{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het betreft hier ook geen (normale) vordering uit ongerechtvaardigde verrijking – zoals het geval was in het door het onderdeel aangehaalde HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4745, NJ 2008/481 – maar een vordering die gebaseerd is op art. 1:87 lid 1 BW (en art. 3 HV). Overigens kan een enkele besparing van (privé)kosten (of een bevrijding van een (privé)schuld) op zich wel reeds tot een ongerechtvaardigde verrijking leiden, maar dan moet het gaan om een daadwerkelijke besparing (dan wel schuld), d.w.z. dat de vrouw de kosten (of de schuld) anders zelf zou hebben gemaakt of had moeten maken (in die zin (ook) A-G Verkade onder 3.10 vóór het zojuist genoemde arrest). In het kader van een dergelijk vordering is eventueel ook relevant de stelling van de man (in voetnoot 25 van zijn verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep) dat de kosten in kwestie voor rekening van de vrouw als erfpachter kwamen (en dus een schuld van de vrouw vormden), al moet gezegd worden dat deze stelling slechts over de onderlinge relatie tussen de vrouw als erfpachter en de moeder als erfverpachter gaat. Bij een vordering o.g.v. art. 1:87 BW is dat m.i. dus in ieder geval niet reeds voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, nrs. 261-264.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, nrs. 265-267.</p></div>", "next": 0}