{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deze beginselen zijn van toepassing op alle procedureregels voor de behandeling van situaties die zijn ontstaan door de uitoefening van een communautaire vrijheid, ongeacht of die regels van administratieve of gerechtelijke aard zijn, zoals de nationale bepalingen die van toepassing zijn op verjaring en op terugvordering van het onverschuldigd betaalde, dan wel de bepalingen die de bevoegde instellingen voorschrijven, rekening te houden met de goede trouw van de belanghebbenden of regelmatig hun pensioensituatie te controleren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Het HvJ EU oordeelde in de gevoegde zaken X en Van Dijkdat Rijnvarenden niet onder Vo. 1408/71 maar exclusief onder het Rijnvarendenverdrag vielen en dat ten onrechte op basis van die niet-toepasselijke Vo. 1408/71 aan hen afgegeven E101-verklaringen niet als E101-verklaringen in de zin van Vo. 1408/71 konden gelden, zodat zij niet de gevolgen meebrachten die daaraan verbonden waren, met name niet gebondenheid van andere lidstaten dan de ten onrechte verklaringen afgevende lidstaat: “37 Met de vragen in zaak C‑72/14 en de tweede vraag in zaak C‑197/14, die tezamen moeten worden behandeld, wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen of artikel 7, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71, alsmede de artikelen 10 quater tot en met 11 bis, 12 bis en 12 ter van verordening nr. 574/72, aldus moeten worden uitgelegd dat een verklaring die het bevoegde orgaan van een lidstaat, in de vorm van een E101-verklaring, heeft afgegeven teneinde te bevestigen dat een werknemer is onderworpen aan de sociale wetgeving van die lidstaat, terwijl deze werknemer valt onder het Rijnvarendenverdrag, bindend is voor de organen van de andere lidstaten en of in dit verband relevant is dat het orgaan van afgifte niet beoogde een echte E101-verklaring af te geven, maar om administratieve redenen het standaardformulier van die verklaring heeft gebruikt. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">39 Het gebruik van de E101-verklaring blijkt dus enkel relevant te zijn wanneer op de betrokken werknemers de regels inzake de bepaling van de toepasselijke wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid, die zijn vastgelegd in titel II van verordening nr. 1408/71, worden toegepast, (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">44 Zoals is opgemerkt in punt 34 van het onderhavige arrest, zijn de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde E101-verklaringen afgegeven met betrekking tot Rijnvarenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">45 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 7, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat ongeacht het bepaalde in artikel 6 van deze verordening, volgens hetwelk deze verordening in beginsel in de plaats treedt van elk verdrag inzake sociale zekerheid dat hetzij uitsluitend voor lidstaten verbindend is, hetzij voor ten minste twee lidstaten en een of meer andere staten verbindend is, de bepalingen van het Rijnvarendenverdrag die betrekking hebben op de sociale zekerheid van laatstgenoemden, van toepassing blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">46 Hieruit volgt dat Rijnvarenden niet vallen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, maar binnen die van het Rijnvarendenverdrag, zodat de vaststelling van de wettelijke regeling die op het gebied van de sociale zekerheid op hen moet worden toegepast niet geschiedt overeenkomstig titel II van die verordening, maar overeenkomstig voornoemd verdrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">47 In deze omstandigheden kan een verklaring die is afgegeven door een orgaan van een lidstaat teneinde te bevestigen dat een werknemer met de hoedanigheid van Rijnvarende is onderworpen aan de wetgeving van die lidstaat, zoals de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde verklaringen, niet worden geacht een E101-verklaring te zijn, ook al heeft zij er de vorm van en ongeacht of zij is afgegeven door een orgaan dat is aangewezen door de voor het afgeven van dit soort verklaringen bevoegde autoriteit van een lidstaat, in de zin van verordening nr. 1408/71.</p>\n<p class=\"lf-p\">48 Bijgevolg kan een dergelijke bevestiging niet de gevolgen teweegbrengen die eigen zijn aan de E101-verklaring, waartoe ook behoort de bindende werking ten opzichte van de organen van de andere lidstaten dan de lidstaat waartoe het orgaan dat een dergelijke verklaring heeft afgegeven, behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 Binnen deze context is het in de onderhavige zaak voor het antwoord op de gestelde vragen niet relevant dat het orgaan van afgifte niet beoogde een E101-verklaring af te geven, maar om administratieve redenen een standaardformulier heeft gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 In elk geval dient er op te worden gewezen dat het feit dat een verklaring betreffende een Rijnvarende die is afgegeven in de vorm van een E101-verklaring, zoals die welke aan de orde is in de hoofdgedingen, niet de gevolgen teweegbrengt die voortvloeien uit een E101-verklaring, nog niet betekent dat deze verklaring geen enkel rechtgevolg heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">51 Gelet op het voorgaande, dient op de vragen in zaak C‑72/14 en op de tweede vraag in zaak C‑197/14 te worden geantwoord dat artikel 7, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71, alsmede de artikelen 10 quater tot en met 11 bis, 12 bis en 12 ter van verordening nr. 574/72, aldus moeten worden uitgelegd dat een verklaring die het bevoegde orgaan van een lidstaat, in de vorm van een E101-verklaring, heeft afgegeven teneinde te bevestigen dat een werknemer is onderworpen aan de sociale wetgeving van die lidstaat, terwijl deze werknemer valt onder het Rijnvarendenverdrag, niet bindend is voor de organen van de andere lidstaten, en dat het in dit verband niet relevant is dat het orgaan van afgifte niet beoogde een echte E101-verklaring af te geven, maar om administratieve redenen het standaardformulier van die verklaring heeft gebruikt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij eindarrest HR BNB 2016/101 na HvJ X en Van Dijk heeft u de klacht dat het aan loyale EU-samenwerking zou ontbreken als de Luxemburgse E101-verklaring zou worden genegeerd, afgedaan door verwijzing naar ‘s Hofs verklaring voor recht in HvJ X en Van Dijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 De zaak A-Rosa Flussschiff GmbH betrof een Duitse vennootschap die uitsluitend op de Franse binnenwateren twee cruiseschepen exploiteerde. De werknemers op deze schepen waren seizoenarbeiders uit andere lidstaten dan Frankrijk; zij waren in dienst van het Zwitserse filiaal van de GmbH, die beschikte over E101-verklaringen van de bevoegde Zwitserse autoriteit die verklaarden dat de werknemers waren aangesloten bij het Zwitserse sociale zekerheidsstelsel. Het Franse bevoegde orgaan vroeg het Zwitserse orgaan om die (onjuiste) E101-verklaringen in te trekken. Het Zwitserse orgaan bevestigde dat als alleen op Franse binnenwateren werd gewerkt, het Franse sociale zekerheidsstelsel van toepassing was, maar verzocht het Franse orgaan niet met terugwerkende kracht na te heffen omdat voor 2007 al Zwitserse premies waren betaald. Het HvJ EU antwoordde op vragen van het Franse cour de cassation dat een E101-verklaring de lidstaten bindt zolang zij niet is ingetrokken of herzien, zelfs als een lidstaat vaststelt dat de verklarende staat (de materiële werkingssfeer van) art. 14(2)(a) Vo. 1408/71 verkeerd heeft toegepast: “37 Er zij aan herinnerd dat de E 101 verklaring – evenals de regeling van materieel recht van artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 – ertoe strekt het vrije verkeer van werknemers en het vrije verrichten van diensten te vergemakkelijken (…). (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">48 Uit het voorgaande volgt dat de E 101‑verklaring, zolang zij niet is ingetrokken of ongeldig verklaard, geldt in de interne rechtsorde van de lidstaat waarheen de werknemer zich begeeft om een werk uit te voeren, en dan ook de organen van die lidstaat bindt (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">49 Hieruit volgt dat een rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst niet bevoegd is de geldigheid na te gaan van een E 101‑verklaring uit het oogpunt van de feiten op grond waarvan deze verklaring is afgegeven (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">50 Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat, aangezien de E 101‑verklaring voor het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst bindend is, niet kan worden aanvaard dat de persoon die van de diensten van een werknemer gebruikmaakt, met die verklaring geen rekening zou houden. Heeft hij twijfels over de geldigheid van de verklaring, dan dient deze persoon echter het betrokken orgaan daarvan op de hoogte te stellen (arrest van 9 september 2015, X en Van Dijk, C‑72/14 en C‑197/14, EU:C:2015:564, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).</p>\n<p class=\"lf-p\">51 Bijgevolg is een overeenkomstig artikel 12 bis, punt 1 bis, van verordening nr. 574/72 door het bevoegde orgaan van een lidstaat afgegeven E 101‑verklaring, terwijl volgens de organen en rechterlijke instanties van de lidstaat waar het werk wordt verricht de betrokken werknemers niet binnen de werkingssfeer van artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 vallen, verbindend voor zowel die organen en rechterlijke instanties als de persoon die beroep doet op de diensten van die werknemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">52 De omstandigheid dat de betrokken werknemers kennelijk niet binnen de werkingssfeer van dat artikel 14 vallen, heeft geen enkele invloed op de bovenstaande overwegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">53 Immers, aangezien het Hof middels zijn rechtspraak de procedure heeft vastgelegd die moet worden gevolgd voor de beslechting van eventuele geschillen tussen de organen van de betrokken lidstaten over de geldigheid of correctheid van een E 101‑verklaring, zijn de organen van de lidstaten die de verordeningen nr. 1408/71 en nr. 574/72 moeten toepassen, met inbegrip van de Zwitserse Bondsstaat ingevolge de overeenkomst EG-Zwitserland, verplicht om deze procedure in acht te nemen, ook al zou zijn gebleken dat de arbeidsvoorwaarden van de betrokken werknemers kennelijk niet binnen de materiële werkingssfeer van de bepaling vallen op grond waarvan de E 101‑verklaring werd afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">54 In dat verband kunnen de door de Franse regering en Urssaf aangevoerde argumenten met betrekking tot de inefficiëntie van die procedure en de noodzaak om oneerlijke concurrentie en sociale dumping tegen te gaan, geenszins rechtvaardigen dat die procedure wordt geschonden, en a fortiori, dat wordt beslist om geen rekening te houden met een door het bevoegde orgaan van een andere lidstaat afgegeven E 101‑verklaring.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 In de zaak Klein Schiphorst overwoog het HvJ EU in het kader van de beantwoording van een prejudiciële vraag van de CRvB over de uitleg van art. 64(1)(c) Vo. 883/2004 in het algemeen: “34 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt ((…), Ognyanov, C-554/14, EU:C:2016:835, punt 31).”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 De Europese Commissie is in 2017 een inbreukprocedure ex art. 258 VwEU begonnen tegen België omdat zij de Belgische programmawet tegen detacheringsfraude onverenigbaar achtte met Vo. 833/2004. Die wet verklaarde de Belgische autoriteiten bevoegd om eenzijdig vast te stellen of de aanwijsregels van Vo. 883/2004 worden misbruikt en te beoordelen of een gedetacheerde werknemer of zelfstandige zonder dat misbruik onder de Belgische sociale zekerheidswetging zou vallen. België behield zich dus het recht voor om in geval van misbruik eventuele A1-verklaringen van andere lidstaten te negeren. Het HvJ achtte de Belgische wet inderdaad in strijd met (i) het EU-rechtelijke loyaliteitsbeginsel, (ii) het doel van Vo. 883.2004 dat werknemers bij slechts één nationaal socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten; (iii) de voorzienbaarheid en dus rechtszekerheid en (iv) de dialoog- en bemiddelingsprocedure voorzien in Vo. 883/2004. Een afgegeven A1-verklaring bindt de andere lidstaten, zelfs indien zij ‘kennelijk’ onjuist is, totdat de afgevende staat haar heeft ingetrokken. Die lidstaat is dan ook verplicht, op grond van hetzelfde EU-beginsel van loyale samenwerking, om de feiten correct vast te stellen, de juistheid van de gegevens in de verklaring te garanderen, en desverzocht de juistheid van de afgifte opnieuw te onderzoeken en de verklaring zo nodig in te trekken. Worden de betrokken Staten het niet eens, dan voorziet het EU-recht in remedies. Gaat het om fraude, dan is de nationale rechter van het werkland wél bevoegd om de frauduleus verkregen verklaringen te negeren en de werkgever aansprakelijk te houden, mits de betrokken een eerlijk proces wordt gegeven: “79 (…), moet (…) worden opgemerkt dat de bepalingen van verordening nr. 883/2004 tot vaststelling van de toepasselijke wetgeving met name tot doel hebben dat de betrokkenen onderworpen zijn aan de socialezekerheidsregeling van één enkele lidstaat teneinde samenloop van toepasselijke nationale wettelijke regelingen en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen. Dit beginsel komt met name in artikel 11, lid 1, van die verordening tot uitdrukking (zie (…) Hudzinski en Wawrzyniak, C-611/10 en C-612/10, EU:C:2012:339, punt 41, en (…) Bouman, C-114/13, EU:C:2015:81, punt 33). (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">86 Het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking en de door artikel 12, lid 1, van verordening nr. 883/2004 en artikel 5, lid 1, van verordening nr. 987/2009 nagestreefde doelstellingen zouden worden geschonden, indien de lidstaat waar de werknemers gedetacheerd zijn, een wettelijke regeling vaststelt die zijn eigen organen toestaat zich unilateraal op het standpunt te stellen dat zij niet gebonden zijn aan de gegevens in die verklaring, en die werknemers aan zijn eigen socialezekerheidsregeling te onderwerpen (zie (…) FTS, C-202/97, EU:C:2000:75, punt 52; (…) Herbosch Kiere, C-2/05, EU:C:2006:69, punt 23, en (…) Altun e.a., C-359/16, EU:C:2018:63, punt 38).</p>\n<p class=\"lf-p\">87 Bijgevolg is de A1-verklaring, aangezien zij een vermoeden creëert dat de gedetacheerde werknemers regelmatig zijn aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waarin de onderneming is gevestigd die deze werknemers heeft gedetacheerd, in beginsel bindend voor het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin die werknemers zijn gedetacheerd (zie (…) FTS, C-202/97, EU:C:2000:75, punt 53; (…) Herbosch Kiere, C-2/05, EU:C:2006:69, punt 24, en (…) A-Rosa Flussschiff, C-620/15, EU:C:2017:309, punt 41).</p>\n<p class=\"lf-p\">88 Zou dat niet het geval zijn, dan zou inbreuk worden gemaakt op het beginsel dat werknemers slechts bij één socialezekerheidsregeling zijn aangesloten, alsmede op de voorzienbaarheid van de toepasselijke regeling en, dientengevolge, op de rechtszekerheid. Wanneer moeilijk te bepalen is welke de toepasselijke regeling is, zou elk van de bevoegde organen van de twee betrokken lidstaten immers geneigd zijn aan te nemen dat zijn eigen socialezekerheidsregeling van toepassing is, met alle nadelige gevolgen van dien voor de betrokken werknemers ((…) Herbosch Kiere, C-2/05, EU:C:2006:69, punt 25, en (…) A-Rosa Flussschiff, C-620/15, EU:C:2017:309, punt 42).</p>\n<p class=\"lf-p\">89 Op grond van het in artikel 4, lid 3, VEU geformuleerde beginsel van loyale samenwerking is het bevoegde orgaan van de lidstaat die de A1-verklaring heeft afgegeven, evenwel verplicht de feiten die voor de toepassing van de regels betreffende de vaststelling van de geldende socialezekerheidsregeling relevant zijn, juist te beoordelen en derhalve de juistheid van de gegevens in die verklaring te garanderen ((…) A-Rosa Flussschiff, C-620/15, EU:C:2017:309, punt 39, en (…) Altun e.a., C-359/16, EU:C:2018:63, punt 37).</p>\n<p class=\"lf-p\">90 Bovendien dient dat orgaan de juistheid van die afgifte opnieuw te onderzoeken en de verklaring zo nodig in te trekken, wanneer het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin de werknemers zijn gedetacheerd twijfels uit over de juistheid van de feiten die aan die verklaring ten grondslag liggen en dus van de daarin opgenomen gegevens, met name wanneer zij niet voldoen aan de vereisten van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 883/2004 (zie (…) Altun e.a., C-359/16, EU:C:2018:63, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).</p>\n<p class=\"lf-p\">91 Indien de betrokken organen het niet eens worden over, met name, de beoordeling van de concrete feiten van een specifieke situatie, staat het hun vrij de zaak voor te leggen aan de administratieve commissie (zie (…) Altun e.a., C-359/16, EU:C:2018:63, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).</p>\n<p class=\"lf-p\">92 Slaagt deze laatste er niet in de standpunten van de bevoegde organen over de in het betrokken geval toepasselijke wettelijke regeling met elkaar te verzoenen, dan staat het de lidstaat waar de betrokken werknemers zijn gedetacheerd in ieder geval vrij, met behoud van eventuele mogelijkheden van beroep in rechte in de lidstaat van het afgevende orgaan, een niet-nakomingsprocedure in de zin van artikel 259 VWEU in te leiden, en aldus het Hof de mogelijkheid te bieden in een dergelijk beroep de vraag betreffende de op die werknemers toepasselijke wettelijke regeling en dus ook de juistheid van de gegevens in de A1-verklaring te onderzoeken (zie (…) Altun e.a., C-359/16, EU:C:2018:63, punt 45).</p>\n<p class=\"lf-p\">93 Derhalve dient, wanneer sprake is van een — zelfs kennelijke — onjuiste beoordeling van de toepassingsvoorwaarden van verordening nr. 883/2004, de verplichte procedure voor de beslechting van eventuele geschillen tussen de organen van de betrokken lidstaten over de geldigheid of juistheid van een A1-verklaring te worden gevolgd, zelfs al zou zijn gebleken dat de arbeidsvoorwaarden van de betrokken werknemers kennelijk niet binnen de materiële werkingssfeer vallen van de bepaling op grond waarvan de A1-verklaring werd afgegeven ((…) Altun e.a., C-359/16, EU:C:2018:63, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).</p>\n<p class=\"lf-p\">94 Indien zou worden aanvaard dat de lidstaat waar de werknemer is gedetacheerd, een wettelijke regeling zou kunnen vaststellen op grond waarvan zijn eigen organen eenzijdig een A1-verklaring ongeldig kunnen laten verklaren door een rechterlijke instantie van die lidstaat, kan het op de loyale samenwerking tussen de bevoegde organen van de lidstaten gebaseerde stelsel in gevaar komen. Zolang de A1-verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard, geldt zij in beginsel dus in de interne rechtsorde van de lidstaat waarin de betrokken werknemers zijn gedetacheerd en bindt zij dan ook de organen ervan (zie in die zin arrest van 26 januari 2006, Herbosch Kiere, C-2/05, EU:C:2006:69, punten 30 en 31).</p>\n<p class=\"lf-p\">95 Dientengevolge druist een wettelijke regeling zoals de artikelen 23 en 24 van de programmawet, op grond waarvan de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk België een werknemer unilateraal kunnen onderwerpen aan de Belgische socialezekerheidswetgeving, in tegen het in artikel 11, lid 1, van verordening nr. 883/2004 neergelegde beginsel dat werknemers in loondienst slechts bij één socialezekerheidsregeling zijn aangesloten, alsmede tegen het rechtszekerheidsbeginsel dat met name vereist dat de rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en dat de effecten ervan voorzienbaar zijn, inzonderheid wanneer zij nadelige gevolgen voor particulieren en ondernemingen kunnen hebben (zie (…) Test Claimants in the Franked Investment Income Group Litigation, C-362/12, EU:C:2013:834, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).</p>\n<p class=\"lf-p\">96 Daarenboven verdraagt een wettelijke regeling zoals die welke in casu aan de orde is zich evenmin met de bepalingen van de verordeningen nr. 883/2004 en nr. 987/2009, waarbij de procedure wordt geregeld die moet worden gevolgd als zich bij de uitleg en de toepassing van de verordeningen moeilijkheden voordoen, met name wanneer een lidstaat waarin een werknemer is gedetacheerd, van mening is dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 883/2004 niet zijn vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">97 Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door het argument van het Koninkrijk België dat de nationale autoriteiten van deze lidstaat in geval van bewezen fraude mogen weigeren om artikel 12, lid 1, van verordening nr. 883/2004 toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">98 In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat geen enkele bepaling van deze verordening of van verordening nr. 987/2009 de lidstaten toestaat unilateraal bij wet te bepalen dat artikel 12, lid 1, van verordening nr. 883/2004 niet van toepassing is in geval van fraude of misbruik, zodat het door artikel 76, lid 6, van verordening nr. 883/2004 en artikel 5 van verordening nr. 987/2009 geconcretiseerde beginsel van loyale samenwerking zelfs in dergelijke gevallen van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">99 Het is inderdaad zo dat volgens vaste rechtspraak van het Hof justitiabelen zich door middel van fraude of misbruik niet kunnen beroepen op het Unierecht daar het beginsel dat fraude en misbruik van recht verboden zijn een algemeen beginsel van Unierecht vormt dat justitiabelen dienen na te leven. De Unieregelgeving mag immers niet zo ruim worden toegepast dat zij handelingen zou dekken die zijn verricht met het doel om door fraude of misbruik te profiteren van de door het Unierecht toegekende voordelen (arrest van 6 februari 2018, Altun e.a., C-359/16, EU:C:2018:63, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).</p>\n<p class=\"lf-p\">100 In die context heeft het Hof vastgesteld dat wanneer het orgaan van de lidstaat waar de werknemers zijn gedetacheerd, zich in het kader van de in artikel 76, lid 6, van verordening nr. 883/2004 voorziene dialoog tot het orgaan wendt dat de A1-verklaringen heeft afgegeven en het concrete gegevens verstrekt die de aanname staven dat deze verklaringen door fraude zijn verkregen, is in die context dit tweede orgaan op grond van het beginsel van loyale samenwerking gehouden om in het licht van deze gegevens opnieuw te onderzoeken of die verklaringen terecht zijn afgegeven en deze in voorkomend geval in te trekken (arrest van 6 februari 2018, Altun e.a., C-359/16, EU:C:2018:63, punt 54).</p>\n<p class=\"lf-p\">101 Indien dit laatste orgaan niet binnen een redelijke termijn overgaat tot een dergelijke heroverweging kunnen de voornoemde gegevens worden aangevoerd in het kader van een gerechtelijke procedure ertoe strekkende dat de rechter van de lidstaat waar de werknemers zijn gedetacheerd de betrokken verklaringen niet in aanmerking neemt (arrest van 6 februari 2018, Altun e.a., C-359/16, EU:C:2018:63, punt 55).</p>\n<p class=\"lf-p\">102 In een dergelijke situatie kan de nationale rechter de betrokken A1-verklaringen buiten beschouwing laten en dient hij te bepalen of de personen die ervan worden verdacht onder de dekmantel van frauduleus verkregen verklaringen een beroep te hebben gedaan op gedetacheerde werknemers, aansprakelijk kunnen worden gesteld op grond van het toepasselijke nationale recht (arrest van 6 februari 2018, Altun e.a., C-359/16, EU:C:2018:63, punt 60).</p>\n<p class=\"lf-p\">103 Ter eerbiediging van de waarborgen die zijn verbonden aan het recht op een eerlijk proces dienen de personen aan wie in het kader van een dergelijke procedure wordt verweten onder de dekmantel van frauduleus verkregen verklaringen een beroep te hebben gedaan op gedetacheerde werknemers, evenwel over de mogelijkheid te beschikken om de gegevens waarop deze procedure is gebaseerd te weerleggen, vóórdat de nationale rechter in voorkomend geval besluit om de verklaringen buiten beschouwing te laten en uitspraak te doen over de vraag of deze personen volgens het toepasselijke nationale recht aansprakelijk zijn (arrest van 6 februari 2018, Altun e.a., C-359/16, EU:C:2018:63, punt 56).</p>\n<p class=\"lf-p\">104 In casu moet evenwel worden vastgesteld dat de litigieuze nationale regeling niet voldoet aan de in de punten 100 en 101 van het onderhavige arrest beschreven voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">105 Die litigieuze regeling voorziet namelijk in geen enkel opzicht in de verplichting om de dialoog- en bemiddelingsprocedure van de verordeningen nr. 883/2004 en nr. 987/2009 op te starten. Voorts wordt in die regeling niet alleen bepaald dat de bevoegdheid om vast te stellen dat sprake is van fraude en om een A1-verklaring om die reden buiten beschouwing te laten uitsluitend aan de nationale rechter toekomt, maar ook dat de Belgische socialezekerheidsinstellingen en de Belgische sociaal inspecteurs buiten elke gerechtelijke procedure om beslissen om gedetacheerde werknemers te onderwerpen aan de Belgische socialezekerheidswetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">106 In de tweede plaats blijkt uit vaste rechtspraak dat een lidstaat de niet-nakoming van de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet kan rechtvaardigen met erop te wijzen dat andere lidstaten eveneens in gebreke zijn gebleven. In de door het VWEU tot stand gebrachte rechtsorde van de Unie kan de uitvoering van het Unierecht door de lidstaten immers niet afhankelijk worden gesteld van een wederkerigheidsvoorwaarde. De artikelen 258 en 259 VWEU voorzien in passende rechtsmiddelen voor het geval dat de lidstaten hun uit het VWEU voortvloeiende verplichtingen niet nakomen ((…) Commissie/Finland, C-118/07, EU:C:2009:715, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">107 In de derde plaats moet met betrekking tot het argument volgens hetwelk het rechtskader van de intrekking van A1-verklaringen erg beperkt en versnipperd is, zodat de lidstaten moeilijkheden ondervinden wanneer zij terstond maatregelen ter bestraffing van de fraude moeten nemen, worden vastgesteld dat niet valt uit te sluiten dat de samenwerkings- en bemiddelingsprocedure in de praktijk niet altijd op bevredigende wijze en feilloos functioneert, maar de lidstaten zich desalniettemin niet kunnen beroepen op eventuele moeilijkheden bij de inzameling van de noodzakelijke inlichtingen of op eventuele tekortkomingen in de samenwerking tussen hun bevoegde diensten ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van hun uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen (zie (…) Commissie/België, C-383/10, EU:C:2013:364, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).</p>\n<p class=\"lf-p\">108 In de vierde plaats moet met betrekking tot het argument van het Koninkrijk België, dat zelfs wanneer de betrokkene reeds onderworpen is aan de sociale zekerheid van de lidstaat van het afgevende orgaan, de onderwerping aan de Belgische sociale zekerheid geen dubbele onderworpenheid meebrengt, voor zover de betrokkene overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder a), van verordening nr. 987/2009 voorlopig onderworpen is aan de wetgeving van de lidstaat waar hij feitelijk zijn werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst verricht, worden vastgesteld dat bij een dergelijke uitlegging artikel 5, leden 2 tot en met 4, van deze verordening zonder voorwerp zou raken. Wanneer een overeenkomstig artikel 5, lid 1, van die verordening afgegeven document voorhanden is, moet de procedure waarin artikel 5, leden 2 tot en met 4, van dezelfde verordening voorziet immers worden toegepast wanneer de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten het niet eens zijn over dat document, aangezien artikel 6 van verordening nr. 987/2009 in een dergelijk geval niet kan worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">109 In deze omstandigheden moeten de grieven van de Commissie inzake de niet-nakoming door het Koninkrijk België van de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 11, lid 1, artikel 12, lid 1, en artikel 76, lid 6, van verordening nr. 883/2004, alsook krachtens artikel 5 van verordening nr. 987/2009, worden aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">110 Wat de grief ontleend aan schending van besluit A1 [van de administratieve commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels; PJW] betreft, moet worden vastgesteld dat uit vaste rechtspraak volgt dat een dergelijk besluit weliswaar een hulpmiddel kan zijn voor de socialezekerheidsorganen belast met de toepassing van het Unierecht op dit gebied, maar dat het die organen niet kan verplichten, bij de toepassing van de voorschriften van het Unierecht een bepaalde methode of een bepaalde uitlegging te volgen ((…) Knoch, C-102/91, EU:C:1992:303, punt 52, en (…) Grisvard en Kreitz, C-201/91, EU:C:1992:368, punt 25).</p>\n<p class=\"lf-p\">111 Aangezien besluit A1 niet normatief van aard is, kan het Koninkrijk België dus niet worden verweten dat besluit te hebben geschonden door de vaststelling van de artikelen 23 en 24 van de programmawet.</p>\n<p class=\"lf-p\">112 In deze omstandigheden dient de grief ontleend aan schending van besluit A1 ongegrond te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">113 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door de artikelen 23 en 24 van de programmawet vast te stellen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 11, lid 1, artikel 12, lid 1, en artikel 76, lid 6, van verordening nr. 883/2004 en artikel 5 van verordening nr. 987/2009.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 De zaak Alpenrind betrof een in Oostenrijk gevestigde vennootschap die met twee Hongaarse vennootschappen een overeenkomst was aangegaan tot uitsnijden en verpakken van vlees, uit te voeren in de bedrijfsruimten van Alpenrind door werknemers die door de Hongaarse vennootschappen naar Oostenrijk zouden worden gedetacheerd. Het bevoegde Hongaarse orgaan had deze werknemers A1-verklaringen verstrekt waarin het Hongaarse socialezekerheidsstelsel van toepassing werd verklaard. Oostenrijk wilde de werknemers aan het Oostenrijkse stelsel onderwerpen. Het HvJ overwoog dat – behoudens gevallen van fraude en misbruik - een afgegeven A1-verklaring ook de nationale rechters bindt, zelfs als de Administratieve Commissie heeft geconstateerd dat de verklaring ten onrechte is afgegeven en moet worden ingetrokken, nu advies en bemiddeling door de administratieve commissie de lidstaten niet bindt: “45 Zoals (…) opgemerkt, zijn de overwegingen die ten grondslag liggen aan de rechtspraak van het Hof over de bindende werking van de formulieren E101, (…) evenzeer geldig in het kader van de verordeningen nrs. 883/2004 en 987/2009. Ofschoon het rechtszekerheidsbeginsel wordt aangehaald in onder meer overweging 6 van verordening nr. 987/2009, wordt met name het beginsel dat werknemers in loondienst slechts aan één socialezekerheidswetgeving zijn onderworpen, genoemd in overweging 15 en artikel 11, lid 1, van verordening nr. 883/2004, terwijl het belang van het beginsel van loyale samenwerking in zowel artikel 76 van verordening nr. 883/2004 als overweging 2 en artikel 20 van verordening nr. 987/2009 naar voren komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">46 Indien — afgezien van de gevallen van fraude of misbruik van recht — het bevoegde nationale orgaan van de lidstaat van ontvangst van de betrokken werknemer een formulier A1 ongeldig kon doen verklaren door een rechterlijke instantie van die lidstaat, zou zo het op de loyale samenwerking tussen de bevoegde organen van de lidstaten gebaseerde stelsel in gevaar kunnen komen (zie in die zin, met betrekking tot de formulieren E101, (…) Herbosch Kiere, C-2/05, EU:C:2006:69, punt 30; (…) A-Rosa Flussschiff, C-620/15, EU:C:2017:309, punt 47, en (…) Altun e.a., C-359/16, EU:C:2018:63, punten 54, 55, 60 en 61).</p>\n<p class=\"lf-p\">47 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, van verordening nr. 987/2009, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 2, van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat een formulier A1, dat krachtens artikel 12, lid 1, van verordening nr. 883/2004 is afgegeven door het bevoegde orgaan van een lidstaat, niet enkel bindend is voor de organen van de lidstaat waar de werkzaamheden worden verricht, maar ook voor de rechterlijke instanties van die lidstaat. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">60 Meer in het bijzonder is voor een situatie als die in het hoofdgeding, waarin tussen het bevoegde orgaan van een lidstaat en dat van een andere lidstaat een geschil is ontstaan over documenten of bewijsstukken als bedoeld in artikel 5, lid 1, van verordening nr. 987/2009, in de leden 2 tot en met 4 van dit artikel voorzien in een procedure voor de oplossing van dit geschil. De leden 2 en 3 van dat artikel bepalen welke stappen de betrokken organen moeten zetten bij twijfel over de geldigheid van dergelijke documenten en bewijsstukken of over de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten grondslag liggen. Lid 4 van dat artikel bepaalt dan weer dat, indien de betrokken organen het niet eens worden, de zaak door de bevoegde autoriteiten kan worden voorgelegd aan de Administratieve Commissie, die binnen zes maanden nadat de zaak aan haar is voorgelegd, tracht ‘een voor beide zijden aanvaardbare oplossing te vinden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">61 Het Hof heeft met betrekking tot verordening nr. 1408/71 al geoordeeld dat, indien de Administratieve Commissie niet erin slaagt de standpunten van de bevoegde organen over de in het betrokken geval toepasselijke wettelijke regeling met elkaar te verzoenen, het de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokken werknemer arbeid verricht in ieder geval vrijstaat om, met behoud van eventuele mogelijkheden van beroep in rechte in de lidstaat van het orgaan van afgifte, een niet-nakomingsprocedure in de zin van artikel 259 VWEU in te leiden, en aldus het Hof de mogelijkheid te bieden in een dergelijk beroep de vraag betreffende de op die werknemer toepasselijke wettelijke regeling en dus ook de juistheid van de gegevens in het formulier E101 te onderzoeken (arrest van 27 april 2017, A-Rosa Flussschiff, C-620/15, EU:C:2017:309, punt 46).</p>\n<p class=\"lf-p\">62 Vastgesteld zij dus dat de Administratieve Commissie in het kader van de procedure van artikel 5, leden 2 tot en met 4, van verordening nr. 987/2009 alleen tot taak heeft, de standpunten van de bevoegde autoriteiten die de zaak aan haar hebben voorgelegd, tot elkaar te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">63 Hieraan wordt niet afgedaan door artikel 89, lid 3, van verordening nr. 987/2009, dat bepaalt dat de bevoegde autoriteiten erop toezien dat hun organen op de hoogte zijn van alle wettelijke en andere voorschriften van de Unie, met inbegrip van de besluiten van de Administratieve Commissie, op de gebieden en onder de voorwaarden van de verordeningen nrs. 883/2004 en 987/2009, en dat ze deze toepassen, aangezien deze bepaling op geen enkele manier beoogt de rol van de Administratieve Commissie in het kader van de in het vorige punt bedoelde procedure en dus de waarde van de adviezen bij de conclusies die deze commissie in het kader van deze procedure trekt, te wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">64 Gelet op een en ander moet op het eerste gedeelte van de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, van verordening nr. 987/2009, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 2, van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat een formulier A1, dat door het bevoegde orgaan van een lidstaat is afgegeven krachtens artikel 12, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004, bindend is voor zowel de socialezekerheidsorganen van de lidstaat waar de werkzaamheden worden verricht als de rechterlijke instanties van die lidstaat, zolang dit formulier niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard door de lidstaat van afgifte, ook al hebben de bevoegde autoriteiten van deze laatste lidstaat en de lidstaat waar de werkzaamheden worden verricht de zaak voorgelegd aan de Administratieve Commissie en heeft deze commissie geconcludeerd dat dit formulier ten onrechte is afgegeven en zou moeten worden ingetrokken. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">70 Allereerst moet eraan worden herinnerd dat het overeenkomstig artikel 11 bis van verordening nr. 574/72 afgegeven formulier E101 terugwerkende kracht kan hebben. Ofschoon het de voorkeur verdient dat een dergelijk formulier vóór het begin van de betrokken periode wordt afgegeven, kan dit ook in de loop van die periode en zelfs na afloop ervan gebeuren (zie (…) Banks e.a., C-178/97, EU:C:2000:169, punten 52-57).</p>\n<p class=\"lf-p\">71 In de uit de verordeningen nrs. 883/2004 en 987/2009 voortvloeiende Unieregelgeving staat niets eraan in de weg dat dit ook opgaat voor de formulieren A1.</p>\n<p class=\"lf-p\">72 Met name artikel 15, lid 1, van verordening nr. 987/2009, in de versie die gold bij aanvang van het betwiste tijdvak, bepaalde inderdaad dat ‘[i]ndien een persoon zijn werkzaamheid uitoefent in een andere lidstaat dan de op grond van titel II van [verordening nr. 883/2004] bevoegde lidstaat, […] de werkgever of, in het geval van iemand die geen werkzaamheid in loondienst verricht, de betrokkene zelf, indien mogelijk van tevoren, het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving van toepassing blijft, daarvan in kennis [stelt]’ en dat ‘[d]it orgaan […] onverwijld informatie betreffende […] op de betrokkene van toepassing zijnde wetgevingen ter beschikking [stelt] van betrokkene en van het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de werkzaamheid wordt uitgeoefend […]’. Desondanks blijft het mogelijk een formulier A1 af te geven tijdens of zelfs na het betrokken tijdvak van arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">73 Derhalve moet vervolgens worden nagegaan of een formulier A1 met terugwerkende kracht kan gelden, ook al heeft het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de werkzaamheden worden verricht op de datum van afgifte van dit formulier al beslist dat de betrokken werknemer is onderworpen aan de wetgeving van die lidstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">74 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat, zoals blijkt uit het antwoord op de eerste vraag in de punten 36 tot en met 47 van dit arrest, een formulier A1, net als haar voorganger het formulier E101, bindend is voor zowel de socialezekerheidsorganen van de lidstaat waar de werkzaamheden worden verricht als de rechterlijke instanties van die lidstaat, zolang het niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">75 In deze bijzondere omstandigheden kan een besluit als in het hoofdgeding, waarbij het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de werkzaamheden worden verricht, beslist de betrokken werknemers te onderwerpen aan de krachtens zijn wetgeving verplichte verzekering, niet worden geacht een document te vormen ‘over’ de situatie van de betrokkene in de zin van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 987/2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">76 (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">77 Gelet op het voorgaande moet op het tweede onderdeel van de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, van verordening nr. 987/2009, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 2, van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat een formulier A1, dat door het bevoegde orgaan van een lidstaat is afgegeven krachtens artikel 12, lid 1, van verordening nr. 883/2004, bindend is voor zowel de socialezekerheidsorganen van de lidstaat waar de werkzaamheden worden verricht als de rechterlijke instanties van die lidstaat, in voorkomend geval met terugwerkende kracht, ook al is dit formulier pas afgegeven nadat deze lidstaat had vastgesteld dat de werknemer uit hoofde van zijn wetgeving verzekeringsplichtig was.”</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Nederlandse rechters 5.9 HR BNB 2009/312 betrof een in België wonende directeur en enig aandeelhouder van een Nederlandse BV, die zijn werkzaamheden als bestuurder voor de helft in Nederland en voor de andere helft in België verrichtte. Omdat hij aan Nederlandse loonbelasting was onderworpen, was hij naar Nederlands recht voor zijn Nederlandse werkzaamheden verzekerd in Nederland. Hij wierp tegen dat de Svb geen daartoe strekkende (E101) verklaring had afgegeven. U achtte een Nederlandse detacheringsverklaring echter geen vereiste voor (vaststelling door de fiscus van) Nederlandse premieplicht. Maar als wel zo’n E101-verklaring is afgegeven, dan is de Belastingdienst daaraan bij de premieheffing in beginsel gebonden: “3.4.2. Belanghebbende was in 2001 ter zake van zijn in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting onderworpen. Op grond van het bepaalde in artikel 6, lid 1, aanhef en letter b, van de Algemene Ouderdomswet en de overeenkomstige bepalingen in andere volksverzekeringswetten, behoorde hij daarom naar Nederlands nationaal recht tot de kring der verzekerden voor deze verzekeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.3. (….).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van de Verordening moet de vraag of iemand zijn beroepswerkzaamheden al dan niet in loondienst verricht, worden beantwoord aan de hand van de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar hij die werkzaamheden verricht (HvJ EG 30 januari 1997, De Jaeck, nr. C-340/94, BNB 1997/308). Gelet op hetgeen onder 3.4.1 is overwogen, moeten de werkzaamheden die belanghebbende in Nederland voor de bv heeft verricht naar het Nederlandse socialezekerheidsrecht worden gekwalificeerd als werkzaamheden in loondienst. Zijn beroepswerkzaamheden in België worden volgens het aldaar geldende socialezekerheidsrecht gekwalificeerd als zelfstandige beroepsuitoefening. Het Hof heeft derhalve terecht geoordeeld dat in 2001 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op grond van de Verordening van toepassing was op de werkzaamheden die belanghebbende in Nederland voor de bv verrichtte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen onder 3.4.2 en 3.4.3 is overwogen brengt mee dat belanghebbende voor het jaar 2001 als verzekerde voor de volksverzekeringen moet worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieraan kan niet afdoen dat het daartoe bevoegde Nederlandse orgaan, de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB), ten tijde van de uitspraak van het Hof nog geen verklaring als bedoeld in artikel 12bis van de Verordening (EEG) nr. 574/72 van 21 maart 1972 had afgegeven over de toepasselijkheid van de Nederlandse wetgeving op basis van artikel 14quater van de Verordening. Een dergelijke verklaring is geen constitutief vereiste. Indien een zodanige verklaring wel wordt afgegeven, en onherroepelijk komt vast te staan, is de Belastingdienst daaraan in het kader van de premieheffing in beginsel gebonden. Indien de SVB in het onderhavige geval alsnog bij onherroepelijke beslissing beslist dat de Nederlandse wetgeving niet van toepassing is, brengt de strekking van het genoemde artikel 12bis mee dat belanghebbende het Hof met overeenkomstige toepassing van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht kan verzoeken zijn uitspraak te herzien.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 HR BNB 2012/56 betrof een in Nederland wonende Nederlandese die in dienst was bij een Luxemburgse werkgever en werkte op een binnenvaartschip. Aan haar echtgenoot, de eigenaar van het schip, was een Rijnvaartverklaring afgegeven. Aan haar was door Luxemburg onder vigeur van Vo. 1408/71 een E106-verklaring afgegeven. Die verklaring bond de Nederlandse inspecteur niet, omdat op de belanghebbende niet Vo. 1408/71, maar het RV van toepassing was: “3.8. Ingevolge artikel 19 van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juli 1971 (hierna: de Verordening) kan aan een werknemer een zogenoemde E-106-verklaring worden afgegeven. De E-106-verklaring wordt afgegeven met het oog op de toepassing van artikel 19 van de Verordening, dat ziet op prestaties bij ziekte en moederschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7, lid 2, aanhef en letter a, van de Verordening bepaalt dat het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft. Nu belanghebbende (…) als rijnvarende moet worden aangemerkt, is op haar het Rijnvarendenverdrag van toepassing en niet de Verordening. Reeds daarom kan in het onderhavige geval geen betekenis worden toegekend aan een zogenoemde E-106-verklaring, die immers alleen van belang is voor de toepassing van de Verordening. Het Hof heeft derhalve terecht geoordeeld dat de Inspecteur bij de beoordeling van de verzekerings- en premieplicht van belanghebbende uit hoofde van de Nederlandse volksverzekeringen niet gebonden is aan een E-106-verklaring. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Omdat Vo. 1408/71 niet van toepassing is op rijnvarenden, is de Inspecteur bij rijnvarenden evenmin gebonden aan een op die niet-toepasselijke verordening gebaseerde E101-verklaring van een andere lidstaat, aldus HR BNB 2013/257: “3.8.1. Met betrekking tot de aan belanghebbende afgegeven E 101-verklaring heeft het Hof geoordeeld dat daaraan geen waarde kan worden toegekend aangezien zij is afgegeven op grond van de niet van toepassing zijnde Verordening nr. 1408/71.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hiertegen gerichte eerste middel faalt. Artikel 7, lid 2, aanhef en letter a, van de Verordening nr. 1408/71 bepaalt dat het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft. Aangezien belanghebbende (…) als rijnvarende moet worden aangemerkt, is op hem het Rijnvarendenverdrag van toepassing en wordt de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving niet bepaald door de Verordening nr. 1408/71. Daarom kan in het onderhavige geval geen betekenis worden toegekend aan een door Luxemburg afgegeven E 101-verklaring, die immers alleen van belang is in verband met de vaststelling van de toepasselijke wetgeving op grond van de Verordening nr. 1408/71 (vgl. het hiervoor in 3.4.1 vermelde arrest van 9 december 2011).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het door belanghebbende in dit verband aangehaalde arrest HvJ 10 februari 2000, Fitzwilliam Executive Search, nr. C-202/97, Jurispr. 2000 p. I-883, BNB 2000/219, gaat ervan uit dat de toepasselijke wetgeving wordt bepaald door de Verordening nr. 1408/71 en mist daarom betekenis in een geval als het onderhavige, waarin het Rijnvarendenverdrag van toepassing is en de toepasselijke wetgeving aanwijst. Van strijd met het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten als bedoeld in artikel 4, lid 3, VEU, is derhalve geen sprake.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 HR BNB 2014/264 betrof een Nederlander in loondienst bij een Luxemburgse vennootschap. Hij werkte aan boord van een schip in eigendom van een Nederlandse BV. De Rijnvaartverklaring die aan de eigenaar van het schip is afgegeven, vermeldde geen exploitant. Een Luxemburgs “certificat d’exploitant” vermeldde de Luxemburgse vennootschap als exploitant. U legde de bewijslast dat de scheepsexploitant niet in Nederland maar in het buitenland was gevestigd bij de belanghebbende: “2.2. Met betrekking tot het jaar 2005 was voor het Hof in geschil of belanghebbende in de in 2.1.2 bedoelde periode in Nederland verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen. Het geschil spitste zich toe op de vraag tot welke onderneming het schip behoorde en wie dienaangaande de bewijslast draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur zijn stelling dat het schip behoort tot de onderneming van de eigenaar ([L]) niet aannemelijk gemaakt. Volgens het Hof is dan niet relevant of het schip behoort tot de onderneming van [J], zodat het hetgeen daarover is aangevoerd in het midden kan laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel keert zich tegen ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de zetel van de onderneming waartoe het schip behoort zich in Nederland bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel slaagt. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat het Hof onderzoek heeft gedaan naar de feiten die de Inspecteur volgens onderdeel 4.16 van de bestreden uitspraak heeft gesteld omtrent de exploitatie van het schip door de Nederlandse eigenaar, in het bijzonder diens verwijzing naar de jaarstukken van [L], waaruit zou volgen dat deze omzet realiseert, de vrachtopbrengsten geniet, de onderhoudskosten van het schip draagt, personeel in dienst heeft en personeel inleent, hoewel dat voor de beslissing van het geschil van belang kon zijn. De bestreden uitspraak is in zoverre niet naar behoren gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.5 is overwogen kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de behandeling van het geding na verwijzing verdient opmerking dat belanghebbende het standpunt inneemt dat hij op grond van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (Trb. 1981, 43) niet in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen omdat de onderneming waartoe het schip behoort in het buitenland is gevestigd. Een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast brengt mee dat belanghebbende de ter zake daarvan relevante feiten stelt en in geval van gemotiveerde betwisting door de Inspecteur ook aannemelijk dient te maken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 De belanghebbende in HR BNB 2015/231 was een Rijnvarende Nederlander die in Nederland woonde. Hij werkte in 2009 op een schip dat tot 24 juli 2009 beschikte over een Rijnvaartverklaring die een Nederlands BV vermeldde als eigenaar en een Luxemburgse vennootschap als exploitant. Tot 1 oktober 2009 was de belanghebbende in dienstbetrekking bij die Luxemburgse vennootschap en daarna bij een Cypriotische vennootschap. Voor 2009 had Luxemburg aan de belanghebbende een E106-verklaring afgegeven. U onderschreef ’s Hofs oordeel dat ook na 1 oktober 2009 de toepasselijke sociale-zekerheidswetgeving werd bepaald door het RV en niet door Vo. 1408/71: “2.4.2. Bij de verdere beoordeling in cassatie moet er daarom van worden uitgegaan dat belanghebbende op grond van artikel 11, lid 2, van het Rijnvarendenverdrag tijdens de in geding zijnde periode uitsluitend was onderworpen aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving; het hiervoor in 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat de in Nederland gevestigde BV [B] toen – gelet op de feiten en omstandigheden van het geval – de ondernemer was voor wiens rekening het schip werd geëxploiteerd, wordt in cassatie niet bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middel I keert zich tegen ’s Hofs (…) oordeel dat de op belanghebbende toepasselijke wetgeving – ook vanaf 1 oktober 2009 – wordt bepaald op de voet van het Rijnvarendenverdrag en niet op de voet van de Verordening. Het middel faalt, aangezien dit oordeel juist is. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 9 september 2015, X en Van Dijk, C-72/14 en C-197/14, ECLI:EU:C:2015:564, punt 45 en 46, volgt dat de in artikel 7, lid 2, van de Verordening bedoelde toepasselijkheid van het Rijnvarendenverdrag meebrengt dat een rijnvarende niet valt onder de werkingssfeer van de Verordening, en de vaststelling van de op hem toepasselijke wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid daarom niet geschiedt overeenkomstig Titel II van die verordening. Gelet op de algemeen geformuleerde bewoordingen van de punten 45 en 46 van dit arrest, is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat Titel II van de Verordening ook niet toepasbaar is op een rijnvarende indien de toepassing van die titel zou leiden tot aanwijzing van de wetgeving van een lidstaat die geen partij is bij het Rijnvarendenverdrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middel II richt zich onder meer tegen het (…) oordeel van het Hof over de betekenis van de Luxemburgse E106-verklaring. Het middel faalt in zoverre, aangezien ook dit oordeel juist is (zie HR 9 december 2011, nr. 10/03927, ECLI:NL:HR:2011:BQ2938, BNB 2012/56; vgl. ook punt 47 en 48 van het hiervoor in 2.5 genoemde arrest van het Hof van Justitie in de zaken X en Van Dijk over de betekenis van een verklaring die aan een rijnvarende is afgegeven in de vorm van een E101-verklaring).”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 In de zaak HR BNB 2019/44 heeft u prejudiciële vragen van het Hof Den Bosch beantwoord over de betekenis van een A1-verklaring voor de bestuursorganen en rechters van dezelfde lidstaat (van het verklarende orgaan), in casu over de betekenis van een A1-verklaring van de Svb voor de premieheffing door de inspecteur. Zo’n verklaring bindt ook de nationale organen en rechters, ook als er rechtsmiddelen tegen zijn ingesteld die nog lopen: “5.3. De rechtskracht van een verklaring als bedoeld in artikel 19 van Verordening 987/2009 voor andere organen van de lidstaat waar deze verklaring is afgegeven, wordt niet bepaald door artikel 5 van Verordening 987/2009, noch door enige andere bepaling van Europees recht. Daarom wordt deze rechtskracht beheerst door het nationale recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1, aanhef en letter a, van het Besluit internationale taken Sociale Verzekeringsbank (Stcrt. 1995, 197) is bepaald dat de SVB onder meer tot taak heeft het verstrekken van verklaringen inzake de toepasselijke wetgeving op grond van de Verordeningen inzake sociale zekerheid van de Europese Gemeenschap. De inspecteur dient zich te richten naar de verklaring van de SVB dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is, zolang die verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard (vgl. HR 9 oktober 2009, nr. 08/02433, ECLI:NL:HR:2009:BH0546, r.o. 3.4.5, hierna: het arrest van 9 oktober 2009).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande wordt niet anders indien tegen een dergelijke verklaring van de SVB over de toepasselijke wetgeving, zoals een A1-verklaring, een rechtsmiddel is aangewend. De afgifte van die verklaring is een besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1, Awb. De werking van een zodanig besluit wordt op grond van artikel 6:16 Awb niet geschorst door een daartegen gericht bezwaar. Ook de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep hebben geen schorsende werking. Dit betekent dat de inspecteur zich in het kader van de premieheffing ook dient te richten naar een A1-verklaring van de SVB indien die verklaring nog niet onherroepelijk vaststaat (vgl. HR 21 april 2006, nr. 40686, ECLI:NL:HR:2006:AW2325). Ditzelfde geldt voor de belastingrechter als die moet oordelen over een besluit van de inspecteur met betrekking tot de heffing van premie voor de Nederlandse sociale verzekeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omstandigheid dat een A1-verklaring nog niet onherroepelijk vaststaat, staat er daarom niet aan in de weg dat de inspecteur in overeenstemming met die verklaring premie heft, en evenmin dat hij in overeenstemming daarmee uitspraak doet op een tegen dergelijke premieheffing gericht bezwaar. Als gevolg daarvan is die omstandigheid voor de belastingrechter geen reden voor gegrondverklaring van het beroep en terugwijzing van de zaak naar de inspecteur voor het nemen van een nieuw besluit als bedoeld in artikel 8:72, lid 4, letter a, Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenzo staat de omstandigheid dat een A1‑verklaring nog niet onherroepelijk vaststaat er niet aan in de weg dat de belastingrechter uitspraak doet in een geschil over de heffing van de desbetreffende premie. Wel kan die omstandigheid de belastingrechter aanleiding geven om gebruik te maken van zijn bevoegdheid de (verdere) behandeling van de zaak aan te houden, waarvoor met name grond zal bestaan indien tegen de verklaring over de toepasselijke wetgeving een rechtsmiddel is aangewend en te verwachten valt dat de verklaring niet (ongewijzigd) in stand zal blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de belastingrechter, na partijen over zijn voornemen daartoe te hebben geïnformeerd, de (verdere) behandeling van de zaak aanhoudt totdat de A1‑verklaring onherroepelijk is komen vast te staan, blijft de tijd die hiermee is gemoeid buiten beschouwing bij de beoordeling of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor berechting van de zaak (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/030907, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.7.1). De periode van aanhouding is niet aan een maximum gebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de belastingrechter de (verdere) behandeling niet aanhoudt en uitspraak doet in overeenstemming met de A1-verklaring, en nadien zou komen vast te staan dat de verklaring en daarmee ook die uitspraak onjuist waren, brengt de strekking van artikel 19 van Verordening 987/2009 mee dat de belastingrechter zijn uitspraak op verzoek van een partij met overeenkomstige toepassing van artikel 8:119 Awb kan herzien (vgl. het arrest van 9 oktober 2009, r.o. 3.4.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste prejudiciële vraag stelt (…) aan de orde wat de rechtsgevolgen zijn van een A1-verklaring die onherroepelijk vaststaat, voor zover die gevolgd is door een tweede, nog niet onherroepelijk vaststaande A1‑verklaring die (mede) dezelfde periode omvat als de eerste A1-verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad begrijpt voorts de eerste prejudiciële vraag aldus, dat het Hof in het bijzonder wenst te vernemen of het is toegestaan de behandeling van de zaak aan te houden indien het aanhangige geschil over de tweede A1-verklaring op zichzelf aanleiding daartoe zou geven, dan wel het onherroepelijke karakter van de eerste A1-verklaring in de weg staat aan een zodanige aanhouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooropgesteld wordt dat het Hof ook de bevoegdheid heeft om de (verdere) behandeling van de zaak aan te houden indien een A1-verklaring over de in geding zijnde periode onherroepelijk vaststaat, maar het Hof rekening houdt met de mogelijkheid dat die verklaring geheel of ten dele zal worden ingetrokken of ongeldig zal worden verklaard naar aanleiding van (de uitkomst van) een procedure over een andere A1-verklaring. Daarbij verdient opmerking dat uit de aard van de A1-verklaring voortvloeit dat het bevoegde orgaan van een lidstaat de bevoegdheid heeft op een verstrekte A1-verklaring terug te komen en daaraan de rechtskracht te ontnemen. Dat komt naar voren in artikel 5, lid 2, van Verordening 987/2009, waarin het bevoegde orgaan is opgedragen bij door een andere lidstaat geuite twijfel over de juistheid van de aan een A1‑verklaring ten grondslag liggende feiten te onderzoeken of die verklaring terecht is afgegeven, en die verklaring zo nodig in te trekken of ongeldig te verklaren. Ook in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt die bevoegdheid tot ongedaanmaking van een A1‑verklaring verondersteld (vgl. HvJ 6 september 2018, Alpenrind, C‑527/16, ECLI:EU:C:2018:669).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook indien de eerste onherroepelijk vaststaande A1-verklaring niet als (gedeeltelijk) ingetrokken moet worden beschouwd als gevolg van de tweede A1-verklaring, bestaat daarom de mogelijkheid dat het Hof aanleiding vindt de (verdere) behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van het uiteindelijke lot van beide A1-verklaringen. Of daartoe aanleiding bestaat, is ter beoordeling van het Hof.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Op dezelfde dag heeft u met verwijzing naar art. 81(1) Wet RO verworpen de stellingen van een in Nederland wonende Rijnvarende, werkzaam op een schip van een Nederlandse eigenaar, dat (i) Nederland op grond van Besluit nr. 4 van het ACR, het EU-beginsel van loyale samenwerking en de goede verdragstrouw verplicht zou zijn om een Luxemburgse E101-verklaring te respecteren en dat (ii) de EU-rechtelijke vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginselen en de Nederlandse beginselen van behoorlijk bestuur zouden nopen tot respectering van die ten onrechte afgegeven Luxemburgse verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16 Hof Den Bosch heeft u op 27 september 2018 in een zaak over de verzekeringsplicht van rijnvarenden prejudiciële vragen voorgelegd over (i) de consequenties van het niet-naleven van de procedurevoorschriften van Vo. 883/2004 en (ii) de betekenis van een onder Vo. 1408/71 afgegeven Luxemburgse E101-verklaring onder diens opvolger Vo. 883/2004. Het Hof Den Bosch nam de volgende aanloop: “Heeft belanghebbende zelf de procedurevoorschriften nageleefd?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof constateert, dat belanghebbende niet overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van de toepassingsverordening de SVB in kennis heeft gesteld van de omstandigheid dat hij in twee of meer lidstaten werkzaamheden verrichtte.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft de Inspecteur aangevoerd, (…), dat belanghebbende na 1 mei 2010 evenmin een aanvraag heeft ingediend als bedoeld in artikel 87, achtste lid, van de basisverordening [zie 4.42 hierboven; PJW] om op basis van deze verordening onderworpen te worden aan de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg. (…) is het overigens de vraag of dit artikel op belanghebbende van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 87, achtste lid van de basisverordening beoogt te voorkomen, kort weergegeven, dat bij een ongewijzigde situatie door de invoering van de basisverordening de sociale zekerheidswetgeving van een andere lidstaat van toepassing wordt dan de sociale zekerheidswetgeving die op belanghebbende van toepassing was tot 1 mei 2010 op grond titel II van de Verordening nr. 1408/71. Uit (…) HvJ (…) X en Van Dijk [zie 5.4 hierboven; PJW] volgt evenwel, dat tot 1 mei 2010 titel II van de Verordening nr. 1408/71 niet op belanghebbende van toepassing was, omdat op grond van Titel I, artikel 7, tweede lid, aanhef, onderdeel a van de Verordening 1408/71 in plaats van deze verordening het Rijnvarendenverdrag van toepassing was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeeld naar de tekst van artikel 87, achtste lid van de basisverordening is dit artikel niet op belanghebbende van toepassing en is dus evenmin aan de orde dat belanghebbende een aanvraag had moeten indienen om op basis van de basisverordening onderworpen te worden aan de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg. In de Praktische gids is op pagina 54, in voetnoot 57 echter vermeld dat de Administratieve Commissie is overeengekomen dat artikel 87, lid 8, van de basisverordening ook van toepassing is op Rijnvarenden voor wie de toepasselijke wetgeving voorheen werd vastgesteld op grond van artikel 7, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 [zie onderdeel 4.44 hieronder; PJW]. Een besluit met een dergelijke inhoud is echter niet terug te vinden in het overzicht van besluiten en aanbevelingen die geldend zijn, in het bijzonder niet in de besluiten van de A-serie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooralsnog is er geen aanleiding van uit te gaan, dat artikel 87, achtste lid, van de basisverordening geldt voor Rijnvarenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vraag of de omstandigheid dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de meldingsplicht als bedoeld in artikel, 16, eerste lid van de toepassingsverordening tot gevolg moet hebben dat niet kan worden uitgesloten dat belanghebbende aan de sociale zekerheidswetgeving van twee lidstaten kan worden onderworpen en dat hij in twee lidstaten sociale verzekeringspremies moet betalen overweegt het Hof als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de preambule bij de toepassingsverordening onder (9), (…), volgt dat als een belanghebbende zijn aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegde orgaan niet volgens de voorschriften en procedures van de basisverordening of de toepassingsverordening heeft ingediend dit niet tot gevolg mag hebben dat die belanghebbende wordt benadeeld, zoals belanghebbende ook verdedigt. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in artikel 16, zesde lid, van de toepassingsverordening, waarin is bepaald dat dit artikel wordt toegepast op initiatief van het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats aangewezen orgaan, zodra het, eventueel via een ander betrokken orgaan, in kennis is gesteld van de situatie van de betrokkene. Hieruit concludeert het Hof, dat, ook indien belanghebbende zelf de procedurevoorschriften niet heeft nageleefd, de bevoegde autoriteit uit hoofde van de preambule bij de toepassingsverordening onder (9) een bijzondere inspanningsverplichting ten behoeve van de verzekerden heeft om het doel van de basisverordening en de toepassingsverordening, namelijk dat iemand slechts aan de wetgeving van één lidstaat wordt onderworpen, te bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorenstaande brengt het Hof tot de voorlopige conclusie, dat de omstandigheid dat belanghebbende zelf de procedurevoorschriften in de basisverordening en de toepassings-verordening niet heeft nageleefd niet tot gevolg mag hebben dat hij wordt onderworpen aan de sociale zekerheidswetgeving van twee lidstaten en in twee lidstaten sociale verzekeringspremies moet betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft Nederland de procedurevoorschriften nageleefd?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de basisverordening, de toepassingsverordening en de uitzonderingsovereenkomst is de bevoegde autoriteit de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en is het bevoegde orgaan de SVB. Uit randnummer 2.8 volgt dat de SVB een A1-verklaring voor de onderhavige jaren heeft afgegeven, maar die vervolgens bij uitspraak op bezwaar ook weer heeft ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">De SVB heeft na de intrekking van de A1-verklaring niets meer gedaan. De SVB heeft volstaan met de constatering dat zij verzuimd heeft zelf relevante informatie te verzamelen en het daarbij gelaten. Aldus lijkt de conclusie te moeten zijn, dat Nederland de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1 om Luxemburg en Nederland op één lijn te krijgen niet heeft nageleefd en dat de SVB geen bijzondere inspanning heeft geleverd om overeenstemming te bereiken in het meningsverschil met Luxemburg inzake deze complexe materie. Voorts lijkt er geen sprake te zijn geweest van een, in het Besluit A1 in de preambule onder (4) gememoreerde, loyale samenwerking tussen lidstaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betekenis van het niet naleven van de procedurevoorschriften door Nederland voor de belastingprocedure 4.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervolgvraag is wat de consequenties zijn van de zojuist bij wege van voorlopige oordeelsvorming geconstateerde niet-naleving van de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1 door Nederland voor de belastingprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de basisverordening, de toepassingsverordening en de uitzonderingsovereenkomst is de bevoegde autoriteit de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en is het bevoegde orgaan de SVB. In het kader van de belastingprocedure kan de belastingrechter de SVB niet opdragen alsnog de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1 na te leven, zoals de Centrale Raad van Beroep in een zaak heeft gedaan (CRvB 29 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4469).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdedigd zou kunnen worden, dat het niet naleven van de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1 door Nederland slechts aan de orde kan komen in de rechterlijke kolom die heeft te oordelen over besluiten van de SVB, zoals de Inspecteur stelt. In dat geval kan in de belastingprocedure geen consequentie worden verbonden aan het niet naleven van de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassings-verordening en het Besluit A1 door Nederland. Daaraan zou ten grondslag kunnen worden gelegd dat het onderhavige Unierecht op zichzelf beschouwd zich niet lijkt te verzetten tegen de in Nederland geldende scheiding van bevoegdheden tussen de SVB (kortweg: de verzekeringsplicht) en de inspecteur (kortweg: de premieplicht). De heffing van de premie volksverzekeringen zou in deze redenering onverwijld kunnen plaatsvinden. Het gevolg van deze opvatting zou zijn dat het voor belanghebbende wachten is totdat de SVB aan haar bijzondere inspanningsverplichting gaat voldoen om volgens de procedurevoorschriften de voor de toepassing van de verordeningen en de uitzonderingsovereenkomst relevante feiten zorgvuldig en juist vast te stellen en om met betrekking tot het meningsverschil tussen Nederland en Luxemburg ten aanzien van de vaststelling van de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving binnen een redelijke termijn tot overeenstemming te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">In plaats van wachten zou belanghebbende de toegang tot deze rechterlijke kolom kunnen bereiken door de SVB te bewegen tot het nemen van een besluit inzake de vaststelling van de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving. Hiertegen kan worden ingebracht dat op Nederland een bijzondere inspanningsverplichting als bovenbedoeld rust. Nederland moet zich bijzonder inspannen zonder daartoe te worden aangespoord door belanghebbende. Zoals hiervoor (in overweging 4.18) is overwogen, rust namelijk op Nederland deze bijzondere inspannings-verplichting juist ook als een belanghebbende zijn aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegde orgaan niet volgens de voorschriften en procedures van de basisverordening of de toepassingsverordening heeft ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Uniewetgever heeft beoogd, dat, ook indien een belanghebbende nalaat zijn bijdrage te leveren aan het op één lijn krijgen van de lidstaten, deze belanghebbende niet mag worden benadeeld door op deze belanghebbende de sociale verzekeringswetgeving van twee of meer lidstaten toe te passen en in twee of meer lidstaten van die belanghebbende sociale verzekeringspremies te heffen. Kennelijk heeft de Uniewetgever met deze bijzondere inspanningsverplichting beoogd tot een volledigere en effectievere coördinatie te komen dan voorheen (zie onder (32) van de preambule van de basisverordening, geciteerd onder 4.10 hiervoor). Uit de preambule onder (6) bij de toepassingsverordening (geciteerd onder 4.14) volgt, dat de Uniewetgever deze volledigere en effectievere coördinatie wenst te bereiken door een versterking van de procedures.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kent het HvJ aan het naleven van de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1 veel gewicht toe (vgl. HvJ 11 juli 2018, Commissie-België, C-356/15, ECLI:EU:C:2018:555, r.o. 95, 96 en 105). Uit HvJ 11 juli 2018, Commissie-België, C-356/15, ECLI:EU:C:2018:555, r.o. 105 zou kunnen worden afgeleid, dat het Nederlandse wettelijke stelsel, zoals de Inspecteur dat verdedigt, waarin de SVB het bevoegde orgaan is om de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1 na te leven, en de Inspecteur niet, en de Inspecteur dientengevolge zonder deze procedurevoorschriften na te (kunnen) leven zelfstandig de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving vaststelt en overgaat tot heffing van premie volksverzekeringen, niet voldoet aan de Unierechtelijke verplichting om bij meningsverschillen tussen lidstaten de dialoog- en bemiddelingsprocedure van de basisverordening en de toepassingsverordening op te starten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar komt bij dat, al aangenomen dat de inspecteur (of de ontvanger) van de Belastingdienst het in artikel 73, tweede lid van de toepassingsverordening bedoelde orgaan is, het Nederlandse wettelijke stelsel (in de praktijk) er niet in voorziet dat de inspecteur (of de ontvanger) van de Belastingdienst, nadat volgens de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassings-verordening en het Besluit A1 zou zijn vastgesteld dat belanghebbende in Nederland verzekerings- en premieplichtig is, over te gaan tot verrekening van de in de andere lidstaat reeds geheven sociale verzekeringspremies als bedoeld in artikel 73, tweede lid van de toepassingsverordening, gelet op het standpunt van de Inspecteur dat belanghebbende om teruggave in Luxemburg moet verzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beslissing van de belastingrechter om het niet naleven van de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1 door Nederland te negeren, past niet bij de tussen lidstaten vereiste loyale samenwerking en de rol die de belastingrechter daarbij heeft te vervullen. Deze gedachte zou ertoe kunnen nopen om aan het niet naleven van de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1 door Nederland de consequentie te verbinden dat de Inspecteur (vooralsnog) niet de premie volksverzekeringen kan heffen, nu daarvoor een andere lidstaat ook al heeft geheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval moet de onderhavige navorderingsaanslag worden vernietigd en de andere belastingaanslagen moeten worden verminderd met het premiedeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onder 4.28 geopperde gedachte hoeft in algemene zin niet te betekenen, dat nimmer meer premie volksverzekeringen kunnen worden geheven als een andere lidstaat ook al sociale verzekeringspremies heeft geheven. Als Nederland de procedurevoorschriften in de basis-verordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1 niet heeft nageleefd vóórdat belasting-aanslagen worden opgelegd kunnen bij deze belastingaanslagen geen premie volksverzekeringen worden geheven als een andere lidstaat ook al sociale verzekeringspremies heeft geheven, maar de premie volksverzekeringen kunnen nadien nog wel worden nagevorderd (binnen de navorderingstermijn) nadat Nederland de procedurevoorschriften alsnog heeft nageleefd en de uitkomst is dat Nederland mag heffen en de andere lidstaat niet. In dat geval wordt het doel van de basisverordening, de toepassingsverordening en de uitzonderingsovereenkomst, namelijk dat belanghebbende slechts aan de wetgeving van één lidstaat wordt onderworpen, bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de opvatting, dat Nederland (nu nog) niet mag heffen, pleit in het onderhavige geval voorts het bepaalde in artikel 6, eerste lid, aanhef onderdeel c van de toepassingsverordening. Daarin is bepaald dat in geval van een meningsverschil tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, op de betrokkene voorlopig de sociale verzekeringswetgeving van één van deze lidstaten wordt toegepast. Indien in twee of meer lidstaten werkzaamheden worden verricht, wordt de sociale verzekeringswetgeving van de lidstaat, waar het eerst om toepassing van de wetgeving is verzocht, toegepast. In het onderhavige geval heeft belanghebbende door het aanvragen van een E101-verklaring, dan wel heeft de werkgever in onderhavige jaren in Luxemburg verzocht om toepassing sociale verzekeringswetgeving van Luxemburg voordat de belastingaanslagen zijn opgelegd. Dat zou eveneens kunnen nopen tot de conclusie, dat Nederland – voorlopig – geen premie volksverzekeringen mag heffen totdat de desbetreffende lidstaten zijn overeengekomen dat belanghebbende verzekerd en dus premieplichtig is in Nederland en niet in Luxemburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de opvatting, dat Nederland (nu nog) niet mag heffen pleit in het onderhavige geval tevens het bepaalde in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. In dit artikel is onder aanhef, onderdeel a bepaald dat de Inspecteur een belastingaanslag, die op een te hoog bedrag is vastgesteld, niet ambtshalve vermindert als vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. In de onderhavige zaak zijn deze vijf jaren reeds verlopen voor de jaren 2011 en 2012 en voor het jaar 2013 zullen deze vijf jaren eind 2018 zijn verlopen. Dit betekent als in de onderhavige zaken de belastingrechter beslist dat belanghebbende in Nederland verzekerings- en premieplichtig is en deze uitspraak onherroepelijk is geworden, dat belanghebbende geen recht heeft op ambtshalve vermindering als nadien, al dan niet volgens de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1, tussen Luxemburg en Nederland zou worden vastgesteld dat in afwijking van die onherroepelijke uitspraak van de belastingrechter belanghebbende in Luxemburg, en niet in Nederland, verzekerings- en premieplichtig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omstandigheid, dat een belanghebbende na een onherroepelijke uitspraak van de belastingrechter wellicht, naar analogie van Hoge Raad 9 oktober 2009, nr. 08/02433, ECLI:NL:HR:2009:BH0546, om herziening van die rechterlijke uitspraak zou kunnen verzoeken biedt geen oplossing voor belanghebbenden die het niet hebben kunnen opbrengen om (bezwaar en) (hoger) beroep en beroep in cassatie in te stellen om een rechterlijke uitspraak uit te lokken waarin zij in het ongelijk worden gesteld, om zo doende te beschikken over een rechterlijke uitspraak die wellicht kan worden herzien als blijkt dat zij toch gelijk hadden. De omstandigheid dat na verloop van bovenbedoelde vijf jaren geen recht bestaat op een ambtshalve vermindering klemt temeer, nu de Belastingdienst, zoals hiervoor overwogen, in de praktijk de in Nederland reeds geheven sociale verzekeringspremies niet laat verrekenen als bedoeld in artikel 73, tweede lid van de toepassingsverordening, nog daargelaten of, zoals hiervoor overwogen, de Belastingdienst het in artikel 73, tweede lid van de toepassingsverordening bedoelde orgaan is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof acht onvoldoende duidelijk wat de consequenties van de hiervóór voorlopig geschetste schending van de procedurevoorschriften zijn voor de heffing van de premie volksverzekeringen. Aangezien het Hof bij zijn uitspraken van 19 april 2018, 16/03715, ECLI:NL:GHSHE:2018:1644 en 16/03797, ECLI:NL:GHSHE:2018:1665 in verwante kwesties reeds prejudiciële uitleggingsvragen aan de Hoge Raad heeft gesteld en de onderhavige zaak het Hof destijds nog onbekend was, acht het Hof het aangewezen de onderhavige kwestie alsnog ook prejudicieel aan de Hoge Raad voor te leggen, opdat een zo compleet mogelijk beeld van de onderwerpelijke problematiek aan de Hoge Raad wordt voorgelegd. Het Hof zal derhalve de vraag of de belastingrechter het niet naleven van de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1 door Nederland niet moet negeren, maar daaraan, om het op de loyale samenwerking tussen de bevoegde organen van de lidstaten gebaseerde stelsel niet in gevaar te brengen, de consequentie moet verbinden dat over onderhavige jaren (nog) geen premie volksverzekeringen kunnen worden geheven, prejudicieel aan de Hoge Raad voorleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">E101-verklaring 4.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende heeft gesteld dat de E101-verklaring vanaf 1 mei 2010 rechtskracht heeft en dat Nederland in onderhavige gevallen daaraan is gebonden. De Inspecteur heeft gesteld, dat de E101-verklaring is ingetrokken, hetgeen door belanghebbende is betwist.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.35.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest X en Van Dijk heeft het HvJ, voor zover te dezen van belang, het volgende overwogen: [volgen de r.o. 46 tot 48 uit het HvJ-arrest X en Van Dijk; zie onderdeel 5.4 hierboven; PJW] 4.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorlopig vooronderstellenderwijs met belanghebbende aannemende dat de E101-verklaring niet is ingetrokken geldt dat voor 1 mei 2010 deze verklaring niet kon worden geacht een E101-verklaring te zijn en Nederland niet bond. Deze gevolgtrekkingen door het HvJ zijn gebaseerd op artikel 7, tweede lid, aanhef, onderdeel a van de Verordening 1408/71. Met de invoering van de basisverordening is dit artikel vervallen en wordt voor Rijnvarenden de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving niet meer bepaald, met uitsluiting van die verordening, door het Rijnvarendenverdrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende stelt de vraag aan de orde of Nederland na 1 mei 2010 voor de onderhavige jaren aan de E101-verklaring is gebonden. Als deze vraag bevestigend zou moeten worden beantwoord dient het Hof te beslissen over de tussen partijen bestaande twist of de E101-verklaring is ingetrokken of ongeldig verklaard. Als deze vraag ontkennend zou moeten worden beantwoord hoeft het Hof zich niet meer te buigen over de tussen partijen bestaande twist of de E101-verklaring is ingetrokken of ongeldig verklaard. Het antwoord op de vraag of Nederland na 1 mei 2010 voor onderhavige jaren aan de E101-verklaring is gebonden is derhalve relevant voor de door het Hof te nemen beslissing en, mede in aanmerking genomen dat het gaat om een rechtsvraag, daarom zal het Hof ook daaromtrent aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag voorleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de opvatting van belanghebbende pleit, dat de bepaling (artikel 7, tweede lid, aanhef, onderdeel a van de Verordening 1408/71), op grond waarvan de E101-verklaring voor 1 mei 2010 niet kon worden geacht een E101-verklaring te zijn en Nederland niet bond, met ingang van 1 mei 2010 niet meer bestaat, zodat de conclusie zou kunnen zijn dat met ingang van 1 mei 2010 de E101-verklaring een dergelijke verklaring is en Nederland bindt. Tegen de opvatting van belanghebbende pleit, dat een E101-verklaring die onder de voormalige regelgeving niet als een E101-verklaring kon worden aangemerkt en (derhalve) geen bindende werking had, een en ander in verband met de speciale regeling ingevolge het Rijnvarendenverdrag, enkel wegens het ontbreken van een bepaling gelijk aan artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van Verordening 1408/71 in de huidige basisverordening bindende werking zou hebben verkregen. Daartegen pleit immers het ontbreken van een (overgangs)bepaling die dat rechtsgevolg in het leven roept. Artikel 6, tweede lid, van de uitzonderingsovereenkomst lijkt, anders dan belanghebbende betoogt, dat rechtsgevolg in ieder geval niet te bewerkstelligen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prejudiciële vragen 4.39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorenstaande bracht het Hof tot het oordeel dat het aangewezen is de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen:</p>\n<p class=\"lf-p\">I. Dient aan het door Nederland niet naleven van de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1 de consequentie te worden verbonden dat de Inspecteur geen premie volksverzekeringen van een belanghebbende kan heffen, als een andere lidstaat deze belanghebbende reeds aan de toepassing van zijn sociale verzekeringswetgeving heeft onderworpen en reeds eerder van die belanghebbende sociale verzekeringspremies heeft geheven?</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Is Nederland na 1 mei 2010 gebonden aan een voor deze datum door de bevoegde Luxemburgse autoriteit afgegeven E101-verklaring, terwijl deze aan een Rijnvarende afgegeven E101-verklaring op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef, onderdeel a van de Verordening 1408/71 voor 1 mei 2010 niet kon worden geacht een E101-verklaring te zijn en deze E101-verklaring daarom Nederland niet bond voor deze datum?”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij arrest gepubliceerd in BNB 2019/45 heeft u afgezien van beantwoording van deze prejudiciële vragen omdat de eerste vraag inmiddels al beantwoord was en de feitelijke grondslag van de tweede vraag niet vast stond: “4. (…). Bij de beoordeling of de vragen zich lenen voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, gaat de Hoge Raad uit van het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2011, 2012 en 2013 in Nederland. In die jaren was belanghebbende in loondienst werkzaam op een binnenschip ten behoeve waarvan een rijnvaartverklaring is afgegeven. Belanghebbende stond in die jaren op de loonlijst van een vennootschap naar het recht van Luxemburg, gevestigd te Luxemburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan belanghebbende is door de bevoegde Luxemburgse autoriteiten op 24 maart 2006 een E101-verklaring afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat het Hof belanghebbende en de Inspecteur gelegenheid had gegeven zich uit te laten over het voornemen van het Hof om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, heeft de Inspecteur aan het Hof een tot belanghebbende gerichte A1-verklaring van 19 september 2018 van de SVB overgelegd. In die verklaring staat onder meer dat deze geldt van 1 januari 2011 tot 16 november 2014, dat belanghebbende werknemer is van [C], dat hij werkzaam is op het schip [A] en dat de exploitant [B] B.V. te Nederland is. Daarbij heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat het stellen van de voorgenomen prejudiciële vragen niet meer relevant is, omdat de A1-verklaring van 19 september 2018 bindend is voor de Inspecteur en voor het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.Vervolgens heeft het Hof onder meer overwogen dat het, gelet op de bij zijn uitspraken van 19 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1644 en ECLI:NL:GHSHE:2018:1665, aan de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vragen, aangewezen is de onderhavige kwestie alsnog ook prejudicieel aan de Hoge Raad voor te leggen, opdat een zo compleet mogelijk beeld van de onderwerpelijke problematiek aan de Hoge Raad wordt voorgelegd (rechtsoverweging 4.56).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De prejudiciële vragen zijn voorgelegd na de hiervoor in 4.1.3 genoemde A1-verklaring van 19 september 2018 en behelzen daarmee naar de kern genomen de vraag naar de werking van een door de SVB verstrekte A1-verklaring in een belastingrechtelijke procedure. Deze vraag heeft reeds zijn beantwoording gevonden in het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018, nr. 18/01619, ECLI:NL:HR:2018:1725 [zie 5.14 hierboven; PJW], zodat er geen aanleiding is om de vragen op de voet van de artikelen 27ga e.v. AWR te beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag komt daar het volgende bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het Hof heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat de E101-verklaring nimmer is ingetrokken. De Inspecteur heeft daarentegen aangevoerd dat de E101-verklaring niet meer geldig is. Daarbij heeft de Inspecteur vermeld dat hij bij brief van 1 augustus 2016 het bevoegde orgaan in Luxemburg heeft verzocht de E101-verklaring ongeldig te verklaren en dat het bevoegde orgaan in Luxemburg vervolgens bij brief van 2 augustus 2016 aan de SVB heeft bericht dat de E101-verklaring met ingang van 1 januari 2007 is ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft niet vastgesteld of de E101-verklaring nog van kracht is. Indien voor het Hof komt vast te staan dat de E101-verklaring niet meer geldig is, is de tweede prejudiciële vraag niet ter zake dienend. Daarom kan thans niet worden gezegd dat een antwoord op de tweede vraag nodig is om op het hoger beroep te beslissen, zoals artikel 27ga, lid 1, AWR vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het voorgaande zal de Hoge Raad, gehoord de Procureur-Generaal, afzien van beantwoording van de prejudiciële vragen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.17 De zaak CRvB 29 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4469, RSV 2018/24, waarop het Hof Den Bosch in r.o. 4.23 wees, wordt ook ingeroepen in sommige van de zaken waarin deze bijlage de conclusie vergezelt. De zaak betrof een uitzendbureau voor binnenvaartpersoneel op de Rijnvaart. Dat personeel woonde in Nederland. Het bedrijf begon in Nederland en werd verplaatst naar Luxemburg, waar het in twee vennootschappen werd uitgeoefend die failliet gingen, waarna de activiteiten zijn overgenomen door een statutair te Cyprus gevestigde vennootschap, die de Svb vroeg om te bevestigen dat de Cypriotische sociale-zekerheidswetgeving van toepassing was. Zowel het bedrijf als de rijnvarenden waren weigerachtig door de Svb van hen gevraagde informatie te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de wel voorhanden informatie verklaarde de Svb Nederlands recht van toepassing. De CRvB achtte de obstructie door het bedrijf en de rijnvarenden echter geen rechtvaardiging voor eenzijdige definitieve vaststelling van de toepasselijke sociale-zekerheidswetgeving. Op vermoedens en op obstructie door de betrokkenen kon echter wel een voorlopige vaststelling ex art. 16 Vo. 987/2009 gebaseerd worden. Op art. 14(5)(bis) Vo 987/2009 en de Praktische Gids van de Administratieve Commissie baseerde de CRvB het oordeel dat de zetel van het uitzendbureau zich in Cyprus bevond, nu daar de voornaamste beslissingen betreffende de onderneming werden genomen en de centrale bestuurstaken werden uitgeoefend; van een brievenbus of zuiver payroll-geval was geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een vennootschap haar statutaire zetel verplaatst om elders onder gunstiger wetgeving te vallen, is volgens de CRvB geen bedrog of misbruik en strookt met de vrijheid van vestiging. De CRvB bepaalde vervolgens op basis van art. 14(8) en (10) Vo. 987/2009 of de rijnvarenden een substantieel deel van hun werkzaamheden hadden verricht in hun woonland Nederland, kennelijk omdat hij de Rijnvarendenovereenkomst niet van toepassing achtte omdat Cyprus daarbij geen partij is. Hij achtte niet onredelijk dat de Svb er vanuit ging dat rijnvarenden in Nederland werken als de schepen zich gedurende hun diensttijd in Nederlandse binnenwateren bevinden. Daarvan uitgaande, wees art. 13(1) Vo. 883/2004 de Nederlandse wetgeving aan en moest de toepasselijke wetgeving worden vastgesteld met toepassing van art. 4 Rvov, aldus de CRvB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is de wetgeving van het land waarin de onderneming was gezeteld die het Rijnvaartschip exploiteerde waarop de werknemer werkte. Dat was Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18 Deze zaak lijkt mij niet veel licht op de thans door u te berechten zaken te werpen, nu het uitzendbureau in deze zaak op Cyprus zat en niet in Luxemburg of een andere Rijnoeverstaat die partij is bij de Rijnvarendenovereenkomst die de aanwijsregels van Vo. 883/2004 uitschakelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19 Op 28 augustus 2019 heeft de CRvB de Svb opgedragen om nieuwe besluiten te nemen over de verzekeringsplicht van Rijnvarenden omdat de Svb de EU-procedurevoorschriften om dubbele premieheffing te voorkomen niet had nageleefd. Uit HR BNB 2019/44 (zie 5.14 hierboven) volgt dat met EU-recht onverenigbare dubbele heffing in beginsel niet kan worden voorkomen of hersteld door de inspecteur of de belastingrechter, zodat alleen de Svb en de sociale zekerheidsrechter uitkomst kunnen bieden en dat dan ook moeten doen. Het ging ook in deze zaak om een uitzendbureau op Cyprus voor in Nederland wonende rijnvarenden, dus om een EU-lidstaat die géén partij is bij de RV of de Rvov. De CRvB verwierp in die zaak het standpunt dat toepassing van de Rijnvarendenovereenkomst (ook) de procedurele regels van Vo. 883/2004 buiten toepassing zou plaatsen, nu volgens art. 16 Vo. 883/2004 de Rijnvarendenovereenkomst alleen kan afwijken van de materiële aanwijsregels van art. 11 t/m 15 Vo. 883/2004; niet van de procedurele regels van Vo. 833/2004: “8. De toetsing van de bestreden besluiten bij de aangevallen uitspraak 8.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Svb heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de procedurevoorschriften van artikel 16 van Vo 987/2009 geen rol zouden moeten mogen spelen in nationale procedures over de toepassing van artikel 13 van Vo 883/2004. De Raad verwerpt dit standpunt onder punt 11.3.1 van deze uitspraak op de daar weergegeven gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Appellanten (…) kunnen zowel een belang hebben bij een oordeel over de naleving van de geldende materiële regelgeving als bij een oordeel over de naleving van de geldende procedurele voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat appellanten hebben aangevoerd dat er te Cyprus voor betrokkenen premies zijn afgedragen en dat dit desgevraagd kan worden bewezen, wijst de Raad in het bijzonder op de tweede en derde volzin van het tweede lid van artikel 73 van Vo 987/2009. Indien Vo 883/2004 en Vo 987/2009 van toepassing zijn en de Svb met inachtneming van de procedurevoorschriften van artikel 16 van Vo 987/2009 over een periode de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op een werknemer van toepassing heeft verklaard, dienen vanaf 1 mei 2010 de socialezekerheidsorganen van andere Lidstaten die over de betreffende periode ten onrechte premies voor betrokkene hebben ontvangen, deze premies op verzoek van het Nederlandse bevoegde orgaan, over te maken aan dit orgaan, opdat deze premies worden verrekend met de over dezelfde periode voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving verschuldigde premies. Door deze sinds 1 mei 2010 dwingend voorgeschreven samenwerking voorkomen de socialezekerheidsorganen van de verschillende betrokken Lidstaten met het Unierecht onverenigbare dubbele heffingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tot 1 mei 2010 van toepassing zijnde Rijnvarendenverdrag voorziet niet in een zelfde soort dwingende regeling als opgenomen is in Vo 987/2009 om de verzekerings- en premieplicht van werknemers die werken in twee of meer staten vóóraf te coördineren. Evenmin voorziet de Nederlandse wettelijke regeling in de verrekening met de premieaanslag of in aftrek op het inkomen van in het buitenland afgedragen premies voor de sociale zekerheid ter voorkoming van dubbele lasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Unierecht verzet zich ertegen dat Lidstaten zich onttrekken aan het bepaalde in artikel 73 van Vo 987/2009 op, bijvoorbeeld, de grond dat de toepasselijke wetgeving in afwijking van artikel 6 van Vo 987/2009 en van artikel 16 van Vo 987/2009 niet eerst uitdrukkelijk voorlopig is vastgesteld, en/of de grond dat ontvangen premies niet zijn geoormerkt als voorlopig ontvangen premies. Indien aangewezen organen van de Lidstaten procedurevoorschriften van Vo 987/2009 niet in acht nemen en artikel 73 van Vo 987/2009 alleen daarom naar de letter niet van toepassing zou zijn, moeten de betrokken organen in onderling overleg bezien hoe zij, in overeenstemming met de ratio van deze bepaling, toch adequaat invulling kunnen geven aan het hieraan ten grondslag liggende uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad herinnert in dit verband aan punt 34 van het arrest van het HvJEU van 21 maart 2018, Klein Schiphorst, C-551/16, ECLI:EU:C:2018:200, waar is overwogen dat bij de uitleg van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie 5.6 hierboven;PJW]. Verder herinnert de Raad aan het arrest van het HvJEU van 19 juni 2003, Sante Pasquini, C-34/02, ECLI:EU:C:2003:366, punt 70 e.v., waarbij – in essentie – is bevestigd dat migrerende werknemers er niet de dupe van mogen worden dat regels die de betrekkingen tussen socialezekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen, niet of niet volledig worden nageleefd [zie 5.3 hierboven; PJW].</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1725) [zie 5.14 hierboven; PJW] volgt dat zowel de Belastingdienst als de belastingrechter in het kader van de premieheffing dienen te handelen en oordelen overeenkomstig de inhoud van door de Svb afgeven A1-verklaringen. Dit betekent dat met het Unierecht onverenigbare dubbele heffingen in situaties als aan de orde in de voorliggende zaken in beginsel niet kunnen worden voorkomen of hersteld door de Belastingdienst en de belastingrechter. Dat kunnen in de Nederlandse context alleen de Svb en de socialezekerheids-rechter. De Svb is voor de hier aan de orde zijnde Unierechtelijke regelgeving immers voor Nederland de bevoegde autoriteit. Ingevolge Nederlands nationaal recht is de Belastingdienst bevoegd ter zake van de heffing van premie volksverzekeringen, maar de Belastingdienst is niet de bevoegde autoriteit om in overleg met (een) andere lidsta(a)t(en) te coördineren in welke lidstaat iemand verzekerings- en premieplichtig is en ook niet om een verrekening te bewerkstelligen van in een andere lidstaat reeds betaalde socialeverzekeringspremies.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ligt dan ook, mede gelet op de preambule bij Vo 987/2009, punten 9 en 10, in de rede dat de Svb zich mede verantwoordelijk acht voor een verrekening van in een andere lidstaat reeds betaalde socialeverzekeringspremies als bedoeld in het tweede lid van artikel 73 van Vo 987/2009 indien naderhand blijkt dat iemand in Nederland verzekerings- en premieplichtig is en niet in een andere lidstaat, waar reeds sociale verzekeringspremies zijn betaald. Ook CAK dient - met enige nuance waar het gaat om de oplegging van boetes - bij de uitvoering van de Zorgverzekeringswet te handelen overeenkomstig de inhoud van door de Svb afgeven A1-verklaringen. De Raad herinnert in dit verband aan zijn uitspraak van 9 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2467.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op punt 8.1 tot en met punt 8.8 heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad bij de aangevallen uitspraak ten onrechte goeddeels in het midden gelaten of de Svb bij de bestreden besluiten is uitgegaan van het juiste toetsingskader. Bovendien berust de aangevallen uitspraak gedeeltelijk op een niet toereikend gefundeerde vaststelling van de feiten, zoals wel is vereist ingevolge de preambule bij Vo 987/2009, punt 10. De aangevallen uitspraak zal om die redenen worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad allereerst per betrokkene individueel beoordelen welk toetsingskader van toepassing is. Daartoe zal de Raad om te beginnen antwoord geven op de voorvraag of het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst in principe van toepassing kunnen zijn op de verzekeringspositie van een werknemer die een werkgever heeft te Cyprus. (…).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>Procedurevoorschriften (…).</div>\n<p class=\"lf-p\">11.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Svb heeft ter zitting van 29 maart 2019 het standpunt ingenomen dat de procedurevoorschriften van artikel 16 van Vo 987/2009 betrekking hebben op de onderlinge verhouding tussen de organen van de betrokken lidstaten, en geen rol mogen spelen in nationale procedures over de toepassing van artikel 13 van Vo 883/2004. In geval van twijfel hierover zou de Raad een prejudiciële vraag moeten stellen aan het HvJEU. Ter onderbouwing van zijn stellingname heeft de Svb zich beroepen op het arrest van het HvJEU van 19 juni 2003, C-34/02, Sante Pasquini, ECLI:EU:C:2003:366, punt 70 e.v., en op de conclusie van advocaat-generaal P. Mengozzi van 29 november 2017, Klein Schiphorst, C-551/16, ECLI:EU:C:2017:920, punt 50 en punt 67. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad verwerpt de onder 11.2.1 weergegeven stelling dat de procedurevoorschriften van artikel 16 van Vo 987/2009 geen rol mogen spelen in nationale procedures over de toepassing van artikel 13 van Vo 883/2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.1.1. In dit verband wordt allereerst herinnerd aan artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Daarin is verankerd dat verordeningen, zoals Vo 883/2004 en Vo 987/2009, verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.1.2. Verder wordt overwogen dat artikel 13 van Vo 883/2004 niet alleen onlosmakelijk verbonden is met artikel 14, leden 5 tot en met 11, van Vo 987/2009, maar ook met de procedurevoorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 6 en 16 van Vo 987/2009 met het op die artikelen gebaseerde Besluit A1 van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. 2010/C 106/01) van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (Besluit A1). Artikel 13 van Vo 883/2004, artikel 6 van Vo 987/2009, artikel 16 van Vo 987/2009 en het Besluit A1 maken immers deel uit van een regeling die onder meer is gericht op het voorkomen van dubbele heffingen over het inkomen en het voorkomen van dubbele uitkeringen van werknemers die hun werkzaamheden plegen te verrichten in twee of meer lidstaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.1.3. Gegeven deze samenhang kunnen socialezekerheidsorganen niet op een juiste wijze toepassing geven aan artikel 13 van Vo 883/2004 zonder op een juiste wijze toepassing te geven aan artikel 6 van Vo 987/2009, artikel 16 van Vo 987/2009 en het Besluit A1, en kan de nationale socialezekerheidsrechter de toepassing van artikel 13 van Vo 883/2004 niet goed beoordelen zonder ook de toepassing van artikel 6 van Vo 987/2009, artikel 16 van Vo 987/2009 en het Besluit A1 goed te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.1.4 In het arrest Sante Pasquini is – in essentie – bevestigd dat migrerende werknemers er niet de dupe van mogen worden dat regels die de betrekkingen tussen socialezekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen, niet of niet volledig worden nageleefd. In deze gedingen is het aan de Raad om te waarborgen dat betrokkenen er niet de dupe van worden dat de in deze overweging genoemde procedurevoorschriften niet of niet volledig worden nageleefd. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de procedurevoorschriften van artikel 6 van Vo 987/2009 en artikel 16 van Vo 987/2009 door de nationale socialezekerheidsrechter niet buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de beoordeling van besluiten die zijn gebaseerd op artikel 13 van Vo 883/2004 en de Rijnvarendenovereenkomst. De Raad ziet daarom geen grond om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJEU.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.3.1. De Raad is van oordeel dat moet worden aangenomen dat de Svb de procedurevoorschriften van artikel 6 van Vo 987/2009, van artikel 16 van Vo 987/2009 en van het Besluit A1 in de voorliggende gedingen niet op een toereikende wijze in acht heeft genomen. Daartoe is overwogen dat aan de hand van de beschikbare gedingstukken niet kan worden geverifieerd of, wanneer en hoe de aangewezen organen van alle (mogelijk) betrokken werklanden door de Svb op de hoogte zijn gebracht van de onder 1.2 vermelde besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.3.2. Verder is in aanmerking genomen dat indien wordt aangenomen dat de aangewezen organen van alle (mogelijk) betrokken werklanden wel door de Svb op de hoogte zijn gebracht van de onder 1.2 vermelde besluiten, niet kan worden uitgesloten dat deze organen daarbij door de Svb op het verkeerde been zijn gezet. De Raad herinnert er in dit verband aan dat de onder 1.2 vermelde besluiten niet onverwijld zijn genomen, dat deze besluiten voor een aanzienlijk gedeelte zijn gebaseerd op een onjuist toetsingskader, en dat in deze besluiten niet correct is aangeduid in hoeverre sprake is van vaststellingen met een voorlopig karakter als bedoeld in artikel 6 van Vo 987/2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.4.1. Voor zover aan het standpunt van de Svb dat de procedurevoorschriften van artikel 16 van Vo 987/2009 geen rol mogen spelen in nationale procedures over de toepassing van artikel 13 van Vo 883/2004 (mede) de gedachte ten grondslag ligt dat bij toepassing van de Rijnvarendenovereenkomst niet (meer) sprake is van toepassing van artikel 13 van Vo 883/2004, maar (alleen) van de Rijnvarendenovereenkomst, wordt dit door de Raad verworpen. Op grond van artikel 16 van Vo 883/2004 kan de Rijnvarendenovereenkomst immers slechts uitzonderingen bevatten op de artikelen 11 tot en met 15 van Vo 883/2004, die betrekking hebben op de materieel toepasselijk te achten wetgeving. Deze overeenkomst doet niet af aan de procedurevoorschriften van artikel 6 van Vo 987/2009, van artikel 16 van Vo 987/2009 en van het Besluit A1, welke erop zijn gericht op correcte wijze tot vaststelling van de toepasselijke wetgeving te komen, met vermijding van dubbele premieheffing of prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.4.2. De stelling van de Svb dat de Rijnoeverstaten in situaties als hier aan de orde vooral hechten aan een correcte materiële vaststelling van de lidstaat waar de betrokkene op grond van de Rijnvarendenovereenkomst verzekerings- en premieplichtig is, en minder aan een correcte uitvoering van de procedurevoorschriften om tot die vaststelling te komen, doet daaraan niet af. In de onderhavige gevallen klemt dit temeer omdat een niet-Rijnoeverstaat (Cyprus) bij de zaken is betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gebrek dat herstel behoeft, wordt in beginsel niet gepasseerd, tenzij belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. In de voorliggende gedingen kan op grond van het overwogene onder 8 niet worden uitgesloten dat betrokkenen tenminste een in aanmerking te nemen belang hebben bij toepassing van de tweede en derde volzin van het tweede lid van artikel 73 van Vo 987/2009. De Raad zal de bestreden besluiten waarop de hoger beroepen 4 tot en met 7 en 10 tot en met 27 betrekking hebben daarom ook vernietigen, omdat moet worden aangenomen dat de Svb de procedurevoorschriften van artikel 6 van Vo 987/2009, artikel 16 van Vo 987/2009 en het Besluit A1 niet op een toereikende wijze in acht heeft genomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20 Van de Ven (noot in NLF 2019/2039) meent dat zowel de CRvB in de hierboven geciteerde zaak, als het Hof Den Bosch in de thans bij u onder de nrs. 19/04564, 19/04567 en 19/04609 aanhangige zaken waarbij deze bijlage gaat, art. 73 van Toepassingsvo. 987/2009 verkeerd hebben uitgelegd omdat de daar voorziene dialoog- en bemiddelingsprocedure alleen ziet op gevallen van voorlopige vaststelling gevolgd door daarvan afwijkende definitieve vaststelling van de toepasselijke wetgeving: “De CRvB stelt zich ook op het standpunt dat de SVB moet voorkomen dat dubbele premieheffing plaatsvindt. Op zich is dit standpunt niet zo vreemd. Als de SVB zich aan de formele regels had gehouden en de toepasselijke wetgeving voorlopig had vastgesteld, was bij een meningsverschil artikel 6 Toepassingsverordening in werking getreden. De toepasselijke wetgeving blijft dan voorlopig vastgesteld totdat de lidstaten het eens zijn geworden. Blijkt de definitief vastgestelde toepasselijke wetgeving een andere dan de voorlopig toegepaste wetgeving, dan schrijft artikel 73, lid 2, Toepassingsverordening voor dat de voorlopig geheven premies worden verrekend met de definitief verschuldigde premies.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorlopig geheven premies moeten dan op verzoek van het bevoegde orgaan van de lidstaat wiens wetgeving definitief van toepassing is, overgemaakt worden ter (gedeeltelijke) voldoening van de premieschuld. Het orgaan dat voorlopig premies heeft geheven moet actief navraag doen bij het bevoegde orgaan van de lidstaat wiens wetgeving definitief van toepassing is. Dit standpunt van de CRvB is in het licht van de verplichting tot samenwerking tussen lidstaten en in het belang van de burger om dubbele premieheffing te voorkomen te begrijpen. Wel vraag ik me af of de CRvB hier de regels van de Toepassings-verordening niet te ver oprekt. Voor de situatie dat de verkeerde wetgeving is vastgesteld en alsnog de juiste wetgeving wordt vastgesteld, kent de Toepassingsverordening geen mogelijkheid tot verrekening voor uitkeringen en premies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sowieso is verrekening erg lastig. Vaak is al een beroep gedaan op uitkeringen en verstrekkingen. Met name verstrekkingen in de zorg zijn moeilijk te verrekenen. Als in dit geval ten onrechte de Cypriotische wetgeving is toegepast, premies zijn betaald in Cyprus en de SVB, met toepassing van alle formaliteiten en met instemming van de betrokken lidstaten, de Nederlandse wetgeving vaststelt, is op grond van de letterlijke tekst van artikel 73 Toepassingsverordening geen verrekening mogelijk. Cyprus moet de betaalde premies restitueren en Nederland kan premies heffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Bosch heeft in een tweetal uitspraken van 28 augustus 2019 een identiek standpunt ingenomen. Naar mijn mening is door beide instanties artikel 73 Toepassingsverordening verkeerd uitgelegd. Afwachten maar of de staatssecretaris beroep in cassatie instelt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">C. CRvB-rechtspraak over verzoeken om ‘regularisatie’ ex art. 13 RV en art. 16(1) Vo. 883/2004 5.21 In september 2016 oordeelde de CRvB dat de Svb een verzoek om ‘regularisatie’ op basis van art. 13 RV mocht afwijzen als in de ‘fiscale kolom’ nog een procedure loopt over het al dan niet bestaan van premieplicht (dit oordeel is dus onder oud recht gegeven): “4.1. In dit geding is op grond van artikel 7, tweede lid, onder a, van Verordening (EEG) 1408/71 (Vo 1408/71) het Rijnvarendenverdrag van toepassing. In dit artikellid is bepaald dat ongeacht het bepaalde in artikel 6 van Vo 1408/71 het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft en dit artikellid is ingevolge artikel 87, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) van toepassing gebleven op tijdvakken gelegen vóór 1 mei 2010. Ingevolge artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag is op rijnvarenden niet, althans niet gelijktijdig, de sociale zekerheidswetgeving van toepassing van meer dan één Staat. Verder is op grond van de in dit artikel opgenomen aanwijsregels de sociale zekerheidswetgeving van toepassing van de Staat waar volgens de Rijnvaartverklaring de exploitant van het schip, waarop de rijnvarende arbeid verricht, gevestigd is. Ingevolge artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag kunnen de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten – al dan niet op verzoek – een overlegprocedure starten die kan uitmonden in het maken van uitzonderingen op de toepassing van de aanwijsregels van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrokkene heeft de Svb verzocht om – vooruitlopend op een finaal oordeel over zijn beweerdelijke recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen in de fiscale kolom – al dan niet na toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag, te bevestigen dat hij van 2006 tot en met 2008 voor de sociale zekerheidswetgeving uitsluitend in Luxemburg verzekerd is geweest en dat hij over die periode in Nederland geen premies volksverzekeringen verschuldigd is. Voor zover dit verzoek (ook) is aan te merken als (voorwaardelijk) verzoek om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag, een regularisatieprocedure te starten, is appellant [de Svb; PJW] aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag en artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 kunnen de bevoegde autoriteiten van de betrokken Staten – al dan niet op verzoek – een overlegprocedure starten die erin kan uitmonden dat de aanwijsregels van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag en artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst in bepaalde gevallen niet worden toegepast. Het gaat hierbij om een discretionaire bevoegdheid waarin de bevoegdheid om afwijzend te beslissen besloten moet worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de zijde van appellant is te kennen gegeven dat afwijzend wordt beslist op verzoeken om de onder 4.3.1 omschreven overlegprocedure te starten, indien er – zoals in dit geding – een procedure loopt over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving. De Raad acht dit een geenszins onredelijk uitgangspunt. In dit verband is het belang van rechtseenheid en rechtszekerheid in aanmerking genomen. Verder wordt opgemerkt dat het nut van het opstarten van bedoelde overlegprocedure mede wordt bepaald door de uitkomst van lopende rechterlijke procedures over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving en de daarbij van belang geachte omstandigheden. In dit geding is niet gebleken van omstandigheden om in voor betrokkene begunstigende zin af te wijken van het gehanteerde uitgangspunt. Het staat betrokkene vrij om opnieuw een regularisatieverzoek te doen indien en nadat er in de fiscale rechterlijke kolom een finaal negatief oordeel is gegeven over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen. Er zijn beleidsregels vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of dergelijke verzoeken om met terugwerkende kracht alsnog regularisatieprocedures te starten al dan niet worden gehonoreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant slaagt. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk op dat art. 13 RV (zie 4.4 hierboven) en art. 16 Vo. 883/2004 (zie 4.21 hierboven) mijns inziens geen ‘regularisatieprocedure’ bevatten (die zie ik eerder in art. 86 RV (zie 4.5 hierboven) en in art. 76 Vo. 883/2004 (zie 4.33 hierboven)), nu van een bevoegdheidsgeschil geen sprake is, maar een procedure voor het sluiten van overeenkomsten tussen twee of meer lidstaten een Staat aan te wijzen die – daarover bestaat geen geschil - volgens de verdragsaanwijzingsregels niet bevoegd is. Het gaat in art. 13 RV en art. 16 Vo. 883/2004 mijns inziens dus niet zozeer om het in overeenstemming brengen met de regels (regulariseren; wat overleg en bemiddeling ex art. 86 RV en ex art. 76 Vo. 883/2004 wél doen), als wel om het juist bewust afwijken van de aanwijsregels van de verordening. Ik merk op dat de Rijnvarendenovereenkomst, zoals meteen al uit zijn titel blijkt, gebaseerd is op art. 16 Vo. 883/2004 en dus één grote ‘regularisatie’ zou zijn. Dat is zij mijns inziens niet: zij is een multilateraal verdrag tussen een beperkt aantal EU-leden plus Zwitserland dat expliciet afwijkt van de EU-verordening door niet de werk(gever)staat aan te wijzen, maar de scheepsexploitantstaat. Er bestaat wellicht geen bezwaar tegen om dergelijke afwijkingen van de aanwijsregels van de verordening ‘regularisatie’ te noemen als elk en een iegelijk duidelijk is wat bedoeld wordt, maar grammaticaal is dergelijk afwijken van de regel juist niet ‘regulariseren.’ 5.22 Bij uitspraak van 22 november 2018 achtte de CRvB evenmin onredelijk het Svb-beleid inzake het al dan niet ingaan op verzoeken tot toepassing van art. 13 Rijnvarendenverdrag en, na inwerkingtreding van Vo. 883/2004, op verzoek van personen die op basis van art. 16(1) van die verordening onder de Rijnvarendenovereenkomst vallen: “Toetsing van beleid en vaste gedragslijn van de Svb 4.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn uitspraak van 28 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2634) heeft de Raad onder 3.1 de wijze waarop de Svb volgens zijn verklaring toepassing geeft aan artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag als volgt samengevat. “De Svb maakt uitsluitend gebruik van de in artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag gegeven bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten over reeds verstreken verzekerings-tijdvakken, indien vast staat dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat. Dit betekent niet dat de Svb desgevraagd altijd een regularisatieprocedure start indien vaststaat dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat. Dat gebeurt alleen indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden. Wat in dit verband voldoende is, is niet alomvattend nader gedefinieerd. Het Rijnvarendenverdrag voorziet er niet in dat (werkgevers van) Rijnvarenden naar eigen believen kunnen bepalen in welke lidstaat zij premies afdragen voor de sociale zekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Svb wil de bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten niet gebruiken om, in feite, alsnog zo’n keuzevrijheid te creëren. Omdat de Svb, evenals de Belastingdienst, is geconfronteerd met een toenemend aantal al dan niet legale constructies dat is gericht op vermindering van afdracht van belastingen en premies in Nederland, en de Svb het gebruik daarvan niet in de hand wil werken, is vanaf 2013 in de beleidsregels van de Svb opgenomen dat de Svb geen regularisatie bevordert indien toepassing van de wetgeving van de bevoegde lidstaat achterwege is gebleven en de Svb vermoedt dat de premieafdracht in een andere lidstaat het resultaat is van het doelbewust creëren van een constructie en dit de betrokkene, voor wie de regularisatie is aangevraagd, redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent niet dat de Svb desgevraagd altijd een regularisatieprocedure start indien voor betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de premieafdracht in een andere lidstaat het resultaat is van het doelbewust creëren van een constructie, of als betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de afdracht van premies in de verkeerde lidstaat. Daartoe zal moeten blijken van meer in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn onder 4.3.2 aangehaalde uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het niet onredelijk is dat de in artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag gegeven discretionaire bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten over reeds verstreken verzekeringstijdvakken, alleen wordt toegepast indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden. Evenmin is het onredelijk dat niet alomvattend nader is gedefinieerd wat daar precies onder moet worden verstaan. De Raad ziet geen grond om daar in dit geding anders over te oordelen en oordeelt op gelijke wijze over de toepassing van artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 op personen die onder de Rijnvarendenovereenkomst vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gedingen over de weigering om mee te werken aan een regularisatieovereenkomst over een tijdvak in het verleden, moet daarom worden beoordeeld of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat over het tijdvak in geding niet is gebleken van in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden die ertoe hadden moeten leiden medewerking te verlenen aan het regularisatieverzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens zijn beoordeling van een aantal bij de Raad in geding zijnde regularisatieverzoeken hecht de Svb hierbij bijzondere betekenis aan de vraag vanaf welk moment de betrokkene op grond van besluiten of andere correspondentie van de Belastingdienst of de Svb, er meer dan voorheen rekening mee heeft moeten houden dat hij verzekerd zou worden geacht voor de Nederlandse socialezekerheidswetging. Naar het oordeel van de Raad ligt het in de rede om bij de weging van de betekenis van deze correspondentie in ieder geval te betrekken de wijze waarop de correspondentie is gemotiveerd en de vraag wat betrokkene hieruit in zijn concrete situatie heeft kunnen opmaken. Daarbij kan het wel op de weg van een betrokkene liggen rechtshulp te zoeken als hij een besluit niet goed begrijpt. Ook kan van belang worden geacht of in het te beoordelen tijdvak sprake is van ongewijzigde omstandigheden ten opzichte van het tijdvak waarop de correspondentie betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zitting heeft de Svb verder verklaard dat, naast deze beoordeling, tevens moet worden bezien of er sprake is van andere bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om wel of juist niet tot medewerking aan een verzoek tot regularisatie over te gaan. De gedingen die nu bij de Raad voorliggen betreffen betrokkenen die een nettoloonafspraak hadden met hun werkgever. Voorstelbaar is, mede afhankelijk van de mate waarin aan de betrokkene verwijt kan worden gemaakt, dat in dergelijke gevallen mede bij de beoordeling wordt betrokken de vraag of er bij afwezigheid van een regularisatieovereenkomst uiteindelijk feitelijk sprake zou zijn van dubbele lasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit alles wordt niet anders door de in een aantal regularisatiezaken geponeerde stelling dat op verzoek per definitie een regularisatieovereenkomst moet worden gesloten in alle gevallen waarin dit in het belang van betrokkenen zou zijn. Artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 verplichten hiertoe niet. Aanvaarding van de betreffende stelling zou ertoe leiden dat de in het Rijnvarendenverdrag en in Vo 883/2004 opgenomen aanwijsregels hun nuttig effect geheel of gedeeltelijk verliezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling van de situatie van betrokkene (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad onderschrijft (…) de stelling van de Svb dat het betrokkene, na ontvangst van de brief van de Belastingdienst van 28 maart 2006, duidelijk kon zijn dat hij verzekerd is in het land waar de exploitant is gevestigd van het schip waarop hij werkzaam is. Deze brief had weliswaar betrekking op het jaar 2003, maar er is in duidelijke bewoordingen aangegeven hoe de verzekeringsplicht van Rijnvarenden is geregeld. Bovendien waren de omstandigheden in 2003 identiek aan die in de periodes in geding: betrokkene voer op het schip [naam schip 2], dat werd geëxploiteerd door [eigenaar], welke firma is gevestigd in Nederland. Weliswaar is nadien een regularisatieovereenkomst afgesloten voor de periode van 10 juli 2002 tot en met 31 december 2006, maar hieraan kon betrokkene niet de verwachting ontlenen dat ook voor tijdvakken daarna tot regularisatie zou worden overgegaan. Dit is nog eens nadrukkelijk bevestigd in een schrijven van de Svb van 2 mei 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrokkene heeft naar het oordeel van de Raad rekening er mee moeten houden dat hij vanaf 1 januari 2007 onderworpen was aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Echter, het in 3.3 omschreven nadere onderzoek naar andere bijzondere omstandigheden is niet uitgevoerd. De Svb zal dit dus nog moeten onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit 4.4.1 tot en met 4.4.3 volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht, zij het op andere gronden, heeft vernietigd. Verder heeft de rechtbank terecht niet zelf in de zaak voorzien, maar opdracht gegeven tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. Gelet op de aard van de zaak (de toepassing van een verdragsrechtelijke dan wel Unierechtelijke ruime discretionaire bevoegdheid door een aangewezen bevoegde autoriteit) en omdat nog nader onderzoek moet worden verricht, bestaat er geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd met verbetering van de gronden. De minister en de Svb dienen ieder een nieuw besluit op bezwaar te nemen dat wel toereikend is voorbereid en gemotiveerd. Met het oog op een zo voortvarend mogelijke definitieve afdoening van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de te nemen nieuwe besluiten op bezwaar alleen bij de Raad beroep kan worden ingesteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.23 Op dezelfde dag heeft de CRvB in de zaak van een andere rijnvarende als volgt beslist: “4.1. De Raad onderkent dat op grond van artikel 18 van Vo 987/2009 over het tijdvak vanaf 1 mei 2010 een verzoek tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst bij de Luxemburgse autoriteiten moest worden ingediend. Dit wil echter niet zeggen dat de Luxemburgse autoriteiten bij uitsluiting bevoegd zijn om op het verzoek te beslissen. Aangezien het verzoek strekt tot het sluiten van een overeenkomst, moet ook de Nederlandse bevoegde autoriteit besluiten al dan niet medewerking aan het verzoek te verlenen. Dit besluit is op rechtsgevolg gericht. De Raad zal het bestreden besluit opvatten als een weigering om, ook indien het verzoek eerst door de Luxemburgse autoriteiten in behandeling wordt genomen, over het tijdvak vanaf 1 juli 2010 medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een regularisatieovereenkomst. Dit besluit kan en zal inhoudelijk worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijke beoordeling Toepasselijke regelgeving 4.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geding is de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing. In artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst is bepaald dat op Rijnvarenden niet, althans niet gelijktijdig, de socialezekerheidswetgeving van toepassing is van meer dan één Staat. Verder is op grond van de in dit artikel opgenomen aanwijsregels de socialezekerheidswetgeving van toepassing van de Staat waar volgens de Rijnvaartverklaring de exploitant van het schip waarop de Rijnvarende arbeid verricht, gevestigd is. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 kunnen de bevoegde autoriteiten van twee of meer lidstaten – al dan niet op verzoek – een overlegprocedure starten die erin kan uitmonden dat, ten behoeve van de betrokken Rijnvarenden, uitzonderingen worden vastgesteld op de in de Rijnvarendenovereenkomst opgenomen aanwijsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.2.</p></div>", "next": 239110}