{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het hof bespreekt in deze overweging kennelijk het (denkbare) verweer van UTB dat de (eerder door het hof in rov. 4.60 vastgestelde) onrechtmatige daad niet aan haar (als dader) kan worden toegerekend (art. 6:162 lid 3 BW) op de grond dat zij er bij het instellen van de reconventionele vordering respectievelijk ten tijde van de uitspraak in kort geding van mocht uitgaan dat Glencore – wegens natrekking van het gestolde aluminium door de ovens – geen pandrecht had respectievelijk dat Glencore door toepassing van art. 58 Fw hoe dan ook haar positie als separatist had verloren, welk verweer het hof verwerpt met een argument ontleend aan het leerstuk van de aansprakelijkheid voor (dreiging met) executie van een later door een uitspraak in de bodemzaak achterhaald gebleken kort gedingvonnis: het behoren te weten dat het om een voorlopige uitspraak gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klachten falen bij gebrek aan belang, nu uit het slagen van de subonderdelen 3.1 en 3.4 volgt dat reeds het oordeel van het hof betreffende de onrechtmatigheid van het handelen van UTB niet in stand kan blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 4: causaal verband (rov. 4.59-4.60, 4.69, 4.70 en 4.85) 2.93 Onderdeel 4 richt zich tegen het oordeel van het hof over de aan de onrechtmatige daad van UTB verbonden schade. Het bestaat uit zes subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.94 Subonderdeel 4.1 betoogt terecht dat de (lees: slagende) klachten van het voorgaande onderdeel – gericht tegen het onrechtmatigheidsoordeel – reeds meebrengen dat het oordeel van het hof met betrekking tot de aan de vermeende onrechtmatige daad toerekenbare schade evenmin stand kan houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.95 Met subonderdeel 4.2 wordt geklaagd dat onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.59 in relatie tot UTB de uitspraak in kort geding kwalificeert als “in resultaat minstens zo verregaand als het verbod op de veiling [dat] op vordering van NB c.s. is toegewezen”. UTB voert hiertoe aan dat van de reconventionele vordering van UTB enkel de opheffing van het pandhouderbeslag is toegewezen, hetgeen evident minder verregaand is dan het veilingverbod dat op vordering van andere partijen dan UTB door de rechter is toegewezen. Onbegrijpelijk is volgens UTB ook het oordeel van het hof dat de reconventionele vordering van UTB heeft geleid tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore; volgens UTB heeft het slechts geleid tot opheffing van het pandhoudersbeslag (en niet tot doorkruising van verkoop van het aluminium via een voorgenomen veiling).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.96 Deze klacht slaagt op de gronden zoals aangegeven bij de behandeling van de subonderdelen 3.1 en 3.4. Op die plaats is immers reeds uiteengezet dat sprake is van feitelijke misslagen in rov. 4.59 (en 4.60), omdat UTB geen reconventionele vordering heeft ingesteld die heeft geleid tot (kort gezegd) een veilingverbod voor Glencore.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.97 Subonderdeel 4.3 bepleit dat onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.59-4.60 (kennelijk) oordeelt dat de uitspraak in kort geding van 11 september 2012 ondanks het verbod van de veiling door N.B. c.s. nog gevolgen had voor de executie van het pandrecht door Glencore en de uitoefening van de rechten van Glencore als separatist. Het veilingverbod werd immers door de rechter op 10 september 2012 op vordering van N.B. c.s. uitgesproken, zodat het door de rechter in kort geding opheffen van het pandhoudersbeslag op vordering in reconventie van UTB en ZSP en het toewijzen van het verkoopverbod op vordering in reconventie van ZSP een dag later geen gevolgen meer heeft kunnen hebben voor de executie door Glencore als pandhouder en separatist. Het eigen standpunt van Glencore is ook dat haar schade is ontstaan doordat de executieveiling van 10 september 2012 geen doorgang heeft kunnen vinden, aldus UTB (waarbij zij wijst op rov. 4.71).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.98 Ook de klacht aangevoerd met dit subonderdeel slaagt. In het licht van de vaststellingen door het hof dat: (i) de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg bij vonnis van 10 september 2012 de vordering van NB en ZSP heeft toegewezen en Glencore heeft verboden de executie van (haar pandrecht op) het aluminium voort te zetten (rov. 3.16); (ii) de rechter-commissaris bij beschikking van 10 september 2012 de termijn ex art. 58 Fw heeft verlengd tot en met 10 september 2012 en iedere verdere verlenging heeft afgewezen (rov. 3.17); (iii) de onrechtmatige daad van NB c.s., UTB en curatoren daaruit bestaat dat zij de executie van het pandrecht door Glencore onrechtmatig hebben verhinderd (rov. 4.69); en (iv) Glencore als uitgangpunt voor de begroting van de schade neemt hetgeen de door haar geplande executieveiling op 10 september 2012 zou hebben opgebracht (rov. 4.71), is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat het hof tot het oordeel komt dat de uitspraak in kort geding van 11 september 2012 nog gevolgen had voor de executie van het pandrecht door Glencore en de uitoefening van de rechten van Glencore als separatist.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.99 Door middel van subonderdeel 4.4 wordt geklaagd dat onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.60 (kennelijk) oordeelt dat het door UTB ingenomen standpunt dat Glencore door toepassing van art. 58 Fw hoe dan ook haar positie als separatist was verloren, niet in de weg staat aan aansprakelijkheid van UTB voor door Glencore geleden schade. De door de curatoren gestelde termijn van art. 58 Fw liep af op 10 september 2012 (zie rov. 3.17), en Glencore heeft hiertegen tevergeefs gestreden tot in cassatie (zie rov. 3.25, 4.32-4.33), zodat in relatie tot UTB het kortgedingvonnis van 11 september 2012 ook om die reden niet tot schade bij Glencore heeft kunnen leiden, zo voert UTB aan. Daaraan kan volgens de klacht niet afdoen dat het hof in het bestreden arrest alsnog tot de slotsom is gekomen dat Glencore haar positie als separatist heeft behouden, nu dit oordeel van het hof rust op een andere grondslag – misbruik van bevoegdheid door de curatoren (rov. 4.35-4.38) – dan de (wel degelijk) verstreken termijn van art. 58 Fw waarvan UTB is uitgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.100 In de kern, zo begrijp ik uit de s.t. zijdens UTB (nr. 31), wil UTB met deze klacht betogen dat (het hof heeft miskend dat) het causaal verband tussen (i) het (juist gebleken) standpunt van UTB dat de termijn van art. 58 Fw was verstreken enerzijds en (ii) de door Glencore geleden schade anderzijds, rechtens is doorbroken doordat het door het hof vastgestelde behoud van Glencore’s positie als separatist berust op het handelen van derden, te weten het misbruik van bevoegdheid door curatoren van hun bevoegdheden ex art. 58 Fw. De gevolgen van misbruik van bevoegdheid door curatoren kunnen immers rechtens niet aan UTB worden toegerekend, aldus UTB.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.101 Deze klacht faalt. Zij ziet eraan voorbij dat het hof in rov. 4.60 kennelijk het (denkbare) verweer van UTB bespreekt dat de (eerder door het hof in rov. 4.60 vastgestelde) onrechtmatige daad niet aan haar kan worden toegerekend – in de zin van art. 6:162 lid 3 BW – op de grond dat zij ervan mocht uitgaan dat Glencore door toepassing van art. 58 Fw hoe dan ook haar positie als separatist had verloren (zie hiervoor onder 2.92). Het hof beschouwt dit standpunt van UTB derhalve niet als een onrechtmatige daad waaraan de door Glencore gestelde schade kan worden toegerekend in de zin van art. 6:98 BW (causaal verband).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.102 Subonderdeel 4.5 neemt tot uitgangspunt dat UTB onrechtmatig zou hebben gehandeld met de bij vonnis van 11 september 2012 door de voorzieningenrechter toegewezen reconventionele vordering. Voor dat geval bestempelt het als onjuist, althans onbegrijpelijk, dat het hof in rov. 4.70 in relatie tot UTB in het kader van de vergelijkingsmaatstaf beslissend acht op welk aluminium Glencore zich op 10 september 2012 – ten tijde van het veilingverbod op vordering van N.B. c.s. – had kunnen verhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.103 Deze klacht slaagt. In het licht van de overweging van het hof dat de voorzieningenrechter de reconventionele vordering van UTB op 11 september 2012 heeft toegewezen, hetgeen zou hebben geleid tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore (rov. 4.59), is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat in het kader van de vergelijkingsmaatstaf (voor het bepalen van de omvang van de schade) ten aanzien van UTB beslissend is op welk aluminium Glencore zich op 10 september 2012 had kunnen verhalen (rov. 4.70).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.104 Ten slotte wordt met subonderdeel 4.6 geklaagd dat ook de conclusie die het hof in rov. 4.85 bereikt – de vaststelling van de aan de gedragingen van UTB toerekenbare schade, toev. A-G – geen stand kan houden: met het afblazen van de veiling van 10 september 2012 heeft UTB naar eigen zeggen geen bemoeienis gehad (zie rov. 4.59), zodat causaal verband tussen de vermeende fout van UTB en de door het hof begrote schade (gebaseerd op de hypothetische situatie zonder fout waarin de geplande veiling van 10 september 2012 doorgang had gevonden), ontbreekt. Daar komt volgens UTB bij dat het hof ten onrechte de hypothetische situatie waarin Glencore zich zou hebben bevonden zonder fout van UTB gelijkstelt met het doorgang hebben kunnen vinden van de aangekondigde veiling van 10 september 2012. UTB klaagt dat niet valt in te zien waarom het handhaven van het pandhoudersbeslag noodzakelijk was voor Glencore teneinde haar verkooprecht alsof er geen faillissement was, te kunnen uitoefenen. Het hof had dat laatste ten minste moeten onderzoeken, hetgeen het heeft verzuimd te doen, zodat zijn oordeel dat de (vermeende) fout van UTB in causaal verband staat met de gestelde schade van Glencore hoe dan ook onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, aldus UTB.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.105 Deze klacht, die voortbouwt op de klachten gericht tegen het onrechtmatigheidsoordeel ten aanzien van UTB zoals weergegeven in rov. 4.59-4.60, slaagt eveneens. Hiervoor is immers reeds uiteengezet dat sprake is van feitelijke misslagen in rov. 4.59 (en 4.60), omdat UTB geen reconventionele vordering heeft ingesteld die heeft geleid tot (kort gezegd) een veilingverbod voor Glencore.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 5: ingangsdatum wettelijke rente (rov. 4.88) 2.106 Onderdeel 5 keert zich tegen rov. 4.88. Daarin overweegt het hof ten aanzien van de ingangsdatum van de door Glencore in appel gevorderde wettelijke rente: “Glencore vordert van (…) UTB Holding wettelijke rente vanaf 19 december 2011. (…) Bij pleidooi is door UTB Holding voor het eerst verweer gevoerd tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente. Dit verweer dient buiten beschouwing te worden gelaten omdat het te laat is aangevoerd. Geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een uitzondering op de in hoger beroep geldende twee-conclusieregel kunnen rechtvaardigen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderdeel bestaat uit twee subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens subonderdeel 5.1 is dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat (zoals volgt uit rov. 4.56) Glencore schadevergoeding van UTB heeft gevorderd over de periode vanaf 10 september 2012. Het hof relateert in rov. 4.59 zelf de onrechtmatig geachte handeling van UTB aan het kortgedingvonnis van 11 september 2012. Het hof heeft in rov. 4.88 dan ook miskend dat de verschuldigdheid van de wettelijke rente niet op een eerder moment kan ingaan dan het (gestelde) aanvangsmoment van de onrechtmatige gedraging van UTB en de daaruit (beweerdelijk) ontstane schade bij Glencore. Dat is dus ook niet afhankelijk (te stellen) van het moment in de procedure waarop UTB voor het eerst verweer tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente heeft gevoerd, aldus de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 5.2 vervolgt dat het oordeel van het hof tevens onjuist althans onbegrijpelijk is omdat UTB niet te laat was met haar verweer. UTB voert hiertoe aan (i) dat uit haar feitenrelaas reeds blijkt dat UTB pas vanaf april 2012 in beeld was bij de curatoren als onderhandelingspartner, hetgeen Glencore ook wist omdat UTB toen nog optrok met Glencore’s dochtermaatschappij Century, en (ii) dat UTB zich bij MvA/MvG inc., nr. 4-5, in verband met grief III van Glencore (die de in rov. 5.1 van het eindvonnis op 10 september 2012 bepaalde ingangsdatum tevergeefs bestrijdt, zie rov. 4.86-4.87 van het bestreden arrest) heeft aangesloten bij het verweer van NB en ZSP tegen die grief, met benadrukking dat Glencore schade pretendeert ten gevolge van het feit dat zij op 10 september 2012 niet heeft kunnen veilen (vanaf welk moment het hof NB en ZSP heeft veroordeeld tot betaling van wettelijke rente). De opmerking ter gelegenheid van het pleidooi zijdens UTB waar het hof het oog op heeft, namelijk dat UTB pas enkele maanden na het faillissement ten tonele is verschenen zodat gemaakte verwijten over de eerdere periode, met rente vanaf december 2011, UTB niet aangaan, hield dus geen ‘nieuw’ verweer in dat te laat is gevoerd, maar was een herinnering aan of hooguit een nadere precisering van het verweer van UTB waartegen de twee-conclusieregel zich niet verzet, aldus UTB.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.107 Bij de behandeling van onderdeel 5 stel ik het volgende voorop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van de geldsom in verzuim is. Bij een schadevergoedingsverbintenis op grond van onrechtmatige daad (zoals in deze zaak) treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in (art. 6:83, aanhef en sub b, BW). De wettelijke rente loopt dan vanaf het moment dat de verbintenis opeisbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is, zal in de regel worden bepaald door de vraag wanneer de schade geacht moet worden te zijn geleden. De wijze waarop de schade wordt begroot kan daarbij van doorslaggevend belang zijn. Wordt de schade vastgesteld op bepaalde in concreto gemaakte kosten dan ontstaat zij pas op het moment dat deze kosten door de benadeelde moeten worden voldaan. Wordt de schade abstract berekend naar het tijdstip waarop de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust plaatsvond, dan wordt zij terstond op het moment dat de schade wordt toegebracht opeisbaar, ook al staat het bedrag van de schade op dat moment nog niet vast. De wettelijke rente begint dan terstond, op het moment van schadetoebrenging, te lopen. De vordering tot vergoeding van schade door onrechtmatig handelen kan niet opeisbaar zijn geworden vóór de onrechtmatige gedraging, zodat de wettelijke rente dus ook niet verschuldigd kan zijn vóór de datum van de verweten onrechtmatige daad, zo volgt uit rechtspraak van uw Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter dient na te gaan of de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten het gevorderde kunnen dragen. Een afwijzing van de vordering door aanvulling van rechtsgronden kan plaatsvinden op basis van door eiser zelf gestelde feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.108 Het voorgaande brengt mee dat subonderdeel 5.1 slaagt. Nu het hof:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in rov. 4.56 vaststelt dat Glencore schadevergoeding van UTB vordert over de periode vanaf 10 september 2012 tot aan de datum van verkoop van het aluminium;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in rov. 4.58 vaststelt dat de vordering van Glencore ziet op de schade die is ingetreden doordat UTB de executie van het pandrecht heeft verhinderd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in rov. 4.59 de onrechtmatige gedraging van UTB relateert aan het kortgedingvonnis van 11 september 2012;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in rov. 4.60 oordeelt dat UTB onrechtmatig jegens Glencore heeft gehandeld door de executie van het pandrecht (die gepland stond op 10 september 2012) te verhinderen; en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>overeenkomstig het uitgangspunt van Glencore in rov. 4.71-4.72 de datum van de door Glencore geplande executieveiling (10 september 2012) als peildatum neemt voor de (abstracte) schadebegroting, heeft het hof met het bestreden oordeel in rov. 4.88 miskend dat de verschuldigdheid van de wettelijke rente niet op een eerder moment kan ingaan dan het (gestelde) aanvangsmoment van de onrechtmatige gedraging van UTB en de daaruit (beweerdelijk) ontstane schade bij Glencore.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof had zelfstandig moeten onderzoeken of de door Glencore aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten haar vordering tot toekenning van wettelijke rente vanaf 19 december 2011 konden dragen. Gelet op de hiervoor aangehaalde overwegingen had het hof bij gebreke van een toereikende onderbouwing Glencore’s vordering tot toekenning van wettelijke rente vanaf 19 december 2011 moeten afwijzen en had het – op basis van hetgeen Glencore wél gesteld heeft – de wettelijke rente niet eerder kunnen doen ingaan dan per 10 september 2012. Niet relevant is of UTB (tijdig) verweer heeft gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.109 Daarmee behoeft subonderdeel 5.2 geen bespreking meer. Ten overvloede merk ik op dat UTB mijns inziens niet te laat was met haar verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg zet UTB uiteen dat zij op 22 december 2011 aan de curatoren kenbaar heeft gemaakt dat zij geïnteresseerd was in een overname van activa en activiteiten van Zalco. Vanaf 11 januari 2012 (nadat UTB een bieding had uitgebracht op de activa van Zalco, welke bieding volgens de curatoren geen basis bood voor verder overleg) kwam UTB gedurende een aantal maanden buiten spel te staan omdat er door de curatoren exclusief werd onderhandeld met andere partijen. Eerst medio/eind april 2012 kwam UTB weer in beeld bij de curatoren, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de overeenkomst van 11 juni 2012. In appel herhaalt UTB dit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In appel voert UTB tevens aan dat zij aansluit bij al hetgeen NB en ZSP in reactie op grief III van Glencore naar voren zullen brengen en dat zij die argumenten tot de hare maakt. NB en ZSP voeren in reactie op grief III van Glencore (onder meer) het volgende aan: “12.18 Glencore stelt in de randnummers 295 tot en met 309 dat NB en ZSP reeds sinds 19 december 2011 rente is verschuldigd omdat per die datum de executie is aangezegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.19 Glencore heeft tot 10 september 2012 geen executiemaatregelen getroffen. Eerst op 10 september 2012 hebben NB en ZSP Glencore mogelijk verhinderd in de executie van haar vermeende pandrechten. Pas per die datum kan dan ook enige rente verschuldigd zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voert UTB in appel aan dat de hoeveelheid gestold aluminium een cruciale rol speelt bij de vraag “wat de omvang van de schade is die Glencore pretendeert ten gevolge van het feit dat zij op 10 september 2012 niet heeft kunnen veilen”. Tijdens het pleidooi van 16 april 2018 merkt UTB vervolgens op: “UTB is pas een paar maanden na faillissement ten tonele verschenen, dus de gemaakte verwijten over de eerdere periode, met rente vanaf december 2011, gaan UTB Holding niet aan c.q. UTB Holding betwist haar aansprakelijkheid en gehoudenheid tot schadevergoeding.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de door UTB voorafgaand aan het pleidooi ingenomen stellingen is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.88 heeft geoordeeld dat UTB pas bij pleidooi voor het eerst verweer heeft gevoerd tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente en heeft het hof dit verweer ten onrechte om die reden als tardief buiten beschouwing gelaten. Subonderdeel 5.2 slaagt eveneens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaardelijk onderdeel 6: art. 5 lid 2 RO (rov. 2.2-2.3) 2.110 Onderdeel 6 is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van de andere partijen in het geding bij het hof die daar mogelijk belang bij hebben (NB, ZSP en/of curatoren) in hun cassatieprocedure(s) een onvoorwaardelijke klacht richt(en) tegen rov. 2.2-2.3 van het bestreden arrest met de strekking dat het eindvonnis nietig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.111 Nu geen van de genoemde partijen (NB, ZSP en/of curatoren) in de samenhangende zaken (19/00263 resp. 19/00271) een onvoorwaardelijke klacht heeft gericht tegen rov. 2.2-2.3 van het bestreden arrest met de strekking dat het eindvonnis nietig is, is de voorwaarde waaronder onderdeel 6 is ingesteld niet in werking getreden en wordt aan een bespreking van de klachten niet toegekomen. UTB bevestigt in haar schriftelijke toelichting dat deze klachten vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 7: voortbouwende oordelen 2.112 Onderdeel 7 behelst twee voortbouwklachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.113 Subonderdeel 7.1 betoogt dat als een of meer van de voorgaande klachten doel treft/treffen, ook de voortbouwende overwegingen en oordelen van het hof in rov. 5 (o.a. rov. 5.1, 5.6, 5.12-5.14) en het dictum (rov. 6) die op UTB betrekking hebben, geen stand kunnen houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voortbouwklacht slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.114 Met subonderdeel 7.2 klaagt UTB dat voor zover het hof in het dictum in rov. 6, derde, vierde en zesde alinea, heeft bedoeld dat Glencore recht heeft op uitbetaling van zowel het volledige escrowbedrag (van USD 6.034.096,18, rov. 4.13) als de (hoofdelijke) schadevergoeding van UTB (van USD 6.068.963,88), dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is, omdat de schade van Glencore hoe dan ook niet méér omvat dan het bedrag waarop de hoofdelijke veroordeling ziet (rov. 4.85).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.115 Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in het dictum in rov. 6 kennelijk niet bedoeld dat Glencore recht heeft op uitbetaling van zowel het volledige escrowbedrag als de hoofdelijke schadevergoeding van UTB. Dat volgt uit de volgende overwegingen in het lichaam van het bestreden arrest, in het licht waarvan het dictum moet worden begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 4.71 stelt het hof vast dat Glencore haar schade baseert op hetgeen de geplande executieveiling in september 2012 zou hebben opgebracht, en dat zij begroot op een bedrag van USD 7.825.499,40. Daarbij stelt het hof tevens vast dat volgens Glencore de te verkrijgen schadevergoeding uit onrechtmatige daad kan worden verminderd met het bedrag dat zij uitgekeerd krijgt van de escrowrekening (welk standpunt wordt aangetroffen in de gedingstukken). Nadat het hof de (van de fictieve veilingopbrengst afgeleide, rov. 4.84) aan UTB toerekenbare schade heeft vastgesteld op USD 6.068.963,88 (rov. 4.85) en heeft gerecapituleerd dat Glencore recht heeft op het volledige escrowbedrag (rov. 5.13 jo. 4.52), benadrukt het hof, alvorens het dictum te formuleren, met zoveel woorden (rov. 5.20, met mijn onderstreping): “dat in de uitspraak in hoger beroep ligt besloten dat Glencore de schadevergoeding die zij van één of meer geïntimeerden verkrijgt dient te verminderen met hetgeen zij van de escrowrekening heeft ontvangen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze overwegingen ligt besloten dat het hof ervan uitgaat dat Glencore jegens geïntimeerden, waaronder UTB, alleen recht heeft op betaling van het verschil tussen de toegewezen schadevergoeding en het op instructie van o.m. UTB vrij te geven escrowbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.116 Uit het voorgaande volgt dat de onderdelen 1 en 5 alsmede de subonderdelen 3.1, 3.4, 4.1, 4.2, 4.3, 4.5, 4.6 en 7.1 van het principale cassatieberoep slagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep 3.1 Het incidentele cassatieberoep – dat net als onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel ziet op het oordeel van het hof over natrekking – is ingesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel van UTB gegrond wordt bevonden. Nu deze voorwaarde naar mijn mening is vervuld, dient het incidentele beroep te worden behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Onderdeel 1 richt zich tegen rov. 4.15 tot en met 4.23, waarin het hof beoordeelt of het aluminium een zelfstandige roerende zaak is gebleven en dus niet op basis van art. 3:4 BW een bestanddeel is gaan vormen van de ovens. Glencore kan zich vinden in de uitkomst van die beoordeling – dat van bestanddeelvorming geen sprake is – maar kan zich niet verenigen met een aantal specifieke schakels van de daartoe gebezigde redenering. Glencore richt door middel van vier subonderdelen klachten tegen deze schakels.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Subonderdeel 1.1 ziet op de overweging van het hof (in rov. 4.19) dat “anders dan Glencore verdedigt, (…) lid 2 van artikel 3:4 BW ook toegepast (kan) worden als een zaak naar verkeersopvattingen niet als bestanddeel van een andere zaak kan worden beschouwd.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat het hof er met dit oordeel van is uitgegaan dat Glencore (alleen) in algemene zin heeft betoogd dat (het criterium van) art. 3:4 lid 2 BW niet toegepast kan worden als een zaak naar verkeersopvatting niet als bestanddeel van een andere zaak kan worden beschouwd, en niet (tevens) dat onder bepaalde (bijzondere) omstandigheden bij de beoordeling van het natrekkingsvraagstuk de verkeersopvatting leidend is en dat dergelijke (bijzondere) omstandigheden zich in het onderhavige geval voordoen. Het klaagt dat zulks onbegrijpelijk is, omdat Glencore dit laatste standpunt namelijk wel degelijk (ook) heeft ingenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het hof dit standpunt van Glencore heeft verworpen, getuigt dit volgens Glencore van een onjuiste rechtsopvatting, althans is die verwerping ontoereikend gemotiveerd. Het hof zou in dat geval hebben miskend dat bij de beoordeling of zich bestanddeelvorming heeft voorgedaan in de bijzondere omstandigheden van een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een gemis aan verband tussen de beide zaken, de verkeersopvatting (mede gelet op de ratio van art. 3:4 BW) leidend is en – na de constatering dat van bestanddeelvorming op grond van art. 3:4 lid 1 BW geen sprake is – aan toepassing van art. 3:4 lid 2 BW niet wordt toegekomen, zodat met genoemde constatering reeds gegeven is dat geen bestanddeelvorming (en dus ook geen natrekking) heeft plaatsgevonden. Indien het hof dit niet heeft miskend, is de verwerping van het standpunt van Glencore onbegrijpelijk, nu Glencore heeft gesteld dat er in casu een gebrek aan verband bestaat tussen enerzijds het aluminium en anderzijds de ovens/het fabrieksgebouw en dat om die reden voor bestanddeelvorming op de voet van art. 3:4 lid 2 BW geen plaats is, op welke essentiële stelling het hof niet (voldoende kenbaar) heeft gerespondeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 In het oordeel van het hof ligt de verwerping besloten van Glencores stelling dat onder bepaalde (bijzondere) omstandigheden bij de beoordeling van het natrekkingsvraagstuk de verkeersopvatting leidend is en dat dergelijke (bijzondere) omstandigheden zich in het onderhavige geval voordoen. Voor zover subonderdeel 1.1 uitgaat van een andere lezing van het oordeel van het hof, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 De verwerping van voornoemde stelling getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Glencore baseert de door haar geformuleerde (uitzonderings)regel op een passage in de toelichting bij art. 3:4 lid 2 BW betreffende een “gemis aan verband” dat aan bestanddeelvorming in de weg staat. Ik citeer deze toelichting nogmaals (met mijn onderstreping): “Het tweede lid bepaalt, dat bijzaken in ieder geval als bestanddeel zijn aan te merken. Bijzaken zijn zaken, die – onverschillig door wie of door welke oorzaak – met een hoofdzaak zodanig zijn verbonden, dat zij niet kunnen worden afgescheiden zonder beschadiging of verbreking van de hoofdzaak. Wat aard- en nagelvast is, is dus bestanddeel, maar niet ieder bestanddeel is aard- of nagelvast. Naast de “beschadiging van de hoofdzaak”[voetnoot 4] is “verbreking” afzonderlijk genoemd, om te doen uitkomen, dat ook al zou na de verbreking, de hoofdzaak weer geheel in onbeschadigde toestand worden hersteld, toch de bepaling van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gevolg van dit tweede lid is, dat vruchten tot het ogenblik dat zij worden geplukt of afvallen, een bestanddeel van de plant uitmaken, eveneens in de grond geplaatste bollen die daar wortel hebben geschoten (H.R. 10 December 1937, N.J. 1938 no. 335), niet echter een verborgen schat of ingekuilde aardappelen (gemis aan verband), ook niet mosselschelpen die zich op palen hebben vastgehecht (H.R. 6 October 1902, W. 7811, mogelijkheid deze af te steken zonder beschadiging van de palen).” voetnoot 4: “Aard- en nagelvast moet men hier dus opvatten in de zin van datgene, wat zo vast is, dat het niet zonder beschadiging of verbreking van de hoofdzaak is los te maken; een ingeschroefd voorwerp kan zeer vast zitten, zonder in de hier bedoelde zin aard- of nagelvast te zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De zinsnede “gemis aan verband” moet naar mijn mening in deze context worden gelezen als een gemis aan fysieke verbondenheid zoals die voor de toepassing van art. 3:4 lid 2 BW vereist is. Dit blijkt heel duidelijk uit de tegenstelling die in het citaat wordt gemaakt tussen enerzijds wortel geschoten hebbende bollen (die wel fysiek met de grond zijn verbonden) en anderzijds ingekuilde aardappelen (niet fysiek verbonden). Ik wijs ook op vindplaatsen in de toelichting waar duidelijk wordt gemaakt dat aardappels en andere knol- of bolgewassen die ter bewaring zijn ingekuild geacht worden niet met de grond te zijn ‘verenigd’; eerst nadat zij wortel hebben geschoten zijn zij wel met de grond verenigd en vindt onder meer bestanddeelvorming plaats. Het “gemis aan verband” doelt dus (slechts) op een gebrek aan fysieke verbondenheid, en niet op een gemis aan verband volgens verkeersopvatting (ideëel verband).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de hier geciteerde passage kan de in het middel voorgestane regel – die neerkomt op een uitzondering op de regel dat de in art. 3:4 leden 1 en 2 BW vervatte criteria volstrekt nevengeschikt zijn – dus niet worden afgeleid. Ik meen dat zij ook anderszins geen steun vindt in het recht. Verwezen zij naar de bespreking van het juridisch kader (met name onder 2.9 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kielzog van de rechtsklacht faalt ook de subsidiaire motiveringsklacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6 Subonderdeel 1.2 wijst erop dat het hof in rov. 4.19 (en rov. 4.16 en 4.22) tot uitgangspunt lijkt te nemen dat het aluminium (hecht) verbonden is geraakt met de ovens. Indien daarin een verwerping besloten ligt van het standpunt van Glencore dat in het onderhavige geval (op het toetsingsmoment, zijnde het moment van stolling) de betrokken zaken niet fysiek verbonden zijn zoals bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW (althans niet in voldoende mate), heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel dienaangaande ontoereikend gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Glencore voert daartoe aan dat zij heeft gesteld dat tussen de ovens en het aluminium geen materiële verbinding bestaat die voor toepassing van art. 3:4 lid 2 BW is vereist, aangezien het aluminium niet alleen in vloeibare toestand, maar ook in gestolde toestand los in de ovens ligt, dat het dus niet aan de ovens is gehecht, daardoor is geabsorbeerd of daarin “vastzit” en dat het feit dat het aluminium is gestold enkel meebrengt dat het in die toestand niet kan worden afgetapt, hetgeen naar haar aard een tijdelijke situatie is (die overigens ongedaan kon worden gemaakt, althans in ieder geval op het toetsingsmoment). Dit betekent, aldus Glencore, dat in het onderhavige geval geen sprake behoeft te zijn van “afscheiding” of “verbreking” van het aluminium van resp. uit de ovens, doch (slechts) van het “verwijderen” of “optillen” van het aluminium uit de ovens, zoals Glencore heeft gesteld. Glencore klaagt dat het hof in het geheel niet (althans zonder toereikende motivering) op deze stellingen heeft gerespondeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat genoemde omstandigheden onvoldoende zijn voor de conclusie dat de betrokken zaken niet met elkaar “verbonden” zijn in de zin van art. 3:4 lid 2 BW (althans niet in voldoende mate), getuigt dat oordeel volgens Glencore van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip “verbonden”.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7 Deze klacht faalt. Het oordeel van het hof dat het vloeibare aluminium in de ovens is gestold en daarin vast is komen te zitten (rov. 4.16 en 4.19), dat het aluminium hecht verbonden is geraakt met de ovens (rov. 4.19) en dat de ovens en het aluminium (onbedoeld en ongelukkigerwijs) aan elkaar zijn verbonden (rov. 4.22), getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Glencore heeft in feitelijke instanties inderdaad betoogd dat (kort gezegd) tussen de ovens en het aluminium geen materiële verbinding bestaat zoals die voor de toepassing van art. 3:4 lid 2 BW is vereist, nu het aluminium los in de ovens zou liggen en eruit getild zou kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB c.s. hebben hier echter (herhaaldelijk) tegen ingebracht dat afscheiding van het aluminium uit de oven enkel kon worden bewerkstelligd door het aluminium los te bikken. Zij hebben aangevoerd dat de voorbereidende werkzaamheden voor het verwijderen van het aluminium uit de oven (in het kader van een wegneemproef tijdens de descente op 21 februari 2014) “gepaard gingen met uitgebreid hak- of breekwerk”. Glencore is volgens NB c.s. anderhalve dag bezig geweest om de aluminiumplakken rondom met een pneumatische hamer los te bikken van de ovenwanden. Daarbij werd niet alleen het zogenaamde ‘badmateriaal’ weggebikt, maar ook de kathode-zijwanden van de oven moesten eraan geloven. Reeds door bij alle vier de ovens de kathode zijwanden volledig weg te bikken, is “beschadiging van betekenis” aangebracht aan één der zaken, te weten de smeltovens, aldus NB c.s. De afscheiding van het aluminium van de ovens ging volgens NB c.s. dan ook gepaard met uitgebreid hak- en breekwerk en leidde tot grote beschadigingen aan (onderdelen van) de ovens. Ook UTB heeft uitgebreid uiteengezet dat de wegneemproef tijdens de descente heeft laten zien dat het aluminium “muurvast in de ovens zat”, evenals een eerder door haar, UTB, uitgevoerd onderzoek dat had aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze stellingen van UTB en van NB c.s. – die door UTB tot de hare zijn gemaakt – zijn door Glencore niet weersproken, waardoor het hof in rov. 4.20 dan ook (niet onbegrijpelijk) heeft kunnen concluderen dat niet in geschil is dat het aluminium, nadat het proces van stolling geheel was voltooid, “alleen met hak- en breekwerk” uit de ovens kon worden verwijderd. Het daarin besloten liggende oordeel dat de betrokken zaken – anders dan Glencore betoogt – wel fysiek verbonden zijn zoals bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip ‘verbonden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8 Met subonderdeel 1.3 richt Glencore haar pijlen op rov. 4.20, waarin het hof tot uitgangspunt neemt dat het toetsingsmoment voor het bepalen of het aluminium al of niet is nagetrokken, het moment is waarop het aluminium is gestold in de ovens en vervolgens oordeelt: (a) Op detailniveau verschillen de stellingen van deze partijen van elkaar. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of en wanneer het nog mogelijk was het elektrolyseproces op enig moment na het stilleggen daarvan weer op te starten door een zogenaamde crash-restart van de ovens uit te voeren. (b) Voor de te geven beslissingen acht het hof deze nuances niet relevant. (c) Partijen gaan er overigens van uit dat een crash-restart in wezen niet meer mogelijk was vanwege de daaraan verbonden hoge kosten, de aanmerkelijke kans dat de ovens daardoor beschadigd zouden raken en het ontbreken van de daarvoor vereiste vergunningen. (d) Niet in geschil is dat het aluminium nadat het proces van stolling geheel was voltooid alleen met hak- en breekwerk uit de ovens kon worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel richt klachten tegen elk van deze overwegingen afzonderlijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.9 Het oordeel achter (a) is volgens Glencore onbegrijpelijk, nu UTB niet heeft betwist dat een dergelijke crash-restart mogelijk was. Meer concreet heeft zij niet betwist (de stellingen van Glencore) dat (i) het technisch mogelijk was om nadat het aluminium was gestold in de ovens het elektrolyseproces op enig moment na het stilleggen daarvan weer op te starten, (ii) de methode van crash-start in de praktijk in de industrie ook wordt toegepast en (iii) een crash-start in concreto door betrokkenen ten tijde van de stolling van het aluminium ook werd gezien als een reële mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze klacht faalt reeds nu zij is gericht tegen een niet-dragende overweging. Het hof heeft immers – in cassatie niet bestreden – overwogen de stellingen van partijen omtrent de (on)mogelijkheid van een crash-start niet relevant te achten voor de te geven beslissingen (zie onder (b)).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.10 De oordelen onder (c) en (d) zijn volgens Glencore (eveneens) onbegrijpelijk, aangezien Glencore nu juist heeft gesteld dat op het toetsingsmoment wel degelijk een crash-start mogelijk was, dat het aluminium op die manier zonder beschadiging (van betekenis) uit de ovens kon worden verwijderd, dat daar minimale kosten mee gepaard zouden gaan en dat een crash-start kon worden uitgevoerd onder de vigerende vergunningen. Glencore gaat dus níet uit van het achter (c) gestelde; en het achter (d) gestelde is dus wél in geschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht gericht tegen het oordeel onder (c) faalt bij gebrek aan belang, nu dit oordeel een overweging ten overvloede betreft (het hof oordeelt immers dat partijen er overigens van uitgaan dat een crash-restart in wezen niet meer mogelijk was), die bovendien betrekking heeft op een niet-dragende factor (zie hiervoor onder 3.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht gericht tegen oordeel (d) faalt op grond van hetgeen bij de beoordeling van subonderdeel 1.2 is uiteengezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.11 Glencore klaagt verder dat het oordeel van het hof onder (a)-(d) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, indien het hof daarmee zou hebben geoordeeld dat de mogelijkheid van een crash-start niet relevant is voor beantwoording van de vraag of sprake is van bestanddeelvorming wegens de daaraan verbonden kosten en/of het ontbreken van de vereiste vergunningen. Volgens Glencore miskent het hof in dat geval dat de vraag of sprake is van bestanddeelvorming, naar Glencore heeft gesteld, moet worden beoordeeld naar objectieve maatstaven, zodat van dergelijke concrete omstandigheden moet worden geabstraheerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu in het bestreden oordeel niet valt te lezen dat het hof zijn oordeel dat de mogelijkheid van een crash-start niet relevant is voor de te nemen beslissingen (onder (a) en (b)) heeft gebaseerd op de daaraan verbonden kosten en/of het ontbreken van de vereiste vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.12 De laatste klacht berust op de lezing dat in het achter (d) weergegeven oordeel besloten ligt dat volgens het hof niet in geschil is dat bij verwijdering van het aluminium na de stolling (anders dan door een crash-start) substantiële fysieke beschadigingen (aan de ovens en/of het aluminium) optreden. Geklaagd wordt dat dat oordeel (in zoverre) onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Glencore heeft naar eigen zeggen immers gesteld en uitvoerig onderbouwd dat bij verwijdering van het aluminium uit de ovens hooguit geringe fysieke beschadigingen zullen optreden. Indien in rov. 4.20 een verwerping van die stelling besloten zou liggen, is die verwerping volgens Glencore ontoereikend gemotiveerd nu het hof niet (voldoende kenbaar) ingaat op de door Glencore aangedragen essentiële argumentatie dienaangaande.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze klacht faalt mijns inziens bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zich in rov. 4.20 (slot) kennelijk beperkt tot de verbondenheid van het aluminium met de ovens. Het heeft, mede gelet op rov. 4.21-4.22, (de stellingen van partijen omtrent) de omvang van de fysieke schade die het gevolg zou zijn van een met ‘hak- en breekwerk’ te verrichten verwijdering kennelijk in het midden gelaten. De enkele verwijzing – in het kader van de economische benadering van het hof – naar “de fysieke beschadiging van de ovens” (rov. 4.22) maakt dit naar mijn mening niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het hof de stelling van Glencore zou hebben verworpen, zou dat niet onbegrijpelijk zijn in het licht van de stellingen van partijen. Ik verwijs naar hetgeen bij de beoordeling van subonderdeel 1.2 is uiteengezet. Met name in het daar bedoelde kader van de wegneemproef hebben NB c.s. en UTB gemotiveerd uiteengezet dat daadwerkelijk substantiële fysieke schade aan de ovens is ontstaan door het verwijderen van het aluminium, welk betoog door Glencore naar het kennelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het hof niet toereikend is bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.13 Subonderdeel 1.4 keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.22) dat “alleen na de afscheiding [van het aluminium, toev. A-G] de ovens een functie (kunnen) vervullen en daarmee waarde hebben in het economische verkeer”. Indien in dit oordeel besloten ligt dat volgens het hof de ovens op het moment van stolling nog enige andere waarde hadden dan schrootwaarde mits het aluminium zou worden afgescheiden, is dat volgens Glencore (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk. Het hof zou in dat geval niet (voldoende kenbaar) hebben gerespondeerd op de essentiële stelling van Glencore dat de ovens op het moment van de stolling nog slechts schrootwaarde hadden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.14 De klacht vervat in subonderdeel 1.4 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de in het middel aangegeven vindplaatsen heeft Glencore aangevoerd dat de ovens slechts schrootwaarde hebben. Zij heeft betoogd dat de stelling van NB c.s. dat de ovens in waarde zouden zijn verminderd ten gevolge van de stolling van het aluminium onvoldoende is onderbouwd en ook onjuist is. Op zichzelf hadden de ovens volgens Glencore uitsluitend sloopwaarde. Gesteld noch gebleken is dat deze sloopwaarde is verminderd ten gevolge van de stolling. Ook heeft Glencore aangevoerd dat NB c.s. geen bewijs hebben overgelegd van de waarde van de ovens en het fabrieksgebouw ten tijde van de stolling. Weliswaar suggereren NB c.s. dat het de subjectieve bedoeling van betrokkenen was om de fabriek van Zalco te verkopen, maar er is geen bewijs aangevoerd dat gezien de technische staat van de fabriek dit zou moeten leiden tot een hogere waarde van de ovens dan schrootwaarde. Uiteindelijk heeft UTB alle ovens laten slopen, hetgeen volgens Glencore ook een aanwijzing is dat de ovens geen andere waarde dan schrootwaarde hadden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof oordeelt in rov. 4.22 ten aanzien van de waarde van de ovens (samengevat) dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de ovens door het daarin vastzittende aluminium onbruikbaar zijn geworden en naar objectieve maatstaven beoordeeld op het moment dat het aluminium daarin was gestold geen waarde meer hadden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>NB c.s. menen dat de ovens na stolling van het aluminium nog wel waarde hadden, omdat het de bedoeling was de elektrolysefabriek going concern te verkopen, waarna de koper het aluminium in alle rust kon verwijderen en de ovens kon repareren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>uit deze stellingen volgt dat de ovens geen gebruikswaarde meer hadden zo lang het aluminium daarin vast bleef zitten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de waarde van de ovens op het moment van stolling van het aluminium gelegen was in de mogelijkheid dat het aluminium nog eruit kon worden gehaald en de ovens vervolgens gerepareerd konden worden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de afscheiding van het aluminium daarom niet tot een waardevermindering van de ovens leidt; “alleen na de afscheiding kunnen de ovens een functie vervullen en daarmee waarde hebben in het economisch verkeer”;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>NB c.s. tegen deze achtergrond niet voldoende gemotiveerd hebben gesteld dat de ovens, nadat het aluminium daaruit gecontroleerd zou zijn verwijderd, in objectieve zin een lagere waarde zouden hebben dan op het moment waarop het aluminium daarin vast was komen te zitten, ook als de fysieke beschadiging van de ovens door de afscheiding in aanmerking wordt genomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof komt met dit (goed te volgen) oordeel tot de slotsom dat de afscheiding van het aluminium niet tot een waardevermindering van de ovens leidt (wat uiteindelijk bijdraagt aan de slotsom dat geen sprake is van een beschadiging van betekenis als bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW). De stellingen van Glencore over de schrootwaarde van de ovens op het moment van stolling zijn aangevoerd in het kader van het debat omtrent de vraag of het aluminium uit de ovens kon worden verwijderd zonder daaraan schade toe te brengen (hetgeen volgens Glencore van belang is bij de vraag of sprake is van een ‘beschadiging van betekenis’). Dit debat heeft het hof in het hierboven weergegeven (begrijpelijke) oordeel beslecht, waarbij het hof niet expliciet is ingegaan op de vraag of de ovens slechts schrootwaarde hadden op het moment van stolling. In zoverre zou kunnen worden gezegd dat de klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft (meer in abstracto) bezien of sprake is van een waardevermindering van de ovens, waarmee het in voldoende mate en op begrijpelijke wijze op de stellingen van Glencore heeft gerespondeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.15 De slotsom is dat het voorwaardelijke incidentele beroep faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Conclusie in het principale en het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep De conclusie strekt:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in het principale cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep tot verwerping.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie eerder: HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2051, NJ 2014/151 (Glencore/Van Leeuwen), HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2076, NJ 2014/152 (NB/Van Leeuwen) en HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, NJ 2016/263 (Zalco).</p>\n<p class=\"lf-p\">North Sea Port Netherlands N.V. was voorheen genaamd N.V. Zeeland Seaports en wordt omwille van de leesbaarheid, net als in het bestreden arrest en in de processtukken, (nog steeds) als ZSP aangeduid.</p>\n<p class=\"lf-p\">AmTrust International Underwriters DAC is de verkrijgende rechtsopvolger door fusie van de verdwijnende naamloze vennootschap N.V. Nationale Borg-Maatschappij en wordt omwille van de leesbaarheid, net als in het bestreden arrest en in de processtukken, (nog steeds) als NB aangeduid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 3.1-3.29 en rov. 4.7-4.13 van het in cassatie bestreden arrest van het hof Amsterdam van 16 oktober 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB heeft in november 2011 afstand gedaan van dit pandrecht. Zie s.t. Glencore nr. 2.4. Zie ook inl. dagv. nr. 20; CvA zijdens NB en ZSP, nr. 2.16 en 4.115; CvA zijdens curatoren, nr. 31 en de daarbij als prod. 1 overgelegde brief van NB aan Zalco d.d. 18 november 2011; MvA/MvG inc. zijdens NB c.s., nr. 2.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 2 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 4 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 10 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 10 bij CvA zijdens NB en ZSP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 11 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 29 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Breda 10 september 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:5250. Zie ook prod. 30 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 21 bij akte houdende overlegging producties d.d. 19 december 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 5 november 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5203, JOR 2014/26, m.nt. E.M. Loesberg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 58 bij akte houdende overlegging additionele producties Glencore d.d. 20 december 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens s.t. Glencore, nr. 2.9, voetnoot 26, zou deze zaak op 10 september 2019 op verzoek van partijen worden doorgehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2051, NJ 2014/151, m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2014/86, m.nt. A.J. Verdaas (Glencore/Van Leeuwen). Op het voorblad van de uitspraak wordt deze aangeduid als ‘arrest’, maar in het lichaam (rov. 1.1 en 1.2) als ‘beschikking’.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, NJ 2016/263, m.nt. H.J. Snijders, AA 2015/0888, m.nt. R.M. Wibier, JOR 2015/252, m.nt. A. Steneker, NTHR 2017-2, p. 41, m.nt. W.H.B.K. Nieuwesteeg (Zalco).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens MvG nr. 73 is de zaak tot op dat moment (14 februari 2017) nog niet aangebracht bij het verwijzingshof Arnhem-Leeuwarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 14 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2888, JOR 2015/315, m.nt. J.M. Hummelen en M.S. Breeman.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 15 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4761, JOR 2015/316, m.nt. J.M. Hummelen en M.S. Breeman.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Glencore is Zalco B.V. een joint venture van UTB en [betrokkene 1] (directeur van het voormalige Zalco), waarin de gieterij wordt geëxploiteerd. Zie pleitaantekeningen zijdens Glencore d.d. 9 juni 2015, nr. 113 jo. nr. 4 (figuur 1) en MvG nr. 48, voetnoot 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 76 bij akte overlegging producties in principaal en incidenteel appel, tevens wijziging van eis in principaal appel d.d. 16 april 2018 (processtuk 86 in het B-dossier).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 3.1 van het vonnis van 15 juli 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de volgende processen-verbaal van de Rb. Amsterdam in de zaak met het zaak-/rolnr. C/13/532537 / HA ZA 12-1524: proces-verbaal van comparitie, gehouden op 23 januari 2014; proces-verbaal van descente en van comparitie, gehouden op 21 februari 2014; verkort proces-verbaal van de pleidooizitting, gehouden op 9 juni 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorafgaand aan het eindvonnis is een aantal incidentele vonnissen gewezen: (i) het vonnis in incident van 3 april 2013, (ii) het vonnis in incident van 17 juli 2013, (iii) het vonnis in incidenten van 16 juli 2014 en (iv) het vonnis in incident van 29 oktober 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 15 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4761, JOR 2015/316, m.nt. J.M. Hummelen en M.S. Breeman.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 4.1 van het bestreden arrest en rov. 4.4 van het vonnis van 15 juli 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 4.4 van het bestreden arrest en rov. 4.13 van het vonnis van 15 juli 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Glencore heeft ook een grief (IX) gericht tegen het incidentele vonnis van 3 april 2013. Deze is in cassatie niet van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie akte overlegging producties in principaal en incidenteel appel, tevens wijziging van eis in principaal appel d.d. 16 april 2018 (processtuk 86 in het B-dossier).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 1 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 4.15 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam, proces-verbaal van pleidooi, zaaknummer: 200.185.196/01.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 16 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3709, JOR 2018/319, m.nt. E. Loesberg, TvCu 2018, nr. 5/6, p. 95 e.v., m.nt. D.G.A. Cox.</p>\n<p class=\"lf-p\">UTB verwijst naar MvA/MvG inc. zijdens UTB, nr. 49-52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze en andere gevolgen van bestanddeelvorming: P.A. Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:4 BW, aant. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drion/Hijma en Olthof, Compendium van het Nederlands vermogensrecht 1991, nr. 18; H.A.G. Fikkers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, 1999, nr. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze terminologie ook S. de Groot, GS Zakelijke rechten, art. 5:3 BW, aant. 1 en 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het ontwerp van 1823 werd nog gesproken van bevestiging met “pleister, cement of kalk”. Zie J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen der Nederlandsche Wetboeken, deel III, 1838, p. 315-322.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 563 lid 2 (oud) BW maakt formeel deel uit van een bepaling over zaken die onroerend worden door bestemming (hulpzaken). Algemeen wordt echter aangenomen dat het tweede lid van art. 563 (oud) BW bij art. 562 (oud) BW hoort en over (aard- en nagelvast verbonden) bestanddelen gaat. Zie Suijling V Zakenrecht 1940, nr. 59; Drion/Hijma en Olthof, Compendium van het Nederlands vermogensrecht 1991, nr. 26; H.A.G. Fikkers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, 1999, nr. 11. Zie ook HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0489, NJ 1992/318 (Gouderak/’t Delftsche Huys), rov. 3.3, alsmede de conclusie van A-G Hartkamp voor dat arrest, nr. 10, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser-Beekhuis I, 1985, nr. 80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pitlo/Brahn, Zakenrecht 1980, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 maart 1936, ECLI:NL:HR:1936:158, NJ 1936/757 m.nt. P. Scholten (Sleepboot Egbertha).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 december 1953, ECLI:NL:HR:1953:185, NJ 1954/115 m.nt. J. Drion (Stafmateriaal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Pitlo/Brahn, Zakenrecht 1980, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Drion, NJ-noot onder het Stafmateriaal-arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het woord ‘wezenlijk’ is later geschrapt. Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 74.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus T.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72. Zie ook M.O., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 77, waar de regeringscommissaris vooropstelt dat het gaat om de vastlegging en voortzetting van een in de praktijk beproefde en bevredigend werkende jurisprudentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 was in het Ontwerp Meijers als volgt geformuleerd: “Bestanddeel van een zaak is al wat daarvan volgens verkeersopvatting een wezenlijk onderdeel uitmaakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie had zich afgevraagd of het tweede lid niet te zeer een dwingend karakter draagt, nu hier voor de verkeersopvatting geen ruimte meer is gelaten, waardoor de bepaling onder omstandigheden tot een rem voor de ontwikkeling van de rechtspraak zou kunnen worden. Zie V.V. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 73.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 74 resp. 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snijders, Goederenrecht (SBR 2) 2017/36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. J.E. Fesevur, Goederenrechtelijke colleges, 2005, p. 41; Heyman &amp; Bartels, Vastgoedtransacties/Koop 2012/19; Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/67; E.F. Verheul, Eigendomsvoorbehoud, bestanddeelvorming en natrekking, WPNR 2015/7053, p. 237; Snijders, Goederenrecht (SBR 2), 2017/36; P.A. Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:4 BW, aant. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom (diss. Leiden) 1997, p. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom (diss. Leiden) 1997, p. 29; J. Beuving, Bestanddeel en hulpzaak: de stand van zaken, in: Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 5 jaar nieuw burgerlijk recht 1997, p. 67; H.A.G. Fikkers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, 1999, p. 31; Heyman &amp; Bartels, Vastgoedtransacties/Koop 2012/19 en 21 (slot); E.F. Verheul, Eigendomsvoorbehoud, bestanddeelvorming en natrekking, WPNR 2015/7053, p. 237; Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/12. Zie anders: Huijgen, T&amp;C Boek 3 BW, art. 3:4, aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.C.M. Wolfert, Bestanddeel of zaak? Over het onderscheid en de samenhang tussen de artikelen 3:4 en 5:20 BW (II, slot), WPNR 2003/6525, p. 283-284 en 285 (onder 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J. van der Plank, De verkeersopvatting als leidend criterium voor bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 BW, WPNR 2015/7086, p. 1036-1037. Zie ook P.J. Van der Plank, Natrekking door onroerende zaken (diss. Nijmegen) 2016, par. 3.5 en 3.6 (m.n. p. 126-127).</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Drion, NJ-noot onder het Stafmateriaal-arrest, noemt het huis in een huizenblok als uitzondering op de regel dat een niet zonder beschadiging af te scheiden voorwerp bestanddeel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Hoofs, Doorbreking van de natrekking in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Maastricht) 2013, p. 77.</p>\n<p class=\"lf-p\">V.V. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 74.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming (diss. Groningen) 2002, p. 77-78; Heyman &amp; Bartels, Vastgoedtransacties/Koop 2012/19.</p>\n<p class=\"lf-p\">O.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. (bij het vervallen art. 3.1.1.4), Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 85.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72. Zie voor “aard- of nagelvastheid” als criterium voor bestanddeelvorming ook T.M. (bij het vervallen art. 3.1.1.4), Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 83.</p>\n<p class=\"lf-p\">V.V. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 73.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. bij het inmiddels vervallen lid 2 van art. 5.2.10 O.M. (thans art. 5:14 BW), Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 105.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 76 resp. p. 77.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. (bij art. 3:3 BW), Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 66-67.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.A. II (bij art. 3:3 BW), Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.A. II (bij art. 3:3 BW), Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. S.C.J.J. Kortmann, Het object van leasing, in: Van Hees, Hermans &amp; Kortmann, Vermogensrechtelijke aspecten van leasing 1997, p. 19: “Het verbindingscriterium van art 3:4 lid 2 BW lijkt te verwijzen naar fysieke schade van betekenis”, met verwijzing naar het Depex-arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snijders, Goederenrecht (SBR 2) 2017/280.</p>\n<p class=\"lf-p\">S. de Groot, GS Zakelijke rechten, art. 5:3 BW, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn eerdere conclusie vóór HR 6 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474, NJ 2013/571, m.nt. H.J. Snijders, JOR 2013/65, m.nt. A. Steneker, TBR 2013/60, m.nt. H.W.C.M. Moesker, JIN 2013/11, m.nt. P.H. Bossema-de Greef, onder 2.15, waarbij ik verwijs naar: J.H. Beekhuis, Zaaksbestanddelen naar bestaand en wordend recht, in: Van Opstall-bundel 1972, p. 14-15; J. Hijma, Dépex/curatoren Bergel c.s., AA 1992/5, p. 286; J. Beuving, Bestanddeel en hulpzaak: de stand van zaken, in: Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 5 jaar nieuw burgerlijk recht 1997, p. 68; H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom (diss. Leiden) 1997, nrs. 45-46; H.W. Heyman, Wanneer is een gebouw of werk 'duurzaam met de grond verenigd'?, in: S.E. Bartels en J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht (2000), p. 102; J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming (diss. Groningen) 2002, p. 10-20; Asser-Mijnsen-De Haan-Van Dam (2006), nr. 60, en P.A. Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:4, aant. 3 (in fine). Zie ook Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/65, Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/69, en A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (2018), p. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie H.W. Heyman, De natrekkingscriteria naar huidig en toekomstig recht, WPNR 1974/5270, p. 474; H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, diss. 1997, p. 46, en P.J. van der Plank, Natrekking door onroerende zaken (diss. Nijmegen) 2016, p. 140.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J. Mes, H.D. Ploeger en B.A.M. Janssen, Eigendom van onroerende zaken, met name natrekking, in: Boek 5 van de toekomst, preadvies KNB 2016, p. 164. Zie ook Vonck, GS Zakelijke rechten, art. 5:20 BW, aant. 1.6.1 met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 3.1.1.3 lid 3 O.M. luidde: “De verkoper van een roerende zaak, die zich bij akte ondanks de levering de eigendom heeft voorbehouden totdat de koopprijs volledig is voldaan, kan, door de akte in de openbare registers te doen inschrijven, voorkomen dat de verkochte zaak vóór de betaling tot een bestanddeel van een bepaalde onroerende zaak wordt gemaakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.O., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 78.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. P.J. Van der Plank, Natrekking door onroerende zaken (diss. Nijmegen) 2016, p. 132.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0412, NJ 1993/316, m.nt. W.M. Kleijn (Dépex/Bergel), HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0774, NJ 1993/317, m.nt. W.M. Kleijn (Ontvanger/Rabo) – deze arresten zijn gewezen onder vigeur van het vóór 1 januari 1992 geldende recht, maar gelden evenzeer bij de toepassing van het huidige art. 3:4 lid 1 BW, aldus de Hoge Raad in HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2116, NJ 1997/397, m.nt. P. van Schilfgaarde (Straalcabine) – en HR 6 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474, NJ 2013/571, m.nt. H.J. Snijders, JOR 2013/65 m.nt. A. Steneker, TBR 2013/60, m.nt. H.W.C.M. Moesker, JIN 2013/11, m.nt. P.H. Bossema-de Greef (Prorail/Rijswijk Wonen).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 oktober 1902, W. 7811. Aangehaald in T.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0412, NJ 1993/316, m.nt. W.M. Kleijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0774, NJ 1993/317, m.nt. W.M. Kleijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0489, NJ 1992/318.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor onder 2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0960, NJ 1993/658 m.nt. W.M. Kleijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2116, NJ 1997/397, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 1996/107 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Straalcabine).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7361, NJ 2001/167.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. Huijgen, T&amp;C BW, art. 3:4, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/12.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Beuving, Bestanddeel en hulpzaak: de stand van zaken, in: Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 5 jaar nieuw burgerlijk recht 1997, p. 68-69.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.A.G. Fikkers, Recensie: H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, NTBR 1999/6, p. 176-177. Zie ook Fikkers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, 1999, nr. 49 (p. 44-45).</p>\n<p class=\"lf-p\">S.C.J.J. Kortmann, Het object van leasing, in: Van Hees, Hermans &amp; Kortmann, Vermogensrechtelijke aspecten van leasing 1997, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snijders, Goederenrecht (SBR 2) 2017/38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over economische of vermogensrechtelijke uitleg van het beschadigingscriterium in algemene zin ook: E. Loesberg, noot onder het bestreden arrest in JOR 2018/319, onder 4, en D.G.A. Cox, Glencore/curatoren Zalco c.s., Annotatie arrest gerechtshof Amsterdam 16 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3709, TvC 2018, nr. 5/6, p. 96.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.C.J.J. Kortmann, Het object van leasing, in: Van Hees, Hermans &amp; Kortmann, Vermogensrechtelijke aspecten van leasing 1997, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.A.G. Fikkers, Recensie: H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, NTBR 1999/6, p. 176-177.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom (diss. Leiden) 1997, p. 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar o.m. HR 18 mei 1951, ECLI:NL:HR:1951:97, NJ 1951/548 (Mony) en HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0489, NJ 1992/318 (Gouderak/ 't Delftsche Huys).</p>\n<p class=\"lf-p\">Heyman &amp; Bartels, Vastgoedtransacties/Koop 2012/20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/67; S.E. Bartels en K.W.C. Geurts, Zekerheidsrechten in de agrarische sector, Tijdschrift voor Agrarisch recht 2016, nr. 3, p. 136. Aldus ook Hummelen en Breeman, noot onder JOR 2015/316, onder 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming (diss. Groningen) 2002, p. 96-100.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin ook K. Hoofs, Doorbreking van natrekking in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Maastricht) 2013, p. 76-77; P.J. van der Plank, Natrekking door onroerende zaken (diss. Nijmegen) 2016, p. 107-108.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Wichers, a.w. p. 98, voetnoot 247, kan een waardevermindering die louter en alleen het gevolg is van de afscheiding nooit een beschadiging van betekenis vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wichers, a.w., p. 100, voetnoot 258.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. Hummelen en M.S. Breeman, noot onder Rb Amsterdam 15 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4761, JOR 2015/316, onder 4-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die zin ook P.J. van der Plank, Is Glencore blij gemaakt met een dode mus?, NTBR 2016/13, nr. 7.1, volgens wie dit zou blijken uit het arrest Prorail/Rijswijk Wonen. In die argumentatie kan ik haar niet volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snijders, Goederenrecht (SBR 2) 2017/280.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 20 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9997, NJ 2011/241 (boom groeit over erfgrens heen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 26 maart 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6010, NJ 1968/239.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.T. Inv., Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 1021. Zie ook art. 5.2.14 OM en RO, krachtens welke de wettelijke bepalingen omtrent natrekking niet aan een vordering uit onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking in de weg staan. Deze bepaling is als overbodig geschrapt. Zie M.v.T. II, Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 114.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M., Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 829-830. Zie ook HR 15 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0155, NJ 2004/126, m.nt. W.M. Kleijn (Daams/Staat), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 833.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hijma, T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:212 BW, aant. 2; Van Leuken, Van de Moosdijk en Tweehuysen, Hartkamps Compendium van het vermogensrecht 2017/518; S. de Groot, GS Zakelijke rechten, art. 5:3 BW, aant. 12 met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0845, NJ 1994/172, m.nt. P. van Schilfgaarde (Vermobo/Van Rijswijk); HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2620, NJ 2006/100 (LRS/Sint Willibrordus), rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1907, RvdW 2020/2, betreffende het recht op oprichting van een scheidsmuur ex art. 5:49 BW indien reeds een afscheiding bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, NJ 2018/141 m.nt. H.J. Snijders (Gem. Heusden), betreffende verkrijgende verjaring ex art. 3:105 jo. 306 BW door een bezitter te kwader trouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook s.t. UTB, nr. 7-11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar UTB’s akte uitlating gerechtelijke plaatsopneming, tevens houdende akte aanvulling conclusie van antwoord, nr. 66, 72-73, 81-82; CvD tevens CvA inc. tevens antw. akte verm. eis, nr. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar MvA/MvG inc. zijdens UTB, nr. 37 en voetnoot 3 daarbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Processtuk 34 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Processtuk 59 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, NJ 2016/263, m.nt. H.J. Snijders, AA 2015/0888, m.nt. R.M. Wibier, JOR 2015/252, m.nt. A. Steneker, NTHR 2017/2, p. 41, m.nt. W.H.B.K. Nieuwsteeg (Zalco).</p>\n<p class=\"lf-p\">Processtuk 83 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 4.58: “UTB Holding heeft het aluminium gekocht van ZSP (…). UTB Holding heeft niet bestreden dat als in dit geding wordt vastgesteld dat het aluminium niet door de ovens is nagetrokken ZSP niet bevoegd was om het aluminium aan haar over te dragen, zodat daarvan uitgaande UTB Holding geen rechten op het aluminium geldend kan maken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het partijdebat betreffende het door Glencore gestelde onrechtmatig handelen van UTB o.a.: inl. dagv., nr. 134-137 (processtuk 1 in het B-dossier); CvA tevens houdende voorwaardelijk verzoek ex art. 202 Rv, onder 51-61 (processtuk 14 in het B-dossier); CvR tevens houdende vermeerdering van eis, nr. 295-334 (processtuk 52 in het B-dossier), en CvD tevens houdende CvA inc. tevens antwoordakte verm. van eis, nr. 4-35 (processtuk 59 in het B-dossier).</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 4.9 was beslist dat Glencore na ommekomst van de door curatoren gestelde termijn ex art. 58 Fw (dus vanaf 11 september 2012) geen bevoegdheid meer toekwam om als pandhouder over het aluminium te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvG tevens akte vermeerdering van eis (processtuk 81 in het B-dossier), nr. 352-380.</p>\n<p class=\"lf-p\">Processtuk 83 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Processtuk 89 in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verwijs naar de hiervoor onder 2.71 en 2.73 aangehaalde vindplaatsen in de gedingstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaak-/rolnr. 84432 / KG ZA 12-129, overgelegd als prod. I bij MvA/MvG inc. zijdens UTB c.s. (processtuk 83 in het B-dossier).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 5 november 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5203, JOR 2014/26, m.nt. E.M. Loesberg.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, NJ 2016/263, m.nt. H.J. Snijders, AA 2015/0888, m.nt. R.M. Wibier, JOR 2015/252, m.nt. A. Steneker, NTHR 2017/1, p. 41, m.nt. W.H.B.K. Nieuwsteeg (Zalco).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar MvA/MvG inc. zijdens UTB, nr. 28 en 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar MvA/MvG inc., nr 28 en 31. Voorts naar CvA tevens voorw verzoek ex 202 Rv, nr. 54; CvD tevens CvA inc. tevens antw. akte verm. eis, nr. 11 en 19 (waaruit zou volgen dat door de stolling van het aluminium in de ovens afgifte van het aluminium niet mogelijk was).</p>\n<p class=\"lf-p\">UTB wijst in dit verband op rov. 4.8-4.9 en 4.84. Volgens UTB had Glencore al eerder, op 11 juni 2012, een veiling aangekondigd (die geen doorgang heeft gevonden, zie CvA tevens voorw verzoek ex 202 Rv, nr. 19) kennelijk zonder dat zij pandhoudersbeslag nodig achtte. UTB wijst hierbij ook op inl. dagv., nr. 77, waaruit zou blijken dat Glencore indertijd de veiling van 10 september 2012 heeft aangekondigd “ter behoud van haar executierecht”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar CvA tevens voorw verzoek ex 202 Rv zijdens UTB, nr. 23, 25, 48 en 56; inl. dagv., nr. 76, en MvA/MvG inc., nr. 15 (p. 10-11) en nr. 19 (waaruit zou volgen dat Glencore de goedkoopste aannemer zocht om het aluminium voor haar uit de ovens te laten verwijderen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar rov. 3.29, en MvA/MvG inc. zijdens UTB, nr. 7, 22, 24 en 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar CvA tevens voorw. verzoek ex 202 Rv zijdens UTB, nr. 5, 10 en 32; CvD tevens CvA inc. tevens antw. akte verm. eis, nr. 3 (op p. 7), 10 en 19, en MvA/MvG inc., nr. 28 en 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. MvA/MvG inc. (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 11, waar UTB erop wijst dat een belangrijk geschilpunt tussen partijen betrekking heeft op de vraag of het aluminium na de stolling als roerend of als onroerend moet worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. MvA/MvG inc. (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 28, waar UTB aanvoert dat op 10 september 2012 (de dag voor het vonnis in kort geding van 11 september 2012) de door de curatoren gestelde termijn ex art. 58 Fw verliep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5602, NJ 2008/225.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar MvA/MvG inc., nr. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar CvA tevens voorw verzoek ex 202 Rv, nr. 58; CvD tevens CvA inc. tevens antw. akte verm. eis, nr. 3 (p. 7-8), 6, 8, 19, 21 en 35, en MvA/MvG inc., nr. 24, 28 en 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar (i.h.b.) MvA/MvG inc., nr. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar CvA tevens voorw. verzoek ex 202 Rv, nr. 5, 10 en 32; CvD tevens CvA inc. tevens antw. akte verm. eis, nr. 3 (op p. 7), 10 en 19, en MvA/MvG inc., nr. 28 en 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze rov. luidt als volgt: “4.85 Het voorgaande betekent dat de schade die als een gevolg van de gedragingen aan curatoren en UTB Holding aan hen kan worden toegerekend dient te worden vastgesteld op USD 7.859.325,60, minus het met UTB Holding overeengekomen bedrag van USD 1.790.361,72, dat is USD 6.068.963,88.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding onder 4.6 vermeldt kennelijk abusievelijk 10 november 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar MvA/MvG inc., nr. 11, 18, 24-25 en 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar CvA tevens voorw. verzoek ex 202 Rv, nr. 13-16; CvD tevens CvA inc. tevens antw. akte verm. eis, nr. 3 (p. 4), en MvA/MvG inc., nr. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">UTB wijst in dit verband op HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV301, NJ 2012/293, rov. 3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh 6-II 2017/214.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rank, T&amp;C BW, art. 6:119 BW, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vos, GS Verbintenissenrecht, art. 6:119 BW, aant. 4 onder verwijzing naar M.v.A. II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 475. Zie ook Rank, T&amp;C BW, art. 6:119 BW, aant. 3 en Asser/Sieburgh 6-II 2017/214.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vos, GS Verbintenissenrecht, art. 6:119 BW, aant. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:107, RvdW 2018/188, rov. 4.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn conclusie vóór HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:107, RvdW 2018/188, onder 2.16, onder verwijzing naar Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/98-99 (met verwijzing naar onder meer HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3422, NJ 2017/56 m.nt. E.W.J. Groot, JBPr 2016/8 m.nt. F.J.P. Lock en HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3066, JBPr 2010/40 m.nt. A. Knigge).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 4.69 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het oordeel van het hof in rov. 4.87 met betrekking tot de vordering tot het toekennen van wettelijke rente vanaf 19 december 2011 jegens NB c.s.: “De vordering tot schadebegroting uit onrechtmatige daad heeft Glencore toegespitst op het verhinderen van de veiling op 12 september 2012 en de daaruit ontstane schade. Dit is ook de peildatum waarvan zij bij de schadebegroting is uitgegaan. Daarin ligt besloten dat Glencore voor deze datum nog geen schade heeft geleden, zodat NB c.s. niet eerder dan vanaf deze datum wettelijke rente verschuldigd kunnen zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie CvA tevens voorw. verzoek ex art. 202 Rv (processtuk 14 in het B-dossier), nr. 12-16 en CvD/CvA inc. tevens antwoordakte wijziging van eis (processtuk 59 in het B-dossier), nr. 3 (p. 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA/MvG inc. zijdens UTB (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grief III is gericht tegen de toewijzing van de wettelijke rente vanaf 10 september 2012 jegens NB c.s., zie MvG tevens akte vermeerdering van eis (processtuk 81 in het B-dossier), nr. 309.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA/MvG inc. zijdens UTB (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA/MvG inc. zijdens NB/ZSP (processtuk 82 in het B-dossier), nr. 12.18-12.19 (in par. 12 getiteld ‘Antwoord op grief III: Schade’).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA/MvG inc. zijdens UTB (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van pleidooi d.d. 16 april 2018 (processtuk 92 in het B-dossier), p. 3 (verklaring mr. Kemps).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie s.t. zijdens UTB, nr. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie akte overlegging producties in principaal en incidenteel appel, tevens wijziging van eis in principaal appel zijdens Glencore (processtuk 86 in het B-dossier), nr. 44: “Glencore meent dat de aan haar toe te kennen schadevergoeding gelijk dient te zijn aan dat bedrag [het gewijzigde schadebedrag van USD 7.825.499,40 zoals door Glencore uiteengezet in het voorafgaande randnummer 43, A-G]. Voor zover uw Gerechtshof oordeelt dat Glencore enige uitkering van het (…) Escrow Bedrag toekomt, kan dat bedrag daarvan worden afgetrokken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar MvA inc., nr. 115-125, 252; MvG, nr. 394-395; pleitnota zijdens Glencore d.d. 16 april 2018, nr. 9; inl. dagv., nr. 120; akte na descente zijdens Glencore, nr. 17; CvR, nr. 79-98, en pleitnota zijdens Glencore d.d. 9 juni 2015, hfdst. 5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Glencore wijst in dit verband op Parl. Gesch. Boek 3, p. 72 en MvA inc., nr. 116 en CvR, nr. 85-86.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar MvA inc., nr. 110-125, MvG, nr. 395, pleitnota zijdens Glencore d.d. 9 juni 2015, nr. 63-64, CvR, nr. 79-98 en inl. dagv., nr. 3.1.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. (bij art. 5:20 BW), Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 121, met verwijzing naar (thans) art. 3:4 BW. Zie ook de voorbeelden (en vindplaatsen) genoemd hiervoor onder 2.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie s.t. Glencore, nr. 5.6.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar rov. 4.20 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar MvA inc., nr. 126-132; CvR, nr. 109, en akte na descente zijdens Glencore, nr. 37 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. MvA/MvG inc. zijdens NB c.s. (processtuk 82 in het B-dossier), nr. 4.61 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">CvD tevens houdende antwoordakte wijziging van eis en CvA in incident houdende het verzoek tot een beslissing omtrent de vertaling van producties zijdens NB c.s. (processtuk 58 in het B-dossier), nr. 5.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het aluminium in een oven vormt zich een harde korst van aluinaarde of ‘crushed bath’ (badmateriaal). Om de plakken aluminium uit de ovens te verwijderen moest eerst het badmateriaal verwijderd worden met een hamer, moker en later een pneumatische hamer. Dit badmateriaal bevindt zich op de plak aluminium en tussen de aluminiumplak en de ovenwand (zie akte na descente zijdens Glencore, nr. 31, 37, 69 (processtuk 30 in het B-dossier)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnotities zijdens NB c.s. (processtuk 69 in het B-dossier), nr. 39a. Zie ook: Akte uitlatingen gerechtelijke plaatsopneming tevens houdende akte aanvulling conclusie van antwoord tevens houdende akte overlegging aanvullende producties zijdens NB c.s. (processtuk 36 in het B-dossier), nr. 19-21, 29(i)c en 29(iii)a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte uitlatingen gerechtelijke plaatsopneming tevens houdende akte aanvulling conclusie van antwoord tevens houdende akte overlegging aanvullende producties zijdens NB c.s. (processtuk 36 in het B-dossier), nr. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnotities zijdens NB c.s. (processtuk 69 in het B-dossier), nr. 40c en 40d. Zie ook Akte uitlatingen gerechtelijke plaatsopneming tevens houdende akte aanvulling conclusie van antwoord tevens houdende akte overlegging aanvullende producties zijdens NB c.s. (processtuk 36 in het B-dossier), nr. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">CvD tevens CvA inc. tevens antwoordakte vermeerdering van eis zijdens UTB c.s. (processtuk 59 in het B-dossier), nr. 36-40.</p>\n<p class=\"lf-p\">CvA tevens houdende voorwaardelijk verzoek ex art. 202 Rv (processtuk 14), nr. 44-45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. CvA tevens houdende voorwaardelijk verzoek ex art. 202 Rv (processtuk 14), nr. 42; MvA/MvG inc. zijdens UTB c.s. (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 1 en 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarbij Glencore opmerkt dat het hof in zijn arrest de term “crash-restart” hanteert, maar dat Glencore steeds heeft gesproken over een “crash-start”. Met die beide termen wordt volgens Glencore hetzelfde bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar MvA inc., nr. 156 en 180-185; pleitnota zijdens Glencore d.d. 16 april 2018, nr. 12; CvR, nr. 106, en pleitnota zijdens Glencore d.d. 9 juni 2015, nr. 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Glencore merkt op dat dit ook geldt voor het op oordeel (d) voortbouwende oordeel in rov. 4.37 dat het aluminium slechts met hak- en breekwerk uit de ovens kon worden gehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar MvA inc., nr. 156, 160 en 176-192; CvR, nr. 106; akte na descente zijdens Glencore, nr. 13-17; akte eiswijziging zijdens Glencore, nr. 69-70; inl. dagv., nr. 12. Glencore heeft daar naar eigen zeggen aan toegevoegd dat pas later een dergelijke crash-start niet meer mogelijk was, maar dat dit voor de beoordeling niet relevant is: zie MvA inc. appel, nr. 157.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar MvA inc., nr. 190-191, 200, 252(ii), 180 en 167-170; MvG, nr. 398-400; pleitnota zijdens Glencore d.d. 16 april 2018, nr. 13; inl. dagv., nr. 128; akte na descente zijdens Glencore d.d. 26 maart 2014, nr. 8; CvR nr. 107 e.v., en pleitnota zijdens Glencore d.d. 9 juni 2015, nr. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar MvA inc., nr. 200-221; akte na descente zijdens Glencore, nr. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA/MvG inc. zijdens NB c.s. (processtuk 82 in het B-dossier), nr. 2.247-2.252 en 4.62-4.69, welke stellingen door UTB tot de hare zijn gemaakt (zie MvA/MvG inc. zijdens UTB c.s. (processtuk 83 in het B-dossier), nr. 1 en 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA inc., tevens houdende uitlating producties (processtuk 85 in het B-dossier), nr. 208.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar MvA inc., nr. 225; pleitnota van Glencore d.d. 16 april 2018, nr. 59; CvR, nr. 121, en inl. dagv., nr. 131.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inl. dagv., nr. 131; CvR tevens houdende vermeerdering van eis, nr. 121 (processtuk 52 in het B-dossier).</p>\n<p class=\"lf-p\">Spreekaantekeningen zijdens Glencore d.d. 16 april 2018 (processtuk 89 in het B-dossier), nr. 59.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA inc., tevens akte houdende uitlating producties in principaal en incidenteel appel (processtuk 85 in het B-dossier B), nr. 225.</p></div>", "next": 0}