{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie daarover: B.F. Keulen, ‘Grenzen aan strafbare voorbereiding’, in: E. Gritter (red.), Opstellen materieel strafrecht, Nijmegen 2009, p. 46-76: J.M. ten Voorde, ‘Het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme getoetst aan criteria voor strafbaarstelling van de voorfase’, DD 2012, p. 94-112; G.P.M.F. Mols, Over het bereik van art. 134a Sr: het dioramaperspectief, Strafblad 2015, p. 49-55; en Van Noorloos (2015), a.w., par. 4. Ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2018, p. 101 kwalificeert de strafbepaling als “erg onbestemd”. Vgl. voorts nog de noot van N. Keijzer onder HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011, NJ 2016/435.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011, NJ 2016/435, m.nt. Keijzer. Zie ook de beschouwingen in de, aan dit arrest voorafgaande, conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (van 2 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:375).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 5-10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 8, p. 4-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 12, p. 2-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2008/09, 31 422 (R1853) en 31 386, B, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie anders: G.T. van Stam-Fahner, ‘Strafvervolging ter voorkoming van terrorisme: wat heeft art. 134a Sr ons te bieden?’, TPWS 2016/37, die erin een deugdelijkheidsvereiste leest. In deze lezing zouden de verworven kennis en/of vaardigheden een in art. 134a Sr bedoeld misdrijf daadwerkelijk moeten hebben bevorderd of vergemakkelijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten Voorde (2012, a.w).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. De Hullu (2018, a.w.), p. 420-422.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verdachte ten tijde van de verwerving nog niet zeker wist of hij het misdrijf daadwerkelijk zou begaan, staat aan een bewezenverklaring mijns inziens dus niet in de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme van 16 mei 2005, Trb. 2006/34.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011, NJ 2016/435, m.nt. Keijzer (rov. 2.4.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011, NJ 2016/435, m.nt. Keijzer (rov. 2.4.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewijsverweer ter zake van feit 1C hield in dat deelneming aan het trainingskamp niet kan worden bewezen. Zie de pleitaantekeningen d.d. 22 maart 2018, p. 41-42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 24 juni 2004 tot wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met terroristische misdrijven, Stb. 2004/290.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 8-9. In deze zin ook HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1144, NJ 2012/590 (rov. 2.3.1), m.nt. Keulen en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413, NJ 2018/73, m.nt. Kooijmans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaste rechtspraak, zie o.a. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559, m.nt. Mevis en HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, NJ 2010/357.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie wat betreft art. 140 Sr: HR 8 mei 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC0341, NJ 1978/314, m.nt. Van Veen; HR 6 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB9524, NJ 1993/100; HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559, m.nt. Mevis; en HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, NJ 2010/357.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook Kamerstukken II 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:12, NJ 2019/262, m.nt. Kooijmans en mijn conclusie voorafgaand aan dat arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 9. Vgl. ook HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:12, NJ 2019/262, m.nt. Kooijmans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 13 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC3222, NJ 1988/425 en HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559, m.nt. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, (ongenummerde) pagina 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een oogmerk op alleen de poging (en niet (ook) op het voltooide delict) laat zich in dit verband in de praktijk niet goed denken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nog in de cassatieschriftuur (p. 22-23) te lezen betoog dat de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feitelijke gedragingen van de verdachte die “invulling geven aan het oogmerk” van de organisatie uitdrukkelijk géén terroristisch misdrijf opleverden ten tijde van het begaan van het feit, doet mijns inziens niet ter zake. De op de verwezenlijking van het oogmerk gerichte deelnemingsgedragingen van de verdachte behoeven niet zelf ook een (terroristisch) misdrijf op te leveren waarop het oogmerk van de organisatie is gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaringen van [betrokkene 8] zijn gerelateerd in drie afzonderlijke relazen van de opsporingsambtenaar of - ambtenaren in processen-verbaal van bevindingen van 4 juni 2014 (b.m. 13, 14 en 22). Hierna spreek ik gemakshalve van de getuigenverklaring(en) van [betrokkene 8] .</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, NJ 2017/447, m.nt. Kooijmans en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1212.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur onder VI.I, (ongenummerde) pagina 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de pleitaantekeningen (p. 38 onder 127-129). Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7, 13, 14, 20, 21, 22 en 28 maart 2018 en 3, 4, 5 en 6 april 2018 en 14 mei 2018 hebben de raadslieden van de verdachte aldaar op 22 maart 2018 dienovereenkomstig het woord gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt daarbij naar Rb. Rotterdam 25 oktober 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8870.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur onder VII.II, (ongenummerde) pagina 45 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 17.</p></div>", "next": 0}