{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ik kan het betoog van ABN AMRO overigens goed volgen. Uw Raad heeft in de betreffende overweging (slechts) een voorbeeld gegeven van een cao-voorziening die op gelijkwaardigheid ex art. 7:673b (oud) BW kan worden onderzocht. In dat voorbeeld ging het inderdaad (onder meer) om een cao-voorziening bestaande uit periodieke betalingen (zonder een duidelijk eindtijdstip) die wegens arbeidsongeschiktheid is getroffen en dus niet wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Uw Raad overweegt hier ook niet dat een dergelijke cao-voorziening reeds als gelijkwaardig moet worden bestempeld. Deze overweging moet bovendien worden gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande alinea in dezelfde rov. 4.3.6. Daar heeft Uw Raad uiteengezet hoe de gelijkwaardigheid van de voorziening uiteindelijk dient te worden beoordeeld. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen de op het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gekapitaliseerde potentiële waarde van de cao-voorziening en de transitievergoeding waarop de werknemer recht zou hebben. Deze benadering acht Uw Raad ook geschikt voor een cao-voorziening die uit periodieke betalingen (zonder een duidelijk eindtijdstip) bestaat en die wegens arbeidsongeschiktheid is getroffen. Uitsluitend om die reden, zo meen ik, heeft Uw Raad een dergelijke cao-voorziening als voorbeeld genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42 Subonderdeel 3.4 stelt het slot van rov. 2.8 van de eindbeschikking ter discussie, waarin het hof heeft overwogen dat in de pensioenvoorziening van ABN AMRO het risico van de premievrijstelling al is verwerkt in de financiering van het pensioen als zodanig, namelijk in een opslag van de vaste premie die ABN AMRO heeft afgedragen. ABN AMRO klaagt in dit subonderdeel dat, voor zover het hof op die plaats heeft gemeend dat de financieringswijze een relevant gegeven is voor de beoordeling van de vraag of de pensioenvoorziening als een gelijkwaardige voorziening kan worden aangemerkt, dit oordeel onjuist is. Het hof heeft daarmee miskend dat voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van een voorziening uitsluitend de waarde van de betreffende cao-voorziening maatgevend is en niet hoe die voorziening door de werkgever wordt gefinancierd althans welke kosten een dergelijke voorziening voor de werkgever meebrengt. Dit volgt ook weer uit ING Bank Personeel BV, aldus nog steeds ABN AMRO.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43 Ook deze klacht is terecht geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44 Zoals hiervoor is opgemerkt (randnummer 4.41), heeft Uw Raad in rov. 4.3.6 van ING Bank Personeel BV (hiervoor in randnummer 4.39 geciteerd) overwogen dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen (i) de op het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gekapitaliseerde potentiële waarde van de cao-voorziening en (ii) de transitievergoeding waarop de werknemer recht zou hebben. Hieruit volgt dat aan de wijze waarop de werkgever de cao-voorziening heeft gefinancierd geen gewicht wordt toegekend. Voor zover het hof aan het slot van rov. 2.8 anders van oordeel is, is dit inderdaad onjuist.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.45 Ook subonderdeel 3.4 is dus terecht voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.46 ABN AMRO heeft in subonderdeel 3.5 een klacht gericht tegen rov. 2.9 van de eindbeschikking. Daar heeft het hof overwogen dat de omstandigheid dat de cao-partijen de suppletieregeling wel hebben aangemerkt als een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening geen aanleiding geeft het oordeel dat geen sprake is van gelijkwaardigheid te wijzigen. Het hof heeft overwogen dat uit ING Bank Personeel BV blijkt dat die omstandigheid slechts een gezichtspunt is, zodat het hof daaraan “in het licht van wat hiervoor is overwogen” in dit geval geen doorslaggevende waarde toekent. Volgens ABN AMRO heeft het hof hiermee miskend dat de relatieve waarde van de betrokkenheid van sociale partners enkel geldt in het kader van de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de cao-voorziening en niet voor de beantwoording van de vraag of de betreffende voorziening naar haar aard een gelijkwaardige voorziening kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de visie van ABN AMRO dient er dus een onderscheid te worden gemaakt tussen (i) de vraag of een voorziening naar haar aard een gelijkwaardige voorziening kan zijn en (ii) de vraag of die voorziening gelijkwaardig is aan de transitievergoeding. De eerste vraag betreft de cao-voorziening als zodanig; de tweede vraag dient op individueel niveau te worden beantwoord waarbij het antwoord per werknemer kan verschillen. In rov. 4.3.4 uit ING Bank personeel BV blijkt volgens ABN AMRO dan ook dat de kwalificatie door cao-partijen van belang kan zijn voor de beantwoording van de vraag of die voorziening naar haar aard een gelijkwaardige voorziening kan zijn, want op dit punt hebben de cao-partijen een ruime beoordelingsmarge.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.47 De klacht faalt, zodat subonderdeel 3.5 tevergeefs is voorgesteld. Ik zie niet in waarom een onderscheid tussen de hiervoor weergegeven vragen ((i) en (ii)) in een individueel geval, want daar gaat het toch steeds om, van belang is bij de beantwoording van de vraag of de cao-voorziening als een gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b (oud) BW kan worden aangemerkt. De kwalificatie van de cao-voorziening als een gelijkwaardige voorziening door de cao-partijen treft namelijk het collectief niveau. Omdat die kwalificatie (in beginsel) niets zegt over de vraag of die voorziening in een individueel geval als gelijkwaardig kan worden aangemerkt (en die beoordeling van de gelijkwaardigheid vindt uiteindelijk op individueel niveau plaats, zie randnummers 3.36 en 3.37), is begrijpelijk dat Uw Raad in ING Bank Personeel BV, heeft geoordeeld dat die kwalificatie slechts een bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid in aanmerking te nemen gezichtspunt oplevert. Ik kom daarom tot de conclusie dat het oordeel van het hof op dit punt juist is en dat de klacht van ABN AMRO haar geen soelaas kan bieden. Dat de cao-partijen vrijheid hebben bij het kwalificeren van een cao-voorziening als een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening, levert in dit geval dus niets op. Of de cao-voorziening gelijkwaardig is, wordt uiteindelijk bepaald aan de hand van de hiervoor besproken maatstaf (randnummers 4.39).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 4.48 Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.2 van zijn eindbeschikking dat onbetwist vaststaat dat een gelijkluidende tekst van de suppletieregeling ook al was opgenomen in eerdere cao’s, behalve dat daarin de passage over de ‘gelijkwaardige voorziening’ niet was opgenomen. Die passage is volgens het hof (kennelijk) toegevoegd aan de cao met het oog op de inwerkingtreding per 1 januari 2015 van de WWZ. Dit onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen. Omdat subonderdelen 2.1 en 2.2 klagen over de begrijpelijkheid van dit oordeel in het licht van de stellingen van partijen, zal ik deze subonderdelen gezamenlijk behandelen. Daarna zal ik ingaan op subonderdeel 2.3 dat het oordeel in rov. 2.2 vanuit een andere invalshoek (en met een rechtsklacht) bestrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.49 In subonderdeel 2.1 voert ABN AMRO aan dat het bestreden oordeel, in het licht van de gedingstukken, onbegrijpelijk is, omdat [verweerster] – anders dan het hof hier dus veronderstelt – niet heeft aangevoerd dat de tekst van de suppletieregeling in beide cao’s gelijkluidend zou zijn. [verweerster] heeft enkel aangevoerd dat het grootste verschil tussen de twee cao’s is dat de passage over de gelijkwaardige voorziening is toegevoegd.Subonderdeel 2.2 voegt daaraan toe dat het oordeel van het hof ook onbegrijpelijk is, omdat het hof over het hoofd heeft gezien dat ABN AMRO heeft aangevoerd dat de suppletieregeling in de ABN AMRO CAO 1 januari 2016 - 1 januari 2018 inhoudelijk is gewijzigd ten opzichte van de voorgaande cao (ABN AMRO CAO 1 januari 2014 - 1 januari 2016). In dit verband heeft ABN AMRO aangevoerd dat de leeftijd van werknemers waarop de suppletieregeling van toepassing zou kunnen zijn in de eerstgenoemde cao is verruimd naar de AOW-gerechtigde leeftijd en dat de cao-partijen de suppletieregeling inhoudelijk hebben herzien bij het aanmerken van die regeling als gelijkwaardige voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.50 Beide klachten falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.51 Anders dan ABN AMRO suggereert, valt in het beroepschrift van [verweerster] (randnummers 35.-41.) te lezen dat de suppletieregeling al ruim vóór 1 juli 2015 (dus vóór de inwerkingtreding van de WWZ) bestond, zij het dat in de onderhavige suppletieregeling de zin is toegevoegd over de ‘gelijkwaardige voorziening’. Dat zou dan het belangrijkste verschil zijn. Daarmee heeft [verweerster] willen aanknopen bij de uitspraak van het hof in de zaak ING Bank Personeel BV waarin het hof de cao-voorziening niet als een met de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening heeft aangemerkt, mede omdat deze al ruim vóór 1 juli 2015 bestond. Met de voorziening kon daarom volgens het hof niet zijn beoogd de wettelijke transitievergoeding te vervangen. De klacht in dit subonderdeel getuigt derhalve van een onjuiste lezing van de processtukken van [verweerster] en faalt in zoverre dan ook. Deze klacht is bovendien gebaseerd op een onjuist uitgangspunt; Uw Raad heeft (zoals bij de behandeling van subonderdeel 2.2, hierna randnummers 4.52 e.v., nader aan de orde komt) in ING Bank Personeel BV het zojuist genoemde oordeel van het hof vernietigd; dat de cao-voorziening al ruim vóór 1 juli 2015 gold, staat als zodanig aan gelijkwaardigheid niet in de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.52 ABN AMRO heeft, zoals zij in subonderdeel 2.2 heeft aangevoerd, in randnummer 36. van haar verweerschrift in hoger beroep en in randnummer 27. van haar verweerschrift in eerste aanleg inderdaad betoogd dat de onderhavige suppletieregeling ten opzichte van de voorgaande suppletieregeling inhoudelijk is gewijzigd. De passage over de ‘gelijkwaardige voorziening’ in de onderhavige suppletieregeling is dus niet het enige verschil met de voorgaande suppletieregeling. In zoverre kan ik de klacht in dit subonderdeel wel volgen. Daarmee slaagt de klacht echter nog niet. Zoals aan het slot van randnummer 4.51 al is opgemerkt, is (het belang van) de discussie die partijen op dit punt hebben gevoerd (is de onderhavige suppletieregeling ‘nieuw’ of gold deze al (ruim) vóór 1 juli 2015?) inmiddels achterhaald. Ik licht dit toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.53 In ING Bank Personeel BV heeft Uw Raad geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een cao-voorziening dateert van vóór 1 juli 2015 niet in de weg staat aan de kwalificatie gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b (oud) BW: “4.1.2 Anders dan het hof heeft geoordeeld, sluit de omstandigheid dat een voorziening al voor 1 juli 2015 in een op dat moment tussen partijen geldende cao was opgenomen en na 1 juli 2015 (in een nieuwe cao) is gehandhaafd, niet zonder meer uit dat die voorziening na 1 juli 2015 wordt aangemerkt als een aan de wettelijke transitievergoeding gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b BW. Of de desbetreffende voorziening kan worden aangemerkt als een gelijkwaardige voorziening in voornoemde zin, hangt af van de omstandigheden van het geval. De klacht slaagt. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.54 Hieruit volgt dat ook het verweer van ABN AMRO op dit punt (randnummer 4.52) voor de oordeelsvorming van het hof niet relevant was (na ING Bank Personeel BV bood het haar geen soelaas meer), zodat ook deze klacht (net zoals de in subonderdeel 2.1 geformuleerde klacht) faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55 Bij het voorgaande komt dat het eindoordeel van het hof dat de suppletieregeling geen gelijkwaardige voorziening is in de zin van art. 7:673b (oud) BW (rov. 2.7-2.10 van de eindbeschikking) niet is gebaseerd op de omstandigheid (die het hof in rov. 2.2 heeft genoemd) dat de regeling al ruim vóór 1 juli 2015 gold. Uit randnummer 4.53 blijkt dat het hof die omstandigheid terecht niet heeft meegenomen bij zijn eindoordeel. Dat eindoordeel is in de kern gebaseerd op de overwegingen van het hof in rov. 2.7, 2.8 en 2.9, kort gezegd, dat de suppletieregeling niet is getroffen voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, dat de regeling evenmin valt onder de door Uw Raad in ING Bank Personeel BV genoemde periodieke betalingen en dat de kwalificatie door de cao-partijen geen ander oordeel kan opleveren. De klachten in subonderdelen 2.1 en 2.2 kunnen ABN AMRO reeds daarom al geen heil brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.56 Subonderdeel 2.3 richt zich tegen rov. 2.2 van de eindbeschikking. Mocht het hof daar hebben gemeend dat de omstandigheid dat de suppletieregeling ook reeds – naar het hof ten onrechte heeft aangenomen: in gelijkluidende bewoordingen (zie subonderdelen 2.1 en 2.2) – voorkwam in voorgaande cao’s, van belang is voor de beantwoording van de vraag of die regeling als een gelijkwaardige voorziening kan worden aangemerkt, dan is dat oordeel onjuist. Volgens ABN AMRO volgt uit ING Bank Personeel BV dat bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van een cao-voorziening een vergelijking moet worden gemaakt tussen de gekapitaliseerde potentiële waarde van de cao-voorziening enerzijds en de transitievergoeding anderzijds. Ook heeft Uw Raad in die uitspraak uitdrukkelijk geoordeeld dat het feit dat een bepaalde voorziening al vóór 1 juli 2015 de (inwerkingtredingsdatum van art. 7:673b (oud) BW) in een op dat moment geldende cao was opgenomen en na die datum (in een nieuwe cao) is gehandhaafd, niet uitsluit dat die voorziening na 1 juli 2015 als een gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b (oud) BW moet worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.57 Hoewel het uitgangspunt van ABN AMRO in dit subonderdeel 2.3 juist is (zie daarvoor randnummers 4.39, 4.41 en 4.53), slaagt de klacht niet. Zoals in randnummer 4.55 is toegelicht, is het eindoordeel van het hof ( rov. 2.7-2.10 van de eindbeschikking) dat de suppletieregeling niet gelijkwaardig is in de zin van art. 7:673b (oud) BW niet gebaseerd op de vaststelling in rov. 2.2 dat de onderhavige suppletieregeling (met uitzondering van de passage over de ‘gelijkwaardige voorziening’) al in eerdere cao’s was opgenomen. De klacht in dit subonderdeel mist daarom feitelijke grondslag. Daarmee faalt ook subonderdeel 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 4.58 Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 1 doel treft. De consequentie daarvan is dat [verweerster] ten onrechte ontvankelijk is verklaard in haar verzoek tot toekenning van een transitievergoeding. Uw Raad kan de zaak daarop ook zelf afdoen, lijkt me. Strikt genomen komt Uw Raad dan niet toe aan onderdeel 2 en 3. Voor het geval Uw Raad anders over onderdeel 1 zou oordelen dan ik hiervoor heb gedaan, ben ik toch op onderdeel 2 en 3 ingegaan. Onderdeel 2 is wat mij betreft vergeefs voorgesteld, maar naast onderdeel 1 treft ook onderdeel 3 doel, zodat het principaal cassatieberoep in zoverre slaagt. Nu onderdeel 1 van het principaal beroep van ABN AMRO doel treft, komen we ook toe aan het incidenteel cassatieberoep van [verweerster] .</p>\n<p class=\"lf-p\">5Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep 5.1 Het middel bestaat uit één onderdeel (onderdeel 2.1) dat uiteenvalt in vier subonderdelen (subonderdelen 2.1.1 tot en met 2.1.4), gericht tegen rov. 5.8 (in samenhang gelezen met rov. 5.7, 5.9 en 5.10) van de tussenbeschikking van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 In onderdeel 2.1 kan ik geen klacht ontwaren. Het lijkt vooral een inleiding op de centrale vraag die in de verdere klachten wordt uitgewerkt (wanneer eindigt nu precies een arbeidsovereenkomst indien die is opgezegd per eerste van de maand?). Mocht de klacht zijn dat niet duidelijk is wanneer de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 28 februari 2018, dan is dat wat mij betreft toen de klok oversloeg van 28 februari 2018 23:59:59 uur naar 1 maart 2018 0.00:00 uur (dus een fractie vóór 1 maart 2018 0.00 uur).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 In subonderdeel 2.1.1 betoogt [verweerster] dat onjuist en tevens onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat ABN AMRO beoogde de arbeidsovereenkomst op 28 februari 2018 te doen eindigen, zoals zij stelt. Een opzegging tegen het einde van de maand (als bedoeld in art. 7:672 lid 1 BW) betekent niet meer of anders dan dat de arbeidsovereenkomst eindigt op de eerste van de daaropvolgende maand om 0.00 uur. Dit zou blijken uit de parlementaire geschiedenis bij de invoering van art. 7:672 lid 1 BW in het kader van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid; met deze regeling sluit de wetgever aan bij datgene wat in de praktijk gebruikelijk geworden is: opzegging tegen de eerste van de nieuwe maand en niet tegen de laatste dag van de maand is in de praktijk gebruikelijk. Dat zou niet alleen blijken uit de uitspraken die het hof in rov. 5.9 heeft genoemd, maar ook uit andere uitspraken. Volgens [verweerster] kan dat niet anders worden uitgelegd dan dat de arbeidsovereenkomst eindigt op de eerste dag van de nieuwe maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Subonderdeel 2.1.1 gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt. Een opzegging ‘tegen het einde van de maand’ betekent niet dat de arbeidsovereenkomst eindigt op de eerste dag van de daaropvolgende maand om 0.00 uur. Dat is bepaald onlogisch. In dat geval zou het voor de hand liggen dat wordt opgezegd tegen het begin van de volgende maand. Het is ook onlogisch en zonder zin om een extra dag erbij te nemen, die dan vervolgens minder dan 1 seconde duurt. Meer duidelijkheid biedt het systeem waarin de arbeidsverhouding aan het eind van de maand wordt afgerond, zodat werkgever en werknemer in de nieuwe maand met een schone lei verder kunnen. Overigens tref ik in de wetsgeschiedenis en de uitspraken waar [verweerster] in subonderdeel 2.1.1 naar verwijst niet aan dat een opzegging ‘tegen het einde van de maand’ betekent dat de arbeidsovereenkomst eindigt op de eerste van de daaropvolgende maand om 0.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 In subonderdeel 2.1.2 betoogt [verweerster] dat het oordeel van het hof in rov. 5.8 dat uit de opzegging zelf niet eenduidig blijkt op welke dag de arbeidsovereenkomst zou eindigen, onjuist en onbegrijpelijk is. Zoals het hof in rov. 5.9 terecht heeft opgemerkt, volgt uit normaal spraakgebruik dat een opzegging per 1 maart 2018 niet anders kan worden begrepen dan dat het dienstverband eindigt op 1 maart 2018; uit de opzegging blijkt dus weldegelijk eenduidig op welke dag de arbeidsovereenkomst zou eindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Ook de klacht van subonderdeel 2.1.2 faalt. Het hof legt in rov. 5.8 duidelijk uit op welke wijze men ‘per’ ook kan interpreteren, namelijk als tegen het einde van de maand (conform het bepaalde in art. 7:672 BW). Die uitleg is niet onjuist of onduidelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 In het kader van subonderdeel 2.1.3 betoogt [verweerster] dat het oordeel van het hof in rov. 5.8 dat niet is aangevoerd of gebleken dat partijen een andere dag van opzegging zijn overeengekomen, onjuist en onbegrijpelijk is. Ook wanneer subonderdeel 2.1.1 geen doel zou treffen, moet uit het feit dat ABN AMRO per 1 maart 2018 heeft opgezegd en [verweerster] daartegen niet is opgekomen, worden afgeleid dat partijen in dat geval stilzwijgend een andere datum voor opzegging zijn overeengekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 De klacht van subonderdeel 2.1.3 faalt. Het hof heeft in rov. 5.8 inderdaad geoordeeld dat niet is aangevoerd of gebleken dat partijen een andere dag van opzegging zijn overeengekomen. Vervolgens heeft het hof in de kern geoordeeld dat [verweerster] in casu inderdaad mocht denken dat de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2018 is beëindigd. Dat dit tussen partijen rechtens is, is heel wat anders dan dat partijen (stilzwijgend) een andere dag van opzegging zijn overeengekomen. Dat laatste wordt ook niet door de beslissing van het hof geïmpliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Voor het geval dat de subonderdelen 2.1.1 tot en met 2.1.3 geen doel zouden treffen, terwijl dat wel geldt voor onderdeel 1 van ABN AMRO, zou dit niet ten nadele van [verweerster] mogen strekken, zo betoogt zij in het kader van subonderdeel 2.1.4. Er heerst op dit moment onduidelijkheid over het aanvangstijdstip van de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW. Indien Uw Raad zou oordelen dat opzegging tegen het einde van de maand als bedoeld in art. 7:672 lid 1 BW betekent dat de termijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW verstrijkt drie maanden na de laatste dag van de maand, dan mag dit niet alsnog tot niet-ontvankelijkheid van [verweerster] leiden. Zoals ook in de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor de beschikking van Uw Raad van 1 september 2017 wordt betoogd, dient voor de rechtsmiddelentermijnen de grootst mogelijke duidelijkheid te bestaan. Dit geldt des te meer in het arbeidsrecht. Van een gebrek aan duidelijkheid kan en mag een werknemer niet het slachtoffer worden, aldus [verweerster] .</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Ook de klacht van subonderdeel 2.1.4 faalt. Er is geen onduidelijkheid/rechtsonzekerheid over het aanvangstijdstip van de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW. Het geschil ziet op de uitleg van het woord ‘per’ in de opzeggingsbrief van ABN AMRO in deze zaak. Nu is gebleken dat het eigenlijk duidelijk was dat de overeenkomst eind februari eindigde (tegen het einde van de maand, zoals normaal), is er geen reden om die uitkomst niet tegenover [verweerster] te laten gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Nu alle door [verweerster] aangedragen klachten falen, dient het incidenteel cassatieberoep te worden verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Slotsom in het principaal en incidenteel cassatieberoep 6.1 Het komt mij voor dat Uw Raad – bij het slagen van onderdeel 1 van het principaal cassatiemiddel en het falen van het incidenteel cassatieberoep – de zaak op de voet van art. 420 Rv zelf kan afdoen en [verweerster] niet-ontvankelijk kan verklaren in haar verzoek tot toekenning van een transitievergoeding. Strikt genomen komt Uw Raad dan niet meer toe aan beoordeling van onderdelen 2 en 3 van het principaal cassatiemiddel. Dat neemt niet weg dat ook in dat geval het lot van de tussenbeschikking dat van de eindbeschikking bepaalt, zodat beide bestreden beschikkingen zullen moeten worden vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Conclusie De conclusie in het principaal cassatieberoep strekt tot vernietiging van de beschikkingen van het hof van 29 april 2019 en van 22 juli 2019 en tot niet-ontvankelijkverklaring door Uw Raad op de voet van art. 420 Rv van [verweerster] in haar verzoek tot toekenning van een transitievergoeding. De conclusie in het voorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatieberoep strekt tot verwerping.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G In de inmiddels afgedane zaak onder nummer 19/00498 was ook de vraag of premievrije voortzetting van de pensioenopbouw vanaf het derde ziektejaar in de collectieve arbeidsovereenkomst van ABN AMRO 1 januari 2016 - 1 januari 2018 als een gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b (oud) BW kan worden aangemerkt. In deze zaak had het hof deze vraag bevestigend beantwoord en op die basis het verzoek van werkneemster tot toekenning van een transitievergoeding afgewezen. Bij beschikking van 20 maart 2020 heeft Uw Raad het hiertegen gerichte cassatieberoep van werkneemster met toepassing van art. 81 RO verworpen (ECLI:NL:HR:2020:480, RvdW 2020/410). Ik voeg steeds (oud) toe, omdat de tekst van art. 7:673b BW per 1 januari 2020 is aangepast (hierna randnummers 3.46 e.v.). Zowel in de zojuist genoemde zaak als in de onderhavige zaak staat de oude tekst centraal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze feitenweergave is ontleend aan de in cassatie niet bestreden rov. 3.1-3.7 van de overigens wel bestreden tussenbeschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 29 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4308, JAR 2019/164.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkorte weergave van het verzoek in eerste aanleg van [verweerster] en van de grondslag daarvan (randnummer 2.1 van deze conclusie) is ontleend aan rov. 1.1. en 3.1. van de beschikking van de kantonrechter van 24 juli 2018 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). De verkorte weergave van het verweer van ABN AMRO (randnummer 2.2 van deze conclusie) is ontleend aan rov. 3.2. van dezelfde beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weergave van de grieven van [verweerster] in hoger beroep (randnummer 3.4 van deze conclusie) is grotendeels gebaseerd op rov. 5.2 en 5.6 (beroepsgrond I) en rov. 5.11 (beroepsgrond II) van de tussenbeschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 29 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4308, JAR 2019/164.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop (ING Bank Personeel BV).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop, rov. 4.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening uit de suppletieregeling bestaat in het geval van [verweerster] enkel uit de premievrije pensioenopbouw. Vanwege de hoogte van de WIA-uitkering kwam [verweerster] niet in aanmerking voor de aanvulling op de WIA die ook onderdeel vormt van de suppletieregeling (zie voor de weergave van de suppletieregeling door het hof, randnummer 2.17 van deze conclusie). Hierover bestaat tussen partijen geen geschil, zie de akte van ABN AMRO in hoger beroep van 27 mei 2019, randnummer 2., en de akte van [verweerster] in hoger beroep van 24 juni 2019, randnummer 8. Daarom heeft het hof in zijn eindbeschikking enkel stilgestaan bij de vraag of de pensioenvoorziening uit de suppletieregeling als een met de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b (oud) BW moet worden aangemerkt (randnummers 2.20-2.22 van deze conclusie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2020 drastisch gewijzigd. Zie daarover nader randnummers 3.46 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het voor invoering van de WWZ geldende regime onder meer M. van Eck, ‘Verjarings- en vervaltermijnen in het arbeidsovereenkomstenrecht’, ArbeidsRecht 2000/22, p. 6-14, M. van Eck, ‘Verjarings- en vervaltermijnen in het arbeidsovereenkomstenrecht (2)’, ArbeidsRecht 2000/36, p. 7-11 en M. van Eck, ‘Verjarings- en vervaltermijnen in het arbeidsovereenkomstenrecht: een updating’, ArbeidsRecht 2003/15, p. 17-22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtsvorderingen die niet onder de vervaltermijnenregeling van art. 7:686a lid 4 BW vallen, worden beheerst door de algemene verjaringsregeling (art. 3:307 e.v. BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer R. Bree, ‘Verjarings- en vervaltermijnen in het arbeidsovereenkomstenrecht (5): Onder de Wwz’, ArbeidsRecht 2019/39, afl. 10, p. 8 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor voorbeelden in de feitenrechtspraak S.F. Sagel en M.B. Kerkhof, in F.J.L. Pennings en L.C.J. Sprengers (red.), Ontslagrecht in hoofdlijnen, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 154-155.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvankelijk noemde de tekst ook (verzoeken op basis van) art. 7:673a en 7:673d BW, maar deze bepalingen zijn met de invoering van de Wet Arbeidsmarkt in Balans per 1 januari 2020 komen te vervallen, Stb. 2019/219 (zie over deze wet randnummer 3.25). De eerstgenoemde bepaling voorzag in een (tijdelijk) hogere transitievergoeding voor werknemers van 50 jaar of ouder met een uitzonderingsregeling voor ‘kleine’ ondernemingen (ondernemingen met minder dan 25 werknemers). Art. 7:673d BW voorzag in een overbruggingsregeling voor ‘kleine’ ondernemingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld J.M. Slooten, in L.G. Verburg e.a. (red.), Wetsvoorstel Wet werk en zekerheid (33818), Deventer: Kluwer 2014, p. 176-177, SDU Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Den Haag: Sdu 2020, art. 7:686a BW (W.J.J. Wetzels en P.G. Vestering), C.7 en G.C. Boot, Arbeidsprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzamelwet SZW 2019 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/id874b63c2d5ce4790bad04e80eb771e3e), Stb. 2018/424. Zie nader SDU Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Den Haag: Sdu 2020, art. 7:686a BW (W.J.J. Wetzels en P.G. Vestering), C.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband bijvoorbeeld Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nrs. 380a en 436, SDU Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Den Haag: Sdu 2020, art. 7:686a BW (W.J.J. Wetzels en P.G. Vestering), C.4 en S.F. Sagel en M.B. Kerkhof, in F.J.L. Pennings en L.C.J. Sprengers (red.), Ontslagrecht in hoofdlijnen, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 154 die verwijzen naar de rechtspraak van Uw Raad over de overschrijding van de vervaltermijn in art. 9 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband F.G. Laagland, in F.J.L. Pennings en L.C.J. Sprengers (red.), Ontslagrecht in hoofdlijnen, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld C. Spierings, De eenzijdige rechtshandeling, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 40 en verder onder meer Asser Bijzondere overeenkomsten/G.J.J. Heerma van Voss, Deel V. Arbeidsovereenkomst, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 344, W.H.A.C.M. Bouwens, R.A.A. Duk en D.M.A. Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 423 en G.J.J. Heerma van Voss en B. Barentsen, Inleiding Nederlands sociaal recht, Den Haag: Bju 2019, p. 144.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. C.J.H. Brunner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband bijvoorbeeld C.E. Drion, ‘De historie van Haviltex’, NJB 2016, p. 1961, C. Spierings, De eenzijdige rechtshandeling, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 430, W.L. Valk, in H.N. Schelhaas en W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, preadvies Nederlandse Vereniging voor Burgerlijk Recht, Zutphen: Paris 2016, p. 18 en G.R.G. Driessen, ‘Eenzijdig gerichte rechtshandeling of overeenkomst? Dat verdient uitleg!’, Contracteren 2018/3, p. 87.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie C.E. Drion, ‘De historie van Haviltex’, NJB 2016, p. 1961.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Spierings, De eenzijdige rechtshandeling, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 430.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.L. Valk, in H.N. Schelhaas en W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, preadvies Nederlandse Vereniging voor Burgerlijk Recht 2016, Zutphen: Paris 2016, p. 18. Zie ook Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, nr. 104 waar weliswaar wordt toegelicht dat niet altijd scherp onderscheid kan worden gemaakt tussen een overeenkomst en een eenzijdige gerichte rechtshandeling zodat het wenselijk is om zo veel mogelijk dezelfde regels inzake de totstandkoming en uitleg toe te passen, maar ook wordt onderkend dat uniforme behandeling van rechtshandelingen niet altijd mogelijk en wenselijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook T.H.M. van Wechem en J.G.J. Rinkes, ‘Kroniek van het vermogensrecht’, NJB 2017, p. 990 die naar aanleiding van HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315, RvdW 2017/309 (Parkking c.s./mr. Alberts q.q.) suggereren dat het bij de wilsvertrouwensleer enkel om het (geobjectiveerd subjectieve) vertrouwen van de ontvangende partij gaat, terwijl het bij Haviltex juist om een ‘wederkerig’ vertrouwen gaat. Zij spreken in dit verband van een ‘dubbel empathisch moment’ (het gaat om wat partijen over en weer mochten verwachten) versus een ‘enkelzijdig empathisch moment’ (de vraag is hoe de wederpartij de verklaring (de brief in dit geval) mocht begrijpen).</p>\n<p class=\"lf-p\">In die context zou een bepaalde tekst voor de ontvanger aanleiding kunnen zijn te informeren naar de bedoeling van de afzender. Het lijkt mij onnodig om, zoals Valk betoogt (hiervoor randnummer 3.14) daarbij te denken in termen van (bescherming van) het vertrouwen dat de afzender mocht hebben omtrent hetgeen de ontvanger in de gegeven omstandigheden als zijn bedoeling zou begrijpen. Het is wat mij betreft de context sec die aanleiding geeft voor twijfel bij de ontvanger. En wie twijfelt, moet in actie komen. Doet hij dat niet, dan wordt hij in het kader van de wilsvertrouwensleer niet beschermd. C.E. Drion, ‘De historie van Haviltex’, NJB 2016, p. 1961 gaat er juist vanuit dat andere verklaringen en gedragingen (die de context dus mede bepalen) bij eenzijdige rechtshandelingen veelal ontbreken, reden waarom ‘Haviltexen’ geen zin zou hebben. Zeker wanneer de eenzijdige rechtshandeling is ‘ingebed’ in een bestaande contractuele rechtsverhouding tussen partijen ligt dat volgens mij vaak toch anders; er is dan vaak toch meer ‘uitlegmateriaal’ dan enkel de verklaring houdende de eenzijdige rechtshandeling (in ons geval de opzeggingsverklaring).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier is de vraag of het voor uitleg van een eenzijdige gerichte rechtshandeling uitmaakt of de wilsvertrouwensleer wordt toegepast of de op die leer geïnspireerde voor de uitleg van overeenkomsten ontwikkelde Haviltex-maatstaf. De vraag is niet of het gegeven dat van een eenzijdige rechtshandeling sprake is en niet van een overeenkomst, relevant is. Bij diverse leerstukken is het onderscheid tussen een eenzijdige rechtshandeling en een overeenkomst natuurlijk van belang. Zie in dit verband G.R.G. Driessen, ‘Eenzijdig gerichte rechtshandeling of overeenkomst? Dat verdient uitleg!’, Contracteren 2018/3, p. 90 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315, RvdW 2017/309 (Parkking c.s./Alberts q.q.), rov. 3.3.1 en 3.3.2 in verband met de vraag of in een brief een beroep wordt gedaan op een ontbindende voorwaarde. Hoewel in dit arrest geen ‘over en weer’-element zit, komt op het punt van de taalkundige betekenis van de bewoordingen wel een ‘Haviltex-achtige’ formulering voor. Zie T.H.M. van Wechem en J.G.J. Rinkes, ‘Kroniek van het vermogensrecht’, NJB 2017, p. 990 en G.R.G. Driessen, ‘Eenzijdig gerichte rechtshandeling of overeenkomst? Dat verdient uitleg!’, Contracteren 2018/3, p. 90. Ook de rechtspraak met betrekking tot de vraag of een schrijven als schriftelijke mededeling in de zin van art. 3:317 BW kan worden aangemerkt, staat in de sleutel van de wilsvertrouwensleer, niet in die van de Haviltex-maatstaf, ook niet in gevallen waarin het stuitingsvraagstuk tussen contractspartijen aan de orde is. Zie recentelijk HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, RvdW 2020/925, rov. 3.2.3 en overigens HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:111, NJ 2018/462 m.nt. J.L. Smeehuijzen en JIN 2018/56 m.nt. E.J.H. Zandbergen en J.M. Kuipers (Gemeente Groningen), rov. 3.4.1-3.4.3 voor een geval waarin de onderliggende contractuele verhouding tussen partijen wel kleur gaf aan de context die in het kader van art. 3:317 BW moest worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo bijvoorbeeld in HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9243, NJ 2012/686 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai en JOR 2013/10 m.nt. A. Knigge ([…] / […]), rov. 4.2 in verband met de vraag of een volmacht was verleend en zo ja, met welke inhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zou het bij de uitleg van een eenzijdige rechtshandeling (zoals hier een opzegging) werkelijk anders uitpakken wanneer niet het regime van art. 3:33 en 3:35 BW wordt toegepast maar in plaats daarvan de Haviltex-maatstaf zou worden aangelegd? Dat lijkt mij moeilijk voorstelbaar. Zie in vergelijkbare zin de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2018:164) voor HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:819, NJ 2018/261, JIN 2018/132 m.nt. A.M. Dumoulin-Siemens en Ondernemingsrecht 2019/29 m.nt. Chr.M. Stokkermans, randnummer 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:GHAMS:2018:4183, PJ 2019/11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna komt nog aan de orde dat deze bepaling met de inwerkingtreding van de Wet compensatie transitievergoeding op 1 januari 2020 (met uitzondering van enkele andere bepalingen, zoals de compensatieregeling, die pas op 1 april 2020 in werking zijn getreden, Stb. 2018/234 en Stb. 2019/76) is aangepast; het vereiste van ‘gelijkwaardige voorziening’ is daarbij komen te vervallen. Zie daarover nader randnummers 3.46 e.v. Op de onderhavige zaak is de regeling van de gelijkwaardige voorziening in art. 7:673b (oud) BW gelet op het overgangsrecht nog wel van toepassing (art. VI van de Wet compensatie transitievergoeding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook deze bepaling is inmiddels gewijzigd. Op grond van het nieuwe art. 7:673 lid 1 BW – zoals dat sinds de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans (hierna randnummer 3.25) op 1 januari 2020 luidt – heeft iedere werknemer kort gezegd, anders dan voorheen ongeacht de duur van de arbeidsovereenkomst, recht op een transitievergoeding wanneer de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever wordt beëindigd. Zie over deze nieuwe regeling P. Kruit en A.M. Wevers, Wet arbeidsmarkt in balans. Een korte introductie, Den Haag: Bju 2020, p. 73-76 en SDU Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Den Haag: Sdu 2020, art. 7:673 BW (P. Kruit), C.1. Deze nieuwe regeling is op de onderhavige zaak niet van toepassing, omdat de opzeggingsbrief in deze zaak dateert van 9 november 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het aan het ‘overgangsrecht transitievergoeding’ gewijde art. XII Wab is de nieuwe regeling, kort gezegd, van toepassing op opzeggingen en ontbindingsverzoeken die na 1 januari 2020 hebben plaatsgevonden. Vóór 1 januari 2020 – en dus ook voor de onderhavige zaak – geldt de oude regeling van art. 7:673 BW waarvan het eerste lid bepaalt dat een werknemer wiens dienstverband na ten minste 24 maanden op initiatief van de werkgever wordt beëindigd (dus is opgezegd of ontbonden) als regel recht heeft op een transitievergoeding. Zie hierover nader Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 5 (memorie van toelichting). Daarom heb ik in deze conclusie ook steeds achter art. 7:673 BW tussen haakjes ‘oud’ geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever is ook een transitievergoeding verschuldigd wanneer de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever wordt opgezegd door de werknemer of op diens verzoek wordt ontbonden (art. 7:673 lid 1 onder b BW). Onder het regime van art. 7:673 (oud) BW moest het dienstverband ook dan minimaal 24 maanden hebben geduurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit art. 7:673 lid 1 onder a (oud) BW blijkt dat een transitievergoeding niet alleen aan de orde is bij een opzegging door de werkgever, maar ook bij een ontbinding op zijn verzoek en in het geval een tijdelijke arbeidsovereenkomst op zijn initiatief niet wordt verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 34, 38 en 80 (memorie van toelichting), Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 7, p. 69 (nota naar aanleiding van het verslag) en Kamerstukken I 2013/14, 33 818, C, p. 10-11 (memorie van antwoord).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie recentelijk nog HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286, RvdW 2020/928, JAR 2020/200 (Nayak Aircraft Service), rov. 3.3.6 en eerder al HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:651, NJ 2019/69 m.nt. B. Barentsen, TRA 2018/60 m.nt. M.D. Ruizeveld, JIN 2018/124 m.nt. S.I. Evers en JAR 2018/129 m.nt. E.L.J. Bruyninckx (Stichting Diakonessenhuis), rov. 3.3.6 en HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop (ING Bank Personeel BV), rov. 4.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2013/14, 33 818, C, p. 96 (memorie van antwoord). Zie over dit uitgangspunt bijvoorbeeld ook A.R. Houweling (red.), J.H. Even, G.W. van der Voet, E. van Vliet, J.P. Quist en L.C.J. Sprengers, Loonstra &amp; Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, Den Haag: Bju 2020, p. 127.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 7, p. 70 (nota naar aanleiding van het verslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845, NJ 2018/401 en JAR 2018/275 m.nt. H.H.M.A. Foesenek (Stichting Katholieke Scholengroep), rov. 3.4.3, HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop (ING Bank Personeel BV), rov. 4.3.2 en ook HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734, NJ 2020/135 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/1182 m.nt. A.R. Houweling, JAR 2019/312 m.nt. M.L.G. Otto en TRA 2020/5 m.nt. D.J. Buijs (Xella), rov. 2.7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2013-2014, 33 818, C, p. 96 (memorie van antwoord).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stbl. 2019/219. Zie over het overgangsrecht P. Kruit en A.M. Wevers, Wet arbeidsmarkt in balans. Een korte introductie, Den Haag: Bju 2020, p. 77.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018-2019, 35 074, nr. 3, p. 52 en p. 60-61 (memorie van toelichting). Daarbij geldt wel dat de opbouw van de transitievergoeding voor de jaren dat de arbeidsovereenkomst langer dan 10 jaar heeft geduurd, verlaagd is. Zie Kamerstukken II 2018-2019, 35 074, nr. 3, p. 52-53 (memorie van toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018-2019, 35 074, nr. 3, p. 61 (memorie van toelichting). Zie over de nieuwe regeling bijvoorbeeld P. Kruit en A.M. Wevers, Wet arbeidsmarkt in balans. Een korte introductie, Den Haag: Bju 2020, p. 73-76 en ook F.J.L. Pennings, in F.J.L. Pennings en L.C.J. Sprengers (red.), Ontslagrecht in hoofdlijnen, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 99-100.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018-2019, 35 074, nr. 3, p. 60 (memorie van toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 11 juli 2018, Stb. 2018/234. Deze wet is op 1 januari 2020 in werking getreden met uitzondering van enkele bepalingen die pas op 1 april 2020 in werking zijn getreden (Stb. 2019/76).</p>\n<p class=\"lf-p\">De compensatieregeling is op 1 april 2020 in werking getreden (Stb. 2019/76). In aansluiting op de wet is ook de ministeriële regeling compensatie transitievergoeding op 1 april 2020 in werking getreden (Stcrt. 2019/10547). Zie over de compensatieregeling W.H.A.C.M. Bouwens, R.A.A. Duk en D.M.A. Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 579-581, A.R. Houweling (red.), J.H. Even, G.W. van der Voet, E. van Vliet, J.P. Quist en L.C.J. Sprengers, Loonstra &amp; Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, Den Haag: Bju 2020, p. 129 e.v., F.J.L. Pennings, in F.J.L. Pennings en L.C.J. Sprengers (red.), Ontslagrecht in hoofdlijnen, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 118-120 en A.R. Houweling (red.), J.H. Even, J.P. Quist, L.J.C. Sprengers, E. van Vliet en G.W. van der Voet, Hoofdstukken ontslagrecht, Den Haag: Bju 2020, p. 117-125.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734, NJ 2020/135 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/1182 m.nt. A.R. Houweling, JAR 2019/312 m.nt. M.L.G. Otto en TRA 2020/5 m.nt. D.J. Buijs (Xella).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband onder meer W.H.A.C.M. Bouwens, R.A.A. Duk en D.M.A. Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 579 en A.R. Houweling (red.), J.H. Even, G.W. van der Voet, E. van Vliet, J.P. Quist en L.C.J. Sprengers, Loonstra &amp; Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, Den Haag: Bju 2020, p. 127-129 en nadrukkelijk ook HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734, NJ 2020/135 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/1182 m.nt. A.R. Houweling, JAR 2019/312 m.nt. M.L.G. Otto en TRA 2020/5 m.nt. D.J. Buijs (Xella), rov. 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze compensatie vindt plaats door het UWV vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds en wordt bekostigd door een verhoging van de (uniforme) premie. Zie Kamerstukken II 2016-2017, 34 699, nr. 3, p. 4 (memorie van toelichting). Zie ook HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734, NJ 2020/135 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/1182 m.nt. A.R. Houweling, JAR 2019/312 m.nt. M.L.G. Otto en TRA 2020/5 m.nt. D.J. Buijs (Xella), rov. 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016-2017, 34 699, nr. 3, p. 2-3 (memorie van toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016-2017, 34 699, nr. 3, p. 4 (memorie van toelichting). Zie onder meer W.H.A.C.M. Bouwens, R.A.A. Duk en D.M.A. Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 579 en ook HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734, NJ 2020/135 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/1182 m.nt. A.R. Houweling, JAR 2019/312 m.nt. M.L.G. Otto en TRA 2020/5 m.nt. D.J. Buijs (Xella), rov. 2.5 en 2.7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer N. Jansen, ‘De gelijkwaardige voorziening: geen gezeik iedereen rijk?’, Tijdschrift voor Ontslagrecht 2017/3, p. 151 e.v., A. van Zanten-Baris, ‘Van gelijkwaardige voorziening naar alternatieve voorziening: ruimte voor cao-partijen’, TRA 2018/86, p. 19, de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2019:128, randnummer 3.2) voor HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop (ING Bank Personeel BV) en de noot van J.H. Even bij ING Bank Personeel BV in AR-Updates 2019/0359, randnummer 3. Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:1463) voor HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:480, RvdW 2020/410 (art. 81 RO), randnummer 3.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze uitspraak J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase en S.F.H. Jellinghaus, Individueel arbeidsrecht. Deel 3. Ontslagrecht, Zutphen: Uitgeverij Paris 2020, p. 436-437, A.R. Houweling (red.), J.H. Even, J.P. Quist, L.J.C. Sprengers, E. van Vliet en G.W. van der Voet, Hoofdstukken ontslagrecht, Den Haag: Bju 2020, p.114 en P. Kruit, ‘Het oude 673b-criterium: de gelijkwaardige voorziening’, in S.S.M. Peters (red.), Arbeidsovereenkomst, Deventer: Wolters Kluwer 2020, aant. 1.5 (losbladig en online).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik laat de onduidelijkheden en knelpunten genoemd onder b. en f. in dit algemene gedeelte onbesproken, omdat zij (zoals zal blijken bij de klachtenbehandeling (randnummers 4.31 e.v.) niet de kern van deze zaak betreffen en voor de oplossing van deze zaak evenmin van belang zijn. De onder b. en f. komen punten wel kort ter sprake bij de behandeling van respectievelijk de onderdelen 2 en 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 42 (memorie van toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop. In de door Uw Raad aangehaalde nota naar aanleiding van het verslag is herhaald dat art. 7:673b (oud) BW beoogt sociale partners de vrijheid te geven om regelingen te treffen ter bevordering van transitie van werk naar werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband G.R. Oldenhuis, ‘Transitiefunctie in het arbeidsrecht en werkloosheidsrecht’, TRA 2019/45, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het standpunt dat op collectief niveau zou moeten worden getoetst met name M. Bonsen-Lemmers en N. Cancian-van Ballegooijen, ‘Gelijkwaardigheid. Feit of fictie? De eigenaardige gelijkwaardige voorziening ex art. 7:673b BW’, TAP 2016/173, afl. 4, p. 16 en C.J. Loonstra en W.A. Zondag, in A.R. Houweling (red.), G.W. van der Voet, J.H. Even, E. van der Vliet, J.P. Quist en L.C.J. Sprengers, Loonstra &amp; Zondag, Arbeidsrechtelijke themata deel II, Den Haag: Bju 2018, p. 112-113, alwaar een toetsing op collectief niveau wordt bepleit, omdat de individuele benadering sociale partners zou beperken in het maken van afspraken in het kader van art. 7:673b BW. Anderen leiden uit de wetsgeschiedenis en de feitenrechtspraak af dat de gelijkwaardigheid van een voorziening op individuele basis zou moeten worden beoordeeld. Zie bijvoorbeeld J.M. Slooten, I. Zaal en J.P.H. Zwemmer, Handboek Nieuw Ontslagrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 226-227, N. Jansen, ‘De gelijkwaardige voorziening: geen gezeik iedereen rijk?’, Tijdschrift voor Ontslagrecht 2017/3, p. 151 en A. van Zanten-Baris, ‘Van gelijkwaardige voorziening naar alternatieve voorziening: ruimte voor cao-partijen’, TRA 2018/86, p.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015-2016, 34 351, nr. 18, p. 13 (brief van de minister van sociale zaken en werkgelegenheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013-2014, 33 988, nr. 6, p. 47 (nota van wijziging).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk Kamerstukken II 2013-2014, 33 988, nr. 3, p. 12 (memorie van toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn eindbeschikking heeft het hof eerst de zinsnede ‘volgens de cao wegens die beëindiging’ in de door hem geciteerde uit rov. 4.3.6 uit HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop (ING Bank Personeel BV)) onderstreept en vervolgens is het in rov. 2.6 tot de conclusie gekomen dat nu de cao-voorziening gekoppeld is aan de arbeidsongeschiktheid van de werknemer en deze niet getroffen is voor het geval het dienstverband wordt beëindigd, van een gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b (oud) BW geen sprake is (zie hiervoor ook randnummers 2.18 en 2.20). In cassatie is nu de vraag of deze uitleg van het hof klopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop. In zijn JAR-noot bij deze uitspraak noemt Dop dit uitgangspunt van Uw Raad juist (JAR 2019/114, p. 1231). In zijn noot bij de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11290, JAR 2018/31, p. 283 (NN Insurance Personeel BV) heeft J. Dop, zij het zonder toelichting, gesteld dat het feit dat de voorziening niet gericht hoeft te zijn op een bepaald doel, niet betekent dat de voorziening niet meer hoeft te zijn getroffen voor het geval van beëindiging van het dienstverband van de werknemer. J.H. Even omarmt, zo blijkt uit zijn AR-Updates-noot, de uitspraak van Uw Raad als zodanig (hij ziet de uitspraak als een ‘cadeautje’), maar voegt daaraan meteen aan toe dat maar kort kan worden geprofiteerd van de geboden duidelijkheid gelet op de (op dat moment nog aanstaande) wijziging van art.7:673b BW (AR-Updates 2019/0359, randnummer 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">In haar conclusie (ECLI:NL:HR:2019:128) voor HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop (ING Bank Personeel BV) zit A-G De Bock op een ander spoor. Zij betoogt dat een voorziening als bedoeld in art. 7:673b (oud) BW gekoppeld moet zijn aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat van gelijkwaardigheid van de voorziening enkel sprake is wanneer zij aan beide functies van de transitievergoeding beantwoordt (randnummers 3.33, 3.36, 3.63, 3.64 en 3.68). Uw Raad heeft juist op dit laatste punt echter anders geoordeeld; dat is geen voorwaarde (rov. 4.3.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2020:480, RvdW 2020/410.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:PHR:2019:1463, randnummers 3.51-3.56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2018/234.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 2019/76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover onder meer F.J.L. Pennings, in F.J.L. Pennings en L.C.J. Sprengers (red.),, Ontslagrecht in hoofdlijnen, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 120-122 en A.R. Houweling (red.), J.H. Even, J.P. Quist, L.J.C. Sprengers, E. van Vliet en G.W. van der Voet, Hoofdstukken ontslagrecht, Den Haag: Bju 2020, p. 114-117, J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase en S.F.H. Jellinghaus, Individueel arbeidsrecht. Deel 3. Ontslagrecht, Zutphen: Uitgeverij Paris 2020, p. 437-439 en W.H.A.C.M. Bouwens, R.A.A. Duk en D.M.A. Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 589-590.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband Kamerstukken II 2016-2017, 34 699, nr. 3, p. 9-10 (memorie van toelichting) en Kamerstukken II 2017-2018, 34 699, nr. 6, p. 13-14 (nota naar aanleiding van het verslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband A. van Zanten-Baris, ‘Van gelijkwaardige voorziening naar alternatieve voorziening: ruimte voor cao-partijen’, TRA 2018/86, p. 21-22. Dat de eis van gelijkwaardigheid zou worden losgelaten, had minister Asscher al aangekondigd in het kader van de evaluatie van de WWZ. Zie Kamerstukken II 2015-2016, 34 351, nr. 18, p. 13 (brief van de minister van sociale zaken en werkgelegenheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016-2017, 34 699, nr. 3, p. 9 (memorie van toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016-2017, 34 699, nr. 3, p. 10-11 (memorie van toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">De g-grond ziet, kort gezegd, op een verstoorde arbeidsverhouding. Verwijtbaarheid is hier niet van belang. Daarmee onderscheidt de g-grond zich van de persoonsgebonden gronden. Zie daarover J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase en S.F.H. Jellinghaus, Individueel arbeidsrecht. Deel 3. Ontslagrecht, Zutphen: Uitgeverij Paris 2020, p. 103-108. De h-grond wordt wel eens als restgrond aangeduid, maar dat is niet de bedoeling. Deze grond ziet op hele specifieke gevallen. Zie onder meer J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase en S.F.H. Jellinghaus, Individueel arbeidsrecht. Deel 3. Ontslagrecht, Zutphen: Uitgeverij Paris 2020, p. 108-111 en D.M. van Genderen, P.S. Fluit, M.E. Stefels en D.J.B. de Wolff, Arbeidsrecht in de praktijk, Den Haag: Sdu 2018, p. 282-283.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wab heeft daaraan nog een i-grond (combinatie-grond) toegevoegd die ontslag mogelijk maakt bij een ‘voldragen’ combinatie van als zodanig niet voldragen c- tot en met h-gronden (exclusief de f-grond (weigeren arbeid te verrichten wegens gewetensbezwaar); dat de f-grond is uitgezonderd gaat terug op de Verzamelwet SZW 2020, Stb. 2019/483, die (enkele bepalingen daargelaten) eveneens op 1 januari 2020 in werking is getreden, Stb. 2019/484). Zie daarover nader A.R. Houweling (red.), J.H. Even, G.W. van der Voet, E. van Vliet, J.P. Quist en L.C.J. Sprengers, Loonstra &amp; Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, Den Haag: Bju 2020, p. 36, W.H.A.C.M. Bouwens, R.A.A. Duk en D.M.A. Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 505-507 en F.J.L.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pennings en L.J.C. Sprengers, in F.J.L. Pennings en L.C.J. Sprengers (red.), Ontslagrecht in hoofdlijnen, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 277-278.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:1463) voor HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:480, RvdW 2020/410 (art. 81 RO), randnummers 3.42-3.44. Zie over art. 7:673 lid 6 BW nog A.R. Houweling (red.), J.H. Even, G.W. van der Voet, E. van Vliet, J.P. Quist en L.C.J. Sprengers, Loonstra &amp; Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, Den Haag: Bju 2020, p. 112-114, F.J.L. Pennings, in F.J.L. Pennings en L.C.J. Sprengers (red.), Ontslagrecht in hoofdlijnen, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 131-134 en J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase en S.F.H. Jellinghaus, Individueel arbeidsrecht. Deel 3. Ontslagrecht, Zutphen: Uitgeverij Paris 2020, p. 424-431.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband is het hof weliswaar niet toegekomen aan beroepsgrond II (die ook gericht was tegen de door de kantonrechter uitgesproken niet-ontvankelijkheid) (rov. 5.11 uit de tussenbeschikking, hiervoor randnummer 2.12), maar bij het slagen van onderdeel 1 kan ook deze beroepsgrond [verweerster] geen heil brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij verwijst ABN AMRO naar HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2305, NJ 2019/47, JAR 2019/17 m.nt. A. Zanten-Baris, TRA 2019/30 m.nt. M.D. Ruizeveld en JIN 2019/59 m.nt. J.C.A. van Ettema (Botobe) en naar Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 37-38 (memorie van toelichting). In de Botobe-uitspraak (rov. 3.5.7) heeft Uw Raad inderdaad aan de parlementaire geschiedenis de conclusie verbonden dat de regeling van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW ertoe strekt de periode van onzekerheid voor partijen zo kort mogelijk te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603, NJ 2013/171 m.nt. E. Verhulp, Ars Aequi 2012, p. 933 e.v. m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, JIN 2012/111 m.nt. A.R. Houweling, JOR 2012/278 m.nt. E. Loesberg, JAR 2012/150 m.nt. R.M. Beltzer en AR-Updates.nl 2012-0470 m.nt. G.W. van der Voet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen hebben dat allebei gesteld. Daartoe verwijst ABN AMRO in haar verzoekschrift tot cassatie (randnummer 6.) naar haar verweerschrift in hoger beroep, randnummer 13., naar het beroepschrift van [verweerster] , randnummers 13. en 14. en overigens naar rov. 5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, randnummer 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603, NJ 2013/171 m.nt. E. Verhulp, Ars Aequi 2012, p. 933 e.v. m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, JIN 2012/111 m.nt. A.R. Houweling, JOR 2012/278 m.nt. E. Loesberg, JAR 2012/150 m.nt. R.M. Beltzer en AR-Updates.nl 2012-0470 m.nt. G.W. van der Voet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, randnummer 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2225, NJ 2017/337, JBPR 2017/64 m.nt. G.C.C. Lewin en JIN 2017/163 m.nt. P.B.J. van den Oord en K.M. de Groes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, randnummer 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, randnummer 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in dit verband verwezen naar HR 20 maart 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5006, NJ 1970/250 m.nt. G.J. Scholten (Marges/Stichting Jeugdhuis Enschede) waaraan een conclusie van A-G Berger (ECLI:NL:PHR:1970:AC5006) voorafging en HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2027, NJ 2005/285 en JAR 2005/118 m.nt. E. Verhulp (Brood/Emi Compact Disc (Holland) BV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij heeft ABN AMRO verwezen naar haar verweerschrift in hoger beroep, randnummer 16. en naar haar verweerschrift in eerste aanleg, randnummers 7. en 8. Daarin heeft ABN AMRO behalve op de al eerder genoemde uitspraken inzake […] /Taxicentrale […] en de berekening van de appeltermijn van 1 september 2017 een beroep gedaan op Rb. Midden-Nederland 31 maart 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1803, JAR 2016/101 m.nt. N.T. Dempsey en Rb. Rotterdam 8 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1752.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603, NJ 2013/171 m.nt. E. Verhulp, Ars Aequi 2012, p. 933 e.v. m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, JIN 2012/111 m.nt. A.R. Houweling, JOR 2012/278 m.nt. E. Loesberg, JAR 2012/150 m.nt. R.M. Beltzer en AR-Updates.nl 2012-0470 m.nt. G.W. van der Voet.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2225, NJ 2017/337, JBPR 2017/64 m.nt. G.C.C. Lewin en JIN 2017/163 m.nt. P.B.J. van den Oord en K.M. de Groes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze verwijzing is gekoppeld aan de in acht te nemen opzegtermijn, maakt dat niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin ook de redactionele noot (‘NB’) bij de bestreden beschikking, JAR 2019/164.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 maart 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5006, NJ 1970/250 m.nt. G.J. Scholten (Marges/Stichting Jeugdhuis Enschede).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2027, NJ 2005/285 en JAR 2005/118 m.nt. E. Verhulp (Brood/Emi Compact Disc (Holland) BV).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2225, NJ 2017/337, JBPR 2017/64 m.nt. G.C.C. Lewin en JIN 2017/163 m.nt. P.B.J. van den Oord en K.M. de Groes.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603, NJ 2013/171 m.nt. E. Verhulp, Ars Aequi 2012, p. 933 e.v. m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, JIN 2012/111 m.nt. A.R. Houweling, JOR 2012/278 m.nt. E. Loesberg, JAR 2012/150 m.nt. R.M. Beltzer en AR-Updates.nl 2012-0470 m.nt. G.W. van der Voet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 8 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1752.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland 31 maart 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1803, JAR 2016/101 m.nt. N.T. Dempsey.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop wijst wellicht ook dat N.T. Dempsey in haar noot bij deze uitspraak (JAR 2016/101) op dit oordeel van de kantonrechter niet aanslaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan [verweerster] kan worden toegegeven dat het (inderdaad) duidelijker was geweest wanneer ABN AMRO de datum van 28 februari 2018 (ook) in de opzeggingsbrief had genoemd (zoals het hof in rov. 5.10 weergeeft). Dat iets duidelijker had kunnen gebeuren, betekent echter nog niet dat het zonder die verduidelijking onduidelijk is. Van dat laatste is hier geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW vervalt de bevoegdheid een verzoekschrift in te dienen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (28 februari in ons geval). Drie maanden te rekenen vanaf die dag levert (net als bij de rechtsmiddelentermijn) 28 mei op. Aan het einde van die dag is de termijn verstreken en heeft de werknemer drie volle maanden de gelegenheid gehad een verzoekschrift in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013-2014, 33 988, nr. 6, p. 47 (nota van wijziging) en Kamerstukken II 2013-2014, 33 988, nr. 3, p. 12 (memorie van toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop, rov. 4.3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop (ING Bank Personeel BV), rov. 4.3.4-4.3.5, waarin Uw Raad verwijst naar Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 7, p. 85 (nota naar aanleiding van verslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, randnummer 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, randnummers 45.-47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze uitkomst (de suppletieregeling is een gelijkwaardige voorziening) redelijk is, zou ook kunnen worden afgeleid uit de feitenrechtspraak die ABN AMRO in voetnoot 3 van haar verzoekschrift tot cassatie heeft genoemd (voor zover ik deze heb kunnen raadplegen althans; niet alle door ABN AMRO genoemde uitspraken zijn gepubliceerd of als bijlage bij eerdere procestukken gevoegd). In deze uitspraken wordt steeds aangenomen dat de suppletieregeling een gelijkwaardige voorziening is in de zin van art. 7:673b (oud) BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop (ING Bank Personeel BV), rov. 4.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een recente toepassing van dit uitgangspunt hof ’s-Hertogenbosch 24 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3890, rov. 3.20.2. e.v. waarin tevens is overwogen dat voor anticipatie op de toen nog aanstaande wijziging van art. 7:673b BW (hiervoor randnummers 3.46 e.v.) geen plaats is (rov. 3.20.6.). Zie ook hof ’s-Hertogenbosch 17 oktober 2019, ECLI:NL:GHSE:2019:3822, rov. 3.8 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop, rov. 4.3.4. Zie hiervoor nader randnummer 3.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij verwijst ABN AMRO naar randnummer 41. van het beroepschrift van [verweerster] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij verwijst ABN AMRO naar randnummer 36. uit haar verweerschrift in hoger beroep en naar randnummer 27. van haar verweerschrift in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11133, PJ 2018/55, rov. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:449, NJ 2020/134 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates 2019/0359 m.nt. J.H. Even en JAR 2019/114 m.nt. J. Dop, rov. 4.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996-1997, 25 263, nr. 3, p. 30 (MvT) en G.C. Boot, Flexibiliteit en zekerheid: wetsgeschiedenis, Utrecht: Opleidingen Sociaal Recht 1998, p. 102-104.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 maart 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5006, NJ 1970/250 m.nt. G.J. Scholten (Marges/Stichting Jeugdhuis Enschede) en HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2027, NJ 2005/285 en JAR 2005/118 m.nt. E. Verhulp (Brood/Emi Compact Disc (Holland) BV). [verweerster] verwijst daarbij naar HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9055, NJ 2006/640, SR 2006/24 m.nt. D.J. Buijs en JAR 2006/14 m.nt. E. Verhulp ([…]/[…]), HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1192, NJ 2016/379 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss, TRA 2015/70 m.nt. D.J. Buijs, JIN 2015/98 m.nt. E.F.V. Boot en J.R. Vos, JAR 2015/131 m.nt. A.M. Helstone, AR-Updates.nl 2015-0419 m.nt. F.M. Dekker (Flextronics Logistics BV/ […]) en HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9069, NJ 2010/97 m.nt. E. Verhulp, TRA 2010/28 m.nt. J.J.M. de Laat en AR-Updates.nl 2009-0929 m.nt. A.R. Houweling ([…] / […]).</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:PHR:2017:419, randnummer 2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2225, NJ 2017/337, JBPR 2017/64 m.nt. G.C.C. Lewin en JIN 2017/163 m.nt. P.B.J. van den Oord en K.M. de Groes.</p></div>", "next": 0}