{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">48.</span>Bij de beoordeling van deze eerste twee deelklachten stel ik het volgende voorop. In geval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Indien ter terechtzitting evenwel een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren is gebracht dat door de rechter niet is aanvaard, dient ingevolge art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, dit standpunt in de uitspraak beargumenteerd te worden weerlegd. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De door art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv voorgeschreven motiveringsplicht gaat niet zover dat bij de niet-aanvaarding van een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(1)</span>Onderzoeksresultaten inbeslaggenomen telefoon 49. Ter terechtzitting van het hof is namens de verdachte aangevoerd dat de bestanden die op de telefoon zijn aangetroffen niet tegen de verdachte kunnen worden gebruikt, omdat [slachtoffer] dit toestel gebruikte en documenten downloadde. Volgens de verdediging is niet aangetoond op welke dag en uur de foto's of video's in de telefoons zijn gedownload, terwijl het toestel niet in het bezit was van de verdachte en evenmin in gebruik was bij hem. [slachtoffer] heeft de zoekopdrachten gedaan zoals \"grooming children for Jihad\" en \"ISIS\" en hieruit kan worden afgeleid dat zij bezig was om de verdachte erin te luizen. Aldus kan volgens de verdediging niet worden bewezen dat de verdachte deze zoekopdrachten zelf heeft gedaan en dat hij daarmee link zou vormen met de beschuldiging in de tenlastelegging.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>Het hof heeft hieromtrent overwogen dat op 23 april 2016 een Samsung S6 met beslagnummer 5177291 in beslag is genomen. De Samsung S6 was beveiligd met een code. Na onderzoek door de digitale expertise, is toegang verkregen tot de inhoudelijke data en is duidelijk geworden dat verdachte de gebruiker van de telefoon was. Het hof verwijst daartoe (in voetnoot 97) naar het proces-verbaal van bevindingen, einddossier, map 6, pag. 400. Op die telefoon zijn boeken, voor een groot deel van radicale islamitische prekers, maar ook de SAS-survival gids, instructies van de US-Army, gidsen over NBC-oorlogsvoering (nucleair, biologisch en chemisch) en bescherming tegen NBC-oorlogsvoering aangetroffen, aldus het hof.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">51.</span>Voor zover al sprake is van een verweer waarop het hof gehouden was te responderen, heeft het hof in zijn arrest aangegeven dat en waarom het hiervan is afgeweken. Gezien hetgeen ik heb vooropgesteld, was het hof niet gehouden dat oordeel nader te motiveren dan het heeft gedaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">52.</span>De eerste deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2)</span>Geen opzet op het trainen van [slachtoffer] voor terrorisme 53. De stellers van het middel betogen dat uit de door het hof bewezenverklaarde gedragingen van verdachte niet blijkt dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het trainen van [slachtoffer] voor het plegen van terroristische misdrijven. Deze gedragingen kunnen immers slechts in verband worden gebracht met het voorbereiden van een verblijf in Syrië en/of het ‘trainen’ van [slachtoffer] om het huishouden in Syrië te runnen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">54.</span>Dat de verdachte opzet had om zich te trainen voor terrorisme wordt door de stellers van het middel niet betwist. Ik roep in herinnering dat het hof hieromtrent heeft overwogen dat: “verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een radicaal-islamitische ideologie aanhing en dat hij zich schaarde achter de jihad, waarbij hij de grotere groep van ongelovigen als vijanden van de islam zag. Verdachte heeft in dat kader tevens een of meer website(s) bezocht waarop informatie over de jihad en/of terrorisme wordt gedeeld en hij had bestanden op de harde schijf van zijn computer waarin de jihad wordt verheerlijkt en waarin direct of indirect tot de jihad wordt opgeroepen. Bij verdachte bestond de intentie daarom af te reizen naar Syrië om daar deel te nemen aan de gewapende strijd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze vaststellingen brengen het hof tot het oordeel dat het opzet van verdachte was gericht op het zich verschaffen van middelen en de verwerving van kennis teneinde een of meer van de terroristische misdrijven zoals in de bewezenverklaring is vermeld, te plegen met het oog op zijn beoogde afreis naar Syrië om zich aldaar te voegen bij de gewapende strijd en daar deze terroristische misdrijven te plegen.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">55.</span>Ten aanzien van [slachtoffer] is door het hof onder meer vastgesteld en overwogen dat zij heeft verklaard dat de verdachte met voornoemd gedachtengoed bezig was, dat hij daar met haar over sprak en dat zij filmpjes van hem moest kijken, onder andere over kinderen die zeiden dat zij ongelovigen moesten doden. De verdachte heeft haar verteld dat ze naar Syrië moesten om te strijden tegen de ongelovigen en dat niet-moslims dood moesten. Ook heeft [slachtoffer] verklaard dat de verdachte haar filmpjes over de Taliban liet zien, onder andere een filmpje met de titel “Why you should join the Taliban’ en filmpjes over Al-Qa’ida. De verdachte gaf haar daar dan uitleg bij en de door [slachtoffer] genoemde films zijn aangetroffen op de harde schijf van de verdachte.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">56.</span>Het hof is van oordeel dat het opzet van de verdachte was gericht op het zich verschaffen van middelen en de verwerving van kennis teneinde een of meer van de terroristische misdrijven zoals in de bewezenverklaring vermeld, te plegen. Verdachtes opzet is door het hof niet onbegrijpelijk afgeleid uit – onder meer – hetgeen duidelijk is geworden over de door hem aangehangen radicaal-islamitische ideologie en de onder hem aangetroffen documenten die opriepen tot jihad. Voorts overweegt het hof dat de verdachte die kennis etc. ook aan [slachtoffer] heeft overgebracht door haar – onder meer – dat gedachtengoed in te prenten, de consequenties daarvan met haar te bespreken en aan te geven dat ze daarvoor naar Syrië zouden moeten afreizen. Daarmee acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte zich ‘en een ander’, te weten [slachtoffer] , gelegenheid, middelen en inlichten heeft verschaft en zich kennis en vaardigheden heeft verworven en een ander heeft bijgebracht tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij acht ik van belang dat onder het ‘zich of een ander tracht te verschaffen’ in art. 134a Sr hetzelfde dient te worden verstaan als in art. 96, tweede lid, Sr, te weten het rechtstreeks op iemand invloed uitoefenen om hem tot het beoogde feit te brengen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(3)</span>Hetgeen het hof bewezen heeft verklaard kan niet worden gekwalificeerd als het trainen van zichzelf en een ander voor terrorisme als bedoeld in art. 134a Sr 57. Door de stellers van het middel wordt betoogd dat het hof ten onrechte het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als het trainen van zichzelf en een ander voor terrorisme, nu de bewezenverklaarde gedragingen niet beschouwd kunnen worden als het zich verwerven of een ander bijbrengen van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf en/of een voldoende verband van die gedragingen met enige vorm van training – waaronder ‘het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken’ ontbreekt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">58.</span>Gezien de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 28 augustus 2019 gehechte pleitnota is namens de verdachte betoogd dat en waarom de onder 3 (I en II) tenlastegelegde gedragingen niet bewezen kunnen worden. De verdediging heeft aangevoerd dat en waarom de tenlastegelegde gedragingen door de verdachte worden betwist, dan wel dat de onderzoeksresultaten niet als bewijs voor die gedragingen kunnen dienen. In de kern wordt betoogd dat de tenlastegelegde gedragingen niet worden gestaafd met overtuigende bewijsmiddelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>Onder de kop ‘Beoordeling van de onder 3, I en II, telkens onder A tot en met L, tenlastegelegde gedragingen’ heeft het hof uitgebreid gemotiveerd geoordeeld dat en waarom die gedragingen leiden tot het oordeel dat die handelingen kunnen worden aangemerkt als het trainen voor terrorisme. Voor zover het middel klaagt dat het hof “in feite de tekst van de tenlastelegging [herhaalt] terwijl de verdediging onderbouwd door argumenten heeft aangevoerd dat en waarom deze handelingen niet kunnen worden beschouwd als opleverende (bewijs van) de bewezenverklaarde feiten’ faalt het dus reeds.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">60.</span>Volgens het middel geeft ’s hofs oordeel dat onder ‘trainen voor terrorisme’ ook valt het onder A bewezenverklaarde zich eigen maken van radicaal extremistisch gedachtengoed, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft gemotiveerd geoordeeld dat het zich (verder) eigen maken van het radicaal extremistische gedachtengoed van organisaties die een gewapende jihadstrijd voorstaat, aangemerkt kan worden als het trainen voor terrorisme. Mede in aanmerking genomen dat het middel stelt, maar niet onderbouwt waarom dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, faalt het in zoverre. Gezien de overwegingen van het hof – in onderlinge samenhang bezien – zie ik overigens niet in waarom dat het geval zou zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">61.</span>Het vijfde middel faalt in alle onderdelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">62.</span>Het zesde middel klaagt dat het hof bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel heeft bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">63.</span>Gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, is het middel terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">64.</span>Het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het zesde middel slaagt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">66.</span>Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie: G.J.M. Corstens (bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans), Het Nederlandse strafprocesrecht, Wolters Kluwer: Deventer, 2018, p. 669.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1929, r.o. 2.3. waaraan een conclusie van mijn hand voorafging (ECLI:NL:PHR:2019:1302). Het betreft een herhaling van het in HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394 m.nt. Y. Buruma genoemde kader. Dat kader is voorts herhaald in (onder andere) HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BS1716, NJ 2012/448 m.nt. J.M. Reijntjes en HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1686, NJ 2014/527 m.nt. J.M. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vlg. HR 26 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ1086, NJ 2004/688.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1723, NJ 2000/93.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6723, NJ 2011/517 m.nt. J.M. Reijntjes Dit betreffen misdrijven tegen de veiligheid van de staat, te weten een aanslag tegen de Koning (art. 92 Sr), een aanslag tegen de staat (art. 93 Sr), een aanslag tegen regeringsvorm (art. 94 Sr), geweld tegen regeringsraad (art. 95 Sr) en geweld tegen ministerraad (art. 95a Sr).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: Kamerstukken II 2007/2008, 31 386, 3, p. 5 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: Kamerstukken II 2007/2008, 31 386, 3, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst in zijn beslissing immers onder meer naar het onder randnummer 13 genoemde relevante toetsingskader hieromtrent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308. Naar aanleiding van deze jurisprudentie heeft mijn ambtgenoot Bleichrodt in zijn conclusies van 30 juni 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:655) en 7 juli 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:655) een meer terughoudende toetsing in cassatie bepleit om de feitenrechter meer ruimte te geven bij zijn beslissing hierover.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: A.J.A. van Dorst in Handboek Strafzaken, §45.7.3.3 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging (online bijgewerkt tot 1 mei 2018).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5326.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668, r.o. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8877, HR 14 juni 2011 ECLI:NL:HR:2011:BQ3216 en HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1079.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat heeft – gezien de overwegingen van het hof, in samenhang bezien – te gelden vanaf 23 juli 2016, de dag waarop zij als vermist is opgegeven, zie (onder meer) hetgeen het hof heeft vastgesteld ten aanzien van het onder 1, A bewezenverklaarde feit op p. 14 tweede alinea, eerste zin en het in voetnoot 10 genoemde proces-verbaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2101, r.o. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, r.o. 3.8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 28 augustus 2019 gehechte pleitnota, p. 18, 34, 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het arrest van het hof, (onder andere) p. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: J.W. Fokkens in Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 96 Sr, aant. 5 (online bijgewerkt tot 1 augustus 2019).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 28 augustus 2019 gehechte pleitnota, p. 30 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik laat daarbij buiten beschouwing hetgeen wordt aangevoerd ten aanzien van de voorbereiding van een terroristisch misdrijf dat onder 3, I bewezen is verklaard, aangezien daarover in dit kader niet wordt geklaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">En ook aangemerkt kan worden als het voorbereiden van terroristische misdrijven, maar over dat oordeel wordt niet geklaagd.</p></div>", "next": 0}