{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Met ingang van 1 januari 2018 houdt de rechtbank rekening met een eigen verdiencapaciteit van de vrouw van € 1.500,= per maand, zodat haar aanvullende geïndexeerde behoefte € 5.017,= per maand bedraagt (€ 4.553,79-€ 1500,= gebruteerd). De rechtbank bepaalt de onderhoudsbijdrage dan ook met ingang van 1 januari 2018 op een bedrag van € 5.017,=. Met ingang van 1 januari 2019 houdt de rechtbank rekening met een eigen verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.500,= per maand, zodat haar nog te indexeren aanvullende behoefte € 3.441,= per maand bedraagt (€ 4.553,79- € 2500,= gebruteerd). De rechtbank bepaalt de nog te indexeren onderhoudsbijdrage met ingang van 1 januari 2019 op een bedrag van € 3.441,= per maand.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.21 Aldus heeft de rechtbank uitdrukkelijk overwogen dat rekening moet worden gehouden met de (verdere) indexering van de behoefte van de vrouw, waarmee de rechtbank het oog heeft op indexering vanaf 1 januari 2017. De vrouw heeft in hoger beroep verzocht haar verzoeken alsnog toe te wijzen (zie hiervoor onder 1.12); na de hiervoor onder 3.19 genoemde akte behelsde dat verzoek ten aanzien van de partneralimentatie ook indexering vanaf 1 januari 2017. De man heeft in hoger beroep geen grief gericht tegen de door de rechtbank toegepaste indexering (maar is daar, integendeel, zelf ook van uitgegaan).Onderdeel 4 treft dan ook doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Conclusie in het principale en incidentele cassatieberoep De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 november 2019 en tot verwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie rov. 3.2-3.4 van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 november 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4090, EB 2020/5, RFR 2020/31 en PFR Updates.nl 2019/287 (hierna: de bestreden beschikking).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 20 juni 2017, 25 oktober 2017 en 28 februari 2018, zaaknummer C/03/227878 / FA RK 16-4080, steeds rov. 1.1. Zie voor het procesverloop in hoger beroep rov. 2.1-2.5 van de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 22 februari 2016, zaaknummer C/04/126275 / FA RK 13-1564; zie productie 3 bij het inleidend verzoekschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 7 april 2016, zaaknummer C/04/126275 / FA RK 13-1564; zie productie 5 bij het inleidend verzoekschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het inleidend verzoekschrift, p. 3-9. Vgl. ook rov. 3.3 (eerste tot en met derde tekstblok) van de beschikking van de rechtbank van 20 juni 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken onder (59 en 60-) 94 en 95 en zie ook rov. 4.1 (vierde tekstblok) van de beschikking van de rechtbank van 20 juni 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken onder 98-99.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken onder 96 en 101-106 en zie ook rov. 4.1 (vijfde tekstblok) van de beschikking van de rechtbank van 20 juni 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het verzoek de bijdrage voor de zoon betreft is het in cassatie niet meer van belang; zie rov. 5.2.2 van de bestreden beschikking, die in cassatie niet is bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank is bij de echtscheidingsbeschikking uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens en doet zich de situatie van art. 1:401 lid 4 BW voor; zie rov. 5.1.2, derde en vijfde tekstblok. De rechtbank heeft in het midden gelaten of sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de akte na tussenbeschikking tevens aanvulling gronden/vermindering verzoek van 22 november 2017 onder 43; processtuk 14 in zowel het A- als het B-dossier. Zie ook rov. 2.3 van de beschikking van de rechtbank van 28 februari 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.1 van de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.2.1 van de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.2.2 van de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van mr. Tuinstra van 15 maart 2019, processtuk J in het A-dossier en processtuk 23 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw en de man hebben beiden verzoeken tot verbetering van kennelijke fouten op de voet van art. 31 Rv gedaan en op elkaars verzoeken gereageerd: zie de brieven van mr. Tuinstra van 13 november 2019, 6 december 2019 en 12 december 2019, en van mr. Van der Pluijm van 28 november 2019 en 9 december 2019; processtukken T t/m X in het A-dossier en processtukken 33 t/m 37 in het B-dossier. Het hof heeft bij brief van 24 januari 2020 aan partijen laten weten dat naar het oordeel van het hof geen sprake is van een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv en dat het hof niet zal overgaan tot het afgeven van een herstelbeschikking; processtuk 38 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoekschrift tot cassatie is op 7 februari 2020 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verweerschrift (onder 1.1) heeft de vrouw opgemerkt dat zij in cassatie alleen verweer voert namens zichzelf, en niet namens de dochter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.1-2.16 van het verzoekschrift tot cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder 2.8 van het verzoekschrift tot cassatie. Zie voor het vervolg van de klachten van het onderdeel hierna onder 2.18 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze laatste categorie wordt gewoonlijk aangeduid als jongmeerderjarigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover nader bij onderdeel 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 3 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8340, NJ 1989/568 m.nt. W.H. Heemskerk, rov. 3.1 onder e en HR 3 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8557, NJ 1990/501. Vgl. ook de conclusie van A-G Vranken (onder 16) vóór HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1983, NJ 1996/569, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-I 2020/638-639, met verwijzing, naast de hiervoor aangehaalde uitspraak van 3 maart 1989 (zie rov. 3.1 onder b-c), naar HR 6 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC4218, NJ 1990/731 (tussenbeschikking); HR 28 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1715, NJ 1996/102 m.nt. J.E. de Boer en HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1983, NJ 1996/569. Vgl. ook HR 14 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3876, NJ 2004/371 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3 (tweede tekstblok).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-I 2020/639, met verwijzing naar de hiervoor aangehaalde uitspraken van 3 maart 1989, 6 april 1990 en 2 februari 1996. Vgl. ook W. Hugenholtz/W.H. Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2018, nr. 24 (p. 34) met verwijzing, naast de hiervoor aangehaalde uitspraak van 2 februari 1996, naar HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0129, NJ 2007/450 m.nt. H.J. Snijders; en P.A. Stein e.a., Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2018, nr. 4.1.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de hiervoor aangehaalde conclusie van A-G Vranken (onder 18) vóór HR 2 februari 1996, met verwijzing naar rov. 3.3 van de hiervoor aangehaalde uitspraak van 3 maart 1989. Vgl. ook S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:395b BW, aant. 2 (actueel t/m januari 2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de maatstaf die in een dagvaardingsprocedure moet worden aangelegd bij uitleg van een (appel)exploot ter beantwoording van de vraag in welke hoedanigheid een eisende partij optreedt o.m.: HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435, NJ 2006/202 m.nt. H.J. Snijders, JBPR 2005/5 m.nt. A. Knigge &amp; L.C. Dufour ([…]/ABN Amro), rov. 3.4 (onder c en d).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor onder 1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het petitum van het verweerschrift tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken spreekt de vrouw weliswaar van “bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding”, maar het verzoek heeft kennelijk mede betrekking op de periode na het meerderjarig worden en dus op de bijdrage voor levensonderhoud en studie; zie hierna onder 2.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken onder 107-108.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedateerd 22 januari 2017, overgelegd bij F9-formulier van 7 februari 2017; kenbaar als bijlage bij V6-formulier van 31 mei 2018 in hoger beroep; processtuk C in het A-dossier (niet in het B-dossier).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.2.2 en 3.2.4 van de beschikking van de rechtbank van 25 oktober 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noch op de daaraan voorafgaande tussenbeschikkingen van 20 juni 2017 en 25 oktober 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het beroepschrift onder 68-75.</p>\n<p class=\"lf-p\">Processtuk C in het A-dossier (niet in het B-dossier).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de toelichting op p. 2 van dit formulier: “conform brief Gerechtshof de dato 30 mei 2018”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de begeleidende brief van mr. Tuinstra aan het hof van 26 juli 2018 wordt gerefereerd aan een “schrijven van 16 juli 2018”; processtuk E in het A-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie processtuk E in het A-dossier en processtuk 19 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.3 van de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van mr. Tuinstra van 15 maart 2019; processtuk J in het A-dossier en processtuk 23 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie productie 58 bij de in de vorige voetnoot genoemde brief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder 2.9-2.16 van het verzoekschrift tot cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914, NJ 2000/220 m.nt. J.B.M. Vranken (Heep/Heep), rov. 3.4. Zie nadien o.m. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2599, NJ 2013/102, rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover de opmerking hierna onder 2.26-slot.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. H.J. Snijders ([…] /NOM), rov. 4.2.4; HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders (Wertenbroek q.q./ […]), rov. 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/236 en 248.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 19 juni 2009, hiervoor aangehaald, rov. 2.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de noot (onder 3) van Snijders onder HR 19 juni 2009, hiervoor aangehaald, met verdere verwijzingen (de verwijzing naar HR 12 mei 2006, NJ 2006/493 is m.i. niet correct; ik ga ervan uit dat is bedoeld te verwijzen naar HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8720, NJ 2006/293 en JBPR 2006/82 m.nt. E.L. Schaafsma-Beversluis (alimentatiezaak)).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:921, NJ 2016/267, rov. 3.5.2, met vergelijkende verwijzing naar HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6741, NJ 2012/446.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van 3 september 2019, p. 3-4.Vgl. de noot van Snijders (onder 4) onder HR 19 juni 2009, hiervoor aangehaald, waar – in het kader van een dagvaardingsprocedure – is opgemerkt dat de reactie op een late grief gestalte zou kunnen krijgen bij een (nadere) memorie van antwoord, maar dat denkbaar is dat die reactie ook op andere wijze adequaat kan geschieden, bijv. bij pleidooi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8720, NJ 2006/293 en JBPR 2006/82 m.nt. E.L. Schaafsma-Beversluis, rov. 3.3.1-3.3.2 in verbinding met HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2599, NJ 2013/102, rov. 3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.17-2.33 van het verzoekschrift tot cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oudste zoon van de man en de vrouw, die in deze procedure geen rol speelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel verwijst daarbij naar de stellingen die in dat verband in de brief van 15 maart 2019 van de vrouw aan het hof zijn ingenomen; zie hierna onder 2.41 uitgebreider geciteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel verwijst naar verschillende passages in het proces-verbaal van 3 september 2019; zie hierna onder 2.43 uitgebreider geciteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B 2020/7.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat wil zeggen dat het kind geen eigen middelen tot zijn levensonderhoud heeft en deze ook niet door arbeid kan verkrijgen; zie aldus Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-I 2020/588 met verwijzing naar HR 30 juni 1939, ECLI:NL:HR:1939:9, NJ 1939/818.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tijde van de hier genoemde beschikking gold als meerderjarig het kind dat de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; de meerderjarigheidsleeftijd is (eerst) per 1 januari 1988 verlaagd van 21 naar 18 jaar (Wet van 1 juli 1987, Stb. 1987, 333).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4642, NJ 1984/535 m.nt. E.A.A. Luijten, rov. 3.2, tweede tekstblok. Vgl. meer recent o.m.: Hof Arnhem-Leeuwarden 21 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8304, PFR-Updates.nl 2018/13, Hof Den Haag 13 januari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:113 en Hof ’s-Hertogenbosch 30 oktober 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2156, FJR 2013/8 m.nt. P. Dorhout, RFR 2013/21 en PFR-Updates.nl 2012/96.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 september 1983, hiervoor aangehaald, rov. 3.2, eerste tekstblok, en vgl. de conclusie van A-G Moltmaker (onder 6b) vóór deze beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van A-G Moltmaker (onder 6a) vóór deze beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Inv. Boek 1 1969, p. 1424 e.v. en zie hierover ook de conclusie van A-G Moltmaker onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de eerste voetnoot hiervoor onder 2.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond van deze discussie vormde kort gezegd het destijds vigerende studietoelagenbeleid dat was gegrond op een ouderlijke verplichting een bijdrage te verstrekken, die geen wettelijke plicht is en waaraan een ouder zich vrijelijk kan onttrekken. Zie voor deze achtergrond van die discussie verder: M. Jonker, Het recht van kinderen op levensonderhoud: een gedeelde zorg (diss. Utrecht), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 108-110.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Parl. Gesch. BW Inv. Boek 1 1969, p. 1434.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsontwerp inzake verlaging van de meerderjarigheidsleeftijd is de problematiek van de meerderjarige student nogmaals aan de orde gekomen; ik verwijs daarvoor kortheidshalve naar de conclusie van A-G Moltmaker (onder 5) vóór de hiervoor genoemde beschikking van 9 september 1983 en Jonker, a.w., p. 110.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het thans aanhangige initiatiefwetsvoorstel herziening kinderalimentatie strekt er overigens toe de onderhoudsplicht voor studerende kinderen tot 23 jaar uit te breiden; zie hierover nader Kamerstukken II 2015-2016, 34 154, nr. 7, p. 1, 19-20 en 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo is er bijvoorbeeld de door het hof in rov. 5.5.1 genoemde mogelijkheid van een derdenbeding (art. 6:253 lid 1 BW) in een echtscheidingsconvenant of ouderschapsplan, dat in deze zaak evenwel niet aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">D.w.z.: 21 jaar oud; zie de eerste voetnoot hiervoor onder 2.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank ’s-Gravenhage 18 juni 1973, NJ 1975/216. Zie ook het arrest van het hof in hoger beroep in die zaak; hof ’s-Gravenhage 5 juni 1974, ECLI:NL:GHSGR:1974:AC5341, NJ 1975/216.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 18 januari 1996, ECLI:NL:GHAMS:1996:AE0215, NJ 1997/726, rov. 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook: hof ’s-Hertogenbosch 30 oktober 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2156, FJR 2013/8 m.nt. P. Dorhout, RFR 2013/21, PFR-Updates.nl 2012/96, rov. 3.14 (beroep op een natuurlijke verbintenis als onvoldoende onderbouwd gepasseerd); hof ’s-Hertogenbosch 12 april 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW2221, JPF 2012/114, PFR-Updates.nl 2012/5, rov. 3.10.1 (voldoening van een onderhoudsbijdrage aan kind ouder dan 21 jaar aangemerkt als een dringende morele verplichting van de man jegens zijn kind (en om die reden meegenomen bij de bepaling van de draagkracht voor partneralimentatie)) en hof Amsterdam 12 oktober 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO4664, rov. 4.2 (onvoldoende aangevoerd om te concluderen tot het bestaan van een natuurlijke verbintenis).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1105, NJ 1992/212 (Nahar c.s./Cornes), rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van A-G Moltmaker (onder 3 en 6c-d) vóór HR 9 september 1983, hiervoor aangehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van A-G Van Soest (onder 3, laatste tekstblok) vóór HR 27 juni 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6948, NJ 1981/113 m.nt. E.A.A. Luijten. Zie nadien over dat onderwerp o.m. HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2787, NJ 2001/652 met verwijzing naar HR 29 juni 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4840, NJ 1985/14. Verder verwijs ik naar de uitspraak van de belastingkamer van de Hoge Raad van 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7320, NJB 2011/2282.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh 6-I 2016/76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met vergelijkende verwijzing naar o.m. HR 26 mei 1954, ECLI:NL:HR:1954:106, NJ 1954/453 (afstaan van meubelen aan dochter na haar huwelijk) en HR 18 maart 1953, ECLI:NL:HR:1953:49, NJ 1953/640 (betreffende premies studieverzekering voor kleinkind).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met vergelijkende verwijzing naar o.m. HR 9 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1105, NJ 1992/212 (Nahar c.s./Cornes), rov. 4.2 en Veegens, Preadvies Broed. Not., 1947, p. 225-226.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-I 2020/634.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:392 BW, aant. 4A (actueel t/m januari 2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek scheiding Deel B 2020/7.3, met verwijzing naar 7.8. Vgl. ook Alimentatieverplichtingen. Monografieën (echt)scheidingsrecht. Deel 4, 2020, par. 5.1.2 (p. 47-48), alsmede ‘Alimentatieverplichting voor meerderjarige kinderen, EB 2017/66 (onder 3), alles van mijn hand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 9 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1105, NJ 1992/212 (Nahar c.s./Cornes), rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van mr. Tuinstra van 15 maart 2019, p. 3-4, processtuk J in het A-dossier en processtuk 23 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van 3 september 2019, p. 2, laatste tekstblok en p. 3, eerste, zesde en zevende tekstblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van 3 september 2019, p. 3, laatste tekstblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van 3 september 2019, p. 4, vierde tot en met zesde tekstblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. T.F.E. Tjong Tjin Tai, 'De rechterlijke vrijheid en de feitelijke grondslag', TCR 2002, p. 35-36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover W.L. Valk, T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:3 BW, aant. 3 onder c, met verwijzing naar HR 9 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1105, NJ 1992/212 (Nahar c.s./Cornes) (zie rov. 4.4), HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1808, NJ 1996/616 m.nt. W.M. Kleijn (Le Miralda) (zie rov. 3.5) en MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 83.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie productie 54 bij de brief van mr. Tuinstra van 15 maart 2019; processtuk J in het A-dossier en processtuk 23 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.34-2.49 van het verzoekschrift tot cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.35-2.40 van het verzoekschrift tot cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze artikelen zijn gewijzigd bij wet van 18 juli 2019, Stb. 2019, 283 (inwerkingtreding 1 januari 2020), waarbij het nieuwe art 156 leden 1 tot en met 3 hetzelfde is als het oude artikel 1:157 BW leden 1 tot en met 3. Nu volgens het overgangsrecht het oude recht van toepassing is op deze zaak noem ik alleen nog maar art.1:157 BW (oud).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst hierbij naar ECLI:NL:RBDHA:2017:5088. Deze uitspraak is niet op rechtspraak.nl gepubliceerd. Zie voor de uitspraak in hoger beroep in die zaak: hof Den Haag 27 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:530, PFR-Updates.nl 2019/77, FJR 2019/31.3, RFR 2019/86, welke beschikking is vernietigd; zie HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081, RvdW 2020/786, JPF 2020/109 m.nt. P. Vlaardingerbroek, PFR-Updates.nl 2020/176, NJB 2020/1649, RFR 2020/119.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met verwijzing naar verweerschrift in appel, toelichting op grief 3 in incidenteel appel (p. 19) alsmede grief 5 in incidenteel appel met de toelichting daarop (p. 22 e.v.) alsmede producties 4 tot en met 9, en 11 aan de zijde van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met verwijzing naar de vindplaatsen in de vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 november 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC6115, NJ 1978/359. Zie nadien ook (o.m.): HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, NJ 2016/124 m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 2016/125, rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is anders voor beslissingen waarbij de alimentatieverplichting wordt beëindigd of op nihil wordt gesteld op grond van omstandigheden die niet voor wijziging vatbaar zijn (definitieve nihilstelling); zie HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2219, NJ 2018/470, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 december 2015, hiervoor aangehaald, en HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3479, NJ 2016/125, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.3, beide met vergelijkende verwijzing naar HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563 (zie rov. 3.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 november 2018, hiervoor aangehaald, met vergelijkende verwijzing naar HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, NJ 2016/124 m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 2016/125 en naar HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:262, RvdW 2014/292 (zie rov. 3.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2.7.5 van de echtscheidingsbeschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het inleidend verzoekschrift, p. 4-7. Zie voor het standpunt van de man ter zitting van de rechtbank van 20 april 2017, rov. 3.3, p. 3, laatste tekstblok en p. 4, eerste tekstblok, van het vonnis van 20 juni 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken onder 17-25 en 94-95.</p>\n<p class=\"lf-p\">En zie voor het standpunt van de vrouw ter zitting van de rechtbank van 20 april 2017 rov. 4.1, p. 5, laatste tekstblok, van het vonnis van 20 juni 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.2.2 van de beschikking van 25 oktober 2017. Vgl. ook rov. 4.2.3, waar de rechtbank in verband met de verzochte nihilstelling verder heeft overwogen dat het haar niet aannemelijk voorkomt dat de vrouw op termijn volledig in haar eigen behoefte kan gaan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het beroepschrift onder 40-42.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw heeft afwijzingen met betrekking tot vacatures juridische functies overgelegd, zie productie 59 in hoger beroep van de vrouw; processtuk L in het A-dossier en processtuk 25 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, p. 22-26. Vgl. ook de toelichting op incidentele grief 3 over de draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie op p. 19, waar de man stelt dat in ieder geval vanaf 4 november 2016 deze verdiencapaciteit aan de vrouw kan worden toegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift in incidenteel appel onder 22-23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van mr. Tuinstra van 15 maart 2019, p. 2; processtuk J in het A-dossier en processtuk 23 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie productie 9 in hoger beroep van de man; processtuk K in het A-dossier en processtuk 24 in het B-dossier en zie het proces-verbaal van 3 september 2019, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van 3 september 2019, p. 6 en zie productie 60 in hoger beroep van de vrouw; processtuk M in het A-dossier en processtuk 26 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.41-2.44 van het verzoekschrift tot cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met verwijzing naar het Rapport alimentatienormen versie 2020-1, p. 32 onder h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met verwijzing naar het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die in rov. 4.2.1 van de beschikking van 25 oktober 2017 de behoefte heeft beoordeeld aan de hand van wat er tussen partijen dagelijks te besteden was, kijkend naar zowel de door de vrouw overgelegde behoeftelijsten als de Hof-formule.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.45-2.49 van het verzoekschrift tot cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het inleidend verzoekschrift, p. 2. Het bedrag van € 8.013,- per maand beschouw ik als een kennelijke verschrijving (op p. 6 wordt gesproken van een bedrag van € 8.031,- per jaar), en het bedrag van € 667,75 als een gevolg daarvan. Zie ook het verweerschrift zelfstandige verzoeken, p. 8 en 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ditzelfde overzicht is ook als productie 15 bij het verweerschrift zelfstandige verzoeken overgelegd. In het subonderdeel wordt verder verwezen naar productie 17 (eveneens bij verweerschrift zelfstandige verzoeken). Dit betreft een overzicht van werkgerelateerde kosten van de man in Duitsland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, p. 22 en 24. Vgl. ook incidentele grief 3 op p. 19 van dit verweerschrift met betrekking tot rov. 3.2.5 van de beschikking van 25 oktober 2017 over de draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van 3 september 2019, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Althans blijkt uit het verweerschrift in cassatie van de vrouw (onder 3.29 e.v., in het bijzonder onder 3.34-slot) dat zij de klacht zo heeft opgevat dat het hof had moeten rekenen met Duitse huurinkomsten van € 25.042,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.50-2.56 van het verzoekschrift tot cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 5.5.2 en 5.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderdeel is abusievelijk naar rov. 5.5.2 verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081, RvdW 2020/786, JPF 2020/109 m.nt. P. Vlaardingerbroek, PFR-Updates.nl 2020/176, NJB 2020/1649, RFR 2020/119, rov. 3.2.2, met verwijzing naar HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:871, rov. 3.4. Zie ook HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, en de daar aangehaalde rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft overigens in rov. 5.3.2 overwogen dat het uit praktische overwegingen zal uitgaan van één wijzigingsdatum voor zowel kinder- c.q. jongmeerderjarigen- als de partnerbijdrage, te weten 1 december 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van A-G Keus (onder 2.18) vóór HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:520, NJ 2015/132. Het betrof hier wel partneralimentatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:402 BW, aant. 2 (actueel t/m januari 2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 3.2.4 van de beschikking van 25 oktober 2017, bij eindbeschikking verminderd met een bedrag van € 192,- per maand i.v.m. (Duits) Kindergeld; zie rov. 2.1 van de beschikking van 28 februari 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.2.4 van de beschikking van de rechtbank van 25 oktober 2017, waar de rechtbank heeft overwogen dat de man uitgaat van een behoefte volgens de behoeftetabel 2013 van € 440,- per kind per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, p. 17-19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:520, NJ 2015/132.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het inleidend verzoekschrift, p. 3 bovenaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken onder 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie processtuk Q in het A-dossier en processtuk 28 in het B-dossier en de daarbij behorende productie 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van 3 september 2019, p. 7, derde en vierde tekstblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken onder 55. Zie ook de brief van mr. Tuinstra van 4 augustus 2017, p. 7; processtuk 9 in zowel het A- als het B-dossier, met verwijzing naar de als productie 16 door de vrouw overgelegde exploitatieoverzichten van de huur in de jaren 2012 en 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift zelfstandige verzoeken, p. 8 en de brief van mr. Van der Pluijm van 25 augustus 2017, p. 7; processtuk 10 in het A-dossier en processtuk 12 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, p. 24, met verwijzing naar pagina 11 (ik ga ervan uit dat is bedoeld: pagina 7) van de brief van mr. Van der Pluijm van 25 augustus 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift in incidenteel appel onder 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van 3 september 2019, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor onder 3.7-3.11 voor de tweede subklacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met verwijzing naar het verweerschrift in incidenteel appel onder 24 en het proces-verbaal in hoger beroep, p. 5, vierde alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. het inleidend verzoekschrift, p. 6-8; het verweerschrift tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken onder 36-42 en 49-56 en 93; het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, grief 5, in het bijzonder p. 24, tweede alinea, en p. 26, tweede alinea tot p. 28, eerste alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken onder 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met verwijzing naar hof ’s-Hertogenbosch 24 november 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5345, rov. 3.16, hof ’s-Hertogenbosch 19 januari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:150, rov. 3.10 (het hiertegen ingestelde cassatieberoep is verworpen met art. 81 RO, zie HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:312) en hof ’s-Hertogenbosch 12 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:863, rov. 3.16.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Literatuur: Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-I 2020/610-614; Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek scheiding Deel B 2020/6.7; S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:402a BW, aant. 2 (actueel t/m januari 2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1970/71, 11 166, nr. 135b, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC3465 NJ 1980/397.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie recenter bijv. ook: hof Den Haag 28 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1811, PFR-Updates.nl 2017/196, rov. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook de wenk bij de (hierna nader te noemen) uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 16 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7743, RFR 2013/84, met verwijzing naar de wenk bij Rechtbank Arnhem 25 januari 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AS8581, RFR 2005/56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de voorbeelden genoemd in voetnoot 66 van het verweerschrift in cassatie (tevens houdende incidenteel cassatieberoep). In het cassatieberoep dat was ingesteld tegen de daar genoemde beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch 19 januari 2017 was overigens geen klacht gericht tegen de indexering ‘naar analogie van art. 1:402a BW'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere invalshoek is gekozen in de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 16 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7743, RFR 2013/84, rov. 4.7, waarin het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 1980 niet (langer) bepalend wordt geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de akte na tussenbeschikking van 22 november 2017 onder 43; processtuk 14 in zowel het A- als het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, p. 29.</p></div>", "next": 0}