{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In art. 2:20 BW-procedures tegen andere OMG’s wordt uiteenlopend beslist over uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Zo verklaart de rechtbank Noord-Nederland de beschikking tot verbodenverklaring en ontbinding van No Surrender, in navolging van het hof in de Bandidos-zaak, niet uitvoerbaar bij voorraad. De rechtbank Midden-Nederland heeft de beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding van de Hells Angels in Nederland uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in incident in hoger beroep schorsing van de werking van de (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) beschikking van de rechtbank bevolen. Het hof heeft aan die incidentele beslissing ten grondslag gelegd: “dat het belang van HAMC Holland, HAMC en HAM Corporation (en de andere belanghebbenden) bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het hoger beroep is beslist zwaarder weegt dan het belang van het OM dat de bestreden beschikking werking heeft en ten uitvoer kan worden gelegd hangende het hoger beroep.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur is erop gewezen dat in het wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen wordt voorgesteld een einde te maken aan deze discussie inter curias. Ik kom hierop terug bij de bespreking van het incidentele cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het principale cassatieberoep 2.23 Het principale cassatiemiddel valt uiteen in vijf klachten (genummerd 1 t/m 5). Klacht 1 is nader uitgewerkt in drie “onderdelen” (geletterd A t/m C) en klacht 4 is nader uitgewerkt in twee “onderdelen” (geletterd A en B). De overige klachten (2, 3 en 5) bevatten geen uitwerking in “onderdelen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klacht 1: Toepasselijke bewijsrechtelijke regels 2.24 Onderdeel A klaagt, samengevat, allereerst dat het hof in rov. 11.1 rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor de conclusie dat op grond van art. 284 Rv de aard van de zaak zich in de onderhavige verzoekschriftprocedure verzet tegen overeenkomstige toepassing van de negende afdeling van de tweede titel van Rv inzake bewijs. Het onderdeel voert daartoe aan dat in deze zaak, ongeacht de, op basis van voluntaire jurisdictie, inbedding in het Nederlandse burgerlijke procesrecht, onmiskenbaar sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM, zodat in plaats van het Nederlandse civiele bewijsrecht het Nederlandse strafrechtelijke bewijsrecht met alle daarbij behorende waarborgen voor een eerlijke procedure moet worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat hier, onmiskenbaar, sprake is van een ‘criminal charge’ blijkt volgens het onderdeel daaruit, dat het door de wetgever beoogde - door de rechter verplicht vast te stellen - rechtsgevolg van de rechterlijke vaststelling dat de werkzaamheid van een rechtspersoon in strijd is met de openbare orde, verbodenverklaring en ontbinding door de rechter is, gevolgd door vereffening van het vermogen van de desbetreffende rechtspersoon. Het subonderdeel wijst er verder op, samengevat, dat het verzoek van het OM en daarmee van de overheid ex art. 2:20 BW ertoe dient de volledige verwijdering uit het rechts- en maatschappelijk verkeer van die rechtspersoon te bewerkstelligen. Volledige verwijdering van overheidswege uit het rechts- en maatschappelijk verkeer zou bij een natuurlijke persoon neerkomen op het van overheidswege doden of toch ten minste op het permanent geïsoleerd opsluiten van die persoon, hetgeen beide naar Nederlands recht niet is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een dergelijke verwijdering als “straf(bedreiging)” moet worden bezien, wordt volgens het onderdeel duidelijk indien men zich beseft dat een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde persoon, hoe beperkt wellicht ook, vanuit detentie als uitgangspunt kan blijven deelnemen aan dat verkeer, en dat diens vermogen “niet (om reden van de detentie)” wordt vereffend. Dat uit een dergelijke verwijdering van een rechtspersoon in letterlijke zin des woords geen bloed vloeit, maakt die verwijdering “dan ook niet minder ingrijpend en bestraffend van aard”. Het andersluidende oordeel van het hof zou gelet daarop onjuist zijn, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd nu uit niets wat het hof heeft overwogen blijkt dat het verzoek van het OM tot zo’n verwijdering van Satudarah en Yellow Snakes “niet als “criminal charge” moet of kan worden bezien”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het strafrechtelijke bewijsstelsel, met al zijn waarborgen voor de verwerende partij, dient te worden toegepast, kunnen ook rov. 10.4, 11.1, 11.2, 11.3, 11.4, 11.5 en 13 van het hof niet in stand blijven, aldus het vervolg van het onderdeel (p. 6-7 van het verzoekschrift tot cassatie). Samengevat voert het onderdeel daartoe verder aan (“Immers”, etc.) dat op grond van art. 6 lid 3 EVRM degene die zich heeft te verweren tegen een ‘criminal charge’, hier Satudarah en Yellow Snakes, recht heeft op de waarborgen die (hier) het Nederlandse strafrechtelijke bewijsrecht biedt. Tevens heeft diegene recht op onder meer verstrekking van het volledige, tegen die persoon van overheidswege opgebouwde dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof had volgens het onderdeel moeten beslissen dat het OM het integrale dossier aan Satudarah had behoren te verstrekken, op straffe van afwijzing van het verzoek, hetgeen het hof ten onrechte niet heeft gedaan. Evenmin kans als juist worden aanvaard de kennelijke rechtsopvatting van het hof dat het de rechter in zaken als deze vrij staat het gepresenteerde bewijs op civielrechtelijke wijze te waarderen, en dat de rechter een niet afdoende weersproken stelling als juist moet aanvaarden. Op grond van het voorgaande menen Satudarah en Yellow Snakes dat, hoewel zij zich kunnen vinden in de uitkomst van het door het hof in rov. 11.4 weergegeven betoog (dat de rechtbank met juistheid slechts let op de feiten waarop het OM ter ondersteuning van zijn standpunt een beroep heeft gedaan), deze overweging van het hof “ten principale rechtens onjuist is” vanwege de door het hof aangehaalde civielrechtelijke achtergrond van dit oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor opgesomde rechtsoverwegingen zijn althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat het OM aan Satudarah en Yellow Snakes het integrale tegen Satudarah opgebouwde dossier, tot in de kleinste details, ter beschikking heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.25 Ik maak eerst een opmerking over de wijze waarop art. 2:20 BW is ingebed in het Nederlandse burgerlijke procesrecht “op basis van voluntaire jurisdictie”. De procedure op grond van art. 2:20 BW betreft een verzoekschriftprocedure (zie ook onder 2.10). Op grond van art. 284 Rv is het bewijsrecht in dagvaardingsprocedures (de negende afdeling van de tweede titel van Rv) van overeenkomstige toepassing op verzoekschriftprocedures, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Met voluntaire jurisdictie (of ‘oneigenlijke rechtspraak’) wordt in dit verband gedoeld op civiele procedures die niet primair ‘twistgedingen’ zijn, maar waarin vanuit een ordenende functie wel een rechterlijke beslissing is vereist. Van oudsher geldt voor ‘twistgedingen’ de dagvaardingsprocedure en voor ‘oneigenlijke rechtspraak’ de verzoekschriftprocedure. Dit onderscheid is echter niet (meer) scherp. Onderkend moet worden dat verzoekschriftprocedures ook een zeker contentieus karakter (kunnen) hebben, wat m.i. ook het geval is bij toepassing van art. 2:20 BW. Bij contentieuze verzoekschriftprocedures is het minder vanzelfsprekend dan bij voluntaire verzoekschriftprocedures dat de aard van de zaak zich verzet tegen toepasselijkheid van de bewijsregels uit (per definitie contentieuze) dagvaardingsprocedures.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik noem twee voorbeelden uit Boek 2 BW van rechtspraak over art. 284 Rv. De aard van de tweede fase van de enquêteprocedure (2:355 BW), waarin de wetgever spoed geboden acht, brengt mee dat de ondernemingskamer niet gehouden is in te gaan op een aanbod tot bewijslevering. De aard van de procedure tot ontslag van een stichtingsbestuurder (art. 2:298 BW) verzet zich niet tegen toepassing van de algemene regels van bewijsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 1965 oordeelde de Hoge Raad nog dat het ‘vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen’ in de zin van art 6 lid 1 EVRM slechts betrekking heeft op (contentieuze) twistgedingen. Inmiddels wordt ervan uitgegaan dat ook voluntaire civiele procedures onder het bereik van art. 6 EVRM vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.26 Onderdeel A faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderdeel wordt niet geklaagd over art. 6 EVRM ten aanzien van het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen. Volgens het onderdeel is onmiskenbaar sprake van vervolging (‘criminal charge’, of ‘accusation en matière pénale’) in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. Laatstgenoemd begrip wordt door het EHRM autonoom uitgelegd. Ook rechtspersonen kunnen zich beroepen op art. 6 EVRM. Alvorens in Straatsburg geklaagd kan worden over schending van een verdragsbepaling, geldt dat ten minste in substantie (‘in substance’) voor de nationale rechter een beroep op die verdragsbepaling moet zijn gedaan (art. 35 EVRM). In de onderhavige zaak wordt in het onderdeel niet verwezen naar vindplaatsen in feitelijke instanties waar uitdrukkelijk dan wel ‘in substance’ een beroep wordt gedaan op het ‘criminal charge’-karakter van verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW en schending van uit het EVRM voortvloeiende waarborgen die verband houden met het gestelde ‘criminal charge’-karakter. Wanneer aangenomen moet worden dat sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, gelden in beginsel de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM en de minimumwaarborgen van art. 6 lid 3 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het beroepschrift zijdens Satudarah wordt in de toelichting bij grief 4 onder meer opgemerkt: “De kern van het verweer van verzoeksters zag (…) op de structurele ongelijkheid tussen het Openbaar Ministerie en verzoeksters die in belangrijke mate bestaat uit het feit dat het Openbaar Ministerie kan putten uit tal van niet voor het publiek toegankelijke informatiesystemen. Verzoeksters kunnen dat niet, waardoor het Openbaar Ministerie van alles kan roepen voorzien van fragmentarisch gepresenteerd bewijsmateriaal, terwijl verzoeksters niet uit informatiebronnen van het Openbaar Ministerie kunnen putten om daar het ontlastende bewijsmateriaal tegen in te brengen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In het beroepschrift wordt aldaar in dit verband verwezen naar hoofdstuk 4 van het verweerschrift zijdens Satudarah in eerste aanleg, waarin onder meer is opgemerkt: “Ik realiseer mij terdege dat de strafrechtelijke bewijsvraag normaliter anders wordt ingekleurd dan de civielrechtelijke bewijsvraag, maar ik meen dat er veel voor te zeggen valt, gezien het feit dat het gaat om de beperking van zwaarwegende grond- en verdragsrechten, voor de beoordeling van de vraag of sprake is van werkzaamheden ‘in strijd met de openbare orde’ en ‘werkzaamheden van de rechtspersoon’ zoveel mogelijk wordt vastgehouden aan het strafrechtelijke beginsel van onschuldpresumptie. Weliswaar heeft het hof in de Hells-Angels Northcoast zaak overwogen dat dit beginsel voor het hier toepasselijk deel van het civiele recht niet doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag of de gestelde feiten mogen worden betrokken bij de beoordeling of de werkzaamheid van de desbetreffende rechtspersoon dient te leiden tot verbodenverklaring en ontbinding van die rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vraag dient immers uitsluitend te worden beantwoord aan de hand van het in artikel 2:20 lid 1 BW opgenomen criterium: strijd met de openbare orde. Wel is van belang aldus het hof of met een voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de gestelde feiten zich inderdaad hebben voorgedaan. Daartoe biedt een onherroepelijke strafrechtelijke uitspraak op tegenspraak de beste waarborgen. Hierbij wordt dan ook verzocht slechts die gegevens uit onherroepelijk strafrechtelijke uitspraken mee te nemen in uw beslissingsmodel.(…)Naar mijn stellige overtuiging is in de onderhavige verzoekschriftprocedure sprake van een (…) structurele onevenwichtigheid tussen enerzijds verzoeker, het machtige Openbaar Ministerie met een ‘onbeperkte’ hoeveelheid aan financiële middelen, een bataljon aan juristen en toegang tot alle niet-publiekelijk toegankelijke politiële en justitiële informatiesystemen, waaruit door het Openbaar Ministerie naar willekeur fragmentarisch informatie is geplukt en in deze procedure is ingebracht en anderzijds verweerders, waarvan bezwaarlijk kan worden verlangd dat zij de fragmentarisch gepresenteerde informatie waarin individuele (oud)members en niet-members voorkomen, gemotiveerder betwisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerders hebben immers geen onbeperkte financiële middelen en kunnen niet met een bataljon daartoe gekwalificeerde mensen grasduinen in politiële en justitiële informatiesystemen, teneinde daaruit gefragmenteerd informatie te presenteren ter weerlegging van de door het Openbaar Ministerie aan haar stelplicht verbonden feiten.(…) Gezien het voorgaande wordt dan ook verzocht de eenvoudige betwisting van alle strafbare feiten die niet zijn geresulteerd in een onherroepelijke veroordeling op tegenspraak door de strafrechter, welke betwisting bij deze plaatsvindt, als voldoende gemotiveerd aan te merken en het Openbaar Ministerie met de bewijslast aangaande die feiten te confronteren. Daarmee nivelleert u enigszins de structurele onevenwichtigheid tussen het Openbaar Ministerie en verweerders en doet u recht aan de rechtsbescherming die het zwaarwegende grond- en verdragsrecht tot vereniging verdient.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals gezegd, het gaat immers om de zwaarwegende beperking van het verenigingsrecht. Daarbij moet grote terughoudendheid worden betracht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beroep op art. 6 EVRM in verband met het ‘criminal charge’-karakter van de verbodenverklaring en ontbinding kan ik hierin bezwaarlijk lezen. In EHRM-rechtspraak wordt bovendien onderkend dat er verschillende gradaties zijn in ‘criminal charges’, wat in een concreet geval met zich kan brengen dat niet zonder meer alle daarbij behorende waarborgen van toepassing zijn: “Notwithstanding the consideration that a certain gravity attaches to criminal proceedings, which are concerned with the allocation of criminal responsibility and the imposition of a punitive and deterrent sanction, it is self-evident that there are criminal cases which do not carry any significant stigma. There are clearly “criminal charges” of different weight. What is more, the autonomous interpretation adopted by the Convention institutions of the notion of a “criminal charge” by applying the Engel criteria have underpinned a gradual broadening of the criminal head to cases not strictly belonging to the traditional categories of the criminal law, for example administrative penalties (…), prison disciplinary proceedings (…), customs law (…), competition law and penalties imposed by a court with jurisdiction in financial matters (…). Tax surcharges differ from the hard core of criminal law; consequently the criminal-head guarantees will not necessarily apply with their full stringency.” [curs. in origineel, A-G] De door het onderdeel voorgestane consequentie van kort gezegd het eventuele ‘criminal charge’-karakter van art. 2:20 lid 1 BW, erop neerkomend dat “in plaats van het Nederlandse civiele bewijsrecht, het Nederlandse strafrechtelijke bewijsrecht met alle daarbij behorende waarborgen voor een eerlijke procedure, moet worden toegepast”, volgt dus niet zonder meer uit de EHRM-rechtspraak. In de aangehaalde rechtsoverweging noemt het EHRM voorbeelden van rechtsgebieden die niet tot de ‘hard core of criminal law’ behoren, zoals bestuursrecht en fiscaal recht. Het civiele recht wordt overigens niet genoemd. Er kan geen twijfel over bestaan dat dit evenmin behoort tot de ‘hard core of criminal law’. Ter illustratie verwijs ik naar een uitspraak van het EHRM waarin is beslist dat een bestuursverbod op grond van de Engelse Company Directors Disqualification Act 1986 niet kon worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM: “The criteria for ascertaining whether a \"criminal charge\" has been determined are the domestic classification of the \"offence\", the nature of the \"offence\", and the nature and degree of severity of the potential and actual penalty (…). In the present case, the proceedings were classified as civil in domestic law, the disqualification of directors is a matter which is regulatory rather than criminal, and the “penalty” is neither a fine nor a prison sentence, but rather a prohibition on acting as a company director without the leave of the court. Whilst a great deal was undoubtedly at stake for the applicants, it cannot be said that what is inherently a regulatory matter can thereby become a “criminal charge” within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention. Thus, none of these criteria indicates that the applicant was charged with a \"criminal offence\", and the Court considers that the proceedings in the present case did not determine a criminal charge within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar Nederlands recht kan het OM op grond van art. 106a Fw ook verzoeken om een civielrechtelijk bestuursverbod. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid van een civielrechtelijk bestuursverbod (Wet civielrechtelijk bestuursverbod) is ook stilgestaan bij de vraag of het bestuursverbod moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. De minister heeft die vraag, onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde EHRM-rechtspraak, ontkennend beantwoord. Dat het civielrechtelijke bestuursverbod in de zin van art. 106a Fw geen ‘criminal charge’ is in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, wordt bevestigd in de rechtspraak.De mogelijkheid voor het OM om op grond van art. 106a Fw een civielrechtelijk bestuursverbod te verzoeken, sluit aan bij het civielrechtelijke instrumentarium van het OM in het civiele rechtspersonenrecht, waaronder art. 2:20 BW. Uit de genoemde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel inzake het civielrechtelijke bestuursverbod blijkt dat het doel van het civielrechtelijke bestuursverbod is “om faillissementsfraude en onregelmatigheden in of rondom een faillissement effectiever te kunnen bestrijden en om te voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten via allerlei omwegen en met nieuwe rechtspersonen ongehinderd kunnen voortzetten.” De bevoegdheid aan het OM is gegeven in het algemeen belang: “Daarnaast krijgt het openbaar ministerie de zelfstandige bevoegdheid om een civielrechtelijk bestuursverbod te vorderen. Deze bevoegdheid is bedoeld om te worden ingezet in die specifieke gevallen waarin het algemeen belang in het geding is. (…) Het is aan het OM zelf om te beoordelen of de toegekende bevoegdheden al dan niet ingezet moeten worden. Evenmin wordt afbreuk gedaan aan het opportuniteitsbeginsel in strafzaken. Ten slotte zij nog opgemerkt dat belanghebbenden het OM niet via de weg van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv) kunnen dwingen om een civielrechtelijk bestuursverbod te vorderen. Die procedure heeft immers betrekking op de vervolging van strafbare feiten, en daarvan is bij een vordering op grond van artikel 106a FW geen sprake.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het civielrechtelijke karakter van art. 2:20 BW verschilt in zoverre niet van art. 106a Fw (zie ook onder 2.16). In die memorie van toelichting bij het wetsvoorstel inzake het civielrechtelijke bestuursverbod wordt in dat verband nog opgemerkt dat het bij instrumenten zoals art. 2:20 BW gaat om herstel of toezicht achteraf (‘repressief’) en het civielrechtelijke bestuursverbod toekomstgericht en preventief van aard is. Art. 2:20 BW kan inderdaad beschouwd worden als een vorm van repressief toezicht (zie onder 2.5). Dat zegt echter niks over het ‘sanctie’-karakter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. In de wetgeschiedenis van de WVV wordt in dit verband treffend gesproken over de individuele (strafrechtelijke) sanctie van art. 4 WVV (en later art. 140 lid 2 Sr) en het collectieve (civielrechtelijke) gevolg van art. 10 WVV (de vervallenverklaring van rechtspersoonlijkheid, die zich naar huidig recht laat vertalen als ontbinding) (zie onder 2.4-2.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.27 Voor zover het onderdeel niet reeds op het voorgaande afstuit, wat m.i. het geval is, bezie ik nog nader, gericht op de onderhavige zaak, de door het EHRM in de Engel-uitspraak ontwikkelde criteria voor de vraag of sprake is van vervolging in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. In de eerste plaats is van belang of de procedure in het nationale recht als ‘strafrechtelijk’ wordt gekwalificeerd. In de onderhavige zaak wordt niet aan die voorwaarde voldaan. Art. 2:20 BW is een civielrechtelijke procedure. Dit wordt in het onderdeel ook niet betwist. Dan komt toetsing aan de twee volgende Engel-criteria in beeld: de aard van de ‘overtreding’ en de aard en zwaarte van de ‘straf’: “The first matter to be ascertained is whether or not the text defining the offence in issue belongs, according to the legal system of the respondent State, to criminal law; next, the nature of the offence and, finally, the nature and degree of severity of the penalty that the person concerned risked incurring must be examined, having regard to the object and purpose of Art. 6, to the ordinary meaning of the terms of that Article and to the laws of the Contracting States.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede en derde criterium voor vervolging worden in de rechtspraak van het EHRM in beginsel alternatief toegepast. Als aan een van deze criteria wordt voldaan, is dus in beginsel sprake van vervolging in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. Het EHRM let bij het tweede criterium, de aard van de overtreding, vooral op het punitieve of afschrikwekkende karakter van de sanctie die aan de overtreding is verbonden. In het onderdeel wordt daarop ook een beroep gedaan door te wijzen op het rechtsgevolg van verbodenverklaring en ontbinding, hetgeen volgens het onderdeel de volledige verwijdering uit het rechts- en maatschappelijk verkeer van die rechtspersoon bewerkstelligt, als reactie op beweerdelijk rechtens verwijtbare gedragingen. Bij de aard en zwaarte van de straf gaat het vaak om boetes, maar ook vrijheidsstraffen zijn denkbaar. In het onderdeel wordt gesteld dat de volledige verwijdering uit het rechts- en maatschappelijk verkeer van de rechtspersoon moet worden beschouwd als het van overheidswege doden van die persoon althans het opleggen van een levenslange gevangenisstraf. M.i. worden hiermee in het onderdeel de aard van de ‘overtreding’ en de aard en zwaarte van de ‘straf’ miskend, en brengen (hoe dan ook) dat tweede en derde criterium evenmin mee dat hier sprake is van vervolging in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. Daartoe wijs ik op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling van art. 2:20 lid 1 BW, op basis waarvan een rechtspersoon wiens werkzaamheid in strijd is met de openbare orde door de rechtbank in een civielrechtelijke procedure op verzoek van het OM wordt verboden verklaard en ontbonden, is, kort gezegd, gericht op het belang van de openbare orde bij bescherming daarvan tegen zo’n werkzaamheid; toepassing daarvan beperkt het door art. 8 Gw en art. 11 EVRM beschermde recht van vereniging, dat in zoverre dan, bij afweging van alle betrokken rechten en belangen, moet wijken voor en in het belang van de openbare orde (vgl. rov. 7.1-7.10 van het hof, in cassatie onbestreden). Voor een dergelijk ingrijpen door de civiele rechter, wat steeds dat belang van de openbare orde dient en (niettegenstaande de hoge drempel, zie onder 2.20-2.21) de regeling doeltreffend maakt ter bescherming van de openbare orde tegen zo’n werkzaamheid, hoeft bijvoorbeeld geen sprake te zijn van criminele activiteiten of een eerder uitgesproken veroordeling op grond van art. 140 lid 1 Sr (zie onder 2.12; vgl. ook rov. 7.3 en 9.4 van het hof, in cassatie onbestreden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat bij een dergelijk ingrijpen door de civiele rechter om een vaststelling van rechtscheppende (constitutieve) aard (de verbodenverklaring werkt naar de toekomst toe), in het wettelijk systeem gecombineerd met ontbinding van de rechtspersoon op basis van het civiele rechtspersonenrecht (Boek 2 BW), waarbij: de verbodenverklaring van de rechtspersoon op zichzelf geen civielrechtelijk effect heeft (en pas strafrechtelijk effect kan hebben als aan de voorwaarden van art. 140 lid 2 Sr is voldaan), voor het civiele recht slechts de ontbinding van de rechtspersoon relevant is, en zulk ingrijpen als zodanig geen strafbaarheid oplevert (zie onder 2.8). Van een ‘sanctie’-karakter als waarop het onderdeel doelt, kan hier, gelet op dit een en ander, m.i. dan ook niet worden gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het voortzetten van de werkzaamheid van de onherroepelijk verboden verklaarde (en ontbonden) rechtspersoon strafbaar is gesteld, is juist, maar staat daar los van. Strafvervolging op de voet van art. 140 lid 2 Sr, dat betrekking heeft op de periode ná een verbodenverklaring en ontbinding (zie ook, in cassatie onbestreden, rov. 9.2 van het hof), is m.i. wél een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. Die bepaling is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (vergelijk het eerste Engel-criterium) en het daarin vervatte delict wordt bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie (vergelijk het tweede en derde Engel-criterium). In geval van strafvervolging op grond van art. 140 lid 2 Sr komt de strafrechter geen oordeel meer toe over de (onherroepelijke) rechterlijke beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid in de zin van art. 140 lid 2 Sr staat met die rechterlijke beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding echter nog niet vast, zoals gezegd. Die strafbaarheid kan pas ontstaan wanneer die rechterlijke beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding, nadat die onherroepelijk is geworden, niet wordt gehoorzaamd en de verboden verklaarde werkzaamheid van de (ontbonden) rechtspersoon wordt voortgezet (zie ook onder 2.9). De delictsomschrijving als vervat in art. 140 lid 2 Sr is dan ook niet het verrichten van een werkzaamheid in strijd met de openbare orde, zoals art. 2:20 lid 1 BW is geformuleerd, maar deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard op de voet van art. 2:20 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel miskent, mede gelet op het voorgaande, ook het karakter van de (in het wettelijk systeem met verbodenverklaring gepaard gaande) rechterlijke ontbinding van de rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 1 BW. Ontbinding heeft tot gevolg dat de rechtspersoon uitsluitend nog voortbestaat ten behoeve van de vereffening, ervan uitgaande dat de rechtspersoon op het tijdstip van de ontbinding baten heeft (art. 2:19 lid 1 onder f, lid 4 en lid 6 BW). Dit gevolg treedt ook in bij andere civielrechtelijke gronden voor ontbinding van de rechtspersoon dan art. 2:20 lid 1 BW gelet op art. 2:19 lid 1 BW, in welk verband bijvoorbeeld kan worden gewezen op rechterlijke ontbinding van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 2 BW, art. 2:21 BW of art. 2:356 onder f BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een algemene figuur in het civiele rechtspersonenrecht (Boek 2 BW), die niet specifiek is bedoeld als een ‘sanctie’ in voornoemde zin; ook niet in het kader van art. 2:20 lid 1 BW, zoals hiervoor uiteengezet. De vereffenaar draagt hetgeen na voldoening van de schuldeisers van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon is overgebleven, in verhouding tot ieders recht over aan hen die op grond van de statuten daartoe zijn gerechtigd, of anders, in het geval van een vereniging, aan de leden (en in het geval van een vennootschap aan de aandeelhouders). Wanneer geen ander recht heeft op het overschot, wordt dat saldo uitgekeerd aan de Staat, die het zoveel mogelijk overeenkomstig het doel van de rechtspersoon besteedt (art. 2:23b lid 1 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderhavige geval brengt dit met zich dat het eventuele batige saldo van Satudarah in beginsel toekomt aan de leden (zie ook de in cassatie onbestreden rov. 20.4 van het hof). Ook dat wijst op het niet-strafrechtelijke karakter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM van de procedure op grond van art. 2:20 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee is overigens niet gezegd dat als het eventuele batige saldo aan de Staat zou moeten worden uitgekeerd, daarmee zou vaststaan dat sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. In het wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (zie ook onder 2.17-2.22) wordt voorgesteld de rechter de bevoegdheid te geven om ambtshalve of op verzoek van het OM te bepalen dat het batige saldo wordt uitgekeerd aan de Staat. Volgens de toelichting op deze voorgestelde wijziging van art. 2:23b BW ligt de algemene regeling voor vereffening na een verbodenverklaring op grond van strijd met de openbare orde niet voor de hand. Het batige saldo komt in het voorstel echter niet van rechtswege aan de Staat toe. Een verband met het bereik van art. 6 lid 1 EVRM als gevolg van deze wetswijziging wordt in (de toelichting op) het wetsvoorstel niet gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het ingrijpende karakter van (rechterlijke) ontbinding van een rechtspersoon, wat - in geval van vereffening van zijn vermogen; na het eindigen daarvan, gelet op art. 2:19 lid 6 BW - leidt tot het ophouden te bestaan van die rechtspersoon en in die zin tot ‘de volledige verwijdering van de rechtspersoon uit het rechts- en maatschappelijk verkeer’ (zie ook onder 2.6), niet maakt dat hier sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, blijkt ook uit een EHRM-zaak met betrekking tot de ontbinding van een Franse supportersclub van voetbalvereniging Paris Saint Germain, waarin het EHRM, overigens zonder dat expliciet aan de Engel-criteria werd getoetst, heeft overwogen dat de desbetreffende bestuursrechtelijke maatregel (die m.i. niet onvergelijkbaar is met verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 BW) niet als ‘vervolging’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM kan worden aangemerkt: “La Cour constate d’emblée que le volet pénal de l’article 6 n’est pas applicable en l’espèce puisque la procédure ne porte pas sur une « accusation en matière pénale ».”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur wordt mede naar aanleiding van deze EHRM-uitspraak opgemerkt:“Mits het dossier voldoende onderbouwd is met meerdere gewelddadige incidenten, die onweersproken blijven, kunnen de nationale instanties overgaan tot (verbod en) ontbinding, zonder daarmee in strijd te handelen met het EVRM.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs erop dat in de wetsgeschiedenis met betrekking tot art. 2:20 lid 1 BW ook geen aanknopingspunten te vinden zijn voor afwijking van het civiele bewijsrecht, wat voor de hand gelegen had als in de zienswijze van de wetgever voor een dergelijke afwijking wel aanleiding zou hebben bestaan. Integendeel. In het recente wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen wordt bijvoorbeeld nog eens bevestigd dat een strafrechtelijke veroordeling onderdeel kan uitmaken van de onderbouwing van het verzoek, maar niet noodzakelijk is, en dat de civiele rechter een zelfstandige afweging dient te maken of voldoende bewijs is geleverd voor de genoemde gedragingen (zie onder 2.12).</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de rol van het OM wordt daarin onder meer opgemerkt dat het procesmonopolie exclusief bij het OM blijft als onafhankelijk vertegenwoordiger van het algemeen belang, dat vanwege het civielrechtelijke karakter van de verbodenverklaring tegen een besluit van het OM om geen verzoek ex art. 2:20 BW in te dienen geen artikel 12 Sv-procedure openstaat, dat het OM de afweging om 2:20 BW al dan niet in te zetten in alle onafhankelijkheid maakt, en dat vanuit waarborgoptiek de rechterlijke toets van belang is; dit vormt de belangrijkste rechtsstatelijke correctiefactor tegen onnodig gebruik van de art. 2:20 BW-procedure (zie onder 2.16, wat ook aansluit bij de onder 2.26 genoemde en geciteerde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel inzake het civielrechtelijke bestuursverbod, waaruit mede blijkt “dat belanghebbenden het OM niet via de weg van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv) kunnen dwingen om een civielrechtelijk bestuursverbod te vorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die procedure heeft immers betrekking op de vervolging van strafbare feiten, en daarvan is bij een vordering op grond van artikel 106a FW geen sprake”). Ik heb in de rechtspraak (zie onder 2.18) en de literatuur (zie onder 2.26-2.27) ook geen bron aangetroffen waarin art. 2:20 lid 1 BW in verband wordt gebracht met een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. Het onderdeel wijst trouwens evenmin op dergelijke aanknopingspunten of bronnen, wat ook te denken geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande brengt (te meer) met zich dat het onderdeel faalt. Anders dan het voorstaat, houdt een verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW (ook) in deze zaak geen ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM in en volgt daaruit dus niet dat het hof in rov. 11.1 t/m 11.5 en rov. 13 ten onrechte is uitgegaan van de toepassing van het civiele bewijsrecht. Het hof was, mede gelet op het gevoerde partijdebat, ook niet gehouden tot een nadere motivering van het (impliciete, veronderstelde) rechtsoordeel dat hier geen sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, welk rechtsoordeel zich overigens ook niet laat bestrijden met een motiveringsklacht. Voor zover het onderdeel nog een andere motiveringsklacht bevat, geldt tegen deze achtergrond dat die evenmin kan slagen, nu de ‘criminal charge’-premisse daarvan onjuist is (vgl. de laatste alinea op p. 7 van het verzoekschrift tot cassatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop stuit het onderdeel hoe dan ook af.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.28 Onderdeel B klaagt dat door in rov. 11.1 (en rov. 11.5, slot) te overwegen dat voor zover de door het OM gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist die feiten op grond van art. 149 Rv ook voor het hof als vaststaand hebben te gelden, het hof ten onrechte niet heeft onderkend dat die rechtsregel geen of onvoldoende bestaansrecht heeft “tegen de achtergrond” van de voornoemde voluntaire jurisdictie, dan wel het rechterlijke inlichtingenbevel van art. 22 Rv, de waarheidsplicht van art. 21 Rv en de bewijsrechtelijke betekenis van partijverklaringen op de inlichtingencomparitie in de zin van art. 88 lid 4 Rv. Het hof kon, volgens het onderdeel, “hierom” niet uitgaan van de door het OM beweerde strafbare feiten en strafrechtelijke veroordelingen, althans niet zonder (nader) bewijs daarvan van het OM te verlangen en te verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.29 Onderdeel B faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderdeel van de klacht lijkt (in tegenstelling tot het vorige onderdeel, A) uit te gaan van de toepassing van het civiele bewijsrecht. Ik begrijp het deel van de klacht dat art. 149 Rv in de onderhavige zaak “tegen de achtergrond van de voornoemde voluntaire jurisdictie” geen of onvoldoende bestaansrecht heeft zo, dat een beroep wordt gedaan op art. 284 lid 1 Rv, in die zin dat de aard van de zaak zich tegen overeenkomstige toepassing van art. 149 Rv zou verzetten. Het hof heeft hierover in rov. 11.1 overwogen dat partijen niet hebben aangevoerd dat de aard van de zaak zich verzet tegen overeenkomstige toepassing van de negende afdeling van de tweede titel van Rv, waaronder dus art. 149 Rv (dat kan met deze rechtsklacht niet worden bestreden), en dat voor de conclusie dat de aard van de zaak zich tegen overeenkomstige toepassing verzet ook geen grond bestaat. Het onderdeel maakt niet duidelijk waarom de achtergrond van de voluntaire jurisdictie maakt dat het hof niet, althans niet zonder (nader) bewijs daarvan van het OM te verkrijgen, kon uitgaan van de door het OM beweerde strafbare feiten en strafrechtelijke veroordelingen. Voor zover het onderdeel bedoelt - “voornoemde” duidt daarop - daarvoor terug te grijpen op onderdeel A, deelt de klacht in het lot van dat onderdeel. Dat sprake zou zijn van voluntaire jurisdictie, brengt niet zonder meer met zich dat de aard van de zaak zich tegen toepassing van art. 149 Rv zou verzetten (zie onder 2.25).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel doet daarnaast een beroep op het rechterlijke inlichtingenbevel van art. 22 Rv, de waarheidsplicht van art. 21 Rv en de bewijsrechtelijke betekenis van partijverklaringen op de inlichtingencomparitie van art. 88 lid 4 Rv. Ook tegen deze achtergrond kon het hof volgens het onderdeel op grond van art. 149 Rv niet, althans zonder (nader) bewijs daarvan van het OM te verkrijgen, uitgaan van de door het OM beweerde strafbare feiten en strafrechtelijke veroordelingen, wederom zonder uiteen te zetten waarom dat zo zou zijn. De enige toelichting die het onderdeel verschaft, betreft, als gezegd, een verwijzing naar “(Asser Procesrecht, Asser 3 2013, nummer 102)”. In het door het onderdeel aangehaalde randnummer (102) van dit door Asser bewerkte Asser-deel inzake Bewijs uit 2013 wordt de vraag aan de orde gesteld of art. 149 Rv, in het licht van de ontwikkelingen die het civiele proces, met name door de wetswijziging van 2002, heeft doorgemaakt, nog bestaansrecht heeft: “De Bock signaleert bijvoorbeeld dat uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat is nagedacht over de vraag of de invoering van de waarheidsplicht in 2002 (art. 21 Rv) niet tot een gedeeltelijke herijking van deze vorm van processuele partijautonomie noopt. Men kan inderdaad betwijfelen of de wetgever wel voldoende heeft doordacht hoe de regel zich verhoudt tot de toen geïntroduceerde nog grotere bedrijvigheid van de rechter, niet alleen op het terrein van het case management maar meer in het bijzonder ook als het gaat om de verzameling van feitenmateriaal, zoals het rechterlijke inlichtingenbevel van art. 22 Rv, gekoppeld aan de waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 Rv, en de bewijsrechtelijke betekenis van partijverklaringen op de inlichtingencomparitie (art. 88 lid 4 Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting van de rechter om niet (voldoende) betwiste feiten als vaststaand te beschouwen heeft eigenlijk geen normatieve waarde in het licht van de vrijheid van een partij om later in de procedure of in appel een aanvankelijk niet-betwist feit dat door de wederpartij was gesteld, alsnog te betwisten - al of niet daartoe uitgelokt door vragen van de rechter of diens beslissingen. Telt men daarbij op dat de actieve rechter tijdens de comparitie na antwoord vragen kan stellen ten aanzien van niet-betwiste feiten en de aldus van partijen verkregen informatie kan gebruiken voor zijn beslissing, en neemt men bovendien in aanmerking dat de rechter meer dan vroeger de grenzen van de rechtsstrijd, ook op het vlak van de rechtsfeiten, aan de orde mag stellen, zoals uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt, dan kan de partijautonomie nauwelijks meer als dragende grond fungeren voor een zo strikte regel als die van artikel 149 Rv, die de zoektocht naar de materiële waarheid in principe belemmert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Bock heeft de regel onderzocht vanuit het thema van de waarheidsvinding en komt tot kritische conclusies. Zij bepleit een bevoegdheid van de rechter tot aanvulling van de feiten en zelfs de rechtsfeiten. Hier overheerst duidelijk het rechterlijk perspectief en dan de meer activistische variant. Waarbij valt op te merken dat heel wat rechters in hun dagelijks werk art. 149 Rv simpelweg toepassen, zonder zelf veel te gaan avonturieren met de feiten, behalve als ze dat zelf nodig vinden om op een verantwoorde manier recht te kunnen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van de zojuist genoemde ontwikkeling van de rechterlijke activiteit in het civiele proces, kan worden gezegd dat er voor de partijautonomie in dit verband alleen nog ruimte is op het terrein waar partijen het echt eens zijn over de feiten en de ene partij de door de andere partij gestelde feiten uitdrukkelijk erkent - de gerechtelijke erkentenis van art. 154 Rv - en waar partijen een werkelijkheid tussen hen in een bewijsovereenkomst of vaststellingsovereenkomst hebben vastgelegd. Daar moet de rechter terugtreden, temeer omdat partijen in die gevallen tot grote hoogte aan elkaars woord zijn gebonden. Maar voor het overige kan de regel van art. 149 Rv wel gemist worden en is er alles voor te zeggen om de rechter hier, zoals eerder is bepleit, dezelfde bevoegdheid te geven als in verstekzaken, uiteraard met inachtneming van hetgeen de goede procesorde in verband met de processuele rechten en belangen van de wederpartij en het belang van een doelmatige en voortvarende rechtspleging eist, en aldus aan te sluiten bij de realiteit van vandaag.” [curs. in origineel, voetnoten niet overgenomen, A-G] Ondanks deze vraag, gaat Asser er in deze aangehaalde passage, en ook in de daaraan voorafgaande randnummers, van uit dat art. 149 Rv naar huidig recht geldt. Een argument waarom de aard van de onderhavige zaak zich tegen toepassing van art. 149 Rv verzet, kan ik daarin dan ook niet ontwaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk verder nog het volgende op over de werking van de regel van art. 149 lid 1 Rv, die inhoudt dat feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of niet voldoende zijn betwist door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat; daarover gaat onderdeel C). De stelplicht ligt in de onderhavige zaak bij het OM. Het OM moet stellen, en zo nodig onderbouwen, dat sprake is van een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 lid 1 BW. Aan de motivering en onderbouwing van het verzoek moeten hoge eisen worden gesteld (zie ook onder 2.20).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM heeft daartoe een uitgebreid verzoekschrift ingediend met daaraan gehechte processen-verbaal, waarin onder meer een groot aantal feiten, incidenten en meldingen is opgesomd (zie hierover ook, in zoverre in cassatie onbestreden rov. 11.3, 11.4, 11.5 van het hof). Ik voeg daar aan toe dat het OM, gelet op de mogelijkheid om politiegegevens over te hevelen (zie onder 2.16), ook goed geëquipeerd is om aan die hoge eisen van motivering en onderbouwing te voldoen. Hierbij geldt dat in het algemeen dat stellen niet is bewijzen. Het is aan de rechter om te beoordelen of de gestelde feiten al dan niet voldoende zijn betwist. Die uitgebreide motivering en onderbouwing van het verzoek maken het voor Satudarah lastig om op alle gestelde feiten in het dossier te reageren (vgl. rov. 11.4 van het hof).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft echter ook onderkend dat de rechtbank in rov. 2.16 e.v. van de beschikking in eerste aanleg een groot aantal gebeurtenissen uit de bijlagen bij het verzoekschrift heeft gedestilleerd die zij als onderbouwing van het verzoek heeft beschouwd; Satudarah heeft geen enkele van die door de rechtbank vastgestelde gebeurtenissen weersproken, terwijl zij ook niet (voldoende gemotiveerd) heeft aangevoerd dat en waarom zij daartoe niet in staat was; tegen die vaststellingen van de rechtbank is door Satudarah ook geen grief gericht (rov. 11.5 van het hof). Tegen die achtergrond heeft het hof art. 149 lid 1 Rv toegepast, door uit te gaan van de juistheid van hetgeen door de rechtbank is vastgesteld, en heeft het hof geen aanleiding gezien voor een verzwaring van de bewijslast van het OM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebreke van elke inhoudelijke betwisting van de feiten door Satudarah, en mede gelet op de hoge eisen die worden gesteld aan de motivering en onderbouwing van het verzoek door het OM, acht ik dat een terecht oordeel. Het hof heeft in rov. 11.4 en 11.5 de processuele rechten en belangen van Satudarah daarbij uitdrukkelijk meegewogen. Bovendien speelt, gelet op het grote aantal feiten, incidenten en meldingen dat wordt genoemd in het verzoekschrift (rov. 11.4 van het hof) en waarvan de rechtbank een groot aantal in haar beschikking heeft opgenomen en als onderbouwing van het verzoek heeft beschouwd, die zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet door Satudarah zijn betwist (rov. 11.5 van het hof), niet het ‘gevaar’ van toepassing van art. 149 Rv dat recht zou worden gesproken op basis van een feitensubstraat dat niet (helemaal) overeenstemt met de werkelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot een nadere motivering was het hof hier overigens niet gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop stuit het onderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.30 Onderdeel C klaagt dat het hof in rov. 11.1 (en rov. 11.5 slot) eraan voorbij heeft gezien dat art. 149 lid 1, tweede volzin, Rv bepaalt dat feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, de rechter als vaststaand moet beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat, zodat geoordeeld moet worden dat de weergave door het hof van de kennelijk bedoelde rechtsregel niet volledig is. Volgens het onderdeel is onmiskenbaar sprake van stellingen die leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat, waarbij het, samengevat: erop wijst dat verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 BW “niet iets is waarover partijen contractuele afspraken kunnen maken, althans geen afspraken die tegen eenieder in te roepen zijn, zoals een rechterlijk oordeel in zaken als deze wel tegen eenieder werkt”; en herhaalt wat het hof overweegt in rov. 11.3, slotzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij komt volgens het onderdeel dat het een Nederlandse burgerlijke rechter niet vrijstaat te concluderen dat (bij gebreke van voldoende tegenspraak) sprake is van een strafbaar feit, omdat dit, samengevat, is voorbehouden aan de strafrechter. Nu, kort gezegd, het ervoor moet worden gehouden dat het hof voorbij heeft gezien aan die bevoegdheid, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het gepresenteerde bewijs in samenhang met het verweer daarop. Indien het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, heeft het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke dan wel onvoldoende gemotiveerde wijze, geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid bewijs te verlangen van de door het OM gestelde, strafrechtelijke feiten althans strafrechtelijke veroordelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het hof geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid bewijs te verlangen is rechtens onjuist, omdat het verboden verklaren en ontbinden van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 BW met terughoudendheid dient te geschieden, met welke te betrachten terughoudendheid niet te verenigen is dat een gesteld strafbaar feit dan wel strafrechtelijke veroordeling die aan de verzochte verbodenverklaring en ontbinding ten grondslag is gelegd, niet door overlegging van de desbetreffende strafrechtelijke veroordeling maar door een op de wet gebaseerd bewijsvermoeden bewezen wordt geacht. Dat het hof geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, is onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de argumenten die Satudarah en Yellow Snakes in de toelichting op hun grief 4 met name hebben aangevoerd en die het hof onvoldoende heeft besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het voorgaande kunnen de in het onderdeel onder a t/m f weergeven oordelen van het hof in rov. 10.4, 11.2, 11.3, 11.4 en 11.5 en 13 niet in stand blijven. Immers, nu het burgerlijke open stelsel van bewijsmiddelen niet met zich brengt dat de burgerlijke rechter kan of mag vaststellen dat sprake is van strafbare feiten als de burgerlijke rechter daarvoor niet kan teruggrijpen op een beslissing daartoe van de strafrechter, heeft het hof niet kunnen vaststellen dat sprake is van de door de rechtbank vastgestelde strafbare feiten en strafrechtelijke veroordelingen. Daarop laat het onderdeel nog volgen dat de uit rov. 11.5 geciteerde overwegingen rechtens onjuist zijn, omdat zij berusten op de onjuiste rechtsopvatting dat (afdoende) betwisting door Satudarah en Yellow Snakes het hof tot de slotsom had kunnen brengen dat geen sprake is van de door de rechtbank vastgestelde strafbare feiten en strafrechtelijke veroordelingen (nu, samengevat, het voeren van een dergelijk verweer dus alleen zin heeft ten overstaan van de strafrechter, na het hebben kunnen kennisnemen van het integrale dossier), en dat die opgesomde overwegingen van het hof onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn, omdat het hof die opgesomde argumenten onvoldoende heeft besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.31 Ook onderdeel C faalt.Dit onderdeel beroept zich op het slot van art. 149 lid 1 Rv, waaruit volgt dat de rechter bevoegd is van feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist niettemin bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Het is op zichzelf denkbaar dat verbodenverklaring en ontbinding van een rechtspersoon door de rechter op grond van art. 2:20 lid 1 BW een rechtsgevolg is dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Ook als daarvan wordt uitgegaan, loopt het onderdeel vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel mist feitelijke grondslag waar het klaagt dat het hof aan deze uitzondering in art. 149 lid 1, slot Rv voorbij heeft gezien. In de slotzin van rov. 11.1 verwijst het hof weliswaar niet met zoveel woorden naar deze uitzondering, al volgt uit het daaraan voorafgaande reeds dat het hof op grond van art. 284 Rv de negende afdeling van de tweede titel van Rv “en dus het bewijsrecht” hier van overeenkomstige toepassing is, met inbegrip van art. 149 lid 1 Rv als geheel. Mede uit de slotzin van rov. 11.5 blijkt echter dat het hof deze uitzondering wel onder ogen heeft gezien, waar het overweegt: “Voor een verzwaring van de bewijslast van het OM is bij gebreke van elke inhoudelijke betwisting van de feiten door Satudarah, geen reden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder wijs ik erop dat, waar behoudens de genoemde uitzondering in art. 149 lid 1, slot Rv sprake is van een verplichting van de rechter om niet of niet voldoende betwiste feiten als vaststaand te beschouwen, de bevoegdheid van de rechter op grond van die uitzondering om bewijs te verlangen van feiten die zouden leiden tot rechtsgevolgen die niet ter vrije bepaling van partijen staan, niet meebrengt dat hij daartoe ook verplicht is: het is, zoals art. 149 Rv ook duidelijk maakt, een bevoegdheid. De slotzin van rov. 11.5 begrijp ik aldus dat het hof in het onderhavige geval geen reden heeft gezien om gebruik te maken van deze, door het hof dus onderkende, bevoegdheid (door nader bewijs te vragen, in de vorm van overlegging van strafrechtelijke veroordelingen van het OM), hetgeen het hof vrij stond, anders dan het onderdeel wil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik breng daarbij in herinnering dat in het kader van art. 2:20 lid 1 BW een dergelijke strafrechtelijke veroordeling niet noodzakelijk is en de civiele rechter een zelfstandige afweging dient te maken of voldoende bewijs is geleverd van de genoemde gedragingen, en dat de strafrechtelijke kwalificatie door een eventueel later volgende uitspraak van een strafrechter niet afdoet aan die beoordeling van de civiele rechter (zie onder 2.12). Ik breng daarbij ook in herinnering hetgeen het hof overigens overweegt in rov. 11.5, waarvan deel uitmaakt hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en door Satudarah niet is betwist, waaronder (de dwingende bewijskracht van) de door de rechtbank in rov. 2.16 genoemde onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen op tegenspraak door de Nederlandse strafrechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat, kort gezegd, alleen de strafrechter naar Nederlands recht kan vaststellen of sprake is van een strafbaar feit en een daartoe strafbare persoon, is door het hof, mede gelet op rov. 11.3, 11.5 en 13, (dus) ook niet miskend, anders dan het onderdeel aanvoert. Voor zover het onderdeel daarbij uitgaat van een ander oordeel ter zake van het hof (zie p. 11 van het verzoekschrift tot cassatie), mist het ook feitelijke grondslag. De stelling dat, kort gezegd, met (de te betrachten terughoudendheid bij) het verboden verklaren en ontbinden van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 1 BW “niet te verenigen” is dat een gesteld strafbaar feit dat dan wel strafrechtelijke veroordeling die daaraan ten grondslag is gelegd “niet door overlegging van de desbetreffende strafrechtelijke veroordeling maar wel door een op de wet gebaseerd bewijsvermoeden bewezen wordt geacht”, berust op een onjuiste rechtsopvatting en leidt gelet op het voorgaande hoe dan ook in dit geval niet tot de slotsom dat het hof aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kort en goed: het oordeel van het hof in rov. 11.1 en 11.5, slotzin getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting als bedoeld in het onderdeel, en de bestrijding door het onderdeel (op p. 10-11 van het verzoekschrift tot cassatie) van de weergegeven overwegingen van het hof in rov. 10.4, 11.2, 11.3, 11.4, 11.5 en 13 mist daarmee eveneens doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbegrijpelijk is het bestreden oordeel van het hof overigens ook niet. Het onderdeel beroept zich daartoe op de volgende argumenten uit het beroepschrift van Satudarah, als weergegeven onder a t/m c, die het hof onvoldoende zou hebben besproken: “De rechtbank is bedolven onder ordners met allerlei veronderstelde strafbare feiten die onderbouwd worden met fragmentarische bewijsmiddelen bestaande uit her en der een telefoontap, her en der een enkele verklaring en her en der anonieme (CIE-)informatie en slechts incidenteel met samenvattingen van strafrechtelijke uitspraken, waarvan de bronbestanden overigens telkens ontbreken” [p. 9 van het verzoekschrift tot cassatie onder a, A-G] “Het is onbegrijpelijk dat de rechtbank op dit punt niet kritischer is geweest. De rechtbank heeft in de beschikking immers terecht overwogen dat het openbaar ministerie strafrechtelijk al voldoende heeft geprobeerd om de strafbare gedragingen te stoppen. Indien en voor zover dat daadwerkelijk het geval is, was het voor het openbaar ministerie een koud kunstje geweest vonnissen c.q. arresten te verstrekken van een aantal evident zwaarwegende strafbare feiten en had het openbaar ministerie zich niet hoeven verlaten op het presenteren van ordners vol met fragmentarische bewijsmiddelen.” [p. 9 van het verzoekschrift tot cassatie onder b, A-G] “Voor het overige is de rechtbank in het geheel niet ingegaan op het verweer strekkende tot een ingreep in de bewijslastverdeling en het hanteren van een hoge bewijslat op de andere aangevoerde gronden dan de structurele onevenwichtigheid tussen het Openbaar Ministerie en verzoeksters. Verzoeksters hebben immers tevens betoogd dat een hoge bewijslat gehanteerd dient te worden vanwege het in het geding zijnde gewichtige recht van vrijheid tot vereniging (…).” [p. 9 van het verzoekschrift tot cassatie onder c, A-G] Het onderdeel ziet eraan voorbij (ook op p. 11 van het verzoekschrift tot cassatie) dat het hof in rov. 11.1 t/m 11.5 afdoende op deze argumenten heeft gereageerd. Het argument onder a heeft het hof navolgbaar onderkend in rov. 11.4 en gepareerd in rov. 11.5, door vast te stellen dat de rechtbank in rov. 2.16 e.v. gecategoriseerd per onderwerp een groot aantal gebeurtenissen uit de bijlagen bij het verzoekschrift heeft gedestilleerd die zij als onderbouwing van het verzoek heeft beschouwd. Van fragmentarisch gepresenteerde bewijsmiddelen was aldus geen sprake. Het argument onder b wordt door het hof ook op begrijpelijke wijze in rov. 11.5 gepareerd. Nu elke inhoudelijke betwisting van de feiten door Satudarah ontbreekt, heeft het hof geen aanleiding gezien tot het (alsnog) verlangen van overlegging van de bedoelde “vonnissen c.q. arresten (…) van een aantal evident zwaarwegende strafbare feiten”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het argument onder c, met betrekking tot een ingreep in de bewijslastverdeling, is het hof afdoende ingegaan in rov. 11.2. Voor een verzwaring van de bewijslast heeft het hof blijkens rov. 11.5, slotzin, begrijpelijkerwijs, mede bij gebreke van elke inhoudende betwisting van de feiten door Satudarah, geen reden gezien. Dat Satudarah geen toegang had tot (de bronbestanden in) de justitiële documentatiesystemen doet er niet aan af dat zij op zijn minst zodanig verweer had kunnen voeren, wat zij heeft nagelaten, dat de stellingen van het OM in twijfel zouden moeten worden getrokken en het OM met nader bewijs zou dienen te worden belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop stuit het onderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klacht 2: chapters 2.32 Met deze klacht komt het cassatiemiddel op tegen rov. 12.1 t/m 12.3 van de beschikking van het hof. Deze overwegingen zijn volgens de klacht onbegrijpelijk, omdat, zoals zijdens Satudarah is gesteld op p. 2 van de pleitnota in hoger beroep (zie onder 2.34 hierna), de afzonderlijke chapters buiten het bereik van deze verbodsprocedure vallen nu het OM in het verzoekschrift niet specifiek heeft gevraagd om verbodenverklaring en ontbinding van de afzonderlijke chapters, alsmede omdat, zoals zijdens Satudarah is aangevoerd op p. 4 van die pleitnota (zie ook onder 2.34 hierna), de afzonderlijke chapters geen onzelfstandig onderdeel van Satudarah zijn, maar in zichzelf een bestendige organisatie met leden vormen zodat de chapters moeten worden aangemerkt als zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid, terwijl het hof niet heeft vastgesteld dat het OM deze stellingen (afdoende) heeft weerlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.33 Bij de behandeling van deze klacht stel ik voorop dat deze klacht uitsluitend ziet op de chapters en niet tevens op de supportclubs. Met betrekking tot de supportclubs staat vast dat Saudarah en Supportcrew 999 wel onder de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah vallen, en Yellow Snakes niet. De rechtbank heeft in rov. 2.37-2.38 geoordeeld dat Saudarah en Supportcrew 999 “onzelfstandige onderdelen” zijn van de informele vereniging Satudarah en door de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah worden getroffen. Saudarah en Supportcrew 999 bezitten dus naar het oordeel van de rechtbank geen eigen rechtspersoonlijkheid. In hoger beroep overweegt het hof ten aanzien van Saudarah en Supportcrew 999: “17.2 (…) [H]et gaat erom of de support clubs deel uitmaken van Satudarah en daarom ook door een verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah worden getroffen. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat de ledenadministratie van Saudarah en Supportcrew 999 door Satudarah wordt bijgehouden. Het OM heeft in eerste aanleg aangevoerd dat Satudarah naar buiten toe kenbaar maakt dat deze supportclubs nauw verbonden zijn met Satudarah, dat zij worden opgezet en ontbonden vanuit (het bestuur van) Satudarah, dat nieuwe leden van de supportclubs zich bij Satudarah moeten aanmelden, dat de supportclubs de clubkleuren van de “Black and Yellow Nation” gebruiken, dat zij de faciliteiten van Satudarah gebruiken, dat de leden van de support clubs contributie aan Satudarah voldoen en dat zij kunnen doorstromen naar Satudarah. Noch in hoofdstuk 13 van het verweerschrift in eerste aanleg, noch in hoger beroep heeft Satudarah deze feitelijke omstandigheden gemotiveerd weersproken. Die feitelijke omstandigheden duiden er op dat de supportclubs Saudarah en Supportcrew 999 onderdeel uitmaken van Satudarah en geen zelfstandige positie innemen. Zij worden dus ook geraakt door een verbodenverklaring en een ontbinding van Satudarah. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het cassatieberoep van Satudarah en Yellow Snakes is niet gericht tegen deze overweging van het hof. In cassatie staat dus vast dat Saudarah en Supportcrew 999 geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten en als onderdeel van Satudarah door de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah worden getroffen. Yellow Snakes is naar het oordeel van de rechtbank een van Satudarah “losstaande entiteit” (met eigen rechtspersoonlijkheid) die niet wordt getroffen door verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah, waarop het verzoek van het OM zich uitsluitend richt (rov. 2.37). In hoger beroep overweegt het hof over de positie van Yellow Snakes: “20.2 Zoals het OM in haar verzoekschrift in eerste aanleg ook heeft onderkend (achter 3.6) presenteert met name Yellow Snakes zich als een zelfstandige vereniging. Yellow Snakes heeft weersproken te zijn opgericht door Satudarah. Ook heeft zij aangevoerd dat haar leden, anders dan de leden van andere supportclubs, zelfstandig bepalen of zij al dan niet deelnemen aan “sociale activiteiten” die door Satudarah worden geregisseerd. Bovendien heeft zij weersproken dat contributie aan Satudarah wordt betaald en heeft zij aangegeven dat er nog meer zelfstandige clubs deel uitmaken van de “Black and Yellow Nation”.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.3 Het OM heeft op deze betwistingen en de daaraan ten grondslag gelegde feiten tijdens het pleidooi niet gereageerd. Het hof heeft bij die stand van zaken onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat Yellow Snakes onderdeel uitmaakt van Satudarah. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit oordeel wordt in het incidentele cassatieberoep van het OM niet bestreden. Vanwege het feitelijke karakter van het oordeel dat Yellow Snakes niet onder de reikwijdte van de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah valt, heeft het OM op dit punt ook geen incidenteel cassatieberoep ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.34 De klacht beroept zich op de volgende preliminaire opmerking uit de reactie zijdens Satudarah naar aanleiding van het verweerschrift van het OM in hoger beroep. Door het hof wordt dit stuk aangeduid als de “pleitnota” van Satudarah in hoger beroep (zie rov. 1 en onder 1.11). “In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de rechtbank heeft vastgesteld dat: [volgt weergave van rov. 2.4 van de beschikking van de rechtbank, A-G]. De rechtbank heeft weliswaar aangenomen dat de chapters onderdeel uitmaken van Satudarah, maar heeft, in tegenstelling tot hetgeen het openbaar ministerie in het verzoekschrift heeft gesteld, namelijk dat de afzonderlijke chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn, nadrukkelijk niet vastgesteld dat de afzonderlijke chapters onzelfstandig onderdeel uitmaken van Satudarah. De vraag of daarvan sprake is, zal dan ook zelfstandig door uw hof moeten worden beantwoord, ongeacht of dienaangaande door verzoeksters een of meerdere grieven zijn aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor verzoeksters bestond er geen enkele noodzaak te grieven tegen de voorgeciteerde overweging van de rechtbank, omdat de afzonderlijke chapters buiten het bereik van deze verbodsprocedure vallen. Het openbaar ministerie heeft namelijk in het verzoekschrift niet specifiek gevraagd om een verbodenverklaring en ontbinding van de afzonderlijke chapters. Het openbaar ministerie heeft slechts gevraagd om een verbodenverklaring van ‘Satudarah Motorcycleclub’, de informele vereniging die zich onder die naam naar buiten toe heeft gepresenteerd als landelijke vereniging. Datzelfde heeft het openbaar ministerie gedaan in de procedure waarin zij hebben verzocht om verbodenverklaring en ontbinding van ‘Bandidos Motorcycleclub Holland’, eveneens de informele vereniging die zich onder die naar buiten heeft gepresenteerd als landelijke vereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Bandidos-zaak oordeelde het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vervolgens omtrent de vraag hoe ver het door het openbaar ministerie gevraagde en door het hof toegewezen verbod nu reikt het navolgende: [volgt weergave van rov. 4.31-4.34 uit de Bandidos-beschikking van het hof, A-G]Het voorgeciteerde is in de onderhavige zaak een-op-een van toepassing. De afzonderlijke chapters zijn immers geen onzelfstandig onderdeel van Satudarah MC, maar vormen eveneens in zichzelf een bestendige organisatie met leden, reden waarom de chapters moeten worden aangemerkt als zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid. De afzonderlijke chapters van Satudarah MC hebben immers - evenals de chapters van Bandidos MC - een eigen bestuur (president, vice-president, secretary, treasurer, sergeant at arms, roadcaptain, etc.), een eigen naam, eigen leden, eigen vergaderingen, een eigen contributieverplichting en eigen onderscheidingstekens op de kleding en presenteren zich eveneens naar buiten toe als zelfstandige eenheid.” [voetnootverwijzingen naar het verzoekschrift ex art. 2:20 BW niet overgenomen, A-G] 2.35 Met deze preliminaire opmerking reageert Satudarah op het verweerschrift zijdens het OM, waarin wordt vooropgesteld: “dat Satudarah tegen een groot aantal vaststellingen en overwegingen van de rechtbank geen grieven heeft ingediend. Zo grieft Satudarah niet tegen de overweging van de rechtbank dat Satudarah als een informele vereniging kan worden aangemerkt en dat de chapters daar onderdeel van uitmaken. Ook bij de rechtbank heeft Satudarah zich overigens niet verweerd tegen de stelling dat zij een informele vereniging is en dat de chapters daar onderdeel van zijn. Het Openbaar Ministerie gaat er dan ook vanuit dat Satudarah zich in de betreffende vaststellingen en overwegingen kan vinden en dat uw Hof deze als vaststaand aanneemt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">2.36 Aan de motivering en onderbouwing van een verzoek ex art. 2:20 BW moeten, in het licht van de verenigingsvrijheid, als gezegd hoge eisen worden gesteld (zie onder 2.20). Uit de aanhef en het petitum van het verzoekschrift blijkt dat het verzoek van het OM is gericht tegen de “informele vereniging zijnde de Satudarah Motorcycleclub (ook wel naar buiten tredend als ‘Black and Yellow Nation’)”, van welke rechtspersoon de supportclubs onderdeel uitmaken (vgl. het hof in rov. 12.1). In met name hoofdstuk 3 van dit verzoekschrift ex art. 2:20 BW wordt door het OM onderbouwd dat Satudarah met alle eronder vallende chapters en supportclubs dient te worden aangemerkt als een informele vereniging. Over de chapters als onderdeel van Satudarah stelt het OM in het verzoekschrift onder meer: “De chapters zijn onlosmakelijk onderdeel van het overkoepelende Satudarah MC. De chapters kunnen alleen worden opgezet met toestemming van het centrale bestuur van Satudarah en worden (o.a. voor wat betreft beleid en regelgeving) vanuit dit bestuur aangestuurd (zie § 3.10 van dit verzoekschrift). Elk chapter draagt de naam ‘Satudarah MC’ gevolgd door de naam van het chapter, waarbij vaak wordt gerefereerd aan de vestigingsplaats. Alle leden van de chapters worden intern gezien en naar buiten gepresenteerd als leden van Satudarah. In § 4.101 van dit verzoekschrift wordt de gerechtelijke uitspraak van 4 november 2016 toegelicht, waarin de hoogste Duitse bestuursrechter bevestigde dat het Duitse chapter ‘Satudarah MC Tigatanah’ niet onafhankelijk was maar viel onder het overkoepelende Satudarah MC en - net als de overige zes in Duitsland actieve chapters - terecht werd geschaard onder de werkingssfeer van het nationale verbod op Satudarah MC.” [voetnootverwijzingen niet overgenomen, A-G] 2.37 Uit rov. 2.3 van de beschikking van de rechtbank blijkt dat de rechtbank het verzoekschrift van het OM aldus heeft opgevat dat het OM heeft aangevoerd dat sprake is “van één rechtspersoon”, de informele vereniging Satudarah, waarvan de chapters en de supportclubs “onzelfstandige, dat wil zeggen van de informele vereniging Satudarah deel uitmakende, onderdelen zijn”. Uit de reactie van Satudarah onder 2.34 maak ik op dat Satudarah ook heeft begrepen dat “het openbaar ministerie in het verzoekschrift heeft gesteld, (…) dat de afzonderlijke chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn.” In rov. 2.3 somt de rechtbank verder op wat het OM, ter onderbouwing van het standpunt dat sprake is van één rechtspersoon, in het bijzonder naar voren heeft gebracht: het gebruik van uniforme clubkleding; de presentatie op door Satudarah onderhouden websites; gezamenlijk uitgevoerde activiteiten; de hiërarchische structuur (waarbij bestuursleden op nationaal niveau een bepalende invloed hebben op het beleid van de verschillende chapters); en de interne regels en de verplichting tot afdracht van contributie door chapters aan de landelijke vereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 2.4 van de beschikking in eerste aanleg overweegt de rechtbank vervolgens dat, anders dan met betrekking tot de positie van de supportclubs (zie rov. 2.36-2.38), “Satudarah [niet] betwist dat zij een informele vereniging is en evenmin dat de chapters onderdeel vormen van de vereniging”. De rechtbank is er dan ook van uitgegaan dat de chapters onder de reikwijdte van de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah vallen. Dat is een feitelijk, en gelet op hetgeen het OM daartoe in het verzoekschrift heeft aangevoerd, voldoende begrijpelijk gemotiveerd oordeel van de rechtbank. Hierbij acht ik ook van belang dat de rechtbank de chapters heeft aangemerkt als “lokale afdelingen” van Satudarah (rov. 2.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">De afdelingsverhouding brengt m.i. aanvullende vereisten met zich voor het kunnen aannemen van rechtspersoonlijkheid van de afdelingen (zie onder 2.21).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.38 In hoger beroep staat vast dat Satudarah geen grief heeft gericht tegen rov. 2.2-2.4 van de beschikking in eerste aanleg (zie ook de weergave door het hof van de grieven in rov. 4). Voor de opvatting daaromtrent van Satudarah, als vervat in haar pleitnota in hoger beroep, verwijs ik naar het - voor zich sprekende - citaat onder 2.34. Het hof overweegt dat, mede gelet op het verzoekschrift in randnummers 3.1 en 3.4, het verzoek van het OM onmiskenbaar ook betrekking had op de verschillende chapters. Zie rov. 12.1, waarin het hof tevens wijst op randnummers 8 en 9 van de pleitnota van het OM in eerste aanleg. Volgens het hof kan de door de rechtbank uitgesproken verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah, in het licht van de overweging van de rechtbank in rov. 2.4 dat Satudarah niet betwist dat zij een informele vereniging is “en evenmin dat de chapters onderdeel vormen van de vereniging”, niet anders worden begrepen dan dat zij ook betrekking had op de individuele chapters als onderdeel van één en dezelfde informele vereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de rechtbank “niet heeft overwogen dat de chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn” [curs. in het origineel, A-G], doet daaraan volgens het hof niet af. Een discussie daarover is in eerste aanleg - anders kennelijk dan in de Bandidos-zaak - niet gevoerd, en voor de rechtbank was er dus geen aanleiding het woord “onzelfstandig” aan haar beoordeling toe te voegen. Zie rov. 12.2. Anders dan Satudarah in haar pleitnota in hoger beroep betoogt, had zij, indien zij het met dit oordeel van de rechtbank niet een was, daartegen uiterlijk in haar beroepschrift een grief moeten richten. Nu zij dit niet heeft gedaan, en zich geen van de uitzonderingen op deze regel (de twee-conclusie-regel) voordoen, heeft voor het hof als uitgangspunt te gelden dat de chapters onderdeel uitmaken van Satudarah en dat verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah dus ook de chapters treft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 12.3. Het hof gaat daarmee ervan uit, in navolging van de rechtbank, dat de chapters geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten (zie ook onder 2.21).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.39 Tegen deze achtergrond bezie ik de klacht, die faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 12.1 heeft het hof, onder verwijzing naar het verzoekschrift en de pleitnota van het OM in eerste aanleg, overwogen dat het verzoek van het OM onmiskenbaar dus ook betrekking had op de verschillende chapters, wat tevens laat zien dat het hof dus heeft onderzocht of dat verzoek ook daarop betrekking had. Die aan het hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken is feitelijk en niet onbegrijpelijk in het licht van de door het hof gegeven motivering (als weergegeven onder 2.38), waaruit onder meer blijkt dat het verzoek van het OM ziet op Satudarah als informele vereniging “met alle eronder vallende chapters en de supportclubs” (de chapters zijn “onlosmakelijk onderdeel van het overkoepelende Satudarah MC”), strokend met de erkenning door Satudarah in de pleitnota in hoger beroep (als geciteerd onder 2.34) dat “het openbaar ministerie in het verzoekschrift heeft gesteld (…) dat de afzonderlijke chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt niet anders door hetgeen de klacht aanvoert onder verwijzing naar de stelling op p. 2 van die pleitnota van Satudarah in hoger beroep als weergegeven onder 2.32, waarop het hof ook respondeert met rov. 12.1. Het daar aangevoerde ziet eraan voorbij dat er geen gehoudenheid was voor het hof tot een nadere motivering dan reeds gegeven in rov. 12.1 ter beantwoording van de daar voorliggende kernvraag (dus of het verzoek van het OM ook betrekking had op de verschillende chapters), omdat door het OM niet nog specifieker dan gedaan is verzocht om verbodenverklaring en ontbinding ook van die chapters (zoals in wezen door Satudarah met die stelling op p. 2 van die pleitnota ten grondslag gelegd aan haar ontkennende beantwoording van die vraag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt evenmin anders door hetgeen de klacht aanvoert onder verwijzing naar de stelling op p. 4 van die pleitnota van Satudarah in hoger beroep als weergegeven onder 2.32, wat kennelijk betrekking heeft op hetgeen het hof overweegt in rov. 12.2-12.3 (niet op rov. 12.1), waarmee het hof, indirect, ook respondeert op die stelling. Daartoe wend ik mij nu.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft het standpunt van het OM in rov. 2.3 aldus opgevat “dat van één rechtspersoon sprake is” (de informele vereniging Satudarah), waarvan onder meer de chapters “onzelfstandige, dat wil zeggen van de informele vereniging Satudarah deel uitmakende, onderdelen zijn.” Rov. 2.4 van de rechtbank kan m.i. niet anders worden begrepen dan dat Satudarah dit standpunt van het OM niet heeft betwist. “[D]at de chapters onderdeel vormen van de vereniging”, hetgeen volgens de rechtbank in rov. 2.4 door Satudarah niet is betwist, en waarvan de rechtbank blijkens die rov. 2.4 dan ook zal uitgaan, is niets anders dan het standpunt van het OM, door de rechtbank weergegeven in rov. 2.3, “dat van één rechtspersoon sprake is” waarvan onder meer de chapters “onzelfstandige, dat wil zeggen van de informele vereniging Satudarah deel uit makende, onderdelen zijn” (zie ook onder 2.37).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat brengt het hof m.i. op begrijpelijke wijze tot uitdrukking in rov. 12.2, waar het overweegt dat de door de rechtbank uitgesproken verbodenverklaring en ontbinding in het licht van rov. 2.4 van haar beschikking niet anders kan worden begrepen dan dat zij ook betrekking had “op de individuele chapters als onderdeel van één en dezelfde informele vereniging”, en dat daaraan niet afdoet dat de rechtbank “niet heeft overwogen dat de chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn” [curs. in het origineel, A-G] nu een discussie daarover in eerste aanleg - anders kennelijk dan in de Bandidos-zaak - niet is gevoerd en er voor de rechtbank dus geen aanleiding was het woord “onzelfstandig” aan haar beoordeling toe te voegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt niet anders door hetgeen de klacht aanvoert onder verwijzing naar de stelling op p. 4 van die pleitnota van Satudarah in hoger beroep als weergegeven onder 2.32, erop neerkomend dat de afzonderlijke chapters geen onzelfstandig onderdeel van Satudarah zijn, maar in zichzelf een bestendige organisatie met leden vormen zodat de chapters moeten worden aangemerkt als zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid. Niet alleen laat die stelling de door het hof in rov. 12.2 aan de beschikking in eerste aanleg gegeven uitleg onverlet. Het in de klacht aangevoerde ziet ook eraan voorbij dat er geen gehoudenheid was voor het hof tot een nadere motivering vanwege die stelling, nu blijkens rov. 12.2 de premisse van die stelling (dat de rechtbank “nadrukkelijk niet [heeft] vastgesteld dat de afzonderlijke chapters onzelfstandig onderdeel uitmaken van Satudarah” en dat de vraag of daarvan sprake is “dan ook zelfstandig door uw hof [zal] moeten worden beantwoord, ongeacht of dienaangaande door verzoeksters een of meerdere grieven zijn aangevoerd”) niet opgaat, en blijkens rov. 12.3 voor het hof als uitgangspunt te gelden heeft dat de chapters aldus onderdeel uitmaken van Satudarah (wat insluit dat zij geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten) en een verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah dus ook de chapters treft, nu Satudarah niet conform de twee-conclusie-regel in haar beroepschrift een grief heeft gericht tegen voornoemd oordeel van de rechtbank en geen van de uitzonderingen op deze regel zich voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij wijs ik volledigheidshalve erop dat door Satudarah en Yellow Snakes niet (ook) wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat zij in haar beroepschrift geen grief heeft gericht tegen voornoemd oordeel van de rechtbank, dat de twee-conclusie-regel hier toepassing vindt en/of dat zich in dit geval geen van de uitzonderingen op deze regel voordoet, zodat in cassatie van die oordelen kan worden uitgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop stuit de klacht af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klacht 3: voortbouwklacht 2.40 Deze klacht bouwt voort op klacht 1. Op grond van wat in klacht 1 is aangevoerd, kunnen rov. 15.2 t/m 15.4 van de beschikking van het hof niet, althans deels, geen stand houden omdat zij rechtens onjuist althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.41 Deze voortbouwklacht faalt. De klacht deelt in het lot van klacht 1. Zie onder 2.24-2.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klacht 4: proportionaliteit en noodzakelijkheid 2.42 Onderdeel A klaagt dat het hof zijn oordeel in rov. 16.3, dat het de conclusie van het OM onderschrijft dat het strafrechtelijke optreden alleen niet voldoende is om de door het hof in rov. 16.2 beschreven werkzaamheid van Satudarah in strijd met de openbare orde te beëindigen en dat een verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah daarom proportioneel en noodzakelijk is om die werkzaamheid te beëindigen, onvoldoende is gemotiveerd. Volgens het onderdeel blijkt uit niets van wat het hof heeft overwogen dat als gevolg van de verbodenverklaring en ontbinding de door het hof in rov. 16.2 aangehaalde feiten uit de beschikking van de rechtbank met betrekking tot de werkzaamheid van Satudarah niet meer zullen plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof kon zich hierom volgens het onderdeel niet zonder nadere toelichting, zoals het heeft gedaan in rov. 16.5, onttrekken aan beantwoording van de vraag of verbodenverklaring van Satudarah vanwege de “handhavingsproblematiek” niet aan het noodzakelijkheidscriterium voldoet, met als argument dat de vraag of een verbodenverklaring strafrechtelijk zal worden gehandhaafd in dit geding niet voorligt. Dat dit oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is, is volgens het onderdeel eens te meer zo doordat het hof onvoldoende is ingegaan op de argumenten die Satudarah in de toelichting op haar grief 6 heeft bijgebracht. Volgens het onderdeel heeft het hof in rov. 16.4 niet op voldoende gemotiveerde wijze besproken dat het volgens de wetsgeschiedenis mogelijk is onder de naam Satudarah samen te komen, colours te dragen, in colonne in het verkeer te rijden en vergaderingen te houden, mits dat maar niet gepaard gaat met enige verstoring van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.43 Onderdeel B klaagt dat het hof, door in rov. 16.4 te overwegen dat het OM onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat het aantal incidenten waarbij leden van Satudarah zijn betrokken sterk is afgenomen na de beschikking van de rechtbank, zodat ook in zoverre niet kan worden gezegd dat een verbodenverklaring en ontbinding geen effect hebben, een onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven. Het onderdeel is onderbouwd met elf verweren (geletterd a t/m k) die zijn ontleend aan hetgeen Satudarah in haar pleitnota in hoger beroep in reactie op het verweer in het hoger beroep van het OM op grief 6 heeft aangevoerd. Deze verweren zijn volgens het onderdeel relevant, omdat zij elk voor zich en zeker in hun onderlinge samenhang gezien de door het hof aangehaalde stellingen van het OM weerleggen, althans belangrijk nuanceren. Het hof was daarom tot het bespreken van elk van deze verweren gehouden, wat het hof heeft nagelaten, aldus het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.44 Bij de behandeling van deze twee onderdelen stel ik voorop dat het hof in rov. 16.1 t/m 16.5 mede is ingegaan op de vraag of verbodenverklaring en ontbinding kan worden gezien als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die de samenleving ontwrichten en kunnen ontwrichten, in welke toets de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit besloten liggen (rov. 16.1). Deze toets, die mede voortvloeit uit art. 11 lid 2 EVRM (zie ook rov. 7.4 van het hof), lijkt te zijn ontleend aan de Martijn-beschikking van de Hoge Raad (zie ook rov. 7.6 van het hof). In eerste aanleg heeft de rechtbank eveneens getoetst of de verbodenverklaring en ontbinding voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit (rov. 2.34-2.35). De rechtbank respondeerde hiermee kennelijk op hoofdstuk 12 (p. 80-94) van het verweerschrift zijdens Satudarah. Met grief 6 van haar beroepschrift komt Satudarah op tegen rov. 2.35 van de rechtbank. Deze grief wordt onder meer als volgt toegelicht: “Met een aantal volzinnen gespeend van iedere onderbouwing met verwijzing naar wetgeving, wetsgeschiedenis, literatuur en jurisprudentie en wetenschappelijke publicaties gaat de rechtbank hier lijnrecht in tegen het uitvoerig onderbouwde verweer van verzoeksters boordevol verwijzingen naar voetnoten, waaruit klip en klaar en onmiskenbaar blijkt dat een verbodenverklaring geen enkel effect, althans niet het beoogde, effect heeft. Na een verbodenverklaring is het volgens de wetsgeschiedenis immers nog gewoon mogelijk onder de naam Satudarah samen te komen, colours te dragen, in colonne in het verkeer te rijden, vergaderingen te houden, mits dat maar niet gepaard gaat met enige verstoring van de openbare orde. Dit betekent dat voor strafrechtelijk optreden op grond van art. 140 lid 2 Sr altijd een bijkomstige ordeverstorende handeling nodig zal zijn. Tegen dergelijke ordeverstorende handelingen kunnen de autoriteiten ook zonder verbodenverklaring conform art. 2:20 BW ingrijpen. Het bestaande strafrecht, bestuursrecht en eventuele APV-bepalingen bieden daartoe voldoende munitie. Daarmee heeft een verbodenverklaring geen enkele meerwaarde.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM heeft deze grief in zijn verweerschrift gemotiveerd bestreden. Vervolgens heeft Satudarah nog gereageerd in haar pleitnota (p. 25-33) en het OM in zijn pleitnota (p. 15-18).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.45 Onderdeel A faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 16.1 t/m 16.5 komt het hof, in navolging van de rechtbank, tot de conclusie dat verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah proportioneel en noodzakelijk is om de werkzaamheid van Satudarah in strijd met de openbare orde (waarover rov. 16.2) te beëindigen. Het hof neemt hier m.i. terecht het civielrechtelijke karakter van een verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW tot uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 16.3 komt dat civielrechtelijke karakter tot uiting in, kort gezegd, het oordeel dat het hof de conclusie van het OM onderschrijft dat strafrechtelijk optreden alleen niet voldoende is om die werkzaamheid van Satudarah in strijd met de openbare orde te beëindigen. Dit oordeel sluit overigens aan bij de geïntegreerde aanpak van OMG’s (zie onder 2.17-2.18). Volgens het hof is onvoldoende weersproken dat het OM tegen individuele leden van Satudarah optreedt. Nu dat strafrechtelijke optreden er evenwel niet toe heeft geleid dat de binnen Satudarah bestaande cultuur (waarin criminele activiteiten worden aangemoedigd) is veranderd, en er evenmin aan in de weg heeft gestaan dat Satudarah de door de rechtbank vastgestelde werkzaamheid in strijd met de openbare orde heeft ontwikkeld en heeft laten voortbestaan, is een civielrechtelijke procedure tot verbodenverklaring en ontbinding gestart om dit te redresseren (vgl. ook de escalatieladder onder 2.17).</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 16.4 komt dat civielrechtelijke karakter tot uiting in het oordeel dat het hof niet de visie van Satudarah deelt dat een verbod in het geheel geen gevolgen heeft, nu, zoals de rechtbank volgens het hof terecht heeft overwogen, toewijzing van het verzoek ertoe leidt dat Satudarah ophoudt te bestaan, zodat aan haar naam, logo’s en spreuken een einde komt, dat het vermogen wordt geliquideerd, en dat werving van nieuwe leden en de dreiging van geweld tussen Satudarah en andere motorclubs ten einde komt. “Satudarah zal dus uit het straatbeeld verdwijnen”, aldus het hof. Daaraan voegt het hof nog toe dat het OM daarbij onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat het aantal incidenten waarbij leden van Satudarah zijn betrokken sterk is afgenomen na de beschikking van de rechtbank, en dat ook in zoverre dus niet kan worden gezegd dat een verbodenverklaring en ontbinding geen effect heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het oordeel van het hof ligt dus onder meer besloten dat toewijzing van het verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah in ieder geval leidt tot het civielrechtelijke effect van ontbinding van de rechtspersoon (de informele vereniging Satudarah) met de in rov. 16.4 uiteengezette gevolgen, welk effect niet langs strafrechtelijke of bestuursrechtelijke weg kan worden bereikt. In rov. 16.5 komt dat civielrechtelijke karakter tot uiting in het oordeel van het hof dat de vraag of een verbodenverklaring strafrechtelijk gehandhaafd zal worden in dit geding niet voorligt en het aan de strafrechter is in de toekomst te beoordelen of sprake is van voortzetting van de werkzaamheid van een verboden vereniging als bedoeld in art. 140 lid 2 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs in dat verband ook op hetgeen het hof in rov. 9.1 t/m 9.6 heeft overwogen over de relatie tussen art. 2:20 BW en art. 140 Sr. Deze overwegingen worden in cassatie niet bestreden. Zo overweegt het hof in rov. 9.2 onder meer dat art. 140 lid 2 Sr geen invloed heeft op de vraag wanneer een rechtspersoon verboden verklaard en ontbonden moet worden, en dat art. 140 lid 2 Sr immers betrekking heeft op de periode na een verbodenverklaring en ontbinding (zie ook onder 2.27).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezien tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof in rov. 16.3, mede gelet op de daarmee in samenhang te lezen rov. 16.4, waarin besloten ligt dat met dat door de verbodenverklaring en ontbinding ophouden te bestaan van de informele vereniging Satudarah logischerwijs evenmin nog langer sprake kan zijn van “de binnen Satudarah bestaande cultuur” en de daarmee gepaard gaande uitingen (waarover rov. 16.3 verwijzend naar de uiteenzetting in rov. 16.2 over haar werkzaamheid in strijd met de openbare orde, waaraan de opsomming onder a t/m e in het onderdeel weer is ontleend), niet ontoereikend gemotiveerd. Voor zover de tegen rov. 16.3 gerichte klacht al feitelijke grondslag heeft (het onderdeel gaat op p. 14 van het verzoekschrift tot cassatie, met “Immers”, etc, gevolgd door de opsomming onder a t/m e, voorbij aan het voorgaande), loopt deze op het voorgaande stuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het onderdeel in het vervolg voortbouwt op deze klacht tegen rov. 16.3 (zie de tweede alinea op p. 14 van het verzoekschrift tot cassatie, beginnend met “Het gerechtshof kon zich hierom niet of niet zonder nadere toelichting”, etc.), deelt deze in het lot daarvan. Met betrekking tot rov. 16.5 wijs ik volledigheidshalve erop dat het hof daarin, gelet ook op hetgeen het daaraan voorafgaand al heeft overwogen in rov. 16.1-16.4 (waarover hiervoor), niet nader dan het deed hoefde in te gaan op de strafrechtelijke handhavingsproblematiek van een civielrechtelijke verbodenverklaring. Het hof heeft daar m.i. zo kunnen oordelen dat het niet meegaat in de stelling van Satudarah dat zo’n verbodenverklaring vanwege die handhavingsproblematiek niet voldoet aan het bij art. 2:20 lid 1 BW toe te passen noodzakelijkheidscriterium (vgl. rov. 16.1), nu de vraag of zo’n verbodenverklaring in de toekomst strafrechtelijk gehandhaafd zal worden dus onderscheiden moet worden van de hier voorliggende (voor)vraag of thans aanleiding bestaat tot zo’n civielrechtelijke verbodenverklaring (die eerste vraag “ligt in dit geding niet voor”) en bezien moet worden in het kader van art. 140 lid 2 Sr, waarbij geldt dat de strafrechter daarover gaat (het is aan die rechter “om in de toekomst te beoordelen of een bepaalde handeling heeft te gelden als een voortzetting van een verboden verklaarde vereniging”) en dat die bepaling daarvoor grondslag kan bieden in aangewezen gevallen (op voorhand “kan niet worden gezegd” dat die bepaling “daarvoor geen grondslag kan bieden”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot een nadere motivering was het hof ook hier niet gehouden. Voor zover het onderdeel nog klaagt over de behandeling door het hof van “de argumenten die Satudarah in de toelichting [op] haar grief 6 heeft bijgebracht”, in welk verband het onderdeel wijst op rov. 16.4 van het hof, merk ik het volgende op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel wijst hier, in de twee laatste alinea’s op p. 14 van het verzoekschrift tot cassatie, alleen op het argument van Satudarah dat “na een verbodenverklaring het volgens de wetsgeschiedenis mogelijk is onder de naam Satudarah samen te komen, colours te dragen, in colonne in het verkeer te rijden en vergaderingen te houden, mits dat maar niet gepaard gaat met enige verstoring van de openbare orde”. Daarmee wordt kennelijk - het onderdeel verwijst niet naar een specifieke vindplaats in de gedingstukken - gedoeld op de volgende opmerking van de minister van Justitie Korthals Altes in 1988: “Wel voorziet de wet op grond van artikel 140, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht in vervolging, wanneer na een definitieve verbodenverklaring, de werkzaamheid wordt voortgezet. Dat leek mij een goed sluitstuk. Wanneer een verboden groepering voortgaat op een wijze die niet strijdig is met de openbare orde, zie ik geen reden om artikel 140, tweede lid toe te passen. Als alleen de politieke werkzaamheid wordt voortgezet en niet bij voorbeeld de discriminatie, dan wordt daarmee de werkzaamheid geoorloofd, want er is dan geen voortzetting meer van de ongeoorloofde werkzaamheid.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft afdoende gereageerd op dit argument in rov. 16.4 (met de uiteenzetting over hetgeen waartoe een verbod en ontbinding van Satudarah allemaal zal leiden, in het licht ook van “de binnen Satudarah bestaande cultuur” waarover rov. 16.2-16.3) in verbinding met rov. 16.5 (met de uiteenzetting over de strafrechter aan wie het is om in de toekomst te beoordelen of een bepaalde handeling heeft te gelden als een voortzetting van een verboden verklaarde vereniging, waarbij art. 140 lid 2 Sr grondslag kan bieden voor strafrechtelijke handhaving ter zake). Tot een nadere motivering was het hof ook hier niet gehouden. In de pleitnota van Satudarah in hoger beroep wordt voorts nog verwezen naar het volgende citaat van de minister bij de behandeling van het wetsvoorstel 17476 in de Tweede Kamer: “Wat wordt nu bereikt met het verbieden van dergelijke groeperingen? Eigenlijk, lijkt mij, niets of zeer weinig. De losse samenhang zal na het verbod verhinderen dat het bewijs wordt geleverd dat de leden de werkzaamheid van de ontbonden groepering voortzetten. Dat bewijs is niet te leveren. Om artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht in stelling te kunnen brengen zou dit middel dus ondeugdelijk zijn. Als het een langlopende organisatie is, zoals Onkruit zo langzamerhand wel is, zouden de leden, nadat een verbod na lang procederen in kracht van gewijsde is gegaan, alleen maar de naam behoeven te veranderen - bij voorbeeld de 't' in een 'd' - om te laten zien dat zij toch niet vergaan. Voor dat geringe resultaat is een geding tot aan de Hoge Raad niet alleen een te zwaar middel, maar ook - nu moet ik voorzichtig worden - boter aan de galg. Effectiever is in dergelijke gevallen vervolging van de leden die betrapt worden op het begaan van een misdrijf, vanwege het begaan van dat misdrijf. Als de groep stelselmatig misdrijven pleegt, is ook vervolging uit hoofde van het eerste lid van het desbetreffende artikel van het Wetboek van Strafrecht mogelijk. Deze aanpak lijkt mij doeltreffender en daarom ook aantrekkelijker dan het bewerkstelligen van een verboden-verklaring, wat waarschijnlijk jaren zal slepen en tot weinig of niets leidt. Daarom heb ik daaraan eigenlijk geen behoefte.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit citaat van de minister gaat vooraf de volgende, niet door Satudarah geciteerde passage: “Is er nu een leemte in de wet in die zin dat niets wordt geregeld met betrekking tot het verbieden van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid? Mijns inziens niet. Daarbij speelt een rol dat de rechter deze categorie beperkt houdt. Waaruit bestaat die categorie en wat zou het betekenen als zo'n groepering werd ontbonden? De categorie bestaat vooral uit kortstondige organisaties, eendagsvliegen, die niet nauwer samenhangen dan een gelegenheidscombinatie ook al treedt die onverplicht jegens de deelnemers gedurende langere tijd als zodanig op. Er zijn ook groepen die op de rand van de wet voortleven, zoals bij voorbeeld de in de literatuur vermelde groep Onkruit en wellicht ook het Dierenbevrijdingsfront, die hun kracht zoeken in losse samenhang om aan de verboden-verklaring te ontkomen en waarschijnlijk ook - zo voeg ik eraan toe - om opsporing niet te eenvoudig te maken. Of ze daarin slagen is de vraag, want er is wel degelijk sprake van organisatie, althans van organisatietalent, terwijl er ook sprake lijkt te zijn van interne discipline. Een zekere bestendigheid is zo langzamerhand ook wel buiten kijf.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister heeft hier dus het oog op de beperkte effectiviteit van het verboden verklaren en ontbinden van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid. In de onderhavige zaak is sprake van een rechtspersoon (Satudarah), in de vorm van een informele vereniging (zie ook onder 1.1). Hierop hoefde het hof dan ook niet nader in te gaan. Overigens staat het een andere rechtspersoon, met bijvoorbeeld een andere naam, niet vrij om de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon voort te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop stuit het onderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.46 Onderdeel B faalt ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel komt slechts op tegen het laatste gedeelte van rov. 16.4, vijfde en zesde zin, waarin het hof overweegt dat het OM onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat het aantal incidenten waarbij leden van Satudarah zijn betrokken sterk is afgenomen na de beschikking van de rechtbank en ook in zoverre dus niet kan worden gezegd dat een verbodenverklaring en een ontbinding geen effect hebben. Het hof heeft daarvoor reeds overwogen dat niet gezegd kan worden dat verbodenverklaring en ontbinding in het geheel geen gevolgen heeft, omdat die ertoe leiden dat Satudarah ophoudt te bestaan, met alle gevolgen van dien (zie rov. 16.4, tweede t/m vierde zin). Dat oordeel is zelfstandig dragend en wordt in cassatie niet met succes bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop stuit het onderdeel reeds af.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.47 Ten overvloede wijs ik op het volgende. Het OM heeft in zijn verweerschrift het volgende aangevoerd: “Daargelaten de vraag of een civiel verbod pas kan worden toegewezen als duidelijke effecten worden voorspeld - het Openbaar Ministerie meent dat Satudarah hier een onterechte eis stelt -, is van belang om op te merken dat de stelling van Satudarah kan worden weerlegd aan de hand van feiten die de afgelopen maanden door opsporingsdiensten zijn verzameld en geregistreerd. Dat het civiele verbod geen effect kan worden ontzegd blijkt uit de aanvulling bestuurlijke maatregelen die aan dit verweer is gehecht. Ook is geconstateerd dat sinds het civiele verbod van Satudarah beduidend minder incidenten zijn geregistreerd.” [voetnoten niet overgenomen in citaat, A-G] Voor de stelling dat sinds de verbodenverklaring van Satudarah beduidend minder incidenten zijn geregistreerd, verwijst het OM naar de 2e aanvulling bij het verzoekschrift, die bij het verweerschrift is gevoegd. In deze aanvulling bij het verzoekschrift stelt het OM onder meer: “Sinds de uitspraak in eerste aanleg inzake het verzoekschrift voor een civiel verbod van Satudarah (…) lijkt er in ieder geval in de politieadministratie sprake van een terugloop in het aantal incidenten waarbij Satudarah leden zijn betrokken. (…) De incidentcodes zijn op twee manieren bevraagd, namelijk aan de hand van een ledenlijst en aan de hand van trefwoorden (zoekvraag of query). Met de ledenlijst wordt bedoeld alle personen, waarvan bij de politie bekend is geraakt zij lid zijn (of zijn geweest) van de Satudarah en/of haar supportclubs. De “ledenlijst” bevat ongeveer 900 personen. (…) Lang niet elke registratie is opgenomen in de (…) weergegeven feitoverzichten. Daaraan liggen uiteenlopende redenen ten grondslag. Bijvoorbeeld een te gering feit of het ontbreken van bevestiging van het lidmaatschap. Maar ook kan het Satudarah lid slachtoffer zijn geweest in plaats van dader. Verder kan het voorkomen dat een registratie bijvoorbeeld is opgemaakt onder de incidentcode van drugs, terwijl ook sprake was van afpersing of geweld. Echter door dezelfde parameters (incidentcodes en periode) te gebruiken bij zowel de analyse vóór als na het civiele verbod, ontstaat er in de vergelijking wel een reëel beeld. Dit beeld bevestig[t] de indruk dat er beduidend minder incidenten plaatsvinden met Satudarah (ex-)leden dan voorheen.Verder zijn er signalen bij de politie binnengekomen dat leden van de Satudarah de motorclub onder een andere naam voortzetten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De verweren die in onderdeel B onder a t/m d en onder k worden genoemd, hebben betrekking op bestuursrechtelijke maatregelen en niet op afname van het aantal geregistreerde incidenten in de politieadministratie. Aan deze verweren kon het hof dus op begrijpelijke wijze voorbijgaan in rov. 16.4, bij de overweging dat het OM onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat het aantal incidenten waarbij leden van Satudarah zijn betrokken sterk is afgenomen na de beschikking van de rechtbank. De verweren die in onderdeel B onder e t/m j worden genoemd, hebben wel betrekking op de afname van het aantal geregistreerde incidenten in de politieadministratie. Deze verweren zijn kennelijk - in het onderdeel wordt niet een precieze vindplaats van de afzonderlijke verweren vermeld - ontleend aan p. 30-31 van de pleitnota van Satudarah in hoger beroep: “Opgemerkt moet worden dat het door de officieren van justitie beschreven onderzoekje in de politiesystemen wel erg beperkt van opzet is. Het bestrijkt slechts een vergelijking van twee periodes van vijftien maanden. Uit een dergelijk beperkte opzet kan bezwaarlijk een valide statistische conclusie worden afgeleid [verweer onder e, A-G]. Bovendien zijn in het onderzoek ook ex-leden van Satudarah meegenomen, wiens gedragingen natuurlijk niets zeggen over het huidige Satudarah [verweer onder f, A-G]. Daarnaast is het natuurlijk de vraag hoe criminaliteit wordt gerubriceerd. Waar dat voor de verbodenverklaring bij een Satudarah-lid met een hesje onder de rubriek Satudarah werd weggeschreven, zal dat na de verbodenverklaring bij een Satudarah-lid zonder hesje ongetwijfeld niet het geval zijn [verweer onder g, A-G].</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij moet worden opgemerkt dat de politie geen volledige ledenlijst van de club heeft [verweer onder h, A-G]. Tot slot moet worden opgemerkt dat het openbaar ministerie zelf relateert dat (ex)leden van Satudarah de motorclub onder verschillende andere namen voortzetten. In het onderzoek naar incidenten van Satudarah-leden is slechts gezocht op de zoektermen met Satudarah daarin. Dan komen in de zoekresultaten natuurlijk niet de namen van de leden die zijn voortgegaan in een nieuwe motorclub (bijv. ‘Darahbaru MC’, ‘Singa19’ en ‘13th Original Maluku’) naar voren, hetgeen ook weer een vertekenend beeld geeft [verweer onder i, A-G]. maar misschien nog wel belangrijker: de door het openbaar ministerie voorgespiegelde daling van incidenten waarbij Satudarah-leden zouden zijn betrokken, kan evengoed worden verklaard door het strafrechtelijk optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verweerschrift in hoger beroep vermeld het openbaar ministerie immers: ‘Anderzijds laten de resultaten over de eerste helft van 2017 een stijging zien in het aantal straffen dat is opgelegd in een aantal grote onderzoeken met OMG-leden (lange termijneffect).’ Die straffen en de latere executie daarvan, zouden ook de voorgespiegelde daling tot gevolg kunnen hebben [verweer onder j, A-G].” [curs. in origineel, voetnoten niet overgenomen, A-G] Het feitelijke oordeel van het hof dat Satudarah hiermee de stelling van het OM dat het aantal incidenten waarbij leden van Satudarah zijn betrokken sterk is afgenomen, onvoldoende heeft weersproken, acht ik niet onbegrijpelijk. Het verweer onder e mist reeds feitelijke grondslag. Noch uit de hiervoor weergegeven stellingen van het OM noch uit rov. 16.4 van het hof blijkt dat is geconcludeerd dat de afname van het aantal geregistreerde incidenten tussen beide onderzochte periodes “statistisch valide” is. Dat het onderzoek aan beperkingen onderhevig is, waarover in de verweren onder f t/m i wordt geklaagd, blijkt reeds uit hetgeen het OM daarover zelf in de 2de aanvulling bij het verzoekschrift op p. 4-5 heeft opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Satudarah verwijst in haar pleitnota in hoger beroep naar die beperkingen (voetnoten 56-59). In dat licht bezien, is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geconcludeerd dat de conclusie van het OM onvoldoende is weersproken door Satudarah. Over het verweer onder j merk ik nog op dat het hof dat verweer ook heeft onderkend in rov. 16.3. In rov. 16.3 ligt besloten dat het strafrechtelijke optreden tegen individuele leden van Satudarah naar het oordeel van het hof mogelijk heeft bijgedragen aan de afname van het aantal incidenten, maar niet heeft geleid tot een voldoende afname van aantal incidenten (niet voldoende is om die werkzaamheid te beëindigen). Nu bovendien dit verweer is gestoeld op de door het OM genoemde “resultaten over de eerste helft van 2017” die een stijging laten zien in het aantal straffen dat is opgelegd “in een aantal grote onderzoeken met OMG-leden” (dus ruim vóór de beschikking van de rechtbank van 18 juni 2018, en niet specifiek gericht op Satudarah) en de niet nader onderbouwde suggestie dat “die straffen en de latere executie daarvan de voorgespiegelde daling [ook] tot gevolg [zouden] kunnen hebben”, is het, gelet ook op het onderbouwde standpunt van het OM als hiervoor weergeven, ook niet onbegrijpelijk dat het hof dat standpunt met het verweer onder j evenmin voldoende weersproken heeft geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande wordt de uitkomst niet anders als (twee of meer van) de verweren onder a t/m k in onderlinge samenhang worden bezien: ook dat noopte het hof logischerwijs niet tot een nadere motivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop stuit het onderdeel hoe dan ook af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klacht 5: proceskosten Yellow Snakes 2.48 Het hof heeft volgens deze klacht in rov. 20.5 onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, overwogen dat de grief in het incidenteel hoger beroep van Yellow Snakes dat de rechtbank ten onrechte niet ten gunste van haar een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken faalt, omdat niet is gebleken dat Yellow Snakes ten behoeve van haar verweer kosten heeft gemaakt. De klacht wijst erop dat ten behoeve van Yellow Snakes in het verweerschrift hoofdstuk 13 is aangemaakt ter bespreking van de positie van Yellow Snakes, dat haar advocaat tijdens de mondelinge behandeling van 8 mei 2018 het woord over die positie heeft gevoerd en dat de rechtbank de inspanningen van Yellow Snakes op dit punt in rov. 2.36 van haar beschikking in eerste aanleg heeft opgemerkt. Volgens de klacht moet het voor het hof onmiskenbaar zijn geweest dat ter verdediging van de positie van Yellow Snakes separaat kosten zijn gemaakt die tot een proceskostenveroordeling ten gunste van haar behoren te leiden, zodat het hof de desbetreffende grief gegrond had behoren te achten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.49 De klacht faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in rov. 20.5 overwogen dat de grief dat de rechtbank ten onrechte niet ten gunste van Yellow Snakes een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken faalt, omdat niet is gebleken dat Yellow Snakes ten behoeve van haar verweer kosten heeft gemaakt. In rov. 20.6 overweegt het hof dat in zowel het principale hoger beroep als het incidentele hoger beroep het beroep dus faalt en dat het hof geen aanleiding ziet voor het uitspreken van een kostenveroordeling. Deze overweging wordt in cassatie niet bestreden. In cassatie is slechts aan de orde of de motivering van het hof in rov. 20.5 - de reden die het hof geeft waarom volgens hem de grief dat de rechtbank ten onrechte niet ten gunste van Yellow Snakes een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken faalt - voldoende begrijpelijk is gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft in rov. 2.36 overwogen dat Satudarah in haar verweerschrift betoogt dat een uit te spreken verbod geen betrekking kan hebben op de supportclubs, omdat zij geen deel uitmaken van Satudarah. Het verweerschrift zijdens Satudarah van 23 april 2018 bevat een hoofdstuk 13 met de titel “Eveneens supportclubs verbieden en ontbinden?”, waarin de vraag wordt gesteld of bij een eventuele verbodenverklaring van Satudarah de supportclubs (dus Saudarah, Supportcrew 999 en Yellow Snakes) “in het kielzog [van Satudarah] meegetrokken moeten worden”. Deze vraag wordt in dat hoofdstuk, onder verwijzing naar een passage uit de wetsgeschiedenis inzake de NVU (zie ook onder 2.7), ontkennend beantwoord. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 8 mei 2018 hebben de advocaten van Satudarah, blijkens het proces-verbaal, naar voren gebracht dat “Yellow Snakes een zelfstandige vereniging [is]. Ook voor die vereniging treden de advocaten in deze zaak op”. De rechtbank heeft in rov. 2.42 geoordeeld dat de uitkomst van de procedure geen basis biedt voor een proceskostenveroordeling ten laste van het OM, als verzocht door Satudarah. Daartegen is de grief namens Yellow Snakes in het incidentele hoger beroep (waarop het hof ook in rov. 20.5 doelt) gericht: “Met deze beslissing heeft de rechtbank miskend dat ook namens de overige verenigingen waaronder Yellow Snakes is gevraagd om een proceskostenveroordeling. Nu het verzoek tot verbodenverklaring van Yellow Snakes door de rechtbank is afgewezen, was een proceskostenveroordeling op zijn plaats. In dit kader wordt verwezen naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 18 december 2018 waarin het hof het verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding van Bandidos MC Holland heeft toegewezen, terwijl het verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding van Bandidos MC Internationaal is afgewezen. Het hof kwam daarmee tot een proceskostenveroordeling ten laste van het openbaar ministerie ten aanzien van de kosten van Bandidos Internationaal.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat brengt mij weer bij rov. 20.5 van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in de klacht aangevoerde maakt m.i. niet dat rov. 20.5, waarin het hof als reden noemt voor het falen van de namens Yellow Snakes aangevoerde grief met betrekking tot het niet uitspreken van een proceskostenveroordeling ten gunste van Yellow Snakes dat niet is gebleken dat Yellow Snakes ten behoeve van haar verweer kosten heeft gemaakt, onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. In de eerste plaats verdient opmerking dat hetgeen de klacht aanvoert, in de onderhavige grief niet te lezen valt. Daarbij komt dat uit de gedingstukken blijkt dat het desbetreffende hoofdstuk 13 in het 100 pagina’s tellende verweerschrift in eerste aanleg het verweerschrift van Satudarah betreft (door de rechtbank als de verweerster aangemerkt), dat dit hoofdstuk 13 slechts anderhalve pagina A4 beslaat (op p. 94-96) waarvan meer dan de helft bestaat uit het hiervoor genoemde citaat uit de wetsgeschiedenis, dat daarin door Satudarah bovendien ook niet specifiek wordt ingegaan op Yellow Snakes (maar op de supportclubs, waaronder dus ook Saudarah en Supportcrew 999), dat de rechtbank in rov. 2.36 wijst op hetgeen “Satudarah in haar verweerschrift [betoogt]”, en dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 8 mei 2018 verder ook niet meer blijkt dan de blote stelling dat Yellow Snakes een zelfstandige vereniging is, naast vijf andere door de advocaten van Satudarah naar voren gebrachte punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet hierop was het, anders dan de klacht kennelijk wil, voor het hof bij de beoordeling van de onderhavige grief niet “onmiskenbaar” dat Yellow Snakes ten behoeve van haar verweer kosten heeft gemaakt die tot een proceskostenveroordeling ten gunste van Yellow Snakes behoren te leiden, zodat het hof de onderhavige grief gegrond had moeten achten. De proceskostenveroordeling die het hof in de Bandidos-zaak heeft uitgesproken, waarnaar in de onderhavige grief slechts generiek is verwezen en waarvan ik de dragende overweging hier voor de volledigheid integraal weergeef, doet, gelet op het voorgaande, evenmin af aan de juistheid en begrijpelijkheid van het onderhavige oordeel van het hof in rov. 20.5, reeds omdat daarin een andere situatie voorlag dan waarover het hof in de Bandidos-zaak ter zake te oordelen had (zoals ook onderstaand citaat laat zien): “Voor een veroordeling van het OM tot betaling van de kosten van de procedure bij de rechtbank en bij het hof in de zaak tegen BMC Internationaal is wel een reden. Het OM is in die procedure namelijk in het ongelijk gesteld, gelet op wat BMC Europe (met BMC Sittard) in die zaak als verweer heeft gevoerd. BMC Sittard en BMC Europe hebben samen één beroepschrift ingediend, waarvoor zij samen € 726,-- griffierecht hebben betaald. Het hof zal het bedrag aan griffierechtkosten in het principaal hoger beroep aan de kant van BMC Europe vaststellen op de helft van dat bedrag. Over de kosten van het salaris van de advocaat merkt het hof het volgende op. Het hof berekent het salaris van de advocaat volgens een vast tarief (het zogenoemde liquidatietarief). Het salaris van de advocaat van BMC Europe voor de procedure bij de rechtbank zal het hof vaststellen op de kosten van het verweerschrift van BMC Europe en de helft van de kosten van de twee zittingen bij de rechtbank. Het salaris van de advocaat van BMC Europe voor het principaal hoger beroep zal het hof vaststellen op de helft van de advocaatsalariskosten van BMC Sittard en BMC Europe samen die zijn gemaakt voor het beroepschrift en het bijwonen van de zitting bij het hof. De kosten voor de procedure bij het hof in het incidenteel hoger beroep aan de kant van BMC Europe zal het hof vaststellen op nihil (dat betekent: niets).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop stuit de klacht af.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het incidentele cassatieberoep 2.50 Het incidentele cassatiemiddel komt op tegen rov. 18.2 en 18.3 van het hof en valt uiteen in twee onderdelen (genummerd 7.2 en 7.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.51 Onder 7.2 klaagt het middel dat rov. 18.2 en 18.3 van het hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting voor zover daarin het oordeel besloten ligt dat een verbodenverklaring niet reeds direct na het uitspreken daarvan “werking heeft c.q. effect sorteert”. Dat een verbodenverklaring ingevolge art. 140 lid 2 Sr pas strafrechtelijk kan worden gehandhaafd nadat de uitspraak waarin zij is vervat onherroepelijk is, betekent niet dat de verbodenverklaring voordien nog geen werking heeft of effect sorteert. Een andere opvatting zou volgens het middel tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat de desbetreffende rechtspersoon (goeddeels) onbelemmerd voort kan gaan met een werkzaamheid waarvan reeds door de rechter is geoordeeld dat die in strijd is met de openbare orde. Dat de wetgever heeft gevonden dat daaraan nog geen strafrechtelijke consequenties moeten worden verbonden zolang de uitspraak niet onherroepelijk is, neemt volgens het middel niet weg dat een verbodenverklaring reeds voordien een basis kan - en moet kunnen - bieden voor onmiddellijk optreden, zowel civielrechtelijk (door uitvoering te geven aan de beslissing tot ontbinding, wat het hof blijkens rov. 18.2 niet heeft miskend) als bestuursrechtelijk (bijvoorbeeld door de (publiekelijke) samenkomst van leden van de verboden verklaarde club en/of specifieke activiteiten te verbieden of te verhinderen).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.52 Onder 7.3 klaagt het middel dat indien zou moeten worden aangenomen dat “voor de werking c.q. het effect van de verbodenverklaring” als bedoeld onder 7.2 vereist is dat de verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daarbij dus wel degelijk belang kan bestaan en die uitvoerbaarverklaring bij voorraad dus wel degelijk rechtsgevolg kan hebben, hetgeen het hof heeft miskend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.53 De onderdelen, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In cassatie is met het voorgaande door het OM uitsluitend het oordeel van het hof over de vernietiging van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring van art. 2:20 lid 1 BW aan de orde gesteld. Het middel gaat er, met het hof (rov. 18.2), van uit dat de rechtbank de ontbinding op goede gronden uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Ten overvloede merk ik op dat blijkens de wetsgeschiedenis ontbinding een onherroepelijke ingreep betekent, die niet terug is te draaien na een andersluidend oordeel in hoger beroep of cassatie, hetgeen het betrachten van terughoudendheid bij het uitvoeren van vereffeningswerkzaamheden in de periode totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, met zich brengt (zie onder 2.8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de behandeling van de onderdelen stel ik voorop dat verbodenverklaring op de voet van art. 2:20 lid 1 BW een constitutieve betekenis heeft (zie onder 2.8). De verbodenverklaring doet een nieuwe rechtstoestand ontstaan, welke in beginsel eerst met het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak een aanvang neemt; vanaf dat moment wordt het voortzetten van de werkzaamheid van de verboden verklaarde rechtspersoon strafbaar op grond van art. 140 lid 2 Sr. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft een verbodenverklaring “slechts strafrechtelijke gevolgen”, verbindt art. 140 lid 2 Sr die gevolgen “slechts (…) aan een onherroepelijke verbodenverklaring”, en zal een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, als de rechter die al zou uitspreken, dus “geen rechtsgevolg hebben” (zie onder 2.8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Constitutieve uitspraken kunnen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, ook als de desbetreffende wettelijke bepaling, in dit geval art. 2:20 lid 1 BW, daarin niet uitdrukkelijk voorziet. Dat zou anders kunnen liggen, als de aard van de beslissing zodanig is dat deze niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 1 BW niet is uitgesloten (zie ook onder 2.8). De minister voor Rechtsbescherming heeft recent nog eens verduidelijkt dat de “aard van de zaak” zich ook niet tegen uitvoerbaarheid bij voorraad verzet, in de zin van art. 233 lid 1 Rv (zie onder 2.14).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij moet hier dus wel het voorgaande worden bedacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 18.2-18.3 zegt het hof ten aanzien van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een verbodenverklaring op de keper beschouwd dat deze moet worden onderscheiden van een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een ontbinding (die “noch in de wet noch in de toelichting” is uitgesloten, en ten aanzien waarvan het OM voldoende heeft onderbouwd dat een belang daarbij bestaat), dat ten aanzien van een verbodenverklaring blijkens de wetsgeschiedenis een uitvoerbaarverklaring bij voorraad geen rechtsgevolg zal hebben, en dat het hof dit rechtsgevolg ook niet ziet, aangezien het enige gevolg van een verbodenverklaring is dat art. 140 lid 2 Sr kan worden toegepast, waarvan eerst sprake kan zijn indien de verbodenverklaring onherroepelijk is. Tegen die achtergrond komt het hof vervolgens tot de conclusie in rov. 18.3 dat er geen reden is de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring te handhaven (hoewel Satudarah daardoor dus ook niet is geschaad), hetgeen zich, gelet op het voorgaande, aldus laat vertalen dat door het OM onvoldoende is onderbouwd dat er (ook) belang bij die uitvoerbaarverklaring bij voorraad bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de onderdelen aanvoeren dat dit oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, lopen deze vast op het volgende. Vooropgesteld zij, dat het hof met dit oordeel heeft onderkend dat blijkens de wetsgeschiedenis (zie hiervoor) een verbodenverklaring slechts strafrechtelijke gevolgen heeft, art. 140 lid 2 Sr die gevolgen slechts verbindt aan een onherroepelijke verbodenverklaring, en een uitvoerbaarverklaring bij voorraad ter zake dus geen rechtsgevolg zal hebben. Daaraan zij toegevoegd dat het hof met dit oordeel niet heeft miskend dat ook in de periode voordat de beschikking inhoudende verbodenverklaring van een rechtspersoon in kracht van gewijsde is gegaan bestuursrechtelijk opgetreden kan worden tegen de desbetreffende rechtspersoon als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, waarbij geldt dat binnen het kader van de relevante bestuursrechtelijke grondslag uiteraard ook als reden of onderbouwing mede betekenis zal kunnen toekomen aan zo’n civielrechtelijke verbodenverklaring (in die zin kan zo’n verbodenverklaring dan reeds ‘werking hebben’ of ‘effect sorteren’, waarbij niet op voorhand en in abstracto valt in te zien dat daarvoor “vereist is dat de verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad is verklaard” zodat daarin een hier relevant rechtsgevolg zou schuilgaan), maar deze verbodenverklaring toch niet automatisch in bestuursrechtelijke zin een eigenstandige rechtvaardiging voor zulk optreden oplevert en aldus ‘1-op-1’ bestuursrechtelijk doorwerkt, ook niet als de verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (ook daarin zie ik dus niet een hier relevant rechtsgevolg van uitvoerbaarverklaring bij voorraad).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook onder 2.17. Voor zover de onderdelen meer of anders lezen in dit oordeel van het hof, missen deze feitelijke grondslag. Hieruit volgt dat hetgeen de onderdelen aan rechtsklachten bevatten, gegeven ook de hier aan het hof toekomende beoordelingsmarge, niet de conclusie rechtvaardigt dat het hof ten onrechte de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring niet heeft gehandhaafd. Ik lees in de onderdelen geen (duidelijke) motiveringsklacht, maar wijs er volledigheidshalve nog op dat het daarin aangevoerde, gelet ook op het voorgaande, evenmin de conclusie rechtvaardigt dat het hof hier tot een nadere motivering gehouden was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop stuiten de onderdelen af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten overvloede merk ik ook nog op dat bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen in zekere zin wel een belang kan ontstaan bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring. In het nieuw voorgestelde art. 2:20 lid 6 BW wordt uitdrukkelijk bepaald dat de verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad is (zie onder 2.14). Dat houdt verband met het nieuw voorgestelde art. 2:20 lid 5 BW, op grond waarvan de civiele rechter de verboden verklaarde rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij de rechtspersoon zijn betrokken in het belang van de openbare orde kan bevelen om bepaalde maatregelen te nemen of gedragingen na te laten; een dergelijk rechterlijk bevel geldt uiterlijk totdat over de verbodenverklaring onherroepelijk is beslist (zie ook onder 2.14). Opzettelijk handelen in strijd met een rechterlijk bevel als bedoeld in art. 2:20 lid 5 BW wordt in het voorgestelde art. 184a lid 2 Sr strafbaar gesteld (zie onder 2.15). De onderhavige zaak wordt niet geraakt door dit wetsvoorstel (zie onder 2.11). Het middel, dat zich als gezegd richt op de mogelijkheid van bestuursrechtelijk optreden (daarop ziet het voorgaande niet; zie onder 2.14-2.15), beroept zich daarop trouwens ook niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 2.54 De slotsom is dat, reeds gegeven het voorgaande, alle klachten falen in zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hetgeen onder 1.1, 1.2, 1.7 (tot noot 3) en 1.8 (tot noot 8) staat vermeld, correspondeert met de feiten waarvan het hof is uitgegaan. Zie Hof Den Haag 18 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1451, JOR 2019/185, AB 2020/80, RO 2019/52, rov. 3. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg verder ook Rb. Den Haag 18 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7183, JOR 2019/51, AB 2019/267, NJF 2019/583, RO 2018/59, rov. 1-2.4 en Rb. Den Haag 28 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10452, NJF 2018/569, rov. 1 en in hoger beroep Hof Den Haag 4 december 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3992, rov. 1 en Hof Den Haag 18 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1451, JOR 2019/185, AB 2020/80, RO 2019/52, rov. 1-2.</p></div>", "next": 239307}