{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">k. (Eveneens mede naar aanleiding van vraag 1 onder a:) Intussen veronderstelt de bevoegdheid van de arbiter, behalve een niet-oneerlijk arbitragebeding, óók dat de consument daadwerkelijk de in het arbitragebeding overeengekomen mogelijkheid heeft gehad om binnen de termijn van tenminste een maand voor beslissing van de zaak door de overheidsrechter te kiezen. De voorzieningenrechter dient ook hiernaar ambtshalve onderzoek te doen, en omdat de kwestie het fundamentele recht op toegang tot de rechter betreft, ook zo nodig instructiemaatregelen te nemen. l. De enkele vermelding in het vonnis of het verzoekschrift dat de bedoelde keuze is gegund, is niet afdoende, want kan het karakter van een standaardmededeling dragen, die onvoldoende zekerheid biedt. De verzoeker dient concreet te vermelden wanneer en op welke wijze de bedoelde termijn een aanvang heeft genomen en of binnen de termijn bericht van de consument is ontvangen, en zo ja in welke zin. Van een en ander dient hij bovendien bewijsstukken over te leggen, hetzij spontaan, hetzij na een daartoe door de voorzieningenrechter gegeven opdracht. m. Indien de voorzieningenrechter oordeelt dat het arbitragebeding valt onder art. 6:236 onder n BW en dus onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:233 aanhef en onder a BW, dient hij tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis te weigeren. n. De voorzieningenrechter dient die tenuitvoerlegging ook te weigeren indien hij oordeelt dat het arbitragebeding weliswaar onder de ‘tenzijbepaling’ van art. 6:236 onder n BW valt, maar de consument niet de in het beding overeengekomen mogelijkheid heeft gehad om binnen de termijn van tenminste een maand voor beslissing van de zaak door de overheidsrechter te kiezen. o. (Mede naar aanleiding van de toelichting op vraag 1 onder a in de tussenbeschikking van 25 januari 2019:) De voorzieningenrechter kan zich voor zijn ambtshalve te verrichten onderzoek niet beperken tot een toets aan art. 6:236 onder n BW, omdat het arbitragebeding dat de daar bedoelde ‘tenzijbepaling’ bevat, niettemin in concreto oneerlijk kan zijn. p. (Mede naar aanleiding van vraag 1 onder c:) Voor de toepassing van de vernietigingsgrond van art. 1065 lid 1 sub e Rv moeten de bepalingen van Richtlijn 93/13 EEG en de daarmee samenhangende bepalingen van art. 6:231 e.v. BW worden aangemerkt als bepalingen van openbare orde, dan wel daaraan gelijkwaardig. In verband met art. 1063 lid 1 Rv betekent dit dat indien de voorzieningenrechter over de noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt om te vermoeden dat de inhoud van het arbitrale vonnis wat betreft een of meer bedingen die de toewijsbaarheid van de vordering raken, in strijd is de bepalingen van Richtlijn 93/13 EEG en/of de daarmee samenhangende bepalingen van art. 6:231 e.v. BW, hij de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis eveneens dient te weigeren. Omdat hier niet de toegang tot de door de wet aangewezen rechter in het geding is, maar enkel de juistheid van de inhoud van het arbitrale vonnis, dient de voorzieningenrechter in verband met de norm van een ‘summierlijk onderzoek’ als bedoeld in art. 1063 lid 1 Rv te veronderstellen dat de arbiter de bepalingen van Richtlijn 93/13 EEG en/of de daarmee samenhangende bepalingen van art. 6:231 e.v. BW juist heeft toegepast, tenzij aan de voorzieningenrechter uit de hem ter beschikking staande gegevens het tegendeel blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 In de toelichting op vraag 1 onder a tot en met c zoals opgenomen in de tussenbeschikking van 25 januari 2019 werpt de voorzieningenrechter nog de vraag op in hoeverre een arbitraal vonnis dat geheel of in overwegende mate tot stand is gekomen met toepassing van een algoritme in strijd is met de openbare orde. Ik meen dat tegen toepassing van een algoritme op zichzelf geen bezwaar behoeft te bestaan, zolang onder verantwoordelijkheid van de arbiter het maatwerk plaatsvindt dat hiervoor werd verondersteld. Alleen dit laatste is de toets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag 2. Indien in een arbitraal vonnis buitengerechtelijke kosten zijn toegewezen tegen een natuurlijke persoon maar niet blijkt dat de arbiter heeft onderzocht of de veertiendagenbrief als bedoeld in art. 6:96 lid 6 BW is verstuurd, is het vonnis dan in strijd met de openbare orde of kan de voorzieningenrechter pas tot dit oordeel komen nadat aan de verzoeker over de veertiendagenbrief een toelichting is gevraagd?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Ik bepleitte onder 5.4 consistentie tussen Europees en nationaal consumentenrecht. Dat leidt mij tot de volgende beantwoording van de tweede vraag: q. Voor de toepassing van de vernietigingsgrond van art. 1065 lid 1 sub e Rv moet art. 6:96 lid 6 BW worden aangemerkt als dwingend recht van een zo fundamenteel karakter dat de naleving ervan niet door beperkingen van procesrechtelijke aard mag worden verhinderd. In verband met art. 1063 lid 1 Rv betekent dit dat indien de voorzieningenrechter over de noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt om te vermoeden dat de inhoud van het arbitrale vonnis met art. 6:96 lid 6 BW in strijd is, hij de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis eveneens dient te weigeren. Omdat hier niet de toegang tot de door de wet aangewezen rechter in het geding is, maar enkel de juistheid van de inhoud van het arbitrale vonnis, dient de voorzieningenrechter in verband met de norm van een ‘summierlijk onderzoek’ als bedoeld in art. 1063 lid 1 Rv te veronderstellen dat de arbiter art. 6:96 lid 6 BW juist heeft toegepast, tenzij aan de voorzieningenrechter uit de hem ter beschikking staande gegevens het tegendeel blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Door StAR en KBvG opgeworpen vragen 7.1 Onder 2.8 maakte ik melding van twee door StAR voorgestelde aanvullende vragen. Over die vragen kort het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 De eerste door StAR voorgestelde aanvullende vraag ziet op de toepasselijkheid van art. 6:236 onder n BW op een compromis of aanvullende overeenkomst (bijv. een arbitragebeding als onderdeel van een betalingsregeling). De voorzieningenrechter heeft die vraag terecht niet gesteld, omdat het antwoord op die vraag niet nodig is om op het verzoek te beslissen in de zin van art. 392 lid 1 Rv. Ten overvloede merk ik op dat mijns inziens het antwoord op de vraag niet luidt in de door StAR voorgestane zin, in ieder geval niet zonder meer. Vergelijk wat betreft een compromis hiervoor onder 3.32-3.34, mede in verband met 3.31. Wat betreft een aanvullende overeenkomst, waaronder een betalingsregeling, vergelijk hiervoor onder 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 De tweede door StAR voorgestelde aanvullende vraag ziet op een beweerd gebruik bij de rechtbank Overijssel, volgens welke voor grote hoeveelheden arbitrale vonnissen bij één verzoek verlof voor tenuitvoerlegging kan worden gevraagd. Het is duidelijk dat ook voor deze vraag geldt dat het antwoord op die vraag niet nodig is om op het verzoek te beslissen in de zin van art. 392 lid 1 Rv. Ik zal de vraag daarom niet bespreken. Ik veroorloof mij slechts de opmerking dat de door StAR kennelijk voorgestane besparing op verschuldigde griffierechten wellicht minder goed past bij het maatwerk dat van de voorzieningenrechter in een exequaturprocedure wordt gevergd volgens mijn voorgaande beantwoording van de prejudiciële vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Onder 2.11 vermeldde ik nog een door KBvG voorgestelde vraagstelling. Het verband met de prejudiciële vragen acht ik te dun om die vraagstelling van enigerlei antwoord te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Conclusie De conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen in de als onder 6.2 en 6.4 vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vergelijk de beschikking van de rechtbank van 25 januari 2019, onder 1, 2.1-2.3 en 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van behandeling van het verzoekschrift op 13 februari 2019, p. 1 en de beschikking van de rechtbank van 25 januari 2019, onder 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking van de rechtbank van 27 februari 2019, onder 2.2. Vergelijk proces-verbaal van behandeling van het verzoekschrift, gehouden op 13 februari 2019, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke opmerkingen KBvG, onder 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans (Verbouwing Schijndelse woning).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800, RvdW 2018/1800, JA 2018/176 m.nt. E.J. Wervelman (Nationale Nederlanden). Zie ook de aan het arrest voorafgaande uitvoerige conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2018:788).</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Wissink, conclusie van 5 april 2019 in zaak 18/01151, ECLI:NL:PHR:2019:346 (ABN AMRO/SDB en Euribar), onder 4.17-4.35.</p>\n<p class=\"lf-p\">VC II, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6, p. 1546-1547.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder meer HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1563, NJ 2004/567 m.nt. Jac. Hijma (Parkwoningen Hoge Weide), onder 3.4.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800, RvdW 2018/1088, JA 2018/176 m.nt. E.J. Wervelman (Nationale Nederlanden), onder 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opnieuw HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800, RvdW 2018/1088 (Nationale Nederlanden), nu onder 3.4.2, met verwijzing naar onder andere HvJ EU 3 september 2015, C-110/14, ECLI:EU:C:2015:538, NJ 2016/339 m.nt. M.B.M. Loos (Costea), onder 21-23.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 (Nationale Nederlanden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder meer HvJ EU 20 september 2017, C-186/16, ECLI:EU:C:2017:703, NJ 2018/248 (Banca Romaneasca), onder 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wandeling spreekt men wel van de ‘blauwe lijst’, ter onderscheiding van de nationale ‘zwarte lijst’ van art. 6:236 BW respectievelijk de ‘grijze lijst’ van art. 6:237 BW. Voor binnenlands gebruik is de aanduiding van de lijst van de bijlage bij Richtlijn 93/13 EEG als ‘grijze lijst’ minder geschikt. Het Hof van Justitie bezigt die aanduiding intussen wel in HvJ EU 26 februari 2015, ECLI:EU:C:2015:127 (Matei), onder 60.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 1 april 2004, ECLI:EU:C:2004:209, NJ 2005/75 (Freiburger Kommunalbauten), onder 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341, NJ 2013/487 m.nt. M.R. Mok (Verhuur van woning te Alkmaar), onder 55.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 3 april 2014, ECLI:EU:C:2014:1857, TvA 2014/60 m.nt. F.R. Meerdink (Raiffeisen Bank Zrt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles vaste rechtspraak sinds HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans (Verbouwing Schijndelse woning), onder 3.9.1 en 3.9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274, m.nt. H.B. Krans (Verbouwing Schijndelse woning), onder 3.7.2 en 3.7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde, meest recente rapport van mei 2018 is te vinden op de website van de Rechtspraak, op het adres https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-at-III-31-juli-2018.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder meer HvJ EG 1 april 2004, ECLI:EU:C:2004:209, NJ 2005/75 (Freiburger Kommunalbauten), onder 21-23. Vergelijk HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6135, NJ 2013/431 m.nt. H.J. Snijders (Verbouwing woning te Franeker), onder 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33611, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opnieuw MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33611, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Bju 2018, nr. 286; B. Wessels en R.H.C. Jongeneel (red) e.a., Algemene Voorwaarden, Recht en Praktijk CA1, Deventer: Kluwer 2017, p. 303-304.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk HvJ EU 18 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:146, NJ 2010/382 m.nt. M.R. Mok (Telecom Italia SpA), onder 58. Vergelijk D.E. Thiescheffer, E-court naast overheidsrechtspraak, Weert: Celsus 2018, p. 78.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 3 april 2014, ECLI:EU:C:2014:1857 (Raiffeisen Bank Zrt).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 30 april 2014, ECLI:EU:C:2014:282, NJ 2014/355 m.nt. M.R. Mok (Jelzálogbank), onder 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat zou passen bij de opvatting van Sieburgh dat vermelding op de lijst de rechter ‘eerder’ (klaarblijkelijk: dan zonder die vermelding) tot het oordeel behoort te brengen dat het beding onredelijk bezwarend is. Zie Asser/Sieburgh 6-III 2018/480.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Bju 2018, nr. 286; B. Wessels en R.H.C. Jongeneel (red) e.a., Algemene Voorwaarden, Recht en Praktijk CA1, Deventer: Kluwer 2017, p. 303-304.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HvJ EU 3 april 2014, ECLI:EU:C:2014:1857, TvA 2014/60 m.nt. F.R. Meerdink (Raiffeisen Bank Zrt), onder 33 (hiervoor onder 3.25 geciteerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wetsgeschiedenis van de bepaling vond ik geen uitdrukkelijke overwegingen voor het vereiste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevestigend C.M.D.S. Pavillion, Over doorwerking van Europese richtlijnen en de ambtshalve toetsing aan art. 6:233 onder a BW, TBR 2016/86, met een ontkennend naschrift van J.H. Meerburg. Ook ontkennend: M. Niesen &amp; Y.R.R.R. de Mul, Arbitraal beding: oneerlijk/onredelijk bezwarend?, TvA 2016/24, p. 32-34. Betwijfelend: G.J. Meijer, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op art. 1021 Rv, aant. 3, onder c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk in dit verband: HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:818, RvdW 2018/690, onder 3.6 (in het bijzonder het slot).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236, NJ 2017/282 m.nt. Jac. Hijma (telefoonabonnement II), onder 3.11.1 en 3.11.2. Zie ook A.G.F. Ancery &amp; H.B. Krans, Ambtshalve toepassing van consumentenrecht: grensbepaling en praktische kwesties, AA20160825, p. 828.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 21 maart 2013, EU:C:2013:180, NJ 2013/375 (RWE Vertrieb), onder 44; HvJ EU 30 april 2014, ECLI:EU:C:2014:282, NJ 2014/355 m.nt. M.R. Mok (Jelzálogbank), onder 71-72; HvJ EU 23 april 2015, ECLI:EU:C:2015:262 (CNP Assurances), onder 40-41; HvJ EU 20 september 2017, ECLI:EU:C:2017:703, NJ 2018/248 (Banca Românească), onder 44-48.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 6 oktober 2009, ECLI:EU:C:2009:615, NJ 2010/11 m.nt. M.R. Mok (Asturcom).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 16 november 2010, ECLI:EU:C:2010:685 (Pohotovosť).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 16 november 2010, ECLI:EU:C:2010:685 (Pohotovosť) onder 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 28 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:602, AB 2016/296 m.nt. R. Ortlep (Ministerstvo spravodlivosti SR).</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling van art. 1062 Rv betreft de tenuitvoerlegging van een in Nederland gewezen arbitraal vonnis in Nederland. De tenuitvoerlegging van een in een vreemde Staat gewezen arbitraal vonnis in Nederland is geregeld in art. 1075 en 1076 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA4945, NJ 1998/207 m.nt. H.J. Snijders (Eco Swiss/Benetton I), onder 4.2; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:565, RvdW 2019/487 (Ecuador/Chevron II), onder 4.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341, NJ 2013/487 m.nt. M.R. Mok (Verhuur van woning te Alkmaar), onder 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AD4669, NJ 2000/340 m.nt. H.J. Snijders Eco Swiss/Benetton II), onder 2.1 (na HvJ EG 1 juni 1999, ECLI:EU:C:1999:269, NJ 2000/339).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk de kritische opmerkingen van I.P.M. van den Nieuwendijk, De nieuwe arbitragewet bezien vanuit het perspectief van de gewone rechter, TCR 2014/4, p. 108.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.G.F. Ancery, Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/5.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.M. Meijer, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1063, aant. 1 onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iets terughoudender was Meijer nog in zijn dissertatie: G.J. Meijer, Overeenkomst tot arbitrage, diss. Rotterdam, Deventer: Kluwer 2011, p. 829: ‘Overigens zal de eis van art. 1063 lid 1 Rv dat verlof tot tenuitvoerlegging kan worden geweigerd als het arbitraal vonnis kennelijk in strijd is met de openbare orde mijns inziens niet aan de zojuist genoemde ambtshalve toetsing in de weg staan, doch zal zij die toetsing wel “dienovereenkomstig” kunnen beperken.’ D.E. Thiescheffer, E-court naast overheidsrechtspraak, Weert: Celsus 2018, p. 102-103.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 9 november 11-2010, ECLI:EU:C:2010:659, NJ 2011/41 m.nt. M.R. Mok (Pénzügyi), onder 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.J. Snijders, noot onder HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6135, NJ 2013/431 (Verbouwing woning te Franeker), onder 6, vierde alinea. Snijders had eerder, Arbitraal beding en EU-recht, ambtshalve rechterlijk optreden in dat verband, TvA 2010/1, geschreven dat de rechter ten aanzien van de feiten geen ‘detective’ behoeft te spelen. In de bedoelde NJ-noot wijst hij nadrukkelijk op Pénzügyi, overigens zonder een stellige conclusie te formuleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3137, NJ 2010/171 m.nt. H.J. Snijders, onder 4.3.1; HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2495, NJ 2007/294, onder 3.5; HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9395, NJ 2004/384 m.nt. H.J. Snijders, onder 3.3; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:565, RvdW 2019/487 (Ecuador/Chevron II), onder 4.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4947, NJ 2000/508 m.nt. H.J. Snijders, onder 3.3 en HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AK8380, NJ 2005/190 m.nt. H.J. Snijders, onder 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.G.F. Ancery, Ambtshalve toepassing van consumentenbeschermend EU-recht, MvV 2013/12, p. 335; C.J.A. Seinen &amp; A.G.F. Ancery, Vorderingen in b2c-verstekken: toetsen of toewijzen?, TCR 2015/3, p. 80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk verder: Asser/Hartkamp 3-I 2018/252; M. Niesen &amp; Y.R.R.R. de Mul, Arbitraal beding: oneerlijk/onredelijk bezwarend?, TvA 2016/24, p. 33; C.M.D.S. Pavillon, Het Heesakker/Voets-arrest en de twee stadia van de ambtshalve oneerlijkheidstoets, TvPP 2014/3. Zie inmiddels HvJ EU 17 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:320 (Karel de Grote Hogeschool), onder 36, waaruit lijkt te volgen dat in ieder geval in retroperspectief uw Raad niet verder is gegaan dan volgens EU-recht vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837, NJ 2015/318 m.nt. H.J. Snijders (Ecuador/Chevron I), onder 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704, NJ 2017/113 m.nt. S.D. Lindenbergh.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met verwijzing naar HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405, NJ 2014/406 m.nt. S.D. Lindenbergh (Fa-Med/X) Naar analogie van HvJ EU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341, NJ 2013/487 m.nt. M.R. Mok (Verhuur van woning te Alkmaar), onder 40 en 41 en HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans (Verbouwing Schijndelse woning), onder 3.9.1 eerste alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk hiervoor onder 4.20 in verband met HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837, NJ 2015/318 m.nt. H.J. Snijders (Ecuador/Chevron I), onder 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar analogie van HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans (Verbouwing Schijndelse woning), onder 3.9.1 tweede alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk hiervoor onder 4.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar analogie van HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans (Verbouwing Schijndelse woning), onder 3.9.1 derde alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar analogie van HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans (Verbouwing Schijndelse woning), onder 3.9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 3 april 2014, ECLI:EU:C:2014:1857 (Raiffeisen Bank Zrt), onder 36. Vergelijk hiervoor onder 3.25 en 3.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 3 april 2014, ECLI:EU:C:2014:1857 (Raiffeisen Bank Zrt), onder 33 en 34. Vergelijk hiervoor onder 3.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk hiervoor onder 4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk hiervoor onder 3.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk HvJ EU 14 juni 2012, ECLI:EU:C:2012:349, NJ 2012/512 m.nt. M.R. Mok (Banco Espanol de Crédito), onder 69. Anders M. Niesen &amp; Y.R.R.R. de Mul, Arbitraal beding: oneerlijk/onredelijk bezwarend?, TvA 2016/24, p. 31, die menen dat niettegenstaande de tekst van art. 6:236 onder n BW beslissend is of de consument feitelijk één maand voor een opt out heeft gehad. Hun argument dat bij een andere opvatting een arbitraal beding in een overeenkomst van vóór 1 januari 2015 per 1 januari 2016 altijd onredelijk bezwarend zou zijn, miskent de werking van art. 79 Overgangswet nieuw BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk hiervoor onder 3.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar analogie van HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AD4669, NJ 2000/340 m.nt. H.J. Snijders Eco Swiss/Benetton II), onder 2.1. Vergelijk hiervoor onder 4.15 en 4.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk hiervoor onder 4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk hiervoor onder 4.20.</p></div>", "next": 0}