{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/Maeijer, Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/731 en Assink/Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 2), Deventer: Kluwer 2013, p. 1570 (hierna: Assink/Slagter 2013). Zie ook HR 23 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1056, NJ 2012/393 m.nt. P. van Schilfgaarde (e-Traction), rov. 4.1.3: “Op de enquêteprocedure zijn de bepalingen van toepassing van de verzoekschriftprocedure van art. 261 e.v. Rv.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Storm 2018, p. 70. “Nog steeds” in de aangehaalde passage lijkt een verwijzing naar F.K. Buijn &amp; P.M. Storm, BV en NV. Het nieuwe ondernemingsrecht (Recht en Praktijk deel 23), Deventer: Kluwer 2005, p. 311 (hierna: Buijn &amp; Storm 2005), en eerdere drukken van dat boek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Storm 2018, p. 433. Vgl. hierover ook reeds Buijn &amp; Storm 2005, p. 357. In gelijke zin Van Solinge 2017, p. 505.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem), rov. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maeijer sub 4 van zijn onder HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Storm 2018 p. 433: “Wèl verschijnen heeft alleen zin als ze de door de onderzoeker(s) vastgestelde feiten met succes menen te kunnen betwisten. Ze moeten de kansen van die betwisting afwegen tegen het nadeel dat ze in andere procedures aan de door de OK vast te stellen feiten gebonden zijn.”. Zie verder Assink/Slagter 2013, p. 1819 en Van Solinge 2017 p. 495-496, in lijn met Asser/Maeijer, Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/443.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenzo Assink/Slagter 2013, p. 1819 en Asser/Maeijer, Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/443.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/89 en 256.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem), rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. HR 6 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2764, NJ 1999/117 (Friesland Bank/Kroeze), rov. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/255: “Onzes inziens behoort dit [dat cassatieberoep openstaat, A-G] te gelden in alle gevallen waarin belanghebbenden buiten hun schuld niet eerder zijn verschenen”. Zie bijv. ook HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD6831, NJ 2002/38 (College van B&amp;W Ferwerderadiel en […] / […]), rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieverzoekschrift sub 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerschrift in cassatie, tevens houdende niet-ontvankelijkheidsverweer, sub 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenzo M.W. Josephus Jitta onder 3 van zijn noot onder bestreden beschikking in JOR 2018/94.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4277, NJ 1983/56 m.nt. W.H. Heemskerk. Heemskerk merkt onder 2 van zijn noot onder deze beschikking op: “Betrokkene was in de eerste instantie niet verschenen noch gehoord, maar haar klacht in cassatie was juist dat zij niet was gehoord. De HR doorbreekt deze vicieuze cirkel door een vrijmoedige interpretatie van art. 426 Rv. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep let de HR niet slechts op de formele regels, maar kent hij in dit geval een gewichtige rol toe aan de aard van de klacht die aan het cassatieberoep ten grondslag ligt. Het belang van de grief doet het cassatieberoep ontvankelijk zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/255.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Th.B. ten Kate &amp; E.M. Wesseling-van Gent, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechterlijke uitspraken (Burgerlijk Proces &amp; Praktijk nr. 5), Deventer: Kluwer 2013, p. 197 (hierna: Ten Kate &amp; Wesseling-van Gent 2013), onder verwijzing naar Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo-Bart, p. 175 en HR 14 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1109, NJ 2006/601, rov. 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerschrift in cassatie, tevens houdende niet-ontvankelijkheidsverweer, sub 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3673, NJ 2001/513, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/258. [verweerster 1] wijst onder 2 van haar verweerschrift, tevens houdende niet-ontvankelijkheidsverweer op de brief van de secretaris van de ondernemingskamer van 6 april 2018 waarbij de verbeteringsbeschikking werd toegezonden, met als bijlage de lijst met haar bekende adresgegevens van verzoekers, verweerster en (mogelijke) belanghebbenden, onder wie [verzoeker] . De brief vermeldt als adres van [verzoeker] : [adres 1] , België .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Ten Kate &amp; Wesseling-van Gent 2013, p. 207-208: “[De oorspronkelijke uitspraak] is immers de inzet van de verbetering die daarvan onderdeel moet gaan uitmaken”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend verzoekschrift tot cassatie, sub 25 en Verweerschrift inzake beroep op niet-ontvankelijkheid, sub 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, sub 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3720, NJ 2006/31.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Huydecoper onder 7 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2005:AU3720) voor HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3720, NJ 2006/31.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3435, NJ 2009/359, rov. 3.4.2. Zie ook nr. 2.4, met verdere verwijzingen, van de conclusie van A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2009:BI3435) voor HR 10 juli 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7361, NJ 2001/167 en HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7319, NJ 2003/355 m.nt. H.J. Snijders.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3435, NJ 2009/359, rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 3 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1168, ARO 2014/66, rov. 4.1: “Ingevolge artikel 283 en 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vergt wijziging van het verzoek dat alle in de procedure eerder opgeroepen, maar niet verschenen belanghebbenden opnieuw worden opgeroepen, met opgave van de verandering of vermeerdering van het verzoek (HR 10 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3435 J.H. Lemstra &amp; T. Salemink, ‘Kroniek enquêterecht 2014’, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten &amp; D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2014-2015, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 128, Deventer: Kluwer 2015, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/179: “Overeenkomstige toepassing van art. 130 lid 3 Rv op de verzoekprocedure brengt mee dat in elk geval alle in de procedure eerder opgeroepen, maar niet verschenen belanghebbenden opnieuw – door de griffie – dienen te worden opgeroepen, met opgave van de verandering of vermeerdering van het verzoek (art. 279 Rv).” Aldus ook M.W. Josephus Jitta sub 3 van zijn noot onder de bestreden beschikking in JOR 2018/94: “Die regeling [van art. 130 lid 3 Rv, A-G] geldt ook voor verzoekschriftprocedures, met dien verstande dat de Hoge Raad heeft beslist dat de oproeping bij exploot door de eiser wordt vervangen door de hernieuwde oproeping door de rechter van de niet verschenen belanghebbenden met opgave van de verandering of vermeerdering van het verzoek (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7361, NJ 2001/167.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook Snijders sub 2 van zijn noot in NJ 2003/355: “De Hoge Raad interpreteert de wettelijke uitsluiting van de bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in geval van verstek van een verweerder naar haar strekking restrictief.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenzo M.W. Josephus Jitta sub 3 van zijn noot onder de bestreden beschikking in JOR 2018/94: “De OK had dan ook niet kunnen afgaan op de mededeling van de advocaat van [verweerster 1] op de zitting dat de nadere schriftelijke reactie ook is toegezonden aan de niet verschenen belanghebbenden en had deze vraag ook niet mogen stellen, maar had deze zelf moeten oproepen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders M.W. Josephus Jitta sub 3 van zijn noot onder de bestreden beschikking in JOR 2018/94: “Omdat er sprake was van niet in de procedure verschenen belanghebbenden, had de OK de vraag of van een vermeerdering van de grondslag sprake was, daarom ook niet in het midden kunnen laten. Dat lijkt mij op zichzelf een gebrek in de motivering. De beslissing of van een vermeerdering van de grondslag sprake was, had de OK moeten beslissen alvorens op basis van het veranderde verzoek de zaak te behandelen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 62 (MvT). Zie ook Ten Kate &amp; Wesseling-Van Gent 2013, p. 164 en A.I.M. van Mierlo, in: T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv, aant. 3 (2018).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 63 (MvT). Zie ook Ten Kate &amp; Wesseling-Van Gent 2013, p. 165-166 en A.I.M. van Mierlo, in: T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv, aant. 3 (2018).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 33 (NnavV). Zie ook Ten Kate &amp; Wesseling-Van Gent 2013, p. 166.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 62 (MvT). Zie ook Ten Kate &amp; Wesseling-Van Gent 2013, p. 166 en A.I.M. van Mierlo, in: T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv, aant. 3 (2018).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten Kate &amp; Wesseling-Van Gent 2013, p. 177.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten Kate &amp; Wesseling-van Gent 2013, p. 168. Zie bijv. ook reeds A. Knigge, ‘Herstel van kennelijke fouten in vonnissen, arresten en beschikkingen’, Advocatenblad 2000, nr. 8, p. 296 (hierna: Knigge 2000): “Herstel is mijns inziens slechts mogelijk indien voor partijen en derden niet alleen op het eerste gezicht direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is, maar bovendien op grond van de inhoud van het vonnis buiten redelijke twijfel is hoe de beslissing had moeten luiden, zonder dat nader inhoudelijk debat hierover tussen partijen noodzakelijk is”. Evenzo, met verwijzingen naar rechtspraak, P.A. Fruytier &amp; L.V. van Gardingen, ‘De aanvulling en verbetering van uitspraken – een onderzoek naar het toepassingsbereik van art. 31 en 32 Rv’, TCR 2014, nr. 3, p. 78 (hierna: Fruytier &amp; Van Gardingen 2014): “Zodra over de beslissing of de wijze waarop de verbetering vorm zou moeten krijgen enig debat mogelijk is, trekt de Hoge Raad – althans voor de lagere rechters – de grens.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3878, NJ 2000/171 (Thuiszorg/Plum).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3878, NJ 2000/171 (Thuiszorg/Plum), rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak dateert van voor de codificatie van deze in de rechtspraak ontwikkelde regel van procesrecht in art. 31 Rv. De bepaling is in werking getreden per 1 januari 2002 (Stb. 2001, 621). Zie onder het oude recht verder HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1363, NJ 1994/497 (Bodair/Meijboom) en HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2656, NJ 1999/672 m.nt. H.J. Snijders (Zevenbergen/Interpolis).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3878, NJ 2000/171 (Thuiszorg/Plum), rov. 3.7. Zie hierover ook Knigge 2000, p. 294 en p. 297 en voorts Fruytier &amp; Van Gardingen 2014, p. 78: “Die beslissing [van de Hoge Raad in Thuiszorg/Plum] is begrijpelijk. Herstel van die fout is nadelig voor een der partijen, terwijl over de vraag wat bedoeld is debat mogelijk is. De fout is dus niet ‘kennelijk’.” Vgl. in dit verband ook Ten Kate &amp; Wesseling-van Gent 2013, p. 168, onder verwijzing naar art. 794 (Belgisch) Gerechtelijk Wetboek, dat luidt als volgt: “De rechter kan de verschrijvingen of misrekeningen die in een door hem gewezen beslissing voorkomen, verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen [curs. A-G].”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Ten Kate &amp; Wesseling-van Gent 2013, p. 165 en Fruytier &amp; Van Gardingen 2014, p. 83.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 62 (MvT). Zie ook Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 33 (NnavV). Zie ook Ten Kate &amp; Wesseling-Van Gent 2013, p. 155, Knigge 2000, p. 299 en Fruytier &amp; Van Gardingen 2014, p. 76-77.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3878, NJ 2000/171 (Thuiszorg/Plum), rov. 3.7: “De Rechtbank heeft voorts het beginsel van hoor- en wederhoor geschonden door Thuiszorg niet in de gelegenheid te stellen zich over een eventuele verbetering uit te laten vóórdat zij haar vonnis verbeterde.” Zie ook Knigge 2000, p. 297-298, Ten Kate &amp; Wesseling-van Gent 2013, p. 188-190 en A.I.M. van Mierlo, in: T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv, aant. 4 (2018). “[D]at behoort dus te gebeuren”, aldus de minister in Kamerstukken II 2000/2001, 26855, nr. 16, p. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Knigge 2000, p. 298. Zie ook T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv, aant. 4 (2018): “Nadat partijen zich hebben uitgelaten of hebben aangegeven dat zij zich niet wensen uit te laten (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Ten Kate &amp; Wesseling-van Gent 2013, p. 190-191.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. Knigge 2000, p. 299, die in dit verband stelt dat overwogen zou kunnen worden om aanvulling of herstel van verstekvonnissen uit te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 5 (NnavV), p. 32, onder verwijzing naar HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3878, NJ 2000/171 (Thuiszorg/Plum).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3878, NJ 2000/171 (Thuiszorg/Plum).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten Kate &amp; Wesseling-van Gent 2013, p. 206-207, met verdere verwijzingen.</p></div>", "next": 0}