{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het deskundigenbericht waarop het hof zich baseert, bevindt zich in het cassatieprocesdossier. Het is opgenomen in productie 63 bij de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende akte vermeerdering/wijziging van eis. Het deskundigenbericht is door de onderneming Joanknecht &amp; Van Zelst aan het hof verstrekt bij begeleidend schrijven van 10 september 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienst Landelijke service bij regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2012, zaaknummer HD 200.096.308, rov. 4.2.1. Deze beschikking is opgenomen in het cassatieprocesdossier. Zij is te vinden in productie 85 bij de conclusie van dupliek in reconventie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, rov. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (hierna: RBV), een ministeriële regeling, heeft gegolden van 19 maart 2000-31 maart 2007 (Stcrt. 2000, 55 en Stcrt. 2007, 33). Een omvangrijke wijziging van deze regeling vond plaats per 30 september 2001 (Wijziging Regeling beëindiging veehouderijtakken, Stcrt. 2001, 188). Het doel van de regeling was om veehouders die geconfronteerd worden met sterk gedaalde dan wel dalende inkomsten uit hun bedrijf en die, mede gelet op investeringen die noodzakelijk zijn om binnen de in de toekomst geldende randvoorwaarden ten aanzien van milieu en dierenwelzijn te kunnen produceren, geen perspectief meer zien in de voortzetting van de intensieve veehouderij, de gelegenheid te bieden hun bedrijf te beëindigen of één of meer intensieve veehouderijtakken af te stoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij was ook de terugdringing van het landelijk niet-plaatsbaar mestoverschot een belangrijk oogmerk. Zie over deze regeling o.a. W.B.M. Engels, De Regeling Beëindiging Veehouderijtakken, TvAR 2000/12, p. 712-728. Onder de RBV konden veehouders de op hun bedrijf rustende varkens- of mestproductierechten ter opkoop aan de overheid aanbieden. Voorts konden veehouders in aanmerking komen voor een vergoeding voor de sloop van hun vrijkomende stallen (zie Stcrt. 2000, 55, p. 8). De ‘sloopsubsidie’ bestond uit twee onderdelen: een vast bedrag per vierkante meter te slopen gebouw, als tegemoetkoming in de kosten van daadwerkelijke sloop van gebouwen en de afvoer van sloopafval, en een tegemoetkoming in de waarde van de gebouwen (idem, p. 12).</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde van de gebouwen moest worden bepaald aan de hand van een taxatie, zodat geen overcompensatie zou plaatsvinden en de vergoeding steeds afgestemd zou zijn op het werkelijke kapitaalverlies dat de beëindigde veehouder lijdt als gevolg van de sloop van de bedrijfsgebouwen. De hoogte van de vergoeding voor de waarde van de gebouwen werd bepaald op een percentage van de gecorrigeerde vervangingswaarde (idem, p. 12).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook nr. 1.11 van de procesinleiding: “Daarnaast wordt onder meer geprocedeerd over mestrechten en advocaatkosten, alsmede een reconventionele vordering, maar die spelen in cassatie geen rol.” Zie ook nr. 1.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van repliek in conventie, tevens houdende akte vermeerdering/wijziging van eis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr. 13 in het cassatieprocesdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld zal zijn: 22 december 2005, gelet ook op de stelling van de vrouw in nr. 12 van die akte dat de genoemde meerwaarde “reeds is gerealiseerd per 22 december 2005, op welke dag de subsidie is uitbetaald aan [betrokkene 1 en 2] .” Zie ook p. 6 onder nr. 3 van die akte, hetgeen de rechtbank overneemt in het eindvonnis, waarover nrs. 2.12-2.13 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst hier naar “hetgeen door haar is gevorderd bij conclusie van repliek in conventie d.d. 9 mei 2012 onder sub 9 van het petitum.” Gelet op die akte had ook verwezen kunnen worden naar de “spaarrente ad 2 % per jaar vanaf 22 december 2005” onder nr. 6 (niet het ‘subsidiaire’ deel, maar het ‘primaire’ deel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Getiteld “Geen overgeslagen goed: vordering en RBV-regeling bestonden nog niet op 15 april 1998”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze klachten houden verband met grief 1 in principaal hoger beroep en de behandeling daarvan door het hof. Zoals blijkt uit het navolgende, lees ik in het onderdeel geen zelfstandige klacht over het deel van deze grief als bedoeld in rov. 3.5, slotzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst in rov. 3.7, eerste-tweede zin en in rov. 3.17, tweede-vierde zin naar de “vordering” in verband met de subsidie (zie ook rov. 3.5, eerste zin). De man gaat ook uit van een vordering. Zie o.a. nr. 8 van de memorie van grieven, waar de man tevens verwijst naar “een apart vermogensrecht” (wat logisch is, nu geen sprake is van een zaak). De vrouw gaat ook uit van een vordering. Zie o.a. nr. 17 van de memorie van antwoord, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel hoger beroep: “De RBV-subsidie betreft dus een vordering (…)”. Ik verwijs hierna kortheidshalve naar de RBV-subsidie, ook waar die is uitbetaald aan [betrokkene 1 en 2] als bedoeld in o.a. rov. 3.5, eerste zin en rov. 3.17, derde-vierde zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze weergave wordt niet bestreden door de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">In nr. 2.1.1 onderstreept de man de woorden “mede-eigenaar”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer nr. 2.17 hiervoor en nr. 13 van de pleitnota zijdens de vrouw in hoger beroep (vindplaatsen in processtukken uit eerste aanleg laat ik daar). Zijdens de man is dat bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep in nr. 4 aangemerkt als “juridische prietpraat”, met als toelichting: “De wet spreekt in lid 2 van artikel 3:179 alleen van overgeslagen gemeenschappelijke goederen maar dus wel al per het ontbindingstijdstip bestaand.” Zie daarover zijdens de vrouw die pleitnota in nr. 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader o.a. B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (PFR2), Deventer: Kluwer 2011, p. 137; M.J.A. van Mourik &amp; F.W.J.M. Schols, Gemeenschap (Monografieën BW nr. B9), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 20 (nr. 16); Asser/J. de Boer, W.D. Kolkman &amp; F.R. Salomons, Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven (1-II), Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 264; A.R de Bruijn e.a., Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 193. Zie ook HR 20 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0456, NJ 1992/624, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de wetsgeschiedenis “[strekt het] artikel zich thans naast de vruchten ook uit over de andere voordelen die een gemeenschappelijk goed oplevert. Daarvoor behoort immers hetzelfde als voor de vruchten te gelden.” Zie C.J. van Zeben, J.W. Du Pon &amp; M.M. Olthof, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe burgerlijk wetboek. Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen, Deventer: Kluwer 1981, p. 592, waaruit ook blijkt: “Voorts is in het gewijzigd ontwerp uit redactionele overwegingen de regel betreffende vruchten en andere voordelen vooropgesteld en volgt die betreffende uitgaven daarna. Tenslotte zijn in de aanhef evenals in die van artikel 3 de woorden ‘de wet of’ als overbodig geschrapt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader o.a. L.C.A. Verstappen in nr. 4 van zijn annotatie bij HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, NJ 2013/201; A-G Rank-Berenschot in nr. 2.8 van ECLI:NL:PHR:2014:368; Van Mourik &amp; Schols (2015), t.a.p., p. 20 (nr. 16); Asser/S. Perrick, Gemeenschap (3-V), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader o.a. A-G Rank-Berenschot in nr. 2.9 van ECLI:NL:PHR:2014:368, mede verwijzend naar Van Zeben e.a. (1981), t.a.p., p. 94: “Burgerlijke vruchten zijn in de eerste plaats renten van geldsommen, huren en pachten alsmede de canons van in erfpacht gegeven erven. Het artikel verklaart overigens de verkeersopvatting beslissend voor hetgeen als natuurlijke vrucht en wat als burgerlijke vrucht moet worden beschouwd. Mitsdien dienen ook dividenden en al hetgeen zich daarbij aansluit als interim-dividenden, stockdividenden, scrips enz. als burgerlijke vruchten te worden aangemerkt, tenzij vaststaat, dat het kapitaalsuitkeringen of nieuwe aandelen in het oude stamkapitaal zijn.” Zie verder o.a. H.H. Lammers, GS Vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017 (actueel t/m 1 januari 2017), art. 3:172 BW, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Zeben e.a. (1981), t.a.p., p. 522. Zie nader o.a. Lammers (2017), t.a.p., art. 3:172 BW, aant. 4 (opmerkend dat bij ‘andere voordelen’ ook valt te denken aan waardestijgingen van de gemeenschappelijke zaak, en verwijzend naar HR 10 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0469, NJ 1992/651) en H.C.F. Schoordijk, Mede-eigendom, gemeenschap, rechtspersoonlijkheid, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1983, p. 72, voetnoot 4 (alwaar Schoordijk een voorbeeld geeft van een ‘voordeel’ in de zin van art. 3:172 BW: “De erfgenamen, die voor scheiding en deling royaal genoten hebben van de gereserveerde plaats, die een aandeel in het Concertgebouw te Amsterdam oplevert, zullen deze moeten verrekenen, ook al zou er in de zin van art. 3.1.1.9 niet van vruchten gesproken kunnen worden”). Zie ook A-G Rank-Berenschot in nr. 2.9 van ECLI:NL:PHR:2014:368.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:762, NJ 2015/334, rov. 3.4.1, mede onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis. Zie daarover ook S. Perrick in nr. 3 van zijn annotatie bij het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 9 van de memorie van grieven, inclusief het citaat van de overweging waartegen de man zich richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze weergave wordt niet bestreden door de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 9 van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In nrs. 2.1.2.I - 2.1.2.III valt enige herhaling te bespeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit woord (‘overweging’) staat niet in nr. 2.1.2-II (er lijkt een woord te zijn weggevallen), maar ik neem aan dat ‘overweging’ bedoeld is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 3.14: “Vast staat dat op dat moment [“het moment van de verdeling van de gemeenschap door middel van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 november 2004”, A-G] het bestaan van de aanvraag [“de subsidieaanvraag”, A-G] in de procedure bekend was en dat het hof ’s-Hertogenbosch in haar voormelde beschikking reeds een beslissing had genomen over de wijze van verdeling van een eventueel resultaat van de aanvraag.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vooropstelling in nr. 2.1.2; nr. 2.1.2-I, voorlaatste alinea; nr. 2.1.2-II, laatste alinea; nr. 2.1.2-III, laatste alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee respondeert de rechtbank ook op de stelling van de man weergegeven in de opening van rov. 4.10: “Met betrekking tot de afbraaksubsidie heeft [de man] aangevoerd dat deze door het gerechtshof in de beschikking van 23 november 2004 niet is genoemd. Er wordt onder kopje 8. slechts gesproken over mestproductierechten en in de verwijzing naar het deskundigenbericht is dat herhaald. Ter zake van de afbraaksubsidie is hij reeds om die reden niets verschuldigd, aldus [de man] .” De rechtbank verwerpt deze stelling dus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 2.8 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met name nrs. 2.1.2-I en 2.1.2-II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Illustratief is ook hetgeen het hof overweegt in rov. 3.9-3.12 naar aanleiding van het vervolg van grief 1 in principaal hoger beroep (rov. 3.9-3.10, waarover de man niet zelfstandig klaagt in cassatie) en grief 1 in incidenteel hoger beroep (rov. 3.11-3.12).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nrs. 2.1.2-I, slotalinea en 2.1.2-III, slotzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Getiteld “Miskenning artikel 157 Fw”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 12 van de memorie van grieven (“Het moge juist zijn dat dat akkoord niet in de weg staat aan de vaststelling van eventuele ‘nagekomen baten en de verdeling daarvan maar wanneer zulks uitmondt in een vordering van geïntimeerde op appellant is het effect van het bepaalde in artikel 157 F wel degelijk aan de orde”) en p. 3 onder VII van de pleitnota zijdens de man in hoger beroep (“Zou de claim van [de vrouw] effectief zijn dan is dus alleen maar sprake van een geldvordering, zoals de rechtbank zelf zegt in 4.21. Het kan niet in discussie zijn dat die zou zijn afgestuit op de homologatie, ware die claim terecht”). Zie ook nr. 1.10 van de procesinleiding, waar de man verwijst naar zijn verweer in eerste aanleg dat “de vrouw geen vordering uit overbedeling [heeft] op de man, maar zo dit al anders was, dan had zij dat moeten indienen in het faillissement. Zij heeft kort voor de verificatievergadering haar vordering ingetrokken. Aldus bindt het akkoord dat is gehomologeerd ook de vrouw.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze weergave wordt niet bestreden door de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook aan nrs. 2.2.1-2.2.8 is enige herhaling niet vreemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 4.24 van het tussenvonnis overwoog de rechtbank: “Nu de subsidie aan [betrokkene 1 en 2] is uitgekeerd, is een (gemeenschappelijke) vordering op [betrokkene 1 en 2] ontstaan”. Daartegen is geen grief gericht door de man (principaal hoger beroep) of de vrouw (incidenteel hoger beroep; haar grief 4, waarop het hof respondeert in rov. 3.18-3.19, ziet niet daarop). Ik begrijp rov. 3.17, slotzin aldus dat het hof die lijn van de rechtbank doortrekt. Daaraan doet niet af hetgeen het hof overweegt in rov. 3.18-3.19, nu dat ziet op de situatie ten tijde van het tussenvonnis (2012) althans het hoger beroep (2018), niet op 29 juni 2007. Overigens blijkt uit de gedingstukken dat, ingevolge door de vrouw na het eindvonnis gelegd derdenbeslag onder [betrokkene 1 en 2] , door [betrokkene 1 en 2] een bedrag is betaald aan de vrouw. De man verwijst naar een bedrag van € 191.289,16 (nr. 14 van de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep), de vrouw naar een bedrag van € 191.894,90 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 augustus 2013 (nr. 97 van de pleitnota zijdens de vrouw in hoger beroep).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met name nrs. 2.2.1, 2.2.2, 2.2.6 en 2.2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kern: door de betaling door de staat van de RBV-subsidie aan [betrokkene 1 en 2] is een schuld van de man aan [betrokkene 1 en 2] tenietgegaan, waarmee “dat vermogen [van de man, A-G] dus per saldo met dat bedrag [is] toegenomen”, oftewel waarmee de man “in zijn vermogen is gebaat”. Zie nrs. 2.2.2, 2.2.5 en 2.2.7. Overigens is dat wat volgens nr. 2.2.5 “[n]iet in geschil [is]” door het hof niet vastgesteld. De man licht niet toe waarom het gestelde feit niet in geschil zou zijn en verwijst evenmin naar (vindplaatsen in) processtukken. Hij verwijst wel naar nr. 1.10 van de procesinleiding, maar die mist relevantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank noch hof overweegt dat de RBV-subsidie is uitgekeerd aan de man. Deze is uitgekeerd aan [betrokkene 1 en 2] , zoals rechtbank en hof vaststellen. Zie ook voetnoot 43 hiervoor. De verwijzing in nr. 2.2.7 naar “betaling aan de man” mist feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser/S.E. Bartels &amp; A.A. van Velten, Eigendom en beperkte rechten (5), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 71.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser/C.H. Sieburgh, De verbintenis in het algemeen (6-II), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 337-341. Zij merkt ook op: “Vermenging zou men voorts bijvoorbeeld kunnen noemen de overdracht van eigendom door degene die eigenaar onder ontbindende voorwaarde is, aan de eigenaar onder opschortende voorwaarde; men denke aan de hierna nog te noemen making over de hand.” Dat speelt hier evenmin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met name nrs. 2.2.4 (waarin ik overigens geen klacht kan ontwaren), 2.2.6 en 2.2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De man heeft dit niet (kenbaar) betrokken bij grief 2 in principaal hoger beroep, als weergegeven in rov. 3.15 en behandeld in rov. 3.17. Zie nr. 3.14 hiervoor. Het onderdeel bevat hier ook geen verwijzingen naar (vindplaatsen in) processtukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens rov. 2.7-2.8 en het dictum van het eindvonnis, en in lijn met het tussenvonnis dat deze eerste vordering van de vrouw zal hebben geïnspireerd. Zie ook de verwijzing door het hof in rov. 3.5, eerste zin naar het door de man aan de vrouw te betalen bedrag van “€ 103.180,- (…), vermeerderd met rente, in verband met de gerealiseerde RBV-subsidie (…) die door de rechtbank aan [de man] is toegedeeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat daar staat, is niet eenduidig: “(…) De man te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen € 231.360,- te vermeerderen met wettelijke rente subsidiair een spaarrente ad 2 % per jaar vanaf 22 december 2005 tot aan de dag van algehele voldoening waarop in mindering kan strekken het bedrag dat de vrouw metterdaad ontvangt van [betrokkene 1 en 2] ; (…).” Uit de latere eiswijziging wordt wel duidelijk wat de vrouw bedoelt. Zie dus nrs. 2.10, 2.12-2.13 en 2.17 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik noem de stelling van de man in nr. 2.2.3 (“herhaald in grief II van de MvG”) dat “ook al zou de vrouw een vordering hebben – hetgeen hij betwist -, zij ingevolge artikel 157 Fw ook gebonden is aan het faillissementsakkoord, zodat zij als concurrent schuldeiser die niet in het faillissement is opgekomen na homologatie van het akkoord niet langer tot invordering daarvan overgaan.” Hetgeen waarnaar de man in nr. 2.2.3 verwijst voorafgaand aan die zin is door de man niet (kenbaar) betrokken bij grief 2 in principaal hoger beroep, zie nr. 3.14 hiervoor. Relevant is dat niet, omdat het – zoals de rechtbank onderkende in rov. 4.20 van het tussenvonnis, gesanctioneerd door het hof in rov. 3.17 – niet eraan afdoet dat het beroep van de man op art. 157 Fw doel mist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. S.F.M. Wortmann in nrs. 1-2 van haar annotatie bij HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2623, NJ 2005/486: “Het mag inmiddels vaste rechtspraak worden genoemd dat een vordering tot verdeling van een gemeenschap eerst als een vordering tot betaling van een geldsom kan worden beschouwd als deze is vastgesteld. Een door de rechter vastgestelde vordering is opeisbaar. Wettelijke rente over die vastgestelde vordering is verschuldigd wanneer de debiteur ter zake van de voldoening in verzuim is. Daartoe is in het algemeen een ingebrekestelling vereist, tenzij (onder andere) aan de betaling een bepaalde termijn is verbonden. Dan ontstaat het verzuim in het algemeen na het verstrijken van de termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de artikelen 6:81–83 BW. (…) Zolang een onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap of nalatenschap bestaat, bestaan er tussen de ex-echtgenoten of erfgenamen geen vorderingen tot betaling van een geldsom uit hoofde van verdeling. Die ontstaan pas door de verdeling zelf, waarbij de een wordt overbedeeld en de ander onderbedeeld. Vandaar dat, in het geval de rechter de verdeling vaststelt, eerst door die vaststelling vorderingen tot betaling van een geldsom ontstaan, waarover wettelijke rente verschuldigd kan zijn na in verzuim te zijn geraakt”; en L.C.A. Verstappen in nr. 10 van zijn annotatie bij HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:493, NJ 2016/297: “Bij verdeling geldt dat de wettelijke rente pas kan beginnen te lopen als de verdeling is vastgesteld, vgl.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 februari 2008, NJ 2008/108, m.nt. L.C.A. Verstappen. Men bedenke daarbij dat de Hoge Raad nog niet zolang geleden heeft geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag wanneer sprake is van verdeling, ook vereist is dat partijen het ook eens zijn geworden over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor ieder van hen heeft, met name het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling (HR 8 februari 2013, NJ 2013/201, m.nt. L.C.A. Verstappen). Anders geformuleerd: zo lang het bedrag nog niet vaststaat, is er geen verdeling, geen onderbedelingsvordering en dus kan de wettelijke rente niet lopen. Dat komt omdat de rechtsverhouding waaruit de onderbedelingsvordering voortvloeit, pas bij de verdeling ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. o.a. HR 21 februari 1997, NJ 1997/316; HR 20 oktober 2000, NJ 2002/436, (m.nt. W.M. Kleijn). HR 8 juli 2005, NJ 2005/486, m.nt. S.F.M. Wortmann.” Zie naast deze rechtspraak ook: HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:493, NJ 2016/297, rov. 3.4.2 (de daar genoemde “vordering uit hoofde van verrekening” speelt in het onderhavige geval niet, daarin gaat het immers om een vordering uit hoofde van verdeling). Zie verder o.a. A-G De Vries Lentsch-Kostense in nr. 5 van ECLI:NL:PHR:2005:AT2623; M.J.A. van Mourik &amp; L.C.A. Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding (Algemeen Deel A), Deventer: Kluwer 2014, nr. 8.7 (verdeling) en nr. 8.8 (wijze van verdeling); De Bruijn e.a. (2019), t.a.p., p. 334-335;</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Perrick (2019), t.a.p., nrs. 166-169, 173, 181-183, 185-186; A-G Rank-Berenschot in nr. 2.9 van ECLI:NL:PHR:2019:1006: “Uit deze uitspraak [NJ 2013/201, A-G] wordt in de literatuur afgeleid dat de verdeling meer is dan feitelijke toedeling en ook het afkaarten van de financiële consequenties omvat.[] Aangenomen wordt dat onder ‘financiële consequenties’ niet alleen de waardering van de te verdelen goederen wordt verstaan, maar ook het vaststellen van de vordering uit onderbedeling.[] Geconcludeerd wordt dat uw Raad de overeenstemming over de financiële gevolgen van een verdeling c.q. de vaststelling van de vordering uit overbedeling als een essentieel onderdeel van de verdeling beschouwt.[]”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.25 van het tussenvonnis en rov. 2.7-2.8 en het dictum van het eindvonnis. Zie ook nr. 3.17 hiervoor. Vgl. art. 3:185 lid 2 sub b BW over “overbedeling van een of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde”, wat in wezen toepassing vindt in het onderhavige geval met betrekking tot de RBV-subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2.8 en het dictum van het eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 110 Fw maakt deel uit van de Vijfde Afdeling van de Faillissementswet (“Van de verificatie der schuldvorderingen”) en bepaalt mede de wijze van “indiening der schuldvorderingen” bij de curator in het faillissement (lid 1) en dat de “schuldeisers” bevoegd zijn van de curator een ontvangstbewijs te vorderen (lid 2). Zie nader o.a. B. Wessels, Verificatie van schuldvorderingen, Deventer: Kluwer 2014, nrs. 5014, 5026; B. Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (1), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 2368-2372; F.M.J. Verstijlen, T&amp;C Insolventierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019 (actueel t/m 1 november 2019), art. 26 Fw, aant. 1; M.P. van Eeden-van Harskamp, GS Faillissementswet, Deventer: Wolters Kluwer 2018 (actueel t/m 14 maart 2018), art. 26 Fw, aant. 1-3 (mede over “faillissementsvorderingen”); N.J. Polak/N. Pannevis, Insolventierecht, Deventer: Kluwer 2014, nr. 4.5.1.4 (over “betalingsprocedures”). Zie over dergelijke vorderingen nader o.a. HR 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:424, NJ 2018/290.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader o.a. Wessels (2014), t.a.p., nr. 5013 en Wessels (2019), t.a.p., nr. 2352 onder l, verwijzend naar ‘boedelscheiding’ en “thans art. 3:178 BW” als voorbeeld van een vordering die onder art. 25 lid 1 Fw valt (wat ook voor art. 3:179 BW geldt, mede gelet op HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:762, NJ 2015/334, rov. 3.4.1 en nr. 3.6 hiervoor). Hij merkt ook op – Wessels (2019), t.a.p., nr. 2351 – dat art. 25 lid 1 Fw in de wetsgeschiedenis en door de Hoge Raad “ruim” is opgevat. Zie verder o.a. Verstijlen (2019), t.a.p., art. 25 Fw, aant. 2 (mede over “boedelscheiding”); Van Eeden-van Harskamp (2018), t.a.p., art. 25 Fw, aant. 3 onder (ii).j (mede verwijzend naar art. 3:178 BW); Pannevis (2014), t.a.p., nr. 4.5.1.3 (over “boedelprocedures”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader o.a. A.D.W. Soedira, Het akkoord (diss.), Deventer: Kluwer 2011, nrs. 4.5, 5.2, hfst. 6; Pannevis (2014), t.a.p., nrs. 10.5, 10.8; F.M.J. Verstijlen, GS Faillissementswet, Deventer: Kluwer 2014 (actueel t/m 1 oktober 2014), art. 138 Fw, aant. 6; F.M.J. Verstijlen, GS Faillissementswet, Deventer: Kluwer 2015 (actueel t/m 1 januari 2015), art. 157 Fw, aant. 1-2, daarbij ook opmerkend: “Een faillissementsakkoord behelst afspraken over de voldoening van de vorderingen van de schuldeisers op de schuldenaar. Men bedenke dat het faillissement überhaupt slechts ziet op het verhaal van de vorderingen van de schuldeisers”; B. Wessels, Het akkoord, Deventer: Kluwer 2013, § 1.2 (over doel en inhoud van het akkoord, in nr. 6007 mede opmerkend: “Met het faillissementsakkoord wordt een buitengerechtelijke afwikkeling in de plaats gesteld van de in de Faillissementswet beschreven gerechtelijke vereffening”), § V.1 (over de verbindendheid van het akkoord); J.L.M. Groenewegen &amp; J.M. van Buren-Dee, T&amp;C Insolventierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019 (actueel t/m 1 november 2019), art. 138 Fw, aant. 3; art. 157 Fw, aant. 1-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 273 Fw bevat een pendant van art. 157 Fw voor een akkoord bij surseance van betaling. Ik wijs nog kort op het per 1 januari 2019 ingevoerde art. 161a Fw als onderdeel van de Wet modernisering faillissementsprocedure (Stb. 2018, 299). Deze bepaling is in het onderhavige geval niet van toepassing. Noemenswaardig is niettemin dat blijkens de wetsgeschiedenis – Kamerstukken II 2016/17, 34740, 3, p. 33-34, 36-37 – uit de woorden “verifieerbare vorderingen” in deze bepaling volgt “dat de reikwijdte van het artikel is beperkt tot vorderingen die ter verificatie bij de curator moeten worden ingediend”, hetgeen “in overeenstemming [is] met de bepaling van artikel 127 Fw” dat ook is vernieuwd per 1 januari 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geciteerd in Wessels (2013), t.a.p., nr. 6142.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs volledigheidshalve erop dat HR 8 februari 1918, NJ 1918/336 – de man beroept zich daarop trouwens niet – ziet op een wezenlijk ander geval. Dat geval draaide om een vordering tot ontbinding van een koopovereenkomst met schadevergoeding wegens wanprestatie (de koopsom voor de vóór het faillissement geleverde motor bleef onbetaald), ingesteld door de schuldeiser nadat het faillissement van de schuldenaar was geëindigd met een gehomologeerd akkoord. Daarin nam de Hoge Raad op basis van o.a. art. 1301-1301 BW (oud) aan, kort gezegd, dat daaruit voortvloeide dat de schuldeiser vanaf het ontstaan van de overeenkomst een bestaande, zij het voorwaardelijke vordering ter zake had waarvoor hij in het latere faillissement kon opkomen, reden waarom “het acoord van 20% op de in dit geding gevorderde schadevergoeding van toepassing is, tenzij zij een bevoorrechte schuld mocht zijn” (dit laatste was niet het geval).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de wanprestatie dateerde van na het faillissement, deed daaraan (dus) niet af. Kortom: in dat geval was er, anders dan in het onderhavige geval, wél sprake van een reeds vóór het faillissement bestaande rechtsverhouding en daarop gebaseerde vordering die onder art. 26 Fw viel, en in lijn daarmee onder art. 157 Fw vanwege het gehomologeerde akkoord. Zie over dit arrest o.a. A. Steneker, Vormerkung en retentierecht, WPNR 2012/6939, p. 549. Steneker merkt op dat inmiddels achterhaald is de onder het oude recht geldende regel dat vorderingen tot ongedaanmaking en/of schadevergoeding in geval van ontbinding van een overeenkomst al op het moment van het sluiten van de overeenkomst bestaande, zij het voorwaardelijke vorderingen zijn (hij verwijst hierbij naar HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9463, NJ 2010/653).</p>\n<p class=\"lf-p\">W.J.M. van Andel rept in nr. 6.b van zijn annotatie bij JOR 2004/184, met verwijzing en onderbouwing, van een “gedateerd” oordeel in dat arrest uit 1918.</p></div>", "next": 0}