{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ook bij de totstandkoming van de Wet BRP is aan de orde gekomen dat het briefadres kan fungeren als betekeningsadres. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel zijn door de PVV-fractie kritische vragen gesteld over de mogelijkheid voor gedetineerden om zich uit privacy-overwegingen te laten registreren op een briefadres (vgl. art. 2.40 Wet BRP). Volgens de PVV-fractie moeten gedetineerden “getraceerd kunnen worden, bijvoorbeeld door schuldeisers”. De minister antwoordde hierop het volgende (mijn onderstreping): “Het eerste lid van artikel 2.40 maakt het mogelijk dat iemand die zijn woonadres heeft in een op grond van dit artikel aangewezen instelling, een briefadres kan kiezen. Op grond van het derde lid kunnen door de minister penitentiaire instellingen worden aangewezen. De verstrekking van het adres van een gevangenis als woonadres, kan belastend zijn voor de betrokkene. Het is niet zo dat die belasting op zich niet mogelijk zou zijn, de vraag is of het belang dat met die registratie gediend wordt, opweegt tegen die belasting (proportionaliteit) en of het mogelijk is om dat belang te dienen op een minder belastende wijze (subsidiariteit). Het door deze leden genoemde belang dat de betrokkene bijvoorbeeld door schuldeisers moet kunnen worden getraceerd, weegt inderdaad op tegen de belasting van de persoonlijke levenssfeer (er is voldaan aan eisen van proportionaliteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar het is anderzijds wel mogelijk om dat belang te dienen op een minder belastende wijze, met een briefadres (de zwaardere inbreuk voldoet niet aan de eisen van subsidiariteit). Een briefadres stelt overheidsorganen en derden die geautoriseerd zijn om het adres te gebruiken, in staat om betrokkene op dat adres aan te schrijven . Er wordt door het toestaan van een briefadres in de in de wet bepaalde gevallen geen afbreuk gedaan aan maatschappelijke belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bereikbaarheid voor overheidsorganen en derden die geautoriseerd zijn voor het adres van betrokkene, verandert niet wezenlijk .”</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister verdedigt dus de mogelijkheid voor gedetineerden om zich te laten registreren op een briefadres met het argument dat die mogelijkheid geen afbreuk doet aan de bereikbaarheid van gedetineerden voor schuldeisers. Kennelijk gaat de minister ervan uit dat exploten voor gedetineerden met een briefadres aan dat briefadres kunnen worden betekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.39 De eerder geciteerde circulaire ‘BRP en briefadres’ (zie onder 5.9) gaat er eveneens van uit dat op een briefadres “post van de overheid”, zoals een dagvaarding, in ontvangst kan worden genomen. Ik citeer nogmaals de betreffende volgende passage: “ Een briefadres is een adres waar door de overheid verzonden stukken voor een persoon in ontvangst wordt genomen. Het moet een bestaand adres zijn van een natuurlijk persoon of een instelling, de zogeheten briefadresgever. De briefadresgever moet ervoor zorgen dat post van de overheid (brieven of andere stukken, zoals een belastingformulier, stempas of dagvaarding) de persoon in kwestie bereiken. Op dit adres moet hij of zij namelijk altijd bereikbaar zijn voor de overheid en bovendien fysiek traceerbaar zijn. Daarom kan een briefadres nooit een postbus zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.40 Ook de uit 2012 daterende voorganger van deze circulaire (gebaseerd op de Wet GBA) vermeldde dat op een briefadres “overheidsstukken”, zoals dagvaardingen en te betekenen vonnissen, kunnen worden bezorgd: “Op het briefadres dient de betrokkene voor de overheid bereikbaar te zijn. Er moet de zekerheid bestaan dat voor betrokkene bestemde overheidsstukken (bijvoorbeeld stempas voor verkiezingen, belastingformulieren, dagvaardingen, te betekenen vonnissen) de desbetreffende persoon daadwerkelijk bereiken. Een postbus voldoet niet aan deze eisen en kan derhalve ingevolge de Wet GBA niet als briefadres worden opgenomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.41 Hieruit blijkt dat de overheid (i.c. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) ervan uitgaat dat aan het briefadres exploten kunnen worden betekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Het geheim adres en de woonplaatsvermelding in exploten Verstrekking van BRP-gegevens met geheimhoudingsindicatie (‘geheime adressen’) 6.1 Art. 2.59 Wet BRP biedt – evenals voorheen art. 102 Wet GBA – ingeschrevenen de mogelijkheid een “aantekening omtrent beperking van de verstrekking van gegevens aan derden” te laten opnemen op hun persoonslijst. Zo’n aantekening, ook wel ‘geheimhoudingsindicatie’ genoemd, wordt op schriftelijk verzoek kosteloos opgenomen, en is niet aan nadere wettelijke eisen onderworpen. Dat betekent dat iedereen die daarom vraagt, een geheimhoudingsindicatie krijgt. Op het aanvraagformulier voor geheimhouding hoeft ook geen reden voor geheimhouding te worden opgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Een geheimhoudingsindicatie in de zin van art. 2.59 Wet BRP heeft – zoals de naam “aantekening omtrent beperking van de verstrekking van gegevens aan derden” al zegt – uitsluitend gevolgen voor de verstrekking van gegevens aan derden, en dus niet voor gegevensverstrekking aan overheidsorganen. Art. 3.21 Wet BRP (vgl. voorheen art. 97 e.v. Wet GBA) bepaalt dat van personen met een geheimhoudingsindicatie in beginsel geen gegevens aan derden worden verstrekt (lid 1). Bij wijze van uitzondering kan het college van burgemeester en wethouders bepaalde vormen van gegevensverstrekking toestaan, indien de persoonlijke levenssfeer daardoor niet onevenredig wordt geschaad (lid 2). Het gaat onder meer om gegevensverstrekking ten behoeve van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen “werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang” (art. 3.21 lid 2 jo. 3.6 lid 1 sub c en lid 2 Wet BRP). In Bijlage 5 bij het Besluit BRP zijn onder meer “gerechtelijke werkzaamheden” die door derden ter uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift worden verricht, als zodanig aangewezen. Blijkens de toelichting wordt hierbij met name gedacht aan gerechtelijke werkzaamheden door advocaten en kunnen gerechtsdeurwaarders, voor zover zij ambtshandelingen verrichten, gegevens verstrekt krijgen op grond van de bepalingen over verstrekkingen aan overheidsorganen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 De gedachte dat adresgegevens van personen met een geheimhoudingsindicatie (‘geheime adressen’) te allen tijde geheim blijven of moeten blijven, is dus onjuist. Overheidsorganen hebben bij de uitoefening van hun taken sowieso onverkort toegang tot geheime (adres)gegevens uit de basisregistratie. En onder omstandigheden kunnen ook derden gebruik maken van de geheime (adres)gegevens. Alleen een briefadres – en dus het niet-opnemen van het woonadres in de basisregistratie – biedt de zekerheid dat de adresgegevens van de betrokkene inderdaad geheim blijven. Zie in deze zin ook de volgende passages uit de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet BRP (mijn onderstreping): “Binnen de overheid en ook bij de registratie in de GBA (Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens) bestaan geen geheime adressen in de zin dat geen enkele instantie of ambtenaar weet waar die persoon verblijft of dat het adres nergens is geregistreerd. Dit vanwege het feit dat de overheid voor de uitvoering van haar taken en bij contact met de burger toch bepaalde gegevens nodig heeft. Een burger kan wel verzoeken geen gegevens – waaronder adresgegevens – te verstrekken uit de GBA (zie hierover ook mijn antwoorden op eerdere Kamervragen). Indien deze verstrekkingbeperking van gegevens is gevraagd, wordt daarvan op de persoonslijst van de verzoeker een indicatie geplaatst. Die indicatie is in beginsel uitsluitend voor de verstrekking uit de GBA bedoeld en werkt alleen voor het tegenhouden van verstrekkingen aan bepaalde derden (niet-overheidsinstanties die werkzaamheden verrichten met een publiek of bijzonder maatschappelijk belang).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat dan bijvoorbeeld om de derden aan wie gemeenten gegevens kunnen verstrekken op basis van een gemeentelijke verordening. Overheidsinstanties krijgen de gegevens – indien zij daarvoor zijn geautoriseerd – wel, omdat zij in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taken de gegevens uit de GBA nodig hebben. Die gegevensverstrekking is immers het primaire doel van de GBA. Het aantal actuele persoonslijsten in de GBA (niet-opgeschort wegens bijvoorbeeld overlijden of emigratie) met een dergelijke indicatie was op het moment van telling 212 028 (1,27% van het totale aantal persoonlijsten in de GBA). Hierbij dient opgemerkt te worden dat het aantal indicaties een momentopname is omdat er verzoeken bij kunnen komen of burgers een verzoek intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens dient opgemerkt te worden dat een burger geen reden hoeft op te geven voor zijn verzoek tot verstrekkingsbeperking. Het kan gaan om veiligheid, privacy of andere redenen. Voor de volledigheid wijs ik u er op dat in beantwoording van eerdere Kamervragen specifiek is uiteengezet wat de mogelijkheden zijn voor personen die in verband met huiselijk geweld en dergelijke verblijven in een opvanghuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die personen kunnen in de regel ervoor kiezen met een zogenaamd briefadres te worden ingeschreven in de GBA. Dit briefadres is een ander adres dan het woonadres (het adres van de opvang) waardoor beter wordt voorzien in het geheimhouden van de werkelijke verblijfplaats van de betreffende burger .” “De leden van de PvdA-fractie merken op dat het in het verleden meermalen is voorgekomen dat personen waarbij vermeld stond dat het adres niet aan anderen mocht worden doorgegeven, bijvoorbeeld in het geval dat een vrouw bescherming moest zoeken in een blijf-van-mijn-lijfhuis, die gegevens toch werden verstrekt. Zij vragen of het nieuwe systeem beter bestand is tegen dergelijke fouten en zo ja, hoe dan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vraag van deze leden zitten twee elementen. Ten eerste het feit dat het bepaald onwenselijk kan zijn dat het adres van een blijf-van-mijn-lijfhuis, bekend wordt aan personen die daar niet verblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede de veronderstelling dat een verzoek tot beperking van het verstrekken van gegevens uit de basisregistratie aan derden tot het geheim blijven van dit adres leidt .</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het tweede element: de genoemde veronderstelling is onjuist. Het op verzoek van de burger opnemen van het gegeven inzake de beperking van verstrekking uit de basisregistratie aan derden kan op geen enkele manier garanderen dat het in de basisregistratie opgenomen woonadres geheim blijft . Ook niet als het woonadres het adres is van een blijf-van-mijn-lijfhuis. De gegevens in de basisregistratie over een burger – waaronder het gegeven van het woonadres – worden aan vele gebruikers verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beperken van verstrekkingen aan derden werkt niet ten opzichte van overheidsorganen. Het werkt zelfs niet ten aanzien van alle verstrekkingen aan derden. Het woonadres uit de basisregistratie wordt dus – overeenkomstig het doel van de registratie – over vele organisaties verspreid . Het beheersen van de verspreiding van gegevens, zodat verzekerd is dat zij nooit in verkeerde handen vallen, is feitelijk niet goed mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen deze achtergrond biedt het wetsvoorstel (en de huidige Wet GBA) een andere oplossing. Om te voorkomen dat het actuele woonadres dat in de basisregistratie staat vermeld in verkeerde handen valt, kan het woonadres niet opgenomen worden. In zo’n geval wordt als adres een briefadres opgenomen . Juist bij het geval dat de leden van de PvdA-fractie noemen, bestaat die mogelijkheid. Zie artikel 2.40, derde lid, van het wetsvoorstel. Aan die mogelijkheid is ook ruime bekendheid gegeven. Zie in dit verband de circulaire Registratie briefadres van bewoners van instellingen voor vrouwenopvang van 17 mei 2005. In die circulaire worden de colleges van burgemeester en wethouders gewezen op de mogelijkheid om binnen hun gemeente gelegen opvanghuizen aan te wijzen als instellingen waarvan de bewoners om redenen van privacy een briefadres kunnen kiezen. Zij hoeven dan niet te worden geregistreerd op het adres van de opvanginstelling zelf. De circulaire noemt voorts de mogelijkheid om een briefadres te kiezen bij een rechtspersoon, zoals een gemeente of een (elders gehuisvest) kantoor van een opvanginstelling, voor het geval een briefadres bij familie, vrienden of kennissen om veiligheidsredenen niet wenselijk is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Geheim briefadres 6.4 Ook een briefadres kan zijn voorzien van een geheimhoudingsindicatie in de zin van art. 2.59 Wet BRP. Dat volgt uit de wetssystematiek: art. 2.59 Wet BRP bevat geen beperking tot gegevens omtrent het woonadres. Zie hierover ook de circulaire ‘BRP en briefadres’: “Om de veiligheid van de briefadreshouder (en eventuele kinderen) extra te verhogen kan de persoon vragen zijn/haar adresgegevens niet aan derden te verstrekken. Hieronder valt ook het gekozen briefadres.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een geheim briefadres hebben derden in beginsel geen toegang tot het briefadres, maar overheidsorganen wel (vgl. onder 6.2 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van geheime adressen door gerechtsdeurwaarders 6.5 Zoals gezegd hebben gerechtsdeurwaarders bij de uitoefening van hun wettelijke taak te gelden als overheidsorgaan in de zin van de Wet BRP (zie onder 5.31). In die hoedanigheid hebben zij toegang tot BRP-gegevens, óók als deze voorzien zijn van een geheimhoudingsindicatie. Op grond van art. 1.7 Wet BRP zijn deurwaarders zelfs in beginsel verplicht om bij het betekenen van exploten gebruik te maken van in de basisregistratie personen opgenomen “authentieke gegevens”, waaronder het woonadres. Art. 1.7 lid 2 Wet BRP maakt geen uitzondering voor woonadressen met een geheimhoudingsindicatie. Voor de goede orde memoreer ik dat het briefadres niet onder de hier bedoelde authentieke gegevens valt (zie onder 5.33 e.v.) 6.6 Dat deurwaarders gebruik mogen maken van gegevens die voorzien zijn van een geheimhoudingsindicatie, is ook bevestigd door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders. Zoals gezegd is wél vereist dat de deurwaarder de adresgegevens nodig heeft voor het verrichten van een ambtshandeling. Als de deurwaarder optreedt als incassobureau, mag hij geen gebruik maken van BRP-gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Ook in de toelichting bij het al genoemde autorisatiebesluit (zie onder 5.32) is vermeld dat gerechtsdeurwaarders BRP-gegevens met een geheimhoudingsindicatie kunnen opvragen. De toelichting vervolgt: “Met dit gegeven wordt aangeduid of een ingeschrevene de gemeente heeft verzocht om zijn of haar gegevens niet te verstrekken aan bepaalde derden. Indien dit het geval is, kan de gerechtsdeurwaarder aanvullende maatregelen treffen om de privacy van de ingeschrevene te waarborgen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8 Dat een geheimhoudingsindicatie het nodig kan maken dat de gerechtsdeurwaarder maatregelen neemt om de privacy van de betrokkene te beschermen, blijkt ook uit de wetsgeschiedenis. In antwoord op Kamervragen over het verstrekken van geheime adressen uit de GBA, heeft de minister de geheimhoudingsindicatie getypeerd als een ‘signaal’ aan de gebruikers van de GBA, om zorgvuldig met de desbetreffende gegevens om te gaan: “Het verzoek tot verstrekkingsbeperking genoemd in antwoord op vraag 1 wordt als een signaal aan gebruikers van de GBA meegezonden, zodat deze er nog eens extra op worden gewezen dat zij zorgvuldig met deze gegevens moeten omgaan in hun eigen administratie en bij hun eigen taakuitvoering. Dit signaal is bedoeld voor een overheidsorganisatie, waarvoor de verstrekkingsbeperking vanuit de GBA niet geldt, maar de informatie wel van belang kan zijn voor de afweging om deze gegevens ook in de eigen administratie geheim te houden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9 Meer in algemene zin blijkt uit de wetsgeschiedenis dat overheidsorganen aan wie gegevens uit de basisregistratie worden verstrekt, zorgvuldig met die gegevens moeten omgaan. Zo antwoordde de regering in 2006 op Kamervragen over “het uitlekken van geheime adressen” doordat die adressen werden achterhaald via deurwaarders en andere instanties: “Alle instanties die gegevens krijgen uit de GBA, of daarbij nu het signaal van geheimhouding wordt meegeleverd of niet, moeten zorgvuldig met die gegevens omgaan onder de werking van de Wet bescherming persoonsgegevens. Gegevens mogen bijvoorbeeld alleen verstrekt worden aan anderen onder de strikte voorwaarden die daarvoor zijn opgenomen in de Wet bescherming persoonsgegevens. Naast de voorwaarde dat een rechtmatige grondslag voor de verstrekking van de gegevens bestaat, bijvoorbeeld als de betrokkene ondubbelzinnige toestemming heeft verleend of omdat het nodig is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak, moet ook worden afgewogen of de verstrekking van gegevens verenigbaar is met het doel waarvoor de gegevens zijn verzameld en vervolgens worden verwerkt. Factoren die bij die afweging een rol dienen te spelen, zijn onder meer de gevolgen van de beoogde verwerking (verstrekking) voor de betrokkenen, en de mate waarin jegens de betrokkene wordt voorzien in passende waarborgen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10 Ook uit art. 2:5 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de deurwaarder – handelend in de hoedanigheid van bestuursorgaan – gehouden is tot geheimhouding van een adres met geheimhoudingsindicatie, zij het dat het slot van het artikellid een uitzondering bevat voor de uitoefening van wettelijke taken: “Artikel 2:5 1. Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit art. 2:5 lid 1 Awb kan derhalve niet worden afgeleid dat geheime adresgegevens niet in exploten mogen worden gebruikt; dat hangt ervan af of (aangenomen wordt dat) het procesrecht een dergelijke verplichting met zich meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10 Ook de beroeps- en gedragsregels voor gerechtsdeurwaarders schrijven een zorgvuldige omgang met vertrouwelijke gegevens voor. Ter uitwerking daarvan is in de Gedragscode gerechtsdeurwaarders ter bescherming van persoonsgegevens de volgende regeling voor de verstrekking van persoonsgegevens aan derden opgenomen: “Artikel 7. Verstrekking van gegevens 1. Tenzij met uitdrukkelijke toestemming van de wederpartij, worden diens persoonsgegevens uitsluitend aan de volgende personen of instanties verstrekt: a. aan de opdrachtgever voor zover nodig in het kader van de verstrekte opdracht en ter verantwoording van verrichte werkzaamheden; b. aan de andere wederpartij van de opdrachtgever in éénzelfde of nauw verwante zaak, voor zover nodig bij het verrichten van de bij of krachtens de wet of door de opdrachtgever opgedragen taken en werkzaamheden; c. aan rechterlijke instanties en andere derden voor zover noodzakelijk voor de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte; d. aan bij de zaak betrokken derden, waaronder gerechtsdeurwaarders, openbare registers, banken, één en ander uitsluitend voor zover nodig bij het verrichten van de bij of krachtens de wet of door de opdrachtgever opgedragen taken en werkzaamheden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Verstrekking van gegevens vindt niet plaats indien de gerechtsdeurwaarder weet of redelijkerwijs kan aannemen dat degene aan wie de gegevens zullen worden verstrekt, deze in ruimere kring bekend zal maken of dat deze zullen worden benut voor een doel niet in overeenstemming met het doel van de verwerking.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Verstrekking van gegevens vindt niet plaats voor zover dit in strijd zou komen met de geheimhoudingsplicht van de gerechtsdeurwaarder.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Het geheim adres in de tuchtrechtspraak voor gerechtsdeurwaarders 6.11 Tegen de achtergrond van de zojuist geschetste wetsgeschiedenis en gedragsregels werd tot voor kort in vaste tuchtrechtelijke jurisprudentie geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder de privacy van personen met een geheim adres dient te waarborgen, door in exploten het geheime adres weg te laten. In de praktijk gaven deurwaarders hieraan invulling door in het exploot slechts te vermelden dat het een geheim adres betrof en dat aan dat adres exploot was gelaten. Nog in 2014 is die praktijk door de KBvG en het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel Kanton (LOVCK) onderschreven. De KBvG maakt hierbij overigens de kanttekening dat in dagvaardingen wel melding moet worden gemaakt van de gemeente waarin de gedaagde woonachtig is (in verband met de relatieve bevoegdheid) en de datum waarop het adres is gecontroleerd (in verband met de tuchtrechtelijke eis dat de adresinformatie maximaal veertien dagen oud mag zijn, zie onder 3.25). Deze opvatting vond ook steun in de literatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.12 In 2017 heeft de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het Hof Amsterdam gebroken met deze vaste tuchtrechtspraak, omdat volgens het hof in de civiele rechtspraak rechtsonzekerheid bestaat over de vraag of een exploot waarin (slechts) wordt vermeld dat sprake is van een geheim adres, aan de eisen van art. 45 lid 3 Rv voldoet. Het hof wijst in dit verband op een drietal uitspraken van civiele rechters, waaruit het hof afleidt dat een gerechtsdeurwaarder die een exploot uitbrengt op de voorheen aanbevolen wijze ermee rekening moet houden dat de burgerlijke rechter dit exploot als nietig zal aanmerken (rov. 6.6). Tegen deze achtergrond kan volgens het hof niet worden geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder in het voorliggende geval tuchtrechtelijk laakbaar had gehandeld, door bij de betekening van een veroordelend vonnis aan een bewindvoerder diens geheime privéadres te vermelden in het exploot (rov. 6.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13 De nieuwe lijn van het Hof Amsterdam vindt inmiddels navolging in de rechtspraak van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders (de tuchtrechter in eerste aanleg). Ook die oordeelt nu dat, gelet op de bestaande rechtsonzekerheid op dit punt, de vermelding van een geheim adres in exploten “in beginsel niet tuchtrechtelijk laakbaar” is. De KBvG – die in de procedure bij het Hof Amsterdam de deurwaarder had bijgestaan – onderschrijft die nieuwe lijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14 De Commissie cassatie in het belang der wet heeft, onder verwijzing naar de geschetste koerswijziging in de tuchtrechtspraak, in haar advies aan de procureur-generaal van 27 augustus 2018 geadviseerd om cassatie in het belang der wet in te stellen ter beantwoording van de vraag of – kort samengevat – op grond van art. 45 lid 3 Rv in exploten de woonplaats moet worden vermeld van geëxploteerden die beschikken over een geheim adres, oftewel een adres dat op grond van art. 2.59 Wet BRP is afgeschermd voor derden. In het advies is onder meer het volgende vermeld: “4. Vraag: Kan een exploot aan de eisen van art. 45 lid 3 Rv. voldoen ondanks het ontbreken van de vermelding daarin van de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd (zoals genoemd onder sub d), in het geval dat deze persoon zijn gegevens in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) heeft afgeschermd voor het publiek (‘geheim adres’) en de deurwaarder wel vermeldt dat hij het exploot heeft gelaten op het in het GBA geregistreerde (maar niet expliciet genoemde) adres?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen gegronde redenen zijn dat degene voor wie een exploot is bestemd niet wenst dat zijn adres bij de wederpartij bekend wordt (waarbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan de in rechte strijdende ex-echtgenoten waarvan er een in een blijf-van-mijn-lijf-huis verblijft). De vraag is of de deurwaarder (die in dat adres uit hoofde van zijn ambt toch inzage heeft en moet hebben) dan toch verplicht is – op grond van art. 45 lid 3 sub d Rv. – om dit adres in het exploot op te nemen (en of dit wenselijk is), omdat dit ertoe zou kunnen leiden dat de wederpartij van het adres op de hoogte raakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitspraak die aanleiding vormde voor dit verzoek is een beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het hof Amsterdam van 1 augustus 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:3097). Daarin werd een tuchtklacht ingediend tegen een deurwaarder die in een exploot het geheime privéadres van klager had opgenomen. De tuchtkamer in eerste aanleg beoordeelde de klacht als gegrond. De tuchtrechter in hoger beroep oordeelde echter dat niet kon worden geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar had gehandeld door het geheime adres op het exploot te vermelden zoals voorgeschreven door artikel 45 lid 3 Rv., en achtte de klacht ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het punt van de betekening aan een geheim adres leidt in de deurwaarderswereld tot rechtsonzekerheid. Daar is (of was) de in de rechtsvraag omschreven – maar naar de letter genomen in strijd met art. 45 lid 3 sub d zijnde – situatie namelijk wel gangbare praktijk. De deurwaarderstuchtkamer van Amsterdam (eerste aanleg) schaarde zich in een lijn van vaste jurisprudentie achter deze praktijk (zie de eerste aanleg van genoemde zaak van het hof Amsterdam – Kamer voor Gerechtsdeurwaarders Amsterdam 7 maart 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:19 – en voorts de eerdere uitspraken van diezelfde kamer van 12 juli 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:YB0670 / ECLI:NL:TGDKG:2011:125 en van 15 mei 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:YB0816 / ECLI:NL:TGDKG:2012:34).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof Amsterdam lijkt zich ook achter deze praktijk te willen scharen – en de aan de orde zijnde vraag conform deze praktijk in bevestigende zin te (…) willen beantwoorden – maar oordeelt (uiteindelijk toch) dat de klacht tegen de deurwaarder in casu niet als gegrond kan worden aangemerkt, in het licht van het feit dat het hof als tuchtrechter zelf niet bevoegd is te oordelen over de nietigheid van het exploot en hierover door de bevoegde civiele rechter soms streng wordt geoordeeld, in die zin dat deze praktijk in strijd met art. 45 lid 3 sub d Rv. wordt geacht en het exploot in beginsel nietig. Het hof noemt hiervan drie voorbeelden: Rb. Middelburg (Ktr. Terneuzen) 3 maart 2010, ECLI:NL:RBMID:2010:BO3987, JBPR 2010/50 m.nt.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.W. Jongbloed, Rb. Arnhem 24 november 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BO6162, Prg 2011/19 en Rb. Limburg 15 februari 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:1147. In die omstandigheden kan de deurwaarder immers bezwaarlijk een verwijt worden gemaakt van zijn vermelding. In navolging van deze tuchtuitspraak in hoger beroep heeft inmiddels ook de tuchtkamer van Amsterdam zijn standpunt gewijzigd (zie Kamer voor Gerechtsdeurwaarders Amsterdam 5 december 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:230 en dezelfde kamer op 9 februari 2018, ECLI:NL:TGDKG:2018:9). (…) Het is de commissie ambtshalve bekend dat ook in cassatie een betekening van een exploot aan een geheim adres conform de hier bedoelde praktijk voorkomt, en dat deze praktijk bij de Hoge Raad op dit moment, althans onder omstandigheden, niet aan verstekverlening in een dergelijk geval in de weg behoeft te staan. De commissie meent echter dat (een) dergelijke beslissing(en), en de daarvoor van belang zijnde omstandigheden, onvoldoende kenbaar zijn om een einde te kunnen maken aan de hiervoor bedoelde rechtsonzekerheid.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15 Hoewel de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op het geheime adres, lijkt het mij nuttig om ook deze samenhangende kwestie mee te nemen in de onderhavige zaak. De rechtsontwikkeling is erbij gebaat, indien de Hoge Raad zich bij de beoordeling van de prejudiciële vragen tevens uitlaat over de vraag of in exploten de woonplaats moet worden vermeld van verzoekers c.q. geëxploteerden die beschikken over een geheim adres.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geheim adres in de feitenrechtspraak 6.16 De uitspraken waarnaar verwezen wordt in het advies van de Commissie cassatie in het belang der wet, zijn de volgende. In de eerste plaats een uitspraak van de kantonrechter Terneuzen (gewezen onder toepasselijkheid van de Wet GBA). In deze zaak beriep de gedaagde zich op nietigheid van de dagvaarding op de grond dat daarin niet haar (in de GBA afgeschermde) adres was vermeld. De kantonrechter honoreerde dat beroep en overwoog daartoe als volgt: “5.1. Op straffe van nietigheid is in art. 45, lid 2, Rv. voorgeschreven dat een exploot de woonplaats vermeldt van degene voor wie het exploot is bestemd. Onder woonplaats moet hier worden verstaan de woonplaats in de zin van art. 1:10 BW. Daarom is ook het adres vereist. Het adres was de deurwaarder wel bekend, maar zij heeft het bewust niet vermeld. Na verzet heeft Oort zich beroepen op de nietigheid van de dagvaarding. Dat beroep moet gelet op art. 122 Rv worden verworpen indien het gebrek Oort niet onredelijk in haar belangen heeft geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als rechtvaardiging voor het gebrek – het niet vermelden van het adres van Oort – heeft de deurwaarder in de exploten vermeld dat Oort de gemeente Sluis heeft verzocht om dit adres geheim te houden voor derden. Dit is kennelijk een verzoek gebaseerd op art. 102, lid 1, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (verder: Wet GBA). Art 102, lid 2, Wet GBA bevat echter direct al een uitzondering voor de toepassing van art. 98 Wet GBA. Ingevolge art. 98, lid 1, Wet GBA worden persoonsgegevens verstrekt aan derden die uit hoofde van ambt of beroep gewoonlijk met gerechtelijke werkzaamheden zijn belast, voor zover die persoonsgegevens noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift. Deze uitzondering is hier van toepassing want het geheime adres is verstrekt aan een deurwaarder, die het adres nodig had om het te vermelden in exploten, hetgeen de wet op straffe van nietigheid heeft voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een rechtvaardiging voor het niet vermelden van het adres van Oort kan niet worden gevonden in de Wet GBA, want overeenkomstig deze wet heeft de gemeente Sluis het adres van Oort verstrekt aan de deurwaarder. Deze wet is niet bedoeld om de inhoud van exploten nader te regelen. Integendeel, teneinde te waarborgen dat geschillen tussen burgers altijd langs gerechtelijke weg tot een einde kunnen worden gebracht is in art. 98 Wet GBA onder duidelijke voorwaarden een uitzondering gemaakt voor personen die uit hoofde van ambt of beroep gewoonlijk met gerechtelijke werkzaamheden zijn belast. Voor dit grote maatschappelijk belang mag het belang bij bescherming van persoonsgegevens wijken. (Men zie ook ABRvS 15 feb. 1999, AB 1999, 239 LJN AN5987.) Nu de afweging is gemaakt en het adres aan de deurwaarder is gegeven, levert het belang van de bescherming van persoonsgegevens geen rechtvaardiging meer op om het adres uit het exploot te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nauwelijks denkbaar is dat andere zeer klemmende belangen – men zou wellicht kunnen denken aan personen die in het belang van hun eigen veiligheid moeten worden afgeschermd – dat wel zouden kunnen rechtvaardigen. Maar dat doet zich hier in ieder geval niet voor. (…) Het enkele feit dat Oort de gemeente heeft verzocht haar adres geheim te houden, is geen reden om haar adres niet te vermelden in de exploten van dagvaarding en betekening. Die exploten zijn daarom nietig.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17 Annotator Jongbloed toont zich kritisch over deze uitspraak. Hij wijst erop dat gerechtsdeurwaarders exploten opmaken op ambtseed en dat de dagvaarding dwingend bewijs oplevert van de betekening op het in de GBA vermelde adres (vgl. onder 3.3). Ik merk verder op dat de kantonrechter in rov. 5.2 en 5.3 ten onrechte verwijst naar art. 98 Wet GBA. Die bepaling bevatte, overeenkomstig het huidige art. 3.21 Wet BRP, slechts een uitzondering voor gegevensverstrekking aan derden, niet zijnde overheidsorganen (zie onder 6.2). Wat betreft de door de kantonrechter in rov. 5.3 genoemde uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State: daarin is geoordeeld dat op de voet van art. 98 Wet GBA ook GBA-gegevens konden worden verstrekt aan derden (in casu de Postbank), ten behoeve van het opstellen van een ‘formulierdagvaarding’, onder het regime van het toenmalige art. 104 Rv (oud).</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzing naar deze bestuursrechtelijke uitspraak geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting: kennelijk veronderstelt de kantonrechter dat de gerechtsdeurwaarder bij het raadplegen van de basisregistratie ten behoeve van de betekening van exploten zou hebben te gelden als derde. Meer in algemene zin merk ik op dat de gedaagde in deze (verzet)procedure was verschenen. Het beroep op nietigheid kon daarom slechts worden gehonoreerd, indien de gedaagde door het gebrek onredelijk in haar belangen was geschaad (art. 122 lid 1 Rv), zoals de kantonrechter in rov. 5.1 ook overwoog. Naar mijn mening valt niet goed in te zien in welk verdedigingsbelang gedaagde in casu was geschaad, door het enkele feit dat in de dagvaarding haar eigen adresgegevens ontbraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18 In de door de Commissie genoemde uitspraak van de rechtbank Arnhem ging het om een dagvaarding waarin de (in de GBA afgeschermde) adresgegevens van de eisers niet waren vermeld. De rechtbank verwierp het beroep van gedaagde op nietigheid van de dagvaarding, maar veroordeelde eisers wel tot het uitbrengen van een herstelexploot op de voet van art. 122 lid 2 Rv: “2.2. Op grond van het bepaalde in art. 45 lid 3 onder b Rv, gelezen in samenhang met het bepaalde in art. 111 lid 2 en art. 120 lid 1 Rv, moet een exploot van dagvaarding op straffe van nietigheid naast de naam ook de woonplaats vermelden van degene op wiens verzoek het exploot is uitgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 122 lid 1 Rv bepaalt vervolgens dat bij verschijning van gedaagde in het geding en een beroep van gedaagde op de nietigheid van het dagvaardingsexploot, de rechter dit beroep verwerpt indien naar zijn oordeel het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad. Volgens vaste jurisprudentie gaat het er daarbij om dat de belangen van de gedaagde onredelijk zijn geschaad indien het gebrek van dien aard is dat hij daardoor wordt bemoeilijkt in het verweer dat hij in het geding wil voeren. In zijn arrest van 16 februari 2007 (NJ 2007/118) heeft de Hoge Raad overwogen dat aan het oude art. 94 Rv (thans art. 122 Rv) (en het huidige art. 66 lid 1 Rv) ten grondslag ligt het beginsel dat indien een exploot lijdt aan een gebrek dat tot nietigheid daarvan leidt, dit rechtsgevolg slechts op zijn plaats is indien en voor zover dat gewenst is in verband met de bescherming van de belangen waarop de geschonden norm betrekking heeft (Memorie van Toelichting op art. 66 (1.6.20) Rv, Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 76). Daarvan is sprake ingeval degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot het door art. 45 lid 3 onder b jo. art. 111 lid 2 Rv beschermde belang behoort het belang dat de gedaagde de eisende partij kan identificeren. In de onderhavige zaak staat vast dat gedaagde door de inhoud van de dagvaarding weet wie eisers zijn (en wat de gronden van hun vorderingen zijn). Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat gedaagde door het ontbreken van de woonplaats van eisers in de dagvaarding bemoeilijkt wordt in het voeren van verweer tegen de vorderingen. In zoverre komt de inhoud van de dagvaarding aan het dienen van genoemd belang tegemoet. Het beroep van gedaagde op de nietigheid van de dagvaarding wordt daarom verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande neemt niet weg dat in de onderhavige context — waarin de ene partij de andere heeft gedagvaard en de gedaagde partij aldus wordt gedwongen proceskosten te maken die mogelijk door de dagvaardende partij aan hem zullen moeten worden vergoed — de gedaagde partij er ook belang bij heeft dat de eisende partij conform genoemde wettelijke voorschriften haar woonplaats bekend maakt. Anders gezegd: de gedaagde partij moet niet alleen weten wie de eisende partij is, maar haar ten behoeve van het verhaal van op haar vallende proceskosten in beginsel ook kunnen vinden. In zoverre gaat het hier om een onderdeel van de identificatieplicht van eisers, dat eveneens behoort tot het belang dat de artikelen 45 lid 3 onder b jo. 111 lid 2 Rv beogen te beschermen. Op de grond dat bij de huidige stand van zaken gedaagde in dit belang wordt geschaad, zal de rechtbank op de voet van art. 122 lid 2 Rv bevelen dat eiser dit gebrek herstelt door binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een herstelexploot te doen uitbrengen waarbij eiser zijn woonplaats bekend maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zaak zal naar de rol worden verwezen voor overlegging bij akte van dit herstelexploot, waarna de zaak opnieuw zal worden aangehouden voor de beslissing of een comparitie zal worden gelast.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.19 Deze beslissing lijkt mij niet juist. Onder 3.12 merkte ik al op dat het in rov. 2.4 bedoelde ‘verhaalsbelang’ naar mijn mening geen belang is dat meeweegt bij de benadelingstoetsing van art. 122 lid 1 Rv. Een eventuele aantasting van dat belang zou daarom ook niet tot herstel op de voet van art. 122 lid 2 Rv moeten nopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.20 De derde uitspraak die de Commissie noemt, is een uitspraak van de rechtbank Limburg over het wél vermelden van geheime adresgegevens van gedaagde: “4.1. [bewindvoerster] beroept zich op nietigheid van de dagvaarding nu de deurwaarder het adres van [bewindvoerster] in de dagvaarding heeft vermeld, terwijl zij een afgeschermd adres heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kantonrechter overweegt dat het dagvaardingsexploot voldoet aan de vereisten als gesteld in artikel 45 lid 3 sub d Rv. Dit artikel vereist dat de woonplaats van de [bewindvoerster] in het exploot is vermeld, waarmee met woonplaats wordt bedoeld het volledige huisadres ofwel woonstede als in artikel 1:10 BW. Zonder vermelding van het adres zou de dagvaarding juist nietig zijn. [Bewindvoerster] kan derhalve worden ontvangen in haar vordering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.21 Deze uitspraak lijkt mij juist en voor de hand liggend. Ook indien wordt aanvaard dat de deurwaarder maatregelen dient te nemen om de privacy te beschermen van personen met een geheim adres (vgl. onder 6.7 e.v.), volgt daaruit nog niet dat een dagvaarding waarin wél geheime adresgegevens zijn vermeld, op de voet van art. 45 lid 3 Rv nietig is. Overigens lijkt de overweging dat de dagvaarding zonder vermelding van adresgegevens “juist nietig” zou zijn, iets te categorisch geformuleerd (vgl. onder 3.5 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.22 Volledigheidshalve wijs ik nog op twee andere mogelijk relevante uitspraken over het geheim adres. In een uitspraak van de rechtbank Groningen ging het om een vordering in kort geding tot verwijdering van internetpagina’s en ‘postings’ met beweerdelijk onrechtmatige uitingen jegens eisers. Gedaagde beriep zich op nietigheid van de dagvaarding op de grond dat daarin geen adresgegevens van de eisers waren vermeld. Eisers rechtvaardigden dit met het argument dat zij bang waren dat hun woonplaats anders op internet zou worden gepubliceerd. De voorzieningenrechter verwierp dat argument en verklaarde de dagvaarding nietig: “5.2. (…) Ingevolge artikel 45 Rv juncto 120 Rv is het niet vermelden van de woonplaats van eiser in de inleidende dagvaarding een gebrek dat nietigheid met zich brengt. Deze nietigheid kan ingevolge artikel 122 lid 1 Rv echter voor gedekt worden verklaard indien de rechter van oordeel is dat het gebrek gedaagden niet onredelijk in hun belangen heeft geschaad. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan in deze zaak geen sprake is. [Gedaagde] heeft aangevoerd dat bij een eventuele proceskostenveroordeling en/of een toewijzing van de eis in reconventie zij moet kunnen achterhalen waar [eisers] woonachtig zijn. Gelet op het feit dat een eventueel veroordelend vonnis niet rechtstreeks aan [eisers] kan worden betekend en hun gemachtigde mr. De Boer ter zitting niet heeft verklaard voor een eventuele proceskostenveroordeling in te zullen staan, daarvoor zekerheid te stellen of het adres van [eisers] aan [gedaagde] te zullen meedelen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] door het gebrek onredelijk in haar belangen is geschaad.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.23 Ook hier wordt een ‘verhaalsbelang’ aan de zijde van de gedaagde meegewogen in het kader van de benadelingstoetsing van art. 122 lid 1 Rv. Zoals gezegd denk ik dat dat niet juist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.24 De laatste uitspraak die ik hier vermeld, is van de rechtbank Den Haag. In deze zaak beriep de gedaagde zich op niet-ontvankelijkheid van eiseres op de grond dat de dagvaarding was betekend aan een geheim adres, terwijl gedaagde naar eigen zeggen geen geheim adres had. De rechtbank ging hieraan voorbij: “4.3. De dagvaarding in de procedure waarvan verzet, is blijkens de daarop vermelde gegevens door de deurwaarder betekend aan een bij de deurwaarder bekend, maar niet in de dagvaarding vermeld, geheim adres. In een door [eiseres] overgelegde verklaring van 10 februari 2014 heeft de betreffende deurwaarder bevestigd dat uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) was gebleken dat [gedaagde] geheimhouding van zijn adres in die administratie had verzocht. De deurwaarder heeft het betreffende uittreksel uit de GBA van 15 november 2013 bij zijn verklaring gevoegd. In dat uittreksel is inderdaad vermeld dat [gedaagde] op dat moment een geheim woonadres had. Voorts heeft de deurwaarder verklaard dat hij de dagvaarding aan dat geheime adres (blijkens het GBA uittreksel het woonadres van [gedaagde]) heeft betekend door achterlating in een gesloten envelop. Die wijze van betekening blijkt eveneens uit de betreffende dagvaarding. De rechtbank mag, gezien het feit dat de deurwaarder een krachtens de Gerechtsdeurwaarderswet beëdigde bijzonder ambtenaar is, afgaan op de juistheid van de in de dagvaarding door de deurwaarder beschreven betekeningswijze en de juistheid van zijn verklaring. De rechtbank stelt dan ook vast dat de dagvaarding van [eiseres] is betekend aan het woonadres van [gedaagde], zodat is voldaan aan de vereisten van artikel 47 Rv. Het verweer van [gedaagde] dat de dagvaarding van [eiseres] niet juist is betekend, wordt dan ook gepasseerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.25 Deze uitspraak ligt in de lijn van het betoog van Jongbloed in zijn annotatie bij de eerstgenoemde uitspraak. De in het exploot gerelateerde vermelding door de deurwaarder dat het exploot is betekend op het in de GBA vermelde (in het exploot afgeschermde) adres, levert dwingend bewijs op van de betekening aan dat GBA-adres. Tenzij er aanwijzingen zijn dat betrokkene daar niet (meer) woonachtig is, moet aldus van de rechtsgeldigheid van de betekening worden uitgegaan. Daarmee is nog niet de vraag beantwoord of het dagvaardingsexploot ook voldoet aan het woonplaatsvereiste van art. 45 lid 3 Rv (zie onder 3.10 e.v.), dus of het exploot naar zijn inhoud rechtsgeldig is. Die vraag komt hierna aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermelding van geheime adresgegevens in exploten vereist?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.26 Eerder is besproken dat gebreken in de dagvaarding alleen tot nietigheid leiden, indien aannemelijk is dat de dagvaarding betrokkene als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt of indien een verschenen gedaagde door het gebrek onredelijk is benadeeld (zie onder 3.8). De nietigheidsregeling voor exploten in het algemeen berust op hetzelfde beginsel: het komt erop aan of degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd (zie onder 3.9). Hieruit volgt dat de enkele omstandigheid dat in een (dagvaardings)exploot – in strijd met art. 45 lid 3 sub b respectievelijk sub d Rv – de adresgegevens van de verzoeker (eiser) of de geëxploteerde (gedaagde) niet zijn opgenomen, niet zonder meer tot nietigheid leidt, maar alleen indien de geëxploteerde daardoor onredelijk is benadeeld in het belang dat door het woonplaatsvereiste wordt beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.27 Het woonplaatsvereiste van art. 45 lid 3 Rv dient ter identificatie van de in het exploot genoemde personen (zie onder 3.10). In het algemeen zie ik geen grond om aan te nemen dat het achterwege laten van adresgegevens in een exploot leidt tot identificatieproblemen aan de zijde van de geëxploteerde (gedaagde). Normaliter zal op basis van de inhoud van het exploot (de namen van de betrokkenen en bijvoorbeeld de omschrijving van het geschil in een dagvaarding) voldoende duidelijk zijn welke personen daarin zijn bedoeld, ook zonder dat hun volledige adresgegevens zijn opgenomen. Ik merk hierbij op dat van de verzoeker (eiser) niet alleen diens achternaam, maar ook diens voornamen in het exploot moeten worden opgenomen (art. 45 lid 3 sub b Rv). In beginsel is er dus geen grond om uit het enkele ontbreken van adresgegevens in exploten af te leiden dat de geëxploteerde daardoor onredelijk is benadeeld in het ‘identificatiebelang’ dat door het woonplaatsvereiste wordt beschermd. In de besproken feitenrechtspraak heb ik daarvan ook geen voorbeelden aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.28 Denkbaar is dat in een concreet geval toch verwarring dreigt over de identiteit van de in het exploot genoemde personen, met name de eiser (vgl. de onder 3.14 genoemde oudere literatuur). Indien daarvoor aanwijzingen zijn, kan de rechter een herstelexploot bevelen op de voet van art. 66 lid 2 respectievelijk 121 lid 2 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.29 Voor het nietig verklaren van een dagvaarding op de voet van art. 121 lid 3 Rv, wegens het ontbreken van adresgegevens van eiser of gedaagde, zie ik geen grond. Het is immers niet aannemelijk dat een dagvaarding de gedaagde als gevolg van het ontbreken van die adresgegevens niet bereikt. Als de deurwaarder in het exploot heeft gerelateerd dat betekend is aan het in de basisregistratie opgenomen adres van de gedaagde, waarvan de gedaagde op de voet van art. 2.59 Wet BRP heeft verzocht dit niet te verstrekken aan derden, moet de rechter in beginsel uitgaan van de juistheid daarvan. De dagvaarding is immers een authentieke akte, die dwingend bewijs oplevert van hetgeen de deurwaarder daarin binnen de kring van zijn bevoegdheid heeft verklaard. Behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, lijkt het mij dan ook niet aannemelijk dat de dagvaarding betrokkene niet heeft bereikt als gevolg van het niet opnemen van de adresgegevens in de dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.30 Als gedaagde (in de hier bedoelde uitzonderingssituatie) in de procedure is verschenen of na veroordeling bij verstek verzet instelt, is op grond van art. 122 lid 1 Rv een eventuele nietigheid in beginsel ‘gedekt’, tenzij het gebrek de gedaagde onredelijk in zijn (verdedigings)belangen heeft geschaad. Daarvoor zie ik geen grond: voor zover na verschijning nog identificatieproblemen resteren, kunnen die in het geding worden opgehelderd. Van een (dreigende) aantasting in enig verdedigingsbelang als gevolg van het ontbreken van de adresgegevens in de dagvaarding is dan geen sprake (meer).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.31 Ik meen dan ook dat een exploot aan de eisen van art. 45 lid 3 Rv kan voldoen, ondanks het ontbreken van de vermelding daarin van de adresgegevens van de verzoeker (eiser) of de geëxploteerde (gedaagde). Dit sluit aan bij de opvattingen in de tuchtrechtspraak en literatuur, zoals deze golden tot aan de uitspraak van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het hof Amsterdam van 1 augustus 2017 (zie onder 6.11). De door de Commissie cassatie in het belang der wet in haar advies van 27 augustus 2018 opgeworpen vraag (zie onder 6.14) is hiermee beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.32 Voor de volledigheid merk ik nog op dat – zoals de Commissie ook opmerkt in haar advies – in dagvaardingen in beginsel wel de gemeente zal moeten worden vermeld waarin de gedaagde woonachtig is, zulks met het oog op de beoordeling van de relatieve bevoegdheid van de rechter. Onder omstandigheden kan ook de enkele vermelding van de woongemeente (zonder de specifieke adresgegevens) al inbreuk maken op de privacy of veiligheid van een betrokken verzoeker of geëxploteerde. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer betrokkene in een kleine gemeente in een blijf-van-mijn-lijfhuis woont. In dat geval zal de deurwaarder moeten relateren dat ook de woongemeente geheim moet blijven vanwege de privacy of veiligheid van betrokkene. Dat kan zo nodig in het exploot nader worden toegelicht. Uiteraard zal wel voldaan moeten zijn aan de voorwaarde dat er geen onduidelijkheid mag bestaan over de identiteit van betrokkene (vgl. onder 6.27 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.33 Overigens kan de betrokkene zich in de hier bedoelde gevallen laten inschrijven op een briefadres (vgl. art. 2.40 en 2.41 Wet BRP, besproken onder 5.17 e.v.). In dat geval wordt de feitelijke woonplaats – en dus ook de gemeente waarin die woonplaats gelegen is – niet geregistreerd, en kan die dus ook niet in het exploot worden gerelateerd. Op die situatie hebben de prejudiciële vragen betrekking, waarop ik nu nader inga.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Betekening aan het briefadres 7.1 De vraag of een dagvaarding op grond van art. 46 e.v. Rv rechtsgeldig kan worden betekend aan een briefadres, is in de rechtspraak van de Hoge Raad nog niet aan de orde geweest. Wel heeft de strafkamer van de Hoge Raad in 2015 geoordeeld dat een briefadres voor de toepassing van art. 588 Sv kan worden aangemerkt als “adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen” (in de zin van art. 588 lid 1 sub b, onder 1o, Sv), en daarmee als adres waaraan gerechtelijke mededelingen kunnen worden gedaan (in de zin van art. 585 e.v. Sv). Vanuit civielrechtelijk perspectief kunnen aan deze uitspraak geen dwingende conclusies worden verbonden, omdat de betekeningsregels van art. 46 e.v. Rv – anders dan art. 588 Sv – niet verwijzen naar de basisregistratie personen, maar juist uitgaan van een feitelijk, potentieel daarvan afwijkend woonplaatsbegrip (zie onder 4.3 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Feitenrechtspraak 7.2 In de feitenrechtspraak heerst verdeeldheid over de beantwoording van voornoemde vraag. In sommige uitspraken is aangenomen dat géén betekening kan plaatsvinden aan het briefadres. In andere uitspraken is daarentegen geoordeeld dat wél rechtsgeldig aan het briefadres kan - en zelfs moet – worden betekend. In een ontkennende uitspraak van het hof ‘s-Hertogenbosch is bijvoorbeeld als volgt overwogen: “Een dergelijk briefadres biedt onder omstandigheden weliswaar de mogelijkheid om beter bereikbaar te zijn (de betekening van het executoriaal beslag onder de Stichting [A] op 25 februari 2009 op dat adres heeft kennelijk wel tot een reactie van [X.] geleid), maar het is niet gelijk te stellen met een bekende woon- of verblijfplaats waar betekening moet plaatsvinden. Bij het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland resteert op grond van artikel 54 Rv alleen de mogelijkheid van een openbare betekening.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het argument om geen betekening aan het briefadres toe te staan is dus dat de wet dit niet mogelijk maakt en dat volgens de wet bij het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland op grond van art. 54 Rv alleen openbaar kan worden betekend. Ook in de andere uitspraken waarin betekening aan het briefadres niet is toegelaten, wordt dit argument gebruikt. Soms wordt daaraan nog toegevoegd dat het briefadres bovendien niet als een gekozen woonplaats (in de zin van art. 1:15 BW) kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Een tegenovergestelde opvatting is te vinden in bijvoorbeeld een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland: “6.2. Dit briefadres kan naar het oordeel van de kantonrechter worden aangemerkt als een gekozen woonplaats als bedoeld in artikel 1:15 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op [gedaagde in de vrijwaring] rust immers ingevolge artikel 2.38, eerste lid van de Wet basisregistratie personen de wettelijke verplichting om bij gebreke van een woonadres een briefadres op te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kantonrechter verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3323, NJ 2016, 19, waarin is beslist dat een dagvaarding op de voet van artikel 588 Sv onder omstandigheden moet worden betekend aan een briefadres. Wat betreft Rv heeft dan te gelden dat de deurwaarder op de voet van de betekeningsvoorschriften van artikel 47 Rv een afschrift van de dagvaarding in een gesloten enveloppe met daarop de wettelijk voorgeschreven vermeldingen op het briefadres kan laten wanneer hij op het briefadres niemand aantreft aan wie hij rechtsgeldig een afschrift van de dagvaarding kan laten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierin wordt het briefadres dus wél als gekozen woonplaats beschouwd, zodat aan dat adres kan en moet worden betekend. In sommige uitspraken wordt bovendien als argument gebruikt dat de kans dat betrokkene kennis neemt van het exploot bij openbare betekening vrijwel nihil is, terwijl het briefadres juist is gekozen om geschriften in ontvangst te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Literatuur 7.4 Van der Putten – die zelf verbonden is aan een gerechtsdeurwaarderskantoor – heeft het meest uitvoerig geschreven over de betekening aan het briefadres. Hij pleit nadrukkelijk voor betekening aan het briefadres. Zijn belangrijkste argument is dat die betekening in vergelijking met openbare betekening een betere waarborg biedt dat het exploot de geëxploteerde daadwerkelijk bereikt. Van der Putten acht het merkwaardig en ongewenst dat een dagvaarding openbaar moet worden betekend, terwijl de gedaagde heeft aangegeven op een briefadres bereikbaar te zijn: “Het lijkt vanzelfsprekend dat de wetgever heeft bedoeld dat aan een briefadres kan worden betekend. De belangrijkste stukken worden bij exploot betekend. Het ligt dan ook voor de hand, dat je onder voorwaarden ook zelf een plaats aan kunt wijzen waar dit gebeurt, ook al woon je daar feitelijk niet. Het zou ook merkwaardige gevolgen hebben als de civielrechtelijke betekening aan een briefadres niet is toegestaan. De burger geeft aan zijn gemeente op grond van een wettelijke verplichting of een door de wetgever redelijk geacht belang door, op welk adres hij voor de overheid bereikbaar is en dat hij op dat adres voor hem bestemde stukken in ontvangst laat nemen. De gemeente accepteert en registreert het adres als briefadres in de BRP zodat het voor bestuursorganen waaronder de deurwaarder zichtbaar is. Als de deurwaarder niet aan dit briefadres mag betekenen, resteert uitsluitend de openbare betekening. De burger zal de stukken niet zal ontvangen en er hoogstwaarschijnlijk geen kennis van nemen terwijl hij nu juist heeft aangegeven op een door hem gekozen adres bereikbaar te zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Van der Putten wijst er bovendien op dat de privacy van personen met een briefadres door openbare betekening wordt geschaad, doordat de deurwaarder een uittrekstel van het exploot in de Staatscourant plaatst, onder vermelding van het adres waar een afschrift van het exploot kan worden afgehaald. Hierdoor kan iedereen ervan op de hoogte raken dat er tegen betrokkene een procedure is gestart, vonnis gewezen of ten laste van hem beslag is gelegd. Van der Putten concludeert dat het briefadres – zo nodig met analoge toepassing van art. 1:15 BW – als gekozen woonplaats kan fungeren, zodat aan het briefadres betekend kan en moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Boudewijn is eveneens voorstander van betekening aan een briefadres, maar meent dat daarvoor op dit moment geen wettelijke basis bestaat. Hij pleit ervoor dat zo snel mogelijk een wettelijke regeling wordt gegeven, waarin tevens wordt voorzien in een aangepaste dagvaardingstermijn. Met het oog op de benodigde tijd om een dagvaarding ter kennis van de briefadreshouder te brengen, vindt Boudewijn de normale dagvaardingstermijn van één week (art. 114 Rv) te kort, en de dagvaardingstermijn voor openbare betekening van drie maanden (art. 115 lid 2 Rv) te lang. Hij stelt een dagvaardingstermijn van vier weken voor (vgl. art. 115 lid 1 Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 Volgens KBvG -preadviseurs Nijenhuis c.s. zou binnen de huidige kaders van art. 46 e.v. Rv een oplossing zijn dat behalve een openbaar exploot, een extra afschrift van het exploot wordt afgegeven of achtergelaten aan het briefadres.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 Ook Vestering en Wetzels menen dat aan het briefadres kan worden betekend, nu het briefadres kan worden aangemerkt als een gekozen woonplaats in de zin van art. 1:15 BW. Zij verwijzen daarbij naar de onder 7.3 aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 april 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8 Ook Rutten stelt zich op het standpunt dat een briefadres als een gekozen woonplaats kan worden aangemerkt. Ook hij noemt het argument dat met betekening aan het briefadres er veel meer kans is dat de betrokkene daadwerkelijk kennis neemt van het exploot, dan met een openbare betekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamer voor gerechtsdeurwaarders 7.9 De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders (de tuchtrechter in eerste aanleg) stelt zich op het standpunt dat voor betekening aan het briefadres geen wettelijke grondslag bestaat. De deurwaarder die kiest voor openbare betekening in plaats van voor betekening aan een briefadres, handelt daarom niet tuchtrechtelijk laakbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders ( KBvG ) 7.10 In de onderhavige procedure heeft de KBvG zich in de door haar ingediende schriftelijke opmerkingen hard gemaakt voor de aanvaarding van betekening aan het briefadres. Volgens de KBvG zou het merkwaardige en zelfs onwenselijke gevolgen hebben als betekening aan het briefadres níet is toegestaan. Door registratie van een briefadres geeft de burger te kennen dat hij op dat adres bereikbaar is en dat hij op dat adres voor hem bestemde stukken in ontvangst laat nemen. Na acceptatie door de gemeente wordt het briefadres opgenomen in de basisadministratie personen en daarmee zichtbaar voor de deurwaarder. Als de deurwaarder niet aan dit adres mag betekenen, resteert alleen de openbare betekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burger zal daar hoogst waarschijnlijk geen kennis van nemen, terwijl hij juist heeft aangegeven op een door hem gekozen briefadres bereikbaar te zijn. Verder wijst de KBvG op het belang van duidelijkheid over de onderhavige kwestie. Er is een groot belang bij deurwaarders om zekerheid te hebben over de vraag of aan het briefadres kan en moet worden betekend. Dat belang bestaat er niet alleen uit dat de betekeningsvoorschriften op juiste wijze worden nageleefd, mede in het belang van partijen. Ook met het oog op het tuchtrecht is het van belang dat deurwaarders weten hoe zij hiermee moeten omgaan. Met het belang van rechtszekerheid verdraagt zich in ieder geval niet, zo benadrukt de KBvG , dat individuele rechters nadere eisen stellen aan de openbare betekening als betrokkene zich op een briefadres heeft laten registeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Beschouwing Gemeenschappelijke doelstelling van de Wet BRP en de betekeningsvoorschriften: bereikbaarheid 8.1 Hiervoor is besproken dat de Wet BRP berust op het uitgangspunt, dat iedere ingezetene voor de overheid bereikbaar dient te zijn op een in de basisregistratie opgenomen woonadres of briefadres (zie onder 5.4). Het briefadres in de Wet BRP is er dus voor bedoeld om ervoor te zorgen dat personen die geen woonadres hebben (of om privacy- of veiligheidsredenen geen woonadres laten registreren in de basisadministratie), toch bereikbaar zijn voor de overheid. Zoals gezegd, heeft de gerechtsdeurwaarder bij het doen van exploten te gelden als overheidsorgaan in de zin van de Wet BRP (zie onder 5.31). Vanuit die hoedanigheid heeft de deurwaarder toegang tot adresgegevens uit de basisregistratie. Als wordt geabstraheerd van de betekeningsvoorschriften van art. 46 e.v. Rv, ligt het daarmee voor de hand om aan te nemen dat de deurwaarder bevoegd is om bij het betekenen van exploten gebruik te maken van een in de basisregistratie opgenomen briefadres. Zoals gezegd is bij de totstandkoming van de Wet BRP uitdrukkelijk op die mogelijkheid gewezen, en gaat ook de overheid zelf ervan uit dat aan het briefadres exploten kunnen worden betekend (zie onder 5.38 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Hierbij komt dat de Wet BRP verschillende waarborgen bevat, die er enerzijds toe dienen dat de kans op misbruik van het briefadres wordt verkleind, en anderzijds dat de briefadreshouder ook daadwerkelijk bereikt kan worden via het briefadres (zie onder 5.21 e.v.). Van belang is met name dat alleen in wettelijk omschreven situaties een briefadres mag worden geregistreerd, dat de briefadresgever toestemming moet geven om als zodanig te fungeren, en dat op de briefadresgever de plicht rust om ervoor te zorgen dat de op het briefadres ontvangen geschriften ook daadwerkelijk terechtkomen bij de briefadreshouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Daarmee is de kans dat een betrokkene op de hoogte raakt van een stuk dat betekend wordt aan het briefadres, vele malen groter dan bij openbare betekening (deze is vrijwel nihil, zie onder 3.34). Dat betekent dat vanuit het perspectief van bereikbaarheid van de betrokkene – het gemeenschappelijke doel van zowel de Wet BRP als de betekeningsvoorschriften (vgl. onder 3.18) –, betekening aan het briefadres verreweg de voorkeur heeft. Niet alleen zijn er verschillende waarborgen die eraan bijdragen dat de briefadreshouder op de hoogte raakt van stukken die aan zijn briefadres zijn betekend. Bovendien heeft de briefadreshouder – afgezien van gevallen van ambtshalve registratie op een briefadres (vgl. onder 5.15) – door opgave van een briefadres ook expliciet te kennen gegeven dat hij op dat adres bereikbaar is. Hij rekent dus bepaald niet op een openbare betekening (zo hij al van het bestaan van die mogelijkheid op de hoogte zou zijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4 Soms wordt ook de privacy van de geëxploteerde genoemd als bezwaar tegen de openbare betekening en argument vóór betekening aan het briefadres (zie onder 7.4). Dit argument lijkt niet sterk, gelet op het feit dat vrijwel niemand kennisneemt van de publicatie van de oproeping in de digitale Staatscourant (en de oproeping daaruit ook weer verdwijnt, althans de Staatscourant daar niet meer op doorzoekbaar is).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5 Wel biedt opname van een briefadres in de basisregistratie personen meer waarborgen aan betrokkene dat zijn woonadres niet bij derden bekend raakt. Een geheimhoudingsindicatie als bedoeld in art. 2.59 Wet BRP (een ‘geheim adres’) biedt zulke waarborgen niet, althans in veel mindere mate (zie onder 6.3). Zo beschouwd kan de erkenning van het briefadres als betekeningsadres bijdragen aan de bescherming van de privacy van de betrokkene, doordat hiermee een alternatief wordt geboden voor openbare betekening met vermelding van het geheime adres (of in elk geval de woongemeente) in het exploot.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6 De vraag is vervolgens hoe betekening aan het briefadres is in te passen in de betekeningsvoorschriften van art. 46 e.v. Rv. Daarbij zal ik eerst ingaan op de vraag of een exploot dat in plaats van de woonplaats van geëxploteerde een briefadres vermeldt, naar zijn inhoud rechtsgeldig is (in de zin van art. 45 lid 3 Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan een briefadres dienen als woonplaatsvermelding ex art. 45 lid 3 Rv?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7 Zoals besproken, is een briefadres alleen een bereikbaarheidsadres en zegt het niets over de woon- of verblijfplaats van de betrokkene (zie onder 5.10). Dat betekent dat een exploot waarin als adres van de verzoeker (eiser) of de geëxploteerde (gedaagde) een briefadres is opgenomen, alleen voldoet aan het woonplaatsvereiste van art. 45 lid 3 sub b respectievelijk sub d Rv, als het briefadres kan worden gekwalificeerd als een gekozen woonplaats in de zin van art. 1:15 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8 Aan de orde kwam dat een woonplaatskeuze in de zin van art. 1:15 BW hetzij moet berusten op een wettelijke verplichting, hetzij een vrijwillige keuze kan zijn. Bij een vrijwillige woonplaatskeuze moet aan drie voorwaarden zijn voldaan. De woonplaatskeuze moet (i) berusten op een schriftelijke overeenkomst, (ii) zijn aangegaan voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen, en (iii) een redelijk doel hebben (zie onder 4.7 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9 In het systeem van de Wet BRP zijn vijf categorieën van gevallen te onderscheiden, waarin een briefadres kan of moet worden gekozen (zie onder 5.13 e.v.). Voor personen in categorie (i), ingezetenen zonder woonadres, en in categorie (ii) stadsnomaden, geldt dat de verplichting tot het kiezen van een briefadres rechtstreeks voortvloeit uit de wet. Van deze categorieën van personen zou dus gezegd kunnen worden dat sprake is van een verplichte woonplaatskeuze in de zin van art. 1:15 BW, met dien verstande dat in categorie (ii) de woonplaatskeuze ambtshalve voor de betrokkene wordt gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.10 Bij de categorieën (iii), briefadres om privacy redenen, (iv) briefadres om veiligheidsredenen, en (v), zeevarenden, gaat het om gevallen waarin de betrokkene niet verplicht is om voor een briefadres te kiezen. Het lijkt mij niettemin verdedigbaar om in die gevallen uit te gaan van een ‘voorwaardelijke’, ‘indirecte’ of ‘subsidiaire’ verplichting tot woonplaatskeuze. De Wet BRP berust immers op het uitgangspunt dat iedere ingezetene zich laat registreren op een “adres”. Indien dat, om wat voor reden dan ook, geen woonadres kan of hoeft te zijn, moet een briefadres worden geregistreerd (zie onder 5.4). Zo beschouwd geldt ook voor deze categorieën van briefadressen dat zij (indirect) voortvloeien uit een wettelijke verplichting tot woonplaatskeuze, namelijk de verplichting om bij gebreke van een geregistreerde woonplaats een briefadres te kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.11 Het voordeel van de hier bepleite benadering is dat daarmee alle categorieën briefadressen op dezelfde wijze worden gekwalificeerd. Een mogelijke tegenwerping zou kunnen zijn dat daarmee de verplichte woonadreskeuze van art. 1:15 BW teveel wordt opgerekt. De vraag rijst dan of voor deze categorieën van personen het briefadres als een vrijwillige woonplaatskeuze in de zin van art. 1:15 BW kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12 Aan de ene kant kan worden vastgesteld dat strikt genomen geen sprake is van een schriftelijke overeenkomst van de geëxploteerde met zijn wederpartij, waarin hij voor een bepaalde rechtshandeling of rechtsbetrekking een woonplaatskeuze heeft gemaakt. Daar staat echter tegenover dat de inschrijving op een briefadres schriftelijk moet plaatsvinden, dat inschrijving op een briefadres alleen mogelijk is in de wet omschreven gevallen, dat schriftelijke instemming van de briefadresgever nodig is en op de briefadresgever een zorgplicht rust. Er zijn dus veel waarborgen om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van een briefadres (zie onder 5.21 e.v.). Nu het voorkomen van misbruik de reden is voor de wettelijke eisen aan een vrijwillige woonplaatskeuze (zie onder 4.8), staat de ratio van die wettelijke eisen niet in de weg aan het aanmerken van het briefadres als berustend op een vrijwillige woonplaatskeuze in de zin van art. 1:15 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13 Van groot belang hierbij is dat bij registratie van een briefadres in de bevolkingsadministratie geen enkel misverstand kan bestaan over het adres waarop betrokkene bereikbaar is. Van een onduidelijke woonplaatskeuze – wat art. 1:15 BW wil voorkomen – is dan ook zeker geen sprake; betrokkene heeft ‘voldoende duidelijk kenbaar gemaakt’ dat hij dáár zijn officiële post wil ontvangen (vergelijk het onder 4.9 besproken betoog van Huydecoper). Evenmin doet zich voor dat sprake is van een ‘al te willekeurige’ of ‘al te bezwarende’ woonplaatskeuze van betrokkene (vgl. de passages uit de wetsgeschiedenis bij art. 1:15 BW, geciteerd onder 4.8). Uiteraard mag er geen aanwijzing zijn dat het briefadres misbruikt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.14 Voor wat betreft het bepaaldheidsvereiste – de eis dat een vrijwillige woonplaatskeuze “voor een of meer bepaalde rechtshandelingen” geschiedt (art. 1:15 BW) – geldt het volgende. Van der Putten betoogt dat een briefadreskeuze in algemene zin mede ziet op de “rechtsbetrekking tussen burger en overheid”, waardoor in zijn visie reeds daardoor aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan. Ik betwijfel dat, omdat het bij de bepaaldheidseis van art. 1:15 BW gaat om een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen met een wederpartij (schuldeiser) van betrokkene. Aanvaarding van de mogelijkheid van betekening aan een briefadres betekent dat de briefadreshouder niet alleen voor de overheid in overheidsaangelegenheden, maar voor alle schuldeisers bereikbaar is op het briefadres. Zo beschouwd heeft deze mogelijkheid een veel ruimere strekking dan het type woonplaatskeuzes waaraan de wetgever bij de totstandkoming van art. 1:15 BW kennelijk heeft gedacht (vgl. onder 4.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.15 Dit bezwaar lijkt mij niet doorslaggevend. Art. 1:15 BW strekt, zoals gezegd, ter voorkoming van misbruik van een woonplaatskeuze. De gedachte is dat de gedomicilieerde geen onredelijk nadeel mag ondervinden van een door de wederpartij contractueel afgedwongen woonplaatskeuze, en omgekeerd dat de wederpartij geen al te willekeurige woonplaatskeuze door de gedomicilieerde mag worden opgedrongen (vgl. onder 4.8). Bij het briefadres doet een dergelijke misbruiksituatie zich niet voor: het briefadres is met zodanige wettelijke waarborgen omkleed, dat niet gesproken kan worden van een willekeurige woonplaatskeuze die aan de betrokkenen wordt ‘opgedrongen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.16 Hierbij komt dat als voor de categorieën (i) en (ii) wél aanvaard zou worden dat het briefadres geldt als een gekozen woonplaats in de zin van art. 1:15 BW – omdat sprake is van een wettelijk verplichte keuze –, maar dat dat anders ligt voor de categorieën (iii), (iv) en (v) – omdat niet voldaan zou zijn aan het vereiste van een schriftelijke overeenkomst en/of niet aan de bepaaldheidseis –, dat leidt tot een onwerkbaar systeem. De basisadministratie personen geeft namelijk geen informatie over de wettelijke grondslag voor de registratie van een briefadres (zie onder 5.20). Deurwaarders kunnen bij het betekenen van exploten dus niet weten in welke categorie het betrokken briefadres valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.17 De eis van art. 1:15 BW dat bij de vrijwillige woonplaatskeuze een redelijk belang moet bestaan, levert geen probleem op: duidelijk is dat bereikbaarheid het redelijke belang is bij de keuze voor een briefadres, al dan niet in samenhang met andere redelijke belangen, zoals privacy of veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.18 De conclusie is derhalve dat het briefadres als een gekozen woonplaats in de zin van art. 1:15 BW kan worden aangemerkt. Dat betekent dat een briefadres als woonplaats in de zin van art. 45 lid 3 sub b en sub d Rv kan gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is betekening aan een briefadres mogelijk/vereist ex art. 46 Rv?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.19 De consequentie van het voorgaande is dat, als de geëxploteerde in de basisregistratie personen staat ingeschreven op een briefadres, het exploot niet openbaar betekend mag worden: er is dan geen sprake van het “onbekend zijn” van de woonplaats en het werkelijk verblijf van betrokkene (art. 54 lid 2 Rv). De deurwaarder zal dus aan het briefadres – als gekozen woonplaats in de zin van art. 1:15 BW – moeten betekenen, tenzij hij aanwijzingen heeft dat het briefadres niet (meer) juist is en de stukken betrokkene niet zullen bereiken bij betekening aan het briefadres.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.20 De betekening aan het briefadres lijkt sterk op de kantoorbetekening van art. 63 lid 1 Rv, die de mogelijkheid biedt exploot te doen aan een lasthebber van de geëxploteerde (een advocaat of deurwaarder). De op de advocaat of deurwaarder rustende verplichting om te bevorderen dat het exploot de geëxploteerde tijdig bereikt (zie onder 3.46), is vergelijkbaar met de zorgplicht die op grond van art. 2.45 lid 3 Wet BRP op de briefadresgever rust (zie onder 5.22 e.v.). Ook is een parallel te trekken met de mogelijkheid van art. 46 lid 1 Rv, om een afschrift van het exploot te laten aan de woonplaats van de geëxploteerde, aan een huisgenoot of een ander daar aanwezig persoon van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift de geëxploteerde tijdig bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij gaat het erom of de deurwaarder erop mag vertrouwen dat de ontvanger het exploot (tijdig) ter hand zal stellen aan de geëxploteerde (zie onder 3.28). Bij betekening aan het briefadres zal voldaan zijn aan dit vereiste van vertrouwen, nu de briefadreshouder heeft aangegeven – althans verondersteld mag worden (in geval van ambtshalve registratie op een briefadres) – op dit adres bereikbaar te zijn, de briefadresgever daarmee heeft ingestemd en de briefadresgever een zorgplicht heeft om te bevorderen dat het ontvangen afschrift van het exploot betrokkene tijdig bereikt. Net als bij kantoorbetekening kan met analoge toepassing van art. 47 Rv aan het briefadres worden betekend door achterlating van een gesloten envelop of bezorging per post (zie onder 3.47).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee past betekening aan een briefadres in het systeem van de wettelijke betekeningsvoorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.21 De vraag is nog of bij betekening van dagvaardingen aan een briefadres de gewone dagvaardingstermijn van ten minste één week geldt (art. 114 Rv). Die termijn kan bij betekening aan een briefadres krap zijn voor de gedaagde (de briefadreshouder), vanwege de tijd die de briefadresgever nodig kan hebben om hem te bereiken (vgl. het onder 7.5 besproken standpunt van Boudewijn). Hierbij is van belang dat de dagvaardingstermijn er mede toe strekt de gedaagde de benodigde tijd te gunnen om zijn verdediging voor te bereiden (zie onder 3.20).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.22 Hoewel geen van de prejudiciële vragen op de termijn van dagvaarding is gericht, zou de Hoge Raad hierover ambtshalve een oordeel kunnen geven. Overeenkomstig het al genoemde betoog van Boudewijn (die zelf overigens een wetswijziging bepleit), zou analoge toepassing kunnen worden gegeven aan de dagvaardingstermijn van vier weken, zoals neergelegd in art. 115 lid 1 en 116 lid 1 Rv voor andere, meer ‘afstandelijke’ betekeningsvormen. Een alternatief zou kunnen zijn om, met analoge toepassing van art. 119 lid 1 jo. 56 lid 2 sub a Rv, te oordelen dat bij betekening aan een briefadres de dagvaardingstermijn gerekend wordt vanaf de dag waarop het afschrift van het exploot door de briefadresgever aan de briefadreshouder is verzonden c.q. overhandigd. Het is echter de vraag of dit tijdstip in de praktijk gemakkelijk te achterhalen is voor de deurwaarder en zijn opdrachtgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.23 Mijns inziens hoeft de normale dagvaardingsstermijn van één week, gerekend vanaf het uitbrengen van het exploot, in de praktijk geen onoverkomelijke problemen op te leveren voor de gedaagde die op een briefadres is gedagvaard. Mocht gedaagde op de eerstdienende dag niet verschijnen doordat de briefadresgever hem in die week niet heeft kunnen bereiken, dan zal de zaak volgens het geldende Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken vier weken worden aangehouden voor het wijzen van verstekvonnis. In die periode kan de gedaagde alsnog verschijnen en het verstek zuiveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.24 Ten slotte merk ik nog het volgende op. Een andere, minder vergaande oplossing voor de problematiek van het briefadres zou zijn dat als een gedaagde in de basisregistratie personen staat ingeschreven op een briefadres, de gewone openbare betekening van art. 54 lid 2 Rv moet plaatsvinden, maar dat óók een afschrift van het exploot per post moet worden gezonden naar het briefadres van gedaagde. Deze benadering – die in de onderhavige zaak is gekozen door de gemachtigde DSW (zie onder 1.6 e.v.) – is in lijn met de rechtspraak die is besproken onder 3.39 e.v. Volgens die rechtspraak moet een eiser die een dagvaarding openbaar laat betekenen, terwijl hij beschikt over contactgegevens van de gedaagde, met gebruikmaking van die contactgegevens waar mogelijk alsnog bewerkstelligen dat de dagvaarding de gedaagde daadwerkelijk bereikt. Deze oplossing heeft echter niet mijn voorkeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Voorstel voor beantwoording van de prejudiciële vragen 9.1 De eerste vraag is of een door een persoon in de BRP opgegeven briefadres als gekozen woonplaats als bedoeld in artikel 1:15 BW geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Het antwoord op deze vraag is bevestigend. Voor sommige categorieën van personen die zich op een briefadres laten registreren in de basisadministratie personen, geldt dat zij daartoe op grond van de Wet BRP verplicht zijn. Daarmee is voldaan aan de vereisten van art. 1:15 BW. Voor de andere categorieën van personen die zich op een briefadres kunnen laten registreren, geldt dat die registratie in beginsel berust op een vrijwillige keuze. Ook voor deze categorieën zou niettemin gesproken kunnen worden van een verplichting tot woonplaatskeuze, omdat de Wet BRP voorschrijft dat bij gebreke van een geregistreerd woonadres registratie op een briefadres moet plaatsvinden (zie onder 8.10). Voor zover geen verplichting tot het registreren van een briefadres bestaat, kan mijns inziens van een vrijwillige woonplaatskeuze worden gesproken. Voor deze categorieën wordt weliswaar strikt genomen niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor een vrijwillige woonplaatskeuze als bedoeld in art. 1:15 BW (schriftelijke of elektronische overeenkomst, voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen). Nu echter wel wordt voldaan aan de ratio van die vereisten – geen dreigend misbruik, geen onduidelijkheid, geen opgedrongen keuze – is het briefadres op één lijn te stellen met de vrijwillige woonplaatskeuze van art. 1:15 BW (zie onder 8.12 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 De tweede vraag is of, bij een bevestigende beantwoording van de eerste vraag, exploten op grond van artikel 46 Rv dienen te worden betekend op dit adres.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Het antwoord op deze vraag is eveneens bevestigend. Als wordt aanvaard dat een in de basisregistratie personen opgenomen briefadres een gekozen woonplaats in de zin van art. 1:15 BW oplevert, betekent dat dat in beginsel op het briefadres moet worden betekend (zie onder 8.19 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5 Het verdient mijns inziens aanbeveling dat de Hoge Raad zich in dit verband tevens uitlaat over de vraag of bij betekening aan het briefadres de gewone dagvaardingstermijn van een week geldt, dan wel een andere termijn of een afwijkend aanvangstijdstip. Mijns inziens kan met de gewone dagvaardingstermijn en het gewone aanvangstijdstip worden volstaan (zie onder 8.22 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6 Tevens zou de Hoge Raad kunnen verduidelijken dat als in de basisregistratie personen een geheimhoudingsindicatie bij het adres van gedaagde is opgenomen – of dit nu een woonadres of een briefadres is – het exploot niettemin kan voldoen aan de eisen van art. 45 lid 3 Rv, ook al zijn de adresgegevens niet in het exploot opgenomen. Dit geldt tevens als ook de woongemeente niet in het exploot is opgenomen, omdat aannemelijk is dat ook die geheim moet worden gehouden (zie onder 6.26 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7 De derde vraag is of, bij een bevestigende beantwoording van de tweede vraag, deze gekozen woonplaats ook (uitsluitend) de rechter van deze woonplaats bevoegd maakt om kennis van het geschil te nemen zoals bedoeld in artikel 99 Rv?</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8 Het antwoord op deze vraag is eveneens bevestigend (zie onder 4.13).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.9 De vierde vraag luidt, voor het geval de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord, of een openbare betekening van het exploot als bedoeld in artikel 54 lid 2 Rv voldoende is, of dat er bij een bekend briefadres en/of andere bekende gegevens (zoals bijvoorbeeld een e-mailadres) nadere eisen moeten en/of kunnen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.10 Deze vraag behoeft geen beantwoording meer, nu de tweede vraag niet ontkennend is beantwoord. Dit laat onverlet dat degene op wiens verzoek een dagvaarding openbaar wordt betekend, ertoe gehouden is om, als dat mogelijk is, alsnog te bewerkstelligen dat de dagvaarding de gedaagde daadwerkelijk bereikt (zie onder 3.39 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">10Conclusie De conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen zoals hiervoor weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Rechtbank Rotterdam 6 december 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:10039, NJF 2019/138.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Rotterdam 28 september 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:8350, NJF 2018/601.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland (ktr.) 20 april 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2460, JBPR 2016/71, m.nt. S.J.W. van der Putten, hierna besproken onder 7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Commissie cassatie in het belang der wet, Advies aan de procureur-generaal d.d. 6 oktober 2017 – verslag over de zevende periode (beschikbaar via &lt;www.rechtspraak.nl&gt;), p. 6-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Commissie cassatie in het belang der wet, Advies aan de procureur-generaal d.d. 27 augustus 2018 – verslag over de achtste periode (beschikbaar via &lt;www.rechtspraak.nl&gt;), p. 7-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">W. Heemskerk en K. Teuben, Hugenholtz/Heemskerk. Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy 2018,, nr. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie toegespitst op de deurwaarder, over “de kring van zijn bevoegdheid”, MvT-RO, Parl. Gesch. Nieuw bewijsrecht (1988), p. 142.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2015), aant. 6. Vgl. ook reeds onder het oude recht Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 1, aant. 7 (p. 26); en M. Teekens, De Gerechtsdeurwaarder, Deventer: Kluwer 1973, p. 60-61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze gelaagde structuur MvT, Parl. Gesch. Burg. Procesrecht (2002), p. 197.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT, Parl. Gesch. Burg. Procesrecht (2002), p. 216.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2018), aant. 5 en art. 65 Rv (2018), aant. 2b, onder verwijzing naar MvT, Parl. Gesch. Burg. Procesrecht (2002), p. 216 (m.b.t. het vormvereiste van art. 45 lid 3 sub a Rv). Voor exploten van dagvaarding volgt deze sanctie uit art. 120 lid 1 jo. 111 lid 2 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2015), aant. 23. Vgl. ook reeds onder het oude recht HR 1 april 1955, ECLI:NL:HR:1955:122, NJ 1955/555; en Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 5, aant. 6 (p. 150) en aant. 8 (p. 154).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2015), aant. 7; en A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2018), aant. 2f (m.b.t. het betekeningsvoorschrift van art. 46 Rv). Zie voorts bijv. HR 23 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3980, NJ 2001/693 (Van Goozen/Verhoef c.s.), rov. 2.3 (m.b.t. het betekeningsvoorschrift van art. 63 Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2015), aant. 17 en 23; T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 120 Rv (2018), aant. 2; en A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2018), aant. 5. Vgl. ook HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0996, NJ 1990/689, m.nt. J.C. Schultsz (Van der Elst/Pierson c.s.), rov. 3.2 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:668, NJ 2016/223 (Getronics/Top), rov. 3.4.2 (m.b.t. de vormvereisten van art. 45 lid 3 sub b en d Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een toepassing bijvoorbeeld HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8362, NJ 2003/469 (Solleveld/G.M.L. c.s.), rov. 2.2-2.3; en HR 28 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5283, NJ 2009/514, m.nt. H.J. Snijders (Bogers/Prop), rov. 2. Zie voorts bijv. T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 120 Rv (2018), aant. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 120 lid 4 Rv maakt een uitzondering voor de substantiërings- en bewijsaandraagplicht van art. 111 lid 3 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Nota, Parl. Gesch. Burg. Procesrecht (2002), p. 306, waar wordt toegelicht dat is gekozen voor harmonisatie met de in de Awb gebruikte formulering. Zie voorts bijv. M. van de Hel-Koedoot, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 122 Rv (2018), aant. 3; en T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 122 Rv (2018), aant. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover bijv. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/72; W. Heemskerk en K. Teuben, Hugenholtz/Heemskerk. Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy 2018, nr. 61; en T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 122 Rv (2018), aant. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2593, NJ 2007/118 (X./Ontvanger), rov. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. J.J.L. Boudewijn, ‘Hoofdstuk 4 Het betekenen van exploten (nationaal)’, in: A.W. Jongbloed en A.L.H. Ernes, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, Deventer: Kluwer 2014, p. 83-84; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2015), aant. 23; J.W. Westenberg, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 45 Rv (2017), aant. C.7 en C.9; T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 111 Rv (2018), aant. 4; en A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2018), aant. 4d-4e en 4h. Vgl. ook reeds onder het oude recht Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 5, aant. 4 (p. 115).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor dit laatste M. Teekens, De deurwaarder (diss. Leiden), Leiden 1954, p. 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2015), aant. 23; en J.W. Westenberg, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 45 Rv (2017), aant. C.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2015), aant. 23; en T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 111 Rv (2018), aant. 4. Vgl. ook HR 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0139, NJ 1983/776, m.nt. W.H. Heemskerk onder 777 (Mercurius/Slotboom), en de bijbehorende conclusie van P-G Berger: de rechter is niet gehouden ambtshalve de juistheid van de in de dagvaarding vermelde woonplaats van de eiser te controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus onder het oude recht Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 5, aant. 8 (p. 154-155).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wijzen P.G. Vestering en W.J.J. Wetzels, SDU Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, art. 45 en 111 Rv (2017), aant. C.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. Rb. Den Haag 29 mei 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3082, NJF 2013/323, rov. 2.6 e.v. (een verzetprocedure): nu ten tijde van de dagvaarding geen woon- of verblijfplaats van de gedaagde bekend was en eiseres in het buitenland gevestigd is, is de rechtbank ex art. 109 Rv relatief bevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Rb. Groningen (vzr.) 7 maart 2011, ECLI:NL:RBGRO:2011:BV6091, NJF 2012/136, rov. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. anders Rb. Arnhem 24 november 2010, ECLI:NL:RBARN:2010: BO6162, Prg. 2011/19, hierna besproken onder 6.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2015), aant. 23; J.W. Westenberg, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 45 Rv (2017), aant. C.7 en C.9; A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2018), aant. 4e en 4h; en J.H. Rutten, ‘11 Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 244 e.v. Vgl. ook reeds onder het oude recht Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 5, aant. 6 (p. 151) en aant. 8 (p. 154).</p>\n<p class=\"lf-p\">J.H. Rutten, ‘11 Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 245.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. J.J.L. Boudewijn, ‘Hoofdstuk 4 Het betekenen van exploten (nationaal)’, in: A.W. Jongbloed en A.L.H. Ernes, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, Deventer: Kluwer 2014, par. 4.2.3; T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 111 Rv (2018), aant. 4. Anders A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2018), aant. 4e, waar wordt betoogd dat men “aan een woning en niet aan een gemeente moet denken”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 5, aant. 6 (p. 151 en voetnoot 8 op p. 152); en M. Teekens, De deurwaarder (diss. Leiden), Leiden 1954, p. 92. Vgl. ook de NJ-annotatie van W.H. Heemskerk bij HR 12 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC2296, NJ 1979/290 (Bosschart/De Jong c.s.), die erop wijst dat de woonplaats van de eiser meestal slechts met de naam van de gemeente wordt aangeduid, hoewel art. 1:10 BW met “woonplaats” niet alleen de woongemeente, maar ook het woonadres bedoelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2015), aant. 23; J.W. Westenberg, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 45 Rv (2017), aant. C.9; en A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 (2018), aant. 4e en 4h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onder het oude recht HR 6 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB9561, NJ 1988/209, m.nt. W.H. Heemskerk (Molenschot/Molenschot), rov. 2: nu verweerder in cassatie verstek had laten gaan in appel, kon de cassatiedagvaarding niet worden betekend aan diens advocaat in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. J.J.L. Boudewijn, ‘Hoofdstuk 4 Het betekenen van exploten (nationaal)’, in: A.W. Jongbloed en A.L.H. Ernes, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, Deventer: Kluwer 2014, p. 83; T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 111 Rv (2018), aant. 4; en M. van de Hel-Koedoot, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering (2018), art. 76 Rv, aant. 2, art. 80 Rv, aant. 4 en art. 111 Rv, aant. 3a. Vgl. ook reeds onder het oude recht Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 5, aant. 6 (p. 151).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2015), aant. 23; en A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2018), aant. 4e en 4h.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC2296, NJ 1979/290, m.nt. W.H. Heemskerk (Bosschart/De Jong c.s.). Zie over dit doel ook A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Zwolle 1998, p. 147; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 (2015), aant. 1; en T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 111 Rv (2018), aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.H. Rutten, Betekenen van exploten, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 240; J. Nijenhuis e.a., Openbare exploten en ambtelijke publicaties (preadvies KBvG ), 2011, p. 13 en 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus (toegespitst op exploten van dagvaarding) HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1929, RvdW 2016/910 (Big Apple/Ontvanger), rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus m.b.t. het betekeningsvoorschrift van art. 4, 8o oud Rv HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1982, NJ 1997/26 (Nieuwersteeg/Colonia Versicherungs AG c.s.), rov. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Termijnen voor oproeping en verschijnen onder KEI’, TCR 2016, p. 64. Zie in gelijke zin bijv. A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1998, p. 181. Vgl. ook reeds onder het oude recht Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 7, aant. 2 (p. 193).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1982, NJ 1997/26 (Nieuwersteeg/Colonia Versicherungs AG c.s.), rov. 3.4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2015), aant. 3; Snijders/Klaassen/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht. Deventer: Kluwer 2017, nr. 136; W. Heemskerk en K. Teuben, Hugenholtz/Heemskerk. Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy 2018, nr. 53; en A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2018), aant. 2. Vgl. ook reeds onder het oude recht Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 2, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Zwolle 1998, p. 144 e.v.; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2015), aant. 4; A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2018), aant. 2d; J.H. Rutten, ‘11 Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag: Sdu 2018, p. 244 e.v. Vgl. ook reeds onder het oude recht M. Teekens, De deurwaarder (diss. Leiden), Leiden: Sijthoff 1954, p. 99; en Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 1, aant. 10 (p. 45).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de onderzoeksplicht bij openbare betekening ex art. 54 lid 2 Rv hierna onder 3.37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 7.4 van het KBvG -Reglement Normen voor Kwaliteit (te raadplegen via &lt;https://www. kbvg .nl/2731/verordening- kbvg -normen-voor-kwaliteit.html&gt;): “Bij het betekenen van een exploot beschikt de gerechtsdeurwaarder over BRP en/of KvK gegevens die niet ouder zijn dan twee weken, tenzij de gerechtsdeurwaarder ermee bekend is dat de gegevens waar hij over beschikt correct zijn, ondanks dat deze ouder zijn dan twee weken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Zwolle 1998, p. 144; J.J.L. Boudewijn, ‘Hoofdstuk 4 Het betekenen van exploten (nationaal)’, in: A.W. Jongbloed en A.L.H. Ernes, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, Deventer: Kluwer 2014, p. 84; J.W. Westenberg, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 46 Rv (2017), aant. C.3; A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2018), aant. 2d; en J.H. Rutten, ‘11 Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 247. Vgl. ook reeds onder het oude recht de conclusie van A-G Ten Kate voor HR 25 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG5119, NJ 1986/473, m.nt. W.L. Haardt onder 474 (Drop/Deouas), sub 11 en 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader onder 4.3 over het feitelijke karakter van het woonplaatsbegrip.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA II, Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 48-49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 26 februari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3844, rov. 6.1. Zie ook Hof Amsterdam 23 februari 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL6149, rov. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwaren 29 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2061, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvA I, Parl. Gesch. Burg. Procesrecht (2002), p. 2000. Zie voorts bijv. A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2015), aant. 8; en J.W. Westenberg, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 46 Rv (2017), aant. C.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. Teekens, De deurwaarder (diss. Leiden), Leiden 1954, p. 104-105.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 december 1977, ECLI:NL:HR:1977:AD6874, NJ 1978/576, m.nt. W.H. Heemskerk (Ter Berg/Ciecierski).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. M. Freudenthal, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 54 Rv (2014), aant. C.1.2; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 54 (2015), aant. 4; J.H. Rutten, ‘11 Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 273; en A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 54 Rv (2018), aant. 4f.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 november 1953, ECLI:NL:HR:1953:4, NJ 1955/396, m.nt. D.J. Veegens, overwegingen n.a.v. het derde middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Nijenhuis e.a., Openbare exploten en ambtelijke publicaties (preadvies KBvG ), 2011, p. 29-30.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Nijenhuis e.a., Openbare exploten en ambtelijke publicaties (preadvies KBvG ), 2011, p. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Nijenhuis e.a., Openbare exploten en ambtelijke publicaties (preadvies KBvG ), 2011, p. 14-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, p. 23 en 30-31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 11 februari 2015 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met bekendmakingen aan personen zonder bekende woon- of verblijfplaats, Stb. 2015/82 (iwtr. 4 mei 2015, Stb. 2015/175).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33 956, nr. 3, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33 956, nr. 3, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het advies van de Raad voor de rechtspraak van 7 oktober 2013, bijlage bij MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33 956, nr. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.J.L. Boudewijn, ‘Preadvies openbare exploten en ambtelijke publicaties’, TvPP 2011 (afl. 6), p. 179.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Zwolle 1998, p. 143; J.J.L. Boudewijn, ‘Preadvies openbare exploten en ambtelijke publicaties’, TvPP 2011 (afl. 6), p. 180; S.J.W. van der Putten, ‘Het briefadres als gekozen woonplaats’, BER 2017/142, p. 34-35; en J.H. Rutten, ‘11 Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 270. Vgl. ook reeds onder het oude recht R.P. Cleveringa, ‘Oproepperikelen’, RMTh 1951, p. 95, die spreekt over “een vrij stuntelig voorschrift” en ervoor pleit het toepassingsgebied van de openbare betekening “zo eng mogelijk te houden”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. reeds HR 4 november 1926, NJ 1927/403: openbare betekening is slechts rechtsgeldig indien een bekend verblijf op het tijdstip van de betekening ontbreekt, hetgeen eiser bij betwisting zal moeten bewijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Zwolle 1998, p. 162; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 54 Rv (2015), aant. 2; M. Freudenthal, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 54 Rv (2014), aant. C.1.1; A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 54 Rv (2018), aant. 2d; en J.H. Rutten, ‘11 Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 271. Vgl. ook reeds onder het oude recht H.G. Ubbink, ‘Plicht tot onderzoek bij openbare dagvaarding’, NJB 1952, p. 515-519; en Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 4, aant. 9 (p. 100).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33 956, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 november 1953, ECLI:NL:HR:1953:4, NJ 1955/396, m.nt. D.J. Veegens, overwegingen n.a.v. het tweede en het derde middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 mei 1958, ECLI:NL:HR:1958:212, NJ 1961/552, m.nt. D.J. Veegens, overwegingen n.a.v. het tweede middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">D.J. Veegens, NJ 1955/396, p. 726.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.P. Cleveringa, ‘Oproepperikelen’, RMTh 1951, p. 96.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.P. Cleveringa, ‘Oproepperikelen’, RMTh 1951, p. 100.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Zwolle:1998, p. 162; en A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 54 Rv (2015), aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. ’s-Hertogenbosch 4 oktober 2006, ECLI:NL:RBSHE:2006:AY9451, rov. 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3078, NJ 2010/111, m.nt. P. Vlas (Demerara/Karl Heinz Haus), rov. 2.3: bij kantoorbetekening ex art. 63 Rv kan betekening op de voet van verordening (EG) nr. 1393/2007 achterwege blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9611, NJ 2003/568 ([…] / […]), rov. 2.3. Zie hierover onder meer J.J.L. Boudewijn, ‘Hoofdstuk 4 Het betekenen van exploten (nationaal)’, in: A.W. Jongbloed en A.L.H. Ernes, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, Deventer: Kluwer 2014, par. 4.16; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 63 Rv (2018), aant. 7; en J.H. Rutten, ‘11 Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 260.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 47 Rv (2013), aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recentelijk (26 maart 2019) is een wetsvoorstel ingediend om het KEI-procesrecht bij de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland weer in te trekken (Kamerstukken 35 175, Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 30a Rv (2018), aant. 4; en J.H. Rutten, ‘Beginnen met KEI. Procesinleiding en oproepingsbericht in de civiele vorderingsprocedure’, TCR 2018, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT, Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 30a Rv (2018), aant. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 120 Rv (2018), aant. 11. Vgl. over de toepassing van art. 120 e.v. KEI-Rv op gebreken in de procesinleiding en het oproepingsbericht J.H. Rutten, ‘Beginnen met KEI. Procesinleiding en oproepingsbericht in de civiele vorderingsprocedure’, TCR 2018, p. 19-20.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2628, NJ 2017/419, m.nt. A.I.M. van Mierlo (De Klerk c.s./Hautvast), rov. 2.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de NJ-annotatie van A.I.M. van Mierlo, NJ 2017/419, sub 3 en 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Termijnen voor oproeping en verschijnen onder KEI’, TCR 2016, p. 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer in algemene zin wordt wel betoogd dat het begrip “woonplaats”, in ongeacht welk wettelijk voorschrift, met inachtneming van art. 1:10 e.v. BW moet worden uitgelegd, tenzij het tegendeel blijkt. Zie G.R. de Groot, GS Personen- en familierecht, Inleiding Titel 3 Boek 1 BW, aant. 3, onder verwijzing naar HR 13 maart 1914, NJ 1914/627 (Broos/Ontvanger).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 74 oud BW luidde: “Een ieder wordt geacht zijne woonplaats te hebben alwaar hij zijn hoofdverblijf heeft gevestigd. Bij gebreke van zoodanige woonplaats, wordt de plaats des werkelijken verblijfs daarvoor gehouden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR (Strafkamer) 19 januari 1880, W (1880) 4475, overwegingen n.a.v. het eerste middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/De Boer I* 2010/54; G.R. de Groot, GS Personen- en familierecht, art. 1:10 BW (2015), aant. 1.1; S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, Deventer 2018, nr. 18; A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht (Studiereeks Burgerlijk Recht nr. 1), Deventer 2018, nr. 25; en A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2018), aant. 4e.</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/De Boer 1* 2010/55. Vgl. enigszins anders G.R. de Groot, GS Personen- en familierecht, art. 1:10 BW (2015), aant. 1.1, waar als “algemene regel” wordt gepresenteerd dat iemands woonstede is gelegen in de gemeente waar hij in het persoonsregister is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Zwolle 1998, p. 144 en 146 e.v.; J.J.L. Boudewijn, ‘Het betekenen van exploten (nationaal)’, in: A.W. Jongbloed en A.L.H. Ernes, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, Deventer: Kluwer 2014, p. 84; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2015), aant. 23 en art. 46 Rv (2015), aant. 4; J.W. Westenberg, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 46 Rv (2017), aant. C.3; A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2018), aant. 4e, art. 46 Rv (2018), aant. 2d en art. 47 Rv (2018), aant. 1; en J.H. Rutten, ‘11 Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 246-247. Zie ook reeds onder het oude recht Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 1, aant. 10 (p. 47, voetnoot 14).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Rb. Utrecht 12 november 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BG4165, NJF 2009/54, rov. 5.2; Rb. ’s-Gravenhage 31 augustus 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1182, JPF 2009/151; Rb. Amsterdam 12 april 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM7559, rov. 13; Hof Arnhem-Leeuwarden 29 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2061, rov. 3.4; en Rb. Den Haag 29 mei 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3082, NJF 2013/323, rov. 2.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA II, Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 48-49 (vgl. ook VV II, Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 47, voor de vragen waarop de minister hier reageert).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Zwolle 1998, p. 144-145; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2015), aant. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/De Boer I* 2010/53. Deze definitie was in iets andere bewoordingen ook al te vinden in Asser/Asser I 1885, p. 111, evenals in de daarop volgende bewerkingen van P. Scholten (vanaf 1908), J. Wiarda (vanaf 1957) en J. de Ruiter (vanaf 1974). Asser/Wiarda 1 1957, p. 28 betoogde overigens dat het woonplaatsbegrip wel als rechtsbegrip, maar niet als fictie of vermoeden moet worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/De Boer I* 2010/55; en A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 45 Rv (2018), aant. 4e. Vgl. ook reeds onder het oude recht Asser/Wiarda 1 1957, p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/De Boer I* 2010/55; G.R. de Groot, GS Personen- en familierecht, art. 1:10 BW (2015), aant. 3; en S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, Deventer: Kluwer 2018, nr. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/De Boer I* 2010/62.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, Deventer 2018, nr. 20 (m.b.t. de vrijwillig gekozen woonplaats).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/De Boer I* 2010/62; G.R. de Groot, GS Personen- en familierecht, art. 1:15 BW (2015), aant. 1-3; en S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, Deventer 2018, nr. 20-21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Asser/De Boer I* 2010/53, waar wordt betoogd dat de gekozen woonplaats, anders dan de werkelijke woonplaats, slechts betrekking heeft op “bijzondere rechtshandelingen en rechtsbetrekkingen”. Vgl. ook A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 (2015), aant. 6, die spreken over de “beperkte werking” van een woonplaatskeuze. Vgl. ook J.W. Westenberg, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 46 (2017), aant. C.6, die opmerkt “dat een woonplaatskeuze voor een bepaalde aangelegenheid zonder meer niet met zich brengt dat ook voor andere aangelegenheden de geadresseerde aan de gekozen woonplaats mag worden gedagvaard.”</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA II, Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van A-G Huydecoper voor HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1813, RvdW 2009/116, sub 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1998, p. 146; G.R. de Groot, GS Personen- en familierecht, art. 1:15 BW (2015), aant. 4; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 (2015), aant. 6; J.W. Westenberg, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 46 (2017), aant. C.6; en A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2018), aant. 2d. Vgl. ook reeds onder het oude recht Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 1, aant. 10 (p. 45).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 10 mei 1912, W (1912) 9354 (Snoey Kiewit/Meulemans).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 (2015), aant. 6. Zie in gelijke zin A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Zwolle 1998, p. 146.</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/Wiarda I 1957, p. 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/De Boer 1* 2010/63; G.R. de Groot, GS Personen- en familierecht, art. 1:15 BW (2015), aant. 5; en M.J.C. Koens, T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 1:15 BW (2019), aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. G.R. de Groot, GS Personen- en familierecht, art. 1:15 BW (2015), aant. 4; M.J.C. Koens, T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 1:15 BW (2019), aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 3 juli 2013, Stb. 315.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 9 juni 1994, Stb. 494.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 17 april 1887, Stb. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 4, 5 en 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor meer informatie het rapport ‘Niet te stoppen: onderzoeksrapport over de aansturing en besluitvorming omtrent de operatie Basisregistratie Personen (BRP)’, bijlage bij Kamerstukken II, 27 859, nr. 124. Zie hierover de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 27 juni 2017, Kamerstukken II 2016/17, 27 859, nr. 105, p. 3; de brief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 10 juli 2018, Kamerstukken II 2017/18, 27 859, nr. 127, p. 1. In deze laatste brief schrijft de minister dat er eerst politiek-bestuurlijke en beleidsmatige duidelijkheid moet komen over de toekomst van de BRP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Handleiding Uitvoeringsprocedures (HUP), versie 3.2 d.d. 30 januari 2019 (te raadplegen via &lt;www.rvig.nl/brp/hup&gt;), p. 7-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 31. Vgl. ook MvT (Wet GBA), Kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, p. 3, 5 en 6; en Circulaire ‘BRP en briefadres’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (2016-0000656211), p. 1: “De essentie van de BRP en het bijhouden daarvan is dat de overheid haar burgers kent en weet te bereiken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 52-53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, (MvT), p. 4, 44-45 en 63 e.v. Vgl. ook MvT (Wet GBA), Kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, p. 3, 5 en 51-53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 39. Vgl. ook p. 104-105, waar wordt gesproken over “de wettelijke verplichting om binnen Nederland over een adres te beschikken (hetzij een woonadres, hetzij een briefadres)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 115. Vgl. ook MvT (Wet GBA), Kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, p. 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 67-68.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting wordt de definitie slechts herhaald, zie Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 115.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (Wet GBA), Kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, p. 41-42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (Wet GBA), Kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, p. 104. Zie in deze zin ook HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD6831, NJ 2002/38 (B&amp;W Ferwerderadiel en Boersma/Van der Schaaf), rov. 5.2 (“Nu, naar volgt uit de omschrijving van de begrippen woonadres en briefadres in art. 1 Wet GBA, Mounebuorren 8 te Hallum niet het woonadres van Van der Schaaf kan zijn en een postbus niet als briefadres kan dienen (…)”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Circulaire ‘BRP en briefadres’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (2016-0000656211), p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Circulaire ‘BRP en briefadres’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (2016-0000656211), p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 115. Vgl. ook MvT (Wet GBA), Kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, p. 105.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 42, hierboven volledig geciteerd onder 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 28 november 2013, Stb. 2013/493.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 december 2013, Stcrt. 2013/34313.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin ook de Circulaire ‘BRP en briefadres’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (2016-0000656211), p. 3; en art. 2 lid 1 van de ‘Regeling briefadres’ van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVvB) (te raadplegen via &lt;https://nvvb.nl/nl/producten/handreikingen/beleidsregel-briefadres/&gt;).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze samenvatting van art. 2.38 Wet BRP &lt;https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/privacy-en-persoonsgegevens/vraag-en-antwoord/wanneer-in-brp-inschrijven&gt;.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze aangifteplicht MvT (Wet BRP), Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, p. 138-139.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Wet BRP), Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, p. 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Circulaire ‘BRP en briefadres’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (2016-0000656211), p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 2 lid 1 sub c van de ‘Regeling briefadres’ van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVvB) en de bijbehorende toelichting (te raadplegen via &lt;https://nvvb.nl/nl/producten/handreikingen/beleidsregel-briefadres/&gt;).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 39 (en in gelijke zin p. 134).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nationale Ombudsman, ‘Een mens leeft, een systeem niet’. Onderzoek naar (problemen rond) inschrijvingen in de Basisregistratie personen (BRP), rapport 2016/110 d.d. 1 november 2016, p. 9 en 28-29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Voortgangsbericht over de activiteiten n.a.v. het rapport ‘Een mens leeft, een systeem niet’ d.d. 26 april 2018, bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 27 859, nr. 123, p. 3. Zie ook de hierop volgende reactie van de Nationale Ombudsman d.d. 23 mei 2018, die nog steeds knelpunten bij het verkrijgen van briefadressen constateert (&lt;https://www.nationaleombudsman.nl/nieuws/2016/nationale-ombudsman-niemand-uitsluiten-van-inschrijving-bij-gemeente&gt;).</p>\n<p class=\"lf-p\">Circulaire ‘BRP en briefadres’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (2016-0000656211), p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Monitor, Regels gemeenten duperen daklozen, uitzending van 27 januari 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Aanhangsel Handelingen II 2018/19, 1909-1910 (Kamervragen betreffende “spookburgers”, met de daarop door de regering gegeven antwoorden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 139 (en in gelijke zin p. 42). Vgl. ook MvT (Wet GBA), Kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, p. 114-115.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de vraag wanneer iemand zijn woonadres heeft in een instelling MvA (Wet GBA), Kamerstukken II 1990/91, 21 123, nr. 6, p. 144. Vgl. ook over de vraag of detentie resp. opname in een inrichting leidt tot verlies van de woonstede als bedoeld in art. 1:11 lid 1 BW TM, Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 45-46; Asser/De Boer 1* 2010/58; en J.H. Rutten, ‘11 Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 240-241.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het woord “kan” in art. 2.40 lid 1 Wet BRP. Vgl. ook Circulaire ‘BRP en briefadres’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (2016-0000656211), p. 5, waar het woord “mogen” wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 december 2013, Stcrt. 2013/34313.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 42 en 140.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Circulaire ‘BRP en briefadres’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (2016-0000656211), p. 6; en art. 2 lid 2 van de ‘Regeling briefadres’ van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVvB) en de bijbehorende toelichting (te raadplegen via &lt;https://nvvb.nl/nl/producten/handreikingen/beleidsregel-briefadres/&gt;).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 139 (en in gelijke zin p. 42). Vgl. ook MvT (Wet GBA), Kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, p. 114-115.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het woord “kan” in art. 2.41 lid 1 Wet BRP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. voor deze samenvatting van art. 2.43 Wet BRP &lt;https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/privacy-en-persoonsgegevens/vraag-en-antwoord/uitschrijven-basisregistratie-personen&gt;.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting (Besluit BRP), Stb. 2013/493, p. 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Circulaire ‘BRP en briefadres’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (2016-0000656211), p. 3 (par. 4 onderdeel e).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de vraag of een langdurige reis leidt tot verlies van de woonstede als bedoeld in art. 1:11 lid 1 BW TM, Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 45; J.H. Rutten, ‘11 Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 246 (“Goed om vast te stellen is dat iemand zijn woonstede niet zo snel verliest. Een wereldreis zal niet tot verlies van woonstede leiden”.) Vgl. ook over de woonstede van een schipper Asser/De Boer 1* 2010/55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 2 lid 1 sub d van de ‘Regeling briefadres’ van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVvB) en de bijbehorende toelichting (te raadplegen via &lt;https://nvvb.nl/nl/producten/handreikingen/beleidsregel-briefadres/&gt;): “Als iemand naar het buitenland vertrekt, wordt gekeken voor welke periode iemand naar het buitenland gaat. Iemand moet een briefadres kiezen, wanneer hij/zij voor een kortere periode dan 8 maanden in een tijdsbestek van een jaar naar het buitenland gaat en niet meer beschikt over een woonadres. Op grond van artikel 2.43 Wet BRP mag iemand die voor een periode van meer dan 8 maanden naar het buitenland vertrekt niet als ingezetene ingeschreven blijven in de BRP. In dat geval is de burger verplicht om aangifte te doen van zijn vertrek naar het buitenland. Op grond van de aangifte wordt de bijhouding van zijn persoonslijst een verantwoordelijkheid van de minister van BZK en ‘verhuist’ de PL naar de RNI vanwege emigratie. In dat geval kan geen briefadres gekozen worden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nationale Ombudsman, ‘Een mens leeft, een systeem niet’. Onderzoek naar (problemen rond) inschrijvingen in de Basisregistratie personen (BRP), rapport 2016/110 d.d. 1 november 2016, p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld de Regeling briefadres Den Haag van 19 december 2017, Bijlage 1 (geraadpleegd op https://denhaag.raadsinformatie.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 29-30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 140.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 141.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Wet GBA), Kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, p. 115. Aldus ook HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD6831, NJ 2002/38 (B&amp;W Ferwerderadiel en Boersma/Van der Schaaf), rov. 5.1, en de bijbehorende conclusie van A-G Wesseling-van Gent, sub 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Circulaire ‘BRP en briefadres’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (2016-0000656211), p. 7-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ‘Regeling briefadres’ is te raadplegen via &lt;https://nvvb.nl/nl/producten/handreikingen/beleidsregel-briefadres/&gt;).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3192, NJ 2009/488, m.nt. A.I.M. van Mierlo (Heilbron/Rensa Groep), rov. 3.5.1. Zie voor nadere gegevens over deze kwestie de conclusie van A-G Wesseling-van Gent bij het arrest. Zie ook de nota van toelichting bij het Besluit BRP, Stb. 2013/493, p. 71 (“Gerechtsdeurwaarders zijn bestuursorganen voor zover zij ambtshandelingen verrichten en in dat geval dus geen derden; zij kunnen dan gegevens verstrekt krijgen op grond van de bepalingen over verstrekkingen aan overheidsorganen”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Autorisatiebesluit voor het bestuur van de Stichting Netwerk Gerechtsdeurwaarders namens de in bijlage I genoemde gerechtsdeurwaarders, Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (versie d.d. 7 februari 2019), Stcrt. 2019/10021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook De Nationale Ombudsman, ‘Een mens leeft, een systeem niet’. Onderzoek naar (problemen rond) inschrijvingen in de Basisregistratie personen (BRP), rapport 2016/110 d.d. 1 november 2016, p. 17 (voetnoot 35).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk hierbij op dat dit in mindere mate geldt in geval van ambtshalve registratie op een briefadres (vgl. onder 5.15).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Circulaire ‘BRP en briefadres’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (2016-0000656211), p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Circulaire ‘Correcte registratie op een briefadres in de GBA’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 juni 2012 (2012-0000394434), p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip “persoonslijst” is gedefinieerd in art. 1, aanhef en onder c, Wet BRP.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wetsgeschiedenis is vermeld dat “een zekere mate van beoordelingsvrijheid” bestaat, omdat het verzoek niet kan worden toegewezen indien het niet schriftelijk is ingediend of onduidelijk is. Zie Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 3 (MvT), p. 100.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. &lt;www.amsterdam.nl/geheimhouding&gt;; &lt;www.rotterdam.nl/loket/geheimhouding&gt;; &lt;https://www.denhaag.nl/nl/akten-en-verklaringen/basisregistratie-personen-brp/geheimhouding-persoonsgegevens-aanvragen.htm&gt;; en &lt;www.utrecht.nl/geheimhouding&gt;.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2013/493, p. 71 (ad art. 41).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens art. 2.59 Wet BRP wordt de geheimhoudingsindicatie aangetekend op de “persoonslijst” van de betrokkene, Deze bevat onder meer adresgegevens (vgl. art. 1 sub c jo. 2.69 lid 1 Wet BRP).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 6 (Nota n.a.v. verslag), p. 57.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tekst wordt in de noot verwezen naar Lijst van vragen en antwoorden d.d. 20 juni 2011 (Modernisering GBA), Kamerstukken II 2010/11, 27 859, nr. 45, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Circulaire ‘BRP en briefadres’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 oktober 2016 (2016-0000656211), p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. KvG 3 maart 2015, ECLI:NL:TGDKG:2015:50, rov. 5.2: een ‘geheim adres’ doet niets af aan de wettelijke bevoegdheid van de deurwaarder om de GBA te raadplegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. College bescherming persoonsgegevens 16 april 1998, 96.T396, Module Privacy en persoonsgegevens 1998/832, onder (1): de deurwaarder mag niet, optredend als incassobureau, voorafgaand aan het uitbrengen van een dagvaarding gebruik maken van GBA-gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2019/10021, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lijst van vragen en antwoorden d.d. 20 juni 2011 (Modernisering GBA), Kamerstukken II 2010/11, 27 859, nr. 45, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden, Aanhangsel Handelingen II 2006/07, nr. 230, p. 490. Zie in gelijke zin Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden, Aanhangsel Handelingen II 2009/10, nr. 2452, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders, Stcrt. 2001/132, art. 5 (geheimhouding). Zie ook p. 2 van de bijbehorende toelichting, waar wordt opgemerkt dat GBA-gegevens alleen mogen worden gebruikt voor het ambtelijke doel waarvoor zij zijn opgevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2004/33. Uit informatie op internet leid ik af dat de KBvG i.v.m. de inwerkingtreding van de Algemene Verordening Gegevensbescherming op 25 mei 2018 een “PrivacyHandboek” ontwikkelt (&lt;www.creditexpo.nl/privacy-handboek-gerechtsdeurwaarders-ontwikkeling&gt;).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een toepassing KvG 20 december 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:YB0741, rov. 4.4, waarin werd geoordeeld dat de betrokken deurwaarder een geheim adres niet had mogen delen met een advocaat voordat er een opdracht tot het uitbrengen van een dagvaarding was gegeven.</p></div>", "next": 239141}