{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De reden voor dit verschil in behandeling bij aan- c.q. afwezigheid van een vergunning bij NAM, ondanks identieke rolverdeling, ligt denkelijk in het feit dat bij legale winning de aansprakelijke partij (in casu NAM) is aangewezen bij vergunning door de Staat, waarbij de Staat mede acht zal hebben geslagen op diens draagkracht en uitwinbaarheid, terwijl bij illegale winning (zonder vergunning) geen duidelijkheid zal bestaan over de mate waarin de illegale exploitant(en) verhaal bied(t)(en), zodat hoofdelijkheid opportuun is in geval van meer materiële exploitanten. Zou lid 2(b) ruimer getrokken worden dan als subsidiair voor het geval lid 2(a) niet werkt, dus als het ook toegepast zou worden als er wél een reeds ex lid 2(a) aansprakelijke vergunninghouder is, dan zou dat in de hand werken wat de regeling juist moest voorkomen: discussies over de reikwijdte van de aansprakelijkheid, en daardoor verminderde effectiviteit, alsmede onduidelijkheid over de reikwijdte van de noodzaak tot verzekeren, met als mogelijk gevolg dat het risico niet langer als één risico wordt berekend en verzekerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.23 Met het door [eisers] onderstreepte doel van slachtofferbescherming en belang van het profijtbeginsel is de hier bepleite teleologische uitleg niet in strijd, nu aan dat doel en dat belang recht wordt gedaan doordat, als er een vergunninghouder is (lid 2(a)), zoals in casu NAM, die vergunninghouder kan worden aangesproken, in wiens kosten en lasten de Staat in casu deelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3A Preliminaire verweren ter zake van de vragen 3 en 4 4.3.1 De Staat meent dat de prejudiciële vragen 3 en 4 niet in aanmerking komen voor beantwoording omdat beantwoording niet nodig is in de zin van art. 392(1) Rv om te kunnen beslissen op de vorderingen van [eisers] jegens de Staat, gegeven het vonnis van 1 maart 2017 (zie onderdelen 6.10-6.19 van de bijlage) van de rechtbank Noord-Nederland in de Dijk -zaak, waarin ook [eisers] als eisers optraden. Dat vonnis heeft gezag van gewijsde in de verhouding tussen de Staat en [eisers] , nu geen van beide partijen er hoger beroep tegen heeft ingesteld. Dit verweer is door de Staat ook bij de rechtbank aangevoerd, maar die is er niet inhoudelijk op ingegaan. Door dit vonnis staat volgens de Staat tussen de partijen vast dat de Staat tot de aardbeving in Huizinge op 16 augustus 2012 en het advies van het SodM van januari 2013 niet onrechtmatig heeft gehandeld. Voor de periode vanaf januari 2013 tot 18 november 2015, toen de Afdeling Bestuursrechtspraak het instemmingsbesluit van 30 januari 2015 gedeeltelijk en het wijzigingsbesluit van 29 juni 2015 geheel vernietigde, heeft de rechtbank weliswaar geoordeeld dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de gasproductie niet eerder te beperken tot het door de Afdeling gestelde plafond van 27 miljard m³ per jaar, maar heeft zij de gevorderde schadevergoeding afgewezen wegens ontbreken van causaal verband met de schade van de eisers.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.2 [eisers] stellen daartegenover dat (i) de feitenrechter moet beoordelen of al dan niet een beroep op gezag van gewijsde kan worden gedaan, (ii) deze zaak een breder algemeen belang dient en (iii) een beroep op gezag van gewijsde in de omstandigheden van [eisers] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat zij niet, maar de Staat wel steeds over de relevante informatie beschikte en bovendien sprake is van nieuwe schade en een nieuwe toestand omdat zich sinds het vonnis een zware aardbeving bij Zeerijp heeft voorgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.3 Ik meen dat de Hoge Raad de grenzen van art. 392 Rv bewaakt. De in die bepaling gestelde criteria zijn dat (i) het gaat om een rechtsvraag, (ii) waarop het antwoord nodig is om op de vordering te beslissen en (iii) het antwoord rechtstreeks van belang is voor veel vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen, of voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin zich dezelfde vraag voordoet. Het tweede criterium brengt mijns inziens mee dat u beoordeelt of het eerdere vonnis tussen de partijen gezag van gewijsde heeft om te kunnen beoordelen of het antwoord op de vragen nodig is om op de vorderingen van [eisers] te beslissen. Als die vraag ontkennend moet worden beantwoord, is het zaaksoverstijgende belang op zichzelf geen reden om de vragen toch in behandeling te nemen. De criteria gelden cumulatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.4 Ook als [eisers] wél zouden worden gevolgd in de opvatting dat alleen de feitenrechter de reikwijdte van een gezag van gewijsde van een eerder vonnis beoordeelt, brengt dat overigens mee dat niet kan worden gezegd dat een antwoord op de vragen nodig is om op de eis te beslissen, nu de rechtbank immers niet is ingegaan op dit door de Staat gevoerde verweer. Dat is op zichzelf al voldoende aanleiding om de vragen op grond van criterium (ii) buiten behandeling te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.5 Ingevolge art. 236 Rv binden beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en in een onherroepelijk vonnis zijn opgenomen, dezelfde partijen ook in een ander in een ander geding, tenzij (lid 3) geen beroep wordt gedaan op de kracht van gewijsde, maar ik begrijp dat de Staat zich daar wél op beroept. Uit het verweer van [eisers] maak ik op dat zij niet betwisten dat het eerdere vonnis van de rechtbank dezelfde rechtsbetrekking betrof en dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, waaruit volgt dat dat eerdere vonnis gezag van gewijsde heeft en tussen de partijen over de relevante periode onherroepelijk is beslist ter zake van zowel onrechtmatigheid als causaal verband. Wat [eisers] daartegen aanvoeren, maakt dat niet anders. Een informatievoorsprong van de Staat in de diverse procedures is niet relevant voor de vraag naar het gezag van gewijsde en kan dus niet meebrengen dat een beroep daarop naar maatstaven van redelijk- en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook de nieuwe beving in Zeerijp maakt niet dat beantwoording van de vragen nodig is voor de afdoening van het geschil, dat bij dagvaardingen van 13 december 2016 is ingeleid. De beving had ruim daarna plaats, op 8 januari 2018. Voor zover ik kan zien, hebben [eisers] hun vorderingen in feitelijke aanleg niet in verband met die nieuwe beving vermeerderd of anderszins gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.6 Ik meen daarom dat de vragen 3 en 4 niet voor beantwoording in aanmerking komen, maar ik ga er volledigheidshalve toch op in.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3B Vraag 3 : Onder welke omstandigheden kan de Staat – mede gelet op de artikelen 2, 3 en 8 van het EVRM – aansprakelijk worden gehouden voor aardbevingsschade op grond van artikel 6:162 BW?</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene opmerkingen 4.3.7 Alleen [eisers] en de Staat gaan op deze vraag in. EBN en NAM verwijzen naar de schriftelijke opmerkingen van de Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.8 De betekenis van de art. 2 en 8 EVRM is aan de orde geweest in de uitspraak van 18 november 2015 van de Afdeling Bestuursrechtspraak over het instemmingsbesluit van 30 januari 2015 en het wijzigingsbesluit van 29 juni 2015 (zie onderdeel 5.5.16 van de bijlage). De Afdeling achtte de desbetreffende fundamentele rechten van toepassing, gezien de aard en de schaal van de met de gaswinning gepaard gaande gevolgen. Zij overwoog ook dat met onder meer de Mijnbouwwet is voorzien in een effectief wettelijk en bestuurlijk kader. Daarmee is niet gezegd dat dit kader ook is toegepast zodanig dat is voldaan aan de op grond van die bepalingen geldende verplichtingen voor de Staat. De instemmings- en wijzigingsbesluiten van de minister moeten blijk geven van een redelijk evenwicht tussen de door de genoemde bepalingen beschermde belangen van burgers en de betrokken algemene belangen waaronder die van leveringszekerheid. De Afdeling achtte de uitkomsten van de afwegingen van de minister in de betrokken besluiten onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt [eisers] 4.3.9 bespreken de art. 2, 3 en 8 EVRM en daarop ziende jurisprudentie van het EHRM en betrekken ook art. 1 Eerste protocol EVRM bij de beantwoording van de vraag, daarbij steeds terugkoppelende naar het geval van [eisers] Zij bespreken de door hen weergegeven handelwijze van de Staat en concluderen dat de Staat de door hen genoemde fundamentele rechten heeft geschonden, naar ik begrijp met name door gebrek aan voorzorg en toezicht, regelgevingsfalen en ontoereikendheid van wél getroffen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt Staat 4.3.10 De Staat beroept zich, zoals onder 4.3.1 bleek, op het gezag van gewijsde van het vonnis van 1 maart 2017 in de Dijk -zaak. Hij meent dat de zeer open geformuleerde vraag zich ook overigens ex art. 393(8) Rv niet leent voor prejudiciële beantwoording omdat zij vraagt naar het toetsingskader voor onrechtmatig Staatshandelen jegens de eisers (en niet naar de overige vereisten voor aansprakelijkheid), terwijl dat toetsingskader genoegzaam volgt uit de in de vraag genoemde bepalingen en de daarop gewezen rechtspraak, zodat het om een acte clair of éclairé gaat. Desondanks gaat de Staat uitvoerig in op dat toetsingskader. Voor zover de vraag mede inhoudt of toepassing van dat toetsingskader in casu leidt of kan leiden tot Staatsaansprakelijkheid, vergt dat volgens de Staat een beoordeling die aan de feitenrechter is voorbehouden en dus buiten het bestek van een prejudiciële procedure valt. Bij nadere schriftelijke opmerkingen meent hij dat [eisers] dit lijken te miskennen waar zij hun betoog doortrekken met feitelijke stellingen die onrechtmatig Staatshandelen en Staatsaansprakelijkheid moeten onderbouwen. De Staat reageert op een aantal van die stellingen om het zijns inziens onjuiste beeld dat daardoor kan ontstaan recht te zetten. Hij merkt op dat art. 1 Eerste Protocol niet voorkomt in de prejudiciële vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschouwing 4.3.11 Met de Staat meen ik dat vraag 3 vraagt naar een toetsingskader dat voldoende blijkt uit de wet, het EVRM en uw rechtspraak en die van het EHRM. De vraag leent zich daarom volgens mij niet voor prejudiciële beantwoording. Dat geldt te meer voor zover zij vraagt naar de toepassing van dat toetsingskader op de feiten van dit geval, nu voor feitelijke beoordelingen in de prejudiciële procedure geen plaats is. Aan de stellingen van de partijen over al dan niet onrechtmatig handelen van de Staat jegens de eisers en al dan niet daaruit volgende aansprakelijkheid, ga ik daarom voorbij. Ik wijd wel enige woorden aan het toetsingskader. Gezien het bovenstaande, zie ik geen aanleiding de vraag ruimer op te vatten dan de partijen hebben gedaan, zodat ik met de partijen aanneem dat de vraag alleen op de (on)rechtmatigheid ziet en niet op de overige vereisten voor aansprakelijkheid, al kan de vraag zeker ook ruimer gelezen worden. Ik zie evenmin aanleiding om buiten de door de rechtbank gestelde vraag om in te gaan op de eventuele betekenis van art. 1 Eerste Protocol EVRM, zoals [eisers] doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.12 De Staat vervult bij de gaswinning verschillende rollen waarop art. 6:162 BW betrokken kan worden. Hij gaat zelf vooral in op zijn rollen als beoordelaar van winningsplannen en toezichthouder en stelt dat daarbij voor het algemene beoordelingskader aansluiting kan worden gezocht bij de rechtspraak over toezichthoudersaansprakelijkheid, maar hij werkt dat niet uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.13 Het gaat daarbij om de vraag of de Staat met de kennis van toen in redelijkheid kon handelen zoals hij toen heeft gedaan, mede in aanmerking genomen de hem toekomende beoordelings- en beleidsvrijheid. Deze beoordelingsmaatstaf sluit aan bij hetgeen uit de rechtspraak van het EHRM volgt ter zake van de (positieve) verplichtingen van de Staat ex de art. 2, 3 en 8 EVRM. De art. 2 en 8 EVRM (het recht op leven, respectievelijk op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie) lijken mij relevanter dan art. 3 EVRM (verbod op foltering en op inhuman and degrading treatment) bij de beoordeling van eventuele Staatsaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW voor aardbevingsschade.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.14 Art. 2 EVRM behelst primair een verbod om te doden, maar legt ook een positieve verplichting op de Staat om binnen zijn jurisdictie levens te beschermen.Die positieve verplichting geldt “in the context of any activity, whether public or not, in which the right to life may be at stake, and a fortiori in the case of industrial activities, which by their very nature are dangerous”.Bij de beoordeling of art. 2 EVRM is geschonden, is met name van belang of een effectief wettelijke en bestuurlijk kader bestaat ter bescherming van het recht op leven. Als de Staat weet of behoort te weten van een daadwerkelijk en onmiddellijk gevaar voor het leven van een of meer specifieke personen, kan hij gehouden zijn maatregelen te nemen ter bescherming tegen dat gevaar. Niet ieder gesteld levensgevaar leidt tot een verplichting tot maatregelen; de positieve verplichting ex art. 2 EVRM mag niet resulteren in een onmogelijke of disproportionele last voor de Staat, die een beoordelingsruimte heeft die met name in complexe sociale en technische kwesties ruim is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.15 De positieve verplichtingen ex art. 2 EVRM overlappen met die ex art. 8 EVRM. Bij de nakoming van zijn positieve verplichtingen onder art. 8 EVRM komt de Staat een ruime beoordelingsmarge toe, waarbinnen hij een fair balance moet treffen tussen de belangen van individuele burgers en die van de gemeenschap. Deze bepaling is in het omgevingsrecht van toepassing als overheidshandelen nadelige invloed heeft op de woning of het privéleven van een burger en die nadelige invloed een zekere drempel overschrijdt. Onder de noodzakelijke bescherming van de woning valt niet alleen dier fysieke integriteit, maar ook het rustige genot ervan. De drempel wordt overschreden als een overheidsactiviteit tot gezondheidsschade of ziekte leidt of tot beschadiging of verwoesting van de woning. Art. 8 EVRM is geschonden als de Staat bekend is of behoort te zijn met een dergelijk daadwerkelijk en onmiddellijk gevaar en desondanks nalaat binnen zijn bevoegdheden de maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem verwacht mogen worden om dat gevaar te bezweren. Het ontbreken van wetenschappelijke zekerheid met betrekking tot het gevaar staat op zichzelf niet in de weg aan het aannemen van een schending van art. 8 EVRM; het voorzorgsbeginsel kan meebrengen dat de Staat ook dan maatregelen moet nemen gericht op het voorkomen van ernstige en onomkeerbare milieuschade, maar ook hier geldt dat de verplichting tot het treffen van maatregelen geen onmogelijke of disproportionele last mag opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.16 [eisers] menen dat de wijze waarop de Staat is omgegaan met de problemen van de bewoners van het effectgebied als gevolg van de aardgaswinning een ongekend gebrek aan respect voor de menselijke waardigheid van de Groningers laat zien en achten daarom (ook)art. 3 EVRM geschonden. Zij citeren onderzoek dat rapporteert dat de belangrijkste oorzaak van de ramp in Groningen niet de seismiciteit of het gevaar voor mensenlevens is, maar de voortdurend inadequate reacties op de schade en de gevoelens van onveiligheid die hebben geleid tot de huidige maatschappelijke onrust.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.17 Art. 3 EVRM behelst een absoluut verbod op folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, maar ook de positieve verplichting voor de Staat om tijdig, nauwgezet en voortvarend vast te stellen of foltering of een onmenselijke of vernederende behandeling heeft plaatsgevonden, dan wel het risico daarop bestaat, en daaraan strafrechtelijke consequenties te verbinden. Art. 3 EVRM grijpt pas aan als een zeker niveau van hardheid wordt overschreden, zodat een beoordeling van de omstandigheden van het individuele geval vereist is. Ook hier geldt dat de positieve verplichting geen excessive burden voor de Staat mag worden. Uit art. 3 EVRM vloeien slechts beperkt verplichtingen van sociaal-economische aard voor de Staat voort.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.18 De beoordeling of de Staat art 6:162 BW juncto een of meer van de art. 2, 3 of 8 EVRM heeft geschonden vergt een waardering van de feiten en omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling van die vraag is van belang, maar gezien het voorzorgsbeginsel niet noodzakelijkerwijs doorslaggevend, wat de Staat op de verschillende momenten wist c.q. behoorde te weten en hoe hij op basis van die kennis, onder meer met het oog op de uit art. 2, 3 en 8 EVRM voortvloeiende positieve verplichtingen, had behoren te handelen en daadwerkelijk heeft gehandeld. Veel gewicht komt daarbij toe aan de beoordelings- en beleidsvrijheid van de Staat en de vraag of daarbinnen een fair balance is getroffen tussen de individuele belangen en het algemene belang. De vraag of de Staat aansprakelijk is, behoeft zich niet te beperken tot diens besluitnemende en toezichthoudende rol, maar kan ook betrokken worden op de andere rollen die hij bij de gaswinning in Groningen heeft vervuld en nog steeds vervult.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 Vraag 4 : Verhindert de formele rechtskracht van het instemmingsbesluit aansprakelijkheid van de Staat? Onder welke omstandigheden kan de Staat ondanks de formele rechtskracht van een instemmingsbesluit aansprakelijk worden gesteld?</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene opmerkingen 4.4.1 Alleen [eisers] en de Staat gaan op deze vragen in. EBN en NAM verwijzen naar de schriftelijke opmerkingen van de Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2 Over deze vraag heeft de rechtbank Noord-Nederland zich al uitgelaten, zij het alleen ter zake van het instemmingsbesluit van 21 december 2007, in een ambtshalve overweging in haar vonnis van 1 maart 2017 in de Dijk -zaak tussen onder meer [eisers] en de Staat: “4.1.5. Omdat het verwijt van eisers er in de kern op neerkomt dat de minister vóór maar zeker na Huizinge had moeten bewerkstelligen dat uit het Groningenveld geen of minder gas zou worden gewonnen en een dergelijke ingreep een voor beroep vatbaar besluit van de minister vergt, heeft de rechtbank de Staat en eisers bij gelegenheid van het pleidooi verzocht om zich uit te laten over de vraag of het leerstuk van de formele rechtskracht en de uitspraak de Raad van State van 18 november 2015 waarbij het Instemmingsbesluit met het winningsplan 2013 is vernietigd, invloed hebben op de uitkomst van deze procedure en zo ja welke. De Staat heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat het beginsel van formele rechtskracht niet speelt omdat eisers aan hun vordering niet de besluitvorming over de opeenvolgende winningsplannen, maar het feitelijk handelen casu quo nalaten van de Staat ten grondslag hebben gelegd. De Staat meent dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd treedt indien zij een oordeel zou geven over (de formele rechtskracht van) de besluiten en stelt dat de uitspraak van de Afdeling om dezelfde reden geen implicaties heeft voor dit geding. Ook eisers hebben aangevoerd dat de rechtbank niet naar het leerstuk van de formele rechtskracht hoeft te kijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank constateert dat eisers tot en met het pleidooi, het gestelde onrechtmatig handelen van de Staat niet hebben onderbouwd met concrete feitelijke handelingen die de Staat ten onrechte zou hebben uitgevoerd of nagelaten. Weliswaar wordt hier en daar bepleit dat de minister “had moeten ingrijpen”, maar zonder nadere toelichting, die ontbrak, valt niet in te zien dat daarmee op iets anders is gedoeld dan dat de minister had moeten bewerkstelligen dat uit het Groningenveld geen of minder gas zou worden gewonnen. Pro saldo kwam het door eisers aan de Staat verweten handelen of nalaten in die fase van de procedure dan ook steeds neer op het verwijt dat een verkeerd instemmingsbesluit is genomen, is nagelaten het productieplafond te verlagen dan wel ambtshalve een instemmingsbesluit in te trekken of daaraan striktere voorwaarden te verbinden. In dit verband merkt de rechtbank op dat de door eisers aan de Staat onder de noemer “falend toezicht” gemaakte verwijten ook niet aangemerkt kunnen worden als tekortschieten bij het uitoefenen van toezicht. Onder toezicht moet in dit verband immers worden verstaan: het controleren van de naleving van de voorschriften van een vergunning. Daarop hebben de stellingen van eisers echter geen betrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer tegen een besluit van een bestuursorgaan een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, dient de burgerlijke rechter, zo deze rechtsgang niet of niet met succes is gebruikt, ervan uit te gaan dat het desbetreffende besluit zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft, in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en met algemene rechtsbeginselen. Ingeval de bestuursrechtelijke rechtsgang wel is gebruikt en heeft geleid tot een uitspraak van de bestuursrechter dient de civiele rechter uit te gaan van de juistheid van de desbetreffende uitspraak. De gedachte achter deze door de Hoge Raad in diverse uitspraken gehanteerde – door de rechter ambtshalve toe te passen, vgl. HR 3 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1868 – regel is een doelmatige taakverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat ten aanzien van overheidsbesluiten de beslissing omtrent de vraag of het besluit jegens een belanghebbende als onrechtmatig moet worden aangemerkt, in een bestuursrechtelijke procedure wordt genomen. De vraag of de Staat aansprakelijk is voor schade als gevolg van feitelijke handelingen die hij heeft verricht of nagelaten, kan wel aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op zichzelf terecht hebben eisers aangevoerd dat het beginsel van formele rechtskracht niet kan worden tegengeworpen aan een persoon die niet is aan te merken als een belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb (HR 3 februari 2006, JB 2006,69). Daaraan kan evenwel worden voorbijgegaan omdat gesteld noch gebleken is dat een of meer eisers tot die categorie behoren. Eisers wijzen er juist op dat zij bijna allemaal, de meesten door tussenkomst van de Stichting WAG, tegen het Instemmingsbesluit van 31 januari 2015 in beroep zijn gegaan bij de Afdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisers hebben bij akte na pleidooi aangevoerd dat voor wat betreft periode vóór 31 januari 2015 in dit geval een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht moet worden gemaakt omdat in deze zaak sprake is van een dusdanig zaaksoverschrijdend maatschappelijk belang dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Staat zich op dat beginsel beroept en de vordering enkel op strikte toepassing van dat beginsel zou stranden. In dit verband hebben eisers zich beroepen op een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 oktober 2015 waarin verwezen wordt naar een uitspraak van de Raad van State op 18 november 2015. Dat betreffen uitspraken van bestuursrechters waarin vanwege het zaaksoverschrijdend maatschappelijk en juridisch belang appelanten ontvankelijk zijn verklaard, hoewel onduidelijk was of appelanten aangemerkt konden worden als “belanghebbende” in de zin van artikel 1:2 Awb. Die uitspraken zijn echter niet relevant voor de vraag of het beginsel van formele rechtskracht in de weg staat aan de ontvankelijkheid van eisers bij de burgerlijke rechter. Het gaat hier om competentieafbakening tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter. Daarbij doet niet ter zake of er een zaaksoverschrijdend maatschappelijk belang met de vorderingen gediend is. Daarom dient dit verweer van eisers te worden verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 21 december 2007 heeft de minister ingestemd met een door NAM ingediend winningsplan voor het Groningenveld. Dat instemmingsbesluit van de minister is niet aangevochten in een bestuursrechtelijke procedure, hoewel die rechtsgang openstond. Daarom moet de civiele rechter in beginsel uitgaan van de rechtmatigheid van dat besluit. Voor zover aan de vorderingen van eisers ten grondslag ligt dat de minister in het besluit van 21 december 2007 de gaswinning onvoldoende heeft gemaximeerd, stuit dat af op de formele rechtskracht van dat besluit. Eisers hebben nog aangevoerd dat hen niet kan worden verweten dat zij geen rechtsmiddelen hebben aangewend of geen besluit hebben uitgelokt, aangezien zij in ieder geval tot januari 2013 niet bekend waren met de risico’s en gevolgen van de gaswinning en de aardbevingen, maar ook dat verweer wordt verworpen. Dat de Staat bij de totstandkoming van dat besluit onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste informatie te verstrekken of relevante informatie achter te houden, is gesteld noch gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vorderingen ligt – zoals gezegd – besloten dat de minister dat instemmingsbesluit nadien had moeten intrekken, dan wel anderszins een besluit had moeten nemen tot een lager winningsplafond. Als uitgangspunt heeft ook in dat verband te gelden dat belanghebbenden een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 derde lid Awb bij de minister hadden kunnen doen om gebruik te maken van zijn desbetreffende bevoegdheid, waarna ingeval van afwijzing van een dergelijk verzoek, een bestuursrechtelijke rechtsgang openstond. In de stellingname van eisers ligt evenwel besloten dat vanwege de bijzonderheden van de problematiek hun thans in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat een dergelijke aanvraag niet is gedaan. Dat laatste wil de Staat ook niet doen. De rechtbank zal daarin meegaan en komt derhalve toe aan een inhoudelijk beoordeling.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3 Omdat in deze zaak de Staat formele rechtskracht van instemmingsbesluiten niet tegenwierp aan de eisers en de desbetreffende overwegingen van de rechtbank daardoor het karakter van obiter dictum hebben, komt daaraan geen gezag van gewijsde toe. Dat neemt niet weg dat de beantwoording van vraag 4 niet noodzakelijk is om op de vorderingen van [eisers] te beslissen, omdat zij een prealabele vraag is bij de vraag of de Staat onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld. Zoals opgemerkt, heeft de rechtbank die vraag al wél onherroepelijk tussen de partijen beslist. Ik ga niettemin op vraag 4 in vanwege haar belang in andere zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van [eisers] 4.4.4 [eisers] menen dat de formele rechtskracht van het/een instemmingsbesluit niet in de weg zou moeten staan aan de aansprakelijkheid van de Staat omdat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>technische informatie en informatie over veiligheidsrisico’s niet of zeer moeilijk toegankelijk is en er onvoldoende is gedaan om die informatie voor burgers te ontsluiten opdat zij zich als belanghebbenden konden voorbereiden op bijvoorbeeld een bezwaar- of beroepsprocedure. Het verband tussen de aardgaswinning en de aardbevingen is bovendien lange tijd ontkend, terwijl de bewoners verzekerd werd dat geen noemenswaardige schade zou optreden. Het is daarom aan de Staat te wijten dat zij geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de instemmings-besluiten bij de bestuursrechter aan te vechten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een beroep op het beginsel van formele rechtskracht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gelet op de zeer ernstige gevolgen voor de bewoners boven het Groningenveld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de wetgever met de kwalitatieve aansprakelijkheid ex art. 6:177 BW en het wettelijke bewijsvermoeden ex art. 6:177a BW heeft erkend dat de schade die de gedupeerde Groningers door de onderneming van de Staat lijden het gevolg is van een toerekenbare onrechtmatige daad.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.4.5 [eisers] stellen verder dat het Besluit betreffende het winningsplafond Groningen 2011 niet is gepubliceerd, zodat daartegen geen bezwaar of beroep mogelijk was en het beroep formele rechtskracht daarvan reeds daarop afstuit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.6 [eisers] menen tot slot dat formele rechtskracht de Staat niet vrijwaart van elke aansprakelijkheid. Hij blijft aansprakelijk voor schade ontstaan door zijn gevaarzetting via EBN. Bij ingrijpende mijnbouwwerkzaamheden als de litigieuze moet de Staat, als derden schadegevaar lopen, voldoende maatregelen nemen om die schade te voorkomen. [eisers] wijzen op de aard, de ernst en de duur van de hinder en de toegebrachte schade. De formele rechtskracht bestrijkt volgens [eisers] ook niet het toezichts- en handhavingsfalen van de Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de Staat 4.4.7 Zoals boven onder 4.3.1 bleek, beroept de Staat zich primair op het gezag van gewijsde van het vonnis van 1 maart 2017 van de rechtbank Noord-Nederland in de Dijk -zaak. Daarnaast voert hij aan dat de vraag of de formele rechtskracht van het instemmingsbesluit aansprakelijkheid van de Staat verhindert een feitelijke beoordeling vergt waarvoor in een prejudiciële procedure geen plaats is. Dat geldt in hoge mate ook voor de vraag onder welke omstandigheden de Staat ondanks formele rechtskracht van een instemmingsbesluit aansprakelijk kan worden gesteld. Als van de feitelijke omstandigheden wordt geabstraheerd, leent de vraag zich niet voor beantwoording in een prejudiciële procedure omdat het antwoord dan al uit vaste jurisprudentie volgt. Desondanks bespreekt de Staat het leerstuk van de formele rechtskracht van besluiten en de uitzonderingen die daarop zijn erkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording 4.4.8 Zoals al bleek, meen ik met de Staat dat het gezag van gewijsde van het vonnis van 1 maart 2017 in de Dijk -zaak meebrengt dat het antwoord op vraag 4 niet ex art. 392 Rv nodig is voor de beoordeling van het geschil. Als daaraan wordt voorbijgegaan, leent de vraag zich nog steeds niet voor beantwoording omdat de prejudiciële procedure niet de plaats is voor feitelijke beoordelingen en kwalificaties; indien daarvan wordt geabstraheerd rest een vraag naar een acte clair c.q. éclairé, nl. naar het leerstuk van de formele rechtskracht en de mogelijke uitzonderingen daarop, die voldoende duidelijk uit vaste rechtspraak volgen, zodat art. 393(8) Rv aan beantwoording in de weg staat. Alleen de feitenrechter kan na partijdebat beoordelen of [eisers] wel als belanghebbende konden gelden c.q. bij [eisers] door bijkomende omstandigheden de bezwaren tegen formele rechtskracht zo klemmend zijn dat daarop een uitzondering moet worden gemaakt. Ik ga niettemin in op het juridische kader van en de uitzonderingen op de formele rechtskracht vanwege het belang in andere zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.9 Als tegen een besluit van een bestuursorgaan een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan die niet of vergeefs is gebruikt, moet de burgerlijke rechter, als de geldigheid van dat besluit bij hem in geding is, ervan uitgaan dat het zowel inhoudelijk als wat zijn wijze van totstandkoming betreft, overeenstemt met de relevante wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Deze regel geldt ongeacht de grondslag van de vordering bij de burgerlijk rechter. De met deze regel gediende doelen zijn (i) doelmatige taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter (ii) rechtseenheid en (iii) rechtszekerheid. De formele rechtskracht van een besluit strekt verder dan de verhouding tussen een belanghebbende en het bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in de verhouding tussen belanghebbenden kan zij doorwerken. Bij een besluit van een bestuursorgaan zijn vaak meer belanghebbenden betrokken. De adressaat van een positief besluit zoals een vergunning of een instemmingsbesluit mag er in beginsel op vertrouwen dat hij van de mogelijkheden die dat besluit biedt gebruik kan maken. Als hij handelt overeenkomstig een vergunning en de daaraan verbonden voorschriften, hoeft hij in beginsel niet te vrezen voor onrechtmatige-daadacties van andere belanghebbenden. NAM is dus in beginsel gevrijwaard van schadeacties gebaseerd op art. 6:162 BW, behoudens de nuances door u geformuleerd in met name de zaak [...] / [...]: voor de vraag of het handelen door de vergunninghouder in overeenstemming met een onherroepelijke vergunning toch onrechtmatig is jegens een andere belanghebbende, is van belang (i) de aard van de vergunning (strekt zij ertoe om de vergunninghouder te machtigen om de hem verweten inbreuk op het subjectieve recht van derden te maken?), (ii) het belang dat de regeling waarop de vergunning is gebaseerd, beoogt te dienen, zodat relevant is welke belangen het bestuur bij de vergunningverlening (volledig) moest meewegen (als een bepaald belang niet hoefde of niet kon worden meegewogen, is een actie ex art. 6:162 BW jegens de vergunninghouder niet uitgesloten), (iii) de overige omstandigheden van het geval (zelfs als het belang volledig is meegewogen kan de vergunninghouder nog in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en daarmee onrechtmatig handelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.10 De aan formele rechtskracht verbonden bezwaren kunnen door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat een uitzondering moet worden gemaakt; of daarvoor plaats is, hangt dus af van de bijzonderheden van het geval. U heeft in drie soorten gevallen een uitzondering aanvaard: (i) het niet-gebruikt zijn van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming is niet aan de belanghebbende, maar aan de overheid te wijten, bijvoorbeeld als het bestuursorgaan onjuiste informatie geeft over de rechtsmachtverdeling of door gebrekkige informatievoorziening veroorzaakt dat de belanghebbende niet bekend is met het bestaan van een appelabel besluit of als onbekendheid van de belanghebbende met het materiële recht toe te rekenen is aan het bestuursorgaan. Samengevat: door overheidshandelen of –nalaten is de belanghebbende op het verkeerde been gezet met betrekking tot de vraag of bezwaar en beroep kon of moest worden ingesteld. (ii) erkenning van de onrechtmatigheid van het besluit door het bestuursorgaan, die ook kan blijken uit een andersluidend nieuw besluit waaruit de onrechtmatigheid van het eerdere besluit voldoende volgt. Erkenning van onrechtmatigheid kan ook volgen uit andere gedragingen van het bestuursorgaan. Beslissend is of uit diens verklaringen en gedragingen kan worden afgeleid dat hij de onrechtmatigheid erkent, zodat er geen geschil meer is dat door de bestuursrechter zou moeten worden beslist. De erkenning moet duidelijk zijn omdat de burgerlijk rechter zich anders door inhoudelijke beoordeling van besluiten op het terrein van de bestuursrechter zou begeven. Erkenning binnen een lopende bezwaar- of beroepstermijn of –procedure voorkomt formele rechtskracht. Onduidelijk is of ook aan erkenning van onrechtmatigheid op een later tijdstip, als het besluit bestuursrechtelijk al onaantastbaar is geworden, zo nodig ook gevolgen kunnen worden verbonden. Aangenomen wordt wel dat de burgerlijke rechter de erkenning in een later daartoe strekkend besluit zou mogen volgen, omdat daarmee de formele rechtskracht van het eerdere besluit als vervallen of herroepen kan worden beschouwd. (iii) in de procedure bij de bestuursrechter is een fundamenteel rechtsbeginsel geschonden waardoor niet meer gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11 In deze procedure kan niet worden beoordeeld of aan de verschillende winningsbesluiten formele rechtskracht toekomt jegens [eisers] en zo ja, of daarop in de omstandigheden van [eisers] een uitzondering moet worden gemaakt. De feitenrechter zal zich daarover een oordeel moeten vormen. De volgende gezichtspunten kunnen daarbij van belang zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.12 Art. 35 Mbw vroeg tot 2017 slechts een beschrijving in het winningsplan van “de bodembeweging ten gevolge van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging”. Pas bij de wet van 21 december 2016 (zie onderdelen 2.3 en 2.4 van de bijlage) wordt ook gevraagd om een beschrijving van “de risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of voor de functionaliteit daarvan, met een risicobeoordeling”. Ingevolge art. 36 Mbw kon de minister tot 2017 instemming met het winningsplan alleen weigeren “in het belang van het planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen” en “in verband met het risico van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem”. Pas sinds de wet van 21 december 2016 is weigering ook mogelijk “indien het in het winningsplan aangeduide gebied door Onze Minister niet geschikt wordt geacht voor de in het winningsplan vermelde activiteit om reden van het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan” of “indien nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan” of “indien nadelige gevolgen voor de natuur worden veroorzaakt.” De veiligheid(srisico’s) van de Groningers kwam(en) dus tot 2017 niet in de winningsplannen voor, noch als zodanig in de (limitatieve) gronden voor weigering van instemming, al werden zij kennelijk wel onder het hoofd ‘risico van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem’ meegewogen in des minister’s besluitvorming (zij het volgens de Onderzoeksraad onvoldoende: zie onderdeel 5.5.10 van de bijlage).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag rijst daardoor of de Groningers dan in 2003 of 2007 met vrucht hun veiligheidsrisico’s aan de orde hadden kunnen stellen in beroep tegen die instemmingsbesluiten. De Afdeling heeft die veiligheidsrisico’s in 2015 en 2017 in de procedures over de instemmingsbesluiten 2015 e.v. (zie de onderdelen 5.5.16 en 5.5.45 van de bijlage), dus ruim ná de beving bij Huizinge, begrepen geacht in het oude weigeringscriterium ‘risico van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem’ (zie rov. 8.1 van haar uitspraak), maar de vraag rijst of zij dat ook gedaan zou hebben ruim vóór de beving bij Huizinge, met name ten tijde van de instemmingsbesluiten met de winningsplannen 2003 en 2007 in 2003 resp. eind 2007, toen zowel de Staat als NAM uitdroegen dat hoogstens lichte schade aan gebouwen zou kunnen ontstaan, hetgeen belanghebbenden op het verkeerde been gezet kan hebben in de zin van de eerste uitzondering op formele rechtskracht, en toen de Groningers onmogelijk al rekening konden houden met de gevolgen waarmee [eisers] veel later werden geconfronteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij konden weliswaar ook in 2003 en 2007 bodembeweging aan de orde stellen, maar de Staat had hen verzekerd dat die beweging geen aardbevingen van enige betekenis zou inhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.13 Bewoners die ten tijde van de instemmingsbesluiten 2003 en 2007 nog niet in het effectgebied woonden, waren wellicht überhaupt geen belanghebbenden, al kon ex art. 34(4) Mbw ‘een ieder’ zienswijzen naar voren brengen. Van hen kon niet gevergd worden dat zij in beroep zouden zijn gegaan tegen een instemmingsbesluit in 2003 of 2007 toen zij nog helemaal niet konden bevroeden dat zij mogelijk jaren later (maar vóór de beving bij Huizinge) zouden verhuizen naar Groningen. Het is de vraag of een preventief beroep van een Zeeuw of een Brit in 2003 of 2007 in verband met mogelijke persoonlijke veiligheidsrisico’s door aardbevingen voor het geval hij misschien in de toekomst naar Groningen zou verhuizen, serieus zou zijn genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs er verder op dat instemmingsbesluiten niet vaak worden genomen en kennelijk alleen als de minister een nieuw winningsplan van NAM vraagt. Ik heb er sinds 2003 tot heden maar vier geteld, en twee wijzigingsbesluiten (zie onderdeel 2.2 van de bijlage). (Nieuwe) bewoners kunnen dus vele jaren lang tegen een formele rechtskracht aan zitten te kijken en geen rechtsingang hebben totdat er (maar wanneer?) een nieuw winningsplan wordt ingediend en een nieuw instemmingsbesluit wordt genomen; tussen het instemmingsbesluit van december 2007 en dat van januari 2015 zaten meer dan acht jaren. Geen realistische rechtsingang is een aanvraag ex art. 1:3(3) Awb tot wijziging of intrekking van het (definitieve) instemmingsbesluit om vervolgens tegen de voorspelbare afwijzing rechtsmiddelen in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat loopt mijns inziens vast op art. 4:6 Awb (al gaat het hier strikt genomen niet om een herhaalde aanvraag), wellicht tenzij er significante nova zouden zijn. Hoe dan ook lijkt mij dit voor de civiele rechter niet relevant omdat het niet zozeer om formele rechtskracht in verband met aansprakelijkheid gaat, maar om een verzoek om terug te komen op een onherroepelijk besluit c.q. om een nieuw besluit te nemen. De rechtbank Noord-Nederland heeft het niet-beproeven van die kansloze weg mijns inziens terecht niet tegengeworpen aan de bewoners van het aardbevingsgebied (zie onderdeel 6.16 van de bijlage).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.14 Zoals opgemerkt, kan ook de vraag rijzen of in 2003 en 2007 een preventief beroep wegens significant aardbevingsgevaar door een bewoner die toen al wel in het effectgebied woonde serieus genomen zou zijn. In dat verband kan relevant zijn een categorie doorbreking van formele rechtskracht die in het Nederlandse recht nog geen voet aan de grond heeft maar in het EU- en EVRM-recht wel, nl. die waarin het instellen van beroep zinloos zou zijn geweest omdat bij voorbaat zou hebben vastgestaan dat het afgewezen zou worden (EHRM Salah Sheekh) of waarin redelijkerwijs niet van de belanghebbende kon worden gevergd dat hij mogelijke schade zou proberen te beperken door rechtsmiddelen in te stellen (HvJ EU Danske Slagterier).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de Staat werd immers pas ná het SodM-rapport in 2013 naar aanleiding van de 2012-beving in Huizinge duidelijk dat een significant schade- en veiligheidsrisico door aardbevingen bestond. De strekking van Danske Slagterier is dat de verhouding tussen vernietigingsberoep en aansprakelijkstelling wordt bepaald door de plicht van een (potentieel) gelaedeerde tot beperking van zijn schade door een overheidsbesluit, aldus dat het niet-benutten van de mogelijkheid tot vernietigingsberoep hem in de aansprakelijkstellingsprocedure alleen kan worden tegengeworpen voor zover door het instellen van vernietigingsberoep de schade had kunnen worden voorkomen of beperkt en het benutten van die mogelijkheid niet buitensporig moeilijk zou zijn geweest of anderszins redelijkerwijs niet kon worden gevergd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.15 Formele rechtskracht van instemmingsbesluiten hoeft niet in de weg te staan aan aansprakelijkheid van de Staat in andere rollen dan die van winningsplanbeoordelaar en toezichthouder op de naleving van de vergunningsvoorschriften. In feitelijke aanleg zal onderzocht moeten worden welke rollen hij in het dossier Groningen heeft vervuld en nog vervult en of hem ook in enige niet-besluitnemersrol een onrechtmatigheidsverwijt gemaakt kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.16 Gelaedeerden kunnen bij het in te stellen Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) schadevergoeding aanvragen voor alle soorten schade. Zij krijgen daarop binnen een korte beslistermijn van het IMG een beschikking, inhoudelijk gebaseerd op het civiele aansprakelijkheidsrecht, waartegen zij binnen 13 weken beroep op de bestuursrechter kunnen instellen, kennelijk ongeacht of zij rechtsmiddelen hebben ingesteld tegen enig voorafgaand instemmingsbesluit. Zie onderdelen 5.568-5.572 van de bijlage). Zij zijn immers adressaat van een schadevergoedingsbeschikking die zij in volle omvang ter discussie kunnen stellen in beroep bij de bestuursrechter. Ik begrijp dat ook de huidige, op beleidsregels gebaseerde TCMG beschikkingen op aanvraag neemt waartegen bezwaar en beroep mogelijk is ongeacht formele rechtskracht van instemmingsbesluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan is het gek dat de gelaedeerden die de burgerlijke rechter adiëren nu het nog kan, jegens de Staat zouden vastlopen op een formele rechtskracht. De verklaring lijkt te zijn dat het voorgenomen IMG en de huidige TCMG bedoeld zijn om de schade-afhandeling bij NAM weg te halen, die zich als gevolg van de art. 6:177 en 6:177a BW niet op formele rechtskracht van instemmingsbesluiten (in wezen vergunningen) kan beroepen (zie 4.4.17), dus dat de Staat in het voorgenomen systeem niet als Staat optreedt, maar slechts als stand in voor NAM, die zich in civiele procedures niet op formele rechtskracht kan beroepen als het om aansprakelijkheid ex art. 6:177a BW gaat. Zoals in onderdeel 5.5.71 van de bijlage opgemerkt, wordt uit het consultatiedocument de verhouding tussen de aansprakelijkheden ex art. 6:162 en art. 6:177 BW en tussen de aansprakelijkheden van NAM en de Staat niet duidelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt de overeenkomstige toepassing van het civiele aansprakelijkheidsrecht voor ‘alle vormen van schade’ zich tot de risicoaansprakelijkheid van NAM, dus art. 6:177 BW) of verplaatst de discussie over de verhouding tussen art. 6:162 en art. 6:177 BW en de aansprakelijkheid van de Staat in het licht van de formele rechtskracht van instemmingsbesluiten zich naar het IMG?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.17 Blijkens de art. 6:177 en 6:177a BW heeft de Staat als wetgever beroep op de vrijwarende werking van een formeel rechtskrachtige vergunning/instemmingsbesluit willen voorkomen. Tegen een op art. 6:162 BW gegronde vordering zou NAM zich als vergunninghouder met een formeel rechtskrachtig goedgekeurd winningsplan mogelijk wél kunnen verweren door er op te wijzen dat zij steeds in overeenstemming met haar winningsvergunning en de winningsbesluiten heeft gehandeld en daarmee in beginsel (zie 4.4.9) niet onrechtmatig.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.18 Verder kan de combinatie van (i) de financiële verantwoordelijkheid die de Staat heeft genomen met diverse subsidieregelingen, meest recent het startkapitaal voor het Nationaal Programma Groningen, (ii) de koerswijziging in de opeenvolgende instemmings- en wijzigingsbesluiten, (iii) de recente wijziging van de Gaswet en de Mijnbouwwet waarbij het winningsplansysteem voor het Groningenveld is losgelaten en de steeds prominentere rol die de veiligheidsnorm van 10-5 (zie onderdeel 2.11 van de bijlage) is gaan spelen in de besluitvorming en de gewijzigde wet (art. 52d Mbw), met de onderkenning door de minister “dat een langjarig niveau van 12 miljard Nm3 per jaar op zichzelf nog niet voldoende veilig is om te voldoen aan de veiligheidsnorm”en (iv) de inmiddels volledige overneming van de procedurele en financiële verantwoordelijkheid voor de schadevergoeding, op de erkenning dat de Staat bij de eerdere instemmingsbesluiten een veiligheidsafwegingsfout heeft gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.19 Maar daar staat tegenover dat het altijd de bedoeling van de Staat is geweest, ook nu nog, en ook na de instelling van het IMG nog, dat NAM de schade vergoedt, ook al treedt de Staat in de vorm van het IMG jegens de gelaedeerden in de plaats van NAM, op wie de door het IMG verstrekte schadevergoedingen zullen worden verhaald met een publiekrechtelijke heffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Vraag 5 : Hoe ver moet het tegenbewijs gaan om het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 6:177a BW te kunnen weerleggen; moet het tegendeel komen vast te staan of kan twijfel zaaien voldoende zijn?</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene opmerkingen 4.5.1 Alleen [eisers] en NAM gaan op deze vraag in. De Staat en EBN verwijzen naar de schriftelijke opmerkingen van NAM. Zie ik het goed, dan gaan de nadere schriftelijke opmerkingen van [eisers] niet in op de opmerkingen van NAM over deze vraag. NAM gaat in haar nadere schriftelijke opmerkingen opnieuw op de onderhavige vraag in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt [eisers] 4.5.2 [eisers] wijzen op artikel 150 Rv, dat bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Art. 6:177a BW geeft volgens hen zo’n bijzondere regel. Het bewijsvermoeden in die bepaling heeft huns inziens een algemeen karakter en geldt in en buiten rechte. Het strekt ertoe de Groningers in staat te stellen hun schade vergoed te krijgen en hun vertrouwen in oplossing van de problemen te versterken. Gezien die ratio zal de rechter niet te licht weerlegging van het bewijsvermoeden mogen aannemen. Zij beantwoorden de vraag niet concreter, maar vermoedelijk achten zij het antwoord gegeven in het in de schriftelijke opmerkingen uitvoerig geciteerde advies van Hammerstein, Asser en Van der Bunt van 13 oktober 2017 aan onder meer de NCG. Dat advies houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “(….). Er kunnen twee aspecten worden onderscheiden, want ‘ontzenuwen’ heeft zowel betrekking op (a) de vraag hoe ver het tegenbewijs moet gaan: moet het tegendeel komen vast te staan van het feit dat voorlopig als bewezen is aangenomen, of is voldoende dat door het tegenbewijs zoveel twijfel over dat feit is gezaaid dat dit feit niet meer kan dienen als basis voor de beslissing; als op (b) de vraag welke maatstaf geldt voor de bewijswaardering: moeten de feiten die het voorshands als bewezen aangenomen feit weerleggen en waarop de tegenbewijslevering betrekking heeft naar de overtuiging van de rechter ook daadwerkelijk bewezen zijn of is voldoende dat zij naar het oordeel van de rechter aannemelijk gemaakt zijn. Men mag hier uiteraard ook spreken van een maatstaf voor de bewijslevering.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.3.4. Ontzenuwen (a): bewijs van het tegendeel Voor het slagen van de tegenbewijslevering is vaak voldoende dat door het tegenbewijs zodanige twijfel aan de juistheid van het voorshands bewezen feit wordt gewekt dat, de rechter moet vaststellen dat dit feit niet meer als bewezen kan gelden. Daarmee behoeft niet het tegendeel vast te staan, want de onduidelijkheid over wat er feitelijk is gebeurd, is in principe voldoende om de partij die bijvoorbeeld haar vordering op dat feit baseert ongelijk te geven en de vordering af te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In enkele gevallen eist de wet (bijvoorbeeld art. 3:27 lid 3 BW) echter uitdrukkelijk bewijs van het tegendeel en is die twijfel dus niet voldoende. In de literatuur wordt dit ook aangenomen ten aanzien van feiten die door middel van een wettelijk vermoeden, zoals in art. 6:177a BW, bij voorbaat door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd. De partij die zich beroept op die feiten behoeft dan van die feiten geen bewijs te leveren. Tegen die feiten moet dus bewijs van het tegendeel worden geleverd en twijfel wekken is niet voldoende om het vermoeden ‘ontzenuwd’ te achten. Deze visie onderschrijven wij, omdat het wettelijk vermoeden, zoals in art. 6:177a BW, de functie heeft om de partij ten gunste van wie dat vermoeden werkt, de door het materiële recht beoogde rechtsbescherming te bieden zolang niet is gebleken dat de feiten anders liggen dan het vermoeden heeft gefixeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zulke gevallen heeft het wettelijke vermoeden in wezen geen andere functie dan die van een bijzondere wettelijke regel van bewijslastverdeling als bedoeld in art. 150 Rv. Het wettelijk vermoeden wijkt daarmee in aard en functie af van het feitelijke vermoeden van de waarheid van een feit, welk vermoeden de rechter baseert op bepaalde andere, naar het oordeel van de rechter vaststaande feiten. Dat is ook een bewijsvermoeden maar berust op een feitelijke gevolgtrekking van de rechter uit andere in het proces gestelde en vaststaande feiten. Dat vermoeden berust dus niet op een door de wetgever gemaakte keuze om de rechtsbescherming die de wet aan een procespartij biedt te versterken door een processuele maatregel als een bewijsvermoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die materieelrechtelijke rechtsbescherming, in het geval van de aardgaswinning de bescherming die met de in art. 6:177 BW neergelegde risicoaansprakelijkheid van de exploitant aan de benadeelde wordt geboden, wordt ten behoeve van de benadeelde in een proces met de exploitant versterkt met het bewijsvermoeden, om te verzekeren dat de benadeelde niet het slachtoffer wordt van een in de praktijk zeer zware bewijslast (=bewijsrisico, zie hieronder in 5.2.3.7) met betrekking tot het causaal verband tussen de schade en de gaswinning. Een dergelijke bescherming past hier ook bij de aard van de aansprakelijkheid. Wil die bescherming effectief zijn dan moet het wettelijk bewijsvermoeden blijven gelden totdat het tegendeel is gebleken. Dat betekent dat naar het oordeel van de rechter/arbiter voldoende vast moet komen te staan dat de fysieke schade niet veroorzaakt is door de bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.3.5. Ontzenuwen (b): bewijzen of aannemelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aannemelijk maken duidt op een lichtere maatstaf: de rechter kan sneller dan anders tot het oordeel komen dat het feit dat aannemelijk moest worden gemaakt, vast staat. Dat kan verband houden met de omstandigheid dat het gaat om een moeilijk te bewijzen feit of dat sprake is van een snelle procedure (zoals kort geding). Dit laatste speelt hier niet. Overigens is het onderscheid tussen bewijzen en aannemelijk maken in de praktijk niet erg eenvoudig aan te wijzen. Een verschil kan liggen in de mate waarin de rechter genoegen neemt met inhoud of kwaliteit van de door partijen geproduceerde bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De memorie van toelichting bij wetsvoorstel 34 390, p. 4, legt voor het ontzenuwen van het vermoeden van art. 6:177a BW de maatstaf aan van het ‘aannemelijk maken’: ‘Met dit wettelijk vermoeden moet de benadeelde stellen dat zich fysieke schade heeft voorgedaan aan een gebouw of werk binnen het effect-gebied van het Groningenveld, die naar haar aard schade als gevolg van bodembeweging door gaswinning zou kunnen zijn. Daaruit ontstaat dan voor de rechter het vermoeden dat de schade het gevolg is van de gaswinning. Het is dan aan de exploitant om dit vermoeden te ontzenuwen, door aannemelijk te maken dat bodembeweging door de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk niet de oorzaak is van de schade. Het vermoeden van causaliteit kan door de exploitant dus worden weerlegd door aannemelijk te maken dat de schade niet het gevolg is van bodembeweging door gaswinning. Dit kan de exploitant bijvoorbeeld doen door aannemelijk te maken dat de schade een andere oorzaak heeft, zoals een bouwkundige oorzaak of weersomstandigheden. Het is dan weer aan de benadeelde om alsnog het causale verband tussen de schade en bodembeweging door gaswinning te bewijzen.’ De regering maakt niet duidelijk waarom deze maatstaf van aannemelijk maken is gekozen. Mogelijk is hiervoor inspiratie geput uit de maatstaf die de Hoge Raad hanteert bij tegenbewijs tegen het jurisprudentiële vermoeden op basis van de zogenaamde omkeringsregel bij causaal verband. Dat bewijsvermoeden betreft gevallen dat sprake is geweest van een gedraging van de aansprakelijke partij in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat de wederpartij die zich op schending van deze norm beroept, aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (samengevat in HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7264). In dat geval is sprake van eenzelfde maatstaf ‘aannemelijk maken’ voor beide partijen. In het onderhavige geval is volgens de minister zelfs voldoende dat de benadeelde stelt dat zich fysieke schade heeft voorgedaan aan een gebouw of werk, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn. Daaruit ‘ontstaat dan’, aldus de minister, het vermoeden dat de schade het gevolg is van de gaswinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bewijsmaatstaf voor het bewijs dat de fysieke schade niet is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten geldt dus dat dit aannemelijk moet worden gemaakt. Een en ander neemt niet weg dat het blijft gaan om tegenbewijs tegen een wettelijk vermoeden met een door de wetgever duidelijk beoogde rechtsbeschermingsfunctie. En wat bewijswaardering betreft: de rechter moet ervan overtuigd zijn en – naar zijn algemene motiveringsplicht óók van zijn bewijsoordeel – in zijn uitspraak kunnen verantwoorden dat en waarom hij ervan overtuigd is dat het vereiste tegenbewijs tegen het wettelijke vermoeden is geleverd, dat dus naar zijn oordeel voldoende is komen vast te staan dat de schade niet het gevolg is (of kan zijn) van de gaswinning. Bij deze oordelen zal de rechter rekening moeten houden met die rechtsbeschermingsfunctie. Verwezen wordt hier ook naar wat is opgemerkt in Bijlage 1 bij de beantwoording van vraag 7.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie merkt in Bijlage 1 bij het rapport bij de beantwoording van de vragen 6 en 7 aanvullend het volgende op: “De toepassing van het bewijsvermoeden is inderdaad een juridische kwestie waarover de rechter (of arbiter) moet oordelen, maar voor de technische deskundigen is wel van belang te weten hoe het bewijsvermoeden door de rechter wordt gehanteerd. Bij de wijze van technisch onderzoek waar een uitslag op gebaseerd is, zal het bewijsvermoeden namelijk leidend moeten zijn. Dit wil zeggen dat het onderzoek, zo nodig, in de eerste plaats gericht is op het feit waarop het vermoeden berust, te weten het bestaan van fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade zou kunnen zijn door beweging van de bodem als gevolg van aardgaswinning uit het Groningenveld, en voorts op het feit dat de wet door middel van het bewijsvermoeden daaruit afleidt, te weten dat die schade het gevolg is van de gaswinning. Feitelijk hangen deze beide feiten weliswaar nauw samen, maar zij moeten bij het onderzoek worden onderscheiden. Als het eerste feit door onderzoek wordt bevestigd, dan zal het onderzoek dat gericht is op het tweede feit als uitgangspunt het bestaan van causaal verband tussen de schade en de gaswinning moeten nemen. Het onderzoek is dus gebonden aan dat uitgangspunt en zal niet gericht moeten zijn op ‘verificatie’ (‘bestaat er inderdaad causaal verband?’) maar op ‘falsificaties’ van dat feit (‘er bestaat geen causaal verband’) Zie daarover nader het antwoord op vraag 7. Alleen dan wordt bij het onderzoek het door de wet aangegeven kader gerespecteerd. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie zou willen benadrukken dat de vraag voor wiens risico de onzekerheden moeten komen wordt beantwoord door het hiervoor in het antwoord op vraag 6 al beschreven wettelijk bewijsvermoeden. Als is voldaan aan de voor het vermoeden gestelde voorwaarde dat de schade naar haar aard redelijkerwijs schade zou kunnen zijn door beweging van de bodem als gevolg van aardgaswinning uit het Groningenveld, dan geldt in de procedure dat de schade het gevolg is van die bodembeweging (de feitelijke grondslag voor aansprakelijkheid van de exploitant), totdat de voor de schade aansprakelijke wederpartij van de benadeelde, de NAM, het bewijsvermoeden heeft ontzenuwd door het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden. Daarvan is sprake als zij – naar de door de minister genoemde beoordelingsmaatstaf van het bewijs – aannemelijk heeft gemaakt dat de schade niet het gevolg is of kan zijn van de bodembeweging door de aardgaswinning uit het Groningenveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gevolg van deze verdeling van de bewijslast is dat de arbiter/rechter voor de beoordeling van het door de NAM te leveren tegenbewijs tegen het vermoeden als uitgangspunt moet hanteren dat indien na bewijslevering onzekerheid ten aanzien van de causaliteit bestaat, dit voor rekening van de NAM komt. De arbiter/rechter heeft in dit verband bij de beoordeling van het door de NAM aangedragen bewijs vrijheid, maar de bescherming die het bewijsvermoeden biedt aan de benadeelde speelt zal die beoordeling in belangrijke mate beïnvloeden zodat aannemelijk is dat de arbiter/rechter niet snel tot een andere toerekening van het genoemde risico zal komen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt NAM 4.5.3 NAM wijst op de systematiek van het bewijsrecht en bewijsvermoedens in het algemeen en in het bijzonder op de totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:177a BW, waarin duidelijke aanwijzingen voor de beantwoording te vinden zijn: de wetgever heeft aangegeven dat het aan de exploitant is om het bewijsvermoeden te ‘ontzenuwen’. Daarvoor acht NAM twijfel zaaien voldoende. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de exploitant ‘aannemelijk’ moet maken dat de fysieke schade niet het gevolg is van de gaswinning, bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat de schade een andere oorzaak heeft, zoals een bouwkundige oorzaak of weersomstandigheden. NAM leidt hier uit af dat volgens de wetgever dus niet het tegendeel hoeft vast te staan van het vermoeden dat de desbetreffende schade het gevolg is van de gaswinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.4 Als zou moeten komen vast te staan dat de schade niet het gevolg is van de mijnbouwactiviteiten van de exploitant, wordt in wezen de bewijslast omgekeerd, aldus NAM. Bij de invoering van art. 6:177(1)(b) BW heeft de wetgever een omkering van de bewijslast bij herhaling verworpen. De parlementaire geschiedenis van art. 6:177a BW geeft geen enkele basis voor de opvatting dat de wetgever dit standpunt heeft laten varen en een regeling wilde invoeren die alsnog neerkomt op een bewijslastomkering. Voldoende is dat door het tegenbewijs zoveel twijfel over de correctheid van het bewijsvermoeden rijst dat de rechter zijn beslissing daarop niet (langer) kan baseren. Dat kan betekenen dat onduidelijkheid of onzekerheid over de oorzaak van de fysieke schade blijft bestaan. NAM ziet geen reden om die steeds voor risico van de exploitant te brengen, gezien de aard en achtergrond van het bewijsvermoeden en de koppeling met de risicoaansprakelijkheid van art. 6:177 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.5 Twee omstandigheden brengen volgens NAM elk op zichzelf mee dat aan de weerlegging van het bewijsvermoeden geen hogere eisen mogen worden gesteld dan uit de parlementaire geschiedenis volgt. In de eerste plaats is het vermoeden gekoppeld aan een vergaande risicoaansprakelijkheid die de gelaedeerde reeds materieelrechtelijk bescherming biedt tegen schade die het gevolg is van de mijnbouwactiviteit van de exploitant. Het bewijsvermoeden versterkt de positie van de gelaedeerde verder. Als voor weerlegging de lat hoger zou worden gelegd dan uit de parlementaire geschiedenis volgt, zou een in potentie onbegrensde aansprakelijkheid in het leven worden geroepen en wordt het risico te groot dat de exploitant aansprakelijk wordt gehouden voor schade die hij feitelijk niet heeft veroorzaakt. In de tweede plaats heeft de wetgever ervoor gekozen om de toepassing van het bewijsvermoeden geografisch niet concreet te begrenzen, waardoor de grens tot waar het bewijsvermoeden geldt, zich moeilijk (definitief) laat afbakenen. Deze omstandigheid, in combinatie met de eis dat een andere oorzaak van fysieke schade aannemelijk wordt gemaakt, zou eveneens tot een in potentie vergaande aansprakelijkheid voor de exploitant leiden voor schade die hij in feite niet heeft veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording 4.5.6 De hoofdregel voor het bewijs van causaal verband is vervat in art. 150 Rv:</p>\n<p class=\"lf-p\">De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ‘bijzondere regel’ is met name een wettelijke omkering van de bewijslast, was niet hetzelfde is als de bewijsrechtelijke ‘omkeringsregel’ die u heeft ontwikkeld voor specifieke gevallen van onzekerheid over het causaal verband tussen normschending en schade. Omkering van de bewijslast houdt in dat degene te wiens laste de bewijslast wordt omgekeerd een andere oorzaak van het gevolg moet bewijzen dan de door de wet aangenomen oorzaak, bijvoorbeeld de werkgever die, als zijn werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, moet aantonen dat hij voldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer (art. 7:658(2) BW). De ‘omkeringsregel’ daarentegen is geen bewijslastomkering maar een weerlegbaar causaliteitsvermoeden dat wordt toegepast bij schending van een norm die strekt tot voorkoming van een specifiek schadegevaar als die schade zich vervolgens heeft voorgedaan. U heeft de omkeringsregel als volgt samengevat in een medische beroepsfout-aansprakelijkheidszaak: “3.7. (…) de omkeringsregel (strekt) ertoe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv in dier voege dat het bestaan van causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) tussen een onrechtmatige daad of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst - waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt - dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (vgl. HR 29 november 2002, LJN AE7345, NJ 2004/304, HR 29 november 2002, LJN AE7351, NJ 2004/305, HR 19 maart 2004, LJN AO1299, NJ 2004/307, HR 9 april 2004, LJN AO3170, NJ 2004/308, HR 8 april 2005, NJN AR8876, NJ 2005/284, HR 19 december 2008, LJN BG1890, NJ 2009/28).”</p>\n<p class=\"lf-p\">NAM is risico-aansprakelijk ex art. 6:177 BW, zodat onrechtmatigheid en daarmee normschending niet ter zake doet. Ik meen daarom dat wij in casu met de omkeringsregel niet te maken hebben, althans niet ter zake van NAM. Dat kan anders zijn als NAM (ook) op de voet van art. 6:162 BW aangesproken kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder bestaan er processuele, feitelijke, wettelijke en jurisprudentiële bewijsvermoedens. Zij hebben gemeen dat zij de bewijslast, in de zin van bewijsrisico, niet omkeren. Na tegenbewijslevering nog resterende onzekerheid over feiten blijft voor risico van degene die zich op de rechtsgevolgen van die feiten beroept en die aanvankelijk profiteerde van het vermoeden. Bewijsvermoedens vallen daarom mijns inziens niet onder de bijzondere regels bedoeld in art. 150 Rv, waarmee kennelijk bedoeld zijn regels die de bewijslast (het bewijsrisico) omkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.8 Op de vraag wanneer een bewijsvermoeden voldoende is weerlegd, valt geen algemeen antwoord te geven. In grote lijnen doen zich twee soorten gevallen voor: (i) voldoende is dat het tegenbewijs significante twijfel aan de juistheid van het vermoeden oplevert. De eiser zal dan alsnog bewijs moeten leveren. Resterende onduidelijkheid blijft voor rekening van de eiser; hierbij worden veelal termen als ‘aannemelijk maken’ (van een andere gang van zaken) of ‘ontzenuwen’ (van de vermoede gang van zaken) gebruikt; (ii) tegenbewijs betekent: tegendeelbewijs: degene te wiens laste het vermoeden strekt, moet bewijzen dat het anders is gegaan dan vermoed. Resterende onduidelijkheid over de feitelijke gang van zaken komt in dat geval voor rekening van degene te wiens laste het vermoeden strekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.9 De literatuur verschilt van mening over de vraag of bij wettelijke en jurisprudentiële vermoedens het tegenbewijs bewijs van het tegendeel van het vermoeden moet inhouden. Die vraag hoeft hier niet in het algemeen beantwoord te worden. Het volstaat te constateren dat er wettelijke vermoedens zijn die bewijs van het tegendeel verlangen zonder dat dit uit de wettekst blijkt, zoals de wettelijke vermoedens van bezit (art. 3:109 BW), van eigendom (art. 3:119 BW) en van non-conformiteit (art. 7:18(2) BW). Hoewel bij dergelijke bewijsvermoedens het resterende bewijsrisico in theorie bij de gelaedeerde blijft, is het zo klein dat zij in de praktijk omkering van de bewijslast benaderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.10 Met [eisers] meen ik dat art. 6:177a BW tot de laatste categorie vermoedens behoort. Tegenbewijs is niet reeds geleverd bij significante twijfel aan de juistheid van het vermoeden; ‘aannemelijk’ (aldus de wetsgeschiedenis) moet worden dat de schade aan de woning een andere oorzaak heeft dan aardbeving door gaswinning. Resterende onzekerheid over de oorzaak van de schade komt mijns inziens voor rekening van de exploitant.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.11 NAM stelt terecht dat de combinatie van het bewijsvermoeden en de vergaande risicoaansprakelijkheid van de exploitant ex art. 6:177 BW het risico vergroot dat de exploitant aansprakelijk wordt gehouden voor schade die hij feitelijk niet heeft veroorzaakt, maar dat is het gevolg van de uit de wetsgeschiedenis blijkende wens van de wetgever om de rechtsbescherming van de bewoners van het effectgebied van het Groningenveld te versterken met een bewijsvermoeden dat tegen een bewijslastomkering aanschurkt. Anders dan NAM, meen ik dat uit de parlementaire geschiedenis van art. 6:177a BW blijkt dat het bewijsvermoeden een dergelijke vrij ver gaande strekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.12 NAM citeert de volgende passage uit de Memorie van Toelichting bij de Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen: “Nu de fysieke schade aan gebouwen en werken die gemeld wordt in Groningen in het merendeel van de gevallen ook daadwerkelijk het gevolg is van bodembeweging door gaswinning, kan worden vermoed dat ook de overige gevallen, die naar hun aard schade als gevolg van bodembeweging zouden kunnen zijn, aan bodembeweging door gaswinning kunnen worden toegeschreven. Gelet hierop, en op de wens van de Tweede Kamer om voor het aardbevingsgebied in Groningen benadeelden te hulp te komen bij hun bewijsvoering, wordt met artikel I, onderdeel B, in aanvulling op de hiervoor beschreven verbeterde schade-afhandelings-procedure in artikel 6:177a BW een wettelijk bewijsvermoeden opgenomen. Het bewijsvermoeden houdt in dat, indien binnen het effectgebied van het Groningenveld fysieke schade aan gebouwen en werken ontstaat, die naar haar aard schade als gevolg van bodembeweging door de gaswinning zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade door gaswinning veroorzaakt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee wordt de positie van de benadeelde in discussies over het causaal verband tussen de schade en de mijnbouwactiviteiten versterkt. Met dit wettelijk vermoeden moet de benadeelde stellen dat zich fysieke schade heeft voorgedaan aan een gebouw of werk binnen het effect-gebied van het Groningenveld, die naar haar aard schade als gevolg van bodembeweging door gaswinning zou kunnen zijn. Daaruit ontstaat dan voor de rechter het vermoeden dat de schade het gevolg is van de gaswinning. Het is dan aan de exploitant om dit vermoeden te ontzenuwen, door aannemelijk te maken dat bodembeweging door de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk niet de oorzaak is van de schade. Het vermoeden van causaliteit kan door de exploitant dus worden weerlegd door aannemelijk te maken dat de schade niet het gevolg is van bodembeweging door gaswinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan de exploitant bijvoorbeeld doen door aannemelijk te maken dat de schade een andere oorzaak heeft, zoals een bouwkundige oorzaak of weersomstandigheden. Het is dan weer aan de benadeelde om alsnog het causale verband tussen de schade en bodembeweging door gaswinning te bewijzen. Ook kan de exploitant verweer voeren op grond van de artikelen 98 (toerekening naar redelijkheid) of 101 (eigen schuld) van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Het wettelijk bewijsvermoeden wordt beperkt tot schade binnen het effectgebied van het Groningenveld. Zoals hiervoor uiteengezet wordt de introductie van het wettelijk bewijsvermoeden gerechtvaardigd doordat sprake is van een situatie waarin het grootste deel van een groot aantal soortgelijke schadegevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">In situaties en gebieden waar dat niet het geval is, is een zodanige ingreep in de procespositie van partijen niet aangewezen. In andere delen van Nederland blijft daarom de bestaande risicoaansprakelijkheid gelden. Om dezelfde reden geldt het wettelijke bewijsvermoeden uitsluitend voor fysieke schade en niet voor bijvoorbeeld omzetschade van ondernemingen. De verwachting is dat in de komende decennia het Groningenveld leeg zal raken en de gaswinning uiteindelijk zal eindigen. Op termijn zal de bodembeweging dan ook afnemen. Wanneer niet langer sprake is van een situatie waarin vaststaat dat het grootste deel van een groot aantal soortgelijke schadegevallen het gevolg is van gaswinning, ligt het in de rede dat de wetgever het wettelijke bewijsvermoeden heroverweegt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.13 NAM moet toegegeven worden dat het gebruik van de termen ‘ontzenuwen’ en ‘aannemelijk maken’ erop lijkt te wijzen dat significante twijfel aan de juistheid van het vermoeden volstaat. De rest van de uitvoerige parlementaire behandeling wijst mijns inziens echter naar een tegendeelbewijsplicht, ook omdat er uit blijkt dat de medewetgever diverse keren het litigieuze bewijsvermoeden vereenzelvigde met een bewijslastomkering waartegen eerdere bewindslieden zich hadden verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.14 Bij de totstandkoming van de Mijnbouwwet 2002 is een omkering van de bewijslast overwogen die mijnbouwondernemingen zouden nopen aan te tonen dat schade niet door hun activiteiten is ontstaan. Daarvan is het toen niet gekomen omdat de belangen van de bewoners boven het Groningenveld werden geacht voldoende te zijn veiliggesteld door de introductie van risicoaansprakelijkheid van de exploitant van het mijnbouwwerk en door de instelling van de Tcbb. De Tcbb heeft onder meer tot taak om personen bij wie schade is opgetreden of is te verwachten door bodembeweging die redelijkerwijs het gevolg kan zijn van gaswinning of -opslag, desgevraagd inlichtingen te verstrekken over het verband tussen bodembeweging en gaswinning of -opslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.15 De route langs de Tcbb leidde voor de Groningers in de praktijk tot weinig of niets. Dat was voor de Tweede-Kamerleden Ouwehand en Vos in 2015 aanleiding voor een amendement op het wetsvoorstel tot Wijziging van de Mijnbouwwet dat ertoe strekte alsnog de bewijslast om te keren: “Indieners vinden het onacceptabel dat mensen die toch al niet gevraagd hadden om schade aan hun huis ook nog eens worden opgezadeld met de last om aan te tonen dat deze schade veroorzaakt is door de winningsactiviteiten van bedrijven. Het gevolg van de huidige situatie is immers dat burgers extra worden belast én dat er minder schade wordt vergoed. Deze problemen zijn meer dan genoeg duidelijk geworden bij de gaswinning in Groningen, maar de problematiek is breder en is ook bij schade als gevolg van bijvoorbeeld zoutwinning aan de hand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indieners stellen daarom voor de bewijslast om te draaien. In eerdere debatten met de Minister van Economische Zaken erkende de Minister de problemen wel die de huidige situatie oplevert voor de slachtoffers, maar wees het voorstel om de bewijslast om te keren af. In reactie op de motie-Ouwehand (KS 33529-78) heeft de Minister gesteld (TK, vergaderjaar 2013–2014, handelingen 12-8-1) dat hij de bewijslast eigenlijk al bij de exploitant heeft gelegd door de Technische Commissie Bodem Bescherming een oordeel te laten vellen over de vraag of de schade is veroorzaakt door de aardbevingen en daarmee door de aardgaswinning, of dat er iets anders aan de schade ten grondslag ligt. In de praktijk blijkt dat deze route niets heeft opgelost voor de slachtoffers. Dat kan ook niet, zolang het aan de gedupeerden zelf is om te bewijzen dat zij recht hebben op een schadevergoeding. Dit amendement regelt dat de bewijslast bij schade door mijnbouwactiviteiten weer wettelijk wordt neergelegd bij de mijnbouwmaatschappij.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.16 Het amendement werd aangenomen en leidde tot een gewijzigd voorstel van wet. Aan de titel van het wetsvoorstel werd toegevoegd “en wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de omkering van de bewijslast bij schade binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk”. Het gewijzigde voorstel van wet luidde, voor zover hier van belang, als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">ARTIKEL IA In Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden aan artikel 177 vier leden toegevoegd, luidende:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Indien binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk schade ontstaat, die naar zijn aard mijnbouwschade zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk veroorzaakt is. Indien binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk als gevolg van de uitstroming van delfstoffen schade ontstaat, die naar zijn aard mijnbouwschade zou kunnen zijn, wordt vermoed dat de schade het gevolg is van het niet beheersen van de ondergrondse natuurkrachten die door de aanleg of bij de exploitatie van het werk zijn ontketend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Indien mijnbouwschade aan gebouwen en werken is ontstaan, kan de aanwezigheid van direct waarneembare bouwkundige gebreken van invloed zijn op de omvang van de schadevergoeding voor zover dat redelijk is. Aan een gebrek waarvan het aannemelijk is dat het geen schade veroorzaakt zou hebben indien de beweging van de bodem of de uitstroming van delfstoffen zich niet zou hebben voorgedaan, wordt geen gewicht toegekend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>De eigenaar van een gebouw of werk die een beroep doet op het vermoeden, bedoeld in het zesde lid, geeft de tot schadevergoeding aangesproken exploitant op diens verzoek de betreffende vergunning of vergunningen voor het gebouw of werk ter inzage indien hij daarover beschikt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Op verzoek van de wederpartij verstrekt de exploitant alle informatie waarover hij beschikt ten aanzien van de exploitatie, de bodemstructuur, en bodembewegingen die benodigd is om te kunnen beoordelen of zijn verweer gegrond is. In dit verband staat de informatie waarover publiekrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hun adviserende instanties beschikken op verzoek van de exploitant ter beschikking van degene die verhaal voor mijnbouwschade zoekt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op welke wijze het effectgebied van een mijnbouwwerk wordt vastgesteld. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur wordt het gebied waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 van de Mijnbouwwet is afgegeven, geacht zich te bevinden binnen het effectgebied.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.5.17 De Afdeling Advisering van de Raad van State constateerde onduidelijkheid ter zake van het type schade (schade aan gebouwen en werken, of vermogensschade in brede zin?) en de afbakening van het effectgebied. In haar advies wordt voor het eerst in verband met de bewijslastverdeling de term ‘aannemelijk maken’ gebruikt: “(…) verschuift de bewijslast naar de wederpartij, de exploitant, die om de schadeclaim af te weren aannemelijk zal moeten maken dat de schade toch niet door de aanleg/exploitatie van het mijnbouwwerk is ontstaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de Afdeling Advisering wordt ten laste van de exploitant de oorzakelijkheid voorondersteld als niet aannemelijk gemaakt kan worden dat de schade door gaswinning is veroorzaakt, maar evenmin dat dat niet het geval is. Zij achtte de uitkomst dat daardoor in “het grijze gebied” schade kan worden vergoed die de facto niet door de exploitant is veroorzaakt kennelijk acceptabel: “Vraag 2 betreft de mogelijkheden om tegenbewijs te leveren in het licht van de vrijheid van de rechter om de bewijslast naar redelijkheid en billijkheid te verdelen, en op de verhouding van het amendement tot het beginsel dat niemand schade hoeft te vergoeden die hij niet heeft veroorzaakt. Indien het amendement tot wet is verheven, is er geen ruimte meer - ook niet op grond van overwegingen van redelijkheid en billijkheid - om de bewijslast in het ‘grijze gebied’ zo te verdelen dat het aan de gedupeerde is om het causale verband tussen de aardbeving en de schade aan te tonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel is het mogelijk dat de bewijslast alsnog, door het gewicht van het tegenbewijs van de exploitant, bij de benadeelde komt te liggen. Dit is het geval als de exploitant aannemelijk weet te maken dat er geen causaal verband is tussen de schade en de aardbevingen. Het is dan vervolgens weer aan de gedupeerde om alsnog het causale verband aan te tonen. Dit is geen ondenkbaar scenario, onder meer omdat in het algemeen, voordat een gerechtelijke procedure wordt gestart, de buitengerechtelijke procedure zal zijn doorlopen en er dus rapportages van de exploitant voorhanden kunnen zijn waarin is opgenomen dat er geen causaal verband is of dat de schade gedeeltelijk is veroorzaakt door andere oorzaken dan de gaswinning. Ook kan de exploitant verweren voeren op grond van de artikel 6:98 BW (toerekening naar redelijkheid) en artikel 6:101 BW (eigen schuld). Naar het oordeel van de Afdeling is met het bij het amendement in te voegen zevende lid van artikel 6:177 BW dan ook niet beoogd van deze algemene regels af te wijken. De Afdeling gaat hier nader op in bij de bespreking van de technische aspecten (f).</p>\n<p class=\"lf-p\">In antwoord op de vraag over de verhouding van het amendement tot het beginsel dat niemand schade behoeft te vergoeden die hij niet heeft veroorzaakt, merkt de Afdeling op dat invoering van een bewijsvermoeden per definitie met zich meebrengt dat het kan voorkomen dat iemand schade moet vergoeden die hij niet heeft veroorzaakt. Het gaat hierbij echter alleen om die gevallen waarin niet aangetoond kan worden waardoor de schade wordt veroorzaakt (het eerder genoemde ‘grijze gebied’), dat wil zeggen wanneer noch aannemelijk gemaakt kan worden dat de schade door gaswinning is veroorzaakt, noch dat dat niet het geval is. Het bewijsvermoeden - in dit grijze gebied wordt ten laste van de exploitant de oorzakelijkheid voorondersteld - brengt met zich dat in bepaalde gevallen schadevergoeding toegekend zal worden, ook al is de schade de facto niet door de exploitant veroorzaakt. In zoverre vormt het amendement een uitzondering op het beginsel van het aansprakelijkheidsrecht dat niemand aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die hij niet heeft veroorzaakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk op dat in de laatste alinea de termen ‘aantonen’ en ‘aannemelijk maken’ door elkaar worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.18 De minister heeft daarop de Kamer meegedeeld dat, uitgaande van dier wens om de bewijslast om te keren, en met inachtneming van de voorlichting door de Afdeling Advisering, in een novelle voor de Groningse situatie bij fysieke schade aan bouwwerken een wettelijk bewijsvermoeden zou worden opgenomen. Die novelle is het wetsvoorstel ‘Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen’ dat de ‘Wet tot wijziging van de Mijnbouwwet’ weer wijzigde. Die novelle bevatte art. 6:177a BW. De door NAM geciteerde MvT (zie 4.5.10) is de MvT bij die novelle.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.19 Bij de voortgezette behandeling van de wetsvoorstellen ‘Wijziging van de Mijnbouwwet’ en ‘Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen’ zei de minister van EZ dat “het wettelijk bewijsvermoeden, dat [is wat] we voorheen ‘omkering van de bewijslast’ noemden” en dat met het wetsvoorstel “omkering van de bewijslast oftewel een bewijsvermoeden [wordt] geregeld”. De minister zei verder: “Met een wettelijk bewijsvermoeden wordt een afwijking gemaakt van de hoofdregel die stelt: wie iets beweert, moet dat ook bewijzen. In de situatie die ik net beschreven heb, is een bewijsvermoeden, oftewel omkering van de bewijslast, volgens de Raad van State gerechtvaardigd. In de situatie die zich bij de gaswinning in Groningen voordoet, is het duidelijk dat het gaat om een groot aantal schadegevallen met allemaal dezelfde achtergrond, althans in het overgrote deel van de gevallen. Daar is dus een redelijke basis voor de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elders in Nederland zijn er andere soorten mijnbouwactiviteiten, ook gaswinning in veel kleinere velden. Dan is er sprake van andere schadegevallen. Dan kan er geen groot aantal gelijksoortige schadegevallen worden vastgesteld en is er ook niet één oorzaak aan te wijzen. Het is dan heel goed om de normale wettelijke regels in dit land voor dit soort zaken toe te passen. Als een rechter vindt dat hij de bewijslast bij één instantie moet leggen, bijvoorbeeld bij degene die het gas gewonnen en mogelijk de schade veroorzaakt heeft, kan de rechter zeggen dat de hele bewijslast bij de mogelijke veroorzaker wordt neergelegd en niet bij de schademelder. Dat houden die regels in en dat maakt de rechter individueel uit. Ik denk dat dat een goed systeem is om in het hele land toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede beperking waar ik op moet ingaan, is de beperking tot fysieke schade aan gebouwen en werken. Deze fysieke schade aan gebouwen en werken komt vaak voor, is gelijksoortig en heeft vermoedelijk dezelfde oorzaak. Andere vormen van schade moeten natuurlijk ook vergoed worden. Het is niet zo dat alleen maar de fysieke schade vergoed moet worden. Alle schade moet vergoed worden. Bij andere dan fysieke schade, zijn er heel verschillende vormen en oorzaken. Daar is dus niet één grote lijn uit te halen. De normale procedure die wij hiervoor hebben, stelt dat de rechter de bewijslast bij een andere partij kan leggen. Ik denk dat het allemaal keurig toegepast kan worden en dat wij het zo moeten laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteindelijk is ook nog het gebied waar de schade zich voordoet, aan de orde en de manier waarop dat afgebakend moet worden. Eerder hebben wij besloten dat wij het effectgebied bepalen door het te omschrijven. Het omschreven gebied valt onder de omkering van de bewijslast, dus onder het bewijsvermoeden. Maar bij nadere besprekingen met alle betrokkenen daarover bleek dat zo'n harde grens als zeer arbitrair ervaren werd. De opvatting was dat de mogelijkheid niet mocht worden uitgesloten dat ook buiten zo'n zogenaamde harde grens wel degelijk iets veroorzaakt was door wat zich binnen het zogenaamde effectgebied afspeelde. Wij hebben er toen voor gekozen - dat is nu ook vastgelegd in het wetsvoorstel dat voorligt - om het aan de rechter over te laten om te bepalen of de schade die is ontstaan, naar haar aard redelijkerwijs veroorzaakt is door de gaswinning uit het Groningenveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat er geen vastgestelde harde grens is, maar dat in de loop van de tijd uit de jurisprudentie naar voren zal komen hoe dat precies moet worden ingevuld. Ik denk dat wij hiermee recht doen aan de wensen van de mensen in het gebied. Het is zo dat men juist gefixeerd raakt op harde grenzen. Men heeft de overtuiging dat er geen recht gedaan wordt door aan te geven: het gaat om het Groningenveld, dat is het veld waar de problemen zijn en waar dus ook een regeling voor getroffen moet worden. Hoe dit dan precies in de praktijk voor de grensgevallen toegepast moet worden, laten wij aan het oordeel van de rechter over. Die zal jurisprudentie vormen. Na een grondige voorbereiding en veel overleg denk ik dat dat uiteindelijk de beste invulling is die wij hier op dit moment aan kunnen geven. (…). Het bewijsvermoeden voor fysieke schade verandert helemaal niets aan de regels voor andere vormen van schade. Die worden toegepast.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.20 Hieruit volgt dat de medewetgever het litigieuze bewijsvermoeden zag als hetzelfde als de omkering van de bewijslast waar hij zich eerder tegen had verzet, althans dat hij het onderscheid tussen omkering en wettelijk vermoeden niet scherp op het netvlies had. Art. 6:177a BW is immers geen omkering van de bewijslast maar een weerlegbaar wettelijk bewijsvermoeden, maar uit de geciteerde wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever iets wilde – en er ook van uitging dat hij dat geregeld had – dat omkering van de bewijslast benadert. Aan het tegenbewijs moeten daarom hoge eisen worden gesteld en significante resterende onzekerheid komt mijns inziens daarom voor risico van de exploitant.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.21 Gezien deze totstandkomingsgeschiedenis lijken mij de boven (4.5.2) geciteerde passages van het advies van Hammerstein c.s. correct. De vraag hoe ver het tegenbewijs moet gaan, beantwoorden zij mijns inziens terecht aldus dat het tegendeel, dus de onjuistheid van het wettelijke vermoeden moet worden bewezen, en dat het doen rijzen van significante twijfel aan de juistheid van het wettelijke vermoeden dus onvoldoende is. De vraag welke kracht dat tegendeelbewijs moet hebben, wordt op basis van de wetsgeschiedenis mijns inziens terecht aldus beantwoord dat ‘aannemelijk’ moet worden gemaakt dat de schade een andere oorzaak heeft, maar dat daarbij in het oog moet worden gehouden dat de wetgever duidelijk rechtsbescherming van gelaedeerde Groningers beoogde. Ook ik meen dat de rechter overtuigd moet zijn en in zijn vonnis moet kunnen verantwoorden dat en waarom hij aannemelijk acht dat de schade niet het gevolg is of kan zijn van de gaswinning (dus een andere oorzaak heeft). Resteert na bewijslevering onzekerheid die overtuiging de ene of de andere kant op in de weg staat (het ‘grijze gebied’ van de Afdeling Advisering), dan komt die voor risico van de exploitant.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.22 Ik merk daarbij op dat, analoog aan de regelgeving en uw rechtspraak over de zorgplicht van ‘grondroerders’ – die eerst moeten uitzoeken waar de kabels liggen voordat ze gaan graven of damwanden slaan – NAM een nulmeting had kunnen doen in de gebieden met het hoogste risico (van het bestaan en de omvang waarvan NAM het beste op de hoogte was), met name na de eerste zware beving in Huizinge (2012), bijvoorbeeld door het (met toestemming) aanbrengen van meetbouten en het nemen van foto’s. Door dat niet te doen, heeft NAM zich enerzijds de hoge kosten van zo’n nulmeting bespaard, en anderzijds de – na de beving bij Huizinge te verwachten – onzekerheid in de hand gewerkt omtrent de vraag welke (toekomstige) fysieke schade aan gebouwen niet zou (zijn) op(ge)treden zonder de na Huizinge 2012 optredende aardbevingen. Dat kan een bijkomende rechtvaardiging zijn om onzekerheid over de oorzaak van gebouwschade voor risico van NAM te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Vraag 6 : Als bij de partij die schade lijdt als gevolg van mijnbouwactiviteiten waarvoor de exploitant aansprakelijk is, sprake is van een (al dan niet latente) kwetsbaarheid van hemzelf en/of van de aan hem toebehorende onroerende zaak, dient de exploitant alle schade te vergoeden die als gevolg van de mijnbouwactiviteiten is ontstaan of verergerd of is er ruimte voor het oordeel dat vanwege die (al dan niet latente) kwetsbaarheid niet alle schade op de voet van artikel 6:98 BW naar redelijkheid aan de exploitant kan worden toegerekend dan wel dat de schade deels voor rekening komt voor de eigenaar vanwege eigen schuld of voordeelverrekening?</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene opmerkingen 4.6.1 Alleen [eisers] en NAM gaan op deze vraag in. De Staat en EBN verwijzen naar de schriftelijke opmerkingen van NAM. [eisers] en NAM hebben over deze vraag geen nadere schriftelijke opmerkingen gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.2 Of schade naar redelijkheid kan worden toegerekend is geen vraag van bewijs, maar een rechtsvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.3 De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 5 oktober 2016 (zie onderdeel 6.7-6.9 van de bijlage) in een andere procedure al geoordeeld dat de kwetsbaarheid van een persoon of onroerende zaak in beginsel het causaal verband tussen de aardbeving en de schade niet doorbreekt: “Van het vereiste causale verband is sprake als de schade in zodanig verband staat met de aardbevingen, dat zij NAM en EBN, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van de aardbevingen kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). De rechtbank acht bij het toepassen van deze maatstaf in dit geval van belang dat gaswinning naar haar aard het risico op schade meebrengt; binnen een bepaald effectgebied is schade naar ervaringsregels redelijkerwijs te verwachten. Verder is van belang dat het bij aansprakelijkheid op grond van artikel 6:177 BW gaat om een vergaande risicoaansprakelijkheid die is ingevoerd in het kader van de verbetering van de (rechts)bescherming van derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de invoering van de Mbw en de uitbreiding daarbij van artikel 6:177 BW tot aansprakelijkheid voor schade als gevolg van bodembeweging zijn het belang van de burger bij het uitblijven van schade en het belang van de gemeenschap bij mijnbouwactiviteit gewogen: de burger moet vergunde mijnbouw-activiteit gedogen en de exploitant heeft de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat schade wordt veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van de winning. Niettemin kan schade ontstaan. Die schade moet dan niet voor rekening komen van degene die moet gedogen, maar voor rekening van degene wiens activiteiten aanleiding zijn (geweest) voor het ontstaan ervan en die van deze activiteiten economisch profijt heeft (kamerstukken 26 219, nr. 3, § 6.6 en § 11.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij moet daarbij de slachtoffers en de aan hen toebehorende onroerende goederen, nemen zoals deze zijn. Dat wil zeggen dat schade die mede voortvloeit uit een bepaalde latente kwetsbaarheid van het slachtoffer en/of het onroerend goed in beginsel het causaal verband tussen de aardbeving en de schade niet doorbreekt en dus door de veroorzaker (volledig) moet worden vergoed.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt [eisers] 4.6.4 onderscheiden personen van onroerende zaken. Ter zake van kwetsbaarheid van personen stellen zij onder verwijzing naar vaste jurisprudentie dat een bepaalde predispositie van een persoon in beginsel niet aan toerekening van letselschade in de weg staat. Zij zien geen reden hierover anders te oordelen bij de gedupeerden van de gaswinning in Groningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.5 Met betrekking tot kwetsbaarheid van onroerende zaken stellen [eisers] dat voor vergoeding in aanmerking komen de kosten om de woningen bewoonbaar te houden en andere specifieke kosten die het directe gevolg zijn van de beschadigingen door de bevingen. De benadeelde moet zoveel mogelijk in de positie worden gebracht waarin hij zonder schadeveroorzakende gebeurtenis zou hebben verkeerd. [eisers] gaan vervolgens in op de vragen of kwetsbaarheid van de onroerende zaak een rol speelt bij de beoordeling van eigen schuld en of ruimte bestaat is voor voordeelstoerekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.6 Voor eigen schuld zien zij geen plaats bij een kwetsbaarheid die pas door de aardbevingen een cruciale rol gaat spelen. De bewoners moeten in de positie worden gebracht waarin zij verkeerden zonder schadeveroorzakende gebeurtenis; dat is de situatie waarin zij ondanks die kwetsbaarheid gebruik konden maken van de onroerende zaak. Zij zien op dit punt te minder aanleiding voor matiging op grond van eigen schuld, gegeven de veronachtzaming van de belangen van de bewoners van het Groningenveld door de gedaagden (geen onderzoek vooraf, onvoldoende maatregelen tijdens de winning en gebrekkige afhandeling van de schade) en de door de gedaagden genoten miljardenwinsten. Het kan de gedupeerden niet worden verweten dat zij geen schadebeperkende maatregelen hebben genomen, nu jarenlang is volgehouden dat geen significante aardschokken waren te verwachten en nagelaten is om tijdig bouwvereisten om aardbevingsschade te voorkomen in de wet op te nemen. Het waren veeleer de Staat en de (maten in de) maatschap die bij machte waren de schade te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.7 [eisers] menen dat in het geval van de gedupeerde Groningers toerekening van voordeel door herstelwerkzaamheden niet snel redelijk is, nu zij schade hebben geleden in een van de belangrijkste zaken die een mens heeft – zijn woning – en zij al jaren onveiligheid, onduidelijkheid en onzekerheid moeten ondergaan door het lakse optreden van de gedaagden bij het treffen van maatregelen en het toekennen van schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt NAM 4.6.8 Ook NAM maakt onderscheid tussen personen en onroerende zaken. Over kwetsbaarheid van personen merkt NAM op ook bij predispositie van een persoon aanleiding kan bestaan een schadevergoeding op grond van art. 6:98 of 6:101 BW te verminderen. Uitgangspunt is wel dat bij letselschade eerder wordt toegerekend dan bij zaakschade, zo volgt onder meer uit de vaste jurisprudentie dat ook de gevolgen van een persoonlijke predispositie die buiten normale verwachtingen liggen, zoals uitblijven van herstel, ex art. 6:98 BW aan de schadeveroorzakende gebeurtenis worden toegerekend, behalve als de benadeelde, diens persoonlijkheidsstructuur in aanmerking genomen, zich onvoldoende inspant voor herstel. Toch kan een persoonlijke predispositie van betekenis zijn voor de schadebegroting omdat die ook in een scenario zonder ongeval haar nadelige invloed zou hebben kunnen doen gelden. Dezelfde uitgangspunten gelden volgens NAM als sprake zou zijn van letselschade door aardbevingen en ook als geen sprake is van letselschade, maar een partij die smartengeld vordert, (ernstige) psychische belasting of zelfs geestelijk letsel door aardbevingen stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.9 Bij zaakschade wordt volgens NAM minder snel toegerekend dan bij letselschade. Haars inziens moet bij zaakschade veel sterker rekening worden gehouden met al dan niet latente kwetsbaarheid van een onroerende zaak die door aardbevingen is beschadigd. Bij zaakschade is dus zeer relevant of de onroerende zaak kwetsbaar was als gevolg van bouwkundige gebreken of achterstallig onderhoud. Raakt een al latent kwetsbaar gebouw als gevolg van trilling door een aardbeving beschadigd, dan acht NAM zich niet gehouden om de herstelkosten geheel te vergoeden. Een deel van de schade kan dan niet ex art. 6:98 BW worden toegerekend aan de aardbeving of komt wegens eigen schuld voor rekening van de eigenaar. Ook bij de schadebegroting kan rekening worden gehouden met de al dan niet latente kwetsbaarheid van de zaak. Het uitgangspunt van volledige schadevergoeding brengt mee dat de eigenaar van de beschadigde zaak zoveel mogelijk moet worden gebracht in de situatie vóór de beschadiging; dat is de situatie waarin hij een zaak had die door bijvoorbeeld bouwkundige gebreken of achterstallig (groot) onderhoud relatief minder waard was. Dat wordt niet anders als de schade abstract wordt begroot op basis van de objectieve herstelkosten die bij zaakbeschadiging aan de orde is. Er moet dus een aftrek ‘nieuw voor oud’ worden toegepast, eventueel door voordeelverrekening (art. 6:100 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording 4.6.10 Bijzondere kwetsbaarheid van een persoon of zaak kan reden zijn voor vermindering van de schadevergoedingsplicht ex art. 6:98, 6:100 of 6:101 BW. Dat lijkt mij niet anders bij schade door mijnbouwactiviteiten waarvoor de exploitant risico-aansprakelijk is. De rechtspraak en literatuur gaat over de aansprakelijkheden ex. art. 6:74, 6:162 en 7:658 BW, maar ik zie geen reden waarom het anders zou zijn als de aansprakelijkheid berust op art. 6:177 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personenschade 4.6.11 Bij personenschade heeft de laedens de gelaedeerde in beginsel te nemen zoals hij is. Dat vloeit voort uit het uitgangspunt van concrete schadevergoeding in het letselschaderecht: de vergoeding kan niet worden beperkt tot het nadeel dat een (robuustere of gemiddelde) andere persoon in overigens gelijke omstandigheden zou hebben geleden. Het slachtoffer moet zoveel mogelijk worden gebracht in de situatie zonder schadeveroorzakende gebeurtenis. Onverschillig is dan welke ‘normale’ schade door een doorsnee persoon zou zijn geleden. Ook de kwetsbare mens heeft recht op vergoeding van zijn schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.12 In de literatuur is bepleit om bijzondere kwetsbaarheid bij de toepassing van art. 6:101 BW te betrekken en de aansprakelijkheid te verdelen. Ik betwijfel of bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer een hem toe te rekenen omstandigheid is in de zin van art. 6:101 BW. Heersend lijkt mij de opvatting dat bij de toerekening ex art. 6:98 BW de laedens de gelaedeerde heeft te nemen zoals hij is. Aansprakelijkheid strekt zich, gezien art. 6:98 BW, ook uit tot gevolgen van bijzondere kwetsbaarheid die zich door de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust hebben gerealiseerd en waarvan aannemelijk is dat zij zich zonder die gebeurtenis niet zouden hebben voorgedaan. Dat kan in bijzondere omstandigheden anders zijn, met name als het slachtoffer zich onvoldoende inspant om te herstellen, maar daarvan zal denkelijk niet snel sprake zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere kwetsbaarheid kan echter wel van invloed zijn op de schadebegroting. Als aannemelijk is dat die kwetsbaarheid op enig ander moment ook zonder de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust de gezondheid van het slachtoffer zou hebben benadeeld, beperkt dat de schadevergoedingsplicht. In de persoon gelegen factoren mogen alleen als daartoe een concrete aanwijzing bestaat ten nadele van het slachtoffer in aanmerking worden genomen. Verkorting van de termijn waarin zich schade-invloed doet gevoelen vanwege een veronderstelde predispositie van het slachtoffer vereist dan ook adequate motivering. Het zal niet steeds eenvoudig zijn om vast te stellen of en zo ja, wanneer en in welke mate de gevolgen van de bijzondere gesteldheid zich ook zonder de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis zouden hebben voorgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.13 Het in 4.6.11 en 4.6.12 besprokene geldt ook als een partij die smartengeld vordert een (ernstige) psychische belasting stelt, of geestelijk letsel, door aardbevingen, waarover meer bij de bespreking van vraag 9a.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.14 Ik zie niet hoe bij personen met een bijzondere kwetsbaarheid art. 6:100 BW een rol zou kunnen spelen, in die zin dat zich een te verrekenen voordeel voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaakschade 4.6.15 Bij zaken is er minder reden om ervan uit te gaan dat de laedens de beschadigde zaak heeft te nemen zoals die was. Als de bijzondere kwetsbaarheid van een zaak heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade of de omvang daarvan en de kwetsbaarheid is te wijten aan gebreken van de zaak of aan gebrek aan zorg door de eigenaar, is de schade in beginsel in zoverre niet aan de laedens maar aan de eigenaar toe te rekenen. Zaakschade wordt ex art. 6:98 BW minder snel toegerekend dan personenschade, en gebrek aan zorg en onderhoud is gewone eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW, zodat beide routes geschikt zijn om een eventuele gebrekkige anterieure staat van de zaak aan de eiser toe te rekenen. Brunner heeft treffend verwoord waarom er bij zaken meer dan bij personen reden bestaat om bij de toerekening rekening te houden met bijzondere kwetsbaarheid: “De HR geeft geen argumenten voor zijn oordeel, deed dat ook niet in zijn vroegere arresten. Die argumenten zijn er wel. In de eerste plaats moet worden bedacht, dat aan mensen niet de eis kan worden gesteld, dat zij gemiddeld gezond en robuust zijn, een eis die wel aan zaken kan worden gesteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij past enige nuancering, nu Brunner ongetwijfeld niet gedacht zal hebben aan aardbevingen. In Nederland kon men (tot voor zeer kort) niet de eis stellen dat woningen of andere gebouwen aardbevingsbestendig zijn. De vraag is dus hoe relevant een zaakeigen gebrek is in verband met aardbevingen, met name of dat gebrek ook ooit gebruiks- of waarderelevant aan de dag getreden zou zijn als er geen aardbevingen waren geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.16 Maar het in 4.6.3 hierboven geciteerde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 oktober 2016 (en dat van 15 november 2017) lijkt mij op het punt van zaakschade dus niet volledig juist. In het algemeen kan niet worden gesteld dat schade die mede voortvloeit uit een bijzondere, al dan niet latente kwetsbaarheid van een onroerende zaak door de veroorzaker (volledig) moet worden vergoed. Anders dan [eisers] , zie ik geen overtuigende redelijkheids- of billijkheidsaanleiding om schade die mede een gevolg is van zaakeigen gebreken of gebrek aan (groot) onderhoud aan onroerende zaken binnen het effectgebied van gaswinning uit het Groningenveld onder art. 6:98 BW uitsluitend toe te rekenen aan de veroorzaker van de aardbeving of om art. 6:101 BW (eigen schuld) buiten toepassing te laten, maar ik herhaal dat men in Nederland (tot voor zeer kort) niet de eis kon stellen dat woningen aardbevingsbestendig zijn, dat relevant is of gevolgen van een zaakeigen gebrek ook (ooit) aan de dag getreden zouden zijn als er geen aardbevingen waren geweest en dat NAM een nulmeting had kunnen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij historische gebouwen zoals een kerk uit 1500, een boerderij uit 1700, een herenhuis uit 1900, of een school uit 1950 kunnen geen hedendaagse bouweisen gesteld worden en van aardbevingen had men toen in Groningen nooit gehoord. De stad Groningen heeft een prestigieus hoog- en nieuwbouwproject, het Groninger Forum, moeten stilleggen omdat het niet aardbevingsbestendig was ontworpen. Volgens RTV-Noord heeft NAM € 68 miljoen betaald om het alsnog aardbevingsbestendig te maken, waarna het gedeeltelijk is afgebroken en alsnog (zware-)aardbevingsbestendig wordt afgebouwd. Ik herhaal mijn opmerking (4.5.22), geïnspireerd door de zorgplicht van ‘grondroerders’, dat NAM een nulmeting had kunnen doen in de gebieden met het hoogste risico.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.17 Met bijzondere kwetsbaarheid kan ook (derde route) rekening worden gehouden bij de schadebegroting. Volledige schadevergoeding betekent dat het slachtoffer in een situatie wordt gebracht die financieel de oude is en die dus het geval van een zaak met een gebrek zo goed mogelijk benadert. Ook bij een abstract schadebegrip zoals bij zaakschade moet met de verbetering ‘nieuw voor oud’ rekening worden gehouden. Anders dan bij personenschade kan bij zaakschade dan ook art. 6:100 BW (voordeelverrekening) worden toegepast. Waardevermeerdering als gevolg van schadeherstel kan op de schadevergoeding in mindering worden gebracht. Ik zie geen overtuigende redelijkheids- of billijkheidsredenen om bij schade aan onroerende zaken binnen het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld art. 6:100 BW geheel buiten toepassing te laten, maar plaats daarbij dezelfde kanttekeningen als in 4.6.15 en 4.6.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Vraag 7 : a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan waardedaling van een woning als gevolg van het risico op aardbevingen als gevolg van gaswinning aangemerkt worden als schade waarvoor de exploitant aansprakelijk is, ook als de schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij verkoop van die woning en, zo ja, wat is de peildatum voor de begroting voor dergelijke schade? b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien vraag 7a. positief beantwoord wordt, geldt dit dan voor alle woningen die blootstaan aan het aardbevingsrisico van het Groningerveld of kan daarbij een gevalsdifferentiatie gemaakt worden, en welke omstandigheden zijn daarbij van belang? c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien vraag 7a. positief beantwoord wordt, in hoeverre hebben de eigenaren van de woning respectievelijk de voor de waardedaling aansprakelijke partijen de mogelijkheid om in geval van verdere waardedaling respectievelijk waardestijging ten opzichte van de peildatum die verdere daling of stijging (alsnog) terug te vorderen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene opmerkingen 4.7.1 Alleen [eisers] en NAM gaan op deze vragen in. De Staat en EBN verwijzen naar de beantwoording door NAM. [eisers] hebben in hun nadere schriftelijke opmerkingen op het standpunt van NAM gereageerd. NAM is in haar nadere schriftelijke opmerkingen niet op deze vragen ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.2 Gezien de brief van de minister van EZ&amp;K aan de Tweede Kamer van 24 april 2019 inzake zijn beleidsvoornemen om het daarbij aan de Kamer aangeboden advies van de Adviescommissie Waardedaling te volgen, lijkt deze vraag een achterhoedegevecht na de slag die is geleverd ten overstaan van het hieronder te citeren gerechtshof Arnhem/Leeuwarden, maar anderzijds is zij een frontliniekwestie, nu het in te stellen IMG het geadviseerde beleid moet uitvoeren volgens de regels van het civiele aansprakelijkheidsrecht, zodat deze prejudiciële procedure dé gelegenheid is om richting aan dat beleid te geven. Die Commissie adviseert om afhankelijk van postcodegebied (geregistreerde bevingsintensiteit) en in vergelijking met een referentiegebied een vergoeding te geven aan zowel bewoners/eigenaren als woningbouwcorporaties naar de peildatum 1 januari 2019, uiteenlopend van gemiddeld circa 2,4% van de WOZ-waarde in Oldambt tot 12,9% in Loppersum. Daarin is begrepen 0,5 tot 4 procentpunt ophoging in verband met ondervonden overlast en onzekerheidsmarge. Met dat laatste gegeven lijkt ook vraag 8 een achterhoedegevecht, maar ook bij die vraag gaat het anderzijds juist om een frontliniekwestie omdat het IMG uw maatstaven moet volgen en deze prejudiciële procedure dus dé gelegenheid is om sturing te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.3 De rechtbank Noord-Nederland heeft zich bij vonnis van 2 september 2015 (zie onderdeel 6.1-6.2 van de bijlage) al over waardedaling van woningen in het effectgebied uitgelaten. Zij heeft voor recht verklaard dat NAM aansprakelijk is voor de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken gelegen in het gebied waar aardbevingen ten gevolge van gaswinning door NAM voorkomen en dat die schade voor vergoeding in aanmerking komt ongeacht of er fysieke schade aan de onroerende zaken is opgetreden en ongeacht of de onroerende zaken al dan niet zijn verkocht. Dat vonnis is door het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd bij arrest van 23 januari 2018 (zie onderdeel 6.3-6.6 van de bijlage), maar opnieuw rechtdoende heeft het hof hetzelfde voor recht verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overwoog dat niet ter discussie staat dat NAM aansprakelijk is voor schade als gevolg van de gaswinning en evenmin dat die schade kan bestaan uit waardevermindering van onroerende zaken zoals woningen. Discussie bestaat wel over de vraag of en zo ja, onder welke voorwaarden, bij de begroting van de schade door waardevermindering van een al dan niet fysiek beschadigde woning ervan kan worden geabstraheerd dat de woning niet is verkocht, dus of de schade vanwege waardevermindering in zoverre abstract kan worden begroot (rov. 8.3). Het hof hechtte groot belang aan de redelijkheid en de doelmatigheid (rov. 8.8). Het hof heeft enige arresten besproken waarin u abstracte begroting van schade door waardevermindering heeft aanvaard (rov. 8.11-8.17).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij achtte de verschillen met het hem voorgelegde geval niet zo groot dat abstracte schadebegroting in dat geval niet daarmee in lijn zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.4 Het hof heeft vervolgens beoordeeld of abstracte schadebegroting in dit geval tot een redelijk resultaat leidt en doelmatig is (rov. 8.18). De door NAM geopperde bezwaren heeft het hof gemotiveerd van de hand gewezen (rov. 8.20 e.v.). Het hof heeft aangenomen dat de aardbevingen een negatief prijseffect hebben en dat niet te verwachten is dat dit effect binnen enkele jaren zal zijn verdwenen (rov. 8.52), dat de schade ook zonder verkoop kan worden begroot (rov. 8.69), dat er weliswaar niet een evidente peildatum is voor de begroting van de schade door waardevermindering los van verkoop (rov. 8.89), maar dat de taxatiedatum in de praktijk goed hanteerbaar is (rov. 8.90). Voor zover hier van belang, heeft het hof vervolgens overwogen: “8.109. (…). Het hof volgt NAM niet in haar betoog dat de schade door de waardevermindering van de woningen niet abstract – los van de vraag of de woningen zijn beschadigd en/of verkocht – kan worden begroot. Daar heeft het hof in aansluiting op hetgeen reeds is overwogen, de volgende redenen voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.110. Abstracte begroting valt, zoals het hof heeft vastgesteld, binnen het gebied dat is afgebakend in de hiervoor besproken arresten van de Hoge Raad. Binnen dat gebied is doorslaggevend of abstracte schadebegroting redelijk en doelmatig is. De schade-oorzaak in deze zaak levert, gelet op wat het hof in de vorige paragraaf heeft overwogen, geen grond op om in dit geval hoge eisen te stellen aan de toelaatbaarheid van abstracte schadebegroting. Daar komt nog bij dat ook uit de in Nederland levende rechtsovertuigingen (vgl. art. 3:12 BW) volgt dat in dit geval geen al te hoge eisen moeten worden gesteld aan de toelaatbaarheid van abstracte schadebegroting. Het hof verwijst in dit verband naar de nadruk die in het regeerakkoord wordt gelegd op een adequate en onafhankelijke afhandeling van alle schade en op de aanbeveling van de mensenrechtencommissie van de VN om te voorzien in “proper compensation”. Geheel ten overvloede wijst het hof nog op een recent advies over – kort gezegd – de wijze van schade-afwikkeling dat op verzoek van de NCG is uitgebracht door prof. mr. W.D.H. Asser, mr. dr. J.E. van de Bunt en prof. mr. A. Hammerstein (de commissie Hammerstein). In dat advies, waar van de zijde van de corporaties bij pleidooi op is gewezen, hanteert de commissie Hammerstein het volgende uitgangspunt (blz. 6): “De Staat der Nederlanden en zijn inwoners hebben in de afgelopen decennia veel profijt gehad van de winning van gas in de provincie Groningen. De inwoners van deze provincie hebben daarvan óók en in toenemende mate hinder en schade ondervonden. Zij hadden en hebben reeds op grond van de aard van de aansprakelijkheid voor de schade recht op een fatsoenlijke en ruimhartige afwikkeling van deze schade en op een volledige vergoeding van de werkelijk geleden schade.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidraad is steeds die van een ruimhartige benadering.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.111. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is voor de toelaatbaarheid van abstracte schadebegroting in dit geval voldoende dat de schade een voldoende structureel karakter heeft, dat begroting van de schade mogelijk is en niet op onoverkomelijke bezwaren vanuit het oogpunt van doelmatigheid stuit en dat de gelaedeerden belang hebben bij abstracte schadebegroting. Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, is in dit geval abstracte schadebegroting redelijk en doelmatig.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.112. Aan de hiervoor vermelde voorwaarden is voldaan. Het hof heeft vastgesteld dat in het gebied waarin de aardbevingen plaatsvinden nog steeds – vijf jaar na Huizinge – sprake is van schade door waardevermindering van woningen en dat deze schade een structureel karakter heeft. Het hof heeft ook vastgesteld dat het mogelijk is om de waardevermindering los van verkoop vast te stellen en dat het op deze wijze begroten van de schade vanuit het oogpunt van doelmatigheid niet onoverkomelijk is. Weliswaar zullen, indien ondanks bereidwillige houding van NAM een model als bedoeld in r.o. 8.75 e.v. uitblijft, hoge uitvoeringslasten kunnen ontstaan, maar dat aspect legt voor het hof onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andere afweging te komen Ten slotte heeft het hof vastgesteld dat de woningeigenaren voldoende belang hebben bij abstracte begroting van hun schade.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.5 Het hof zag geen aanleiding om de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht te wijzigen (rov. 9.7). Voor zover NAM een geografische beperking bepleitte, heeft het hof overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat in gebieden waar gemiddeld geen sprake is van waardevermindering, toch enkele woningen staan die wel in waarde zijn verminderd door de gaswinning (rov. 9.4). Hij heeft NAM niet gevolgd in het betoog dat de verklaring voor recht pas toewijsbaar is ten aanzien van die woningen waarvan vaststaat dat deze in waarde zijn verminderd door het aardbevingsrisico, zodat dit ten aanzien van iedere individuele woning dient te worden vastgesteld (rov 9.5). De verklaring voor recht houdt niet in dat de schade vanwege waardevermindering in alle gevallen abstract moet worden begroot, maar laat ruimte voor concrete schadebegroting, bijvoorbeeld als de desbetreffende woning wel is verkocht (rov. 9.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.6 NAM kon tot 23 april 2018 tegen deze uitspraak in cassatie gaan, maar heeft dat niet gedaan. Naar aanleiding van deze hofuitspraak is op 21 september 2018 de Adviescommissie Waardedaling ingesteld, die moet adviseren over welk van de bestaande modellen voor bepaling van waardedaling van woningen in het Groningse aardbevingsgebied het geschiktst is ter uitvoering van ‘s hofs oordeel dat waardedaling ook los van verkoop van de woning moet worden vergoed. Die Commissie heeft inmiddels geadviseerd en de minister van EZ&amp;K heeft naar aanleiding van haar advies aangekondigd dat het in te stellen IMG ook belast zal worden met de vergoeding van waardevermindering volgens het door de Commissie aanbevolen model van bepaling van waardevermindering van woonhuizen in het effectgebied (zie onderdeel 1.3.7a hierboven en de onderdelen 5.6.8-5.6.9 van de bijlage).</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt [eisers] 4.7.7 bepleiten bevestigende beantwoording van vraag 7a en sluiten daartoe aan bij het geciteerde arrest van het hof Arnhem/Leeuwarden dat zij in lijn achten met vaste jurisprudentie. De schade door waardevermindering (doordat potentiële kopers worden afgeschrikt door het aardbevingsrisico en door het risico dat de woning ook na herstel kwetsbaar is), komt voor vergoeding in aanmerking, ook als die schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij daadwerkelijke verkoop. Als de woning nog niet is verkocht, kan de rechter op grond van art. 6:105 BW de begroting van de toekomstige schade uitstellen of op basis van goede en kwade kansen de schade schatten op het moment dat de vergoeding wordt gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.8 Ad vraag 7b zien [eisers] de wenselijkheid van het abstraheren van individuele omstandigheden en het categoriseren van schade, als dat leidt tot ruimhartige compensatie en snelle afwikkeling. Zij verwijzen zonder verdere toelichting naar productie 99 bij hun inleidende dagvaarding, waarin onder het hoofd “Woningwaarde en schadeloosstelling” een methode wordt voorgesteld om transparant en eenvoudig de normale waardeontwikkeling vast te stellen. Kennelijk achten zij categorisering op die basis mogelijk. Per saldo lijken zij echter vooral bezwaren tegen categorisering te zien, en menen zij dat zoveel mogelijk aangesloten moet worden bij de specifieke omstandigheden van het geval, gegeven de sterk uiteenlopende situaties, de eigen kenmerken van de woningen en de ontoereikendheid van eerdere pogingen tot categorisering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.9 In antwoord op vraag 7c stellen [eisers] dat, voor zover schadebegroting nog niet mogelijk is door onzekerheid over eventuele zich toekomstig manifesterende schade en toekomstige aardbevingen en de schade als gevolg daarvan, de rechter niet kan schatten en de gedupeerden de mogelijkheid moeten hebben de niet in de vergoeding begrepen schade alsnog te vorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt NAM 4.7.10 NAM staat primair ontkennende beantwoording van vraag 7a voor. Zou schade door waardedaling wel voor vergoeding in aanmerking komen los van verkoop, dan moet zij bepaald worden op een taxatiedatum gelegen na het treffen van de maatregelen in verband met de gaswinning en de risico’s op aardbevingen zijn uitgevoerd en de woningmarkt ter plaatse is gestabiliseerd. (Meer) subsidiair stelt zij dat bij vergoeding los van verkoop de schade begroot moet worden naar het moment van de uitspraak van de rechter. Elke andere peildatum vergroot de willekeur en onredelijkheid en biedt verdere speculatiemogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.11 NAM bespreekt de toepassing en rechtvaardiging van abstracte schadevergoeding. Bij waardevermindering van onroerend goed kan haars inziens onder omstandigheden geabstraheerd worden van verkoop van die onroerende zaak en daarmee van realisatie van die vermindering. Wanneer abstracte schadeberekening aangewezen is, kan niet in het algemeen worden gezegd. Rechtvaardiging kan worden gevonden in de doelmatigheid (de schadebegroting wordt afgestemd op de schade zoals die in het algemeen wordt geleden, zodat de omstandigheden van de benadeelde in het concrete geval niet hoeven te worden onderzocht) en redelijkheid (door vergoeding van objectieve herstelkosten wordt de mogelijkheid van feitelijk herstel zeker gesteld en verdwijnt de problematiek van herstel in eigen beheer).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.12 Maar volgens NAM verschilt onze zaak op belangrijke punten van de gevallen waarin tot nu toe vergoeding van waardedaling los van verkoop is toegekend:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>In die gevallen ging het steeds om waardevermindering die het directe gevolg was van zaakbeschadiging, althans reeds ingetreden fysieke inwerking op een onroerende zaak. Dat is hier niet het geval. De litigieuze waardevermindering is vooral het gevolg van het risico op toekomstige aardbevingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>In die eerdere gevallen kon de waarde van de zaak vóór de fysieke inwerking en die in de situatie erna duidelijk bepaald worden. In ons geval is geen tijdstip aan te wijzen waarop de waardedalingsschade geacht kan worden te zijn geleden en ontbreekt dus een tijdstip waarop geabstraheerd kan worden van zich daarna voordoende omstandigheden die van invloed zijn op de omvang van de schade.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Anders dan in die eerdere gevallen, is in onze zaak geen sprake van een afgesloten en gestabiliseerde situatie. NAM wijst op het gunstige effect van de verlaging van de gasproductie, op de lopende versterkings- en verduurzamingsmaatregelen in de regio en op het besluit om de gaswinning zo spoedig mogelijk geheel af te bouwen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Anders dan in die eerdere gevallen betreft onze zaak een in potentie groot aantal huizen, waarvan eventuele schade per individueel geval moet worden vastgesteld en vergoed.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.7.13</p></div>", "next": 238655}