden die zelf straffeloos zijn, strafbaar te achten. Deze grondgedachte, die de wetgever zelf nadien heeft genuanceerd, brengt met zich dat opruien tot gedragingen die niet zonder meer met strafbare feiten gepaard behoeven te gaan in beginsel straffeloos behoort te blijven. Dezelfde grondgedachte noopt echter niet ertoe de strafbaarheid te beperken tot uitsluitend de gevallen waarin de gewraakte uitingen zelf zonder meer alle bestanddelen van een strafbaar feit omvatten. Ook als de uitingen, naar hun strekking en in de context waarin zij zijn gedaan bezien, aansporen tot gedragingen die niet denkbaar zijn zonder het begaan van strafbare feiten, is immers geen sprake van aansporing tot daden die zelf straffeloos zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">V.6 Beoordeling van het tweede middel 61. Ik keer terug naar de onderhavige zaak en de in het tweede middel te lezen klachten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">62.</span>Het middel zelf valt in tweeën uiteen. Ten eerste wordt geklaagd over de door het hof gegeven uitleg aan “opruien tot enig strafbaar feit”, althans de motivering van de bewezenverklaring in zoverre. Ten tweede klaagt het middel dat het hof heeft verzuimd te reageren op drie uitdrukkelijke onderbouwde standpunten, te weten (i) “dat tussen de opruiing en een bepaald strafbaar feit een rechtstreeks verband” moet bestaan, hetgeen in dit geval niet kan worden bewezen, (ii) dat verheerlijking en propaganda niet onder opruiing vallen en (iii) het opzet van de verdachte niet op het opruien tot een terroristisch misdrijf was gericht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">63.</span>Voor zover het middel en de toelichting erover klagen dat het hof heeft verzuimd overeenkomstig art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv voor de afwijking van de onder (i) en (ii) genoemde standpunten in het bijzonder de redenen op te geven, falen de klachten. Het hof heeft in de bestreden uitspraak zijn bewijsbeslissingen ten aanzien van de op dagvaarding I onder 1A, 1B, 2A en 2B tenlastegelegde feiten nader gemotiveerd op de wijze die hiervoor is weergegeven onder randnummer 14. Door te overwegen als daar weergegeven, heeft het hof inzicht gegeven in zijn beweegredenen om van de standpunten af te wijken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">64.</span>Door tevens te klagen dat de bewezenverklaring (telkens) blijk geeft van onjuiste rechtsopvattingen van het hof, althans deze onbegrijpelijk of ontoereikend is gemotiveerd, stelt het middel tevens de inhoud van die respons op de gevoerde verweren aan de orde.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>In zijn overwegingen ten aanzien van feit 1 op dagvaarding I, waarnaar het hof aan het begin van zijn bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 op dagvaarding I heeft verwezen met de kennelijke bedoeling ze als herhaald en ingelast te beschouwen, heeft het hof met juistheid vooropgesteld dat van opruiing in elk geval sprake is als rechtstreeks – dus met zoveel woorden – wordt aangespoord tot strafbare feiten en dat niet is vereist dat iemand zich daardoor daadwerkelijk tot dat feit aangezet heeft gevoeld, maar dat moet worden beoordeeld of de uitingen zodanig zijn dat iemand erdoor tot dat feit zou kunnen worden gebracht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">66.</span>Vervolgens overweegt het hof dat “ook beïnvloeding op indirecte wijze [...] opruiend [kan] zijn, namelijk als met bepaalde uitingen wordt beoogd de geesten rijp te maken voor strafbaar handelen.” Deze overweging moet worden gelezen in samenhang met het meer op de onderhavige zaak toegespitste oordeel dat “het uiten van grote waardering voor de strijd van terreurgroepen in Syrië en de bewondering voor diegenen die aan de zijde van die terreurgroepen meevechten impliceert dat meedoen navolging verdient en [...] daarom opruiend [is]. Het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd is een uiting van een zodanig intense bewondering dat die op zichzelf ook aanzet tot navolging.” Voor zover de steller van het middel deze overwegingen zo begrijpt dat het enkele rijp maken van de geesten of het enkele uitspreken van bewondering in alle gevallen opruiend is, berust dit betoog op een onjuiste lezing van de overwegingen van het hof.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijk heeft het hof bedoeld tot uitdrukking te brengen dat indien wordt beoogd de geesten rijp te maken – door bewondering en verheerlijking – voor strafbare feiten zonder dat letterlijk (in de vorm van een bevel of aanmoediging bijvoorbeeld) wordt aangespoord, zulks onder omstandigheden toch opruiend kan zijn. Anders dan door de verdediging naar voren is gebracht, acht het hof dus het uiten van grote waardering en bewondering – in casu voor strijders van terreurgroepen in Syrië – onder omstandigheden opruiend. Hetzelfde kan gelden voor het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd, mits het gaat om “een zodanig intense bewondering” dat deze op zichzelf “aanzet tot navolging”. Aldus, enigszins welwillend begrepen, heeft het hof in zijn vooropstellingen geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de werkwoordsvorm van opruien, zoals deze voorkomt in art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook niet omtrent de verhouding tussen verheerlijken en opruien.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">67.</span>Bij de beoordeling van de vraag of de tenlastegelegde uitingen opruiend zijn, heeft het hof terecht betekenis toegekend aan de context waarin die uitingen zijn gedaan. Zoals in de bespreking van het eerste middel naar voren kwam, heeft het hof die context intussen niet op zichzelf en zonder meer doorslaggevend kunnen achten voor de vraag of een uiting opruiend is. Het oordeel dat een medium een opruiend karakter heeft, kan het oordeel dat de via dat medium gedane uitingen opruiend zijn niet zelfstandig dragen. Met uitzondering van het onderdeel van de bewezenverklaring waartegen het eerste middel is gericht, heeft het hof evenwel steeds per uiting afzonderlijk in de bewezenverklaring tot uitdrukking gebracht of het die uiting opruiend acht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen zegt dat het bij de beoordeling van social media in beginsel in die overwegingen niet op elk ten laste gelegd bericht afzonderlijk zal “ingaan”, maakt dit op zichzelf niet anders. Alhoewel ik de steller van het middel tot op zekere hoogte goed kan volgen, voor zover zij klaagt dat in de benadering van het hof ogenschijnlijk niet de uitingen zelf maar de context van de uitingen beslissend zijn geacht en aldus teveel gewicht aan de context van die uitingen is toegekend, herken ik in die benadering toch al met al geen onjuiste rechtsopvatting. Bij zijn beoordeling heeft het hof niet alléén de context van de uitingen betrokken, maar speelt – naar het hof met zoveel woorden overweegt – de inhoud van de afzonderlijke berichten ook een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder meer uit de gegeven deelvrijspraken leid ik af dat het hof uiteindelijk toch – als gezegd: de berichten op de Facebookpagina [naam 3] uitgezonderd – per uiting afzonderlijk heeft vastgesteld dat zij in hun context van samenhangende opruiende berichten bezien opruiend zijn. In zijn algemeenheid zijn die oordelen dat de uitingen ”opruien” niet onbegrijpelijk, terwijl mij op basis van het middel en de toelichting daarop niet duidelijk wordt welke uitingen ten gevolge van de benadering van het hof volgens de steller van het middel ten onrechte of onbegrijpelijk als opruiend zijn aangemerkt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">68.</span>Met de in de toelichting op het middel te lezen klacht dat het hof bij zijn oordeel dat sprake is van opruien “niet de daadwerkelijke uitingen, maar de bedoeling van de auteur” tot uitgangspunt heeft genomen, heeft de steller van het middel eveneens wel een (klein) punt. ‘s Hofs overwegingen “De bedoeling moet zijn daartoe op het gemoed te werken van diegene die er vatbaar voor is. In dit geval bijvoorbeeld omdat hij of zij gemakkelijk beïnvloedbaar is of al overweegt af te reizen naar het strijdgebied”, “Uit het dossier valt niet op te maken of en in hoeverre het account is ingericht met de intentie [..]”, en “Daarbij is leidend wat de bedoeling is geweest van de website” wekken de suggestie dat niet zozeer de inhoud, strekking en context van de bewezenverklaarde uitingen bepalen of zij opruiend van aard zijn, maar dat in dat verband veel gewicht toekomt aan de subjectieve bedoeling van de verdachte en de subjectieve gesteldheid van de toehoorder.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat zou mij niet juist lijken, mede gezien de formele aard van het delict en het in acht te nemen onderscheid tussen het opzet van de verdachte en het opruiende karakter van zijn uitingen. Het hof heeft echter ook overwogen in het kader van feit 1 op dagvaarding I dat drie tweets van het Twitteraccount [naam 6] opruiend zijn, ofschoon het hof onvoldoende aanknopingspunten ziet om te concluderen “dat het Twitteraccount bedoeld is om opruiende berichten te plaatsen” dat “doorslaggevend is de vraag wat de strekking is van de berichten in samenhang bezien” en in het kader van feit 2 dat “het hof [..] doorslaggevend [acht] het antwoord op de vraag wat de strekking is van de website en de ten laste gelegde publicaties daarop geplaatst in samenhang bezien”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat duidt erop dat het hof bij de beoordeling van de uitingen op hun opruiende aard toch ook een meer objectieve benadering heeft gekozen dan sommige overwegingen suggereren. De door het hof vervolgens in acht genomen feiten en omstandigheden, zoals de inhoud van de tenlastegelegde berichten zelf, het onderlinge verband tussen die berichten, de vormgeving van de pagina’s waarop de berichten werden geplaatst en de aard van het medium waarop de berichten zijn verspreid, bevestigen dat het hof zijn beoordeling niet heeft gebaseerd op de bedoeling van de verdachte, maar op hetgeen uit de Facebookberichten en Twitterberichten zelf, in hun context van het desbetreffende social media-account bezien, spreekt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">69.</span>Voor zover het middel klaagt dat het hof onbegrijpelijk of onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bewezenverklaarde uitingen rechtstreeks tot een bepaald strafbaar feit aanzetten, heeft naar het mij voorkomt het volgende te gelden. Het hof heeft blijkens de bewezenverklaringen geoordeeld dat de berichten oproepen “tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak.” In de hiervoor onder randnummer 13 weergegeven inleidende overwegingen van de bestreden uitspraak heeft het hof vooropgesteld in zijn uitspraak onder de gewapende jihadstrijd in Syrië te zullen verstaan “de strijd in Syrië die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam”, meer specifiek “de in Syrië gevoerde interne oorlog, die zou moeten leiden tot ‘herstel’ van het zogenoemde ‘kalifaat’ in Shaam (Syrië)”. Het hof heeft in diezelfde inleiding uitvoerig gemotiveerd dat en waarom het van oordeel is dat “[d]eelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen [...] altijd [...] het plegen van terroristische misdrijven [inhoudt].”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">70.</span>De steller van het middel betoogt dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat het slechts is onderbouwd door te wijzen op de (vele) misdrijven die deze strijdgroepen plegen. “Dat er veel misdrijven worden gepleegd in de gewapende strijd is echter op zichzelf onvoldoende om vast te stellen dat deelname aan de zijde van deze strijdgroepen altijd het plegen van terroristische misdrijven inhoudt”, aldus de steller van het middel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">71.</span>Hoewel het één inderdaad niet logisch-dwingend uit het ander voortvloeit, meen ik wel dat het feitelijke oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. In dat verband wijs ik erop dat ook deelneming aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van terroristische misdrijven op grond van art. 140a Sr “enig strafbaar feit” als bedoeld in art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr oplevert. Dat strafbare feit van art. 140a Sr is bovendien een feit dat op de voet van art. 83, onder 3°, Sr een terroristisch misdrijf is in de zin van art. 131, tweede lid, Sr en art. 132, derde lid, Sr. Het hof heeft tegen die achtergrond kunnen oordelen dat de verdachte door aan te zetten tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en het aldaar deelnemen aan de gewapende jihadstrijd, heeft aangezet tot daden waarvan de feitelijke uitvoering noodzakelijkerwijs gepaard gaat met – en dus niet denkbaar is zonder – het begaan van enig strafbaar feit, dat een terroristisch misdrijf oplevert. Dit in de bewezenverklaring en de bewijsmotivering besloten liggend oordeel van het hof dat de gedragingen waartoe de bewezenverklaarde uitingen aanzetten niet denkbaar zijn zonder dat zij met een bepaald terroristisch misdrijf gepaard gaan en dat die uitingen in die zin rechtstreeks tot “enig strafbaar feit”, zijnde een terroristisch misdrijf, opruien, acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk en tevens toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">72.</span>Ten slotte bevatten het middel en de toelichting nog de afzonderlijke klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het opzet van de verdachte niet op het opruien tot een terroristisch misdrijf was gericht. Ik meen dat het hof met zijn onder randnummer 13 weergegeven overwegingen onder het subkopje ‘Wetenschap verdachte’ heeft gemotiveerd waarom het in afwijking van het gevoerde verweer van oordeel is dat de verdachte het voor de bewezenverklaringen vereiste opzet heeft gehad.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">73.</span>Ten overvloede merk ik evenwel op dat de rechtsopvatting waarop het bedoelde standpunt kennelijk berust, mij onjuist voorkomt. Het verweer behelst in de kern dat het opzet van de verdachte erop moet zijn gericht aan te zetten tot het plegen van terroristische misdrijven, in die zin dat de verdachte opzet – in niet-voorwaardelijke vorm – dient te hebben op het terroristische karakter van de gedragingen waartoe hij oproept. Ik stel in dit verband voorop dat het standpunt enkel de bewezenverklaring van de op dagvaarding I onder 1A en 2A tenlastegelegde feiten raakt. Art. 132, eerste lid, Sr vereist niet dat het opzet van de verspreider op het opruien tot enig strafbaar feit is gericht. Met betrekking tot het voor het misdrijf van art. 131, eerste lid, Sr vereiste opzet heeft de Hoge Raad in HR 28 juni 1937, ECLI:NL:HR:1937:231, NJ 1938/191 al uitgemaakt dat niet hoeft te worden vastgesteld dat bij de verdachte wetenschap bestond dat het feit waartoe wordt opgeruid een strafbaar feit is. In het verlengde daarvan behoeft, naar het mij toeschijnt, de verdachte ook geen opzet erop te hebben dat het feit waartoe hij opruit een terroristische misdrijf is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">74.</span>Het tweede middel faalt in alle onderdelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">VI. Het derde middel: deelneming aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van (terroristische) misdrijven VI.1 Het middel en de bewijsvoering 75. Het derde middel klaagt met meerdere (deel)klachten dat het hof de op dagvaarding I onder 3A tenlastegelegde “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven”, en/of de op dagvaarding I onder 3B tenlastegelegde “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, ten onrechte heeft bewezenverklaard, althans het deze bewezenverklaring(en) niet naar de eisen der wet met redenen heeft omkleed.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>Ten laste van de verdachte is op dagvaarding I onder feit 3A en feit 3B bewezenverklaard dat: “3A (eerste cumulatief/alternatief): deelname aan een terroristische organisatie hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014, in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[betrokkene 3] (geboren [geboortedatum] 1996) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[medeverdachte 4] (geboren [geboortedatum] 1989) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[medeverdachte 1] (geboren [geboortedatum] 1985) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[medeverdachte 2] (geboren [geboortedatum] 1974) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[betrokkene 4] (geboren [geboortedatum] 1993) Welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk D. voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en 288a Sr jo 287 Sr en 289 Sr te begaan met een terroristisch oogmerk EN 3B (tweede alternatief/cumulatief): deelname aan een criminele organisatie hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014, in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[betrokkene 3] (geboren [geboortedatum] 1996) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[medeverdachte 4] (geboren [geboortedatum] 1989) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[medeverdachte 1] (geboren [geboortedatum] 1985) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[medeverdachte 2] (geboren [geboortedatum] 1974) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[betrokkene 4] (geboren [geboortedatum] 1993) Welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk A. het in het openbaar bij geschrift of afbeelding opruien tot enig strafbaar feit terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt enB. het verspreiden van geschriften en/of afbeeldingen, waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt en E. het zonder toestemming van de Koning werven voor de gewapende strijd, terwijl de gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van terroristische misdrijven inhoudt en F. het financieren van terrorisme.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">77.</span>Deze bewezenverklaringen heeft het hof doen steunen op de inhoud van de in de bijlage bij de bestreden uitspraak opgenomen bewijsmiddelen. Gezien de omvang van die bijlage, volsta ik wederom met verwijzing daarnaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>Ten aanzien van het bewijs van de op dagvaarding I onder feit 3A en feit 3B bewezenverklaarde feiten, heeft het hof in de bestreden uitspraak voorts het volgende overwogen: “Feit 3[...]Criminele organisatie Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 en 140a Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen overweegt het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het volgende.Samenwerken in gestructureerd verbandHet hof stelt voorop dat van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur onder meer kan worden gesproken wanneer twee of meer personen een gezamenlijk doel hebben waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is.</div>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich gezamenlijk ingezet voor het vestigen van 'het kalifaat' in Syrië door middel van de gewapende jihadstrijd. Daartoe zetten zij – in samenwerkingsverband – anderen aan af te reizen om zich bij die jihadstrijd in Syrië aan te sluiten. Deze samenwerking om deel te nemen aan de jihadstrijd blijkt uit het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de inleiding is reeds overwogen dat de verdachte, [medeverdachte 4] , [betrokkene 3] , en [betrokkene 1] ten laatste vanaf de zomer van 2012 achter het voeren van de jihad in Syrië stonden door aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen teneinde daar een 'kalifaat' te vestigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2012 werden activiteiten onder de naam [A] en [B] , waarbij de islam als totale levenswijze centraal stond, en waaraan in de periode daarvoor ook door de verdachte, en zijn medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] is deelgenomen, ondergebracht in de [C] (hierna: de Stichting) opgericht op 12 januari 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voorzitter van de Stichting werd ingeschreven bij de Kamer van Koophandel [betrokkene 5] , als penningmeester [betrokkene 4] en als secretaris de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er werd op naam van de Stichting een pand gehuurd aan de [a-straat 1] in Den Haag en er werd een rekening geopend op naam van de Stichting.Er werd op de rekening van de Stichting geld ingezameld voor strijders in Syrië en er werd overleg gevoerd over de verdeling van geld ter plaatse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal bezoekers van de [a-straat 1] in Den Haag, [betrokkene 1] en ook de bestuurders [betrokkene 5] en [betrokkene 4] zijn in de ten laste gelegde periode uitgereisd naar het strijdgebied in Syrië.</p>\n<p class=\"lf-p\">De naar het oordeel van het hof opruiende website [internetsite 1] , is vanaf april 2013 als spreekbuis gebruikt om voornoemde boodschap te verspreiden. [medeverdachte 4] was de bouwer en beheerder van de website, die eerder op naam van de Stichting geregistreerd stond. [medeverdachte 4] was redacteur en had met betrekking tot die website overleg met [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de hand van [medeverdachte 4] en ook van die van de verdachte en [betrokkene 3] verschenen bijdragen op de site.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de loop van 2013 zijn in Den Haag in het openbaar bijenkomsten gehouden waarbij in wisselende samenstellingen de verdachte, [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] aanwezig waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de inbreng van de genoemde personen duidt op een zekere werk- dan wel taakverdeling. Sommigen reisden af, sommigen bleven in Nederland om andere aan te zetten om af te reizen naar Syrië om deel te nemen aan de militaire Jihad. [medeverdachte 4] was handig op internet, [betrokkene 3] was een gewild spreker, en de verdachte trad graag op als woordvoerder. Van slechts incidentele samenwerking was geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat van een gestructureerde onderlinge samenwerking tussen minimaal twee personen met een duurzaam karakter kan worden gesproken aangezien van die samenwerking binnen de bewezen verklaarde periode is gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof tekent hierbij nog aan dat de omstandigheid dat niet alle personen van de groep onderling hebben samengewerkt of bekend waren met (al de) andere deelnemers aan de organisatie en met hun bezigheden voor de organisatie niet in de weg staat aan de vaststelling van een gestructureerd samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo heeft bijvoorbeeld de medeverdachte [medeverdachte 1] deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, nadat hij onder invloed van [betrokkene 1] was uitgereisd. Hij bleef contact onderhouden met [betrokkene 1] over die strijd en het verdelen van geld onder strijders. Dit wordt voldoende geacht om [medeverdachte 1] als behorend tot de organisatie te beschouwen, hoewel niet is gebleken dat hij met de verdachte, [medeverdachte 4] , [betrokkene 3] of [medeverdachte 2] samenwerkte.Al met al is naar het oordeel van het hof sprake van een organisatie als bedoeld in de artikelen 140a en 140 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oogmerk van de organisatie Het oogmerk van de organisatie was er op gericht om commune en ook terroristische misdrijven te plegen in het streven om een 'kalifaat' te vestigen door het voeren van de militaire jihad in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr heeft naar het oordeel van het hof de navolgende ten laste gelegde oogmerken gehad:</p>\n<p class=\"lf-p\">A) het opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië;</p>\n<p class=\"lf-p\">B) het verspreiden van geschriften die daartoe opruien;</p>\n<p class=\"lf-p\">E) het werven voor de gewapende jihadstrijd in Syrië en;</p>\n<p class=\"lf-p\">F) het financieren van de strijd.Uit de bewijsmiddelen volgt dat in het openbaar is opgeruid en dat in het openbaar opruiende teksten, berichten en films zijn verspreid, waarin het martelaarschap in het kader van de gewapende jihadstrijd in Syrië werd verheerlijkt en mede daardoor werd aangezet tot meedoen aan die strijd. Dit heeft in elk geval op social media plaatsgevonden. Verder is actie ondernomen om strijders te werven voor de gewapende strijd en ook om die strijd te financieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft de criminele organisatie een terroristisch oogmerk gehad in de zin van artikel 140a Sr, namelijk de onder D) ten laste gelegde voorbereiding en/of de bevordering van moord, doodslag en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk. Teneinde te kunnen deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië zijn (potentiele) uitreizigers niet alleen – kort gezegd – bewogen om af te reizen naar Syrië, maar hen zijn ook geld, inlichtingen en gelegenheid verschaft om deel te nemen aan die strijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bewezenverklaarde oogmerken van de organisatie zijn haar naaste doelen. Van de overige ten laste gelegde oogmerken kan dat niet bewezen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelnemen aan de organisatie De verdachte had een belangrijke positie in de organisatie. Hij was bestuurder van de Stichting, is namens de Stichting de huurovereenkomst met betrekking tot het pand aan de [a-straat 1] in Den Haag aangegaan, hij was betrokken bij de website [internetsite 1] , onderhield contact met strijders in Syrië, trad als woordvoerder naar buiten, heeft een aantal openbare bijeenkomsten (mede) georganiseerd en had een aanzienlijke rol - onder meer op social media – bij het uitdragen van denkbeelden van de organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof kunnen voornoemde gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvormen, in onderling verband en samenhang bezien, worden aangemerkt als zozeer gericht op het deelnemen aan voornoemde organisatie, het daarin een aandeel hebben en het verwezenlijken van criminele oogmerken van die organisatie dat het niet anders kan zijn dan dat zijn opzet op het deelnemen aan de organisatie gericht is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte dient naar het oordeel van het hof dan ook te worden aangemerkt als deelnemer aan die organisatie als bedoeld in de artikelen 140a en 140 Sr.”</p>\n<p class=\"lf-p\">VI.2 Het oogmerk van de organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr 79. De toelichting op het middel presenteert de deelklachten tegen de bewezenverklaring van het op dagvaarding I onder 3B tenlastegelegde feit als eerste. Dat het oogmerk van de organisatie waaraan de verdachte deelnam was gericht op de vier door het hof in de bewezenverklaring onder A), B), E), en F) genoemde misdrijven, kan volgens de toelichting op het middel niet of onvoldoende uit de bewijsvoering worden afgeleid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">80.</span>Wat betreft het onder A) genoemde opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en het onder B) genoemde verspreiden van geschriften die daartoe opruien, wordt in de toelichting op het middel volstaan met een verwijzing naar de in het tweede middel tegen het oordeel van het hof dat van “opruien tot enig strafbaar feit” sprake is naar voren gebrachte klachten. Herhaald wordt dus dat het oordeel van het hof dat sprake is van opruien en/of het verspreiden van opruiende geschriften niet in stand kan blijven, waaruit dan zou kunnen voortvloeien dat de organisatie waaraan de verdachte deelnam ook niet op die feiten het oogmerk heeft gehad. Zoals uit mijn bespreking van het tweede middel blijkt, acht ik het oordeel van het hof dat sprake is van – kort gezegd – opruien en het verspreiden van opruiende geschriften niet onjuist of onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. De onderhavige deelklacht van het derde middel deelt in het lot van het tweede middel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">81.</span>De deelklacht over het oogmerk van de organisatie op E) het werven voor de gewapende jihadstrijd in Syrië kan ik niet helemaal volgen. De steller van het middel beproeft twee lezingen in het oordeel van het hof. Zij stelt enerzijds dat voor zover het hof het oogmerk op (kort gezegd) het werven heeft afgeleid uit de omstandigheid dat leden van de organisatie daartoe veelvuldig hebben opgeruid, dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Een toelichting waarom dat onbegrijpelijk zou zijn, ontbreekt echter. Anderzijds zou het oordeel van het hof dat oogmerk op het werven kan worden bewezen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover dat bewijs is afgeleid uit de vaststelling dat de leden van de organisatie veelvuldig contact opnamen en onderhielden met gelijkgestemden. Dit laatste onderbouwt de steller van het middel met een verwijzing naar een citaat uit de wetsgeschiedenis van de Wet terroristische misdrijven, waaruit blijkt dat het enkele contact houden met iemand die sympathieën heeft met de jihad buiten de reikwijdte van het nieuwe art. 205, eerste lid, Sr valt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">82.</span>Uit deze wetsgeschiedenis kan echter ook worden afgeleid dat – in de woorden van de Hoge Raad – voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van art. 205 Sr het enkele ronselen van personen voor (onder meer) de gewapende strijd volstaat. Het komt daarbij aan op de gedraging van degene die werft, zonder dat op zichzelf van belang is hoe degene die wordt geworven op dat moment tegenover die strijd staat, en of het werven resultaat heeft of niet. Nadrukkelijk onjuist is volgens de Hoge Raad de opvatting dat iemand die reeds voorafgaand aan de bewezenverklaarde wervingshandelingen in al dan niet sterke mate “de gewapende strijd is toegedaan”, niet meer kan worden geworven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">83.</span>Ik citeer nog een passage uit dezelfde wetsgeschiedenis: “Van \"werven\" kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer mensen vis-à-vis – te denken valt aan schoolpleinen, clubhuizen en uitgaansgelegenheden – worden benaderd teneinde hen te overreden deel te nemen aan een gewapende strijdgroep. Ook zal het bespelen van personen met behulp van communicatiemiddelen, zoals bijvoorbeeld een internetsite, \"werven\" in de zin van artikel 205 Sr kunnen opleveren.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">84.</span>Werven als bedoeld in art. 205, eerste lid, Sr kan dus ook geschieden door het bespelen van personen via het internet. Dat en waarom uit de bewijsvoering (meer in het bijzonder de bewijsmiddelen 73 e.v.) niet zou kunnen worden afgeleid dat de organisatie het oogmerk heeft gehad op werven in deze zin, zie ik niet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">85.</span>Eveneens tevergeefs voorgesteld is de deelklacht dat het oogmerk op F) het financieren van terrorisme ontoereikend is gemotiveerd. De bewezenverklaring moet aldus worden begrepen dat de organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen het oogmerk heeft gehad op één of meer van de in art. 421, eerste lid, Sr als het ‘financieren van terrorisme’ aan te merken gedragingen. Bewezen moet mitsdien worden dat de organisatie het oogmerk had zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen te verschaffen dan wel opzettelijk voorwerpen – waaronder op de voet van lid 2 te verstaan: alle zaken en vermogensrechten – te verzamelen, verwerven of voorhanden te krijgen of aan een ander te verschaffen, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van één van de in art. 421, eerste lid, Sr genoemde misdrijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">86.</span>De hiervoor onder randnummer 78 weergegeven nadere bewijsoverwegingen van het hof houden onder meer in dat er een rekening is geopend op naam van de [C] , dat op deze rekening van de Stichting geld werd ingezameld voor strijders in Syrië en dat er overleg werd gevoerd over de verdeling van geld ter plaatse. Deze vaststellingen acht ik voldoende grondslag voor het te bewijzen oogmerk van de organisatie op het financieren van terrorisme.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">87.</span>Het hof heeft deze vaststellingen bovendien kunnen afleiden uit de gebezigde bewijsmiddelen. Dat op de rekening geld is gestort ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië heeft het hof kunnen afleiden uit het als bewijsmiddel 89 gebezigde bewijsmiddel. En dat dit overleg is gevoerd over de verdeling van geld ter plaatse, blijkt in het bijzonder uit de bewijsmiddelen 117 tot en met 119.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">88.</span>Het oordeel van het hof dat de organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen onder meer het oogmerk had op het financieren van de gewapende jihadstrijd en daarmee op het financieren van terrorisme in de zin van art. 421, eerste lid, Sr is derhalve niet onjuist of onbegrijpelijk en is tevens toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">89.</span>Terzijde merk ik nog op dat ook indien zou worden aangenomen dat van één van de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de organisatie daarop het oogmerk had, door het wegvallen van enkel dat oogmerk de aard en de ernst van de deelneming aan deze organisatie onvoldoende zouden worden beïnvloed om de bestreden uitspraak op die grond (partieel) te vernietigen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">90.</span>Alle tegen de bewezenverklaring van het op dagvaarding I onder 3B tenlastegelegde feit gerichte klachten zijn tevergeefs voorgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">VI.3 Deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140a, eerste lid, Sr 91. Voor zover het middel opkomt tegen de bewezenverklaring van het op dagvaarding I onder 3A tenlastegelegde feit, zoekt de steller van het middel ten eerste aansluiting bij een uitspraak van de Hoge Raad van 8 januari 2019. Die zaak betrof een OM-cassatie tegen vrijspraak van het delict van art. 140a Sr. Het tegen die vrijspraak gerichte cassatiemiddel steunde op de opvatting dat voor een veroordeling ter zake van het delict van art. 140a Sr voldoende is dat de organisatie een terroristisch oogmerk heeft in de zin van art. 83a Sr, dat wil zeggen: het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. Die opvatting is onjuist. Voor een veroordeling op grond van art. 140a Sr volstaat immers niet dat sprake is van deelneming aan een organisatie die tot terroristisch oogmerk heeft het begaan van misdrijven – of zelfs niet als misdrijf strafbare gedragingen – van welke aard dan ook. Het moet gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">92.</span>Kennelijk meent de steller van het middel dat het hof het bovenstaande heeft miskend. Voor die stelling zie ik evenwel geen steun. Het hof heeft bewezenverklaard dat de organisatie waaraan de verdachte deelnam het oogmerk had op “de voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en 288a Sr jo 287 Sr en 289 Sr te begaan met een terroristisch oogmerk”. Deze voorbereiding en/of bevordering is een terroristisch misdrijf. Aldus heeft de organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen volgens het hof niet (slechts) een terroristisch oogmerk op het plegen van misdrijven, maar was het oogmerk van die organisatie (ook) gericht op een terroristisch misdrijf.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">93.</span>De toelichting op het middel bevat daarnaast de deelklacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte in de zin van art. 140a, eerste lid, Sr “deelnam” aan de organisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">94.</span>Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor het “deelnemen” als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr en art. 140a, eerste lid, Sr vereist dat de verdachte (i) behoort tot het samenwerkingsverband van de organisatie en (ii) een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande, in art. 140 en art. 140a Sr bedoelde, oogmerk. Een incidentele behulpzaamheid bij de verwezenlijking van het oogmerk van het samenwerkingsverband voldoet niet aan de eerste voorwaarde, terwijl vanwege de tweede voorwaarde de deelnemers aan een organisatie die in de criminele tak ervan geen enkele rol spelen buiten schot blijven. Anders gezegd: om van deelnemen te kunnen spreken, moet de verdachte (i) als het ware ‘lid’ van de organisatie zijn en daarnaast (ii) een rol vervullen die de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie op enige wijze bevordert.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">95.</span>In het bestanddeel “deelnemen” ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. In een arrest van 18 november 1997 besliste de Hoge Raad dat redelijke wetsuitleg meebrengt dat dit opzet erin bestaat dat de verdachte in algemene zin weet – “in de zin van onvoorwaardelijk opzet” – dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Participatie in, of wetenschap van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd, behoeft dus niet te worden bewezen. Het gaat er immers niet om of het opzet van de verdachte was gericht op het plegen van misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie die het oogmerk heeft op dat plegen van misdrijven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt niet anders als het oogmerk van de organisatie is gericht op misdrijven van uiteenlopende aard. In zijn (kritische) NJ-annotatie bij het zo-even genoemde arrest van 18 november 1997 noemt De Hullu als voorbeeld een organisatie die blijkens de tenlastelegging valsheid in geschrift én moord beoogt. Hij signaleert dat de consequentie van de in het arrest ingezette lijn is dat de verdachte van wie de wetenschap zich tot het eerste delict beperkt en die zelfs geen voorwaardelijk opzet op moord als door de organisatie beoogd misdrijf zou hebben, toch aansprakelijk is ter zake van art. 140 Sr, voor zover de organisatie moord beoogt. In het licht van het schuldbeginsel ging hem dat nogal ver.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad heeft desalniettemin aan zijn lijn vastgehouden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">96.</span>Zie ik het goed dan kan ingeval van een organisatie met het oogmerk op delicten van uiteenlopende aard een aanverwante kwestie zich voordoen ten aanzien van de tweede voorwaarde (ii) voor het “deelnemen”. De verdachte die een aandeel heeft in, of ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het organisationele oogmerk op valsheid in geschrift neemt daardoor deel aan de organisatie, ook voor zover deze organisatie het oogmerk heeft op moord. Deze kwestie wordt nog iets pregnanter als het gaat om samenloop van deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr en deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140a, eerste lid, Sr. Gedacht zou kunnen worden dat de afzonderlijke strafbaarstelling van het deelnemen aan een organisatie met het oogmerk op terroristische misdrijven en het daaraan gekoppelde hogere strafmaximum rechtvaardigen dat voor deelneming aan zo een organisatie niet voldoende is dat de verdachte gedragingen verricht ter verwezenlijking van een misdadig oogmerk van de organisatie (en hij in algemene zin wist van een misdadig oogmerk van de organisatie), maar dat de verdachte de verwezenlijking van het oogmerk op terroristische misdrijven moet hebben bevorderd (en hij in algemene zin wist van het oogmerk op terroristische misdrijven van de organisatie).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">97.</span>Uit de arresten van de Hoge Raad in de zaken over de Hofstadgroep leid ik evenwel af dat voor “deelneming” aan een organisatie als bedoeld in art. 140a, eerste lid, Sr niet is vereist dat gedragingen waarin de verdachte een aandeel heeft, of die hij heeft ondersteund, strekken tot verwezenlijking van of rechtstreeks verband houden met het organisationele oogmerk op terroristische misdrijven. In een aantal van die zaken was, evenals in de onderhavige zaak, aan de verdachte tenlastegelegd dat hij had deelgenomen zowel aan een organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr als aan een organisatie als bedoeld in art. 140a, eerste lid, Sr. In zijn arresten in die zaken problematiseert de Hoge Raad niet de samenloop tussen de 140-organisatie en de 140a-organisatie.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad geeft een oordeel over de vraag of de verdachte door te handelen hoe hij heeft gedaan daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van “het binnen de organisaties bestaande oogmerk”. In het bijzonder relevant is de Hofstadgroep-zaak met vindplaats HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658. De bewezenverklaring hield diverse niet-terroristische misdrijven in, waarop de organisatie het oogmerk had. Het terroristisch misdrijf betrof “bedreigingen met een terroristisch misdrijf”. Het hof had vastgesteld dat de verdachte met enige regelmaat bijeenkomsten bijwoonde waarbij de gewelddadige verspreiding van de islam werd gepropageerd en beeldmateriaal van onthoofdingen werd vertoond, dat hij naar zulke bijeenkomsten wel eens gewelddadig beeldmateriaal meebracht en actief heeft willen bijdragen aan het propageren van de islam door aan bedoelde bijeenkomsten deel te nemen en mee te werken aan de verspreiding van een geschrift met radicale inhoud, getiteld \"How to catch a wolf\", waarin tot de gewapende jihad wordt opgeroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Machielse concludeerde dat het hof hieruit kon afleiden dat de verdachte “een aandeel heeft gehad in gedragingen die verband hielden met de misdrijven [mijn cursivering, EH] waarop het oogmerk van de organisatie was gericht en de realisering van deze misdrijven daadwerkelijk heeft ondersteund.” De slotsom van de Hoge Raad luidde dienovereenkomstig dat het oordeel van het hof dat de verdachte “door zo te handelen daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisaties bestaande oogmerk [mijn cursivering, EH] en derhalve aan die organisaties heeft \"deelgenomen\" in de hiervoor bedoelde betekenis” niet onbegrijpelijk was en het middel faalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbesproken blijft of en, zo ja, waarom uit de in het arrest opgesomde gedragingen van de verdachte kon worden afgeleid dat hij een aandeel had in, of ondersteunde, gedragingen die specifiek betrekking hadden op het oogmerk van de organisatie op bedreigingen met een terroristisch misdrijf. Omdat ik dat aandeel ook niet direct zie, houd ik het ervoor dat voor “deelneming” aan een organisatie die het oogmerk heeft op misdrijven én op terroristische misdrijven, niet is vereist dat de verdachte een aandeel heeft in, of ondersteunt, gedragingen die strekken tot verwezenlijking van of rechtstreeks verband houden met het oogmerk van de organisatie op de terroristische misdrijven. Die benadering sluit aan bij de ten aanzien van een organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr en het oogmerk op uiteenlopende misdrijven gekozen lijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">98.</span>De steller van het middel verwijst specifiek naar één van de andere Hofstadgroep-zaken, te weten HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132. Een vergelijking van deze zaak met de zojuist gememoreerde zaak laat zien hoezeer het in de Hofstadgroep-zaken om grensgevallen ging. De verdachte in de door de steller van het middel aangehaalde zaak werd verweten te hebben deelgenomen aan een organisatie met het oogmerk op – onder meer en samengevat – opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, het verspreiden van opruiende geschriften, aanzetten tot haat, en bedreigingen met (terroristische) misdrijven. Uit de bewijsvoering in de zaak bleek dat de verdachte: (1) bijeenkomsten had bijgewoond waarbij over de gewelddadige verspreiding van de islam werd gesproken; (2) zich tijdens zulke bijeenkomsten en ook overigens had ingespannen om het door hem aangehangen gedachtegoed betreffende de islam en de verspreiding daarvan op anderen over te brengen; (3) tijdens zulke bijeenkomsten om geld had gevraagd ter ondersteuning van gezinsleden van gedetineerde geestverwanten; (4) tezamen met anderen in een pand woonde waarin documenten en beeldmateriaal aanwezig waren met betrekking tot de gewelddadige jihad. Uit deze gedragingen van de verdachte kon volgens de Hoge Raad niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte aan de organisatie had “deelgenomen”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">99.</span>De parallel van de thans voorliggende zaak met de laatstgenoemde zaak wordt in de toelichting op het middel extra aangezet door erop te wijzen dat het hof in de onderhavige zaak eveneens heeft vastgesteld dat de verdachte bijeenkomsten bijwoonde waarop over de gewelddadige verspreiding van de islam werd gesproken. De vergelijking gaat, meen ik, mank. Uit de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Machielse aangaande de zaak waarin de Hoge Raad op 3 juli 2012 casseerde, komt duidelijk naar voren dat de verdachte wel beschikte over haatzaaiende, discriminerende en/of opruiende documenten en opnames van de Hofstadgroep en ook dat hij zich kennelijk schaarde achter de radicaalislamitische ideeën van die groep, maar dat in de zaak niet bleek dat de verdachte de geschriften of opnames die hij in zijn bezit had verder wilde verspreiden of aan de verdere verspreiding buiten de besloten gesprekskring had bijgedragen. Zo een passief consumeren van het radicale gedachtengoed van een organisatie verschaft niet, althans niet zonder meer, daadwerkelijk aandeel in of ondersteuning aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het relevante oogmerk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">100.</span>In de onderhavige zaak liggen de feiten anders. Het hof overweegt namelijk dat de verdachte “een belangrijke positie in de organisatie” bekleedde. Deze rol bestond onder meer erin dat hij bestuurder was van de [C] , de huurovereenkomst voor het pand van de Stichting namens die Stichting is aangegaan, dat hij betrokken was bij de website [internetsite 1] , contact onderhield met strijders in Syrië, als woordvoerder van de organisatie naar buiten trad, een aantal van de openbare bijeenkomsten (mede) organiseerde en dat hij – ik voeg toe: onder meer door het plegen van uitingsdelicten – een aanzienlijke rol had bij het uitdragen van de denkbeelden van de organisatie. Die vaststellingen vinden steun in de bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen houden over de rol van de verdachte meer in. Zonder volledig te willen of hoeven zijn, noem ik:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De deskundige (antropoloog) M. de Koning, die in 2010/2011 startte met een onderzoek naar activistische netwerken ( [D] , [E] , / [B] en [A] ) in Nederland en België, die niet tot mainstream islam kunnen worden gerekend, heeft over de rol van de verdachte verklaard dat hij behoorde tot de ‘inner circle’ van de organisatie (b.m. 6).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De verdachte had een coördinerende rol bij het beleggen van een of meer vergaderingen, zoals naar voren komt uit een door hem verstuurde e-mail (b.m. 125).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De verdachte organiseerde niet alleen openbare bijeenkomsten, maar nam dan ook het woord (b.m. 5 en b.m. 127 e.v.).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De verdachte was actief in het werven van (potentiële) Syriëgangers (bewijsmiddelen 73 en 75).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">101.</span>Aldus heeft de verdachte in de onderhavige zaak zich bepaald niet beperkt tot het passief tot zich nemen van het gedachtengoed van de groep. De verdachte heeft zich zelf actief betoond. Hij heeft bovendien zelf ook verschillende van de misdrijven gepleegd waarop het oogmerk van de organisatie was gericht. Onder die omstandigheden acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte aan de organisaties heeft “deelgenomen” als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr en art. 140a, eerste lid, Sr niet onjuist of onbegrijpelijk. Dat oordeel is tevens toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">102.</span>Ook deze deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">103.</span>Het derde middel faalt in alle onderdelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">VII. Het vierde middel: ‘aanzetten tot haat’ VII.1 Het middel, de bewezenverklaring en de bewijsvoering 104. Het vierde middel klaagt dat de bewezenverklaring van het op dagvaarding II onder 1A aan de verdachte tenlastegelegde feit onvoldoende met redenen is omkleed, omdat uit de bewijsvoering van het hof niet zonder meer kan volgen dat de bewezenverklaarde uiting ‘aanzet tot haat’ tegen mensen wegens hun ras en/of godsdienst in de zin van art. 137d, eerste lid, Sr.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">105.</span>Ten laste van de verdachte heeft het hof onder dagvaarding II, feit 1A bewezenverklaard dat: “1A (eerste cumulatief/alternatief: aanzetten tot haat, discriminatie en geweld door twee of meer verenigde personenhij op meerdere tijdstippen op 4 juli 2014 en 24 juli 2014 te Den Haag tezamen en in vereniging met anderen (telkens) in het openbaar, mondeling heeft aangezet tot haat tegen mensen, te weten de Joden, althans mensen van Joodse afkomst, telkens wegens hun ras en/of godsdienst, door meermalen in het openbaar te roepen/zeggen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>“Khabar Khabar ya Yahudm Yaish Mohammad Sawa ya'ud”; en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>“Khaybar Khaybar,ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud”; en/of “Khaybar, Khaybar, ya yahud, jaishu Mohammed sa ya'ud\", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">106.</span>Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bijlage houdende bewijsmiddelen, in het bijzonder op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen (127 tot en met 136): “127. Een geschrift, te weten het door verdachte schriftelijk ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde ‘Commentaar op dossier Caramel en relevante stukken uit context dossier’. Dit houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:</div>\n<p class=\"lf-p\">De uitspraak die aan mij wordt toegeschreven is: ‘Khaybar Khaybar ya Yahoud, Jaysh Muhammed sa ya’oud.’ Deze heb ik inderdaad uitgesproken. De vertaling kan als volgt weergeven worden: ‘Khaybar Khaybar O joden, het leger van Muhammed zal wederkeren.’ 128. Een proces-verbaal van relaas van onderzoek, d.d. 25 november 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014165022-29. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (blz. 5): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op vrijdag 4 juli 2014 vond in de gemeente Den Haag een demonstratie c.q. manifestatie plaats. Deze was aangemeld door [verdachte] . De demonstratie c.q. manifestatie vond plaats aan het Hobbemaplein.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">129.</span>Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 juli 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014142552-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in — zakelijk weergegeven – (blz. 38 ev): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:</div>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb samen met een gecertificeerde tolk de beelden bekeken die door TV West zijn gemaakt op 4 juli 2014 op het Hobbemaplein te Den Haag tijdens een pro-ISIS demonstratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de demonstratie wordt door een voor mij onbekende man (NN1) het volgende gescandeerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Khaybar, Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt meerdere malen herhaald door NN1 en nagezegd door meerdere demonstranten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tolk gaf aan dat de tekst het volgende betekent: ‘Khaybar, Khaybar, Joden, het leger van Mohammed zal terugkeren’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het einde van het filmpje worden wederom bovenstaande woorden gescandeerd. Op dat moment heeft een voor mij onbekende man (NN2) de microfoon in zijn handen en roept deze woorden. De woorden worden door meerdere demonstranten herhaald, waaronder NN1.130. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 juli 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014142552-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (blz. 40 ev): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik herkende de persoon als NN2 aangeduid in het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2014142552-2 aan de hand van het filmbeeldmateriaal van de betoging op 4 juli 2014 op het Hobbemaplein. Ik herkende NN2 als zijnde: [verdachte] .</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">131.</span>Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 6 juli 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014142552-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (blz. 41 ev): als de op 6 juli 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 23] :</div>\n<p class=\"lf-p\">Ik doe aangifte van bedreiging van een bevolkingsgroep en van discriminatie vanwege de uitspraak/uitspraken die zijn gedaan tijdens de demonstratie op 4 juli 2014 op het Hobbemaplein te Den Haag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik doe aangifte omdat de volgende uitspraken bedreigend cq discriminerend zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Khabar khabar ya Yahudm Yaish Muhammad Sawa ya'ud.</p>\n<p class=\"lf-p\">De letterlijke vertaling is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Joden herdenk Khabar, de troepen van Muhammed komen er aan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">132.</span>Een proces-verbaal van relaas van onderzoek, d.d. 25 november 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014165022-29. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 5): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:</div>\n<p class=\"lf-p\">Op donderdag 24 juli 2014 vond in de gemeente Den Haag een demonstratie c.q. manifestatie plaats. Deze was aangemeld door [verdachte] . De demonstratie c.q. manifestatie vond plaats aan de Hoefkade.133. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d.. 29 juli 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014165022-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 48 ev): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 24 juli 2014 werd door [verdachte] op de Hoefkade te Den Haag een demonstratie georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rond 18:50 uur ving de demonstratie aan. Ik zag hierbij dat [verdachte] zich op het trottoir van de Hoefkade liet omcirkelen door meerdere demonstranten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zag demonstranten geplastificeerde A4tjes uitdelen aan omstanders. Een aantal van deze mensen deed ook feitelijk mee aan het scanderen van teksten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">134.</span>Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 29 juli 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014165022-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 50 ev): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:</div>\n<p class=\"lf-p\">Op 24 juli 2014 bevond ik mij op de Hoefkade te Den Haag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik herkende binnen de groep demonstranten de mij ambtshalve bekende [verdachte] . [verdachte] was gekleed volgens Orthodox Islamistische stijl. Hij droeg een crèmekleurig gewaad bestaande uit een lang shirt en een boek met de pijpen boven de enkels.Om 19:15 hoorde ik duidelijk de volgende leus geroepen worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Khaybar, Khaybar, ya yahud, Jais Muhammad, sa yahud.De leus Khaybar, Khaybar, ya yahud, Jais Muhammad, sa yahud werd diverse malen geroepen. Ik stond op nog geen een meter afstand van de groep demonstranten en dan misschien totaal op twee meter afstand van de spreker op dat moment, de mij bekende [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb [verdachte] recht aan kunnen kijken en ik zag dat hij de uitspraak Khaybar, Khaybar, ya yahud, Jais Muhammad, sa yahud deed. Ik zag en hoorde dat de groep om hem heen deze uitspraak herhaalde.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">135.</span>Een proces-verbaal van bevindingen, d. d. 31 juli 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014165022-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 76):</div>\n<p class=\"lf-p\">Ik bekeek een uitzending van Nieuwsuur waarin een reportage werd uitgezonden samen met een tolk. Gedurende deze reportage werden ook beelden van de demonstratie van 24 juli 2014 uitgezonden. Ik zag dat een gedeelte van de toespraak van [verdachte] werd uitgezonden. Ik zag het volgende: [verdachte] staat op het trottoir van de Hoefkade en wordt door demonstranten en/of omstanders omringd. Hij heeft een microfoon in zijn hand en spreekt daardoor. Vervolgens wordt door meerdere personen de Arabische tekst geroepen: “Khaybar, Khaybar, ya yahud, jaishu Mohammed sa sa'ud!”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij zie ik dat [verdachte] met de microfoon in zijn hand van links naar rechts draait. Hierbij zie ik dat hij de microfoon voor zijn mond houdt. Hierbij zie ik hem de tekst “Khaybar, Khaybar, ya yahud, jaishu Mohammed sa sa'ud!” meespreken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">136.</span>Een geschrift, zijnde aanvullingen op het rapport inzake het context-onderzoek van 21 augustus 2015, opgemaakt en ondertekend door de deskundige prof.dr.mr. R. Peters op 1 september 2015.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – :</p>\n<p class=\"lf-p\">Khaybar Khaybar, ya Yahud, jaysh Muhammad sa-yahud (moet zijn: ya'ud), Khaybar Khaybar, o joden, het leger van Muhammad zal terugkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit was een leuze geroepen tijdens een demonstratie in Den Haag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak zou opgevat kunnen worden als haat zaaien tegen of bedreiging van joden: de spreker roept dat in de toekomst moslimmilitanten de joden zullen verslaan zoals ze dat ook tijdens het leven van Mohammed eens gedaan hebben.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">107.</span>Met betrekking tot het bewijs van het op dagvaarding II onder 1A aan de verdachte tenlastegelegde feit heeft het hof in zijn uitspraak het volgende overwogen: “Feit 1 Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte vanwege het tonen/dragen van de zogenoemde IS vlag/zegelvlag tijdens de bijeenkomsten op 4 juli 2014 en 24 juli 2014 in Den Haag heeft aangezet tot haat tegen Joden dan wel discriminatie of gewelddadig optreden tegen Joden dan wel Joden heeft beledigd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat die vlag in zijn algemeenheid wordt gebruikt als symbool van een terroristische organisatie, met een gedachtengoed dat uitgaat van een discriminatoire behandeling van anders gelovigen zoals door de advocaten-generaal is betoogd, is daarvoor onvoldoende. Ook wanneer de uitlatingen die gedaan zijn in samenhang met die vlag worden beschouwd is dat naar het oordeel van het hof onvoldoende om met betrekking tot die vlag tot een veroordeling van de verdachte te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte zal van dat onderdeel worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep staat vast dat de verdachte op beide data samen met anderen “Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud” heeft geroepen en dat hij zelf op 24 juli 2014 ook “Moeten de effecten van de Europeanen voelen door onze eigen heilige land aan die vuile Joden te geven” heeft geroepen.Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich op 4 en 24 juli 2014 samen met anderen met het roepen van “Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud” schuldig gemaakt aan het aanzetten tot haat tegen Joden als bedoeld in artikel 137d Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof is er geen bewijs, op grond waarvan de verdachte mede verantwoordelijk kan worden gehouden voor de leuzen die op 24 juli 2014 daarna door anderen zijn geroepen en die in de tenlastelegging staan vermeld, welke leuzen zonder meer aangemerkt moeten worden als aanzettend tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden tegen Joden en als beledigend voor Joden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen wettige bewijsmiddelen in het dossier voorhanden waaruit blijkt dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met degenen die die leuzen hebben geroepen. Een al dan niet stilzwijgende afspraak of een vorm van taakverdeling is niet komen vast te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De twee leuzen die door de verdachte zelf zijn geroepen zijn naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat van een belediging als bedoeld in artikel 137c Sr kan worden gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte zal daarom van het hem onder 1B ten laste gelegde worden vrijgesproken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">VII.2 ‘Aanzetten tot haat’ als bedoeld in art. 137d, eerste lid, Sr 108. De tenlastelegging is toegesneden op art. 137d, eerste lid, Sr, zodat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden “aangezet tot haat” moeten worden geacht daarin te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">109.</span>Art. 137d, eerste lid, Sr luidt: “1. “1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">110.</span>Art. 137d Sr kreeg de huidige redactie bij de Wet van 18 februari 1971. Bij die wet werd het tot dan geldende art. 137d Sr vernummerd tot art. 137e Sr en werd een nieuw art. 137d Sr ingevoerd. Aanleiding voor deze wetswijziging was de totstandkoming op 7 maart 1966 van het Internationaal Verdrag van New York van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie (hierna: IVUR). De authentieke tekst van art. 4 IVUR luidt in het Engels: “ “Article 4States Parties condemn all propaganda and all organizations which are based on ideas or theories of superiority of one race or group of persons of one colour or ethnic origin, or which attempt to justify or promote racial hatred and discrimination in any form, and undertake to adopt immediate and positive measures designed to eradicate all incitement to, or acts of, such discrimination and, to this end, with due regard to the principles embodied in the Universal Declaration of Human Rights and the rights expressly set forth in article 5 of this Convention, inter alia: “ (a) Shall declare an offence punishable by law all dissemination of ideas based on racial superiority or hatred, incitement to racial discrimination, as well as all acts of violence or incitement to such acts against any race or group of persons of another colour or ethnic origin, and also the provision of any assistance to racist activities, including the financing thereof; “ (b) Shall declare illegal and prohibit organizations, and also organized and all other propaganda activities, which promote and incite racial discrimination, and shall recognize participation in such organizations or activities as an offence punishable by law; “ (c) Shall not permit public authorities or public institutions, national or local, to promote or incite racial discrimination.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">111.</span>Het voorstel tot strafbaarstelling van onder meer het in het openbaar aanzetten tot haat tegen mensen wegens hun ras, godsdienst of de grondslag van hun levensbeschouwing beoogt de benodigde wetgevende voorzieningen te treffen ter naleving van het bovengenoemde art. 4 IVUR. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel houdt onder meer het volgende in: “ “Bij de voorbereiding van artikel 4 van het verdrag heeft in de discussie een grote rol gespeeld de vraag naar de verhouding van het daarin vervatte verbod van verspreiding van op rassuperioriteit of rassenhaat gegronde denkbeelden en van het aanzetten tot rassendiscriminatie enerzijds en de waarborging van primaire rechtsgoederen als vrijheid van meningsuiting en vrijheid van voorlichting anderzijds (verwezen zij naar publikatie nr. 81 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, De twintigste algemene vergadering van de Verenigde Naties, september-december 1965, blz. 272 e.v.). “ Hoe hoog het belang van een doeltreffende bestrijding van rassendiscriminatie en daarmede verwante verschijnselen ook moet worden aangeslagen, het zo onjuist zijn daaraan de mogelijkheid van een onbelemmerde meningsvorming op te offeren. Dit ook daarom niet omdat dus doende de vrije beoefening van de wetenschap zou kunnen worden aangetast. “ Met het oog hierop is na een uitgebreide discussie in artikel 4 van het verdrag o.a. de clausule opgenomen, dat de staten hun bij het verdrag voorziene maatregelen moeten nemen met inachtneming van de beginselen vervat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en van de rechten, die uitdrukkelijk worden genoemd in artikel 5 van het verdrag. De strekking van die clausule is dus, dat de staten bij het treffen van hun maatregelen de hier in het geding zijnde rechtsgoederen moeten eerbiedigen. De Nederlandse delegatie heeft tot dit resultaat een bijdrage geleverd. Dienovereenkomstig zullen de voorgestelde bepalingen geen afbreuk doen aan de vrijheid van voorlichting, meningsuiting en wetenschapsbeoefening met betrekking tot rassenvraagstukken. Het ontwerp verbiedt, voor zover hier van belang, alleen het in het openbaar doen van uitlatingen die beledigend zijn voor groepen van personen die tot een bepaald ras behoren en het aanzetten van anderen tot rassendiscriminatie, tot rassenhaat en tot geweldpleging tegen mensen wegens hun ras.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Het voorlopig verslag behelst ten aanzien van art. 137d Sr, voor zover hier relevant: “Voorts wilden zij gaarne van de Regering vernemen of ,,aanzetten tot haat” een objectief dan wel een subjectief begrip is. Met andere woorden: moet bewezen worden, dat het de bedoeling van de dader was, aan te zetten tot haat of kan de rechter uit eigen wetenschap beslissen, dat een bepaalde uitlating ,,aanzet tot haat” is? Het kwam deze leden voor, dat deze vraag bij artikel 137e niet relevant is omdat in dit artikel geëist wordt, dat de dader ,,weet of redelijkerwijs moet vermoeden”. Wanneer dus de rechter beslist, dat de dader ,,redelijkerwijs moest vermoeden”, ligt zijn schuld vast. In artikel 137d echter zagen deze leden een moeilijkheid in de formulering. Is ,,aanzetten tot haat” subjectief bedoeld, dan wordt naar de mening van deze leden de bewijslast voor het openbaar ministerie te zwaar, terwijl bij een objectieve interpretatie wellicht een minder begaafd iemand te zwaar door deze bepaling getroffen wordt. Zou het, zo vroegen deze leden, geen aanbeveling verdienen ook 137d te formuleren met de wending: ,,weet of redelijkerwijs moet vermoeden”?”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze vraag is in de memorie van antwoord als volgt gereageerd: “ “Naar aanleiding van de vraag of „aanzetten tot haat\" een objectief dan wel een subjectief begrip is, merken de ondergetekenden op dat „aanzetten\" opzet insluit. Voor de strafbaarheid is dus – in verband met de leer van de Hoge Raad omtrent het voorwaardelijk opzet – vereist, dat de dader ten minste de kans dat anderen door zijn uitlating tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden zouden worden bewogen, willens en wetens heeft aanvaard. Dit vereiste gaat iets minder ver dan de in het voorlopig verslag voorgestelde beperking tot uitlatingen waarvan de dader weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat zij het gevolg teweeg zullen brengen. Die beperking komt meer “ overeen met de opvatting die slechts van opzet wil spreken wanneer de dader zich bewust is van de zekerheid of waarschijnlijkheid dat het gevolg zal intreden. Ook in de voorgestelde redactie “ is echter het aanzetten tot haat noch een subjectief begrip in die zin dat zou moeten worden bewezen dat de dader de bedoeling had tot haat aan te zetten, noch een objectief begrip in die zin “ dat de voorstelling van de dader niet terzake doet. Voor een formulering als in het voorlopig verslag aanbevolen zien de ondergetekenden dan ook geen aanleiding.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">112.</span>Ook van belang in dit verband is het EU-Kaderbesluit 2008/913/JBZ betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht. Dit Kaderbesluit houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “Overwegende hetgeen volgt: [...](9) Met „haat” wordt bedoeld haat, ingegeven door ras, huidskleur, godsdienst, afstamming of nationale of etnische afkomst.[...]Artikel 1 Delicten die verband houden met racisme en vreemdelingenhaat1. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende opzettelijke gedragingen strafbaar worden gesteld:a) het publiekelijk aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen, of een lid van die groep, die op basis van ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd;[...]”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">113.</span>Het standpunt van de Nederlandse regering was dat Artikel 1 van het Kaderbesluit geen implementatie behoefde, omdat Nederland “reeds [voldoet] aan de uit de artikelen 1 en 2 van het kaderbesluit voortvloeiende verplichtingen tot strafbaarstelling. De artikelen 137c tot en met 137e van het Wetboek van Strafrecht bieden een brede strafbaarstelling van het aanzetten tot haat of geweld, belediging en discriminatie wegens onder meer ras of godsdienst.” Internationale verplichtingen die (onder meer) uit dit Kaderbesluit voortvloeien, hebben de Raad van State negatief doen adviseren over het initiatiefvoorstel van het Kamerlid Van Klaveren tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met een verruiming van de vrijheid van meningsuiting, voor zover dit voorstel ertoe strekt de strafbaarstelling van het ‘aanzetten tot haat’ te schrappen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">114.</span>Uit de parlementaire behandeling van het uiteindelijk ingevoerde art. 137d Sr kan worden afgeleid dat ‘aanzetten tot haat’ (ten minste voorwaardelijk) opzet vereist op het teweegbrengen van haatgevoelens bij het gehoor. Ook het versterken van reeds bestaande haatgevoelens zal, denk ik, als ‘aanzetten tot haat’ kunnen worden gekwalificeerd. Naar het mij voorkomt is de betekenis van ‘aanzetten’ niet wezenlijk verschillend van die van ‘opruien’ waarover ik hiervoor bij de bespreking van het tweede middel reeds het een en ander heb opgemerkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">115.</span>Wat onder ‘haat’ dient te worden verstaan, kan uit de parlementaire stukken echter niet worden afgeleid. De term is ontleend aan art. 4 IVUR, maar wordt in dat verdrag niet gedefinieerd. Ook het genoemde EU-Kaderbesluit geeft geen nadere duiding. Overweging 9 van dit Kaderbesluit wordt weliswaar als een definitiebepaling van ‘haat’ gepresenteerd, maar noemt in feite louter hetgeen de haat opwekt en waartegen de haat zich kan keren. Het EHRM, dat in voorkomende gevallen als vast oordeel uitspreekt dat het in een democratische samenleving nodig kan zijn om te sanctioneren of zelfs te voorkomen “all forms of expression which spread, incite, promote or justify hatred based on intolerance”, komt evenmin tot een nadere concretisering van hetgeen onder “hatred” of “hate speech” moet worden verstaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Wel is op 30 oktober 1997 – binnen het verband van de Raad van Europa – door het Comité van Ministers “Aanbeveling nr. R (97) 20 On hate speech” aangenomen, waarin de regeringen worden opgeroepen om ter bestrijding van hate speech de benodigde maatregelen te nemen. In die aanbeveling moet de term hate speech “be understood as covering all forms of expression which spread, incite, promote or justify racial hatred, xenophobia, anti-Semitism or other forms of [mijn cursivering, EH] hatred based on intolerance, including: intolerance expressed by aggressive nationalism and ethnocentrism, discrimination and hostility against minorities, migrants and people of immigrant origin.”Dat is een brede definitie, waaronder dus in elk geval alle vormen van xenofobie en – voor de beoordeling van het middel vooral van belang – antisemitisme moeten worden begrepen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">116.</span>Zie ik het goed, dan heeft ook de Hoge Raad het begrip ‘haat’ in zijn rechtspraak tot op heden niet nader omschreven of afgebakend. De vraag is of dat wel nodig is. De term haat lijkt duidelijk, zo stelt Fokkens bijvoorbeeld. Het ontbreken van een nadere definitie in verdrag of wet, duidt naar het mij voorkomt erop dat de juridische betekenis van het begrip ‘haat’ dichtbij de taalkundige, in het normale spraakgebruik gangbare betekenis moet worden gezocht. Niet zonder reden dus, beginnen Janssens &amp; Nieuwenhuis hun inventarisatie van die betekenis bij het Van Dale woordenboek. Ik citeer (met vernummering van de voetnoten): “Naar Van Dale’s woordenboek der Nederlandse taal betekent haat een “gevoel van diepe afkeer, gepaard met verlangen om die persoon te zien ondergaan, al of niet ook om hem leed te doen”. In de Duitse juridische literatuur vinden we haat omschreven als heftige emotionele gevoelens van vijandschap. Remmelink benoemt ‘haat’ in de context van art. 137d Sr als “verachting of een prijsgeving aan de verachting”. Fennema beschrijft haat als “een (collectief) gevoel of dispositie”. Gemeenschappelijk aan deze omschrijvingen is dat een gevoel centraal staat. Ook bij de beschrijving die Van Stokkom et al. geven, komt een gevoel naar voren: aanzetten tot haat is “het (opzettelijk) agiteren, het opruien door openlijk uiting te geven aan vijandschap of grove minachting”. Het gaat, deze omschrijvingen overziende, om “het bezigen van uitdrukkingen die geëigend zijn om gevoelens van haat op te roepen of te versterken”.”</div>\n<p class=\"lf-p\">De door Janssens &amp; Nieuwenhuis aangehaalde omschrijvingen geven naar mijn smaak een goede indruk van wat de term ‘haat’ zowel in het normale spraakgebruik als in art. 137d, eerste lid, Sr bij benadering dient te betekenen. Zelf menen de auteurs dat deze omschrijvingen ons weinig verder helpen: “Het gaat bij de citaten om ‘gevoelens van haat’, maar wat die gevoelens nu precies inhouden is niet duidelijk, nog daargelaten de vraag of ‘gevoelens’ object van strafbaarstelling moeten zijn. Wij kunnen ons vinden in de stellingname van Strijards, dat strafbare gedragingen in beginsel ‘emotieloos’ moeten worden omschreven. Dat betekent dat een gedraging als bijvoorbeeld het ‘verheerlijken van haat’ niet in het Wetboek van Strafrecht zou moeten worden opgenomen.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">117.</span>Ik deel hun zienswijze niet. Gevoelens zijn inderdaad geen geschikt object van strafbaarstelling, maar zij vormen dan ook niet het object van de strafbaarstelling van ‘aanzetten tot haat’. Het object van de strafbaarstelling van art. 137d, eerste lid, Sr zijn niet de gevoelens van haat zelf, maar is de uiting die deze gevoelens doet ontstaan of nog eens aanwakkert. Daarin ligt op zichzelf al een zekere objectivering besloten, maar bovendien is niet van belang of de toehoorder door de uiting daadwerkelijk is aangezet, dat wil zeggen daadwerkelijk de beoogde, hevige emotie heeft gevoeld, maar enkel of de uiting kan worden geacht in zijn algemeenheid geschikt te zijn om bij een toehoorder gevoelens van haat tegen de groep mensen teweeg te brengen of te versterken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">118.</span>Op deze manier begrepen heeft de strafbaarstelling van ‘aanzetten tot haat’ een eigen functie naast die van de in art. 137d, eerste lid, Sr besloten strafbaarstellingen van ‘aanzetten tot discriminatie’ en ‘aanzetten tot gewelddadig optreden’ tegen een groep mensen op grond van de in die bepaling genoemde kenmerken, alsook naast de in art. 131 Sr en art. 132 Sr strafbaar gestelde opruiingsdelicten. Haatgevoelens behoeven niet te leiden tot een op uitsluiting van de groep gericht handelen, gaan niet noodzakelijk gepaard met gewelddadig optreden tegen de groep en behoeven evenmin enig strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag op te leveren. Toch is de verspreiding van tegen een groep mensen wegens een in art. 137d, eerste lid, Sr genoemde eigenschap gerichte haatgevoelens een venijn voor de samenleving en voor het daarbinnen aangenaam en vreedzaam leven van de aangevallen groep. Dat rechtvaardigt afzonderlijke strafbaarstelling van het in het openbaar aanzetten tot zulke gevoelens. Uiteraard is, mede gelet op de vrijheid van meningsuiting, wel van belang niet al te licht aan te nemen dat een uiting geschikt is om tot haat aan te zetten. Haat is meer dan afkeer; de uiting moet geschikt zijn om tot een diepe afkeer, of een diepgewortelde verachting, te bewegen of om zo een hevige emotie te versterken.</div>\n<p class=\"lf-p\">VII.3 Beoordeling van het vierde middel 119. De steller van het middel ontleent, in navolging van het pleidooi van de raadsman in hoger beroep, aan de uitspraak van de rechtbank in de tweede strafzaak tegen de politicus Geert Wilders de eis van “een krachtversterkend element, waarbij anderen worden opgehitst of opgeroepen om iets te doen”. De in de voorliggende zaak bewezenverklaarde uiting zou daaraan niet voldoen, want deze behelst “een constatering – hooguit een voorspelling – maar geen roep om actie”, aldus de steller van het middel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">120.</span>Het vereiste van een oproep tot actie doet aan de hiervoor geschetste eigen plaats van de strafbaarstelling in mijn ogen onvoldoende recht. Als gezegd is het naar mijn mening juist zo dat de strafbaarstelling van het ‘aanzetten tot haat’ niet een oproep tot actie hoeft in te houden en zich in zoverre onderscheidt van ‘aanzetten tot discriminatie’ en ‘aanzetten tot gewelddadig optreden’. Uit hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt volgt, dat ik van mening ben dat het middel in zoverre een eis stelt die het recht niet kent.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">121.</span>Ook overigens meen ik dat de bewezenverklaring van het op dagvaarding II onder 1A tenlastegelegde feit voldoende met redenen is omkleed. De bewijsmiddelen houden in dat de verdachte op zowel 4 juli 2014 als op 24 juli 2014 te Den Haag de bewezenverklaarde uiting heeft gedaan bij een door hem aangemelde demonstratie. De gebruikte woorden kunnen blijkens de bewijsmiddelen worden vertaald (onder meer) als “Khaybar, Khaybar, [O] Joden, het leger van Mohammed zal terugkeren”. Ter duiding van de uitspraak is tevens als bewijsmiddel opgenomen een aanvullend rapport van de deskundige Peters, die de bewezenverklaarde uiting aldus uitlegt dat de spreker roept dat in de toekomst moslimmilitanten de Joden zullen verslaan zoals ze dat ook tijdens het leven van Mohammed eens gedaan hebben in Khaybar.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is de context waarin deze uiting is gedaan mijns inziens van wezenlijk belang. De verdachte heeft twee pro-IS demonstraties aangemeld. Tijdens die demonstraties zijn IS-vlaggen getoond. De verdachte heeft de microfoon ter hand genomen en de bewezenverklaarde leus geroepen. Zijn gehoor heeft die leus beantwoord. Het hof heeft tevens vastgesteld dat de verdachte bij de tweede demonstratie zelf heeft geroepen “Moeten de effecten van de Europeanen voelen door onze eigen heilige land aan die vuile Joden te geven”. Het hof heeft voorts weliswaar geoordeeld dat de verdachte niet als deelnemer strafrechtelijk aansprakelijk is voor de na zijn uitingen bij de tweede demonstratie door andere demonstranten geroepen leuzen, maar voor de context waarin de bewezenverklaarde uiting moet worden bezien, is, lijkt mij, wel degelijk van betekenis de vaststelling van het hof dat in het vervolg van de tweede demonstratie leuzen zijn geroepen die “zonder meer aangemerkt moeten worden als aanzettend tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden tegen Joden en als beledigend voor Joden.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">122.</span>Het oordeel van het hof dat de verdachte met de bewezenverklaarde uitingen heeft ‘aangezet tot haat’ in de zin van art. 137d, eerste lid, Sr geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is in dit opzicht tevens toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het in hoger beroep gevoerde verweer dienaangaande in de kern niet méér inhoudt dan de hiervoor onder randnummer 119 beschreven stelling dat sprake moet zijn van een krachtversterkend element, waarbij anderen worden opgehitst of opgeroepen om iets te doen, en dat daarvan in de aan de verdachte tenlastegelegde uitingen geen sprake is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">123.</span>Het vierde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">VIII. Het vijfde middel: vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting VIII.1 Het middel en de relevante overwegingen van het hof 124. Het vijfde middel richt diverse klachten tegen het oordeel van het hof dat “het bewezenverklaarde” strafbaar is. De kern van de klachten is dat het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte niet worden beschermd door de vrijheden van godsdienst en meningsuiting getuigt van één of meer onjuiste rechtsopvattingen, althans op één of meer onderdelen mede in het licht van de door de verdediging gevoerde verweren onbegrijpelijk is of ontoereikend is gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">125.</span>Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7, 13, 14, 20, 21, 22 en 28 maart 2018 en 3, 4, 5 en 6 april 2018 en 14 mei 2018 heeft de raadsvrouw van de verdachte, met de raadsvrouw van de medeverdachte [betrokkene 6] gezamenlijk, aldaar op 20 maart 2018 het woord tot verdediging van de verdachte en de medeverdachte gevoerd overeenkomstig de in het procesdossier aanwezige ‘pleitaantekeningen context II’. Deze pleitaantekeningen houden onder 2.54 tot en met 2.120 in dat strafrechtelijke veroordeling van de verdachte in strijd komt met art. 9 EVRM en/of art. 10 EVRM. Gezien de omvang van deze verweren, volsta ik met verwijzing daarnaar en naar de door het hof gegeven samenvatting in het volgende randnummer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">126.</span>Het hof heeft de namens de verdachte gevoerde verweren in het bestreden arrest als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen: “Strafbaarheid van het bewezen verklaarde [...]Vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuitingNamens de verdachte heeft de verdediging een beroep gedaan op de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting (artikel 9 en 10 het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het beroep stuit naar het oordeel van het hof af op artikel 17 EVRM. In de onderhavige zaak is komen vast te staan dat de verdachte de vrijheid van meningsuiting heeft ingezet voor doeleinden die overduidelijk in strijd zijn met de geest van het EVRM: zij hebben, geïnspireerd door religieus fundamentalisme, aangezet tot het meedoen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, waarin altijd terroristische misdrijven worden gepleegd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat kan worden gekwalificeerd als te zijn gericht op de vernietiging van de in het Verdrag beschermde rechten en vrijheden. Daarom ontvalt aan hem al bij voorbaat de bescherming van artikel 9 en 10 EVRM (vergelijk ook EHRC 2017/169. EHRM, 27-6-2017, 343678/14).Het hof overweegt daarbij nog, dat ook een materiële toets op basis de artikelen 9 en 10 EVRM niet tot een ander oordeel leidt. Het EVRM zelf en de beperkingssystematiek van het EVRM brengen dat met zich mee. Volledigheidshalve zal het hof de daaromtrent gemaakte afwegingen hieronder weergeven.Het hof verwerpt het beroep van de verdediging op artikel 9 EVRM (godsdienstvrijheid), dat bescherming biedt aan uitingen voor zover zij naar objectieve maatstaven een directe uitdrukking van godsdienst of levensovertuiging vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewezenverklaarde uitingen die oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd – en dus opruien tot terroristische misdrijven dan wel geschriften die daartoe opruien verspreiden – kunnen naar objectieve maatstaven niet worden beschouwd als het directe belijden van een godsdienst.De verdediging heeft verder bepleit dat het ten laste gelegde handelen wordt beschermd door artikel 10 EVRM. De door de tenlastelegging beoogde strafbepaling dient dan ook buiten toepassing te blijven en de verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat met de veroordeling van de verdachte ter zake van uitingsdelicten inbreuk wordt gemaakt op het recht van de verdachte op vrije meningsuiting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, EVRM. Het hof heeft dan ook te onderzoeken of die inbreuk gerechtvaardigd is als bedoeld in artikel 10, tweede lid, EVRM.Het recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van voornoemde verdragsbepaling toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van genoemde vrijheid vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 131 en 132 Sr vormen toegankelijke en voorzienbare beperkingen. Gelet op hetgeen de verdachte wist van de strijd in Syrië, nl. dat de gewapende strijdgroepen in Syrië ernstige misdrijven pleegden, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen e.d. met een terroristisch oogmerk, was voor hem voorzienbaar dat (het verspreiden ter) opruiing tot 'deelname aan de gewapende jihadstrijd' als strafbaar feit in de zin van deze artikelen zou worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen moeten worden beschouwd als in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is. Uit de Europese jurisprudentie moet worden afgeleid dat \"noodzakelijk\" inhoudt: een dringende maatschappelijke noodzaak (\"pressing social need\") waarbij aan de lidstaten een zekere vrijheid toekomt bij de waardering van die noodzaak. Bij die waardering moet een afweging worden gemaakt tussen het fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting (het individuele grondrecht) en het fundamentele belang van bescherming van de democratische (rechts-)staat (het algemene fundamentele maatschappelijke belang) plaatsvinden. Een aanvaardbare beperking van de vrijheid van meningsuiting dient in ieder geval te voldoen aan eisen van proportionaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof oordeelt dat nu de bewezen verklaarde feiten opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd – waarvan de betekenis hierboven is weergegeven – in beginsel de Nederlandse democratische rechtsstaat in gevaar is. De terroristische misdrijven die worden gepleegd door degenen die – na te zijn opgeruid – vanuit Nederland uitreizen en deelnemen aan de gewapende jihadstrijd zijn hiervoor al weergegeven en besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de inbreuk op verdachtes recht op haar vrijheid van meningsuiting niet in strijd is met artikel 10 EVRM. Een veroordeling voor het bewezen verklaarde handelen is naar het oordeel van het hof derhalve niet in strijd met voornoemde verdragsbepaling.Toetsing aan het grondwettelijk beperkingssysteem leidt tot dezelfde uitkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">127.</span>De steller van het middel komt op tegen vier onderdelen van de bovenstaande overwegingen. Deze onderdelen zijn in de cassatieschriftuur gelabeld A) tot en met D). Ik zal de in het middel en de toelichting erop gehanteerde indeling hierna zoveel mogelijk eerbiedigen.</div>\n<p class=\"lf-p\">VIII.2 Art. 17 EVRM 128. Het middel klaagt onder A) over het oordeel van het hof dat de verdachte op grond van art. 17 EVRM niet de bescherming kan inroepen van de artikelen 9 en 10 EVRM.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">129.</span>De Engelse, authentieke, tekst van art. 17 EVRM luidt: “Nothing in this Convention may be interpreted as implying for any State, group or person any right to engage in any activity or perform any act aimed at the destruction of any of the rights and freedoms set forth herein or at their limitation to a greater extent than is provided for in the Convention.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">130.</span>Niet geheel ten onrechte noemt Buyse deze verdragsbepaling “one of the most paradoxical provisions of the Convention”. Hij doelt daarmee in de eerste plaats op de ratio ervan. Voor zover het zich richt tot groepen en individuele personen, is de strekking van art. 17 EVRM “to make it impossible for them to derive from the Convention a right to engage in any activity or perform any act aimed at destroying any of the rights and freedoms set forth in the Convention.”Daarmee raakt het verdragsartikel aan het concept van de ‘weerbare democratie’, dat berust op de gedachte dat een democratie zich ertegen moet (kunnen) wapenen dat zij met de door haarzelf aangereikte instrumenten omvergeworpen wordt. In lijn met die grondgedachte mag een persoon of groep die zich tot doel stelt de rechten en vrijheden van het EVRM te vernietigen zich niet ter verwezenlijking van dat doel op het EVRM kunnen beroepen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">131.</span>In de rechtspraak van het EHRM komt men directe toepassing van art. 17 EVRM tegen, en ook gevallen waarin art. 17 EVRM indirect een rol speelt. In die laatste gevallen is de bepaling een interpretatietool die als argument bijdraagt aan de conclusie dat een beperking van het betrokken mensenrecht noodzakelijk is in een democratische samenleving. Directe toepassing van art. 17 EVRM brengt daarentegen mee dat een beroep op de rechten die het EVRM toekent, de klager wordt ontzegd omdat de klacht ratione materiae onverenigbaar is met het Verdrag. Gelet op het doel van de bepaling en de ingrijpende consequenties van de toepassing ervan, kan de verdragsbepaling volgens het EHRM alleen directe toepassing vinden “on an exceptional basis and in extreme cases”. De Hoge Raad heeft dit laatste eveneens benadrukt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">132.</span>Het exceptionele karakter van art. 17 EVRM en de ratio van de bepaling brengen onder meer met zich dat niet alle door het EVRM gewaarborgde fundamentele rechten met een beroep op die bepaling kunnen worden ontzegd. Zo wordt aangenomen dat de in art. 15 EVRM als niet-derogeerbaar aangemerkte rechten niet op grond van art. 17 EVRM buiten toepassing kunnen worden gelaten. Het EHRM heeft geoordeeld dat het doel van art. 17 geen rechtvaardiging kan bieden om personen die hebben deelgenomen aan activiteiten die erop gericht zijn de grondrechten van het EVRM te beschadigen, in een daaropvolgende (straf)procedure de aanspraken van art. 5 en/of art. 6 EVRM te onthouden. Het is dus in de praktijk vooral de context van de materiële, en meer in het bijzonder die van de ‘politieke’, vrijheden, zoals die van art. 9, art. 10 en art. 11 EVRM, waarin art. 17 EVRM aan de ontvankelijkheid van een klacht in Straatsburg rechtstreeks in de weg kan staan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">133.</span>Een beroep op specifiek art. 10 EVRM stuit af op het bepaalde in art. 17 EVRM als de litigieuze uitingen “incompatible with the values proclaimed and guaranteed by the Convention” zijn. Het komt er uiteindelijk op aan of “the statements are directed against the Convention’s underlying values, for example by stirring up hatred or violence, and whether by making the statement, the author attempted to rely on the Convention to engage in an activity or perform acts aimed at the destruction of the rights and freedoms laid down in it”.De uitingen ten aanzien waarvan het EHRM tot nu toe heeft geoordeeld dat zij aan dat criterium voldoen en dus de bescherming van het EVRM ontberen, kunnen nader worden gecategoriseerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ernstige vormen van discriminatie (islamofobie, antisemitisme, xenofobie, enz.) zijn een eerste categorie van gevallen. Daarnaast is art. 17 EVRM een aantal keren met succes ingeroepen tegen de ontkenning van de holocaust en de uitgesproken minachting voor de slachtoffers daarvan. Aan de verdragsbepaling kan ook toepassing worden gegeven wanneer EVRM-rechten worden ingeroepen ter zake van politieke uitingen (of verenigingen) waaraan een streven naar een totalitair regime ten grondslag ligt of die anderszins een met een democratische staat onverenigbare politieke visie uitdragen. Voor zover het middel beoogt te klagen over de strafbaarheid van de bewezenverklaarde opruiingsdelicten, is thans het meest van belang een (vierde) categorie van uitingen, te weten uitingen die oproepen tot haat of geweld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">134.</span>Vanwege de context van die zaak is hier in het bijzonder relevant de ontvankelijkheidsbeslissing in Belkacem/België.Belkacem, ten tijde van de feiten leider en woordvoerder van de organisatie Sharia4Belgium, klaagde in Straatsburg dat zijn recht op vrije meningsuiting was geschonden bij de strafvervolging ter zake van door hem op YouTube geplaatste video’s. In deze video’s riep hij op om niet-moslims te “domineren” en te “bestrijden”. Het EHRM overweegt niet te twijfelen aan de haatdragende strekking van zijn boodschap en sluit zich aan bij de nationale rechter die had vastgesteld dat de klager trachtte haat, discriminatie en geweld te zaaien tegen alle personen die geen moslim zijn. Een dergelijke algemene en heftige aanval acht het EHRM in tegenspraak met de aan het Verdrag ten grondslag liggende waarden van tolerantie, sociale vrede en gelijkheid. Met betrekking tot de door Belkacem uitgedragen wens Sharia te vestigen, stelt het Hof de zaak vervolgens tegenover Gündüz/Turkije, waarin het Hof eerder had geoordeeld dat het enkele verdedigen van de Sharia, zonder oproep tot geweld om deze te vestigen, niet als hate speech kan worden beschouwd. In Belkacem is van zo een oproep tot geweld wél sprake. Het EHRM verklaarde de klager op grond van art. 17 EVRM niet-ontvankelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">135.</span>Eveneens in verband met de onderhavige zaak in het bijzonder relevant is de zaak Roj TV A/S/Denemarken.De klager in die zaak is een Deens(e) bedrijf en televisiezender. Nadat Turkse autoriteiten zich over de zender hadden beklaagd en in Duitsland reeds een verbod op de zender was uitgevaardigd, is het bedrijf in Denemarken vervolgd en veroordeeld voor het ‘promoten’ van een binnen Europa algemeen als terroristisch beschouwde organisatie, te weten de Koerdische PKK. De Deense rechter stelde vast dat de klager via de televisie-uitzendingen gedurende vier jaar “had promoted the PKK’s terror operation”. De feitenrechter oordeelde dat de eenzijdige verslaggeving met “repetitive incitement to participate in fights and actions, incitement to join the organisation/the guerrilla, and the portrayal of deceased guerrilla members as heroes, amounted to propaganda for the PKK, and that it could not only be considered a declaration of sympathy.” Geconstateerd was ook dat de klager in die jaren in significante mate werd gefinancierd door de PKK.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het EHRM benadrukt vervolgens dat de nationale rechter de televisie-uitzendingen uitvoerig heeft bestudeerd en de zaak in drie instanties heeft beoordeeld, waarbij ook het recht van de verdachte op vrije meningsuiting is betrokken. Na het beoordelingskader voor toepassing van art. 17 EVRM te hebben vooropgesteld, verklaart het Hof de klacht ratione materiae niet-ontvankelijk. Daartoe hecht het veel gewicht aan de vaststelling van de nationale rechter. Het EHRM komt tot de conclusie dat: “ “taking firstly account of the nature of the impugned programmes, which included incitement to violence and support for terrorist activity, elements extensively examined by the national courts, secondly, the fact that the views expressed therein were disseminated to a wide audience through television broadcasting and, thirdly, that they related directly to an issue which is paramount in modern European society – the prevention of terrorism and terrorist-related expressions advocating the use of violence – the applicant company´s complaint does not, by virtue of Article 17 of the Convention, attract the protection afforded by Article 10.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">136.</span>Ik vind in de rechtspraak van het EHRM geen steun voor het standpunt van de steller van het middel dat per uiting afzonderlijk zou moeten worden geëxpliciteerd of art. 17 EVRM een beroep op het EVRM van de verdachte ontzegt. In het bijzonder ook niet in de in dat verband in de cassatieschriftuur genoemde uitspraak in de zaak Ibragim Ibragimov e.a./Rusland. In die zaak leidde noch directe toepassing noch indirecte toepassing van art. 17 EVRM het EHRM tot de slotsom dat art. 17 EVRM aan een beroep op het EVRM in de weg stond. Integendeel, het EHRM constateerde een schending van art. 10 EVRM. Over het onderzoek van de nationale rechter in die zaak was het Straatsburgse Hof duidelijk niet ingenomen. De nationale rechter had boeken als ‘extremistisch’ gekwalificeerd, maar zich daarbij vrijwel geheel verlaten op het oordeel van een deskundige zonder zelf te identificeren welke uitingen in die boeken extremistisch waren. Voor zover wel kon worden opgemaakt welke concrete uitingen waren bedoeld, kon het EHRM de kwalificatie als extremistisch niet volgen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het EHRM niet toestaat dat de nationale rechter, die concrete uitingen heeft geïdentificeerd en niet-onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat zij in onderlinge samenhang bezien aanzetten tot geweld, niet zou mogen beslissen dat deze uitingen op grond van art. 17 EVRM collectief geen bescherming aan het EVRM kunnen ontlenen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">137.</span>De steller van het middel vraagt in relatie tot art. 17 EVRM nog aandacht voor de geschiedenis van de grondwetsherziening van 1983. In het kader daarvan is aan de orde geweest of de herziene Nederlandse Grondwet een bepaling zou moeten bevatten van de strekking van art. 17 EVRM. De memorie van toelichting bij de “Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake grondrechten”, houdt dienaangaande het volgende in: “Het vraagstuk van de aantasting van grondrechten door middel van grondrechten leidt tot de concrete vraag of in navolging van artikel 17 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden een bepaling moet worden opgenomen, op grond waarvan kan worden tegengegaan, dat de grondrechten door middel van de uitoefening van grondrechten worden aangetast. Dat een dergelijke aantasting mogelijk is, lijkt niet voor bestrijding vatbaar. Onder gebruikmaking van de grondrechten kunnen activiteiten worden ontplooid, welke juist op het teniet doen van deze rechten zijn gericht. Zo kan door middel van het geschreven woord de overgang worden nagestreefd naar een politieke orde, waarin de vrijheid van meningsuiting in ernstige mate is beknot en waarin slechts aanhangers van het aan de macht zijnde politieke regime recht van spreken hebben.Met de staatscommissie en de indieners van wetsontwerp 11 051 beantwoorden wij de vraag ontkennend.Vooreerst kan men betwijfelen of een grondwetsartikel op dit stuk een maatschappelijke of politieke ontwikkeling als hier bedoeld kan tegenhouden. Verder bieden de beperkingsclausules van de verschillende artikelen – gewezen zij bijv. op de artikelen 1.7 en 1.8 – reeds de nodige mogelijkheden om bepaalde maatregelen te treffen, indien dat ooit wenselijk mocht worden.”</div>\n<p class=\"lf-p\">En de memorie van antwoord zegt over deze kwestie: “Hoewel in het voorlopig verslag enerzijds instemming wordt betuigd met de conclusie van de regering, dat geen behoefte bestaat aan opneming van een bepaling overeenkomstig artikel 17 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt anderzijds de vraag opgeworpen waarom geen bepaling is opgenomen om de aantasting van grondrechten en wellicht ook van andere zeer zwaarwegende belangen door grondrechten tegen te gaan. Verwezen wordt daarbij naar de intreerede van prof. dr. G. van den Bergh in 1936 over de democratische staat en de niet-democratische partijen, waarin onder meer de vraag wordt aangesneden in hoeverre politieke partijen, al dan niet als vereniging georganiseerd, wier doelstellingen in strijd met de goede zeden zijn, mogen worden verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting is er reeds op gewezen, dat de beperkingsclausules voldoende mogelijkheden inhouden om de in dit opzicht noodzakelijke maatregelen te treffen. Van die mogelijkheid is reeds in verschillende gevallen gebruik gemaakt, zoals ook in het voorlopig verslag wordt opgemerkt. Wij wijzen hierbij nog op het volgende. In het wetsontwerp zijn alle grondrechten, welke de burger het recht tot bepaalde gedragingen verschaffen, voorzien van een beperkingsclausule. Dit brengt mee, dat de wetgever de uitoefening van een grondrecht, ook wanneer daardoor iemand anders in zijn grondrecht wordt aangetast, aan beperkingen kan onderwerpen. Deze mogelijkheid heeft de wetgever, zoals reeds werd opgemerkt, op verschillende wijzen benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijke voorbeelden daarvan biedt het Wetboek van Strafrecht, waarin tal van strafbaarstellingen voorkomen welke (mede) dienen om de burgers in hun grondrechtelijke belangen te beschermen. Gewezen zij onder meer op de artikelen 137c en volgende, welke tot doel hebben het recht om niet naar ras gediscrimineerd te worden te beschermen tegen een te ver gaande uitoefening van het recht gedachten of gevoelens te openbaren. Een ander voorbeeld biedt artikel 1401 Burgerlijk Wetboek. Dit artikel, dat gericht is tegen het begaan van onrechtmatige daden, kan ook in die gevallen worden ingeroepen waarin de betreffende daad wordt verricht in de uitoefening van een grondrecht, zoals sommige meningsuitingen welke iemands persoonlijke levenssfeer aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze voorbeelden blijkt, dat in het bestaande Nederlandse recht reeds een pakket van bescherming tegen aantasting van grondrechten door grondrechten aanwezig is. Daarbij is in het algemeen deze constructie gevolgd, dat het startpunt van de bescherming in wetgeving is gelegen, die verder voor een belangrijk deel door middel van rechtspraak wordt geëffectueerd. Zou men hieraan nu een grondwettelijke bepaling als artikel 17 van het Europese Verdrag toevoegen, dan zou dat aan de vraag waar de vrijheidsgrenzen van de burger bij de uitoefening van grondrechten liggen een sterk politieke component toevoegen en de beantwoording van die dikwijls politieke vraag niet in de eerste plaats aan de politiek verantwoordelijke organen maar primair aan de rechterlijke macht opdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter zou dan bij voorbeeld de vraag moeten beantwoorden op welk moment iemand het recht op vrijheid van meningsuiting verliest als hij wijzigingen in het bestaande staatkundige bestel bepleit; godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke opvattingen van andersdenkenden bestrijdt; de ongelijkheid van man en vrouw belijdt; e.d. Wij menen, dat, wanneer een dergelijke veelomvattende beperkingsbevoegdheid in één (te) simpele formule zou worden neergelegd, dit te zeer ten koste zou gaan van het waarborgkarakter van de grondrechten en de rechterlijke macht te zeer voor politieke strijdvragen zou plaatsen. In het wetsvoorstel is daarom gekozen voor een systeem, dat de wetgever de gelegenheid biedt in te grijpen in die gevallen waarin naar zijn oordeel de uitoefening van een grondrecht verder moet worden beperkt; bij voorbeeld op de wijze als in artikel 137c Wetboek van Strafrecht is geschied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beperkingsclausules voorzien daarin.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">138.</span>De steller van het middel neemt het standpunt in, dat deze grondwetsgeschiedenis ten onzent zou moeten leiden tot een “zeer stringente invulling van art. 17 EVRM op nationaal niveau.” Zij verwijst daartoe naar art. 53 EVRM dat verbiedt het Verdrag als rechtvaardiging te gebruiken om op nationaal niveau erkende grondrechten te beperken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">139.</span>Aan haar betoog ligt derhalve kennelijk de veronderstelling ten grondslag dat de Grondwet op nationaal niveau een hoger beschermingsniveau van grondrechten erkent. Dat berust dan kennelijk op de gedachte dat de reden dat de Grondwet niet een met art. 17 EVRM vergelijkbare bepaling bevat erin is gelegen dat in Nederland naar het oordeel van de grondwetgever voor de onder art. 17 EVRM te scharen vormen van misbruik van grondrechten een hoger beschermingsniveau zou moeten bestaan dan het EVRM waarborgt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">140.</span>Uit de door mij geciteerde parlementaire geschiedenis maak ik op dat de veronderstelling waarvan de steller van het middel uitgaat, onjuist is. De minister heeft vooropgesteld niet voor bestrijding vatbaar te achten dat het gebruik van grondrechten kan worden gericht op het teniet doen van grondrechten. De minister geloofde echter ten eerste niet dat een met art. 17 EVRM vergelijkbare bepaling de democratie zou hoeden voor ondemocratische ontwikkelingen, terwijl hij ten tweede van oordeel was dat de voorgestelde beperkingsclausules van de grondwettelijke grondrechten de wetgever voldoende ruimte zouden bieden om, bijvoorbeeld door middel van strafbaarstellingen, vormen van misbruik van grondrechten te verbieden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hij meende dat in Nederland “reeds een pakket van bescherming tegen aantasting van grondrechten door grondrechten aanwezig is”. Een ander argument om geen bepaling van de strekking van art. 17 EVRM op te nemen was van meer Nederlands constitutioneel-rechtelijke aard: zo een bepaling zou niet de wetgever maar de rechter voor de vraag stellen of van een inbreuk op grondwettelijke rechten sprake is, en dat aan de hand van een algemene, veelomvattende bepaling. De grondwetgever gaf de voorkeur aan de preciezere beperkingsclausules van de afzonderlijke grondrechten. Duidelijk is dat de grondwetgever door af te zien van een met art. 17 EVRM vergelijkbare grondwettelijke bepaling niet heeft beoogd gedragingen die op de voet van art. 17 EVRM door het Verdrag niet worden beschermd, naar nationaal recht wel bescherming te bieden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">141.</span>Terug naar de voorliggende zaak. Het hof heeft zijn oordeel dat het beroep op art. 9 en art. 10 EVRM afstuit op art. 17 EVRM bondig gemotiveerd, met verwijzing naar de zaak Belkacem. Een verschil tussen die zaak en de onderhavige zaak is volgens de steller van het middel dat in die zaak werd opgeroepen tot het plegen van geweld in en het omverwerpen van het openbaar gezag van een Partijstaat bij het EVRM, zijnde een democratische rechtsstaat. Ik lees de beslissing van het EHRM echter zó dat het totalitaire gevaar dat van de uitingen van Belkacem over de Sharia uitging een tweede zelfstandige grond vormt voor toepassing van art. 17, naast de eerste grond dat de klager opriep tot geweld tegen niet-moslims. Voor de stelling dat aansporingen tot haat en/of geweld louter met de onderliggende waarden van het EVRM in strijd kunnen komen indien en voor zover die haat en/of dat geweld zijn gericht tegen mensen die zich binnen de Raad van Europa bevinden, zie ik in de Straatsburgse rechtspraak geen enkele steun, in het bijzonder ook niet in de hiervoor besproken zaak Roj TV A/S/Denemarken. Het EHRM besteedt in die Deense zaak geen enkele aandacht aan de vraag of de door de klager in die zaak aangemoedigde organisatie de rechtsvrede van een bij het EVRM aangesloten land (in dat geval bijv. Turkije) bedreigt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">142.</span>Het hof heeft niet expliciet tot uitdrukking gebracht te hebben onderkend dat art. 17 EVRM een bijzonder en ingrijpend instrument is dat naar het oordeel van het EHRM en de Hoge Raad is gereserveerd voor exceptionele gevallen. In zoverre is de door het hof gegeven motivering van zijn oordeel over de toepasselijkheid van art. 17 EVRM wat summier. In het oordeel van het hof ligt evenwel besloten dat naar het oordeel van het hof van zo een exceptioneel geval hier sprake is. Vergelijkt men de onderhavige zaak met de hiervoor al meermalen genoemde zaak Roj TV A/S/Denemarken, dan springen vooral de overeenkomsten tussen beide zaken in het oog. Evenals de Deense zaak betreft het hier de strafvervolging ter zake van onder meer het verbaal ondersteunen van deelneming aan binnen de Raad van Europa algemeen als terroristisch aangemerkte organisaties.</div>\n<p class=\"lf-p\">De in die Deense zaak vastgestelde “repetitive incitement to participate in fights and actions” en “incitement to join the organisation” sluiten vrijwel naadloos aan op de door het hof in de onderhavige zaak bewezenverklaarde opruiingsdelicten. Daar staat wel tegenover dat in de Deense zaak niet een aantal berichten van een individu op social media en bijdragen aan opruiende webpagina’s, maar televisie-uitzendingen gedurende vier jaar en met een groot bereik waren bewezenverklaard. Het komt mij echter voor dat dit mogelijke verschil in intensiteit, duur en frequentie van de delicten het oordeel van het hof in de onderhavige zaak niet onbegrijpelijk maakt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">143.</span>Ik meen dan ook dat het oordeel van het hof dat aan de verdachte op grond van art. 17 EVRM “bij voorbaat” de bescherming van art. 9 EVRM en art. 10 EVRM ontvalt, niet onjuist of onbegrijpelijk is en dat het tevens toereikend is gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">144.</span>Het bovenstaande brengt mee dat onderdeel A) van het middel tevergeefs is voorgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">145.</span>Indien de Hoge Raad mijn oordeel deelt, behoeven de onderdelen B) en C) van het middel geen bespreking. Die onderdelen hebben immers betrekking op de subsidiaire overwegingen van het hof dat – ook als toepassing van art. 17 EVRM niet meebrengt dat de verdachte de bescherming van art. 9 EVRM en art. 10 EVRM niet kan inroepen – art. 9 EVRM en art. 10 EVRM in casu jegens de verdachte niet zijn geschonden. Volledigheidshalve en voor het geval de Hoge Raad ten aanzien van onderdeel A) van het middel anders oordeelt, bespreek ik hieronder de onderdelen B) en C) van het middel.</div>\n<p class=\"lf-p\">VIII.3 Inbreuk op art. 9 EVRM 146. Onder B) keert het middel zich met drie deelklachten tegen de overweging van het hof dat “de bewezenverklaarde uitingen […] naar objectieve maatstaven niet [kunnen] worden beschouwd als het directe belijden van een godsdienst”, waarop het hof zijn oordeel dat art. 9 EVRM aan de uitingen geen bescherming biedt, heeft doen steunen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">147.</span>Volgens de steller van het middel heeft het hof dit oordeel gemotiveerd op een wijze die – ten eerste – “in directe tegenspraak” is met “diverse andere overwegingen” uit de bestreden uitspraak. Ter stutting van die stelling wordt gewezen op de volgende overwegingen: (i) dat blijkens het dossier de strekking van de door de verdachte tussen 1 december 2013 en 3 februari 2014 op Facebookberichten steeds dezelfde strekking hebben en dat het gaat “over islam, Jihadisme, radicalisering en geweld;” en (ii) dat niet aan het hof ter beoordeling was “of er inderdaad sprake is of was van een geloofsovertuiging”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">148.</span>Ik deel het standpunt van de steller van het middel niet. Wat de door mij als (i) genummerde overweging betreft, meen ik dat het gegeven dat iemand zijn berichten plaatst op een website die raakt aan zijn godsdienst zeker niet uitsluit dat die gedraging (naar objectieve maatstaven gemeten) toch niet als het directe belijden van een godsdienst kan worden aangemerkt. In contradictie met de bestreden overweging is op het eerste oog misschien wel de formulering van overweging (ii). Begrepen in haar context heeft deze overweging (ii) evenwel – in de woorden van het hof – betrekking op de vraag “welke motieven precies ten grondslag liggen aan het gepredikt en toegepast stelselmatig geweld in Syrië”. Het is dit motief van de verdachte en de medeverdachten, waarvan is overwogen dat het niet ter beoordeling van het hof staat. De reden daarvoor is dat zelfs als dat motief religieus is geen enkele godsdienst kan dienen als legitimatie van terreur. Aldus heeft het hof ook met deze overweging (ii) – in lijn met de bestreden overweging – tot uitdrukking gebracht dat opruien tot terreur geen uitlating is die gestalte kan geven aan het directe belijden van een godsdienst. Zo bezien is van innerlijke tegenstrijdigheid van de bestreden uitspraak zeker geen sprake.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">149.</span>Voor de – ten tweede – door de steller van het middel gesuggereerde tegenstrijdigheid tussen de met onderdeel B) van het middel aangevallen overweging en de gebezigde bewijsmiddelen geldt eigenlijk hetzelfde als voor overweging (i). De in het rapport en de verklaring van de deskundige (beide voor het bewijs gebruikt; bewijsmiddelen 3 tot en met 6) beschreven religieuze achtergronden van de jihadstrijd behelzen dat die strijd mede is geïnspireerd en ingegeven door religieus gedachtegoed, maar dat betekent nog niet dat een oproep tot deelneming aan die jihadstrijd reeds daarom als het directe belijden van een godsdienst moet worden gekarakteriseerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">150.</span>De – ten derde – in onderdeel B) van (de toelichting op) het middel te lezen klacht houdt in dat het hof met de bestreden overweging een te strenge maatstaf voor de toepassing van art. 9, eerste lid, EVRM heeft aangelegd. Daartoe wordt aangevoerd dat het EHRM “zeer terughoudend” toetst of sprake is van het belijden van een godsdienst en wordt in het bijzonder gewezen op de zaak EHRM 2 december 2014, nrs. 31706/10 en 33088/10 (Güler en Uğur/Turkije).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">151.</span>Art. 9, eerste lid, EVRM beschermt de vrijheid van gedachten, geweten en religie. De Engelse (authentieke) tekst luidt: “Everyone has the right to freedom of thought, conscience and religion; this right includes freedom to change his religion or belief and freedom, either alone or in community with others and in public or private, to manifest his religion or belief, in worship, teaching, practice and observance.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">152.</span>De rechtspraak van het EHRM bevestigt dat de verdragsbepaling zo moet worden begrepen dat daarin twee aspecten van de vrijheid van gedachten, geweten en religie worden gewaarborgd. Het eerste aspect betreft de vrijheid om bepaalde gedachten en overtuigingen te hebben en ze eventueel te wijzigen. Dit eerste aspect heeft betrekking op het ‘forum internum’ van het individu en is absoluut van aard. Art. 9, tweede lid, EVRM biedt alleen grond om inbreuken op het tweede aspect van de vrijheid, de vrijheid om de door art. 9 beschermde gedachten en overtuigingen al dan niet openlijk te manifesteren, te legitimeren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">153.</span>Duidelijk is dat de verdachte in de onderhavige zaak niet het hebben dan wel het wijzigen van zijn opvattingen, godsdienst of levensovertuiging als zodanig wordt aangerekend. Inbreuk op het absolute aspect van de in art. 9 EVRM gegarandeerde vrijheid is dus niet aan de orde. Uiteraard kan strafrechtelijke vervolging wegens de uitoefening van een godsdienst of levensovertuiging of een door zo een overtuiging ingegeven gedraging een inbreuk op art. 9, eerste lid, EVRM opleveren. Daarvoor is dan wel nodig dat én sprake is van een mening of overtuiging die voldoet aan de daaraan onder art. 9, eerste lid, EVRM te stellen eisen én dat de gedraging ter zake waarvan de strafvervolging plaatsvindt als een manifestatie van die mening of overtuiging kan worden beschouwd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">154.</span>Art. 9, eerste lid, EVRM beschermt zowel religieuze als niet-religieuze opvattingen. Het EHRM acht het niet de taak van de overheid – de rechter daaronder begrepen – om de claim dat van een godsdienst of levensovertuiging sprake is, indringend te onderzoeken. Niettemin stelt het Straatsburgse Hof aan de te beschermen ‘thoughts, conscience and religion’ de eis dat zij zijn aan te merken als “views that attain a certain level of cogency, seriousness, cohesion and importance.” Aan dat vereiste voldoen zowel de grote traditionele, als diverse relatief nieuwe religies. Ook over coherente en oprechte meer thematische wijsbegeerlijke opvattingen, zoals veganisme en pacifisme, strekt art. 9, eerste lid, EVRM zich onder omstandigheden uit. Ik kan de steller van het middel wel volgen voor zover zij meent dat het EHRM tamelijk terughoudend toetst of een opvatting een door art. 9 EVRM beschermde overtuiging behelst.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">155.</span>Maar wanneer op zichzelf kan worden aangenomen dat de klager een door art. 9 EVRM beschermde opvatting van voldoende “cogency, seriousness, cohesion and importance” bezit, is nog niet iedere gedraging die daardoor op enige wijze is geïnspireerd, gemotiveerd of beïnvloed een ‘manifestatie’ van die opvatting, die door het tweede aspect van de in art. 9 EVRM vervatte vrijheid wordt beschermd. Dat is vaste rechtspraak van het EHRM. Ik citeer in dit verband de uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM in de zaak S.A.S./Frankrijk over het Franse boerkaverbod: “It is also true that an act which is inspired, motivated or influenced by a religion or beliefs, in order to count as a “manifestation” thereof within the meaning of Article 9, must be intimately linked to the religion or beliefs in question. An example would be an act of worship or devotion which forms part of the practice of a religion or beliefs in a generally recognised form. However, the “manifestation” of religion or belief is not limited to such acts; the existence of a sufficiently close and direct nexus between the act and the underlying belief must be determined on the facts of each case.”</div>\n<p class=\"lf-p\">In voormelde zaak nam de Grote Kamer aan dat het dragen van een boerka een manifestatie van religie was. De verklaring van de klaagster dat zij moslim is en dat haar geloof het dragen van een boerka gebiedt, volstond, aangezien “there is no doubt that this is, for certain Muslim women, a form of practical observance of their religion and can be seen as a “practice” within the meaning of Article 9 § 1 of the Convention.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">156.</span>Het komt mij voor dat de door de Grote Kamer genoemde – en vaker door het EHRM herhaalde – maatstaven van een “intimate link” en een “sufficiently close and direct nexus” tussen de gedraging en de onderliggende door art. 9 EVRM beschermde opvatting geen andere maatstaven zijn dan het door het hof (ik bedoel nu: het gerechtshof Den Haag) in de onderhavige zaak gehanteerde criterium of de gedraging ter zake waarvan de verdachte is vervolgd het ‘direct belijden’ van de gestelde godsdienst betreft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">157.</span>Ook geeft het oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde gedragingen niet als het direct belijden kunnen worden beschouwd niet ervan blijk dat aan een ‘manifestatie’ van een door art. 9 EVRM beschermde overtuiging door het hof te strenge eisen zijn gesteld. Voor een overzicht van uitspraken en ontvankelijkheidsbeslissingen waarin het EHRM (en vroeger: de Commissie) hebben geoordeeld dat van een manifestatie in de hier bedoelde zin niet of onvoldoende sprake is, verwijs ik naar de door medewerkers van het Europese Hof samengestelde Guide on Article 9 of the Convention.In veel van de in dit indrukwekkende overzicht genoemde gevallen was het verband tussen de gedragingen waarin de klager is beperkt enerzijds en de door art. 9 EVRM beschermde opvatting anderzijds wel te ontwaren, maar toch onvoldoende voor een manifestatie. De namens de verdachte gestelde relatie van zijn opruiende uitingen met zijn godsdienst, staat daarmee in schril contrast.</div></div>", "next": 238722}