{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0713, NJ 2011/190, rov. 3.5. Vgl. ook B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/131; H. den Tonkelaar, ‘Obiter dictum. De overweging ten overvloede in de hedendaagse praktijk’. In: AA 2019-4, p. 277; Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/295.</p>\n<p class=\"lf-p\">Statement of Claim, onder 7.1, 9.1-9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbitraal vonnis, § 13.51 en 13.66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook de ‘Interim Conclusion’ in § 13.66-13.67 van het arbitrale vonnis: “13.66. In the light of the foregoing the Arbitral Tribunal holds that Bariven cannot successfully rely on Articles 3:40(1), 3:44(3) or 6:288 DCC and as a result Bariven is obliged to comply with its contractual payment obligations in full. 13.67. Accordingly, the Arbitral Tribunal will award Well’s principal claim for payment of USD 11.732.456,14 (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbitraal vonnis, § 17.1, onder 1 en 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het obiter dictum wordt overigens niet met zoveel woorden gerefereerd aan de subsidiaire vordering van Wells (vgl. hierna, onder 5.10). Zie voor het betoog van Wells ter zake Statement of Claim, onder 9.3-9.7; Statement of Defence to the Counterclaim and Reply, onder 6.28-6.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 10 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4755, NJ 1984/417, rov. 3.7 waarin de Hoge Raad voorop stelde dat de ten overvloede gegeven overwegingen van de rechtbank zagen op de subsidiaire vordering, om vervolgens te overwegen dat het in die overwegingen vervatte oordeel niet dragend was voor de beslissing van de rechtbank, nu deze de primaire vordering had toegewezen en derhalve aan een beslissing op de subsidiaire vordering niet was toegekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2988, NJ 2017/25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de procesinleiding, onder F en onder 1.1.a; schriftelijke toelichting van Wells, onder 1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbitrale vonnis, § 13.69-13.74.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de procesinleiding, onder F.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst daarbij naar rov. 5.1-5.14 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 5.6-5.7 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting van Wells, onder 2.1.1-2.1.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting van Wells, onder 2.1.14. Vgl. ook onder 2.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor, onder 3.5 en de verwijzingen aldaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Statement of Defence to the Counterclaim and Reply, onder 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus de pleitaantekeningen van Wells, onder 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Statement of Defence to the Counterclaim and Reply, opschrift hoofdstuk 5, zie ook onder 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de woorden van het scheidsgerecht (§ 13.48): “(…) Wells’ argument that the price agreed upon in the Purchase Order reflects the value of the delivered goods and that the Purchase Order does not contain overpricing.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de Amerikaanse autoriteiten dat in § 13.48 van het arbitrale vonnis wordt geciteerd behelst, voor zover hier van belang: “(…), Bariven relies on a series of mischaracterizations of the Government’s charging documents. For example, neither the indictment (…) nor the criminal informations (…) make any reference to “occasions on which the Defendants furtively overcharged Bariven for various contracts and projects, (…).” (…). The Government has made no such allegations, and the citations Bariven points to in the furtherance of its assertion to the contrary provide no support for these allegations.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze eis bijv. HR 11 januari 2002, ELCI:NL:HR:2002:AD4922, NJ 2002/82, rov. 3.3.2-3.4 en HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1727, RvdW 2013/892.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook de in de procesinleiding opgenomen inleiding op de subonderdelen 2.1a-2.1d, waarin onder meer wordt gewezen op het oordeel van het hof dat het zelfstandig kan beoordelen of de koopovereenkomst onder invloed van corruptie tot stand is gekomen. Zie de procesinleiding, onder 2.1 alsmede hiervóór, onder 5.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 5.1-5.14 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting van Wells, onder 2.2.1-2.2.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de schriftelijke toelichting van Wells, onder 2.2.10: “Onderdeel 2.2b klaagt dat het arbitrale vonnis tegen die achtergrond geenszins in strijd is met de openbare orde. Integendeel: het scheidsgerecht heeft terecht een einde gemaakt aan een situatie waarbij één vennootschap profiteert van corruptie: Bariven. Dit, terwijl één andere rechtspersoon daarvan schade onder vindt: Wells. Dit oordeel is geheel in lijn met het internationaal aanvaarde leidende uitgangspunt dat een contractspartij niet mag profiteren van corruptie. Het hof had het arbitrale vonnis dan ook in stand moeten laten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook rov. 5.3 van het bestreden arrest, waarin het hof overweegt dat partijen het erover eens zijn dat een arbitraal vonnis dat rechtsgevolgen verbindt aan een overeenkomst die door corruptie tot stand is gekomen, moet kunnen worden vernietigd wegens strijd met de openbare orde. Ook deze vaststelling van het hof wordt in cassatie niet aangevochten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens heeft Wells zich in de bij het hof gevoerde vernietigingsprocedure niet op het door het subonderdeel ingenomen standpunt gesteld. In haar Statement of Defence to the Counter Claim and Reply (onder 7.31), waarnaar het subonderdeel in een voetnoot verwijst, heeft Wells wel gesteld dat Bariven zou profiteren van haar eigen onrechtmatige gedrag, indien zij de aandrijfmotoren zou mogen houden zonder daarvoor te betalen. In de woorden van Wells: “7.31. (…). There is no dispute that Wells delivered millions of dollars worth of drilling equipment to Bariven. If Bariven is allowed to keep the drilling equipment without paying for it, there can be no clearer case of one party “reap[ing] the fruits of its own dishonest conduct by enriching himself at the expense of the other.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. voetnoot 24 van de procesinleiding, waarin wordt gesproken van “de hier zekerheidshalve tegen dat oordeel [het oordeel van het hof in rov. 5.11; A-G] geformuleerde klachten”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in dat verband wellicht wel een en ander zou kunnen worden opgemaakt uit de passages die in de pleitaantekeningen (onder 3.6-3.8) worden geciteerd uit verklaringen van special agent [betrokkene 11] en het uitleveringsverzoek van de Amerikaanse autoriteiten (zie hiervóór onder 5.28), doet hieraan niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ik het goed zie, heeft Wells deze stelling niet al (met zoveel woorden) in een eerder stadium van de procedure betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de zitting bij het hof d.d. 13 juni 2019, p. 5, voorlaatste gedachtestreepje.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie inleidende dagvaarding, onder 77, 84-88; conclusie van antwoord, onder 4.2.53-4.2.64; conclusie van repliek tevens verzoek tot aanhouding, onder 53-58; conclusie van dupliek, onder 4.2.46-4.2.51; pleitaantekeningen van Bariven, onder 16-19; pleitaantekeningen van Wells, onder 3.1-3.11. Vgl. ook rov. 4.2 en 4.13 van het bestreden arrest.</p></div>", "next": 0}