{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deze bepaling vormt een uitwerking van lid 1: indien een omstandigheid voor risico van een partij is, is niet voldaan aan het criterium van lid 1, dat de wederpartij geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mag verlangen. De omstandigheden waarop het beroep op onvoorziene omstandigheden berust, moeten van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Hieraan zal slechts bij hoge uitzondering zijn voldaan, omdat redelijkheid en billijkheid in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord vereisen; de rechter moet de bepaling dan ook met terughoudendheid hanteren. Dat betekent dat de afwijzing van een beroep op onvoorziene omstandigheden summier mag worden gemotiveerd, terwijl omgekeerd zware eisen moeten worden gesteld zowel aan de stelplicht van de eiser als aan de motivering van de rechter die het beroep aanvaardt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.57 Uit het voorgaande volgt dat de aanname van de subonderdelen 5.1, 5.3 en 5.4, dat voor een geslaagd beroep op art. 6:258 BW bepalend is óf partijen de betreffende omstandigheid in hun overeenkomst hebben verdisconteerd in hun overeenkomst, niet juist is. Evenzeer is van belang dat de betreffende omstandigheid niet krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening komt. Het oordeel van het hof komt erop neer dat zowel voor de latere vernietiging van de omgevingsvergunning, als voor het aanvragen van de Erkenning Categorie 3-hoog geldt dat deze omstandigheden voor rekening van [eiseres] komen, en derhalve geen grond vormen voor een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden. Hiermee falen de subonderdelen 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.58 Voor subonderdeel 5.5 geldt dat de overwegingen van het hof sub (d) en (e) moeten worden gelezen in verband met rov. 7.7.3, waarin het hof overwoog dat partijen in de overeenkomst geen eisen hebben gesteld aan de erkenning van de NVWA waarover [verweerster] diende te beschikken en dat [verweerster] op dat moment over een geldige omgevingsvergunning beschikte, zodat [eiseres] niet het recht had om de overeengekomen levering van het botresidu op 5 november 2013 te staken, en dat zij, door dat wel te doen, tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst. In samenhang met die overwegingen bedoelt het hof met (d) en (e) kennelijk dat een beroep op onvoorziene omstandigheden aan díe tekortkoming en de daaruit (door omzetting van de vordering tot nakoming in een vordering tot schadevergoeding) voortvloeiende schadevergoedingsverplichting van [eiseres] niets meer kan veranderen, terwijl nakoming voor de toekomst niet meer aan de orde is zodat [eiseres] ook in dat opzicht geen belang meer heeft bij een beroep op onvoorziene omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop stranden de klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.59 Tenslotte richt subonderdeel 5.6 zich tegen de overweging onder (f). Daarmee zou het hof hebben miskend dat het partijdebat over het eindigen van de overeenkomst door tijdsverloop, niet stond in het kader van onvoorziene omstandigheden maar betrekking had op een zelfstandige vordering. De bedoelde overweging is, gelet op dit kader en het daarover gevoerde debat, dan ook onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu niet zonder meer valt in te zien “dat ook onder de omstandigheid dat [verweerster] haar afnameverplichting niet kan nakomen, de overeenkomst pas eindigt als gedurende drie maanden is geleverd”.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.60 De klacht – waarvan het belang mij niet duidelijk is geworden – kan reeds niet slagen omdat het hof niet heeft geoordeeld dat [verweerster] haar afnameverplichting niet kan nakomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 6: niet beslist op meer subsidiaire vordering?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.61 Volgens onderdeel 6 heeft het hof verzuimd te beslissen op de door [eiseres] ingestelde meer subsidiaire vordering om op de voet van art. 6:60 BW van de op haar rustende verbintenissen te worden bevrijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.62 In het arrest van het hof ligt besloten dat van schuldeisersverzuim geen sprake is. Alle hierop gerichte stellingen van [eiseres] zijn immers verworpen door het hof. Dat betekent dat toepassing van art. 6:60 BW – het op vordering van de schuldenaar ( [eiseres] ) bepalen dat deze van zijn verbintenis bevrijd zal zijn vanwege het verzuim van de schuldeiser – niet aan de orde is. Een beoordeling van de hierop gerichte meer subsidiaire vordering van [eiseres] was derhalve niet meer aan de orde. Overigens heeft het hof in rov. 7.9 onder (e) ook expliciet overwogen dat de meer subsidiaire vordering van [eiseres] niet meer aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Conclusie In beide zaken strekt de conclusie tot verwerping.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 oktober 2017, zaaknummer 200.164.331 (niet gepubliceerd) en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2425.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens [verweerster] was dit op 9 februari 2015, zie memorie van antwoord procedure I, onder 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord [verweerster] procedure II, onder 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 5.13 van het vonnis van de rechtbank Limburg van 15 juni 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte aanvulling grondslagen vordering van [eiseres] procedure II, onder 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte aanvulling grondslagen vordering van [eiseres] procedure II, onder 2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte aanvulling grondslagen vordering van [eiseres] procedure II, onder 2.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2.11 van het kortgedingvonnis van 6 maart 2015 (prod. 25 conclusie van antwoord [verweerster] procedure II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte aanvulling grondslagen vordering van [eiseres] procedure II, onder 2.11 en prod. 40 bij deze akte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningenrechter rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, 6 maart 2015. Prod. 25 conclusie van antwoord [verweerster] procedure II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Limburg 6 augustus 2015. Zie prod. 14 memorie van grieven [eiseres] procedure I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, 24 december 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:8124.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Limburg 15 juni 2016, zaaknummer C/03/202420/HA ZA 15-92. Het vonnis is niet gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2425.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar het arrest van het hof onder 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 4.18-4.21, 4.22, 3.36-3.38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 4.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Hartkamp &amp; Sieburgh 6-III, 2014/446.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 15 juni 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar memorie van antwoord in incidenteel appel onder 3.3; memorie van grieven onder 3.55, 4.2-4.17 en 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord in incidenteel appel onder 3.3 en 3.8; memorie van grieven onder 3.55, 4.2-4.17 en 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord in incidenteel appel onder 3.3; memorie van grieven onder 4.2-4.17 en 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord in incidenteel appel onder 3.3; memorie van grieven onder 4.2-4.17 en 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven onder 3.61, 5.3.10-5.3.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord p. 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord in incidenteel appel onder 3.3; memorie van grieven onder 4.2-4.17 en 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 5.3.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord onder 40 en prod. F.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie F bij memorie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk bijvoorbeeld HR 12 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2525, NJ 1998/224 (Slokker/Wolvega).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord onder 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven onder 4.16 en 5.4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het bewijsaanbod van [eiseres] in de memorie van grieven onder 6.1 en de memorie van antwoord in incidenteel appel onder 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de conclusie van antwoord onder 3.1-3.2; memorie van grieven onder 1.7-1.8, 5.3.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EG) nr.1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (Verordening dierlijke bijproducten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de conclusie van antwoord onder 6.6-6.8; memorie van grieven onder 3.56-3.59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de conclusie van antwoord onder 6.25; proces-verbaal van comparitie d.d. 15 juni 2015, p. 2. en 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 5.3.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord in incidenteel appel onder 4.1-4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord in incidenteel appel onder 4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord in incidenteel appel onder 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 5.3.10-5.3.20; memorie van antwoord in incidenteel appel onder 4.6-4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord onder 48, 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 4.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 5.3.11-5.3.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding onder 4.3 jo. 3.27-3.33, 3.36-3.4; memorie van grieven onder 4.8 jo. 3.25-3.30 en 3.33-3.38.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Parl. Gesch. Awb II, p. 470.</p>\n<p class=\"lf-p\">T&amp;C Awb, commentaar op art. 8:72 Awb, aant. 3 (Borman).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 februari 1975, AB 1975/128 (Verbouwing parochiehuis Woerden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnota [eiseres] onder 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de dagvaarding onder 4.3-4.5; memorie van grieven onder 4.5-4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal comparitie van partijen 20 oktober 2015, p. 5 onderaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal comparitie van partijen 20 oktober 2015, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 3.56-3.59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnota [eiseres] onder 3.1.1 en 3.1.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van comparitie, p. 3; memorie van grieven onder 4.16, 5.53, 5.5.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord onder 48 (bedoeld zal zijn onder 36). De memorie van antwoord in het B-dossier is van het watermerk “concept” voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van comparitie, p. 3; memorie van grieven onder 5.5.3 en 5.5.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven onder 5.5.5 en 5.5.12; proces-verbaal van comparitie 20 oktober 2015, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagvaarding procedure I, onder 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord onder 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie D bij memorie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar dagvaarding onder 4.3-4.6; memorie van grieven onder 4.6-4.11; pleitnota [eiseres] onder 3.1.1-3.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 4.15-4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de dagvaarding onder 4.3-4.6; memorie van grieven onder 4.5-4.11; pleitnota [eiseres] onder 3.1.1-3.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven 4.6-4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 4.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 5.7.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Hartkamp &amp; Sieburgh 6-III 2014/441.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Hartkamp &amp; Sieburgh 6-III 2014/445.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 974. Zie ook HR 27 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4797, NJ 1984/679 m.nt. W.C.L. van der Grinten (NVB/Helder) en HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2587, NJ 1998/493 (Briljant Schreuders/ABP).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Hartkamp &amp; Sieburgh 6-III 2014/444.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 4.3 sub 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt maar de memorie van grieven onder 4.34 en 5.7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 4.3 sub 5 jo. 4.35-4.36.</p></div>", "next": 0}