{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Correspondentie tussen anderen dan de verschoningsgerechtigde en degene die zich tot hem heeft gewend, is niet een brief of geschrift als bedoeld in art. 98, eerste lid, Sv. Indien van die correspondentie een afschrift wordt toegezonden aan de notaris kan – anders dan het middel betoogt – niet gezegd worden dat reeds daarom de inhoud daarvan kan worden aangemerkt als wetenschap die de notaris in het kader van zijn juridische dienstverlening is toevertrouwd. 4.5 Gelet op het vorenstaande getuigt het oordeel van de Rechtbank dat ten aanzien van de inbeslaggenomen e-mailwisseling tussen W. van K. en M. van D. redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat het standpunt van de klager dat die e-mailwisseling object is van zijn verschoningsrecht onjuist is, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is in het licht van hetgeen aan het beroep op het verschoningsrecht ten grondslag is gelegd toereikend gemotiveerd. 4.6 Het middel faalt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze strafzaak ziet dus op een andere situatie dan het onderhavige geval. In het onderhavige geval gaat het niet om correspondentie van de vennootschap met derden die op zichzelf niet verschoningsgerechtigd is, maar onder het verschoningsrecht zou vallen omdat de verschoningsgerechtigde in de correspondentie zou zijn ingekopieerd. Uit rov. 3.14 blijkt dat het in het onderhavige geval gaat om correspondentie van SNS Reaal c.s. met DNB en met het ministerie van Financiën en niet zoals in de strafzaak om correspondentie tussen twee contractspartijen. Het is niet uitgesloten dat SNS Reaal c.s. in die correspondentie met DNB en het ministerie van Financiën verschoningsgerechtigde informatie hebben gedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatie die SNS Reaal c.s. hebben gedeeld met DNB en het ministerie van Financiën in het kader van hun wettelijke (toezichthoudende) taken geldt niet zonder meer als “vrijgegeven” jegens de onderzoekers in het kader van de enquêteprocedure. Het subonderdeel treft dan ook geen doel. De klacht van subonderdeel 2.3 faalt overigens ook reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. De raadsheer-commissaris heeft niet in algemene zin geoordeeld dat ook informatie die is opgenomen in correspondentie tussen de vennootschap en anderen dan haar advocaat of notaris als aan die laatste toevertrouwd heeft te gelden. De raadsheer-commissaris heeft in rov. 3.14, toegespitst op correspondentie van SNS Reaal c.s. met DNB en het ministerie van Financiën, geoordeeld dat het aan SNS Reaal c.s. is om toe te lichten waarom hun met betrekking tot in die correspondentie besloten liggende informatie een afgeleid verschoningsrecht toekomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3: vertrouwelijkheid van notulen, besluiten en correspondentie tegenover de onderzoekers 2.40 Onderdeel 3 klaagt dat de raadsheer-commissaris in rov. 3.14-4 ten onrechte ervan is uitgegaan dat de rechtspersoon en de in art. 2:351 lid 1 BW genoemde personen zich jegens de onderzoekers op een afgeleid verschoningsrecht kunnen beroepen ten aanzien van informatie die is opgenomen in notulen, besluiten en in correspondentie tussen de vennootschap en een ander dan haar advocaat of notaris. Het onderdeel bouwt voort op onderdeel 1, waarin wordt geklaagd dat de onderzoekers tot taak hebben onderzoek te doen naar het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap en daartoe recht hebben op alle informatie die nodig is voor de uitvoering van dat onderzoek, en onderdeel 2, waarin wordt geklaagd dat de bevoegde organen van de rechtspersoon juist met deze stukken het gevoerde beleid vastleggen en verantwoorden. De rechtspersoon c.s. zal dus tenminste te allen tijde deze stukken onbelemmerd aan de onderzoekers moeten verschaffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.41 Onderdeel 3 deelt in het lot van de twee voorgaande onderdelen. Het onderdeel maakt niet duidelijk waarom het verschoningsrecht, dat is gebaseerd op een algemeen rechtsbeginsel, jegens onderzoekers in een enquêteprocedure geen werking zou hebben. De zienswijze dat aldus een “gemankeerde enquête” (zie de toelichting op de klachten in het cassatieverzoekschrift onder VII, sub 44) zou ontstaan en dat de door de raadsheer-commissaris voorgeschreven procedurele gang van zaken leidt tot vertraging van het onderzoek, een onvolkomen onderzoek en misbruik in de hand werkt (zie de toelichting op de klachten in het cassatieverzoekschrift onder VII, sub 49), deel ik niet. Ik merk daartoe in de eerste plaats op dat de raadsheer-commissaris zo nodig na kennisneming van de verschoningsgerechtigde informatie het weigeringsrecht op inzage van de onderzochte rechtspersoon betrekkelijk ver gaand inhoudelijk kan toetsen (rov. 3.15-3.16, zie ook onder 2.22-2.23 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het belang van waarheidsvinding is weliswaar ook in de enquêteprocedure niet-absoluut, maar de raadsheer-commissaris dient de effectiviteit en voortvarendheid van het onderzoek niet uit het oog te verliezen. In rov. 3.18 heeft de raadsheer-commissaris in dat verband uitdrukkelijk acht geslagen op de omstandigheid dat SNS Reaal c.s. “weinig voortvarendheid aan de dag [hebben] gelegd” en mede daarom een betrekkelijk korte termijn van veertien dagen bevolen om te voldoen aan informatieverzoeken van onderzoekers en binnen die termijn te bepalen of zij inzage ten aanzien van enig deel van die informatie willen weigeren met een beroep op een afgeleid verschoningsrecht. Ik voeg daar nog aan toe dat als blijkt dat de rechtspersoon misbruik maakt van dit weigeringsrecht de regel van art. 198 lid 3 Rv door de rechter kan worden toegepast (zie onder 2.24 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.42 De slotsom is dat alle klachten van het principale cassatieberoep falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cassatieklachten in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep 2.43 Alvorens toe te komen aan bespreking van de klachten in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep stel ik vast dat de aanvullende opmerkingen van VEB c.s. bij de cassatieklachten van de onderzoekers niet leiden tot een ander oordeel dan dat de klachten van het principale cassatieberoep falen. Het incidentele cassatieberoep van VEB c.s. is ingesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad de klachten van onderdeel 1 van het principale cassatieberoep verwerpt. Nu mijns inziens aan deze voorwaarde wordt voldaan, kom ik toe aan bespreking van de incidentele klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.44 Het incidentele cassatieberoep is opgebouwd uit twee onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 1: het belang bij duidelijkheid over de nationalisatie kan prevaleren boven een verschoningsrecht 2.45 Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van de raadsheer-commissaris in rov. 3.9 dat de omstandigheid dat bij het verkrijgen van openheid van zaken met betrekking tot de periode voorafgaand aan de nationalisatie van SNS Reaal c.s. een zwaarwichtig publiek belang bestaat, geen uitzonderlijke omstandigheid is waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dit oordeel getuigt volgens het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting omtrent welke omstandigheden voldoende zijn om het verschoningsrecht opzij te zetten, is althans zonder verdere motivering niet begrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.46 In de Notaris Maas-beschikking heeft de Hoge Raad een slag om de arm gehouden met de overweging dat zich “zeer uitzonderlijke omstandigheden” kunnen voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De Hoge Raad is terughoudend bij het aanvaarden van “zeer uitzonderlijke omstandigheden” (zie ook onder 2.23 hiervoor). A-G Leijten stelde in dit verband in een conclusie: “dat uitzonderlijke omstandigheden al zo zeldzaam zijn dat zeer uitzonderlijke omstandigheden voor een gewoon mens bijna niet denkbaar zijn.” Ook zeer uitzonderlijke omstandigheden hebben niettemin de neiging zich te vermenigvuldigen. Zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn in enkele strafzaken aanvaard. Beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is volgens de Hoge Raad niet in een algemene regel samen te vatten. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden – en dus van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden volgens de Hoge Raad zware motiveringseisen. In de literatuur wordt niet uitgesloten dat “zeer uitzonderlijke omstandigheden” zich ook in een civielrechtelijke zaak kunnen voordoen: “Kennelijk wordt het verschoningsrecht alleen opzij gezet, als sprake is van omstandigheden die ernstige gevolgen voor de maatschappij kunnen hebben; dat kan ook in civiele zaken het geval zijn, maar zal eerder aan de orde zijn in strafrechtelijke procedures. Een individueel, financieel belang legt in elk geval onvoldoende gewicht in de schaal. Pas als maatschappelijke belangen in het geding zijn, kan het belang van waarheidsvinding gesteld worden boven de maatschappelijke belangen die met het verschoningsrecht zijn gediend.”</p>\n<p class=\"lf-p\">2.47 Tegen deze achtergrond dient onderdeel 1 te falen. De raadsheer-commissaris heeft in rov. 3.9 niet in algemene zin uitgesloten dat sprake zou kunnen zijn van “zeer uitzonderlijke omstandigheden”. Het oordeel van de raadsheer-commissaris houdt in dat de door de onderzoekers aangevoerde omstandigheid dat bij het verkrijgen van openheid van zaken met betrekking tot de periode voorafgaand aan de nationalisatie van SNS Reaal c.s. een zwaarwichtig belang bestaat (zie ook rov. 3.1: “dat zwaarwichtige publieke belangen gediend zijn bij het verkrijgen van openheid van zaken”) niet een zodanige “uitzonderlijke omstandigheid” is. De raadsheer-commissaris heeft dat oordeel gemotiveerd met verwijzing naar de Notaris Maas-beschikking en de Savanna-beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Gelet op het uitzonderlijke karakter van het aanvaarden van deze uitzondering, zeker in civiele zaken, was de raadsheer-commissaris niet gehouden rov. 3.9 nader te motiveren. De zware motiveringseisen die gelden voor het aanvaarden van “zeer uitzonderlijke omstandigheden” gelden niet evenzeer voor het niet-aanvaarden van “zeer uitzonderlijke omstandigheden”. Ik wijs er verder nog op dat de “zwaarwichtige publieke belangen bij het verkrijgen van openheid van zaken” weliswaar niet voldoende zijn voor het aannemen van “zeer uitzonderlijke omstandigheden”, maar wel een rol kunnen spelen in de inhoudelijke toetsing door de raadsheer-commissaris van het weigeringsrecht van de rechtspersoon met een beroep op het verschoningsrecht (rov. 3.15-3.16, zie ook onder 2.22-2.23 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij die toetsing kan de raadsheer-commissaris alle omstandigheden van het geval in zijn beoordeling betrekken. In de literatuur worden twee stappen in de toetsing door de rechter onderscheiden: de eerste stap is de rechterlijke toetsing van de reikwijdte van het verschoningsrecht en de tweede stap is het nagaan of sprake is van “zeer uitzonderlijke omstandigheden” die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. Als de eerste stap meer inhoudelijk wordt benaderd, wat ik in deze conclusie in navolging van de literatuur (zie onder 2.20-2.23 hiervoor) en in overeenstemming met de beschikking van de raadsheer-commissaris (zie rov. 3.15-3.16) heb verdedigd, bestaat er ook minder aanleiding om de categorie van “zeer uitzonderlijke omstandigheden” op te rekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2: geen verschoningsrecht zonder beroep door de verschoningsgerechtigde 2.48 Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van de raadsheer-commissaris in rov. 3.15 en 3.16 voor zover de raadsheer-commissaris daarin de mogelijkheid openlaat dat hij een beroep van SNS Reaal c.s. op een afgeleid verschoningsrecht kan honoreren wanneer niet een verschoningsgerechtigde, maar enkel SNS Reaal c.s. zich op een verschoningsrecht beroepen. De raadsheer-commissaris miskent volgens het subonderdeel dat hij een beroep op een afgeleid verschoningsrecht in geen geval kan toestaan voor zover de verschoningsgerechtigde zelf zich daarop niet beroept.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.49 Volgens het onderdeel moeten rov. 3.15-3.16 aldus worden begrepen dat de raadsheer-commissaris in geval van een geschil op basis van een volledige beoordeling, zo nodig na kennisneming van de inhoud van de desbetreffende stukken, zelf zal beslissen of een beroep van SNS Reaal c.s. op een afgeleid verschoningsrecht aanvaardbaar is en hij daarbij dus ook tot het oordeel kan komen dat onterecht een beroep op vertrouwelijkheid wordt gedaan, hoewel een geheimhouder te kennen heeft gegeven dat naar zijn mening wél sprake is van geheim te houden stukken. Deze lezing van rov. 3.15-3.16 is mijns inziens juist. Ik noemde dat hiervoor inhoudelijke toetsing door de raadsheer-commissaris. In zoverre bestrijdt het onderdeel het oordeel van de raadsheer-commissaris niet. Volgens het onderdeel laat de in rov. 3.15-3.16 door de raadsheer-commissaris bevolen procedurele gang van zaken de mogelijkheid open dat hij een beroep van SNS Reaal c.s. honoreert terwijl enkel SNS Reaal c.s. en niet de verschoningsgerechtigde zich op een verschoningsrecht beroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.50 Het onderdeel stelt op zichzelf terecht dat rov. 3.15-3.16, waarin de raadsheer-commissaris voorschrijft dat de verschoningsgerechtigde in de gelegenheid wordt gesteld zich “uit te laten” de mogelijkheid openlaat dat de weigering op inzage door de raadsheer-commissaris in stand wordt gelaten zonder dat de verschoningsgerechtigde zich op het verschoningsrecht heeft beroepen. Voor zover het openlaten van die mogelijkheid van een onjuiste rechtsopvatting zou getuigen, kan het onderdeel mijns inziens niet tot cassatie leiden, omdat het oordeel dan zo moet worden gelezen dat als de verschoningsgerechtigde zich aldus uitlaat de raadsheer-commissaris zal bevelen de desbetreffende informatie, waarvan de verschoningsgerechtigde zich niet op het verschoningsrecht beroept, aan de onderzoekers te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik meen echter dat het openlaten van die mogelijkheid niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het verschoningsrecht wordt door de raadsheer-commissaris benaderd vanuit het weigeringsrecht van de onderzochte rechtspersoon (zie onder 2.21-2.22 hiervoor). Het is op zichzelf juist dat het oordeel van de verschoningsgerechtigde in beginsel leidend zou moeten zijn bij het beoordelen of het weigeringsrecht terecht is (zie ook onder 2.27 hiervoor). Aan dat uitgangspunt wordt door de raadsheer-commissaris mijns inziens voldoende recht gedaan door de verschoningsrechtigde in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten. Beredeneerd vanuit het weigeringsrecht van de rechtspersoon, dat zoals gezegd inhoudelijk door de raadsheer-commissaris kan worden getoetst, is het standpunt van de verschoningsgerechtigde niet zonder meer leidend meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de verschoningsrechtigde in zijn uitlating bij de raadsheer-commissaris het beroep van SNS Reaal c.s. op een afgeleid verschoningsrecht niet zou onderschrijven komt minder nadruk te liggen op het maatschappelijk belang dat wordt gediend door het verschoningsrecht. Het individuele belang van SNS Reaal c.s. bij vertrouwelijkheid zal dan in de belangenafweging door de raadsheer-commissaris in beginsel niet opwegen tegen het belang van waarheidsvinding, zeker als dat laatste belang zoals in het onderhavige geval ook maatschappelijk gekleurd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.51 De slotsom is dat beide onderdelen van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De conclusie in het principale en incidentele cassatieberoep De conclusie strekt tot verwerping van het principale en het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten en het procesverloop zijn grotendeels ontleend aan rov. 1.3-1.13 en 2.1-2.7 van de bestreden beschikking, Hof Amsterdam (raadsheer-commissaris ondernemingskamer) 26 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:644, ARO 2019/87, RO 2019/29, JOR 2019/132 m.nt. S.R. van Breukelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 26 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2651, JOR 2018/275 m.nt. S.M. Bartman, Ondernemingsrecht 2019/41 m.nt. F. Eikelboom, JIN 2018/184 m.nt. P. Haas.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:PHR:2019:1059 en ECLI:NL:PHR:2019:1058.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 2 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2716, ARO 2018/179.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 21 september 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3563, ARO 2018/193, JOR 2019/7 m.nt. P.H.M. Broere.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de schadeloosstellingsprocedure heeft de minister van Financiën de ondernemingskamer verzocht de schadeloosstelling voor de rechthebbenden ten aanzien van de bij het besluit van de minister op 1 februari 2013 op grond van de hem in deel 6 van de Wft (de Interventiewet) gegeven bevoegdheid onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Reaal c.s. vast te stellen in overeenstemming met zijn aanbod (nihil voor alle onteigende effecten en vermogensbestanddelen). Na cassatieberoep tegen de eerste beschikking van de ondernemingskamer op dit verzoek van 11 juli 2013 heeft de ondernemingskamer bij beschikking van 26 februari 2016 een onderzoek bevolen door drie deskundigen, onder wie Jansen Schoonhoven , ter beantwoording van de vraag naar de werkelijke waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 11 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1966, JOR 2013/250 m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2013/110 m.nt. H. Beckman, JIN 2013/157 m.nt. G.C. Vergouwen, vernietigd door HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661 (met mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2014:1825), NJ 2015/361 m.nt. P. van Schilfgaarde &amp; J.W. Winter, JOR 2015/140 m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2015/97 m.nt. H. Beckman, AB 2016/343 m.nt. G.A. van der Veen, JIN 2015/82 m.nt. J. van der Kraan, JIN 2015/83 m.nt. E. Baghery, en na cassatie en terugwijzing Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 26 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:594, JOR 2016/98 m.nt. M.W. Josephus Jitta, JIN 2016/81 m.nt. Van Hellenberg Hubar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam (raadsheer-commissaris ondernemingskamer) 26 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:644, ARO 2019/87, RO 2019/29, JOR 2019/132 m.nt. S.R. van Breukelen. De beschikking van de raadsheer-commissaris wordt ook besproken door H.J. de Kluiver, ‘Kroniek van het ondernemingsrecht. Tussen verfijning en bescherming’, NJB 2019/830, p. 1081, H.J. ter Meulen, E.M. Soerjatin &amp; J.A.I. Verheul, ‘Kroniek enquêterecht 2018’, in: Y. Borrius e.a. (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2018-2019, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 157, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 78 (hierna: Ter Meulen, Soerjatin &amp; Overheul 2019) en B. Winters, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, Den Haag: Sdu 2019, art. 2:351 BW, aant. C.4.1 (actueel t/m 1 juni 2019).</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de driemaandentermijn van art. 426 lid 1 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam (raadsheer-commissaris ondernemingskamer) 4 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1813, ARO 2019/126, JOR 2019/218 m.nt. Y. Borrius.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3, p. 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. I onderdeel E van de Wet van 18 juni 2012. Stb. 2012, 274. De wet is in werking getreden op 1 januari 2013, Stb. 2012, 305.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. I onderdeel G van de Wet van 18 juni 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3, p. 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 26 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2651, JOR 2018/275 m.nt. S.M. Bartman, Ondernemingsrecht 2019/41 m.nt. F. Eikelboom, JIN 2018/184 m.nt. P. Haas, rov. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 20, p. 1-2 (Gewijzigd amendement Van der Steur). Zie hierover ook A.F.J.A. Leijten &amp; M.P. Nieuwe Weme, ‘Het wetsvoorstel aanpassing enquêterecht’, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten &amp; D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2011-2012, Deventer: Kluwer 2012, p. 158-189 (hierna: Leijten &amp; Nieuwe Weme 2012) en R.M. Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure (diss. Nijmegen), Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 145, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 514 (hierna: Hermans 2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze wetsgeschiedenis ook onder 3.3-3.6 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2009:BJ7322) voor HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7322, NJ 2011/212 m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2010/8 m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2010/29 m.nt. P.G.F.A Geerts (KPNQwest). Zie voorts P.G.F.A. Geerts, GS Rechtspersonen, Deventer: Kluwer 2010, art. 2:352 BW, aant. 1 (bijgewerkt t/m 1 februari 2010) en Hermans 2017, p. 285.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7322, NJ 2011/212 m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2010/8 m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2010/29 m.nt. P.G.F.A Geerts (KPNQwest), rov. 3.4. Zie ook onder 3.7-3.9 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2009:BJ7322) voor de KPNQwest-beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. B.F. Assink/WJ. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 2), Deventer: Kluwer 2013, § 92.5, p. 1709, P.G.F.A. Geerts, GS Rechtspersonen, Deventer: Kluwer 2010, art. 2:352 BW, aant. 2 (bijgewerkt t/m 1 februari 2010), Hermans 2017, p. 290, E.M. Soerjatin, ‘De raadsheer-commissaris in actie in het enquêterecht’, Ondernemingsrecht 2017/2, p. 7 en P.M. Storm, Corporate Litigation bij de Ondernemingskamer, Den Haag: BJu 2018, p. 237 (hierna: Storm 2018). Zie voorts Verheggen, die ervoor pleit eveneens cassatieberoep open te stellen voor beschikkingen van de raadsheer-commissaris op de voet van art. 2:350 lid 4 BW. R. Verheggen, ‘Ervaringen met de raadsheer-commissaris in het enquêterecht’, Ondernemingsrecht 2017/94, p. 528 (hierna: Verheggen 2017), ook opgenomen in: Y. Borrius e.a. (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2017-2018, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 152, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 475 (hierna: Verheggen 2018). Vgl. verder Leijten &amp; Nieuwe Weme 2012, p. 159.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486 m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/161 m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2003, 37 m.nt. P.D. Olden &amp; C.C. Borgart (Scheipar), rov. 3.8. Evenzo Hermans 2017, p. 286.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook P.G.F.A. Geerts, Enkele formele aspecten van het enquêterecht (diss. Groningen), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht deel 46, Deventer: Kluwer 2004, p. 160 (hierna: Geerts 2004).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/255, met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 1.5 van de bestreden beschikking (zie ook onder 1.9 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 1.13 van de bestreden beschikking (zie ook onder 1.15 hiervoor) en voorts de pleitnota zijdens VEB c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieverzoekschrift, onder V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerschrift in cassatie, onder 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7245, NJ 2000/653, JOR 2000/217 m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2000/55 m.nt. S.M Bartman (Gucci), rov. 4.2. Zie ook HR 4 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7240, NJ 1997/671 m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 1997/82 m.nt. F.J.P van den Ingh, TVVS 1997, 135 m.nt. P. van der Vlis (Text Lite), rov. 4.1.1. Zie verder Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. J.M. Blanco Fernández, M. Holtzer &amp; G. van Solinge, Richtlijnen voor de onderzoeker in enquêteprocedures, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 78, Deventer: Kluwer 2004, p. 25 (hierna: Blanco Fernández, Holtzer &amp; Van Solinge 2004).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Hermans 2017, p. 35 en p. 375. Vgl. ook J.M. Blanco Fernández, Boekbespreking Hermans 2017, Ondernemingsrecht 2019/153, p. 857 (hierna: Blanco Fernández 2019).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. hierover L.P. van den Blink, ‘Enige ervaringen van een enquêteur’, in: K.M. van Hassel &amp; M.P. Nieuwe Weme (red.), Willems’ wegen, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 102, Deventer: Kluwer 2010, p. 60 (hierna: Van den Blink 2010).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1403, NJ 2014/358 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/261 m.nt. J.M. Blanco Fernández (Greenchoice), rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3, p. 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Geerts 2004, p. 140, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dit orgaanbegrip bijv. Asser/Maeijer &amp; Kroeze 2-I* 2015/186 en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman &amp; Schoonbrood, Van de BV en de NV 2017/3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Blanco Fernández, Holtzer &amp; Van Solinge 2004, p. 25 en Asser/Maeijer/Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/775. Zie over de taak van de onderzoekers ook onder 3.3-3.7 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2014:287) voor de Greenchoice-beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">L. Timmerman &amp; D.M. Thierry, ‘De onderzoeker in het vennootschappelijke enquêterecht’, TREMA 2004, p. 217, met verwijzingen (hierna: Timmerman &amp; Thierry 2004).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1403, NJ 2014/358 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/261 m.nt. J.M. Blanco Fernández (Greenchoice), rov. 3.5.2. Zie ook onder 3.5 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2014:287) voor de Greenchoice-beschikking, met verwijzing naar Asser/Maeijer/Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/774. Vgl. R.M. Hermans, ‘Het onderzoek in de enquêteprocedure’, in: G. van Solinge &amp; M. Holtzer (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2002-2003, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 72, Deventer: Kluwer 2003, p. 134 (hierna: Hermans 2003).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook art. 2:351 lid 2 BW met betrekking tot nauw verbonden rechtspersonen, waaronder in dit geval Property Finance.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de mogelijkheden tot het opleggen van een dwangsom in dit verband bijv. ook Geerts 2004, p. 160 en Hermans 2017, p. 289. In de onderhavige beschikking is het verzoek van VEB c.s. tot het opleggen van een dwangsom overigens afgewezen (rov. 3.19).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer, TVVS 1990, p. 127 e.v. m.nt. Th.S. IJsselmuiden (Ogem). Zie ook HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, NJ 2007/293 m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/238 m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2007/111 m.nt. P.G.F.A Geerts (ATR Leasing), rov. 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie recent HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1104, NJ 2019/394 m.nt. G. van Solinge (Aqualectra), rov. 3.4.6. Zie bijv. ook Asser/Maeijer/Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/729.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, NJ 2007/293 m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/238 m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2007/111 m.nt. P.G.F.A Geerts (ATR Leasing), rov. 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hermans 2017, p. 10-14. Zie over dat onderscheid ook Hermans 2003, p. 115-119 en in navolging daarvan bijv. Geerts 2004, p. 14-16, Timmerman &amp; Thierry 2004, p. 216 en Asser/Maeijer/Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/729.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Blanco Fernández 2019, p. 855.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer, TVVS 1990, p. 127 e.v. m.nt. Th.S. IJsselmuiden (Ogem). Zie voor deze wetsgeschiedenis ook onder 3 van de conclusie van A-G Mok (ECLI:NL:PHR:1990:AC1234) voor de Ogem-beschikking en onder 4.2-4.16 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2009:BD5516) voor HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516, NJ 2011/210 m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2009/192 m.nt. J.J.M. van Mierlo onder JOR 2009/193, Ondernemingsrecht 2009, 118 m.nt. P.M. Storm (KPNQwest).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.5 van de bestreden beschikking. Zie ook Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 26 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2651, JOR 2018/275 m.nt. S.M. Bartman, Ondernemingsrecht 2019/41 m.nt. F. Eikelboom, JIN 2018/184 m.nt. P. Haas, rov. 3.117 en 3.122. Zie verder mijn conclusie in de samenhangende zaak aanhangig onder nummer 18/04511, ECLI:NL:PHR:2019:1058, onder 3.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dat spanningsveld in het enquêterecht bijv. ook A.J.P. Schild, De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (diss. Leiden), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht deel 91, Deventer: Kluwer 2012, p. 243-244 (hierna: Schild 2012). Zie meer algemeen voor de civiele procedure over het spanningsveld tussen waarheidsvinding en andere belangen R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure (diss. Tilburg), Deventer: Kluwer 2011 (hierna: De Bock 2011).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Timmerman &amp; Thierry 2004, p. 218: “het gaat in de onderzoeksfase meer om de feiten dan om het recht”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 32887, nr. 6, p. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. EHRM 19 maart 2002, ECLI:NL:XX:2002:AG8133, JOR 2002/127 m.nt. H.J. de Kluiver, Ondernemingsrecht 2002/32 m.nt. P.G.F.A Geerts (Text Lite) en HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer, TVVS 1990, p. 127 e.v. m.nt. Th.S. IJsselmuiden (Ogem), rov. 6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover uitgebreid Schild 2012, p. 246-252 en Hermans 2017, p. 337-349, met verdere verwijzingen naar rechtspraak en literatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook G. van Solinge, ‘Van wanbeleid naar aansprakelijkheid’, in: G. van Solinge e.a. (red.), Aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen. Nadere terreinverkenning in een uitdijend rechtsgebied, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 140, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 499-500 (hierna: Van Solinge 2017), die spreekt van “juridisering”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een handzaam overzicht van deze ontwikkeling in chronologische volgorde Storm 2018, p. 245-254.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover bijv. ook onder 3.2-3.4 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:364) voor HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, NJ 2019/335, JOR 2019/273 m.nt. R.M. Hermans, Ondernemingsrecht 2019/165 m.nt. P.H.M. Broere (Xeikon).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Timmerman &amp; Thierry 2004, p. 216 en p. 219. Evenzo Van Solinge 2017, p. 500. Zie voorts W.G. van Hassel, ‘De enquête: een juridisch niemandsland?’, K.M. van Hassel &amp; M.P. Nieuwe Weme (red.), Willems’ wegen, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 102, Deventer: Kluwer 2010, p. 147.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus voormalig raadsheer-plaatsvervanger en later ook onderzoeker bij de ondernemingskamer Van den Blink 2010, p. 61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam (raadsheer-commissaris ondernemingskamer) 23 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1499, ARO 2015/124, JIN 2015/131 m.nt. E.A. van de Kuilen &amp; J.J.H. Smetsers (Xeikon), rov. 2.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 17 december 1996, ECLI:XX:1996:ZB6862, NJ 1997/699 m.nt. G. Knigge, BNB 1997/254 m.nt. M.W.C. Feteris (Saunders).</p>\n<p class=\"lf-p\">O.L.O. de Witt Wijnen, ‘Bewijsvoering in vennootschappelijke procedures’, in: P. van Schilfgaarde e.a., Rechtspleging in het ondernemingsrecht, Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht deel 26, Deventer: Kluwer 1997, p. 111-112.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor rechtspraak met name HR 28 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3656, NJ 2002/104 m.nt. D.W.F. Verkade (Hooters), rov. 3.5. Zie ook onder 2.19 van de conclusie van A-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2001:ZC3656) voor de Hooters-uitspraak, met verdere verwijzingen. Zie in reactie op De Witt Wijnen reeds J.M.M. Maeijer en W.D.H. Asser, kenbaar uit het discussieverslag in P. van Schilfgaarde, e.a., Rechtspleging in het ondernemingsrecht, Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht deel 26, Deventer: Kluwer 1997, p. 205 en het congresverslag van P.M.M. van der Grinten &amp; M.J. Kroeze, ‘Het congres ‘Rechtspleging in het ondernemingsrecht’’, TVVS 1997/3, p. 12-13. Zie verder bijv. Geerts 2004, p. 162-163, Timmerman &amp; Thierry 2004, p. 218 en Hermans 2017, p. 348-349. Zie over de beperkte reikwijdte van het nemo tenetur-verschoningsrecht ook F.J. Fernhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken (diss. Maastricht), Maastricht: Uitgeverij Gianni 2004, p. 162-163 (hierna: Fernhout 2004). Het nemo tenetur-verschoningsrecht zou onder omstandigheden wel een rol kunnen spelen bij samenloop met een strafrechtelijk onderzoek. Zie daarover bijv. Hermans 2017, p. 281-282.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, NJ 2013/435 m.nt. J.W. Zwemmer, BNB 2014/101 m.nt. J.A.R van Eijsden, JOR 2013/339 m.nt. S.M.C. Nuyten, AB 2013/343 m.nt. R. Stijnen. Zie hierover bijv. ook onder 10.21-10.28 van de conclusie van A-G Wattel (ECLI:NL:PHR:2013:CA1396) voor HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1042, NJ 2013/559 m.nt. J.W. Zwemmer, BNB 2014/205 m.nt. J.A.R van Eijsden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook Van den Blink 2010, p. 59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, NJ 2013/435 m.nt. J.W. Zwemmer, BNB 2014/101 m.nt. J.A.R van Eijsden, JOR 2013/339 m.nt. S.M.C. Nuyten, AB 2013/343 m.nt. R. Stijnen, rov. 3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze wetsgeschiedenis ook P.G.F.A Geerts, GS Rechtspersonen, Deventer: Kluwer 2010, art. 2:351 BW, aant. 1 (bijgewerkt t/m 1 februari 2010) en Hermans 2017, p. 261.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1909/10, 217, nr. 3, p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Verheggen 2017, p. 525 en Verheggen 2018, p. 468-469.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1970, 411.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1968/69, 9595, 9596, nr. 5, p. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1968/69, 9595, 9596, nr. 6, p. 16. Zie hierover ook Hermans 2017, p. 278.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het onderscheid tussen verschoningsrecht en beroepsgeheim R.H. de Bock, ‘Laat de verschoningsgerechtigde niet langer rechter in eigen zaak zijn’, in: G. van Dijck e.a. (red.), Cirkels. Een terugblik op een vooruitziende blik, Deventer: Kluwer 2013, p. 158-159 (hierna: De Bock 2013): “Verschoningsrecht en beroepsgeheim lopen niet synchroon. Het verschoningsrecht is geen doel op zich, maar een middel voor de beroepsbeoefenaar om zijn beroepsgeheim gestand te doen. Hiermee is het verschoningsrecht functioneel ten opzichte van het beroepsgeheim en heeft het een daarvan afgeleide positie [curs. in origineel, voetnoten verwijderd, A-G].”</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1993, 597.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend advies wijziging enquêterecht, SER-uitgave 89/21, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991/92, 22400, nr. 3, p. 7-8 en p. 16. Zie hierover bijv. ook Hermans 2017, p. 291.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Geerts 2004, p. 163, P.G.F.A Geerts, GS Rechtspersonen, Deventer: Kluwer 2010, art. 2:352a BW, aant. 5 (bijgewerkt t/m 1 februari 2010) en Asser/Maeijer, Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/786. J.M.M. Maeijer zat de Commissie Wijziging Enquêterecht, die het SER-advies 89/21 heeft voorbereid, voor. De idee voor het introduceren van de bevoegdheid van onderzoekers om personen die weigeren vragen te beantwoorden als getuigen te horen kwam van W.J. Slagter. Zie Aanvullend advies wijziging enquêterecht, SER-uitgave 89/21, p. 16 en Kamerstukken II 1991/92, 22400, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Hermans 2017, p. 292 en Verheggen 2017, p. 525.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de rechtspraak van de ondernemingskamer zijn mij slechts enkele gevallen bekend, zie Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 26 juli 2004, JOR 2005/29, Ondernemingsrecht 2004/193 m.nt. R.M. Hermans (Polisol), Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 14 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5596, JOR 2017/36 m.nt. M.W. Josephus Jitta (Eshuis), Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 3 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3574, ARO 2017/151 (Delco) en Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3139, ARO 2019/157 (Casa della Gioia). Vgl. ook onder 1.18 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT0144, NJ 2005/433, JOR 2005/146 m.nt. J.M.M. van Mierlo, Ondernemingsrecht 2005/114 m.nt. P.G.F.A. Geerts (Polisol) en Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 25 mei 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:BD7868, ARO 2005/88 (Polisol).</p>\n<p class=\"lf-p\">R.M. Hermans onder 9 van zijn noot onder de Polisol-beschikking in Ondernemingsrecht 2004/193, onder verwijzing naar HR 22 juli 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5426, NJ 1986/823 m.nt. W.L. Haardt (Gemeente Hillegom/Hillenius), HR 6 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5554, NJ 1987/1016 mnt. W.L. Haardt (K./Bos) en HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0997, NJ 1990/779 m.nt. J.B.M. Vranken (International Tin Council).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Unilever N.V. was bevolen in Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 21 december 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AR7861, JOR 2005/5 m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2005/35 m.nt. B.F. Assink (Unilever). Cassatieberoep tegen die beschikking is verworpen, HR 18 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465, NJ 2006/173 m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/295 m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2006/10 m.nt. P.G.F.A. Geerts (Unilever).</p>\n<p class=\"lf-p\">P. 2 van het bij de ondernemingskamer gedeponeerde onderzoeksverslag, kenbaar uit H.J. de Kluiver, ‘De rol en de functie van onderzoekers en de positie van de (advocaat van de) onderzochte vennootschap in het enquêterecht’, in: K.M. van Hassel &amp; M.P. Nieuwe Weme (red.), Willems’ wegen, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 102, Deventer: Kluwer 2010, p. 242 (hierna: De Kluiver 2010).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus De Kluiver 2010, p. 242.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, NJ 2012/408 m.nt. J.W. Zwemmer, BNB 2012/231 m.nt. J.A.R. van Eijsden (Tradman/Staat), rov. 3.5.4: “Deze toetsing kan in voorkomend geval worden opgedragen aan een neutrale derde, bijvoorbeeld een notaris”. Vgl. voor deze mogelijkheid ook het subsidiaire verzoek onder iii), weergegeven onder 1.10 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. De Bock 2013, p. 166. Het voorstel van de Hoge Raad in Tradman/Staat om bijvoorbeeld de notaris in te schakelen spreekt De Bock daarom minder aan. Zij sluit in dat opzicht aan bij J.B.M. Vranken, Het professionele (functionele) verschoningsrecht, Preadvies voor de Nederlandse Juristen-Vereniging, deel 1, tweede stuk, Zwolle: Tjeenk Willink 1986, p. 123 e.v. (hierna: Vranken 1986) en J.B.M. Vranken, ‘Ook als partijgetuige heeft de notaris een functioneel verschoningsrecht. Terecht? Oproep aan de beroepsorganisaties’, WPNR 2002/6510, p. 779 (hierna: Vranken 2002).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser Procesrecht/Asser 3 2017/131. Zie verder ook Vranken 1986, p. 124-125, Vranken 2002, p. 779 en De Bock 2013, p. 166. Vgl. in deze zin ook de concept memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht, beschikbaar via www.internetconsultatie.nl/bewijsrecht, p. 16-17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3, p. 25, onder verwijzing naar Hermans 2003, p. 113-173, Blanco Fernández, Holtzer &amp; Van Solinge 2004 en Geerts 2004, p. 165-180.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3, p. 25 en p. 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor andere voorbeelden Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3, p. 38. Zie ook bepaling 6.1 van de hierna nog te bespreken Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3, p. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blanco Fernández, Holtzer &amp; Van Solinge 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de versie van 2013: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Aandachtspunten-aanbevelingen-en-suggesties-voor-onderzoekers.pdf. Zie hierover ook R.M. Hermans, ‘Gewijzigde aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers’, Ondernemingsrecht 2013/96.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de Leidraad: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/leidraad-voor-onderzoekers-in-enqueteprocedures.pdf. Zie hierover ook P.H.M. Broere, ‘De Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures’, Ondernemingsrecht 2019/123 (hierna: Broere 2019).</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenzo Broere 2019, p. 690. Zie ook Hermans 2017, p. 373, die nog verwijst naar art. 99 RO (oud). Vgl. ook Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 10 juni 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BD3527, JOR 2008/229 m.nt. M.W. Josephus Jitta (ATR Leasing), rov. 3.6 (over de richtlijnen in Blanco Fernández, Holtzer &amp; Van Solinge 2004) en Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 2 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4454, JOR 2016/61 m.nt. P. van Schilfgaarde (Meavita), rov. 3.3 (over de Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de preambule bij de Leidraad, onder G.</p>\n<p class=\"lf-p\">Broere 2019, p. 694. Zie ook Ter Meulen, Soerjatin &amp; Overheul 2019, p. 78, die wijzen op het belang voor de praktijk van de bestreden beschikking. Evenzo de wenk bij de bestreden beschikking in RO 2019/29.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.R. van Breukelen onder 11-14 van haar noot onder de bestreden beschikking in JOR 2019/132.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Geerts 2004, p. 1 en p. 137. Zie ook P.J. Dortmond, ‘Het beruchte recht van enquête (van 1910 tot 1928)’, in: K.M. van Hassel &amp; M.P. Nieuwe Weme (red.), Willems’ wegen, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 102, Deventer: Kluwer 2010, p. 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de wijze waarop het Britse enquêterecht zich heeft ontwikkeld bijv. J.M. de Jongh, ‘Over het Britse enquêterecht en palmen aan de oever van het IJ’, in: G.C. Makkink e.a. (red.), Ik ben niet overtuigd (Ingelse-bundel), Nijmegen: Ars Aequi Libri 2015, p. 252-254.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie recent bijv. R.P. Jager, De concern(genoten)enquête. Naar huidig en wenselijk recht (diss. Leiden), Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 158, Deventer: Kluwer 2019, p. 110. Zie ook Aanvullend advies wijziging enquêterecht, SER-uitgave 89/21, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te raadplegen via: https://www.legislation.gov.uk/ukpga/1985/6/part/XIV. Zie uitgebreid over deze Britse procedure P.L. Davies &amp; S. Worthington, Gower’s Principles of Modern Company Law, Londen: Sweet&amp;Maxwell 2016, p. 620-629 (hierna: Davies &amp; Worthington 2016).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Davies &amp; Worthington 2016, p. 616 en p. 620.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in meer algemene zin over het verschoningsrecht in Engeland bijv. ook Vranken 1986, p. 20 e.v. en recent N. Fanoy, De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de advocaat (diss. UvA), Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2017, p. 325 e.v. (hierna: Fanoy 2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">Davies &amp; Worthington 2016, p. 623, onder verwijzing naar section 452 Companies Act 1985.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser Procesrecht/Asser 3 2017/125 en Fanoy 2017, p. 94-97. De notaris en de advocaat behoren in Nederland samen met de arts en de geestelijke tot het zogenoemde “klassieke kwartet” van functioneel (of professioneel) verschoningsgerechtigden. Zie ook Fernhout 2004, p. 225-226.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt in NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover uitgebreid Fernhout 2004, p. 169-170.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat volgt uit HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt in NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. P.G.F.A. Geerts, GS Rechtspersonen, art. 2:352 BW, aant. 2 en Verheggen 2017, p. 525. Zie ook Timmerman &amp; Thierry 2004, p. 218.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt in NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.1, waarin wordt verwezen naar burgerlijk recht, strafrecht en belastingrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. reeds HR 14 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9068, NJ 1986/175, rov. 3. Zie daarover ook sub 4 van de noot van W.L. Haardt in NJ 1986/176.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus A.C. ’t Hart sub 2 van zijn noot onder HR 19 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9105, NJ 1986/533. Zie hierover ook Asser Procesrecht/Asser 3 2017/125 en Fernhout 2004, p. 166 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus bijv. Fanoy 2017, p. 96.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Asser 3 2017/124. Zie hierover bijv. ook De Bock 2013, p. 167.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 26 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2651, JOR 2018/275 m.nt. S.M. Bartman, Ondernemingsrecht 2019/41 m.nt. F. Eikelboom, JIN 2018/184 m.nt. P. Haas, rov. 3.122. Zie hierover ook onder 3.20 van mijn conclusie in de zaak 18/04509, ECLI:NL:PHR:2019:1059.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt in NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt in NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus De Bock 2013, p. 158, p. 160 en p. 167. Vgl. ook J.C.M. Leijten, ‘Het professionele (of functionele) verschoningsrecht’, NJB 1986, afl. 23, p. 708. Zie verder ook De Bock 2013, p. 160: “Wanneer het beroepsgeheim ook op het individuele belang van de cliënt wordt gefundeerd, is de rigoureuze koerswijziging die Vranken voorstaat – het verschoningsrecht toekennen aan de cliënt – niet nodig. Het verschoningsrecht blijft bij de beroepsbeoefenaar, maar de cliënt krijgt een eigen positie in het krachtenveld waarbinnen het verschoningsrecht is gepositioneerd. Het verschoningsrecht is dan niet alleen functioneel ten aanzien van het maatschappelijke belang maar ook ten aanzien van het individuele belang bij vertrouwelijkheid.” Asser heeft zich bij deze opvatting in de literatuur aangesloten. Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2017/131.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. De Bock 2013, p. 158.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser Procesrecht/Asser 3 2017/125 en Fernhout 2004, p. 188.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook onder 2.11 van de conclusie van A-G Wesseling van Gent (ECLI:NL:PHR:2012:BV3426) voor HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, NJ 2012/408 m.nt. J.W. Zwemmer, BNB 2012/231 m.nt. J.A.R. van Eijsden (Tradman/Staat). Zie ook HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, NJ 2012/408 m.nt. J.W. Zwemmer, BNB 2012/231 m.nt. J.A.R. van Eijsden (Tradman/Staat), rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9105, NJ 1986/533 m.nt. A.C. ‘t Hart, rov. 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, NJ 2012/408 m.nt. J.W. Zwemmer, BNB 2012/231 m.nt. J.A.R. van Eijsden (Tradman/Staat), rov. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie J.A.R. van Eijsden onder 2 sub c van zijn noot onder het Tradman/Staat-arrest in BNB 2012/231. Zie verder bijv. ook B.J.V. Keupink &amp; A.J.P. Tillema, ‘Ontwikkelingen in het verschoningsrecht’, Ondernemingsrecht 2013/60, onder 4. Kennelijk heeft Hermans 2017, p. 268 ook het oog op dit weigeringsrecht, waar hij stelt dat de rechtspersoon jegens onderzoekers ook een beroep kan doen op het verschoningsrecht ten aanzien van de raadpleging van documenten (adviezen, correspondentie) die zijn opgesteld door de verschoningsgerechtigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Hermans 2017, p. 268.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, NJ 2012/408 m.nt. J.W. Zwemmer, BNB 2012/231 m.nt. J.A.R. van Eijsden (Tradman/Staat), rov. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Hermans 2017, p. 268.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 26 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2651, JOR 2018/275 m.nt. S.M. Bartman, Ondernemingsrecht 2019/41 m.nt. F. Eikelboom, JIN 2018/184 m.nt. P. Haas, rov. 3.119. Zie hierover ook F. Eikelboom in zijn noot onder de beschikking in Ondernemingsrecht 2019/41, p. 229 en p. 232 en onder 3.88 van mijn conclusie in de samenhangende zaak aanhangig onder nummer 18/04509, ECLI:NL:PHR:2019:1059.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, NJ 2012/408 m.nt. J.W. Zwemmer, BNB 2012/231 m.nt. J.A.R. van Eijsden (Tradman/Staat), rov. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Fernhout 2004, p. 196. Vgl. ook Vranken 2002, p. 775 die treffend spreekt over de verschoningsgerechtigde als “rechter in eigen zaak”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt in NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.5. Zie nadien bijv. de rechtspraak genoemd bij Fernhout 2004, p. 196 en De Bock 2013, p. 162.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt in NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.6. Zie hierover ook Fernhout 2004, p. 219-221 en De Bock 2013, p. 162, met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt in NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.6: “Het hof heeft terecht geoordeeld dat een ruimere beoordelingsmarge en een meer genuanceerde afweging van de met het concrete geval gemoeide tegenstrijdige belangen achteraf (…) tot een zodanige onzekerheid omtrent de reikwijdte van het verschoningsrecht zou leiden dat dat daardoor op onaanvaardbare wijze zou worden aangetast.” Zie bijv. ook HR 9 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6324, NJ 2004/47 m.nt. H.J. Snijders (Herengrachtparkeerders), rov. 4.1.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Vranken 1986, p. 97 e.v. en De Bock 2013, p. 161-166.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Asser Procesrecht/Asser 3 2017/131.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin De Bock 2013, p. 167. Zie ook onder 6.12 van de conclusie van A-G Knigge (ECLI:NL:PHR:2016:1161) voor HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2686, NJ 2017/129 m.nt. F. Vellinga-Schootstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat art. 198 lid 3 Rv ook in het enquêterecht kan worden toegepast blijkt bijv. uit Geerts 2004, p. 162 en Hermans 2017, p. 258. Zie ook Timmerman &amp; Thierry 2004, p. 218. Zie toegespitst op het verschoningsrecht bijv. ook Fernhout 2004, p. 193.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus De Kluiver 2010, p. 241.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.R. van Breukelen onder 11-14 van haar noot onder de bestreden beschikking in JOR 2019/132.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. De Bock 2013, p. 166.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Vranken 1986, p. 124-125: “Men mag (…) aannemen dat hij wat hij gelezen of gehoord heeft, niet kan vergeten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, NJ 2012/408 m.nt. J.W. Zwemmer, BNB 2012/231 m.nt. J.A.R. van Eijsden (Tradman/Staat), rov. 3.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Fernhout 2004, p. 195.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Vranken 1986, p. 124-125, waarover ook Fernhout 2004, p. 195. Zie ook onder 2.15 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met art. 6b Wet Invoering Autoriteit Consument en Markt wordt kennelijk gedoeld op de bij art. I, onderdeel E van de Wet van 25 juni 2014 tot wijziging van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en enige andere wetten in verband met de stroomlijning van het door de Autoriteit Consument en Markt te houden markttoezicht (Stb. 2014, 247) ingevoerde bepaling die in werking is getreden op 1 augustus 2014 (Stb. 2014, 266). Art. 6b lid 3 Instellingswet Autoriteit Consument en Markt luidt: “Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 5:20 Awb is ingevoerd bij de Wet van 20 juni 1996 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Derde tranche Algemene wet bestuursrecht) (Stb. 1996, 333), in werking getreden op 1 januari 1998 (Stb. 1997, 581). Zie art. I, onderdeel H van de Derde tranche Awb. Art. 5:20 lid 2 Awb luidt: “Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 13 Wet Huis voor Klokkenluiders is ingevoerd bij art. I onderdeel D van de Wet van 14 april 2016 tot wijziging van de Wet Huis voor Klokkenluiders (Stb. 2016, 148), in werking getreden op 1 juli 2016 (Stb. 2016, 196). Art. 13 lid 6 Wet Huis voor Klokkenluiders luidt: “Het geven van inlichtingen of het overleggen van stukken kan worden geweigerd, indien het inlichtingen en bescheiden betreft waarvan het verstrekken in strijd is met het belang van de nationale veiligheid, dan wel een schending van een beroepsgeheim of wettelijk voorschrift met zich meebrengt. (…).”Art. 53a Algemene wet inzake rijksbelastingen is ingevoerd bij art. I onderdeel C van de Wet van 29 juni 1994 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tot aanpassingen van de administratieve verplichtingen ten dienste van de belastingheffing en in verband daarmee wijziging van enige andere wetten (aanpassing van administratieve verplichtingen) (Stb. 1994, 499). Art. 53a lid 1 AWR luidt: “Voor een weigering om te voldoen aan de verplichtingen ten behoeve van de belastingheffing van derden kunnen alleen bekleders van een geestelijk ambt, notarissen, advocaten, artsen en apothekers zich beroepen op de omstandigheid, dat zij uit hoofde van hun stand, ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Fernhout 2004, p. 171. Zie over de achtergrond van art. 53a AWR en haar wettelijke voorloper in art. 53 AWR (oud) ook A-G Wesseling-van Gent onder 2.9-2.10 van haar conclusie (ECLI:NL:PHR:BV3426) voor het Tradman/Staat-arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt onder NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Fernhout 2004, p. 169-170.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de toelichting op onderdeel 1 in het cassatieverzoekschrift onder VI, sub 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het rijtje met voorbeelden van onderwerpen die aan de raadsheer-commissaris kunnen worden voorgelegd, waarin het verschoningsrecht nog niet wordt genoemd (Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3, p. 38).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. art. 2:120 lid 4 BW over de plicht van het bestuur van de vennootschap aantekening te houden van de genomen besluiten in de algemene vergadering. Die bepaling geldt alleen voor door de algemene vergadering genomen besluiten (en dus niet voor vergaderingen van het bestuur of de raad van commissarissen) en schrijft overigens ook niet voor dat notulen - een schriftelijk verslag van hetgeen in de algemene vergadering is behandeld - moeten worden opgemaakt. Zie over art. 2:120 lid 4 BW bijv. Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, Deventer: Kluwer 2013, nr. 222. Zie ook Asser/Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-IIb 2019/69-70 en H.M. Vletter-van Dort, Gelijke behandeling van beleggers bij informatieverstrekking (diss. Utrecht), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht deel 37, Deventer: Kluwer 2001, p. 113-114 (hierna: Vletter-van Dort 2001).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-IIb 2019/376 voor vergaderingen van de raad van commissarissen en verder ook M.W.E. Evers &amp; A. Folmer, ‘Notulen: opgemaakt en vastgesteld (wanbeleid?)’, TOP 2013, afl. 3, p. 105 (hierna: Evers &amp; Folmer 2013).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cassatieverzoekschrift, onder VII sub 27-29, met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze verantwoordingsplicht van het bestuur en de raad van commissarissen Asser/Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-IIb 2019/238 en 398. Vgl. Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, Deventer: Kluwer 2013, nr. 222, waarin voor vennootschappen met gespreide aandelen art. 2:8 BW als grondslag voor het opstellen van notulen van de algemene vergadering wordt genoemd. Evenzo, voor beursvennootschappen, Vletter-van Dort 2001, p. 267. Vgl. verder ook Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 15 februari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ1149, JOR 2013/102 m.nt. D.A.M.W.H. Strik (Van der Moolen), rov. 6.4.5: “dat verantwoord ondernemerschap dat [schriftelijke vastlegging van het beleid, A-G] ook vereist.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-IIb 2019/238 sub e en 398 sub f.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Asser/Maeijer, Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/782, waarin wordt opgemerkt dat onder boeken en bescheiden in art. 2:351 BW notulen van vergaderingen, begrotingen, accountantsverslagen en correspondentie vallen. Zie daarover ook bepaling 3.6 van de Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties (versie 2013) en - inmiddels - bepaling 5.4 van de Leidraad. De discussie of notulen van vergaderingen van organen van de vennootschap ook onder het bereik van de administratieverplichting van art. 2:10 BW vallen, laat ik hier rusten. Zie daarover bijv. Vletter-van Dort 2001, p. 266-267 en Evers &amp; Folmer 2013, p. 105-106.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met betrekking tot het bestuur bijv. Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 15 februari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ1149, JOR 2013/102 m.nt. D.A.M.W.H. Strik (Van der Moolen), rov. 6.4.5 en de noot van Strik daarbij, onder 3-5. Zie met betrekking tot de raad van commissarissen bijv. Hof Amsterdam 8 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5049, JOR 2018/9 m.nt. M.W. Josephus Jitta (ZED+), rov. 4.22 en Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 6 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:377, JOR 2018/94 m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2018/62 m.nt. P.H.M. Broere (Xeikon), rov. 5.33. De beschikking inzake Xeikon N.V. is overigens op procedurele gronden partieel vernietigd en teruggewezen naar de ondernemingskamer, HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, NJ 2019/335, JOR 2019/273 m.nt. R.M. Hermans, Ondernemingsrecht 2019/165 m.nt. P.H.M. Broere (Xeikon).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW0130, NJ 2006/317, rov. 4.4. Zie over dat arrest bijv. ook Evers &amp; Folmer 2013, p. 104 en 107.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin ook Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, Deventer: Kluwer 2013, nr. 222: “De notulen [van de algemene vergadering, A-G] zijn een ‘vennootschappelijk’ stuk.” Evenzo Evers &amp; Folmer 2013, p. 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Evers &amp; Folmer 2013, p 107, met verwijzingen naar rechtspraak: “Een vordering van aandeelhouders (of in het algemeen: derden) tot het verkrijgen van inzage in of afschrift van notulen van vergaderingen van het bestuur of de raad van commissarissen zal in de regel worden afgewezen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. D.A.M.W.H. Strik onder 5 van haar noot in JOR 2013/102: “De ervaring leert dat enquêteurs vaak notulen als startpunt nemen voor de interviews met bestuurders en commissarissen en het komt voor dat enquêteurs weinig ontvankelijk zijn voor de gang van zaken buiten de notulen om.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Van den Blink 2010, p. 61 en Evers &amp; Folmer 2013, p. 107-108.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 15 februari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ1149, JOR 2013/102 m.nt. D.A.M.W.H. Strik (Van der Moolen), rov. 6.4.5: “[H]et [ligt] niet alleen voor de hand dat van dergelijke onderzoeken, strategieën en plannen, respectievelijk van op basis daarvan genomen maatregelen en stappen die van belang zijn voor een speerpunt als hier aan de orde, enig schriftelijk substraat te vinden zou zijn, maar dat bovendien verantwoord ondernemerschap dat ook vereist. Zeker bij een onderneming van aard en omvang als die van VDM mag worden verwacht, dat een en ander gelet op het belang ervan in geschrifte, notulen, rapporten of anderszins, wordt vastgelegd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover A-G Knigge onder 19 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2006:AW0130) voor HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW0130, NJ 2006/317.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van den Blink 2010, p. 61-62.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Hermans 2017, p. 268. Vgl. bijv. ook Evers &amp; Folmer 2013, p. 108 die aanbevelen om in notulen van vergaderingen van het bestuur en de raad van commissarissen aan te geven wanneer door de aanwezigen mede is afgegaan op advies van deskundigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. met betrekking tot de notulen van de algemene vergadering, bijv. Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, Deventer: Kluwer 2013, nr. 222. Zie verder ook Evers &amp; Folmer 2013, p. 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. met betrekking tot de notulen van de algemene vergadering bijv. ook Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, Deventer: Kluwer 2013, nr. 222. Zie ook Evers &amp; Folmer 2013, p. 108.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. het bevel op de voet van art. 2:352 BW in Hof Amsterdam (raadsheer-commissaris ondernemingskamer) 31 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1198, JIN 2016/83 m.nt. M.C. van Rijswijk &amp; E.J.H. Zandbergen (Xeikon): “De raadsheer-commissaris: beveelt Xeikon de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van Xeikon (waaronder ook notulen van vergaderingen, begrotingen, correspondentie en de geautomatiseerde of in de computer opgeslagen bestanden) die informatie bevatten over de aandelenprijs (…) volledig en onvoorwaardelijk ter inzage te geven aan de onderzoeker; (…).” Zie hierover ook Storm 2018, p. 241.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. art. 165 lid 2 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fernhout 2004, p. 213. Zie daarover bijv. ook A-G Wesseling-van Gent onder 2.6 van haar conclusie (ECLI:NL:PHR:BV3426) voor het Tradman/Staat-arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus A-G Knigge onder 8.11 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:2567) voor HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110, NJ 2016/163 m.nt. F. Vellinga-Schootstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin bijv. Fernhout 2004, p. 219, onder verwijzing naar Vranken 1986, p. 117-118: “Het bijzondere van de ‘benoemde uitzonderingen’ is dat in die gevallen er per definitie (eigenlijk: per decreet) geen sprake is van vertrouwelijkheid hoe de betrokkenen er ook tegenaan kijken. Dat betekent dat in andere gevallen van een echte, in rechte hard te maken uitzondering geen sprake kan zijn. Vranken bespreekt er een aantal, maar moet dat meteen weer terugnemen voor het geval in de relatie tussen cliënt en hulpverlener ook in dat geval vertrouwelijkheid is beoogd. Dat oogmerk is, al was het maar impliciet, altijd aanwezig op het moment dat zo’n gegeven een rol gaat spelen in een procedure. Buiten de genoemde gevallen zijn er dus geen in algemene termen te omschrijven uitgezonderde gevallen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus A-G Knigge onder 8.13 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:2567) voor HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110, NJ 2016/163 m.nt. F. Vellinga-Schootstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A-G Knigge in voetnoot 13 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:2567) voor HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110, NJ 2016/163 m.nt. F. Vellinga-Schootstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hermans 2017, p. 268. Evenzo S.R. van Breukelen onder 8 van haar noot onder de bestreden beschikking in JOR 2019/132.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onder 6.12 van de conclusie van A-G Knigge (ECLI:NL:PHR:2016:1161) voor HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2686, NJ 2017/129 m.nt. F. Vellinga-Schootstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Maeijer &amp; Kroeze 2-I* 2015/185 en 290.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft nr. 12 onder Informatieuitlevering II (Besluiten Directie SNS Bank van 5 januari 2010) en nr. 50 onder Informatieuitlevering III (Besluiten Directie SNS Bank van 27 maart 2012). De desbetreffende brief met bijlagen is opgenomen als bijlage 3 bij de brief van de onderzoekers van 7 februari 2019 (nr. 10 in het procesdossier).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110, NJ 2016/163 m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Knigge onder 8.18-8.20 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:2567) voor HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110, NJ 2016/163 m.nt. F. Vellinga-Schootstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110, NJ 2016/163 m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 4.3-4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook A-G Knigge onder 6.9 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:1161) voor HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2686, NJ 2017/129 m.nt. F. Vellinga-Schootstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt in NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Fernhout 2004, p. 219-221 en De Bock 2013, p. 162, met verwijzingen. Zie verder ook J. van Woudenberg, ‘Verschoningsrecht’, in: WB der Nederlanden; 25 jaar wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 174-177 (hierna: Van Woudenberg 2003).</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Leijten in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:1993:ZC9450) voor HR 5 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9450, NJ 1994/262 m.nt. Th.W. van Veen. Zie ook Fernhout 2004, p. 221.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus G. Knigge onder 1 van zijn noot onder HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070, NJ 2005/273 m.nt. G. Knigge.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070, NJ 2005/273 m.nt. G. Knigge, rov. 5.3 en HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2386, NJ 2006/622 m.nt. J. de Boer, rov. 4.4 (Savanna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2386, NJ 2006/622 m.nt. J. de Boer, rov. 4.4 (Savanna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Van Woudenberg 2003, p. 176-177. Kritisch hierover Fernhout 2004, p. 221: “ook een dergelijk belang laat zich niet zo gauw transponeren naar een civiele procedure.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dit onderscheid De Bock 2013, p. 162.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook De Bock 2013, p. 163-164: “Voor de vraag welke omstandigheden relevant zijn bij de belangenafweging, kan deels worden aangeknoopt bij de (voornamelijk strafrechtelijke) rechtspraak over de vraag of ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ aanwezig zijn. (…) Maar, anders dan in de hiervoor bedoelde rechtspraak, staat de thans voorgestane wijze van rechterlijke toetsing niet in de sleutel van de vraag of sprake is van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’. De rechter zal in álle gevallen een belangenafweging moeten maken en het belang van het inroepen van het verschoningsrecht moeten afwegen tegen het belang van waarheidsvinding.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. A-G Knigge onder 6.12 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:1161) voor HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2686, NJ 2017/129 m.nt. F. Vellinga-Schootstra: “Ik merk (…) op dat de vraag of op het woord van de verschoningsgerechtigde dient te worden afgegaan, veel van haar scherpte heeft verloren. Aangezien de rechter-commissaris en de rechtbank van het desbetreffende stuk kennis mogen nemen, is van blind vertrouwen geen sprake meer. Het standpunt van de raadsman kan aan de hand van de inhoud van het stuk betrekkelijk ver gaan worden getoetst.”</p></div>", "next": 0}