{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Op grond van hetgeen door de raadsvrouw ter zake van het uitsluiten van het IGZ-dossier naar voren is gebracht kan het hof geen vormverzuim, in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering vaststellen. Een andere wettelijke grondslag voor het uitsluiten van het IGZ-dossier, is door de raadsvrouw evenmin aangevoerd. Het verweer wordt dan ook verworpen. Het hof merkt ten overvloede op dat zowel de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg als de behandeling van het beroep hiertegen door het Centraal Tuchtcollege onderdeel uitmaken van het procesdossier, en dat hierin de standpunten van zowel de verdachte als van verweerder uitgebreid en helder zijn verwoord.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">102.</span>Voordat ik het middel inhoudelijk bespreek, wijs ik er nogmaals op dat het rapport waarop het middel betrekking heeft, deel uitmaakt van het IGZ-dossier dat het onderwerp heeft gevormd van een afzonderlijke beklagprocedure. De officier van justitie heeft in het kader van het strafrechtelijk onderzoek in de onderhavige zaak, bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg de verstrekking gevorderd van de tegen CityKliniek en de verdachte ingediende tuchtklacht en alle bijlagen bij die klacht. Het rapport waarop het middel betrekking heeft, is een bijlage bij de tuchtklacht. De tuchtklacht en alle bijlagen bij die klacht, waaronder het rapport, zijn op 15 maart 2010 aan het onderzoeksteam verstrekt. Inzet van de beklagprocedure waren de stellingen dat het rapport en het dossier vielen onder het van de verdachte afgeleide verschoningsrecht van de IGZ en dat het gebruik in een strafprocedure van de verklaringen die de verdachte in het kader van de tuchtklacht had afgelegd, in strijd waren met het nemo tenetur-beginsel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">103.</span>Nadat de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank op het klaagschrift bij arrest van 12 februari 2013 had vernietigd en de zaak had teruggewezen, heeft de rechtbank het beklag bij beschikking van 16 juli 2013 voor wat betreft het IGZ-dossier ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft het tegen deze beschikking ingestelde cassatieberoep bij arrest van 23 juni 2015 verworpen. Tot aan de regiezitting in hoger beroep maakte het IGZ-dossier geen onderdeel uit van het dossier in de onderhavige strafzaak.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">104.</span>Aan de eerste klacht, dat het hof het rapport ten onrechte voor het bewijs heeft gebruikt, is ten grondslag gelegd dat het rapport achterhaald en onvolledig is en geen waarheidsgetrouw beeld geeft, omdat op het moment van het inspectiebezoek de CityKliniek niet was ingericht zoals ten tijde van de tenlastegelegde ingrepen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">105.</span>Uit hetgeen ter terechtzitting van het hof is aangevoerd, zoals dat naar voren komt uit de daarvan opgemaakte processen-verbaal en de daar overgelegde pleitnota’s, kan niet blijken dat daar is aangevoerd dat het rapport waarop het middel betrekking heeft, niet mag worden gebruikt omdat het is achterhaald, onvolledig is en geen waarheidsgetrouw beeld geeft omdat het ten tijde van het inspectiebezoek niet was ingericht zoals ten tijde van de ingrepen die aan de verdachte ten laste zijn gelegd. Inderdaad is ter terechtzitting aangegeven dat de verdachte vanaf juni 2009 is begonnen met de verbouwing van de CityKliniek, maar dat is niet in verband gebracht met de bewijswaarde van het rapport. Ik maak dit duidelijk aan de hand van hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd en waarop in de schriftuur een beroep wordt gedaan ter onderbouwing van de eerste klacht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">106.</span>Ten eerste wordt een beroep gedaan op hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting van het hof van 8 november 2017 heeft aangevoerd en daar als volgt is weergegeven: “In aanvulling op deze pleitnotities merkt de raadsvrouw het volgende op:[…]Ten aanzien van het ingebrachte IGZ-rapport ben ik van mening dat dit niet voor het bewijs gebruikt kan worden. Het rapport is een klacht, het is een document van een aanklagende partij. Mijn cliënt was verweerder en de klacht is niet objectief. Het is niet door deskundigen opgesteld en daarom achterhaald door de deskundigenverhoren bij de raadsheer-commissaris. Voorts is alleen de klacht ingebracht en niet het verweer van mijn cliënt in reactie op de klacht. Hierdoor ontstaat een onvolledig beeld. Het rapport is ook niet aan mijn cliënt voorgehouden, dus tot op heden is geen sprake geweest van hoor en wederhoor. Verder stond het mijn cliënt niet vrij om niet aan het onderzoek mee te werken. Door voeging van het dossier wordt aldus in strijd met het nemo teneturbeginsel gehandeld.[…]Wat de verdediging betreft hoeft het IGZ-dossier niet alsnog voorgehouden te worden. Ons standpunt is dat het niet bruikbaar is voor het bewijs. In de IGZ-procedure heeft geen wederhoor plaatsgevonden. Wat ons betreft kan het als voorgehouden worden beschouwd.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">107.</span>Het proces-verbaal houdt inderdaad in dat het rapport naar het oordeel van de raadsvrouw achterhaald was, maar niet omdat de CityKliniek ten tijde van het inspectiebezoek niet was ingericht zoals ten tijde van de tenlastegelegde ingrepen maar omdat het “niet door deskundigen [is] opgesteld en daarom achterhaald [is] door de deskundigenverhoren bij de raadsheer-commissaris.” De rest van wat is aangevoerd en hier is weergegeven, waarop in de schriftuur een beroep wordt gedaan, is relevant voor de beoordeling van de tweede klacht, en komt bij de bespreking daarvan aan de orde.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">108.</span>De pleitnota waarop in de schriftuur een beroep wordt gedaan, en het opschrift van het onderdeel van de pleitnota waarin de alinea is opgenomen, houden het volgende in: “IV. BEVOEGDHEID/BEKWAAMHEID/INTENTIES OPRICHTING CITYKLINIEK […] 72. Cliënt heeft aldus immer de intentie gehad om van de CityKliniek een state-of-the-art-kliniek te maken. Om die reden is hij in juni 2009 ook begonnen met de verbouwing van de CityKliniek die tot gevolg diende te hebben dat de CityKliniek ook over een OK Klasse 1 zou beschikken. De aannemer was al begonnen, om welke reden cliënt in juni 2009 al geen ingrepen meer verrichtte in de CityKliniek, maar uitweek naar andere klinieken, zoals ook blijkt uit het politiedossier. Helaas heeft het zo ver niet mogen komen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">109.</span>Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de CityKliniek ten tijde van het inspectiebezoek niet meer door de verdachte werd gebruikt, maar dit onderdeel van de pleitnota heeft betrekking op de intenties van de verdachte om van de CityKliniek een “state-of-the-art-kliniek” te maken en betwist niet de bewijskracht van het rapport. Uit dit onderdeel van de pleitnota kan bovendien worden afgeleid dat de CityKliniek vóór juni 2009, dus ten tijde van de tenlastegelegde ingrepen, geen “state-of-the-art” kliniek was en niet over een OK Klasse 1 beschikte.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">110.</span>Het andere onderdeel van de pleitnota waarop in de schriftuur een beroep wordt gedaan heeft betrekking op “Uitspraken RTG en CTG”, zo blijkt uit het bijbehorende opschrift in de pleitnota zelf. In het betreffende onderdeel van de pleitnota wordt uiteengezet dat en waarom de uitspraken van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg en het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg “niet als leidend moeten worden beschouwd in de strafzaak”. Dat standpunt kan ik goed begrijpen omdat beide tuchtrechters uit de aard en omvang van het tekortschieten van de verdachte en diens tuchtrechtelijk verleden hebben afgeleid, dat de kans op verder disfunctioneren in de toekomst zodanig groot is dat enkel de zwaarste maatregel is aangewezen en het opleggen van een andere maatregel dan doorhaling van de inschrijving in het BIG-register onvoldoende bescherming van de individuele gezondheidszorg biedt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">111.</span>In het betreffende onderdeel van de pleitnota, waarop in de schriftuur een beroep wordt gedaan, kan ik echter niet lezen dat het rapport waarop het middel betrekking heeft niet voor het bewijs mag worden gebruikt omdat het achterhaald en onvolledig is en geen waarheidsgetrouw beeld geeft, omdat op het moment van het inspectiebezoek de CityKliniek niet was ingericht zoals ten tijde van de tenlastegelegde ingrepen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">112.</span>Hetzelfde geldt voor de pleitnota in dupliek waar die betrekking heeft op de “inhoud van de IGZ-klacht” en het volgende inhoudt: “De inhoud van de IGZ-klacht, mag niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat het onvolledig is, er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, bij de totstandkoming daarvan, de IGZ niet deskundig is, de bevindingen achterhaald zijn en omdat bepaalde onderdelen schending van het nemo-tenetur beginsel met zich brengen. Bovendien was de IGZ de aanklagende instantie in de tuchtzaak en zijn de stukken om die reden al niet objectief. Dat hierover is geprocedeerd tot de HR en terug doet daar niets aan af. Dit betrof de vraag of de inbeslagneming terecht was en daarbij ging het hoofdzakelijk over de vraag of aan de regels van de geheimhouding/verschoning was voldaan. De HR heeft niets gezegd over de vraag of dit door de feitenrechter voor het bewijs mag worden gebruikt.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">113.</span>Het rapport waarop het middel betrekking heeft, vormt een bijlage bij de IGZ-klacht en is niet hetzelfde als de inhoud van de klacht zelf waarop de pleitnota in dupliek is gericht. Daaraan doet niet af dat bevindingen van het rapport aan de klacht ten grondslag zijn gelegd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">114.</span>De eerste klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">115.</span>De tweede klacht houdt in dat het hof heeft nagelaten de bijzondere redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het rapport niet voor het bewijs gebruikt mag worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">116.</span>Het hof heeft hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd met betrekking tot het rapport waarop het middel betrekking heeft, kennelijk opgevat als een verweer als bedoeld in art. 359a Sv en niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. De uitleg van wat ter terechtzitting wordt aangevoerd is voorbehouden aan het hof en kan in cassatie slecht op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. De uitleg door het hof als een verweer als bedoeld in art. 359a Sv is niet onbegrijpelijk gelet op de onregelmatigheden die de raadsvrouw heeft ingebracht tegen het rapport van de IGZ, waaronder in het bijzonder de inbreuk op het nemo tenetur beginsel en het ontbreken van hoor en wederhoor. De klacht dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft nagelaten de bijzondere redenen op te geven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, faalt daarom.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">117.</span>Het derde middel faalt in beide onderdelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Het vijfde middel: de bijzondere voorwaarde dat de verdachte geen bijzondere (be)handelingen verricht 118. Het vijfde middel bevat een rechtsklacht tegen de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen medische (be)handelingen verricht. De gestelde bijzondere voorwaarde zou volledig overeenkomen met een in het Wetboek van Strafrecht voorziene bijkomende straf die echter in de onderhavige zaak niet had kunnen worden opgelegd. Het stellen van de bijzondere voorwaarde zou daarom in strijd zijn met de wet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">119.</span>Het hof heeft als bijzondere voorwaarde gesteld dat “de verdachte gedurende de proeftijd geen medische (be)handelingen verricht”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">120.</span>Met betrekking tot de bijzondere voorwaarde heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen: “Het hof acht het tegen de achtergrond van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheid dat de verdachte in het buitenland nog immer gerechtigd is tot het uitvoeren van medische handelingen en hij er blijk van heeft gegeven van die mogelijkheid gebruik te willen maken, aangewezen dat een deel van de op te leggen gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, onder de voorwaarde dat de verdachte, gedurende de proeftijd, geen medische (be)handelingen uitvoert in binnen- en buitenland.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">121.</span>De door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde sluit aan bij de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register die aan de verdachte is opgelegd door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft de in hoger beroep aangevoerde grief tegen deze maatregel verworpen en daarbij het volgende overwogen: “De ernstige tuchtrechtelijke verwijten die de arts door de IGZ worden gemaakt acht het Centraal Tuchtcollege (nagenoeg) geheel gegrond. Daarnaast is de arts niet in beroep gekomen tegen de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege betreffende het zich onvoldoende frequent laten onderzoeken op het MRSA dragerschap en het ten onrechte voeren van de titel chirurg (zie rechtsoverweging 5.2 onder b en onder h. van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege). Mede gelet op de door de IGZ in hoger beroep overgelegde aanvullende stukken (in het kader van het verweer in beroep) inhoudende drie uitspraken van de rechtbank [X.] en informatie van het Openbaar Ministerie, acht het Centraal Tuchtcollege de kans op disfunctioneren in de toekomst groot. Voorts mist de arts naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege, gelet op het grote aantal ernstige klachten en de wijze waarop hij daarop heeft gereageerd, inzicht in zijn eigen verantwoordelijkheid als arts. Alles afwegende is ook het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het opleggen van een andere maatregel dan doorhaling van de inschrijving in het register onvoldoende bescherming van de individuele gezondheidszorg biedt.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">122.</span>Voor de beoordeling van het middel is het volgende wettelijk kader van belang dat betrekking heeft op achtereenvolgens het stellen van een bijzondere voorwaarde en het opleggen van een bijkomende straf voor zover die bestaat uit het ontzetten van het recht bepaalde beroepen uit te oefenen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Art. 14c, tweede lid aanhef en onder 14°, Sr: “2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd [...] heeft te voldoen: [...] 14°. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.\"Art. 28, eerste lid, Sr:“1. De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn: […]3°. het recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen en tot lid van deze organen te worden verkozen;[…] 5°. de uitoefening van bepaalde beroepen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 300, eerste en tweede lid, Sr“1. Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>2. Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Art. 304c Sr“Bij veroordeling wegens een der misdrijven omschreven in de artikelen 302 en 303, begaan met een terroristisch oogmerk, alsmede bij veroordeling wegens het misdrijf omschreven in artikel 304b, kan ontzetting van het in artikel 28, eerste lid, onder 3°, vermelde recht worden uitgesproken.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">123.</span>Voor de verhouding tussen het stellen van een bijzondere voorwaarde en het opleggen van een bijkomende straf, dient de volgende overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 22 januari 2019 als uitgangspunt te worden genomen: “Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat een bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 14°, Sr waarvan de naleving neerkomt op het ondergaan van een in de wet voorziene bijkomende straf, niet toelaatbaar is. Die opvatting is te beperkt en daarom onjuist. Het stellen van een bijzondere voorwaarde waarvan de naleving neerkomt op het ondergaan van een in de wet voorziene bijkomende straf, is alleen dan niet toelaatbaar indien oplegging van die straf in het concrete geval wettelijk niet mogelijk zou zijn of indien anderszins de wettelijke regeling van die straf op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">124.</span>In titel XX van het Tweede Boek Sr, waarin art. 300 Sr is opgenomen, is alleen in art. 304c Sr voorzien in de mogelijkheid de ontzetting van bepaalde rechten uit te spreken. Die mogelijkheid is beperkt tot het ontzetten van het actief en passief kiesrecht (art. 28, eerste lid onder 3°, Sr). Hieruit volgt dat in de onderhavige zaak de ontzetting van het recht bepaalde beroepen niet als bijkomende straf had kunnen worden uitgesproken. Onder het uitoefenen van bepaalde beroepen valt ook het uitoefenen van het beroep van arts.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">125.</span>De naleving van de verdachte gestelde bijzondere voorwaarde, dat hij geen medische (be)handelingen verricht, komt neer op het ondergaan van een in de wet voorziene bijkomende straf die in het concrete geval niet mogelijk zou zijn en is daarom ontoelaatbaar. Het middel klaagt daarover terecht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">126.</span>De vraag is vervolgens waartoe de gegrondverklaring van het middel moet leiden. In recente rechtspraak van de Hoge Raad lijkt de mogelijkheid aanvaard om de zaak na vernietiging van de niet-toegelaten bijzondere voorwaarde zelf af te doen. In een arrest van 19 september 2017 vernietigde de Hoge Raad een onderdeel van de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde omdat in de bijzondere voorwaarde “niet een voldoende precies gedragsvoorschrift is geformuleerd” en deed de zaak zelf af. In een arrest van 5 juli 2016 vernietigde de Hoge Raad niet slechts een onderdeel van een bijzondere voorwaarde maar de gehele bijzondere voorwaarde om vervolgens de zaak zelf af te doen. De bijzondere voorwaarde hield kort gezegd in dat de verdachte zich gedurende de proeftijdperiode op geen enkele wijze uit over zijn ex-partner en zijn kinderen, behoudens ten behoeve van de lopende en komende gerechtelijke procedures en gesprekken met de Raad voor de Kinderbescherming, Bureau Jeugdzorg en andere instanties die bij de procedures betrokken zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">127.</span>Tegen deze achtergrond geef ik de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen in overweging te volstaan met het vernietigen van de bestreden uitspraak voor wat betreft de gestelde bijzondere voorwaarde. Voor de verdachte zal dit de facto overigens weinig opleveren, nu zijn inschrijving in het register van artsen is doorgehaald, waardoor hij in ieder geval in Nederland niet meer in dit beroep mag werken en voor zover hij voor het werken in het buitenland een verklaring BIG-register nodig heeft, ook in het buitenland niet.7. Slotsom 128. Het eerste, tweede, derde en vierde middel falen en het derde middel kan worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt, maar hoeft niet tot cassatie te leiden omdat de Hoge Raad de zaak in zoverre zelf kan afdoen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">129.</span>Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van beroep in cassatie op 30 november 2017. Volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad moet deze inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, leiden tot strafvermindering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">130.</span>Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de bijzondere voorwaarde betreffende het niet verrichten van medische (be)handelingen en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de gevangenisstraf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ECLI:NL:GHDHA:2017:3382.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij akte partiële intrekking cassatie van 25 oktober 2019 heeft de verdachte het beroep in cassatie partieel ingetrokken “voor zover het betreft [de] door het Gerechtshof gegeven vrijspraak t.a.v. het onder feit 1 cumulatief ten laste gelegde verwijt t.a.v. ‘[mishandeling van patiënt 10 door het uitvoeren van de MACS-lift (een bepaalde vorm van facelifting) en onderkinliposuctie, AG]’ en het onder feit 2 ten laste gelegde [oplichting van de patiënten, AG].”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de informatie die werd verstrekt via &lt;www.citykliniek.nl&gt; waarvan de inhoud is weergegeven in de aanvulling met bewijsmiddelen onder 37 en waar de verdachte wordt gepresenteerd als “deskundig borstchirurg” en waar onder de Unieke CityKliniek kenmerken” is vermeld “fulltime esthetisch-/en plastisch chirurgen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in de aanvulling met bewijsmiddelen onder 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft voor de bewijsvoering geen afbeelding van een “mamma-navigator” gebruikt. Bij de stukken die op de voet van art. 435 lid 2 Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevinden zich twee “mamma-navigators”, die zich laten omschrijven als een kitspuit waarop in plaats van een kitcontainer een kogel(huls)vormige stalen buis is geplaatst waardoor het implantaat in de borst werd gedrukt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter terechtzitting van het hof van 7 november 2017 heeft de verdachte verklaard dat hij de infecties niet als zodanig heeft herkend. In het proces-verbaal is zijn verklaring op p. 5 als volgt zakelijk weergegeven: “Met de kennis van nu is het makkelijk om te reconstrueren dat het toen een infectie was. Ik had een kweek kunnen nemen, maar ik heb op dat moment niet het beeld van een infectie herkend. Infecties met koorts, een dikke borst, stinkende pus, dat stond ook allemaal niet in mijn patiëntendossiers.” Zie nader nr. 69 e.v. m.b.t. de “blinde vlek\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierna in de bewezenverklaring genoemde patiënten, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het navolgende in deze paragraaf is ontleend aan het vonnis in de onderhavige zaak: Rb. ECLI:NL:RBROT:2014:13243 onder 3 “Inleiding”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 17 maart 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP8090 voor de genomen besluiten en daartegen ingebrachte en verworpen bezwaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 23 juni 2011, ECLI:NL:TGZCTGL:2011:YG1358 (te raadplegen via tuchtrecht.overheid.nl), GJ 2015/3. Het hof heeft alleen de beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg voor de bewijsvoering gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn noot bij het vonnis van 30 oktober 2014 waarbij de verdachte door de rechtbank in de onderhavige zaak was vrijgesproken, merkt Schalken op dat de rechtbank zich mede door het ontbreken van de stukken van het IGZ-dossier mogelijk in haar oordeelsvorming beperkt achtte. Zie Rb. Den Haag 30 oktober 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:13243, GJ 2015/11 m.nt. T.M. Schalken. Ook mijn voormalig ambtgenoot Knigge merkt ten aanzien van dit vonnis van de rechtbank Den Haag in het kader van de beklagzaak betreffende het IGZ-dossier op dat bij de vrijspraak een rol lijkt te hebben gespeeld dat het IGZ-dossier niet ter beschikking van de rechtbank stond, ECLI:NL:PHR:2015:955 onder 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1701.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 23 juni 2011, ECLI:NL:TGZCTGL:2011:YG1358, GJ 2015/3, onder 5.2, ad h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Haag 6 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2503 en Hof Den Haag 7 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:431. Afstotingsverschijnselen waren in feite infecties. Zie deskundige in beide arresten: “De ‘afstotingsverschijnselen’ die [de verdachte, AG] beschrijft zijn eigenlijk infecties.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De officier van justitie heeft er niet voor gekozen aan de verdachte “zware mishandeling” ten laste te leggen (art. 302 Sr) of de culpoze pendant (art. 308 Sr).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690, NJ 2011/466 m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.3.1 en 2.4.2. Vgl. H. de Doelder &amp; A.C. ’t Hart, ‘Medicus en mishandeling’, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2 (1978), p. 57-68 op p. 61-62.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot een tiende patiënt zag de tenlastelegging op een door de verdachte bij haar uitgevoerde “MACS-lift (een bepaalde vorm van facelifting) en onderkinliposuctie”. Het hof heeft de verdachte hiervan vrijgesproken, kort gezegd, omdat de verdachte daarbij wel had gehandeld overeenkomstig de professionele standaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Legemaate, ‘Rechtshandhaving’, in: J.C.J. Dute en J. Legemaate (red.), Handboek Gezondheidsrecht, Den Haag: Boom 2017, p. 573-642 op p. 626.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RBOVE:2014:646.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het requisitoir in eerste aanleg, onder 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9531, NJ 1987/607 m.nt. G.E. Mulder, r.o. 9.4 (Euthanasie II).</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijzigingen die nadien zijn doorgevoerd, zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak niet van belang. Met art. III Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg, Stb. 2013, 57 (i.w.tr. 1 april 2014) is de zinsnede toegevoegd: “, waaronder de overeenkomstig artikel 66b van de Zorgverzekeringswet in het openbaar register opgenomen voor hem geldende professionele standaard” waarna deze zinsnede (m.u.v. de interpunctie) met art. XXIII onder G Verzamelwet VWS 2016, Stb. 2016. 206 (i.w.tr. 1 augustus 2016, art. 1 lid 1, Stb. 2016, 270) werd vervangen door “waaronder de kwaliteitsstandaard, bedoeld in artikel 1, onderdeel z, van de Zorgverzekeringswet”.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.K.M. Gevers, ‘Plaatsbepaling en uitgangspunten van het gezondheidsrecht’, in: J.C.J. Dute &amp; J. Legemaate (red.), Handboek gezondheidsrecht, Den Haag: Boom 2017, p. 29-94 op p. 69-70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legemaate a.w. 2017, supra noot 18, p. 627. J. Wöretshofer, Volgens de regelen van de kunst. De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de medicus voor professioneel uitgevoerde handelingen (diss. Maastricht), Arnhem: Gouda Quint 1992, p. 54: “Tot de randvoorwaarden voor de straffeloosheid van medisch handelen behoren, dat de handeling in de beroepsuitoefening moet zijn verricht, binnen de grenzen van het beroep, met inachtneming van de regelen der kunst en – in het algemeen – met toestemming van de patiënt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Haag 30 oktober 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:13243 r.o. 6.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of nalaten, zie Wöretshofer a.w. 1992, supra voetnoot 24, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Wöretshofer a.w. 1992, supra voetnoot 24, p. 48. De Doelder &amp; ’t Hart a.w. 1978, supra voetnoot 16, p. 60: “medisch ingrijpen”. Legemaate a.w. 2017, supra voetnoot 18, p. 625 bespreekt het beroep op een medische exceptie in verband met “de relatie tussen medisch-professionele handelingen en mishandeling”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, NJ 2017/67 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.2.1. HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:ZD1159, NJ 2000/379 m.nt. G. Knigge onder NJ 2000/380, r.o. 3.2; HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:ZD5186, NJ 2000/380 m.nt. G. Knigge, r.o. 3.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:ZD1159, NJ 2000/379 m.nt. G. Knigge onder NJ 2000/380, r.o. 3.2; HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:ZD5186, NJ 2000/380 m.nt. G. Knigge, r.o. 3.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling met bewijsmiddelen onder 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling met bewijsmiddelen onder 39 (Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg) en onder 42 (H.A.H. Winters).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling met bewijsmiddelen onder 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling met bewijsmiddelen onder 8 (patiënt 3), onder 12 (patiënt 5), onder 21 (patiënt 6), onder 25 (patiënt 7) en onder 35 (patiënt 9).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.6 (HIV-I) waarnaar wordt verwezen in HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, NJ 2017/67 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH, Urteil, 26 juni 2003, 1 StR 269/02, NStZ 2004, p. 35, onder 9: “Allerdings wird die Annahme, dass die Art und Weise der Behandlung eines Patienten, durch einen Arzt nicht am Wohl des Patienten orientiert war, auch bei medizinisch grob fehlerhaften Verhalten des Arztes häufig fernliegen, so dass die ausdrückliche Erörterung der Frage, ob der Arzt den Patienten vorsätzlich an Leben oder Gesundheit geschädigt hat, nur unter besonderen Umständen geboten ist.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Overijssel 11 februari 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:646. Hof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4413.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, NJ 2017/67 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4858, NJ 2013/423 m.nt. J. Legemaate onder NJ 2013/424; HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4876.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. H.D. Wolswijk onder 8 in zijn noot onder HR 29 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1769, NJ 2019/453.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar het hierboven in randnummer 54 al aangehaalde HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 en daarnaast naar HR 3 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:582, NJ 2013/440, HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2574, NJ 2014/395, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2767, NJ 2014/430, HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2060 en HR 17 mei 2016 ECLI:NL:HR:2016:862.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139, NJ 1997/199 m.nt. A.C. ’t Hart, r.o. 5.4 (Porsche).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ECLI:NL:PHR:2016:129 onder 6.15 voorafgaand aan HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, NJ 2017/67 m.nt. P.A.M. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Knigge in zijn conclusie onder 6.18, ECLI:NL:PHR:2016:129 voorafgaand aan HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, NJ 2017/67 m.nt. P.A.M. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvulling met bewijsmiddelen bevat onder 43 als relaas van H.A.H. Winters, plastisch chirurg, een rapport gedateerd 25 november 2016 met de volgende inhoud: “Nazorg: Hij veegt vrijwel alle problemen bij. borstvergrotingen onder de noemer ‘afstotingsverschijnselen’, die hij vervolgens afwacht. De gepaste actie bij deze infecties wordt vaak te laat uitgevoerd.” Kernachtiger formuleerde de deskundige P.P.A. Schellekens, plastisch chirurg, het in zijn advies van 11 februari 2014, dat in de civiele zaak werd gebruikt: “De ‘afstotingsverschijnselen’ die [de verdachte, AG] beschrijft zijn eigenlijk infecties.” Hof Den Haag 6 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2503 onder 2.9. Zie ook Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 23 juni 2011, ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1358, GJ 2015/3, r.o. 4.3: “De stelling van de arts dat het hierbij niet ging om infecties maar om wondvocht of lymfevocht als gevolg van de afstoting van de protheses, acht het Centraal Tuchtcollege niet aannemelijk, te meer niet nu telkenmale antibiotische behandeling door de arts werd voorgeschreven. Bij gebrek aan documentatie terzake in de betreffende patiëntendossiers gaat het Centraal Tuchtcollege uit van hetgeen de patiënten zelf hebben aangegeven, te weten dat er sprake was van (een) infectie(s).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 23 juni 2011, ECLI:NL:TGZCTGL:2011:YG1358, GJ 2015/3, r.o. 4.16: “Het in desinfectievloeistof en daarna in water en alcohol afspoelen van de ‘Mamma-Navigator’ is daarvoor niet voldoende. Dat hij, zoals de arts in hoger beroep heeft verklaard, de cilinders van de ‘Mamma-Navigator’ vanuit [de Wellness Kliniek, AG] gesteriliseerd in een speciale bak naar Nederland meenam, doet daaraan, wat hier verder ook van zij, niet af, nu de arts tevens heeft verklaard dat in het geval hij onvoorzien een extra patiënt moest behandelen, hij een reeds gebruikte ‘Mamma-Navigator’ ter plaatse met behulp van desinfectievloeistof, alcohol en water weer gebruiksklaar maakte.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 23 juni 2011, ECLI:NL:TGZCTGL:2011:YG1358, GJ 2015/3, r.o. 4.6: “Er bestonden reeds vanaf medio 2006 - derhalve vóór het door de NPVC medio 2009 in dit verband gepubliceerde standpunt - ook voor privéklinieken geldende en door het Centraal Tuchtcollege in navolging van de IGZ als professionele standaarden beschouwde WIP-richtlijnen, op grond waarvan mamma-augmentaties althans het implanteren van protheses in een operatiekamer klasse 1 dienden plaats te vinden. De behandelkamer van de arts was van een andere orde en voldeed niet aan de nodige vereisten. Een particuliere kliniek dient - indien er ziekenhuisindicatoren en veldnormen beschikbaar zijn voor dezelfde behandelingen – op hetzelfde niveau te functioneren als een ziekenhuis. De WIP-richtlijnen gelden dus ook voor privéklinieken. De WIP–richtlijn “Omstandigheden (kleine) chirurgische ingrepen en invasieve ingrepen” waarin eisen worden gesteld aan ruimten waarin medische ingrepen worden uitgevoerd is vastgesteld in april 2006. Deze duidelijke norm was voor de arts dus kenbaar. Desondanks heeft de arts de implantaatchirurgie niet verricht in een operatiekamer klasse 1 (o.a. voorzien van een adequaat luchtbeheersingssysteem). Dat cosmetische en/of plastische chirurgie in de tabel (3) van deze Richtlijn niet expliciet als specialismen worden genoemd doet aan het bovenstaande niet af.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden, 18 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4413.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.L. Baar, Nieuwsbrief Strafrecht 2018/55 waarnaar wordt verwezen in voetnoot 9 van de schriftuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.K.M. Gevers, ‘Plaatsbepaling en uitgangspunten van het gezondheidsrecht’, in: J.C.J. Dute &amp; J. Legemaate (red.), Handboek gezondheidsrecht, Den Haag: Boom 2017, p. 29-94 op p. 69-70.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, NJ 2012/301 m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.3 (Groninger HIV).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0377, NJ 2001/649 m.nt. J.B.M. Vranken en F.C.B. Wijmen, r.o. 3.4.1 (Protocol-I).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen, nummer 2010009844.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik baseer mij op de informatie in de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Knigge in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2015:955 onder 4.2-4.6 voorafgaand aan HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1701.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3004, NJ 2013/505 m.nt. L. Legemaate.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2015:955 onder 1 voorafgaand aan HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1701.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1701.</p>\n<p class=\"lf-p\">Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 23 juni 2011, ECLI:NL:TGZCTGL:2011:YG1358, GJ 2015/3, r.o. 4.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 193.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2052, NJ 2012/253, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.5: “Voor zover wordt geklaagd dat 's Hofs motivering niet voldoet aan het in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, stuit het af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 23 juni 2011, ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1358, GJ 2015/3, r.o. 4.18. Raadpleging van het openbare BIG-register wijst uit dat de inschrijving van de verdachte in het register van artsen per 23 juni 2011 is doorgehaald, waardoor hij niet meer mag werken in dit beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:87, NJ 2019/123 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetboek van Strafrecht - Noyon, Langemeijer, Remmelink, art. 28-31, aant. 2 (J.W. Fokkens, suppl. 53, juli 1986). M. Malsch e.a., Strafrechtelijke ontzetting uit beroep of ambt. Oplegging en naleving in de periode 1995-2008, WODC 2009, p. 5 “Leraren, artsen, fysiotherapeuten en andere therapeuten vormen de grootste groep functionarissen aan wie een ontzetting wordt opgelegd.” (geraadpleegd via &lt;www.wodc.nl/binaries/1661_volledige_tekst_tcm28-70156.pdf&gt;).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2392, NJ 2017/389, r.o. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1400, NJ 2016/329, r.o. 3.6.</p></div>", "next": 0}