{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Subonderdeel 3.1 richt een rechtsklacht tegen hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 4.13. Het subonderdeel klaagt dat het oordeel van het hof dat niet is gezegd dat [verweerster 1] er ten tijde van het uit handen geven van de (half)jaarcijfers 2000, 2001 en 2002 rekening mee diende te houden dat de door haar opgestelde cijfers ter beschikking van [eiser 6] zouden komen, en dat [eiser 6] bij het nemen van zijn investeringsbeslissing op die cijfers zou vertrouwen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat, indien vaststaat dat de accountant wist of behoorde te weten dat zijn rapportage ter beschikking van derden zou komen die daarop zouden vertrouwen om een beslissing over een transactie te nemen, zoals hier het geval is, en er dus sprake is van een zorgplicht van die accountant jegens die derden, het in dat geval niet relevant is of de accountant weet of behoort te weten exact welke derden (zeer) waarschijnlijk op de rapportage van de accountant zullen vertrouwen bij het nemen van hun investeringsbeslissing. Deze zorgplicht geldt immers jegens iedere derde, ongeacht of de accountant bij het uit handen geven van zijn rapportage met het bestaan (c.q. de identiteit) van één specifieke derde (reeds) bekend is of behoort te zijn. Voor het ontstaan van de zorgplicht is (slechts) vereist dat de accountant ermee bekend is dat er een derde op de rapportage zal gaan vertrouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.83 Ik begrijp het subonderdeel aldus dat het als vertrekpunt neemt dat een accountant een rapportage opmaakt met het oog op een door een of meer derden te nemen beslissing over een specifieke transactie (zoals in dit geval een overname van (een deel van) de aandelen in een onderneming) en daarom wist althans behoort te weten dat de rapportage ter beschikking zou komen van derden die daarop bij hun beslissing over deze transactie vertrouwen. In een dergelijk geval maakt het volgens het subonderdeel voor de zorgplicht van de accountant niet uit wie deze derde(n) uiteindelijk is (zijn). Zijn zorgplicht is in een dergelijk geval niet beperkt tot de derde(n) van wie de accountant ten tijde van het uit handen geven van zijn rapportage weet dat hij (zij) ((zeer) waarschijnlijk op de rapportage zal (zullen) vertrouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.84 Het subonderdeel treft doel, nu het oordeel van het hof in rov. 4.13 inderdaad blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.85 Het hof heeft mijns inziens terecht vooropgesteld (in rov. 4.11) dat onder omstandigheden ook bij de uitoefening van niet-wettelijke taken sprake kan zijn van een zorgplicht jegens derden. Dat kan, zoals het hof ook heeft overwogen, met name aan de orde zijn indien voor de accountant voorzienbaar is dat een van hem afkomstige rapportage een derde onder ogen zal komen of zelfs juist met dit doel wordt opgesteld. De accountant kan niet voorbijgaan aan de maatschappelijke realiteit dat derden geneigd zijn groot belang te hechten aan zijn rapportage, ook als die buiten de uitvoering van wettelijke taken is opgemaakt. Indien de accountant er rekening mee dient te houden dat derden zullen kennis nemen van zijn rapport en daar hun gedrag (mede) door zullen laten bepalen en hij geen zorgplicht jegens derden wenst te aanvaarden, ligt het op zijn weg om maatregelen, het hof spreekt, wat minder gelukkig, van ‘waarborgen’, te treffen teneinde te voorkomen dat die derden ten onrechte (dan wel een onjuiste) betekenis toekennen aan een door hem opgesteld rapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.86 De accountant kan deze maatregelen bijvoorbeeld treffen, aldus het hof, door in zijn rapport duidelijk te vermelden voor wie het rapport (alleen) is bestemd, dat het niet aan anderen (derden) beschikbaar mag worden gesteld en dat die derden geen betekenis kunnen toekennen aan het rapport, alsmede door nauwkeurig te omschrijven wat precies het doel is van het rapport en dat het niet voor andere doeleinden kan en mag worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.87 Indien de accountant deze maatregelen heeft getroffen, aldus nog steeds het hof, rust op hem in beginsel geen zorgplicht jegens derden die desondanks gebruik maken van het door hem vervaardigde rapport en kan hem in beginsel ook niet worden verweten dat het rapport door degene voor wie het bestemd is voor een ander doel wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.88 Nu de accountant dus niet kan voorbijgaan aan de maatschappelijke realiteit dat derden geneigd zijn groot belang te hechten aan zijn rapportage, ook als die buiten de uitvoering van wettelijke taken is opgemaakt, én maatregelen kan treffen waarmee kan worden voorkomen dat derden op zijn rapportage vertrouwen, is het oordeel van het hof in rov. 4.13 wat mij betreft onjuist. Het hof heeft in die rechtsoverweging beslissend geacht dat [verweerster 1] met [eisers 6+7] geen rekening hoefde te houden, omdat [eisers 6+7] pas in het laatste kwartaal van 2002 in beeld zijn gekomen. Aldus heeft het hof miskend dat, gelet op het voorgaande, niet beslissend is of [verweerster 1] wist of behoorde te weten welke derde precies (zeer) waarschijnlijk op de rapportages zou vertrouwen bij het nemen van zijn investeringsbeslissing. In de gegeven omstandigheden had [verweerster 1] op het moment dat zij de stukken uit handen gaf rekening moeten houden met de mogelijkheid dat andere geïnteresseerden dan [eiser 2] en [eiser 4] – de aanvankelijke investeerders in [A] met het oog op wier mogelijke investeringsbeslissing [A] [verweerster 1] de hier centraal staande stukken heeft laten opstellen – in deze cijfers zouden vertrouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.89 Dat derden zoals [eisers 6+7] , evenals [eiser 2] en [eiser 4] (potentiële) investeerders, in het bezit van de rapportages van [verweerster 1] zouden komen en deze, net als [eiser 2] en [eiser 4] , serieus zouden nemen, moet voor [verweerster 1] geen denkbeeldig scenario zijn geweest. Dat [A] mogelijk voorwerp van investering of een overname zou worden, was voor [verweerster 1] duidelijk. Dat zij met het oog daarop stukken moest opmaken ook. Het is in een dergelijke setting niet denkbeeldig dat aanvankelijke belangstellenden (hier [eiser 2] en [eiser 4] ) worden ingeruild voor of aangevuld met andere belangstellenden die een zelfde belang hebben bij adequate informatie. Het lag daarom op de weg van [verweerster 1] om maatregelen te treffen als bedoeld in randnummer 3.86. Het hof heeft zich niet uitgelaten over eventuele door [verweerster 1] getroffen maatregelen, hoewel het hof, zo blijkt uit rov. 4.11, de mogelijkheid van het treffen van maatregelen wel van belang heeft geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.90 In dit verband is van belang dat [eisers 6+7] de cijfers van [verweerster 1] hebben gebruikt voor hun investeringsbeslissing ten aanzien van [A] , dus voor het doel waarvoor de cijfers waren opgesteld. Zij hebben dit gedaan in het laatste kwartaal van 2002 en daarmee in een periode waarin de cijfers van [verweerster 1] nog recent en relevant waren (randnummer 1.9 hiervoor). Van een derde met wie [verweerster 1] geen rekening heeft kunnen houden, is mijns inziens geen sprake geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91 In haar JOR-annotatie bij het in de onderhavige procedure bestreden arrest zit Y. Steeg-Teems op een ander spoor. Net als het hof acht zij beslissend dat [eisers 6+7] pas in beeld kwamen, nadat de stukken uit handen waren gegeven. Met het ter beschikking komen van de stukken voor andere investeerders hoefden en konden accountants toen geen rekening meer houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.92 Wat mij betreft, dat blijkt ook al uit het voorgaande, is dat een te rigoureuze en daarom niet juiste benadering. Het hanteren van het moment waarop de accountant de stukken uit handen geeft, brengt weliswaar een zekere duidelijkheid, maar leidt tot een willekeurige, althans inhoudelijk niet reële begrenzing van de zorgplicht van de accountant. Het tijdstip van uit handen geven als zodanig is dan doorslaggevend, terwijl de kern moet zijn met het oog waarop de accountant stukken opstelt en vervolgens uit handen geeft. In casu gaat het om het presenteren van cijfers met het oog op een mogelijke overname door derden. In dit geval is dan misschien niet van een abstracte categorie sprake, op het moment waarop de stukken in casu worden opgemaakt gaat het immers om [eiser 2] en [eiser 4] , maar gelet op de aard van de aan de orde zijnde transactie (een overname) kunnen anderen alsnog (in dit geval, de beslissing van [eiser 2] en [eiser 4] moet immers nog volgen, juist ook na het uit handen geven van de stukken) in beeld komen. De hier door de accountant opgemaakte stukken zouden bij andere derden niet anders (mogen) luiden; de accountant heeft hier niet een advies gegeven over een eventuele overname aan een specifieke opdrachtgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.93 Het voorgaande leidt ertoe dat subonderdeel 3.1 doel treft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.94 Volgens subonderdeel 3.2 getuigt het oordeel van het hof, dat niet is gezegd dat [verweerster 1] er ten tijde van het uit handen geven van de (half)jaarcijfers 2000, 2001 en 2002 rekening mee diende te houden dat de door haar opgestelde cijfers ter beschikking van [eiser 6] zouden komen, en dat [eiser 6] bij het nemen van zijn investeringsbeslissing op die cijfers zou vertrouwen, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel voert aan dat, zoals [eisers] hebben uiteengezet, in de tuchtprocedure in twee instanties ondubbelzinnig is vastgesteld dat [verweerster 1] er, ten tijde van het opstellen van de jaarstukken, wél van op de hoogte was (en had moeten zijn) dat deze opdracht samenhing met de mogelijke overname van [A] door derden en dat die derden niet tot overname van [A] zouden overgaan indien de (half)jaarstukken niet het verwachte resultaat zouden laten zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft volgens het subonderdeel in rov. 4.13 ook zelf vastgesteld dat [verweersters 1+11] ermee bekend was dat de cijfers werden opgesteld teneinde [eiser 4] en [eiser 2] (dat wil zeggen derden) inzicht te geven teneinde hun aankoopbeslissing te kunnen nemen. Het hof heeft, in het licht van de ‘tegenovergestelde’ vaststelling door het CBb en de daaruit voortvloeiende verzwaarde motiveringsplicht, onvoldoende inzicht gegeven in de gedachtegang leidende tot zijn oordeel dat [verweerster 1] niet wist (of behoorde te weten) dat [eiser 6] voor zijn investeringsbeslissing op de door haar geproduceerde (half)jaarstukken 2000, 2001 en 2002 zou vertrouwen, zodat dit oordeel in elk geval ontoereikend is gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.95 Het subonderdeel verwijst naar par. 3. van de inleidende dagvaarding. Deze paragraaf draagt de titel “Tuchtrechtelijke toetsing van het handelen [van] [verweersters 1+11] ”. In deze paragraaf wordt geciteerd uit de uitspraak van het CBb. In verband met de ‘verzwaarde motiveringsplicht’ verwijst het subonderdeel naar hof Arnhem-Leeuwarden 24 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9927, rov. 3.6 en naar HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532, rov. 3.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.96 De klacht faalt, nu hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 4.13 specifiek betrekking heeft op de investeringsbeslissing van [eisers 6+7] in het laatste kwartaal van 2002 en uit de uitspraak van het CBb niet kan worden afgeleid dat (het CBb heeft geoordeeld dat) [verweerster 1] er ten tijde van het opstellen van de jaarstukken van op de hoogte was dat [eisers 6+7] later in het jaar, dus in het laatste kwartaal van 2002, ook in [A] zou investeren. Er is dus geen sprake van een vaststelling door het CBb die’ tegenovergesteld’ is aan die van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.97 Nu de klacht reeds faalt omdat van een ‘tegenovergesteld’ oordeel van het hof geen sprake is, behoeft het beroep dat het subonderdeel doet op hof Arnhem-Leeuwarden 24 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9927, rov. 3.6 en HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532, rov. 3.6.3, geen bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.98 Subonderdeel 3.3 klaagt over het oordeel van het hof in rov. 4.14 dat [eiser 6] zijn vorderingen jegens [verweerder 23] baseert op de vermeende schending van de zorgplicht door [verweerster 1] . Het hof heeft hier overwogen dat [eisers 6+7] ook hun vorderingen jegens [verweerster 11] en [verweerder 23] baseren op de (vermeende) schending van de zorgplicht door [verweerster 1] en dat die vorderingen daarom het lot delen van de jegens [verweerster 1] door [eisers 6+7] ingestelde vorderingen. Volgens het subonderdeel berust dit oordeel op een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken, aangezien [eiser 6] zijn vorderingen jegens [verweerder 23] óók heeft gebaseerd op de gedragingen, uitlatingen en adviezen van [verweerder 23] zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.99 In dit verband voert het subonderdeel het volgende aan, onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken. [eisers] hebben gesteld dat [eiser 6] vóór de koop contact heeft gehad met [verweerder 23] , die tegen [eiser 6] en zijn vermogensadviseur zonder voorbehoud verklaarde dat de winstprognose voor 2002 netto € 728.000,-- bedroeg, het dubbele van het eerste halfjaar afgaande op de door [verweerster 1] geproduceerde halfjaarstukken 2002. [verweerder 23] heeft aan [eiser 6] verklaard dat de (financiële) administratie van [A] op orde was omdat deze werd verzorgd door [verweersters 1+11] , reden waarom de vermogensadviseur van [eiser 6] uitsluitend heeft vertrouwd op de door [verweersters 1+11] geproduceerde (half)jaarstukken voor het opstellen van het waarderingsrapport dat hij aan [eiser 6] heeft afgegeven. [verweerder 23] heeft aan [eiser 6] verklaard dat een due diligence-onderzoek niet nodig was. De koopsom die [eiser 6] heeft betaald voor zijn 1/3de deel van [A] is in nauwe samenspraak met [verweerder 23] berekend. Er zijn door [verweersters 1+11] uren in rekening gebracht op de overname door [eiser 6] . Deze door [eisers] gestelde gedragingen van en verwijten jegens [verweerder 23] heeft het hof ten onrechte niet betrokken in zijn beoordeling van de vorderingen van [eiser 6] [eisers 6+7] ) jegens [verweerder 23] als onderdeel van [verweerders] , zodat het oordeel (ook) ontoereikend is gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100 Het subonderdeel verwijst in dit verband naar vindplaatsen in de gedingstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.101 Het subonderdeel faalt, nu het hof de teksten in de gedingstukken, waar het subonderdeel naar verwijst, niet zo heeft hoeven opvatten dat [eisers] , althans [eisers 6+7] , hiermee bedoeld hebben gedragingen/uitlatingen/adviezen van [verweerder 23] afzonderlijk aan hun vordering ten grondslag te leggen. In par. 2.8. van de conclusie van repliek wordt weliswaar gewezen op een onterecht positieve uitlating van [verweerder 23] , maar die uitlating ziet op de door [verweerster 1] aangeleverde cijfers. Par. 2.8. lijkt in zijn geheel vooral over die cijfers te gaan en dus over de beroepsfout van [verweerster 1] . Voor par. 2.10.3. van de conclusie van repliek geldt hetzelfde: ook in deze paragraaf wordt een verwijt aan het adres van [verweerder 23] gemaakt, maar uit de tekst van deze paragraaf kan niet worden afgeleid dat [eisers] bedoeld hebben dit verwijt ten grondslag aan hun vordering te leggen. De titel van deze paragraaf (‘Betekenis informatie [verweersters 1+11] voor koopovereenkomst met [eiser 6] ’) duidt er dan ook niet op dat [eisers] , wat de schade van [eisers 6+7] betreft, bedoeld hebben om gedragingen/uitlatingen/adviezen van [verweerder 23] aan hun vordering ten grondslag te leggen. Ook uit de tekst in par. 2.5. van de memorie van grieven heeft het hof niet hoeven afleiden dat [eisers] , althans [eisers 6+7] , hiermee bedoeld hebben gedragingen/uitlatingen/adviezen van [verweerder 23] afzonderlijk aan hun vordering ten grondslag te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.102 De slotsom is dat de klacht van subonderdeel 3.1 doel treft. De overige klachten van onderdeel 3 falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Deze andere eisers zijn: 6. [eiser 6] en 7. [eiseres 7] B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze andere verweerders zijn: 6. [verweerster 6] B.V., 7. [verweerster 7] B.V., 8. [verweerster 8] B.V., 9. [verweerster 9] B.V., 10. [verweerster 10] B.V., 11. [verweerster 11] , 12. [verweerster 12] B.V., 13. [verweerster 13] B.V., 14. [verweerster 14] B.V., 15. [verweerster 15] B.V., 16. [verweerster 16] B.V., 17. [verweerster 17] , 18. [verweerder 18] , 19. [verweerster 19] B.V., 20. [verweerster 20] B.V., 21. [verweerster 21] B.V., 22. [verweerster 22] B.V. en 23. [verweerder 23] . Uit de procesinleiding valt het volgende af te leiden. Verweerders onder 2. tot en met 10. zijn maten in de maatschap [verweerster 1] (verweerder onder 1.), verweerders onder 12. tot en met 18. zijn maten in de maatschap [verweerster 11] (verweerder onder 11.), verweerders onder 19. tot en met 21. zijn uitgetreden maten in de maatschap [verweerster 1] (verweerder onder 1.) en verweerder onder 22. is uitgetreden maat in de maatschap [verweerster 11] (verweerder onder 11.). De hoedanigheid van verweerder onder 23., [verweerder 23] , blijkt uit rov. 3.1 van het bestreden arrest. Daar staat dat [verweerder 23] als belastingadviseur/vennoot verbonden was aan [verweerster 11] (verweerder onder 11.) Het in cassatie bestreden arrest, waarop deze conclusie betrekking heeft, betreft hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5245, JOR 2019/271 m.nt. Y. Steeg-Tijms, in het hoger beroep op Rb. Midden-Nederland 23 december 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:8666.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is in het in cassatie bestreden arrest uitgegaan van de door de rechtbank in rov. 2.1. tot en met 2.6. en rov. 2.8. tot en met 2.14. van haar hiervoor in voetnoot 3 genoemde vonnis vastgestelde feiten. Zie rov. 2.1 van het in cassatie bestreden arrest. Het hof heeft de feiten genoemd in rov. 2.7. van het vonnis niet overgenomen. Het hof heeft in de plaats daarvan, naar aanleiding van grief 1 in hoger beroep, de feiten genoemd in rov. 2.2 van zijn arrest vastgesteld. Overigens kan bij een strikte lezing van rov. 2.1 worden aangenomen dat het hof rov. 2.14. van het vonnis van 23 december 2015 niet heeft overgenomen. Mede gelet op de laatste zin in rov. 3.2 van de in cassatie bestreden uitspraak lijkt dit op een vergissing te berusten. Ik ga er daarom vanuit dat het hof ook rov. 2.14. tot de zijne heeft gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft daarbij in rov. 2.2 verwezen naar productie 4 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft daarbij verwezen naar productie 20 genoemd in de dagvaarding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft daarbij verwezen naar productie 21 genoemd in de dagvaarding in eerste aanleg. Aan het slot van rov. 2.2 heeft het hof overwogen dat grief 1 ‘met deze hernieuwde feitenvaststelling geen bespreking meer behoeft’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 28 genoemd in de inleidende dagvaarding, ingediend bij Akte houdende productie van stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 29 genoemd in de inleidende dagvaarding, ingediend bij Akte houdende productie van stukken. Het ECLI-nummer is: ECLI:NL:CBB:2011:BP0955.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze tekst berust op rov. 3.6 van het in cassatie bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze tekst berust op rov. 3.6, voorlaatste zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de zekerheid wijs ik erop dat [verweerster 1] en [verweerster 11] in de procesinleiding gezamenlijk worden aangeduid met ‘ [verweersters 1+11] ’.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:505, NJ 2019/158, rov. 3.3.2. Uw Raad heeft hierbij verwezen naar HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8278, NJ 2006/120 (Budé Holding/Geju Beheer), rov. 4.3, HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders ([…] BV/ […]), rov. 2.4.1 en HR 1 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:137, NJ 2019/71, rov. 3.3.2. [verweerders] hebben hierin in casu ook geen grief gelezen, zo kan uit de memorie van antwoord (randnummers 8.3.2. en 8.3.4.) worden afgeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk nog op dat het hof in rov. 3.3 in het kader van zijn samenvatting van de zaak (rov. 3.1 tot en met 3.6) heeft overwogen dat [betrokkene 4] op 31 juli 2002 de IE-rechten met betrekking tot de [A] -motorsloepen heeft overgedragen aan [eiser 4] en [eiser 2] (beiden in privé) tegen een koopsom van in totaal € 1.244.820,--. Over deze overweging van het hof wordt in cassatie niet geklaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleidende dagvaarding, p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van repliek, p. 51-52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van repliek, p. 55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals opgemerkt in voetnoot 12, worden [verweerster 1] en [verweerster 11] in de procesinleiding gezamenlijk aangeduid met ‘ [verweersters 1+11] ’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop wijzen ook [verweerders] in hun schriftelijke toelichting, randnummer 4.35 onder c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er staat nog meer in par 2.5., maar ik neem aan dat [eisers] bedoeld hebben om in cassatie slechts naar de hier geciteerde tekst te verwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 32 van de inleidende dagvaarding (“Kern van de zaak is…”), p. 55 van de conclusie van repliek (“Kopers herhalen voorts dat de financiële verslaglegging bepalend is geweest…”), p. 7 van de pleitnotitie van mr. Schreur in eerste aanleg (“Lounge handhaaft haar stelling dat de (…) jaarcijfers over 2000 en 2001 en de halfjaarcijfers 2002 bepalend waren voor kopers om te kopen”), p. 8 van de memorie van grieven (“Voor [eisers] staat vast dat de cijfers van [verweersters 1+11] over de jaren 2000 en 2001 en het eerste halfjaar 2002 zowel in augustus als in december 2002 bij toetreding van [eiser 6] doorslaggevend waren voor de koopbeslissing.”), p. 20-21 van de memorie van grieven (“Kopers menen voorts dat in de gegeven omstandigheden de ontstane schade niet mede aan henzelf kan worden toegerekend omdat zij hebben gekocht op basis van door [verweersters 1+11] verstrekte financiële informatie (…).”), p. 26 van de memorie van grieven (“In de visie van kopers staat vast dat (…) (d)e financiële verslaglegging van [verweersters 1+11] exclusief bepalend was voor de koopbeslissingen zowel in augustus ( [eiser 4] en [eiser 2] ) als in december 2002 [eiser 6] .”), p. 1 van de spreeknotities van mr. Boender in hoger beroep (“In optiek van appellanten staat de koppeling tussen de te produceren cijfers en de beslissing tot aankoop van de onderneming over te gaan vast.”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 28-31 van de inleidende dagvaarding, p. 47 e.v. van de conclusie van repliek, p. 8 van de pleitnota van mr. Schreurs in eerste aanleg, p. 16 van de memorie van grieven en p. 2 (randnummer 3.) van de spreeknotities van mr. Boender.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst in dit verband naar p. 17 van de inleidende dagvaarding, p. 19 van de conclusie van repliek en p. 7 van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de ondertekening door [verweerder 23] ongewenst was, blijkt niet uit hetgeen [eiser 4] heeft verklaard bij de RvT. Ter gelegenheid van de openbare zitting van 23 mei 2006 verklaarde [eiser 4] het volgende: “Ik had [verweerder 23] geen opdracht gegeven dit stuk namens mij te ondertekenen. Ik neem aan dat ik, als hij het mij zou hebben gevraagd, zou hebben gezegd dat ik het zelf wel wilde ondertekenen.” Zie productie 4 genoemd in de inleidende dagvaarding, in het geding gebracht bij Akte houdende productie van stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 12 van de conclusie van antwoord van – kortheidshalve – [verweerster 1] c.s. en [verweerster 11] c.s. (exclusief [verweerder 23] , die een eigen conclusie van antwoord heeft ingediend), waar wordt verwezen naar productie 4 genoemd in de inleidende dagvaarding, p. 27 van de conclusie van dupliek van – ook hier kortheidshalve – [verweerster 1] c.s. en [verweerster 11] c.s. (exclusief [verweerder 23] , die een eigen conclusie van dupliek heeft ingediend) en p. 11-12 van de memorie van antwoord van [verweerster 1] c.s. en [verweerster 11] c.s. ( [verweerder 23] heeft een eigen memorie van antwoord ingediend, waarbij hij het verweer van [verweerster 1] c.s. en [verweerster 11] c.s. tot het zijne heeft gemaakt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 4.23 van beide conclusies van dupliek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Bijzondere overeenkomsten/T.F.E Tjong Tjin Tai, Deel IV. Opdracht, incl. de geneeskundige behandelingsovereenkomst en de reisovereenkomst, Deventer: Wolters Kluwer 2018, nr. 204 en C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Bju 2020, nrs. 810 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld J.E. [verweerder 18] -van der Meer, Accountantsaansprakelijkheid (Recht en Praktijk nr. CA20), diss., Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 181 en p. 191, T.F.E. Tjong Tjin Tai, Zorgplichten en zorgethiek, diss., Deventer: Kluwer 2006, p. 206 e.v. en C.E. du Perron, Overeenkomst en derden, diss., Den Haag 1999, p. 296 (nr. 344). Zie ook C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Bju 2020, nrs. 811, 811-4 en 812.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 13 oktober 2006 wees Uw Raad drie arresten in (afzonderlijke) procedures naar aanleiding van het faillissement van levensverzekeraar Vie d’Or. Het gaat om ECLI:NL:HR:2006:AW2077 (zaaknummer C04/279HR), ECLI:NL:HR:2006:AW2080 (zaaknummer C04/281HR) en ECLI:NL:HR:2006:AW2082 (zaaknummer C04/286HR). Het ging in deze zaken, kort samengevat, om, respectievelijk, de aansprakelijkheid van de toenmalige Verzekeringskamer als toezichthouder, de aansprakelijkheid van betrokken accountants en de aansprakelijkheid van een betrokken actuaris, steeds jegens de voormalig polishouders. In de onderhavige zaak komt HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2080 (zaaknummer C04/281HR) in beeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dit Vie d’Or-arrest ook J.B.S. Hijink, ’Aansprakelijkheid van controlerend accountants’, in D. Busch, C.J.M. Klaassen en T.M.C. Arons (red.), Aansprakelijkheid in de financiële sector (Serie Onderneming en Recht deel 78), Deventer: Kluwer 2013, p. 858 e.v. en J.E. Brink -van der Meer, Accountantsaansprakelijkheid (Recht en Praktijk nr. CA20), diss., Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 181 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2080, NJ 2008/528 m.nt. C.C. van Dam bij NJ 2008/529, JOR 2006/296 m.nt. H. Beckman en JA 2007/3 m.nt. E.J.A.M. van den Akker en P.A.Th. Kostwinder. Zie ook A.D.M. Bras, ‘De zorgplicht van accountants post-Vie d’Or’, TvJ 2008, p. 67 e.v. en R.H. de Haan, ‘Aansprakelijkheidsrisico’s voor accountants vanwege de maatschappelijke functie van de jaarrekening’, in M.W. Dijkshoorn, N.J.H. Huls en S.D. Lindenbergh (red.), Waar gehakt wordt…, Den Haag: Bju 2009, p. 95 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin ook Rb. Rotterdam 6 juni 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW8414, JA 2012/142 m.nt. A.E. Krispijn, rov. 4.2. De rechtbank voegt hieraan toe dat de reikwijdte van de zorgplicht van de accountant jegens zijn opdrachtgever over het algemeen groter is dan die jegens een derde en dat voorts de reikwijdte van deze zorgplicht groter is wanneer de accountant werkzaamheden verricht in het kader van de hem wettelijk opgedragen taak dan wanneer hij werkzaamheden verricht die daarbuiten vallen. Wanneer de accountant werkzaamheden verricht die niet zien op de hem opgedragen wettelijke taak, heeft hij volgens de rechtbank in beginsel uitsluitend ten opzichte van zijn opdrachtgever een zorgplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uw Raad heeft hierbij verwezen naar HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532, NJ 2003/151 m.nt. F.C.B. van Wijmen (Telfout). Deze lijn is in latere rechtspraak bevestigd/verder uitgewerkt. Zie bijvoorbeeld HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452, RvdW 2017/1011, AB 2017/362 m.nt. R. Ortlep, JA 2017/154 m.nt. R.T.L. Vaessen, Ondernemingsrecht 2018/33 m.nt. J.B.S. Hijink en TvI 2018/25 m.nt. M.H.S. Berghuijs &amp; S.S.J.P. Roestenberg, rov. 3.3.2. Zie ook J.E. Brink -van der Meer, ‘De relatie tussen de civielrechtelijke procedure tot aansprakelijkheid van de accountant en het tuchtrecht’, TvJ 2020, p. 6 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uw Raad heeft hierbij verwezen naar HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0690, NJ 2003/537 m.nt. W.M. Kleijn (Portielje).</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot van C.C. van Dam (sub 5) bij HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2082, NJ 2008/529.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld J.B.S. Hijink, ’Aansprakelijkheid van controlerend accountants’, in D. Busch, C.J.M. Klaassen en T.M.C. Arons (red.), Aansprakelijkheid in de financiële sector (Serie Onderneming en Recht deel 78), Deventer: Kluwer 2013, p. 858 e.v. en eerder ook al R.H. de Haan, ‘Aansprakelijkheidsrisico’s voor accountants vanwege de maatschappelijke functie van de jaarrekening’, in M.W. Dijkshoorn, N.J.H. Huls en S.D. Lindenbergh (red.), Waar gehakt wordt…, Den Haag: Bju 2009, p. 98-99 alsmede p. 114 e.v. Positiever lijkt A.D.M. Bras, ‘De zorgplicht van accountants post-Vie d’Or’, TvJ 2008, p. 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie E.J.A.M. van den Akker, Beroepsaansprakelijkheid ten opzichte van derden, diss., Bju: Den Haag 2001, p. 59-73 (aansprakelijkheid jegens derden bij het controleren van de jaarrekening en bij andere wettelijk opgedragen taken) en p. 74-83 (aansprakelijkheid jegens derden bij overige werkzaamheden) en ook J.E. Brink -van der Meer, Accountantsaansprakelijkheid (Recht en Praktijk nr. CA20), diss., Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 186 waar wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de zorgplicht jegens derden groter is wanneer de accountant werkzaamheden verricht in het kader van zijn wettelijke opgedragen taak, dan wanneer hij werkzaamheden verricht die daarbuiten vallen. Zie verder nog P.H. Kramer, ‘De aansprakelijkheid van advocaten jegens derden en cliënten’, MvV 2020, p. 174.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover S. Parijs, ‘De verhouding tussen de accountant en zijn opdrachtgever’, TvJ 2012, p. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.J.A.M. van den Akker, Beroepsaansprakelijkheid ten opzichte van derden, diss., Bju: Den Haag 2001, p. 64-67.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.J.A.M. van den Akker, Beroepsaansprakelijkheid ten opzichte van derden, diss., Bju: Den Haag 2001, p. 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.J.A.M. van den Akker, Beroepsaansprakelijkheid ten opzichte van derden, diss., Bju: Den Haag 2001, p. 72-76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:348 (tussenarrest), NJ 2017/97 en JA 2015/34 m.nt. J.L. Brens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4385, NJ 2017/97.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2016:1021) voor HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2876, RvdW 2017/118 (Accon AVM Accountants BV) (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">In vergelijkbare zin Rb. Rotterdam 24 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:4440, rov. 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2016:1021) voor HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2876, RvdW 2017/118 118 (Accon AVM Accountants BV (art. 81 RO), randnummer 3.4 (slotzin).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:744, NJ 2019/390 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2019/177 m.nt. J.B.S. Hijink, JIN 2019/108 m.nt. P.H. Bossema-de Greef, Ondernemingsrecht 2020/58 m.nt. J.F. Garvelink en TvJ 2019/4 m.nt. Y. Steeg-Tijms (Ernst &amp; Young).</p>\n<p class=\"lf-p\">In haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:339) heeft A-G De Bock (onder meer) het eerdere door haar in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:1021, randnummer 3.4) voor HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2876, RvdW 2017/18 (art. 81 RO) gegeven juridisch kader voor het tweede geval – de uitvoering van niet-wettelijke taken door de accountant, zie randnummer 3.73 hiervoor – herhaald in randnummer 3.5 en aangevuld in randnummer 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terecht wijst Y. Steeg-Tijms er in haar JOR-annotatie (onder 8) bij het in de onderhavige procedure bestreden arrest op dat het treffen van dergelijke maatregelen ook zou kunnen worden gezien als het invulling geven aan de vereiste zorgvuldigheid. Zie hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2019, JOR 2019/271.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat [eisers 6+7] de aandelen hier van [eiser 2] en [eiser 4] hebben gekocht en niet van dezelfde personen als [eiser 2] en [eiser 4] , maakt op dit punt geen relevant verschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Annotatie bij hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2019, JOR 2019/271, onder 6 en 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel doelt op HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532, NJ 2003/151 m.nt. F.C.B. van Wijmen (Telfout).</p></div>", "next": 0}