{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De (uiteindelijke) richtlijn moet bijdragen aan de ontwikkeling van secundaire markten voor NPL’s in de Unie door belemmeringen voor de overdracht van NPL’s door kredietinstellingen aan niet-kredietinstellingen weg te nemen en tegelijkertijd de rechten van de consument te beschermen. In de ontwerprichtlijn wordt vermeld dat de beperkte deelname van niet-kredietinstellingen heeft geleid tot geringe vraag, zwakke concurrentie en lage biedprijzen voor portefeuilles van kredietovereenkomsten op secundaire markten, hetgeen kredietinstellingen ontmoedigt om niet-renderende kredietovereenkomsten te verkopen. De ontwikkeling van markten voor door kredietinstellingen verleende kredieten die aan niet-kredietinstellingen worden verkocht, heeft dus een duidelijke Uniedimensie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.66 Hieruit valt af te leiden dat ook op Europees niveau de overdraagbaarheid van kredietvorderingen aan niet-kredietinstellingen niet alleen wenselijk wordt geacht, maar ook als uitgangspunt wordt gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.3 Economische gevolgen van niet-overdraagbaarheid van (krediet)vorderingen door een bank aan een niet-bank 4.67 Zowel DNB als de NVB hebben in hun schriftelijke opmerkingen uiteengezet wat de economische gevolgen zullen zijn als in deze procedure wordt geoordeeld dat de aard van het vorderingsrecht van een bank op een cliënt meebrengt dat dit recht onoverdraagbaar is in de zin van art. 3:83 lid 1 BW indien wordt beoogd de vordering over te dragen aan een niet-bank (de eerste prejudiciële vraag). Ik vat hun betoog op dit punt kort samen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.68 DNB noemt in haar schriftelijke opmerkingen een viertal negatieve consequenties wanneer het vorderingsrecht van een bank op een cliënt naar aard onoverdraagbaar wordt geacht, indien wordt beoogd deze vordering over te dragen aan een niet-bank. Zij belicht (i) de consequenties voor securitisaties en covered bonds-transacties, (ii) de invloed op de NPL-problematiek, (iii) de belemmeringen voor de uitvoering van het monetaire beleid en (iv) de belemmeringen voor het afwikkelen van banken in resolutie. Ik loop deze vier punten zoals zij zijn toegelicht door DNB kort langs.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.69 De Nederlandse financiële sector en in het bijzonder de Nederlandse banken zijn sterk afhankelijk van de uitgifte van securitisaties en covered bonds om hun kredietverstrekking te financieren (vooral ten behoeve van woonhypotheken), aldus DNB. Voor deze structuren is de overdracht van vorderingen een wettelijk vereiste. Wanneer banken hypothecaire vorderingen niet langer kunnen securitiseren of kunnen overdragen als onderdeel van een covered bond-transactie, ontstaat een financieringsgat dat zich zou vertalen in lagere kredietverlening met potentieel fors hogere bancaire rentes tot gevolg. Bovendien verliezen Nederlandse banken daardoor aan concurrentiekracht ten opzichte van andere Europese banken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Securitisaties en covered bonds-programma’s zijn daarnaast manieren waarop banken liquiditeiten kunnen genereren. Momenteel houden met name Nederlandse grootbanken een pool van vorderingen aan die eenvoudig door middel van securitisatie kunnen worden omgezet in asset backed securities, om in tijden van liquiditeitsstress over voldoende en door het Eurosysteem geaccepteerd onderpand te beschikken. DNB wijst ook nog op mogelijke gevolgen van bevestigende beantwoording van de eerste prejudiciële vraag voor reeds uitgevoerde securitisaties en covered bonds-transacties. Mogelijk moeten deze ongeldig worden geacht, wat zou meebrengen dat de waarde van de uitgegeven obligaties aanzienlijk lager of zelfs nihil is waardoor het vertrouwen in de financiële sector ernstig geschaad zou kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte zou een bevestigende beantwoording van de eerste prejudiciële vraag het streven naar een meer weerbare financiële structuur in Europa (zoals uitgedrukt in de plannen voor een Europese Kapitaalmarktunie) kunnen ondermijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.70 DNB voert verder aan dat de aanzienlijke omvang van NPL-portefeuilles in sommige EU-lidstaten, de kans op overloopeffecten en het risico dat NPL-ratio’s weer kunnen oplopen, verklaren dat de NPL-problematiek voor zowel de Europese regelgevers als toezichthouders een belangrijk aandachtspunt is. Wanneer Uw Raad zou oordelen dat een bank vorderingen op cliënten, zoals vorderingen uit hoofde van NPL’s, niet kan overdragen aan een niet-bank, heeft dit volgens DNB niet alleen effecten voor de bank(balans) zelf, maar kan dit ook een negatieve impact hebben op de reële economie en op de financiële stabiliteit. NPL’s worden immers geassocieerd met stagnerende groei, omdat het kapitaal van de banken ‘vastzit’ in NPL’s. Dit beperkt de mogelijkheden tot kredietverstrekking door banken aan de reële economie. Een grote omvang van NPL’s heeft ook tot gevolg dat banken slechter in staat zijn om schokken op te vangen (wat een risico vormt voor de financiële stabiliteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.71 Daarnaast raakt een bevestigend antwoord op de eerste prejudiciële vraag (de aard van de vordering verzet zich tegen overdracht door een bank aan een niet-bank) ook DNB en het Eurosysteem. In het kader van transacties die centrale banken in de eurozone verrichten ter uitvoering van het monetaire beleid (zogenaamde monetaire beleidstransacties) worden kredietvorderingen in onderpand gegeven aan DNB. Denkbaar is volgens DNB dat dergelijke transacties ook niet meer mogelijk zijn als de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, nu voor DNB niet hetzelfde publiekrechtelijke kader als voor banken geldt en voor haar, anders dan voor banken, ook geen privaatrechtelijke (bijzondere) zorgplicht aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.72 Ten slotte wijst DNB op een van haar kerntaken: het uitvoeren van afwikkelingstaken (resolutie) met betrekking tot onder andere banken. Een bevestigend antwoord op de eerste prejudiciële vraag zou twijfels kunnen oproepen over de inzetbaarheid van een aantal afwikkelingsinstrumenten waarover (onder meer) DNB beschikt, waardoor de ordentelijke afwikkeling van banken bemoeilijkt zou kunnen worden. Hierbij wordt door DNB bijvoorbeeld gewezen op overgang van onderneming als afwikkelingsinstrument waarbij aandelen (of andere eigendomsinstrumenten) of activa en/of passiva overgaan op (bijvoorbeeld) een private partij tegen betaling van een koopprijs. Daarbij kunnen vorderingen worden overgedragen aan een niet-bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.73 De NVB brengt, kort gezegd, in haar schriftelijke opmerkingen naar voren dat de overdraagbaarheid van bancaire vorderingen (uit kredieten) om drie redenen noodzakelijk is. Allereerst zijn de leningsvoorwaarden voor leningen en kredieten aan grote ondernemingen (met name de leningen die zijn verstrekt ter financiering van de aankoop van ondernemingen) in de afgelopen jaren sterk gewijzigd in het voordeel van de leningnemer, waardoor het risicoprofiel voor leninggevers is verhoogd. Leninggevers zouden meer risico lopen doordat zij minder mogelijkheden hebben om maatregelen te nemen. Dit verhoogde risicoprofiel wordt gecompenseerd door de mogelijkheid de lening in bepaalde situaties te verkopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als door Uw Raad zou worden geoordeeld dat bancaire vorderingen, waaronder die uit hoofde van leningen of kredieten aan grote ondernemingen, niet overdraagbaar zijn (voor zover beheerst door Nederlands recht) komen de banken in Nederland volgens de NVB in ernstige financiële problemen wat hun commerciële-leningenportefeuille betreft en verslechtert hun marktpositie bij het verlenen van nieuwe kredieten significant. Daarnaast is de overdraagbaarheid van vorderingsrechten (uit kredieten of uit andere hoofde) fundamenteel voor securitisaties en gedekte obligaties, aldus de NVB. Beide figuren zijn onmisbaar in de fundingmix van banken, die geld moeten aantrekken om rentedragend te kunnen uitzetten, en bij beide figuren vormt (stille) cessie een onmisbare stap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte is het voor de financierbaarheid van banken in het algemeen van essentieel belang dat zij over hun vorderingen kunnen beschikken; als dit niet het geval is, heeft dit een desastreus effect op de waardering van banken en de mogelijkheid om financiering aan te trekken. De NVB benadrukt dat een bevestigend antwoord op de eerste prejudiciële vraag rampzalig zou zijn voor Nederlandse financiële instellingen, hun klanten en alle daarbij betrokken maatschappelijke en macro-economische belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.74 Zowel de hiervoor genoemde argumenten van DNB als die van NVB zijn sterk economisch van aard en niet onmiddellijk bepalend voor de vraag of een kredietvordering juridisch gezien naar haar aard onoverdraagbaar is, indien deze vordering wordt overgedragen door een bank aan een niet-bank. Dat neemt niet weg dat het goed is een beeld te hebben van de eventuele economische gevolgen van een bevestigend antwoord op de eerste prejudiciële vraag (de aard van de vordering verzet zich tegen overdracht door een bank aan een niet-bank), zodat hiermee (voor zover juridisch mogelijk) rekening kan worden gehouden., A.4 (Tussen)conclusie 4.75 De aard van een vordering kan zich tegen overdracht verzetten. Bij ‘gewone’ geldvorderingen is hiervan doorgaans geen sprake. Uit diverse wettelijke bepalingen kan worden afgeleid dat wordt uitgegaan van de overdraagbaarheid van (krediet)vorderingen, zonder dat daarvoor relevant is aan welke entiteit deze vorderingen worden overgedragen. Ook uit (voorstellen voor) Uniewetgeving kan worden afgeleid dat het wenselijk wordt geacht dat kredietvorderingen overdraagbaar zijn. Volgens de literatuur is van onoverdraagbaarheid naar aard sprake als de prestatie van de schuldenaar dan wel de persoon van de schuldeiser wijzigt waardoor ook de inhoud van de vordering zou wijzigen door overdracht, of als de vordering zo sterk aan de schuldeiser is gebonden dat de rechten die voortvloeien uit de vordering niet moeten kunnen worden uitgeoefend door een andere persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt vaak gewezen op het arrest Staat/Appels. Omdat de casus die zich voordeed in Staat/Appels wezenlijk verschilt van de onderhavige, kan mijns inziens uit Staat/Appels niet de conclusie worden getrokken dat ook in een geval als het onderhavige de kredietvordering van de bank op een cliënt onoverdraagbaar is indien deze wordt overgedragen aan een niet-bank. De kredietvordering is in dit geval niet zozeer gebonden aan de persoon van de bank als crediteur dat de rechten en bevoegdheden uit het krediet slechts door de bank kunnen worden uitgeoefend en evenmin wijzigt de inhoud van de kredietvordering doordat de bank niet langer de schuldeiser is (maar de niet-bank aan welke de kredietvordering wordt overgedragen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij speelt wat mij betreft overigens mee dat de publiekrechtelijke positie van de bank en die van de niet-bank niet wezenlijk van elkaar verschillen en dat de niet-bank op andere wijze aan een met de (bancaire) zorgplicht(en) corresponderend regime kan worden onderworpen, bijvoorbeeld door specifieke inkleuring van de open normen waaraan de niet-bank rechtstreeks is gebonden (zoals art. 6:2 BW). Op deze aspecten ga ik in de hierna volgende onderdelen verder in.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. De (publiekrechtelijke) positie van een bank in vergelijking met de positie van een niet-bank bij het aanbieden van krediet 4.76 Om te bezien in hoeverre een kredietvordering gebonden is aan de bank als schuldeiser, is het ook van belang in kaart te brengen welke regels van toepassing zijn op banken en niet-banken wanneer zij de (overgedragen) kredietvordering beheren en uitvoeren en welke verschillen daarbij eventueel tussen banken en niet-banken aan de orde zijn. Het is in dit verband noodzakelijk tamelijk diep in te gaan op de niet bepaald eenvoudige structuur van de Wft en daaraan gekoppelde regelgeving. Ook het weinig toegankelijke taalgebruik van deze regelingen – de wereld van het financieel toezichtrecht is een subcultuur waarin men zich moet bedienen van soms tamelijk wonderlijk jargon – valt daarbij niet te vermijden. In ieder geval dient, zo blijkt uit het systeem van de Wft, onderscheid te worden gemaakt tussen consumentenkredietovereenkomsten en kredietovereenkomsten gesloten met een niet-consument.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.1 Het aanbieden van (en bemiddelen bij) krediet aan consumenten Vergunningsplichten in de Wft 4.77 Een ‘financiëledienstverlener’ is volgens art. 1:1 Wft: ‘degene die een ander financieel product dan een financieel instrument aanbiedt, die adviseert over een ander financieel product dan een financieel instrument of die bemiddelt, herverzekeringsbemiddelt, optreedt als gevolmachtigd agent of optreedt als ondergevolmachtigde agent’ (onderstrepingen van mij, A-G). Aanbieders van krediet vallen onder deze definitie. Ook een bemiddelaar die assisteert bij het beheer en de uitvoering van een overeenkomst inzake krediet kwalificeert in beginsel als financiëledienstverlener.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.78 De definitie van aanbieden, zoals opgenomen in art. 1:1 Wft luidt (deels) als volgt: “aanbieden: a. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst met een consument inzake een financieel product dat geen financieel instrument, premiepensioenvordering of verzekering is of het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst; b. (…)” (onderstrepingen wederom van mij, A-G) Indien aan een niet-bank een kredietvordering wordt gecedeerd en deze niet-bank het krediet gaat beheren en uitvoeren, kwalificeert dit laatste als het ‘aanbieden’ van krediet. Ook het uitsluitend aangaan, beheren of uitvoeren van een overeenkomst met een consument inzake een financieel product (waaronder krediet) valt immers onder het begrip ‘aanbieden’. Het begrip ‘aanbieden’ omvat daarmee de gehele looptijd van een overeenkomst met een consument inzake een financieel product.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.79 Uit de definitie van ‘aanbieden’ blijkt dat hiervan alleen sprake is als een overeenkomst wordt aangegaan met een consument. Een ‘consument’ wordt in art. 1:1 Wft gedefinieerd als ‘een niet in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep handelende natuurlijke persoon aan wie een financiële onderneming een financiële dienst verleent’. Aanbieden kwalificeert als een financiële dienst. Rechtspersonen zullen per definitie niet als consument kwalificeren. Bij natuurlijke personen is relevant of zij in de uitoefening van een bedrijf of beroep handelen. Om te bepalen of een persoon als consument kwalificeert, heeft de AFM voor het aanbieden van hypothecair krediet een (niet limitatieve) lijst van indicatoren gepubliceerd. Of een persoon kwalificeert als consument, zal afhangen van alle omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.80 Het aanbieden van krediet in Nederland zonder een daartoe door de AFM verleende vergunning is verboden, zo volgt uit art. 2:60 lid 1 Wft. Deze vergunningsplicht geldt alleen bij het aanbieden van een financieel product (waaronder een krediet) aan een consument (zo volgt uit de definitie van aanbieden zoals opgenomen in art. 1:1 Wft). Deze vergunningsplicht geldt bovendien niet voor banken, zo volgt uit art. 2:61 Wft. Een vergunning ex art. 2:60 Wft wordt door de AFM verleend als de aanvrager aantoont dat aan bepaalde vereisten uit Deel 4 van de Wft (Gedragstoezicht financiële ondernemingen) zal worden voldaan (art. 2:63 lid 1 Wft).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.81 Een niet-bank heeft dus bij het beheren en uitvoeren van een (gecedeerd) krediet dat is verleend aan een consument in beginsel een vergunning nodig op grond van art. 2:60 Wft. Art. 3 van de Vrijstellingsregeling Wft bepaalt echter dat ondernemingen die de juridische eigendom verkrijgen van vorderingen uit hoofde van overeenkomsten inzake krediet die zij niet zelf als wederpartij zijn aangegaan, vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht van art. 2:60 Wft voor zover het beheer en de uitvoering van die overeenkomsten krachtens overeenkomst geschiedt door (kort gezegd) een kredietbeheerder aan welke het ingevolge de Wft is toegestaan te bemiddelen in krediet of krediet aan te bieden (een kredietbeheerder in de zin van art. 3 Vrijstellingsregeling Wft wordt hierna aangeduid als ‘kredietbeheerder’). Indien de niet-bank het beheer en het uitvoeren van het krediet overlaat aan een kredietbeheerder, is zij bovendien vrijgesteld van het bepaalde in Deel 4 van de Wft (Gedragstoezicht financiële ondernemingen) (art. 43 lid 4 Vrijstellingsregeling Wft). De kredietbeheerder heeft dan – op grond van art. 2:60 lid 1 Wft dan wel art. 2:80 lid 1 Wft – zelf een vergunning nodig voor het aanbieden dan wel bemiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.82 Art. 2:80 lid 1 Wft bepaalt dat het verboden is in Nederland zonder een daartoe door de AFM verleende vergunning te bemiddelen. ‘Bemiddelen’ omvat onder andere ‘alle werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst inzake krediet tussen een consument en een aanbieder of op het assisteren bij het beheer en de uitvoering van een dergelijke overeenkomst’ (onderdeel b. van de definitie van ‘bemiddelen’ zoals die is opgenomen in art. 1:1 Wft). Deze vergunningsplicht geldt niet voor banken, zo volgt uit art. 2:81 Wft. Ook voor deze vergunning geldt dat de AFM de vergunning verleent als de aanvrager aantoont dat aan bepaalde vereisten uit Deel 4 van de Wft (Gedragstoezicht financiële ondernemingen) zal worden voldaan (art. 2:83 lid 1 Wft).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.83 Kortom, bij het aanbieden van krediet aan consumenten is ofwel degene die het krediet is aangegaan (dan wel een voldoende bepaald voorstel heeft gedaan om dit krediet aan te gaan), beheert dan wel uitvoert (de aanbieder) dan wel de kredietbeheerder waaraan deze entiteit het beheer en/of de uitvoering van het krediet uitbesteedt, vergunningsplichtig., Om een dergelijke vergunning te verkrijgen, dient de aanvrager aan te tonen dat zal worden voldaan aan (specifieke) bepalingen uit Deel 4 van de Wft (Gedragstoezicht financiële ondernemingen). (Gedrags)regels van toepassing op aanbieders en bemiddelaars 4.84 Deel 4 van de Wft (Gedragstoezicht financiële ondernemingen) bevat voorschriften die van toepassing zijn op financiële ondernemingen (hieronder vallen volgens de definitie in art. 1:1 Wft zowel banken als financiëledienstverleners) en financiëledienstverleners in het bijzonder. Art. 4:1 lid 1 onder a Wft bepaalt dat dit Deel, voor zover niet anders is bepaald, van toepassing is op (onder andere) financiëledienstverleners aan welke het ingevolge hoofdstuk 2.2 van de Wft is toegestaan in Nederland financiële diensten te verlenen. Zowel de vergunningsplicht voor het aanbieden van krediet (art. 2:60 Wft, opgenomen in afdeling 2.2.6 ‘Aanbieden van krediet’) als de vergunningsplicht voor het bemiddelen (art. 2:80 Wft, opgenomen in afdeling 2.2.9 ‘Bemiddelen’) zijn opgenomen in hoofdstuk 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.85 Zoals hiervoor aan bod is gekomen, kwalificeert zowel een aanbieder van krediet (gelet op de definitie van ‘aanbieden’ (hiervoor randnummer 4.78) gaat het hierbij dus steeds om het aanbieden van krediet aan consumenten) als een bemiddelaar als ‘financiëledienstverlener’. Het gedragstoezicht zoals opgenomen in Deel 4 Wft is dus (voor zover niet anders bepaald) (ook) op deze financiëledienstverleners van toepassing. Dit raakt derhalve ook de niet-bank en anders de kredietbeheerder aan wie de niet-bank het beheer en het uitvoeren van de het krediet overlaat (hiervoor randnummer 4.81).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.86 Gelet op de cruciale rol die banken vervullen in de maatschappij, zijn er strenge toezichtrechtelijke regels van toepassing op banken. In de eerste plaats zijn er regels van prudentiële aard die gericht zijn op het waarborgen van de soliditeit van banken. Daarnaast zijn banken onderworpen aan regels van gedragstoezicht. Behalve algemene gedragsregels gelden bij bepaalde diensten of bepaalde producten ook nog specifieke gedragsregels. Banken moeten zich dus zowel houden aan de prudentiële regels van Deel 3 van de Wft als aan algemene en specifieke gedragsregels uit Deel 4 van de Wft. Veel gedragsregels die van toepassing zijn op banken gelden alleen voor zover een bank een bepaald financieel product of een financiële dienst aanbiedt. Zo gelden bij het aanbieden van krediet de daarvoor relevante gedragsregels. Wanneer een bank krediet aanbiedt, kwalificeert de bank immers ook als financiëledienstverlener. Naast deze specifieke product- en dienstgerelateerde gedragsregels zijn op banken, als financiële onderneming en, bijvoorbeeld in geval van het aanbieden van krediet, ook als financiëledienstverlener, ook algemene gedragsregels van toepassing, zoals de regels ten aanzien van informatieverschaffing (art. 4:19-4:22 Wft) en de te betrachten zorgvuldigheid (art. 4:25 Wft).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.87 In haar vonnis van 29 mei 2019 oordeelde de rechtbank in de onderhavige zaak dat voor de vraag naar de overdraagbaarheid van een kredietvordering van een bank op een niet-bank van belang is welk verschil er is tussen banken en niet-banken. In rov. 4.24. wordt in dat verband gewezen op het gedragstoezicht zoals uitgevoerd door de AFM op grond van art. 1:25 Wft en zoals uitgewerkt in Deel 4 van de Wft. Met name wordt gewezen op de in dit kader geregelde bankierseed (art. 4:15a Wft), klachtenbehandeling en geschilbeslechting (art. 4:17 Wft) en informatieverstrekking (art. 4:19 e.v. Wft) en op de algemene zorgplicht jegens consumenten (art. 4:24a Wft). Ik licht deze gedragsregels – die niet alleen gelden voor banken (zoals is uiteengezet in het voorgaande randnummer), maar ook voor financiëledienstverleners die niet ook als bank kwalificeren (waaronder dus entiteiten die aanbieden dan wel bemiddelen zoals Promontoria en Link) – kort toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.88 De verplichting om de eed of belofte af te leggen (de zogenaamde ‘bankierseed’) geldt niet alleen voor personen werkzaam bij een bank (zoals de term doet vermoeden), maar geldt ook voor personen werkzaam bij andere financiële ondernemingen, waaronder financiëledienstverleners (zie art. 4:15a Wft). Bij financiëledienstverleners geldt de verplichting een eed of belofte af te leggen voor (i) bestuurders en commissarissen van de financiëledienstverlener (art. 4:9 lid 1 jo. lid 9 Wft) en (ii) personen werkzaam in Nederland die het risicoprofiel van de financiëledienstverlener wezenlijk kunnen beïnvloeden of zich binnen een financiëledienstverlener rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten (art. 4:15a lid 1 Wft). De bankierseed moet het vertrouwen in de financiële sector behouden en bevorderen. De verklaring is gericht op een integere en zorgvuldige beroepsuitoefening, waarbij het belang van de klant en de maatschappij centraal staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.89 Art. 4:17 lid 1 Wft bepaalt dat onder meer een financiëledienstverlener zorgdraagt voor een adequate behandeling van klachten van cliënten, consumenten of deelnemers over betaaldiensten, financiële diensten of financiële producten van de financiële onderneming. Hiertoe dient de financiële onderneming over een interne klachtenprocedure te beschikken, gericht op een spoedige en zorgvuldige behandeling van klachten (art. 4:17 lid 1 onder a Wft), en is de financiële onderneming aangesloten bij een door de Minister aangewezen instantie tot beslechting van geschillen met betrekking tot betaaldiensten, financiële diensten of financiële producten van de financiële onderneming (art. 4:17 lid 1 onder b Wft). De Minister van Financiën heeft de Stichting Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) erkend als geschilleninstantie als bedoeld in art. 4:17 lid 1 onder b Wft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90 Art. 4:19 Wft bevat een aantal algemene normen ten aanzien van informatieverstrekking. Zo bepaalt het eerste lid dat een financiële onderneming ervoor zorgdraagt dat de door of namens haar verstrekte of beschikbaar gestelde informatie ter zake van een financieel product, financiële dienst of nevendienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk doet aan ingevolge de Wft te verstrekken of beschikbaar te stellen informatie. Het tweede lid bepaalt dat de door een financiële onderneming aan cliënten verstrekte of beschikbaar gestelde informatie, waaronder reclame-uitingen, ter zake van een financieel product, financiële dienst of nevendienst correct, duidelijk en niet misleidend is. Ook moet de financiële onderneming ervoor zorgdragen dat het commerciële oogmerk van de verstrekte of beschikbaar gestelde informatie als zodanig herkenbaar is (art. 4:19 lid 3 Wft).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.91 Art. 4:24a Wft bevat een algemene wettelijke zorgplicht (uitsluitend) voor financiëledienstverleners. Deze zorgplicht voor financiëledienstverleners is bedoeld als algemene norm naast de specifieke zorgplichten en voorschriften voor financiëledienstverleners en heeft geen derogerende werking ten opzichte van specifieke voorschriften, maar is bedoeld als vangnet indien zulke specifieke voorschriften ontbreken. Deze algemene zorgplicht is in de Wft geïntroduceerd vanwege de ‘informatiescheefheid’ die bestaat tussen de financiëledienstverlener en de consument; de financiëledienstverlener beschikt in de regel over meer kennis en informatie dan de consument. Daarnaast draagt een zorgvuldige behandeling van de klant en zijn belangen ook bij aan het publieke vertrouwen in de financiële markten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.92 Art. 4:24a lid 1 Wft bepaalt dat een financiëledienstverlener op zorgvuldige wijze de gerechtvaardigde belangen van de consument of begunstigde in acht neemt. De algemene zorgplicht richt zich dus op de gerechtvaardigde belangen van de consument. Dit zijn belangen die al dan niet rechtstreeks door de financiële dienstverlening worden geraakt en wier behartiging in redelijkheid van een financiëledienstverlener kan worden verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93 In de memorie van toelichting bij de Wijzigingswet financiële markten 2014, die (onder meer) tot invoering van art. 4:24a Wft heeft geleid, wordt opgemerkt dat in de jurisprudentie van Uw Raad wordt aangenomen dat ook in het civiele recht financiëledienstverleners een zorgplicht hebben jegens hun klanten, die verder gaat dan de zorg die contractspartijen onder normale omstandigheden jegens elkaar in acht moeten nemen. De (destijds voorgestelde) algemene zorgplicht (die uiteindelijk is terechtgekomen in art. 4.24a Wft) beoogt in beginsel geen verder reikende verantwoordelijkheid voor financiëledienstverleners te introduceren dan hetgeen reeds geldt ingevolge de civielrechtelijke zorgplicht (waarbij kennelijk specifiek werd gedacht aan de in de rechtspraak ontwikkelde bijzondere zorgplicht). Het verschil zit in de handhaving, zo blijkt uit de toelichting: “Echter, waar het civiele recht het primaat voor het aanhangig maken van een geschil in beginsel bij de partijen zelf legt, maakt het publiekrecht handhaving door een toezichthouder mogelijk. Daarmee is de publiekrechtelijke handhaving van de zorgplicht een wezenlijke aanvulling op het systeem van consumentenbescherming, nu de toezichthouder kan ingrijpen als er sprake is van horizontale c.q. structurele schendingen, soms al alvorens de consument schade ondervindt dan wel voordat de groep van getroffen consumenten zich verder uitbreidt. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.94 In dit verband kan ook nog gewezen worden op art. 4:25 Wft dat een algemeen voorschrift ten aanzien van zorgvuldige dienstverlening bevat. Deze bepaling is nader uitgewerkt in (par. 8.2.2 van) het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.95 De rechtbank overweegt in rov. 4.24. van haar vonnis van 29 mei 2019 in de onderhavige zaak eveneens dat een bank om een vergunning te kunnen krijgen als bank volgens art. 2:21 Wft onder andere moet aantonen dat zal worden voldaan aan art. 3:10, eerste en tweede lid, Wft met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.96 In Deel 4 van de Wft zijn ook verschillende voorschriften opgenomen die strikt genomen geen gedragsregels zijn, maar normen die zien op de inrichting van de financiële onderneming en op de geschiktheid van bestuurders. Deze normen zijn vergelijkbaar met de voorschriften uit hoofdstuk 3.3 (waaronder het zojuist genoemde art. 3:10 Wft), maar zien op andere typen financiële ondernemingen (waaronder financiëledienstverleners).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.97 Zo geldt ten aanzien van financiëledienstverleners dat eisen worden gesteld aan de betrouwbaarheid en geschiktheid van de dagelijkse beleidsbepalers, (mede)beleidsbepalers en commissarissen en gelden vereisten ten aanzien van de vakbekwaamheid van de medewerkers van de financiëledienstverlener en van andere natuurlijke personen die zich onder de verantwoordelijkheid van de financiëledienstverlener bezighouden met het verlenen van financiële diensten met betrekking tot krediet (art. 4:9 en 4:10 Wft).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.98 In dit verband kan ook gewezen worden op art. 4:11 lid 2 Wft op grond waarvan de financiëledienstverlener een adequaat beleid moet voeren dat een integere uitoefening van zijn bedrijf waarborgt. Hieronder wordt verstaan dat wordt tegengegaan dat de financiëledienstverlener of zijn werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de financiëledienstverlener of in de financiële markten kunnen schaden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.99 Uit het voorgaande blijkt dat het door de rechtbank in haar vonnis van 29 mei 2019 in deze zaak gesuggereerde verschil op het punt van het toezichtrecht tussen banken en niet-banken (hiervoor randnummer 3.17), behoorlijk moet worden gerelativeerd. Zo zijn de meeste gedragsregels waaraan een bank zich moet houden niet tot banken beperkt, maar gelden zij voor financiëledienstverleners in het algemeen. Ook een niet-bank die krediet aanbiedt (in Nederland) aan consumenten (dan wel de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt) is een financiëledienstverlener voor wie dan dus dezelfde gedragsregels gelden (hiervoor randnummer 4.86 en zie voor (enkele van) deze gedragsregels randnummers 4.88-4.94). Daar komt bij dat de enige bepaling uit Deel 3 van de Wft (die dus niet van toepassing is op financiëledienstverleners) die de rechtbank in haar vonnis aankaart, in vergelijkbare vorm is terug te vinden in Deel 4 (hiervoor randnummers 4.95 en 4.96).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Verschillen tussen een bank en een niet-bank treden wel aan de dag bij het prudentiële toezicht. Het financieel toezicht in Nederland is gebaseerd op een functioneel toezichtmodel. Dit houdt in dat er twee soorten toezicht zijn die worden uitgeoefend door aparte toezichthouders. Naast het gedragstoezicht is er ook het prudentiële toezicht (zie hierover ook randnummer 4.86 van deze conclusie). Het prudentiële toezicht ziet op de soliditeit van financiële ondernemingen en de stabiliteit van het financiële stelsel (zie art. 1:24 Wft), terwijl het gedragstoezicht ziet op het gedrag van ondernemingen die zich op de financiële markten begeven (zie art. 1:25 Wft). DNB is verantwoordelijk voor het prudentiële toezicht, terwijl de AFM het gedragstoezicht voor haar rekening neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.101 Een bank is vergunningsplichtig op grond van art. 2:11 Wft. Zoals hiervoor is uiteengezet in randnummer 4.86 van deze conclusie, zijn gelet op de belangrijke economische functie van banken strenge toezichtsregels van toepassing op banken. Deze regels zijn met name prudentieel van aard en zijn erop gericht om de soliditeit van banken te waarborgen. Naast de prudentiële regels (opgenomen in Deel 3 van de Wft) zijn ook (ten aanzien van bepaalde diensten en bepaalde producten) de (hiervoor reeds aan bod gekomen) gedragsregels op banken van toepassing (opgenomen in Deel 4 van de Wft).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.102 Hiervoor is al in beeld gebracht dat waar het gaat om het gedragstoezicht niet of nauwelijks verschillen bestaan tussen een bank die tevens kwalificeert als financiëledienstverlener en een financiëledienstverlener die niet tevens bank is. Verschillen zijn er wel waar het gaat om de andere vorm van toezicht. Waar een financiëledienstverlener die niet bank is enkel aan gedragstoezicht is onderworpen, geldt voor een bank dat zij ook onder prudentieel toezicht staat. Dit verschil legt waar het de onderhavige problematiek betreft echter geen gewicht in de schaal: het is niet dit type toezicht waar een schuldenaar heil van te verwachten heeft. Daarom kan dit verschil in toezicht op banken respectievelijk niet-banken niet tot de slotsom leiden dat de (rechten en verplichtingen uit de) betreffende (krediet)vordering niet door een ander dan de bank kan (kunnen) worden uitgeoefend, en dat de kredietvordering daardoor naar haar aard niet overdraagbaar is door een bank op een niet-bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel het gedragstoezicht is immers (specifiek) gericht op de zorgvuldige behandeling van cliënten (zie art. 1:25 lid 1 Wft), en aan dat toezicht zijn alle financiëledienstverleners onderworpen en dus (naast een bank die als financiëledienstverlener kwalificeert) ook een niet-bank wanneer zij een financieel product – zoals een krediet – ‘aanbiedt’ (omdat zij daardoor (eveneens) kwalificeert als financiëledienstverlener) dan wel de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt. Wanneer sprake is van ‘aanbieden’, moeten zowel een bank als een niet-bank die het krediet van een bank overgedragen krijgt (dan wel de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt), de gedragsregels uit Deel 4 Wft die hiervoor aan bod zijn gekomen, naleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide entiteiten moeten derhalve (onder meer) personen die bij hen werkzaam zijn een eed of belofte laten afleggen, over een interne klachtenprocedure beschikken, de cliënten duidelijke en niet misleidende informatie verstrekken en op zorgvuldige wijze de gerechtvaardigde belangen van de cliënt in acht nemen. De cliënt krijgt op dit vlak dezelfde bescherming bij een bank als bij een niet-bank (eventueel via de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt), zodat op dit punt moeilijk gezegd kan worden dat door de wijziging van de schuldeiser (van de bank naar een niet-bank) de inhoud van de (krediet)vordering verandert en evenmin dat de (krediet)vordering zo sterk aan de bank als schuldeiser is gebonden dat de rechten die voorvloeien uit de (krediet)vordering niet moeten kunnen worden uitgeoefend door een andere persoon (de niet-bank).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de niet-bank niet onder prudentieel toezicht staat, doet aan het voorgaande niet af: die vorm van toezicht is (met name) gericht op het waarborgen van de soliditeit van financiële ondernemingen en de stabiliteit van het financiële stelsel en niet op de zorgvuldige behandeling van cliënten. Dit alles geldt wanneer het om het aanbieden van (en bemiddelen bij) krediet aan consumenten betreft. Gaat het echter niet om consumenten dan geldt een heel ander regime.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.2 Het aanbieden van (en bemiddelen bij) krediet aan niet-consumenten 4.103 Het aanbieden van krediet aan niet-consumenten is in Nederland in beginsel niet gereguleerd. Als kredietverstrekking wordt gecombineerd met het aantrekken van opvorderbare gelden, kunnen de regels inzake banken van toepassing zijn. In de casus die in deze zaak voorligt (overdracht van een kredietvordering door een bank aan een niet-bank, waarbij de niet-bank deze vordering gaat beheren, al dan niet via een kredietbeheerder), is van het aantrekken van opvorderbare gelden echter geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.104 Bij het aanbieden van krediet aan niet-consumenten, of dat nu door een bank of een niet-bank geschiedt, is men niet gebonden aan de bepalingen uit Deel 4 van de Wft (Gedragstoezicht financiële ondernemingen). Deze gedragsregels zijn namelijk in het geheel niet van toepassing als krediet wordt verleend aan niet-consumenten. Zoals hiervoor reeds is uiteengezet (randnummer 4.78), betreft ‘aanbieden’ gelet op de definitie in de Wft slechts overeenkomsten aangegaan met consumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.105 Wel geldt ook hier dat een bank onderhevig is aan prudentieel toezicht. Zoals hiervoor al is aangekaart, is dergelijk toezicht (met name) gericht op het waarborgen van de soliditeit van financiële ondernemingen en de stabiliteit van het financiële stelsel en niet op de zorgvuldige behandeling van cliënten.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.3 (Tussen)conclusie 4.106 In onderdeel A. van deel 4 van deze conclusie is (onder meer) aan bod gekomen dat een vordering naar haar aard onoverdraagbaar is wanneer de inhoud van de vordering verandert door de wijziging van de schuldeiser en ook wanneer de vordering zo sterk aan de persoon van de schuldeiser is gebonden dat de rechten die uit die vordering voortvloeien niet door een andere persoon moeten kunnen worden uitgeoefend. In dat kader wordt bijvoorbeeld aangevoerd dat uit het (in onderdeel A. van deel 4 van deze conclusie besproken) arrest Staat/Appels zou volgen dat de (bijzondere) aard van de vordering in kwestie meebrengt dat de rechten voortvloeiend uit deze vordering zozeer aan de persoon van de schuldeiser gebonden is, dat zij slechts door deze behoren te kunnen worden uitgeoefend en niet kunnen worden toegekend aan een ander dan de oorspronkelijk schuldeiser.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.107 Op grond van hetgeen in onderdeel B. van deel 4 van deze conclusie aan bod is gekomen, kan mijns inziens niet gezegd worden dat de verschillen in publiekrechtelijke positie en toezicht leiden tot de conclusie dat in een casus als de onderhavige waarin een (krediet)vordering wordt overgedragen aan een niet-bank, sprake is van een naar haar aard onoverdraagbare vordering. Zowel de bank als de niet-bank aan welke de bank de kredietvordering overdraagt (dan wel de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt), zijn – als het een krediet aangegaan met een consument betreft – gebonden aan de gedragsregels zoals neergelegd in Deel 4 van de Wft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel een niet-bank die een kredietvordering beheert of uitvoert niet onderhevig is aan prudentieel toezicht, zal deze vorm van toezicht als zodanig niet van belang zijn voor de wijze van beheer of uitvoering van de kredietvordering door de schuldeiser. Wanneer het een krediet aangegaan door een niet-consument betreft, zijn de gedragsregels zoals neergelegd in (Deel 4 van de) Wft niet van toepassing, zodat ook in dat geval het publiekrechtelijke normenkader dat van toepassing is op de bank niet wezenlijk verschilt van het regime dat van toepassing is op de niet-bank dan wel de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt (voor geen van deze entiteiten is dan gedragstoezicht aan de orde (Deel 4 van de Wft is immers niet van toepassing)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel voor de bank is prudentieel toezicht aan de orde (Deel 3 van de Wft)). Vanuit het perspectief van het publiekrechtelijke normenkader (de toezichtsregels) kan mijns inziens dan ook niet gezegd worden dat de inhoud van de vordering verandert door de wijziging van de bank als schuldeiser in een niet-bank als schuldeiser en evenmin dat de kredietvordering zo sterk gebonden is aan de bank als schuldeiser dat dit de vordering naar haar aard onoverdraagbaar maakt op een niet-bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.108 Een bank is echter niet alleen onderworpen aan het publiekrechtelijke normenkader zoals neergelegd in (Deel 3 en 4 van) de Wft. Een bank heeft ook te maken met regels van privaatrecht: in dat verband komen diverse zorgplichten in beeld. In het volgende onderdeel van (deel 4 van) deze conclusie zullen deze worden besproken en zal ook aan bod komen of, en zo ja in hoeverre, op een niet-bank die een kredietvordering door een bank overgedragen krijgt, (eveneens) een civielrechtelijke zorgplicht rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. De (inhoud en reikwijdte van de) privaatrechtelijke (bijzondere) zorgplicht(en) C.1 (Bijzondere) bancaire zorgplicht(en) 4.109 Om te bezien of op de niet-bank aan welke een (krediet)vordering wordt overgedragen een privaatrechtelijke zorgplicht rust, en (zo ja) hoe deze zorgplicht zich verhoudt tot de zorgplicht die op een bank rust, schets ik eerst beknopt de inhoud van de privaatrechtelijke (bijzondere) bancaire zorgplicht(en). Wat betreft de privaatrechtelijke (bijzondere) bancaire zorgplicht(en) merk ik op dat de van de bank te verlangen zorg wordt bepaald door verschillende ‘mechanismen’ die ieder voor zich, wat mij betreft ongelukkig genoeg, ook wel ‘zorgplicht’ worden genoemd. Zo is er (i) de ‘zorgplicht’ zoals neergelegd in artikel 2 van de ABV, (ii) de verplichtingen die voortvloeien uit (op zich vrij algemene) bepalingen (open normen) als art. 6:2(48) BW en art. 7:401 BW in welk verband ook vaak van ‘zorgplicht’ wordt gesproken en ten slotte (iii) de ‘bijzondere’ zorgplicht uit de rechtspraak van Uw Raad. Om echter te voorkomen dat ik in deze conclusie steeds privaatrechtelijke (bijzondere) zorg(ver)plicht(ing)(en) zou moeten schrijven, sluit ik, hoewel dat dus minder precies is, aan bij het ook door partijen en insprekende derden gebruikte jargon en spreek ik, al naar gelang de context, van privaatrechtelijke (bijzondere) zorgplicht(en) of van privaatrechtelijke zorgverplichtingen en zorgplichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.110 De rechtsverhouding tussen de bank en haar cliënt wordt in eerste instantie beheerst door de tussen hen gesloten overeenkomst. Ook de ABV zijn op deze rechtsverhouding van toepassing. In artikel 2 van deze ABV is naar gangbare inzichten een ‘zorgplicht’ opgenomen. Deze bepaling luidt als volgt: “Wij zijn bij onze dienstverlening zorgvuldig en houden hierbij zo goed mogelijk rekening met uw belangen. Dit doen wij op een manier die aansluit bij de aard van de dienstverlening. Deze belangrijke regel geldt altijd. Andere regels in de ABV of in de voor producten of diensten geldende overeenkomsten en de daarbij behorende bijzondere voorwaarden kunnen dit niet veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij streven naar begrijpelijke producten en diensten. Ook streven wij naar begrijpelijke informatie over die producten en diensten en de risico’s ervan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De ABV gelden voor zowel particuliere als zakelijke cliënten. De zorgplicht van artikel 2 ABV rust op de bank zolang de rechtsverhouding tussen de bank en de cliënt voortduurt. Daarnaast vloeien zorgverplichtingen voort uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) en (afhankelijk van de rechtsverhouding tussen de bank en de cliënt) uit art. 7:401 BW (waarin is bepaald dat de opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen). In de rechtspraak van Uw Raad is, eigenlijk onder de noemer van het ongeschreven recht (afhankelijk van de al dan niet contractuele setting: de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid of de maatschappelijke zorgvuldigheid), ook nog de mogelijkheid van een bijzondere bancaire zorgplicht erkend. Het is vooral deze bijzondere zorgplicht die de aandacht trekt, ook, zo lijkt het, in de onderhavige zaak. Of dat terecht is, is de vraag. Daarop kom ik nog terug (hierna randnummers 4.117 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.111 In onderdeel B. van deel 4 van deze conclusie is reeds aan bod gekomen dat in de Wft een (publiekrechtelijke) algemene zorgplicht is opgenomen (art. 4:24a Wft). De (civielrechtelijke) zorgverplichtingen en zorgplichten die in dit onderdeel worden belicht, bestaan naast (en kunnen volgens Uw Raad eventueel zelfs verder reiken dan) de (verplichtingen die voortvloeien uit de) publiekrechtelijke voorschriften., 4.112 Het is inmiddels vaste jurisprudentie dat op banken (en andere professionele kredietverstrekkers) een ‘bijzondere’ zorgplicht jegens hun cliënten rust. Deze zorgplicht werd voor het eerst aangenomen in het arrest Rabobank Graftdijk-De Rijp/Everaars en is nadien in vele arresten benadrukt. In Rabobank Graftdijk-De Rijp/Everaars betrof het de handel in (aandelen)opties. Vanuit de beleggingsdienstverlening hebben zorgplichten hun weg gevonden naar vele andere bancaire producten en diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.113 De bijzondere zorgplicht vindt haar grondslag in de (aanvullende werking van de) redelijkheid en billijkheid die de contractuele relatie tussen de bank en haar cliënt beheerst, dan wel (wanneer een contractuele rechtsverhouding – nog – ontbreekt) de maatschappelijke zorgvuldigheid. Deze zorgplicht geldt niet alleen jegens cliënten van banken uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, maar ook jegens derden met de belangen van wie de banken rekening behoren te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.114 Deze open norm krijgt invulling in de specifieke omstandigheden van het individuele geval. Omstandigheden die een rol kunnen spelen bij het bepalen van de reikwijdte van de bijzondere zorgplicht zijn bijvoorbeeld de relevante ervaring en deskundigheid van de cliënt, de complexiteit van het product en de risico’s die daaraan zijn verbonden, de toezichtrechtelijke regels, de aard van de overeenkomst en ook of de cliënt een particulier of een ondernemer is. De bijzondere zorgplicht leidt in de relatie tot cliënten blijkens de rechtspraak van Uw Raad vooral tot onderzoeks- en eventueel adviesplichten, tot waarschuwings- en eventueel vergewisplichten en in uitzonderingsgevallen tot regelrechte weigeringsplichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.115 De achtergrond van de bijzondere zorgplicht van banken wordt in de eerste plaats gezocht in de spilfunctie die banken in het maatschappelijke verkeer vervullen en in de tweede plaats in de kennis-, ervaring- en informatievoorsprong die de banken hebben ten opzichte van hun cliënten. De strekking van de bijzondere zorgplicht is gelegen in de bescherming van een (tot op zekere hoogte) kwetsbare marktpartij. De zorgplicht strekt mede ter bescherming van de cliënt tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.116 De bank heeft de meest verstrekkende zorgplicht jegens particuliere, niet-professionele partijen, oftewel natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en rechtspersonen die uitsluitend een verlengstuk van zulke personen zijn. Ten aanzien van zakelijke klanten strekt de zorgplicht minder ver. Van hen wordt in eerste instantie zelfredzaamheid verwacht; zij worden geacht in beginsel in voldoende mate over hun eigen belangen te kunnen waken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere bancaire zorgplicht bij kredietverlening aan niet-particuliere cliënten?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.117 Zoals gezegd wordt de bijzondere privaatrechtelijke zorgplicht ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die daarbij (onder andere) een rol spelen zijn de complexiteit van het financiële product en de vraag of het gaat om een particuliere dan wel niet-particuliere cliënt. In de onderhavige zaak gaat het om krediet en is de wederpartij een niet-particuliere cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.118 Hiervoor kwam reeds aan de orde dat de zorgplicht jegens niet-particuliere cliënten over het algemeen minder ver strekt dan jegens particulieren. Daar komt bij dat het hier gaat om kredietverlening. In de literatuur en lagere rechtspraak komt wel naar voren dat krediet een niet ingewikkeld product betreft waarvan de risico’s overzichtelijk zijn, zodat bij een gewone kredietovereenkomst doorgaans geen aanleiding zou bestaan om een bijzondere zorgplicht te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.119 Het is dus maar de vraag in hoeverre een bijzondere bancaire zorgplicht (zoals die volgt uit de jurisprudentie) in een geval als het onderhavige op de bank zou rusten, indien daarbij alle relevante omstandigheden van het geval worden bekeken, waaronder het feit dat het een niet-particuliere cliënt betreft en het feit dat het gaat om een niet ingewikkeld product. Dit laat onverlet dat de bank (ook of wél) zorgverplichtingen kan hebben, voortvloeiend uit de zorgplicht neergelegd in de (hiervoor aangehaalde) ABV of uit art. 6:248 lid 1 BW en (eventueel) art. 7:401 BW. Voor de vraag of, en zo ja hoe, van een contractuele renteverhogingsmogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, zullen vooral de zorgverplichtingen die voortvloeien uit de (op de contractuele rechtsverhouding tussen de bank en de cliënt van toepassing zijnde) ABV en deze wettelijke bepalingen (die van toepassingen zijn op – bijzondere – overeenkomsten) relevant zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.2 Rust op de niet-bank aan welke een vordering wordt overgedragen enige zorgverplichting of zorgplicht?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.120 Na deze uiteenzetting over de op de bank rustende zorgverplichtingen en zorgplichten, rijst nu de vraag of, en zo ja in hoeverre, op de niet-bank aan welke de (krediet)vordering wordt overgedragen vergelijkbare zorgverplichtingen en zorgplichten rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.121 In dit verband is het van belang te onderkennen dat bij cessie van een kredietvordering aan een niet-bank door een bank, slechts de kredietvordering overgaat op de niet-bank. De niet-bank wordt, anders dan bij contractsoverneming, geen partij bij de overeenkomst die is gesloten tussen de bank en de cliënt. De cliënt kan daarom, wegens het ontbreken van een contractuele rechtsverhouding tussen hem en de niet-bank, jegens de niet-bank geen beroep doen op schending van artikel 2 van de ABV, schending van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:248 lid 1 BW dan wel schending van art. 7:401 BW. In onderdeel C.3 van deel 4 van deze conclusie zal echter uiteengezet worden dat op de niet-bank als schuldeiser de (zelfstandige) verplichting rust om zich jegens zijn schuldenaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.122 Ten aanzien van de publiekrechtelijke zorgplicht zoals neergelegd in art. 4:24a Wft, verwijs ik naar onderdeel B. van deel 4 van deze conclusie. Onder omstandigheden wordt de niet-bank die een kredietvordering overgedragen krijgt van een bank (en die daardoor krediet ‘aanbiedt’ in de zin van art. 1:1 Wft) geconfronteerd met deze publiekrechtelijke zorgplicht (en eventuele andere publiekrechtelijke gedragsregels). Voor de onderhavige zaak zijn de eventuele privaatrechtelijke zorgverplichtingen en zorgplichten uiteraard relevanter.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.123 In het arrest Hypinvest,dat betrekking heeft op (bescherming tegen) overkreditering, oordeelde Uw Raad dat de civielrechtelijke bijzondere zorgplicht niet alleen geldt voor banken maar ook voor andere professionele kredietverstrekkers. Uw Raad oordeelde in rov. 3.4.2 van dit arrest (onderstrepingen van mij, A-G): “De maatschappelijke functie van banken brengt een bijzondere zorgplicht mee. Die zorgplicht geldt zowel jegens cliënten van banken uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als jegens derden met de belangen van wie de banken rekening behoren te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van de zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. De civielrechtelijke zorgplicht van de kredietaanbieder kan verder reiken dan de gedragsregels die in publiekrechtelijke regelgeving, zoals art. 51 Wfd (oud) [thans art. 4:34 Wft, A-G], of in zelfregulering zijn neergelegd. (…) Een kredietverstrekker is als ter zake kundige in de regel beter dan een kredietvragende consument in staat de gevolgen van kredietverstrekking te overzien en weer te geven, en te beoordelen of de consument in staat zal zijn de lasten van de kredietverstrekking te (blijven) dragen. De bijzondere zorgplicht van een bank bracht, ook in 2006, onder meer mee dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst tot hypothecair krediet met een consument, inlichtingen diende in te winnen over zijn inkomens- en vermogenspositie teneinde overkreditering van de consument te voorkomen. Zie voor het bovenstaande HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107 (SNS/Stichting), rov. 4.2.5-4.2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bijzondere zorgplicht rust niet alleen op banken, maar ook op andere professionele kredietverstrekkers (vgl. art. 51 Wfd (oud), welke bepaling de verplichting tot het inwinnen van informatie legt op ‘de aanbieder’ als bedoeld in die wet). Die zorgplicht bestaat ongeacht of de consument wordt bijgestaan door een tussenpersoon. De kredietverstrekker mag niet zonder meer afgaan op de door de tussenpersoon aan hem verschafte inlichtingen over de inkomens- en vermogenspositie van de consument, aangezien hij zelf ervoor verantwoordelijk blijft te waken tegen overkreditering van de consument en daartoe zo nodig zelf nadere inlichtingen moet inwinnen of gegevens moet verifiëren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.124 Uw Raad lijkt in het Hypinvest-arrest expliciet een specifieke (immers op bescherming tegen overkreditering gerichte) civielrechtelijke bijzondere zorgplicht aan te nemen voor andere professionele kredietverstrekkers, waarbij wordt verwezen naar (thans) art. 4:34 Wft waarin wordt gesproken over een ‘aanbieder van krediet’. Uw Raad oordeelt immers dat de bijzondere zorgplicht niet alleen rust op banken, “maar ook op andere professionele kredietverstrekkers”. Een niet-bank aan welke een kredietvordering wordt overgedragen door een bank, kwalificeert doorgaans niet als professionele kredietverstrekker (Promontoria verstrekt bijvoorbeeld zelf geen krediet). Een niet-bank die een kredietvordering overgedragen krijgt (zoals Promontoria) kwalificeert echter wel als aanbieder van krediet in de zin van de Wft (zie hierover randnummer 4.78 van deze conclusie).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag is of uit Hypinvest ook kan worden afgeleid dat op een dergelijke aanbieder van krediet (in de zin van de Wft) een civielrechtelijke bijzondere zorgplicht rust. In rov. 3.4.2 heeft Uw Raad het immers ook (in de eerste alinea) over ‘de civielrechtelijke zorgplicht van de kredietaanbieder’, waarbij wordt vermeld dat deze verder kan reiken dan de gedragsregels die in de publiekrechtelijke regelgeving zijn neergelegd. In dit verband wordt ter illustratie wederom verwezen naar (het huidige) art. 4:34 Wft (welke bepaling zich zoals gezegd in het jargon van de Wft richt tot de aanbieder van krediet). Verderop in dezelfde rechtsoverweging wordt echter gesproken over de bijzondere zorgplicht die ook rust op andere professionele kredietverstrekkers (waarbij echter wederom wordt verwezen naar een bepaling die geldt voor aanbieders van krediet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet duidelijk is of Uw Raad het oordeel in dit arrest heeft willen beperken tot professionele kredietverstrekkers, of heeft willen aansluiten bij de terminologie zoals gebruikt in de aangehaalde bepaling uit de Wft (aanbieders van krediet). Dit maakt wel verschil. Hiervoor is uiteengezet dat aanbieden van krediet in de zin van de Wft verder gaat dan het werkelijk verstrekken van het krediet. Ook het beheren en uitvoeren van een krediet valt onder aanbieden van krediet. Gezien het feit dat het in Hypinvest ging over overkreditering, en de bijzondere zorgplicht van een bank in dat verband (onder meer) meebrengt dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst tot hypothecair krediet met een consument inlichtingen diende in te winnen over zijn inkomens- en vermogenspositie teneinde overkreditering van de consument te voorkomen (zie rov. 3.4.2 zoals hiervoor geciteerd), is het niet waarschijnlijk dat Uw Raad deze zorgplicht ook heeft willen toepassen op aanbieders van krediet (in de zin van de Wft) die slechts een krediet beheren en uitvoeren (en het krediet dus niet afsluiten).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderhavige zaak is het Hypinvest-arrest slechts relevant indien daarin een civielrechtelijke zorgplicht zou zijn aangenomen voor de entiteit die krediet aanbiedt in de zin van de Wft. Ook wanneer dat het geval is, moet overigens nog steeds worden bedacht dat de relevantie voor de onderhavige zaak beperkt is, omdat de in het Hypinvest-arrest aan de orde zijnde bijzondere zorgplicht specifiek gericht is op het voorkomen van overkreditering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.125 Tjong Tjin Tai merkt in zijn noot onder Hypinvest op dat het opmerkelijk is dat Uw Raad in dit arrest onopvallend overstapt van een zorgplicht voor banken naar een zorgplicht voor kredietaanbieders in het algemeen. Het lijkt hem niet waarschijnlijk dat Uw Raad zo terloops een bijzondere zorgplicht wil leggen op alle kredietverstrekkers (of zelfs alle financiële dienstverleners) die net zo ver gaat als de bijzondere zorgplicht die voor banken geldt. Het ligt zijns inziens meer voor de hand dat Uw Raad bedoelt dat op alle financiëledienstverleners (waaronder banken en kredietverstrekkers) een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang dan vervolgens afhangt van de omstandigheden. Volgens Tjong Tjin Tai volgt uit dit arrest dat in het geval van kredietverstrekking jegens consumenten die bijzondere zorgplicht met zich brengt dat de kredietverstrekker, of het nu een bank of een andere instelling is, onderzoek moet doen om te beschermen tegen overkreditering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo’n toepassing van de zorgplicht is volgens hem niet per se zelf een zorgplicht. Door een dergelijke op specifieke categorieën toegespitste toepassing van de zorgplicht kan enige uniformiteit worden bereikt, maar blijft het mogelijk waar nodig sommige verplichtingen te beperken tot bijvoorbeeld alleen banken, aldus Tjong Tjin Tai. Busch merkt op dat de bijzondere zorgplicht onderhevig is aan uitbreiding in die zin dat ook andere financiële instellingen dan banken onderworpen worden aan bijzondere zorgplichten. Als voorbeeld noemt hij dat beleggingsdiensten ook kunnen worden verleend door niet-banken, die dan logischerwijs aan dezelfde bijzondere zorgplichten zijn onderworpen als banken die deze diensten aanbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij vervolgt dat hetzelfde geldt voor het aanbieden van krediet aan consumenten door professionele aanbieders die geen bank zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.126 Indien op basis van dit Hypinvest-arrest al zou kunnen worden geoordeeld dat een civielrechtelijke zorgplicht rust op Promontoria als aanbieder van krediet (hetgeen dus maar de vraag is gezien de onduidelijkheid in de aangehaalde rechtsoverweging uit het arrest), merk ik op dat deze zorgplicht alleen van toepassing is indien sprake is van een kredietovereenkomst gesloten met een consument (deze beperking ligt besloten in de definitie van aanbieden in de Wft). Voor de onderhavige zaak is dit arrest daarom sowieso minder relevant, omdat Immobile niet kwalificeert als consument en er dus geen sprake is van aanbieden in de zin van de Wft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.127 Samengevat komt het voorgaande op het volgende neer. Een bank heeft in haar verhouding tot cliënten te maken met verschillende privaatrechtelijke zorgverplichtingen en zorgplichten die zijn terug te voeren op diverse grondslagen: de ABV, wetsbepalingen als art. 6:248 lid 1 BW en art. 7:401 BW en de jurisprudentie in dit verband. Daarnaast brengt de Wft ook een publiekrechtelijke zorgplicht mee in art. 4:24a Wft, die echter alleen van toepassing is indien sprake is van een kredietovereenkomst gesloten met een consument. Een niet-bank die een vordering van de bank overgedragen krijgt, heeft geen contractuele rechtsverhouding met de cliënt, zodat zorgverplichtingen en zorgplichten die een contractuele grondslag hebben zoals de ABV, art. 6:248 lid 1 BW en art. 7:401 BW niet op de niet-bank van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard kan art. 6:2 BW wel in beeld komen. Indien sprake is van ‘aanbieden’ van krediet in de zin van de Wft, geldt art. 4:24a Wft, mits het dus om een kredietovereenkomst gesloten met een consument gaat, eveneens voor de niet-bank (dan wel voor de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt). Onduidelijk is of de (bijzondere) zorgplicht zoals die is vormgegeven in de jurisprudentie van Uw Raad ook op de niet-bank als aanbieder van krediet in de zin van de Wft rust en – als dit al het geval is – of deze (bijzondere) zorgplicht ook verder reikt dan het waken tegen overkreditering (zoals in het Hypinvest-arrest aan de orde was). Daarbij kan de kanttekening worden geplaatst dat maar de vraag is wat de invulling van zó’n zorgplicht in het onderhavige geval zou inhouden, nu sprake is van een eenvoudig product (een krediet) en een zakelijke cliënt (Immobile) die toch geacht kan worden in voldoende mate over zijn eigen belangen te kunnen waken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De concrete bescherming die de zakelijke cliënt door een bijzondere zorgplicht zou genieten, zou in het geval van een overdracht van een (simpele) kredietvordering waarschijnlijk beperkt zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.3 ‘Overgang’ van bancaire zorgplicht(en) bij overdracht kredietvordering?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.128 Dan rest nog de vraag in hoeverre op de bank rustende zorgverplichtingen of zorgplichten een rol spelen in de verhouding tussen de niet-bank die de vordering gecedeerd krijgt en de (voormalig) cliënt van de bank als schuldenaar. We komen in dit verband verschillende opvattingen tegen. Zo kan worden betoogd dat de bancaire zorgverplichtingen mee overgaan als de vordering wordt overgedragen van een bank naar een niet-bank (omdat zij behoren tot de inhoud van de vordering) en dat deze bancaire zorgverplichtingen op die manier (ook) op de niet-bank komen te rusten. Een vergelijkbaar resultaat is aan de orde wanneer de cliënt schending van de bancaire zorgverplichtingen als verweermiddel kan inroepen jegens de niet-bank als nieuwe schuldeiser (art. 6:145 BW). Ten slotte kan ook bepleit worden dat op de niet-bank een eigen ‘zorgplichtverplichting of zorgplicht’ rust, bijvoorbeeld op grond van de open norm zoals die besloten ligt in art. 6:2 BW. Deze open norm wordt ingekleurd door alle omstandigheden van het geval en in het kader van de onderhavige problematiek eventueel ook door de omstandigheid dat de overgedragen vordering afkomstig was van een bank die is of was gebonden aan specifieke bancaire zorgverplichtingen. Deze verschillende benaderingen bespreek ik hierna achtereenvolgens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgverplichtingen en zorgplichten als inhoud van de vordering 4.129 Bepleit zou kunnen worden dat de bancaire zorgverplichtingen en zorgplichten nadere inhoud geven aan de vordering van de bank op haar cliënt en de daaraan verbonden bevoegdheden, en dat zij daarom behoren tot de inhoud van de vordering en bij overdracht mee worden overgedragen. Een overgang van een vordering brengt immers een overgang van al hetgeen tot de inhoud van die vordering behoort met zich. In dit verband pleegt te worden verwezen naar de regel dat de verkrijger van de vordering niet meer of minder rechten aan de vordering kan ontlenen dan de vervreemder had.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.130 De schuldenaar kan een beroep doen op contractuele bedingen die de inhoud van de vordering betreffen. De vraag welke bedingen deel uitmaken van de inhoud van het vorderingsrecht, moet door middel van uitleg van de aan de vordering ten grondslag liggende rechtsverhouding worden beantwoord. Wibier stelt bijvoorbeeld dat bedingen inzake arbitrage, bindend advies en rechtskeuze evenals bewijsafspraken vermoedelijk tot de inhoud van de vordering moeten worden gerekend. Rongen noemt als bevoegdheden die tot de inhoud van de vordering behoren de bevoegdheid om de vordering te innen of om de vordering op te eisen indien een tijdsbepaling is verstreken of een opschortende voorwaarde in vervulling is gegaan. Hetzelfde geldt volgens hem voor andere bedingen die van meet af aan de inhoud van de vordering bepalen, zoals een verrekeningsverbod of een verbod tot vervroegde aflossing., 4.131 Het ligt wat mij betreft niet voor de hand zorgverplichtingen of een zorgplicht van de bank tot de inhoud van de (krediet)vordering te rekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In randnummer 4.115 van deze conclusie kwam aan de orde dat de reden dat op banken een bijzondere zorgplicht rust tweeledig is: in de eerste plaats vervullen zij een spilfunctie in het maatschappelijke verkeer en in de tweede plaats hebben zij een kennis-, ervaring- en informatievoorsprong op hun cliënten. De (bijzondere bancaire) zorgplicht is gekoppeld aan de hoedanigheid van de bank en wordt ingekleurd door de omstandigheden van het geval, waaronder de deskundigheid van de cliënt (ten opzichte van de bank). Om die reden zou ik denken dat de zorgplicht niet (van meet af aan) onderdeel uitmaakt van de inhoud van de kredietvordering die de bank heeft op de cliënt, maar dat deze verbonden is aan de rechtsverhouding tussen de bank en de cliënt. Deze rechtsverhouding blijft (in beginsel, tenzij de rechtsverhouding wordt beëindigd door opzegging of ontbinding) na overdracht van de kredietvordering bestaan en de zorgplicht blijft (ten aanzien van die rechtsverhouding) intact. Na overdracht van de kredietvordering ontstaat er (eveneens) een nieuwe ‘rechtsverhouding’ tussen de cliënt en de niet-bank die de vordering overgedragen heeft gekregen. De specifieke omstandigheden van het geval zullen moeten uitmaken of in deze verhouding eveneens zorgverplichtingen of zorgplichten bestaan en hoe ver die reiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor al is uiteengezet in randnummer 4.121, gaat bij cessie van een kredietvordering door een bank aan een niet-bank, slechts de kredietvordering over op de niet-bank. De niet-bank wordt, anders dan bij contractsoverneming, geen partij bij de overeenkomst die is gesloten tussen de bank en de cliënt. Wegens het ontbreken van een contractuele rechtsverhouding tussen de cliënt en de niet-bank, gaan mijns inziens de zorgverplichtingen of zorgplichten die zijn gebaseerd op artikel 2 van de ABV, de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:248 lid 1 BW dan wel art. 7:401 BW, welke bepalingen steeds betrekking hebben op (partijen met) een contractuele relatie, ook niet mee over bij overdracht van (slechts) de kredietvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mijns inziens niet zo dat de zorgverplichtingen of zorgplichten die er waren (en in de regel nog zijn) in de relatie tussen de bank en de cliënt worden (mee)overgedragen aan de niet-bank bij overdracht van de kredietvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.132 Een dergelijke overgang van zorgverplichting of zorgplicht van de bank op de niet-bank als nieuwe schuldeiser kan naar mijn mening evenmin worden gebaseerd op art. 6:142 BW. Van een nevenrecht in de zin van art. 6:142 BW is geen sprake. Nevenrechten zijn rechten of bevoegdheden die zo nauw verbonden zijn met de vordering dat het gerechtvaardigd is om aan te nemen dat deze bij overgang van de vordering van rechtswege mee overgaan. Het eerste lid van art. 6:142 BW noemt bijvoorbeeld de rechten van pand en hypotheek als nevenrechten. Het tweede lid bepaalt dat onder de nevenrechten tevens zijn begrepen het recht van de vorige schuldeiser op bedongen rente of boete of op een dwangsom, behalve voor zover de rente opeisbaar of de boete of dwangsom reeds verbeurd was op het tijdstip van de overgang. Aangenomen wordt dat nevenrechten moeten worden onderscheiden van de rechten die niet zijn verbonden aan een vordering, maar die deel uitmaken van de gehele rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de oorspronkelijke schuldeiser. Voorbeelden van die laatste categorie rechten zijn het recht op ontbinding, het recht op vernietiging op grond van een wilsgebrek of het recht tot het opzeggen van de overeenkomst. Zoals hiervoor is uiteengezet, maken de zorgverplichtingen en een eventuele zorgplicht van de bank mijns inziens deel uit van de gehele rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de oorspronkelijke schuldeiser (de bank), zodat zij niet als nevenrecht kwalificeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.133 Ik merk hierbij op dat de zorgplicht mijns inziens evenmin te kwalificeren is als een kwalitatieve verplichting in de zin van art. 6:144 lid 1 BW (zoals de NVB subsidiair bepleit in haar schriftelijke opmerkingen, zie hiervoor randnummer 3.29). Art. 6:144 lid 1 BW bepaalt dat als de overdracht van een vordering meebrengt dat verplichtingen die uit het schuldeiserschap (of uit nevenrechten) voortvloeien, overgaan op de nieuwe schuldeiser, de vorige schuldeiser dan instaat voor de nakoming van deze verplichtingen. Deze bepaling beoogt de schuldenaar te beschermen tegen cessie van de vordering aan een minder solvente schuldeiser. Komt de cessionaris deze verplichtingen niet na, dan is de cedent naast de cessionaris tot schadevergoeding gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.134 Mijns inziens biedt art. 6:144 lid 1 BW in een casus zoals de onderhavige geen mogelijkheden voor de cliënt wiens vordering wordt overgedragen aan een niet-bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.135 Allereerst behoort de zorgplicht naar mijn mening niet tot de schuldeisersverplichtingen zoals bedoeld in art. 6:144 lid 1 BW. In de parlementaire geschiedenis worden als voorbeelden van kwalitatieve verplichtingen die voor de schuldeiser uit het schuldeiserschap of uit nevenrechten voortvloeien, genoemd de verplichting van de pandhouder als een goed pandhouder voor de zaak zorg te dragen, de pandgever kennis te geven van de verkoop van het verpande goed en het overschot na executie uit te keren aan de pandgever. Met Rongen ben ik van mening dat niet alle verplichtingen die in enig opzicht (mede) verband houden met het schuldeiserschap (of met nevenrechten) per definitie dusdanig kwalitatief van aard zijn dat zij in geval van cessie de vordering volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor (randnummer 4.131) heb ik reeds uiteengezet dat de zorgplicht mijns inziens geen onderdeel uitmaakt van de inhoud van de kredietvordering en daarom niet mee overgaat bij overdracht van deze vordering aan een niet-bank. De (bijzondere bancaire) zorgplicht is gekoppeld aan de hoedanigheid van bank (en niet zozeer de hoedanigheid van schuldeiser), wordt ingekleurd door de omstandigheden van het geval en is verbonden aan de (gehele) rechtsverhouding tussen de bank en de cliënt. De verplichting van de overdragende bank om zich bij de uitoefening van haar schuldeisersrechten overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid te gedragen (waarop de civiele zorgplicht van deze overdragende bank mede kan worden gebaseerd) is naar mijn mening dan ook geen kwalitatieve verplichting in de zin van art. 6:144 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierover wordt echter ook wel anders gedacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.136 Als al zou moeten worden aangenomen dat de zorgplicht bij overdracht van de vordering als kwalitatieve verplichting in de zin van art. 6:144 lid 1 BW mee overgaat op de niet-bank, geldt ten tweede dat art. 6:144 lid 1 BW (slechts) beoogt de schuldenaar te beschermen tegen cessie van de vordering aan een minder solvente schuldeiser. De overdragende bank staat dus alleen in voor de nakoming van de verplichtingen ter zake waarvan de cliënt een insolventierisico loopt op de (verkrijgende) niet-bank. Wanneer door de cliënt jegens de niet-bank een beroep wordt gedaan op (schending van) de zorgplicht, zal waarschijnlijk door de cliënt worden aangevoerd dat de niet-bank maatregelen treft waartoe de niet-bank volgens hem niet bevoegd is (zoals bijvoorbeeld het – excessief – verhogen van de rente of het treffen van ‘agressieve’ incassomaatregelen). In dergelijke gevallen is van een insolventierisico echter geen sprake en speelt art. 6:144 lid 1 BW dus geen rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 6:145 BW 4.137 Zoals in randnummer 4.55 van deze conclusie al aan de orde is geweest, laat een overgang van een vordering de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet (art. 6:145 BW). Het gaat daarbij om de ten tijde van de overgang bestaande verweermiddelen, waaronder ook de verweermiddelen worden begrepen die weliswaar pas na overdracht ontstaan, maar voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.138 Ondanks het uitgangspunt dat aan deze bepaling ten grondslag ligt, te weten dat de rechtspositie van de schuldenaar als gevolg van de overgang in beginsel ongewijzigd blijft, kan de overgang van de vordering er onder omstandigheden wel degelijk toe leiden dat de rechtspositie van de schuldenaar in verschillende opzichten door de overgang van de vordering verandert. In de eerste plaats kan zijn feitelijke positie veranderen, doordat hij tegenover een andere schuldeiser komt te staan, die bijvoorbeeld geneigd is sneller op betaling aan te dringen. Daarnaast kan de schuldenaar te maken krijgen met een schuldeiser die minder soepel is bij het verlenen van uitstel van betaling of bij het door de vingers zien van (geringe) tekortkomingen. Ook kan de plaats van betaling wijzigen of kan de vordering op een andere manier worden geïnd dan voorheen het geval was (er kan bijvoorbeeld sprake zijn van hardere incassopraktijken en hogere incassokosten). Tegen dergelijke feitelijke veranderingen in de positie van de schuldenaar die zich voordoen als de overnemer bepaalde coulance niet toont, biedt art. 6:145 BW geen verweer (tenzij in de oorspronkelijke rechtsverhouding het recht op coulance is ontstaan).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.139 De vraag is of (schending van) de (bancaire) zorgplicht(en) als verweermiddel van de schuldenaar kan worden ingeroepen jegens de niet-bank als nieuwe schuldeiser, indien de kredietvordering door de bank aan de niet-bank wordt overgedragen. Hierover bestaan in de literatuur verschillende opvattingen, die naar mijn idee samenhangen met de vraag of men van oordeel is dat de zorgplicht van de bank met de vordering is mee overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.140 Zo bepleit Biemans, dat het gelet op art. 6:145 BW voor de hand ligt dat een incassobureau dat een kredietvordering gecedeerd heeft gekregen aan dezelfde (bijzondere) zorgplicht jegens een consument is onderworpen als de bank bij de inning van de kredietvordering. Die uitkomst geldt volgens hem ongeacht of het incassobureau mogelijk uit hoofde van financiële wetgeving als financiële instelling onder toezicht staat en uit dien hoofde een eigen (bijzondere) zorgplicht heeft jegens de kredietnemer. Schending van de zorgplicht van de bank kan volgens Biemans dus door de schuldenaar als verweermiddel worden ingeroepen jegens de niet-bank die de vordering heeft verkregen. Is in deze visie de zorgplicht dan niet met de vordering mee overgegaan?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.141 Vreemann en Huizingh gaan (onder verwijzing naar Rongen) minder ver. Zij stellen voorop dat verweermiddelen als bedoeld in art. 6:145 BW kunnen voortvloeien uit de wet, maar ook uit de onderlinge rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de voormalig schuldeiser, voor zover deze verweermiddelen de inhoud en de omvang van de vordering bepalen of anderszins van invloed zijn op de uitoefening van het vorderingsrecht en op het moment van overgang van de vordering bestaan. De zorgplicht van de bank is volgens hen niet verbonden aan de vordering, maar aan de rechtsverhouding waaruit de vordering voortvloeit of zij hangt samen met de hoedanigheid van de bank (zoals ik hiervoor ook bepleitte in randnummer 4.131).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is volgens hen dan ook de vraag of (schending van) de zorgplicht van de bank door de schuldenaar jegens de overnemer kan worden ingeroepen bij wijze van verweermiddel. Zij zijn geneigd aan te nemen dat op de verkrijger van een kredietvordering die niet contractueel of op grond van publiekrechtelijke regelgeving onderworpen is aan een zorgplicht jegens de kredietnemer, geen actieve (zorg)verplichtingen komen te rusten, zoals onderzoeks- of informatieverplichtingen. Als het gaat om de bevoegdheid rechts- of executiemaatregelen te nemen ter zake van de overgenomen vordering, kan de schuldenaar de overnemer huns inziens hooguit houden aan concrete beperkingen die uit de zorgplicht van de bank voortvloeien, voor zover die de inhoud en omvang van de kredietvordering bepalen, zoals een door een bank in acht te nemen opzegtermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.142 Ik zit op eenzelfde spoor als Vreemann en Huizingh en Rongen. Zoals ik hiervoor ook al betoogde (randnummer 4.131), zijn de zorg(ver)plicht(ing)(en) (als zodanig) naar mijn mening onderdeel van de rechtsverhouding tussen de bank en de cliënt en niet verbonden aan de vordering. (schending van) Dergelijke zorg(ver)plicht(ing)(en) kan (kunnen) daarom niet (in zijn algemeenheid) als verweermiddel worden ingeroepen. Voor zover uit de zorg(ver)plicht(ing)(en) een concrete beperking zou volgen die (van meet af aan) de inhoud van de vordering bepaalt (bijvoorbeeld bepaalde beperkingen aan de opzegtermijn of de renteverhogingsbevoegdheid of informatieverplichtingen hieromtrent), is wel goed voorstelbaar dat deze kan worden ingeroepen als verweermiddel jegens de niet-bank. Meer muziek voor de schuldenaar zit wellicht in het hierna volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkleuring open normen 4.143 Waar het hiervoor ging om de vraag of zorg(ver)plicht(ing)(en) die op de bank rusten in geval van cessie aan een niet-bank op de laatste overgaan, komen we nu toe aan bespreking van de vraag of de niet-bank eventueel langs andere weg gehouden kan raken tot het in acht nemen van zorg die met die van een bank vergelijkbaar is. Een voor de hand liggende mogelijkheid is dat open normen die als zodanig ook voor de niet-bank gelden op een specifieke wijze worden ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.144 Ook de niet-bank als cessionaris wordt (behalve met art. 6:162 BW en art. 3:13 BW) geconfronteerd met art. 6:2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.145 Art. 6:2 lid 1 BW bepaalt dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn zich tegenover elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid). Ingevolge het tweede lid van deze bepaling is een tussen schuldeiser en schuldenaar krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.146 Art. 6:2 BW is als bekend een 'open norm'. Welke eisen de redelijkheid en billijkheid in een concreet geval opleggen, is niet in abstracto te zeggen. Ingevolge art. 3:12 BW wordt bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, rekening gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de betrokken maatschappelijke en persoonlijke belangen. Verder zijn de omstandigheden van het geval van bepalend: welke rechten of verplichtingen uit redelijkheid en billijkheid voortvloeien, is onder meer afhankelijk van de aard van de rechtsverhouding en de gerechtvaardigde belangen van ieder der partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.147 Op de niet-bank als schuldeiser rust een zelfstandige verplichting om zich overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid te gedragen. Wat dat betekent, wordt mede bepaald door de omstandigheden van het geval. Daartoe behoort mijns inziens de omstandigheid dat de niet-bank de vordering heeft verkregen van een bank en daarmee van een schuldeiser voor wie een specifiek privaatrechtelijk regime geldt (aard van de rechtsverhouding). Wat dit in concreto precies meebrengt, is overigens de vraag. Ook dat kan niet los worden gezien van de andere omstandigheden van het concrete geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.148 Ik breng hierbij in herinnering dat Van Ommeren in zijn noot onder Staat/Appels ook al uitging van de doorwerking van (in dat geval) algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het kader van de werking van de goede trouw waaraan de verkrijger in dat geval gebonden zou zijn. Hij merkte op dat de overdracht niet noodzakelijk hoeft mee te brengen dat een privé (rechts)persoon aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is gebonden. Deze rechtsopvolger is echter wel gebonden aan de goede trouw (redelijkheid en billijkheid) en wat de goede trouw (redelijkheid en billijkheid) met zich zou brengen, hangt onder meer af van de aard van de rechtsverhouding. Daarbij zal volgens Van Ommeren meewegen dat (in het geval dat aan de orde was in Staat/Appels) de overheid de oorspronkelijke kredietverlener was.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.149 Ook Rongen bepleit dat op de niet-bank op grond van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 BW een eigen zorgplicht rust waarvan de omvang mede wordt bepaald door een zekere doorwerking van de contractuele zorgplicht die de kredietovereenkomst beheerst waaruit de gecedeerde vordering voortvloeit. Deze zorgplicht van de niet-bank is niet identiek aan die van de bank als kredietverstrekker, maar wordt mede bepaald door de gerechtvaardigde belangen van de niet-bank die immers in een andere maatschappelijke en economische positie kan verkeren dan de oorspronkelijke kredietverstrekker.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.150 Afgezien van dit punt (de gerechtvaardigde belangen van een niet-bank vallen niet noodzakelijkerwijs samen met die van een bank) is de vraag in hoeverre de invulling van deze open normen in de verhouding tot de niet-bank leidt tot eenzelfde resultaat als voortvloeit uit het regime waaraan de bank zou zijn gebonden. Denkbaar is bijvoorbeeld dat als de bank de rente wil verhogen, zekerheden wil uitwinnen of andere bevoegdheden wil uitoefenen die de bank heeft in verband met het krediet, de toets of dit in de omstandigheden van het geval toegestaan is, vergelijkbaar zal zijn met de toets die op grond van art. 6:2 BW zal worden verricht indien de niet-bank dergelijke bevoegdheden in verband met het aan haar overgedragen krediet (en de bijbehorende nevenrechten) zou willen uitoefenen. Het zal afhangen van alle omstandigheden van het geval in hoeverre dit het geval is. Tegelijkertijd kan de invulling van de open normen voor de niet-bank er uiteraard niet toe leiden dat de niet-bank ‘verplichtingen’ opgelegd krijgt die verder reiken dan het beheer en de uitvoering van het krediet en/of waartoe de niet-bank niet bevoegd is. Hierbij kan gedacht worden aan het verschaffen van aanvullend krediet, waarop de cliënt onder omstandigheden wél aanspraak kan maken jegens de bank. Voor het aantrekken van opvorderbare gelden zijn immers de regels inzake banken van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.4 Een specifieke zorgplicht voor de overdragende bank?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.151 Hoewel de vraag is of Uw Raad aan beantwoording van vraag 4 (die ziet op de mogelijkheid voor de schuldenaar de overdragende bank aan te spreken) toekomt, merk ik nog het volgende op. Niet ondenkbaar is dat op de overdragende bank de verplichting rust er in geval van overdracht aan een niet-bank voor te zorgen dat haar cliënt in goede handen terechtkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.152 Hiervoor is reeds aan bod gekomen dat op de bank diverse zorgverplichtingen en zorgplichten rusten. In dit verband is de contractuele zorgplicht genoemd zoals die is neergelegd in de ABV en die geldt gedurende de gehele contractuele relatie tussen de bank en haar cliënt. De bijzondere zorgplicht uit de jurisprudentie geldt zowel gedurende de contractuele relatie tussen de bank en haar cliënt (met als grondslag de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid) als buiten een dergelijke contractuele relatie (met als grondslag de maatschappelijke zorgvuldigheid). Nu de bank tijdens de gehele contractuele relatie, en zelfs daarbuiten, aan een of meer zorgplichten is gebonden, ligt het voor de hand te denken dat deze ook betekenis kunnen hebben op het moment dat de bank een kredietvordering overdraagt aan een niet-bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.153 Bij de overdracht van een kredietvordering blijft de contractuele relatie tussen de bank en de cliënt in principe in stand. Dit betekent dat artikel 2 ABV geldt en dat de bank bij de overdracht zo goed mogelijk rekening dient te houden met de belangen van de cliënt wiens vordering wordt overgedragen. Dit geldt des te meer nu bij een overdracht van een kredietvordering (anders dan bij contractsoverneming) geen medewerking van de cliënt is vereist. De cliënt kan in geval van cessie niet voor zijn eigen belangen opkomen door bijvoorbeeld zijn medewerking te weigeren of daaraan voorwaarden te verbinden (zoals bij contractsoverneming in theorie wel het geval is). Ook indien de kredietvordering wordt overgedragen aan een niet-bank nadat de contractuele relatie tussen de bank en de cliënt reeds is beëindigd, zou mijns inziens op de bank een zorgplicht moeten (blijven) rusten ten opzichte van zijn (voormalige) cliënt. Nu de bank geacht wordt in alle fases die de kredietovereenkomst doorloopt (bij het ontstaan, gedurende de looptijd en bij het einde van de kredietverlening) een zorgplicht in acht te nemen, ligt het voor de hand dat dit ook het geval is bij overdracht van de kredietvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.154 Wat deze zorgplicht op dit punt precies meebrengt, is uiteraard afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hoe dan ook geldt dat er voor de overdragende bank geen kenbare en concrete aanwijzingen mogen zijn dat de belangen van de cliënt bij de verkrijger niet in goede handen zouden zijn., Maar tot die gevallen lijkt de zorgplicht mij niet beperkt. Hier zou een parallel kunnen worden getrokken met de invulling van de bancaire zorgplicht voorafgaand, tijdens en bij de beëindiging van een kredietrelatie, op grond waarvan de bank de belangen van de betrokken kredietnemers moet signaleren en bij haar besluitvorming moet meewegen. Denkbaar is dat de bank die een kredietvordering wil overdragen aan een niet-bank, onderzoek dient te verrichten naar deze niet-bank en dient te waarborgen dat deze niet-bank het beheer van de overgedragen vorderingen op een deugdelijke manier zal uitvoeren. In geval van consumentenkrediet is goed voorstelbaar dat de bank zich ervan dient te vergewissen dat de beoogde derde over alle voor het kredietbeheer vereiste vergunningen beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.155 Een dergelijke zorgplicht zou bijvoorbeeld kunnen inhouden dat de overdragende bank in de cessieakte opneemt dat de niet-bank die de kredietvordering verkrijgt zich ertoe verplicht eenzelfde zorg te betrachten jegens de schuldenaar als de bank in acht zou moeten nemen jegens haar cliënt. Om dat concreet te maken zou de niet-bank bijvoorbeeld kunnen worden opgelegd zich te verbinden aan bepaalde gedragscodes, zoals bijvoorbeeld de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering of de Leidraad Consumenten en Incassotrajecten. Economisch heeft deze benadering, die als zij werkelijk haar doel wil bereiken als derden- én kettingbeding dient te worden vormgegeven, uiteraard gevolgen. Als de bank tot het opleggen van dergelijke verplichtingen gehouden is, zal zich dit praktisch gesproken kunnen vertalen in een lagere verkoopprijs van de over te dragen vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.156 Dat neemt niet weg dat deze benadering een zekere aantrekkingskracht heeft, zo blijkt ook in Europees verband. In de ontwerprichtlijn voor de aanpak van NPL’s is bepaald dat de koper van de NPL’s aan de toezichthouder moet melden wie de betreffende kredieten gaat beheren (art. 19) en dat dat beheer gebaseerd moet zijn op een schriftelijke overeenkomst (art. 9). Die schriftelijke overeenkomst moet onder meer een door de partijen aangegane verbintenis bevatten om het op de kredietovereenkomst toepasselijke Unierecht en nationale recht na te leven, ook ten aanzien van de consumentenbescherming (art. 9 lid 2 onder (d)). Voor wat betreft Nederlands recht behoort daartoe eveneens hetgeen voor een bank voortvloeit uit hoofde van haar zorgplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.5 (Tussen)conclusie 4.157 Een bank is aan diverse zorgverplichtingen en zorgplichten gebonden. Hoewel vooral veel aandacht uitgaat naar de bijzondere bancaire zorgplicht zoals die is aangenomen in de jurisprudentie, is de feitelijke meerwaarde voor de onderhavige problematiek van een eventuele bijzondere zorgplicht waarschijnlijk zeer beperkt, omdat het hier om ‘eenvoudige’ kredietverlening aan een niet-consument gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.158 Voor zover uit de bancaire zorgplicht een concrete beperking zou volgen die (van meet af aan) de inhoud van de vordering bepaalt, is voorstelbaar dat deze door de cliënt kan worden ingeroepen als verweermiddel (op grond van art. 6:145 BW) jegens de niet-bank; de vordering is immers ‘inclusief beperking’ op de niet-bank overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.159 Nu een contractuele verhouding tussen de niet-bank en de cliënt ontbreekt, geldt voor de niet-bank evenmin het contractuele regime van artikel 2 van de ABV, art. 6:248 lid 1 BW en art. 7:401 BW. Op de niet-bank als aanbieder van krediet (dan wel de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt) zou wellicht wel een (bijzondere) zorgplicht kunnen rusten indien zij krediet aanbiedt in de zin van de Wft, zo zou kunnen worden afgeleid uit het Hypinvest-arrest dat op (bescherming tegen) overkreditering ziet. Hoe ver deze specifieke zorgplicht, die gelet op de definitie van ‘aanbieden’ alleen betrekking heeft op kredietovereenkomsten gesloten met consumenten, strekt, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De niet-bank is in ieder geval gebonden aan diverse open normen, waaronder in het bijzonder art. 6:2 BW. De zelfstandige verplichting die rust op de niet-bank om zich tegenover de schuldenaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 BW), wordt ingekleurd door alle omstandigheden van het geval. Daartoe behoort wat mij betreft ook de omstandigheid dat de niet-bank de vordering overgedragen heeft gekregen van een bank voor wie een bijzonder regime geldt. De concrete invulling van de open normen voor de niet-bank kan afwijken van het bijzondere regime dat geldt voor de bank, niet alleen omdat de gerechtvaardigde belangen van een niet-bank niet noodzakelijk steeds samenvallen met die van een bank, maar ook omdat de niet-bank het krediet slechts beheert en uitvoert en niet over alle bevoegdheden beschikt waarover de bank wél beschikt (zoals het aantrekken van opvorderbare gelden (verschaffing aanvullend krediet)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier stuiten we op de grenzen die uit de Wft voortvloeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.160 Niet ondenkbaar is dat op de overdragende bank de (zorg)verplichting rust ervoor te zorgen dat haar cliënt bij de niet-bank die de vordering verkrijgt in goede handen terechtkomt. Wat deze verplichting precies zou meebrengen, is uiteraard afhankelijk van de omstandigheden van het geval, maar er valt wat mij betreft wel iets over te zeggen. Hoe dan ook mogen er voor de overdragende bank geen kenbare en concrete aanwijzingen zijn dat de belangen van de cliënt bij de verkrijger niet in goede handen zouden zijn, maar ik zou menen dat de zorg verder strekt. Denkbaar is dat de overdragende bank onderzoek dient te verrichten naar de niet-bank en moet waarborgen dat deze niet-bank het beheer van de overgedragen vorderingen op een deugdelijke manier zal uitvoeren (bijvoorbeeld door een bepaling daaromtrent op te nemen in de cessieakte).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.161 Wat betekent dit nu voor de overdraagbaarheid van de kredietvordering? Bezien vanuit de (bijzondere) zorgplicht kan mijns inziens niet gezegd worden dat de inhoud van de kredietvordering wijzigt door de wijziging van schuldeiser dan wel dat de kredietvordering zo sterk verbonden is aan de bank als schuldeiser dat dit de vordering naar haar aard onoverdraagbaar maakt aan een niet-bank. De niet-bank is immers gebonden aan open normen, die mede ingekleurd worden door het feit dat de niet-bank een vordering overgedragen heeft gekregen van een bank die onderworpen is aan een (bijzondere) bancaire zorgplicht. Deze (bijzondere) bancaire zorgplicht heeft echter bij (eenvoudige) kredietverlening aan een zakelijke cliënt niet veel om het lijf, waardoor de (zakelijke) cliënt in een geval als het onderhavige (verlening van een eenvoudig financieel product; een krediet) weinig bescherming zal genieten op grond van deze zorgplicht. Voorstelbaar is dat deze (zakelijke) cliënt vergelijkbare bescherming geniet bij toepassing van de open norm van art. 6:2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Conclusie 4.162 De aard van een vordering kan zich tegen overdracht verzetten. Bij ‘gewone’ geldvorderingen is hiervan doorgaans geen sprake. Uit diverse wettelijke bepalingen kan worden afgeleid dat wordt uitgegaan van de overdraagbaarheid van (krediet)vorderingen en dat het daarbij niet uitmaakt wie de verkrijger is. Ook uit (voorstellen voor) Uniewetgeving kan worden afgeleid dat het wenselijk wordt geacht dat kredietvorderingen overdraagbaar zijn en dat het daarbij niet relevant is aan welke entiteit wordt overgedragen. Volgens de literatuur is van onoverdraagbaarheid naar aard sprake als de inhoud van de vordering wijzigt doordat de prestatie van de schuldenaar dan wel de persoon van de schuldeiser wijzigt, of als de vordering zo sterk aan de schuldeiser is gebonden dat de rechten die voortvloeien uit de vordering niet moeten kunnen worden uitgeoefend door een andere persoon. In dit verband wordt vaak gewezen op het arrest Staat/Appels. Ook Immobile heeft haar geld gezet op dit arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.163 Gelet op de wezenlijke verschillen tussen de casus die zich voordeed in Staat/Appels en de onderhavige, kan mijns inziens uit Staat/Appels echter niet de conclusie worden getrokken dat ook in dit geval de kredietvordering van de bank op een cliënt onoverdraagbaar is, indien deze wordt overgedragen aan een niet-bank. De kredietvordering is in dit geval niet zozeer gebonden aan de persoon van de bank als crediteur dat de rechten en bevoegdheden uit het krediet slechts door de bank kunnen worden uitgeoefend. Ook verandert de inhoud van de kredietvordering niet doordat de schuldeiser niet langer een bank is maar een niet-bank. De publiekrechtelijke positie van de bank en die van de niet-bank verschillen immers niet wezenlijk van elkaar en op de niet-bank rust in feite – via de open normen die op haar rusten (waaronder art. 6:2 BW) – ook een zekere zorgplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.164 Zowel de bank als de niet-bank aan welke de bank de kredietvordering overdraagt (dan wel de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt), zijn – als het een krediet aangegaan met een consument betreft – gebonden aan de gedragsregels die zijn neergelegd in (Deel 4 van) de Wft. Hoewel een niet-bank die een kredietvordering beheert of uitvoert niet onderhevig is aan prudentieel toezicht, is dat hier minder van belang omdat deze vorm van toezicht minder impact heeft op de wijze van beheer of uitvoering van de kredietvordering door de schuldeiser. Wanneer het, zoals in het onderhavige geval, een krediet aangegaan met een niet-consument betreft, zijn de gedragsregels neergelegd in (Deel 4 van) de Wft voor de niet-bank net zo min als voor de bank van toepassing, zodat ook in dat geval het publiekrechtelijke normenkader dat van toepassing is op de bank en op de niet-bank niet wezenlijk (namelijk slechts voor wat betreft het prudentieel toezicht) verschilt. Vanuit het perspectief van het publiekrechtelijke normenkader kan mijns inziens dan ook niet gezegd worden dat de kredietvordering zo sterk gebonden is aan de bank als schuldeiser dat dit de vordering naar haar aard onoverdraagbaar maakt, en evenmin dat de inhoud van de vordering wijzigt door het inwisselen van de bank als schuldeiser voor een niet-bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.165 Naast het publiekrechtelijke normenkader zoals neergelegd in (Deel 3 en 4 van) de Wft, is een bank ook gebonden aan privaatrechtelijke zorgverplichtingen en zorgplichten. De bijzondere bancaire zorgplicht zoals aangenomen in de jurisprudentie is een open norm die invulling krijgt in de specifieke omstandigheden van het geval. De toezichtrechtelijke regels die van toepassing zijn op de bank, kunnen mede de reikwijdte van deze bijzondere zorgplicht bepalen. Ook de mate van deskundigheid van de cliënt en de complexiteit van het financiële product spelen hierbij een rol. In het onderhavige geval betreft het een eenvoudig financieel product (een krediet) dat is verleend aan een zakelijke cliënt (Immobile). Voor de onderhavige problematiek zou een eventuele bijzondere bancaire zorgplicht daarom weinig meerwaarde hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.166 Ook de voor de bank geldende privaatrechtelijke zorgplicht(en) als zodanig brengt (brengen) mijns inziens echter niet mee dat de kredietvordering zo sterk gebonden is aan de bank als schuldeiser dat dit de vordering naar haar aard onoverdraagbaar maakt, en evenmin dat de inhoud van de vordering wijzigt door het inwisselen van de bank voor een niet-bank als schuldeiser.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.167 In geval van een overdracht van een vordering door een bank op een niet-bank gaat de bancaire zorgplicht als zodanig niet mee over. Voor zover uit de bancaire zorgplicht een concrete beperking zou volgen die (van meet af aan) de inhoud van de vordering bepaalt, is goed voorstelbaar dat deze door de schuldenaar cliënt kan worden ingeroepen als verweermiddel jegens de niet-bank (op grond van art. 6:145 BW); de vordering is immers ‘inclusief beperking’ op de niet-bank overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.168 Nu een contractuele verhouding tussen de niet-bank en de cliënt ontbreekt, geldt voor de niet-bank niet het contractuele regime van artikel 2 van de ABV, art. 6:248 lid 1 BW en art. 7:401 BW. Uit het Hypinvest-arrest (dat ziet op (bescherming tegen) overkreditering) zou kunnen worden afgeleid dat op de niet-bank als aanbieder van krediet (dan wel de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt) wellicht wel een specifieke (bijzondere) zorgplicht zou kunnen rusten, indien zij krediet aanbiedt in de zin van de Wft. Hoe ver deze specifieke zorgplicht, die gelet op de definitie van ‘aanbieden’ alleen betrekking heeft op kredietovereenkomsten gesloten met consumenten, strekt, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De niet-bank is in ieder geval gebonden aan diverse open normen, waaronder in het bijzonder art. 6:2 BW. De zelfstandige verplichting die rust op de niet-bank om zich tegenover de schuldenaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 BW), wordt ingekleurd door alle omstandigheden van het geval. Daartoe behoort wat mij betreft ook de omstandigheid dat de niet-bank de vordering overgedragen heeft gekregen van een bank voor welke een bijzonder regime geldt. De concrete invulling van de open normen voor de niet-bank kan afwijken van het bijzondere regime dat geldt voor de bank, niet alleen omdat de gerechtvaardigde belangen van een niet-bank niet noodzakelijk steeds samenvallen met die van een bank, maar ook omdat de niet-bank het krediet slechts beheert en uitvoert en niet over alle bevoegdheden beschikt waarover de bank wél beschikt (zoals het aantrekken van opvorderbare gelden (verschaffing aanvullend krediet)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier stuiten we op de grenzen die uit de Wft voortvloeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.169 Met haar derde prejudiciële vraag stelt de rechtbank aan de orde of het uitmaakt of de cliënt de kredietovereenkomst al dan niet volledig is nagekomen en/of de bank de bankrelatie heeft opgezegd. Niet valt in te zien waarom dat relevant zou zijn voor de vraag of de aard van het vorderingsrecht van een bank op een cliënt meebrengt dat dit vorderingsrecht onoverdraagbaar is in de zin van art. 3:83 lid 1 BW, indien wordt beoogd de vordering over te dragen aan een niet-bank. Ook voor het antwoord op de vraag of op de niet-bank aan welke de vordering wordt overgedragen zorgverplichtingen of zorgplichten rusten (en zo ja, hoe deze zich verhouden tot de publiekrechtelijke regels die op een bank van toepassing zijn en op de zorgverplichtingen en zorgplichten die op een bank rusten), maakt het niet uit of de cliënt de kredietovereenkomst al dan niet volledig is nagekomen en/of de bank de bankrelatie heeft opgezegd. Voor de concrete inhoud van de zorgverplichtingen die op de niet-bank rusten (doordat de niet-bank onderworpen is aan diverse open normen waaronder art. 6:2 BW), maakt het mogelijk wel verschil of de cliënt de kredietovereenkomst al dan niet volledig is nagekomen en/of de bank de bankrelatie heeft opgezegd, nu deze inhoud wordt bepaald door alle omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.170 Voor de zakelijke cliënt wiens kredietvordering door de bank wordt overgedragen aan een niet-bank (zoals in de onderhavige casus het geval is) levert dit het volgende beeld op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de gedragsregels uit Deel 4 van de Wft zijn niet van toepassing op de kredietverlening, en bieden de cliënt dan ook geen bescherming, nu de cliënt niet als consument kwalificeert. Dit geldt zowel in het geval dat de bank de aanbieder van het krediet is, als in het geval dat de niet-bank (dan wel kredietbeheerder) dat is. Wanneer het krediet wordt aangeboden door een bank is de bank uiteraard wel onderworpen aan prudentieel toezicht; hiervan zal de cliënt in de praktijk echter weinig tot niets merken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de zorgplicht(en) van de bank gaat (gaan) niet als zodanig mee over op de niet-bank wanneer de kredietvordering door de bank wordt overgedragen aan de niet-bank. De zorgplicht(en) behoren immers niet tot de inhoud van de vordering en kwalificeren niet als nevenrecht (art. 6:142 BW) of als kwalitatieve verplichting (art. 6:144 BW);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de cliënt kan zich tegenover de niet-bank niet beroepen op de (bancaire) zorgplichten, maar kan wel een beroep doen op de open normen die op deze niet-bank van toepassing zijn, waaronder art. 6:2 BW. Bij de concrete invulling van deze open normen zal kunnen meespelen dat de vordering afkomstig is van een bank die onderworpen was (dan wel is) aan een bijzonder regime. Wanneer bijvoorbeeld na overdracht een (forse) renteverhoging wordt doorgevoerd door de niet-bank zullen bij de ‘redelijkheidstoets’ (in het kader van art. 6:2 BW) als relevante omstandigheden meespelen of de verhoging contractueel is toegestaan, of (door de overdragende bank) al eerder gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot renteverhoging en of deze verhoging marktconform is. Deze toets is vergelijkbaar met de toets die zou hebben plaatsgevonden als de bank als oorspronkelijke schuldeiser deze (forse) renteverhoging zou hebben doorgevoerd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de concrete invulling van de open normen voor de niet-bank kan afwijken van de concrete toepassing van de (bijzondere) zorgplicht die zou hebben gegolden voor de bank, niet alleen omdat de gerechtvaardigde belangen van een niet-bank niet noodzakelijk steeds samenvallen met die van een bank, maar ook omdat de niet-bank het krediet slechts beheert en uitvoert en niet over alle bevoegdheden beschikt waarover de bank wél beschikt (zoals het aantrekken van opvorderbare gelden (verschaffing aanvullend krediet)). Ten aanzien van het feitelijke beheer en de uitvoering van het krediet (waarbij kan worden gedacht aan (de mate van) informatieverschaffing of renteverhoging) is echter goed voorstelbaar dat deze regimes tot vergelijkbare uitkomsten leiden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voor zover uit de bancaire zorgverplichtingen en zorgplichten een concrete beperking volgt die (van meet af aan) de inhoud van de vordering bepaalt, is goed voorstelbaar dat deze door de cliënt (ook) kan worden ingeroepen als verweermiddel jegens de niet-bank (op grond van art. 6:145 BW); de vordering is immers ‘inclusief beperking’ op de niet-bank overgegaan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>er zullen mogelijk feitelijke veranderingen optreden na overdracht aan een niet-bank, zoals hardere incassopraktijken en minder coulance, waartegen de cliënt in principe niet kan optreden.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.171 Op grond van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat de aard van het vorderingsrecht van een bank op een cliënt niet meebrengt dat dit vorderingsrecht onoverdraagbaar is in de zin van art. 3:83 lid 1 BW, indien wordt beoogd de vordering over te dragen aan een niet-bank. De overdraagbaarheid van vorderingen wordt in de wet vooropgesteld en de uitzondering vanwege de aard van de vordering ziet op bijzondere gevallen. In de onderhavige casus is van een dergelijk bijzonder geval geen sprake. Het betreft een gewone kredietvordering die niet zodanig aan de bank als schuldeiser is gebonden dat op grond daarvan onoverdraagbaarheid aan een niet-bank kan worden aangenomen. Ook verandert de inhoud van deze kredietvordering niet als deze wordt overgedragen door een bank aan een niet-bank. Doordat het publiekrechtelijke normenkader voor een bank en een niet-bank bij het aanbieden van krediet niet wezenlijk verschillen en de niet-bank gebonden is aan open normen (die mede worden ingekleurd door het feit dat de vordering afkomstig is van een bank die is onderworpen aan de bancaire zorgplicht(en)), beschikt de (voormalig) cliënt van de bank ook over waarborgen ten aanzien van de niet-bank na overdracht. Dat dit niet geldt voor feitelijke veranderingen die mogelijk optreden na overdracht, zoals hardere incassopraktijken en minder coulance, maakt dit niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.172 Ik realiseer me dat een schuldenaar onaangenaam verrast kan worden wanneer hij niet langer met de hem vertrouwde bank te maken heeft, maar wordt geconfronteerd met een niet-bank die zich mogelijk ook harder opstelt dan de bank. Dat kan hem eventueel ook voor serieuze problemen stellen. Wanneer we hier wat aan willen doen, moeten we het volgens mij niet zoeken in een oplossing die het financiële systeem in problemen zou brengen, zoals het geval is wanneer gekozen zou worden voor de onoverdraagbaarheid van een kredietvordering van een bank indien deze wordt overgedragen aan een niet-bank. Een dergelijke oplossing heeft potentieel grote gevolgen voor de financiële sector in Nederland. Meer voor de hand ligt het heil te zoeken in oplossingen voor specifieke probleemgevallen (zoals drastische renteverhoging) in de eerste plaats in de verhouding tussen schuldenaar en niet-bank zoals een specifieke inkleuring van een open norm als art. 6:2 BW en eventueel een beroep op de verweermiddelenregel van art. 6:145 BW. Ik zie zelf echter ook de aantrekkelijke kanten van een op de ABV en/of art. 6:248 lid 1 BW te baseren verplichting voor de overdragende bank ervoor zorg te dragen dat haar cliënt bij de verkrijger van de vordering in goede handen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.173 Gelet op de zojuist genoemde impact van een cessie voor schuldenaren verbaast het natuurlijk niet dat Immobile en Dantom c.s., die opkomen voor de belangen van de schuldenaar, voor alle mogelijke ankers gaan liggen (de zorgplicht is onlosmakelijk verbonden met de vordering, de zorgplicht van de bank gaat over op de niet-bank, voor de schuldenaar gunstige inkleuring van open normen die gelden voor de niet-bank, beroep op de verweermiddelenregel (art. 6:145 BW)), maar ook andere insprekers haasten zich te benadrukken dat de verschillen voor de schuldenaar tussen het hebben van de bank als schuldeiser of de niet-bank beperkt zijn. Dat hun onderbouwing daarbij niet geheel identiek is (randnummer 3.29 hiervoor), doet daar niet aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo betogen Promontoria c.s. niet alleen dat de inhoud van de vordering die op de cessionaris overgaat, mede wordt bepaald door de bancaire zorgplicht, maar bovendien dat op de cessionaris een verplichting rust om zich overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid te gedragen (art. 6:2 BW), welke verplichting mede wordt ingevuld door de bancaire zorgplicht die op de overdragende bank rustte. Daar komt dan nog bij dat de schuldenaar zich jegens de cessionaris op de naleving van de bancaire zorgplicht beroepen in de vorm van een verweermiddel (art. 6:145 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Van Lanschot gelden voor de cessionaris en de bank dezelfde zorgvuldigheidsverplichtingen; het gegeven dat de gecedeerde vordering voortkomt uit een bancaire relatie kleurt de open normen die gelden voor de niet-bank zoals art. 6:2 BW in. Ook kan de schuldenaar volgens Van Lanschot op grond van art. 6:145 BW alle verweermiddelen die hij vóór de cessie tegen de bank kon inroepen na de cessie inroepen tegen de cessionaris. Wanneer de cessionaris niet naar behoren handelt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden, ontstaat daardoor echter geen vordering op de cederende bank. Uitgangspunt is volgens Van Lanschot dat de bank na cessie geen invloed meer heeft op, en dus niet aansprakelijk kan worden gesteld voor, het handelen van de cessionaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">NVB stelt zich op het standpunt dat op de (niet-bancaire) verkrijger van kredietvorderingen een zelfstandige zorgplicht rust, waarvan de inhoud contextafhankelijk is. Op die manier kunnen eventuele toezichtrechtelijke normen die wel voor de vervreemder gelden maar niet voor de verkrijger via de privaatrechtelijke zorgplicht toch doorwerken. Volgens de NVB is de bank na overgang van de vordering niet verantwoordelijk voor de wijze waarop de verkrijger zijn schuldeisersrechten (inclusief nevenrechten) uitoefent. Banken en andere professionele kredietverstrekkers zijn echter niet geheel vrij in hun keuze van de partij aan welke zij een portefeuille NPL’s overdragen. Uit de op hen rustende zorgplicht jegens hun cliënten kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat zij onderzoek doen naar aspirant-kopers en/of bedingen dat een koper in staat is om passende zorg te betrachten jegens de schuldenaren van de overgedragen vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.174 Na al het tamelijk ingewikkelde gedoe over wel/niet overgaan van zorgplicht(en) van de bank en ‘specifieke inkleuring’ van open normen die sowieso voor een niet-bank gelden, is uiteindelijk voor de schuldenaren waar het hier om gaat de vraag: kan de niet-bank nu de rente drastisch verhogen of niet? En zou de bank dat niet hebben gekund of misschien wel hebben gekund, maar niet hebben gedaan?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.175 Vertrekpunt is dat (een zekere) renteverhoging kennelijk contractueel is toegestaan. Zowel bij een renteverhoging door de bank vóór overdracht als door de niet-bank na overdracht komt het aan op de vraag of de doorgevoerde renteverhoging in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijk is. Uiteraard is daarbij een relevante factor of sprake is van een marktconforme verhoging. Ook een bank zou eventueel kunnen overgaan tot een contractueel toegestane forse renteverhoging wanneer deze marktconform is. Dat zij daar wellicht in de regel van afziet vanwege mogelijke imagoproblemen is wat anders. Bij de bank kan natuurlijk wel meespelen dat zij niet eerder gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot renteverhoging of daarvan steeds maar in zeer beperkte mate gebruik heeft gemaakt, hoewel ook een forse verhoging marktconform zou zijn geweest. Dat kan een plotselinge koerswijziging onredelijk maken. Ook voor de verkrijgende niet-bank geldt een ‘redelijkheidstoets’ onder de noemer van art. 6:2 BW, waarbij al dan niet marktconform optreden uiteraard ook een belangrijke factor is, zij het niet de enige. Ook de niet-bank is jegens haar schuldenaar gehouden een drastische koerswijziging te voorkomen. Zo bekeken zouden de verschillen op het punt van aanvaardbaar optreden in geval van een forse renteverhoging beperkt zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Beantwoording van de prejudiciële vragen 5.1 Er is mijns inziens geen sprake van een acte clair, zodat beantwoording van de eerste prejudiciële vraag niet achterwege kan blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 De eerste prejudiciële vraag dient mijns inziens negatief te worden beantwoord. De aard van het vorderingsrecht van een bank op een cliënt verzet zich niet tegen overdracht aan een niet-bank, anders gezegd, het vorderingsrecht van de bank op een cliënt is niet vanwege zijn aard onoverdraagbaar in de zin van art. 3:83 lid 1 BW, indien wordt beoogd de vordering over te dragen aan een niet-bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Bij negatieve beantwoording van de eerste prejudiciële vraag komen ook de andere prejudiciële vragen daadwerkelijk in beeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Ook de tweede prejudiciële vraag behoeft naar mijn mening beantwoording, nu de vraag of op Promontoria een zorgverplichting of zorgplicht rust en zo ja op grond waarvan, nodig is om op de vordering of het verzoek te beslissen en tussen partijen niet vaststaat hoe deze zorg(ver)plicht(ing) op Promontoria komt te rusten (en daarmee hoe zij wordt vormgegeven).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 De tweede prejudiciële vraag zou ik aldus willen beantwoorden dat op de niet-bank aan welke de vordering wordt overgedragen een publiekrechtelijke zorgplicht rust op grond van de Wft, indien zij krediet aanbiedt in de zin van de Wft (tenzij de niet-bank het beheer en de uitvoering van de vordering overlaat aan een kredietbeheerder, die dan zelf vergunningsplichtig is en onderworpen is aan de gedragsregels uit Deel 4 van de Wft waaronder de publiekrechtelijke zorgplicht). Ook indien door de niet-bank geen krediet wordt aangeboden in de zin van de Wft (waarbij het gaat om – het aangaan, beheren en uitvoeren van – een overeenkomst inzake krediet met een consument), is deze entiteit overigens gebonden aan open normen (waaronder art. 6:2 BW). Deze open normen worden ingevuld aan de hand van alle omstandigheden van het geval en daarmee wat mij betreft mede door het feit dat de vordering die de niet-bank heeft verkregen afkomstig is van een bank voor wie een bijzonder (onder meer publiekrechtelijk) regime geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 De zorgverplichtingen of zorgplichten van de (overdragende) bank gaan niet als zodanig mee over bij overdracht van de kredietvordering door de bank aan de niet-bank. Deze zorgverplichtingen of zorgplichten behoren immers niet tot de inhoud van de vordering en kwalificeren niet als nevenrecht (art. 6:142 BW) of als kwalitatieve verplichting (art. 6:144 BW). Voor zover uit de bancaire zorgverplichtingen of zorgplichten een concrete beperking zou volgen die (van meet af aan) de inhoud van de (daarna overgedragen) vordering bepaalt, kan deze concrete beperking door de schuldenaar van de vordering worden ingeroepen als verweermiddel in de zin van art. 6:145 BW jegens de niet-bank als nieuwe schuldeiser. De vordering is immers ‘inclusief beperking’ op de niet-bank overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 De derde prejudiciële vraag zou wat mij betreft aldus moeten worden beantwoord dat het voor de antwoorden op de vorige vragen in beginsel niet uitmaakt of de cliënt de kredietovereenkomst al dan niet volledig is nagekomen en/of de bank de bankrelatie heeft opgezegd. Voor de concrete inhoud van de zorg(ver)plicht(ing) die (via de op de niet-bank van toepassing zijnde open normen) op de niet-bank rust, maakt dit mogelijk wel verschil, nu deze inhoud wordt bepaald aan de hand van alle omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 De vierde prejudiciële vraag behoeft mijns inziens geen beantwoording. Op grond van art. 392 lid 1 Rv kan de rechter (ambtshalve of op verzoek van een partij) de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. Daarvoor is (onder meer) vereist dat een antwoord op deze vraag nodig is om op de vordering of het verzoek te beslissen. De onderhavige zaak betreft een procedure tussen Immobile (als (voormalig) cliënt van Van Lanschot en schuldenaar) en Promontoria c.s. (als niet-bank die de vordering die Van Lanschot op Immobile had, heeft verkregen respectievelijk als de door Promontoria ingeschakelde servicer). Van Lanschot is bij deze procedure niet betrokken. De vorderingen van Immobile in de onderhavige procedure zijn vanzelfsprekend dan ook gericht tegen Promontoria c.s. en zijn gebaseerd op handelingen van Promontoria c.s. Om op deze vorderingen van Immobile te kunnen beslissen, is niet relevant welke rechten Immobile kan uitoefenen jegens Van Lanschot als overdragende bank, indien het handelen van Promontoria c.s. afwijkt van wat zou mogen worden verwacht van een bank op grond van de voor een bank geldende publiekrechtelijke regels of de op een bank rustende zorgplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Ik heb overigens hiervoor in randnummers 4.151-156 van deze conclusie wel een enkele opmerking gemaakt die betrekking heeft op de positie van de overdragende bank. Daarbij heb ik bijvoorbeeld gesteld dat denkbaar is dat op de bank die de vordering wil overdragen aan een niet-bank, de specifieke verplichting rust ervoor te zorgen dat de cliënt bij de niet-bank in goede handen is. Dat zou zich kunnen vertalen in de verplichting onderzoek te doen naar de niet-bank en te waarborgen dat deze niet-bank het beheer van de overgedragen vordering op een deugdelijke manier zal uitvoeren. Dat laatste kan bijvoorbeeld door in de cessieakte op te nemen dat de niet-bank zich ertoe verplicht eenzelfde zorg in acht te nemen jegens de schuldenaar als de bank zou moeten doen jegens haar cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen zoals voorgesteld in randnummers 5.2 en 5.5-5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Rb. Amsterdam 29 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3918.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaknummer / rolnummer bij de rechtbank C/13/647992 / HA ZA 18-512 en zaaknummer bij de Hoge Raad 19/04130. Zie Rb. Amsterdam 29 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3916.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de gelijkluidende rov. 4.1. in de tussenvonnissen van de Rb. Amsterdam van 29 mei 2019 in beide zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangrijkste verschillen betreffen uiteraard feiten en procesverloop (delen 2 en 3 van de conclusies) en verder in een enkel randnummer de terugkoppeling naar de concrete zaak in deel 4 van de conclusies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband de schriftelijke opmerkingen van Van Lanschot, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inmiddels zou ten minste een deel van de vorderingen die Promontoria destijds heeft gekocht van Van Lanschot alweer doorverkocht zijn aan een Duitse vennootschap (Ortolan Nederland Credit Oplossingen GmbH). Zie https://www.infinance.nl/artikel/ex-klanten-van-lanschot-alweer-doorverkocht/ en de uitlating op de schriftelijke opmerkingen van Immobile, randnummer 6 d) iv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 4.2. en 4.3. van het tussenvonnis van 29 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RBAMS:2019:5729. In de zaak van Alegre Beheer B.V. c.s. zijn de vragen uiteindelijk gesteld bij vonnis van de Rb. Amsterdam van 4 september 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6359, JOR 2020/15 m.nt. M.H.E. Rongen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2326, NJ 1990/766 m.nt. W.M. Kleijn en AB 1991/430 m.nt. F.J. van Ommeren. Op dit arrest wordt ingegaan in randnummers 4.27 e.v. van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze weergave van de feiten is gebaseerd op rov. 2.1. tot en met 2.27. van het tussenvonnis van 29 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene Voorwaarden van Geldlening Zakelijk van F. van Lanschot Bankiers N.V. Zie conclusie van antwoord van Promontoria c.s., randnummer 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene Voorwaarden Rekening-courant voor niet-consumenten. Zie conclusie van antwoord van Promontoria c.s., randnummer 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vóór de onderhavige procedure heeft Immobile in kort geding (onder meer) gevorderd dat Van Lanschot zou worden verboden de rechtsverhouding met Immobile over te dragen aan Promontoria, als ook de geldleningen middels de voorgenomen cessie ex art. 3:94 BW over te dragen aan Promontoria. De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft de vorderingen op 25 september 2015 afgewezen (ECLI:NL:RBOBR:2015:5970). In hoger beroep heeft het hof ’s-Hertogenbosch op 29 november 2016 geoordeeld dat Immobile onvoldoende spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen (ECLI:NL:GHSHE:2016:5316). Uit de schriftelijke opmerkingen van Van Lanschot (randnummer 8., voetnoot 7) maak ik op dat inmiddels een (bodem)procedure tussen Immobile en Van Lanschot (gevestigd te ’s-Hertogenbosch) aanhangig is gemaakt bij de rechtbank Oost-Brabant. Deze rechtbank heeft echter vastgesteld dat de zaak van rechtswege is gevoegd met de onderhavige zaak en heeft de zaak doorverwezen naar de rechtbank Amsterdam. Van Lanschot merkt daarbij op dat Immobile Van Lanschot nog niet heeft opgeroepen om in dat geding verder te procederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 3.1. van het tussenvonnis van 29 mei 2019. Zie voor de overige vorderingen van Immobile (die voor deze prejudiciële procedure minder van belang zijn) ook diezelfde rechtsoverweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze weergave is ontleend aan rov. 3.2. van het tussenvonnis van 29 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 3.5. van het tussenvonnis van 29 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 7 november 2018, zaaknummer / rolnummer: C/13/640141 / HA ZA 17/1342.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van comparitie gehouden op 1 april 2019, zaaknummer / rolnummer: C/13/640141 / HA ZA 17/1342.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen hebben zich eerst op 12 september 2018 per akte nog uitgelaten over de betekenis van het vonnis van 25 juli 2018 (C/13/635276/HA/ZA 17-935) voor de onderhavige zaak en het gewenste verdere processuele verloop daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is geciteerd in randnummer 2.8 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.7. van het tussenvonnis van 29 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.11. van het tussenvonnis van 29 mei 2019. Zie voor de uitleg die de rechtbank geeft aan artikel 36 ABV rov. 4.8.-4.11. van dat vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.14. van het tussenvonnis van 29 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.16. van het tussenvonnis van 29 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2326, NJ 1990/766 m.nt. W.M. Kleijn en AB 1991/430 m.nt. F.J. van Ommeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stichting Klachteninstituut Financiële Dienstverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.17. van het tussenvonnis van 29 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167 m.nt. H.J. Snijders, Ars Aequi 2014, p. 927 e.v. m.nt. W.H. van Boom, JIN 2014/133 m.nt. L. Krieckaert en JOR 2014/151 m.nt. B.A. Schuijling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.18. van het tussenvonnis van 29 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.19. van het tussenvonnis van 29 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.21. van het tussenvonnis van 29 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.22. van het tussenvonnis van 29 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de volledige versie van de Algemene Bankvoorwaarden 2017 https://www.nvb.nl/publicaties/protocollen-regelingen-richtlijnen/algemene-bankvoorwaarden-abv/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledige verwijzing: HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2822, NJ 2012/184 m.nt. J.B.M. Vranken en JA 2009/118 m.nt. W.H. van Boom (Stichting GeSp/Aegon).</p></div>", "next": 239559}