{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">75.</span>Zoals uit de onder randnummer 69 opgenomen overwegingen blijkt, heeft het hof uitdrukkelijk vastgesteld “dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden”. Daarmee staat vast dat schade is geleden en daarmee stond het het hof dus vrij het schadebedrag vervolgens te schatten. In aanmerking genomen dat het hof kennelijk de inschrijfformulieren en inleggelden tot uitgangspunt heeft genomen bij de schatting van het schadebedrag, en dat de verdediging tegen de vorderingen voor het overige weinig tot niets heeft ingebracht, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Overigens volgt niet uit het overzichtsarrest, noch bij mijn weten elders, dat het hof uitdrukkelijk in zijn arrest had moeten stilstaan bij de vraag of de verdediging voldoende in de gelegenheid is geweest zijn stellingen te onderbouwen. Uit de pleitnota blijkt dat de verdediging de ruimte heeft genomen het eigen perspectief naar voren te brengen door een aantal argumenten aan te voeren tegen de toewijzing van de vordering. Die ruimte heeft de verdediging naar het oordeel van de steller van het middel – met het achterwege laten van een onderbouwing van die standpunten – kennelijk onvoldoende benut. Dat kan echter geen grond zijn voor cassatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>In zoverre faalt het middel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">77.</span>Tot slot wordt in de toelichting op het middel opgemerkt dat het hof de verdachte de verplichting heeft opgelegd om aan de staat ten behoeve van de slachtoffers een bedrag te betalen zoals vermeld op de aan het bestreden arrest gehechte lijst en bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>Deze klacht is terecht voorgesteld. Op de gronden als vermeld in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:918, kan het bestreden arrest inderdaad niet in stand blijven voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast. De Hoge Raad kan in plaats daarvan bepalen dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden opgelegd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">79.</span>De eerste vijf middelen falen en kunnen met een aan artikel 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het zesde middel slaagt voor zover het ziet op toepassing van de vervangende hechtenis in verband met de schadevergoedingsmaatregel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">80.</span>Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">81.</span>Deze conclusie strekt tot:- bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast,- en tot verwerping van het beroep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het eerste middel is lang en tamelijk ongestructureerd toegelicht. De volgorde waarin ik de deelklachten behandel wijkt daarom enigszins af van de volgorde in de schriftuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest van het hof van 12 juni 2019, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de schriftuur wordt daaraan ook M. Westerterp toegevoegd. Deze naam is echter niet in de tenlastelegging opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat laatste is ruim geformuleerd, maar betreft onder meer direct contact tussen de (potentiële) beleggers en één van de verdachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bewijsmiddel 9 waarin [medeverdachte 1] de brochure op dezelfde lijn stelt als de website.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens blijkt uit de verklaringen wel dat [betrokkene 1] en [betrokkene 5] (foutieve) informatie hebben gekregen die ook in de brochure heeft gestaan (namelijk dat “Er werd gezegd dat via een beëdigd taxateur de taxaties zouden worden geregeld” (bewijsmiddel 18) respectievelijk “Mijn redenen om in te stappen waren omdat er een notaris bij betrokken was, een registeraccountant” (bewijsmiddel 23)). Daaruit zou afgeleid kunnen worden dat zij dus wel degelijk ook op basis van de brochure en/of ander aanbiedingsmateriaal zijn bewogen tot afgifte van inleggelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.1 en 2.5.2, en HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1878, NJ 2020/74 m.nt. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik meen dus niet dat de overwegingen van het hof zo moeten worden gelezen dat de verdediging de alternatieve lezing niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Vgl. J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 347.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers &amp; T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 818-822. Zie ook CAG Bleichrodt van 29 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:536.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regel is reeds terug te vinden in het Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland, in de Noordelijke Nederlanden geldend van 1 februari 1809 tot en met 31 december 1810, namelijk in artikel 362 (onderstreping mijnerzijds): “Tot een volkomen bewijs door getuigen, wordt ten minsten vereischt de overeenstemmende en beëedigde verklaring van twee bevoegde en onbesproken personen omtrent hetgeen zij zelve gezien, gehoord en ondervonden hebben, en alzoo bekleed met goede redenen van wetenschap.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor meer: J.R. Anderson, Cognitive psychology and its implications, New York: Worth Publishers 2015, p. 27 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.J. Dubelaar in C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns &amp; M.J.M. Verpalen (red.), Tekst &amp; Commentaar Strafvordering, Deventer: Wolters Kluwer (elektronische versie, bijgewerkt tot 1 juli 2019), commentaar bij art. 342, aant. 3b. Zie bovendien M.J. Dubelaar, Betrouwbaar getuigenbewijs. Totstandkoming en waardering van strafrechtelijke getuigenverklaringen in perspectief (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2014, par. 5.2, p. 136 e.v., met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers &amp; T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 821. HR 1 november 1966, ECLI:NL:PHR:1966:AB3436, NJ 1967/288, en HR 16 oktober 1973, ECLI:NL:PHR:1973:AD7219, NJ 1974/176.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook M.J. Dubelaar in C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns &amp; M.J.M. Verpalen (red.), Tekst &amp; Commentaar Strafvordering, Deventer: Wolters Kluwer (elektronische versie, bijgewerkt tot 1 juli 2019), commentaar bij art. 342, aant. 3c.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8016, NJ 1988/178, rov. 5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8270, NJ 2007/526 m.nt. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4822, NJ 2009/481 m.nt. Keijzer, rov. 10.2-10.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhoud van de aangifte acht het hof kennelijk en niet-onbegrijpelijk ook relevant voor feit 1 (oplichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers &amp; T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 820; HR 3 november 1959, ECLI:NL:HR:1959:173, NJ 1960/208 m.nt. Pompe, en HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4172. De in deze jurisprudentie tot uitdrukking komende rechtsregel is in de hoofdtekst door mij enigszins aangepast aan de casus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bewezenverklaring van feit 1 (oplichting)verwijs ik graag naar randnummer 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover wordt geklaagd dat (ook) de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit (bedrieglijke bankbreuk) steunt op verklaringen van curator [betrokkene 17] die ten onrechte conclusies bevatten, wordt verwezen naar de verwerping van die klacht onder de bespreking van het eerste middel. Dezelfde redenering gaat ook hier op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat werd in de memorie van toelichting bij de totstandkoming van deze bepaling ook al opgemerkt: “De zamenkoppeling derzelfde werkwoorden in den verleden en in den tegenwoordigen tijd geeft te kennen, dat het geheel onverschillig is, of de hier omschreven feiten vóór of na de faillietverklaring zijn gepleegd”, zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1881-1886), Deel III, herzien door J.W. Smidt, Haarlem: 1892, p. 3 en 10, en C.M. Hilverda, Faillissementsfraude (diss. Nijmegen), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, p. 101-103.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook J.M. Verheul in C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns &amp; M.J.M. Verpalen (red.), Tekst &amp; Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer (elektronische versie, bijgewerkt tot 1 juli 2020), Inleidende opmerkingen Titel XXVI: benadeling van schuldeisers of rechthebbenden, aant. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het verbeteren van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging, alsmede het voorkomen van faillissementsfraude, in werking getreden op 1 juli 2016, Stb. 2016, 205.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 9, verklaring medeverdachte [medeverdachte 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 13, verklaring medeverdachte [medeverdachte 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 5, verklaring verdachte [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 35, verklaring getuige [betrokkene 15] .</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 mei 1929, ECLI:NL:HR:1929:190, NJ 1929, p. 1269.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691, NJ 2010/104. Vgl. HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54, NJ 2014/80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest van het hof van 12 juni 2019, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest van het hof van 12 juni 2019, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">D.R. Doorenbos, ‘Het bestuursverbod’, Ondernemingsrecht 2008/12, p. 425.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1975/76, 13 655, nr. 3, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 13, 15-16.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij elk van de bovengenoemde delicten is de mogelijkheid tot het opleggen van deze bijkomende straf afzonderlijk verankerd in de artikelen 235 lid 1, 339 lid 1, 349 lid 1 Sr en 420quinquies (oud) Sr. Voor gewoontewitwassen is de verdachte niet als feitelijke leidinggever aangesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervolging kan maar hoeft niet gelijktijdig plaats te vinden, zie HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijk, en HR 6 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB9608, NJ 1989/497.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. hof Arnhem 24 december 1985, ECLI:NL:GHARN:1985:AC9167, NJ 1986/390, en HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3562.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten overvloede, ook kan worden betoogd dat een feitelijke leidinggever het strafbaar feit kan ‘begaan’ wegens zijn strafbare betrokkenheid bij het delict, net zoals dat wordt aangenomen bij deelnemers van een strafbaar feit op de voet van art. 47 Sr. Vgl. art. 47 lid 1 onder 1° Sr, en M.M. Dolman in C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns &amp; M.J.M. Verpalen (red.), Tekst &amp; Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer (elektronische versie, bijgewerkt tot 1 juli 2020), art. 47, aant. 1 onder d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook Doorenbos lijkt dit standpunt toch wel te zijn toegedaan, althans volgens een andere passage dan de passage waarnaar de steller van het middel verwijst, uit D.R. Doorenbos, ‘Het bestuursverbod’, Ondernemingsrecht, 2008/12, p. 425 -426 (over de vraag of het bestuursverbod ook kan worden opgelegd aan een rechtspersoon-bestuurder (onderstreping mijnerzijds, voetnoot weggelaten): “Van belang is nog de vraag of het bestuursverbod zich ook kan richten tot een rechtspersoon. Het komt immers veelvuldig voor dat een rechtspersoon wordt bestuurd door een andere rechtspersoon. In de praktijk wordt dan veelal niet de holding of moedermaatschappij als feitelijke leidinggever aangepakt, maar richt de vervolging zich op de natuurlijke personen achter die rechtspersoon-bestuurder. In dat geval kan de rechtspersoon uiteraard niet worden getroffen door een bestuursverbod, omdat die dan zelf niet terecht heeft gestaan dus ook niet schuldig is bevonden. Er is in beginsel echter niets op tegen (ook) de rechtspersoon-bestuurder als feitelijke leidinggever aan te merken en in dat geval zou (ook) aan de rechtspersoon een beroepsverbod - in de vorm van een bestuursverbod - kunnen worden opgelegd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaraan doet niet af dat de mogelijkheid tot oplegging van de bijkomende straf ten aanzien van valsheid in geschrift pas zijn intrede deed per 1 april 2010 (en dus in de loop van de i.c. bewezen verklaarde pleegperiode) met de Wet Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen, in werking getreden op 1 april 2010 (Stb. 2010, 139).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het leesgemak geef ik hieronder artikel 339 Sr weer (onderstreping mijnerzijds):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bij veroordeling wegens een der in deze titel omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking van zijn uitspraak gelasten en de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft. 2. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 326, 328, 331 en 332 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten worden uitgesproken.</div>\n<p class=\"lf-p\">De schorsingsvoorwaarde is immers ruimer dan de bijkomende straf tot ontzetting uit het recht een beroep uit te oefenen nu de schorsingsvoorwaarde elke werkzaamheid in de financiële sector verbiedt en de bijkomende straf slechts het beroep van bestuurder of feitelijk bestuurder van een rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8755. Vgl. ook HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:221.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB2965, rov. 3.7-3.8.</p></div>", "next": 0}