{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">R.J. Abendroth, ‘Rangwisseling pandrecht door eigenlijke achterstelling’, WPNR 2014/7029, p. 756-762. Zie daarover kritisch: F.E.J. Beekhoven van den Boezem, ‘Reactie’, WPNR 2015/7072, p. 693-697.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.J. Krzeminski, ‘Een afwijkende rangorde van pandrechten’, WPNR 2016/7092, p. 81.</p>\n<p class=\"lf-p\">Faber en Vermunt verwijzen naar Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 811 (T.M.).</p>\n<p class=\"lf-p\">N.E.D. Faber en N.S.G.J. Vermunt, ´Het verleggen van grenzen bij het bepalen van de rangorde van rechten van pand of hypotheek’, in: N.E.D. Faber e.a. (red.), Bancaire zekerheid: liber amicorum mr. J.H.S.G.K. Timmermans, Deventer: Kluwer 2010, p. 168-169.</p>\n<p class=\"lf-p\">N.E.D. Faber en N.S.G.J. Vermunt, ‘Zekerheden en partijautonomie’, in: G.J.L. Bergervoet e.a. (red.), Financiering van de productieketen, Deventer: Kluwer 2019, p. 195.</p>\n<p class=\"lf-p\">N.S.G.J. Vermunt, ‘Enkele knelpunten bij pand, hypotheek en beslag’, in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 10 jaar nieuw Burgerlijk Recht, Deventer: Kluwer 2002, p. 325-326.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/781, onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 3, p. 812 (MvA II).</p>\n<p class=\"lf-p\">F.E.J. Beekhoven van den Boezem, ‘Reactie op “Rangwisseling pandrecht door eigenlijke achterstelling” van mr. R.J. Abendroth in WPNR 2014/7029’, WPNR 2015/7072, p. 696.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.A. Schuijling, Levering en verpanding van toekomstige goederen (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2016, p. 331.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/131a.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.J. Krzeminski, ‘Een afwijkende rangorde van pandrechten’, WPNR 2016/7092, p. 79-80.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AI1600, NJ 1959/548 m.nt. Veegens (Quint/Te Poel).</p>\n<p class=\"lf-p\">C.F.B. Groot Rouwen, ‘Wijziging van de onderlinge rangorde van pandrechten’, MvV 2019/5, p. 179-182.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.H.N. Quist, ‘Verpanding van BV-aandelen, toekomstige aandelen en rangwisseling’, TOP 2016/568. Zie over het aan hypotheek accessoire pandrecht ook W.M. Kleyn, ‘Het aan hypotheek accessoire pandrecht van artikel 3:254 BW en de rangwisseling’, JBN 1998/61 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/358.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 406 (MvA II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Steneker verwijst in dit verband naar art. 3:262 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedachte is dat nu het gaat om een beperking van de rechten van de pandhouder, deze beschikkingsbevoegd dient te zijn (net als bij afstand van een pandrecht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Steneker verwijst in dit verband naar Rb Zutphen (vzr.) 19 oktober 2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BU5839, JOR 2012/61 (Barracuda).</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a), Deventer: Kluwer 2012/16.</p>\n<p class=\"lf-p\">N.E.D. Faber en N.S.G.J. Vermunt, ´Het verleggen van grenzen bij het bepalen van de rangorde van rechten van pand of hypotheek’, in: N.E.D. Faber e.a. (red.), Bancaire zekerheid: liber amicorum mr. J.H.S.G.K. Timmermans, Deventer: Kluwer 2010, p. 168-170.</p>\n<p class=\"lf-p\">N.E.D. Faber en N.S.G.J. Vermunt, ‘Zekerheden en partijautonomie’, in: G.J.L. Bergervoet e.a. (red.), Financiering van de productieketen, Deventer: Kluwer 2019, p. 197.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groot Rouwen verwijst naar Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 309 (T.M.).</p>\n<p class=\"lf-p\">C.F.B. Groot Rouwen, ‘Wijziging van de onderlinge rangorde van pandrechten’, MvV 2019/5, p. 182-183.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.M. de Hoog, De prioriteitsregel in het vermogensrecht (Ars Notariatus, 167), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 172-177.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.G. Gräler, ‘Pandrecht en rangwisseling’, JBN 1993/98.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M.H. Kuhlmann, ‘Pandrecht in de hypotheekpraktijk’, JBN 1998/34.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.S. Veldkamp, ‘Enkele praktische aspecten bij verpanding van aandelen in een bv’, TOP 2009/6, p. 208-209.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb Zutphen 19 oktober 2011 (vzr), ECLI:NL:RBZUT:2011:BU5839, JOR 2012/61 m.nt. B.A. Schuijling (Barracuda).</p>\n<p class=\"lf-p\">B.A. Schuijling, noot onder Rb Zutphen 19 oktober 2011 (vzr), ECLI:NL:RBZUT:2011:BU5839, JOR 2012/61 (Barracuda), par. 2.1-2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb Oost-Brabant 3 oktober 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5173, JOR 2017/337 m.nt. B.I. Kraaipoel (Stagekings).</p>\n<p class=\"lf-p\">B.I. Kraaipoel, noot onder Oost-Brabant 3 oktober 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5173, JOR 2017/337 (Stagekings), par. 9-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">N.E.D. Faber en N.S.G.J. Vermunt, ‘Zekerheden en partijautonomie’, in: G.J.L. Bergervoet e.a. (red.), Financiering van de productieketen, Deventer: Kluwer 2019, p. 195, voetnoot 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze lezing ook Van der Linden van Sprankhuizen in haar annotatie bij het arrest, JOR 2019/213, nr. 4, volgens wie het hof erkent dat pandhouders met goederenrechtelijk effect de onderlinge rangorde van hun pandrechten kunnen bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1091-1092 (MvA II Inv.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting bij het onderdeel verwijst naar MvG, nrs. 41-42, 45, 46, 61, 62-65 en 67-68.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting bij het onderdeel verwijst naar het bewijsaanbod in MvG, nrs. 105-106.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting bij het onderdeel verwijst naar MvG, nrs. 32-34.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting bij het onderdeel verwijst naar MvG, nrs. 35-37, 60, 70-71 en 87-88.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting bij het onderdeel verwijst naar het bewijsaanbod in MvG, nrs. 105-106.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641, NJ 1996/471 m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./CLBN).</p>\n<p class=\"lf-p\">Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/828.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641, NJ 1996/471 m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./CLBN).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens verschillende auteurs moet art. 3:246 lid 3 BW zo worden gelezen dat slechts de hoogst gerangschikte openbaar pandhouder inningsbevoegd is. Zie o.a. E.B. Rank-Berenschot, ‘Reactie’, WPNR 1998/6306, p. 189-190; A. Steneker, ‘Voorrangsvragen bij stil pand op vorderingen’, WPNR 2004/6578, p. 382; A.J. Verdaas, Stil pandrecht op vorderingen op naam, diss. Nijmegen, Deventer: Kluwer 2008, nr. 58; A. Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a), Deventer: Kluwer 2012/54; Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/825 en 828. Anders: R.D. Vriesendorp, ‘Vervangende zekerheid’, WPNR 1997/6294, p. 823 en ‘Naschrift’, WPNR 1998/6306, p. 191.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.J. Snijders &amp; E.B. Rank-Berenschot, Goederenrecht. (Studiereeks burgerlijk recht, 2), Deventer: Wolters Kluwer 2017/547; Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/825.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1340 (MvA II); Asser/Van Mierlo 3 VI 2016/215; W.H.M. Reehuis &amp; A.H.T. Heisterkamp, Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019/829.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J. Verdaas, Stil pandrecht op vorderingen op naam (serie Onderneming en recht, dl. 43), Deventer: Kluwer 2008, p. 45, onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1340-1341.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1341.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a), Deventer: Kluwer 2012/56.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6231, NJ 2000/733 m.nt. W.M. Kleijn ([...] /Rabo).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3023, NJ 2016/48 m.t. F.M.J. Verstijlen (De Lage Landen/Logtestijn q.q.) HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3094, NJ 2016/49 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Ingwersen q.q./ING).</p>\n<p class=\"lf-p\">D.F.H. Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:246 BW, aant. 1.4.2; A. Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a), Deventer: Kluwer 2012/54; H.J. Snijders &amp; E.B. Rank-Berenschot, Goederenrecht (Studiereeks burgerlijk recht, 2), Deventer: Wolters Kluwer 2017/547; Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/825; S. Houdijk &amp; M.S. Breeman, ‘De reikwijdte van (innings)bevoegdheid van de openbaar pandhouder’, FIP 2016/217; O.K. Brahn, Stille verpanding en eigendomsvoorbehoud volgens het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Zwolle: Tjeenk Willink 1991, p. 130.</p>\n<p class=\"lf-p\">O.a. Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/825 jo. 750; B.E. Verburgt, annotatie bij Hof Amsterdam 7 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3413, JOR 2015/314, par. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Steneker, annotatie bij Hof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2955, JOR 2017/212, par. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">O.K. Brahn, a.w., p. 130.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3619, JOR 2016/105 m.nt. N.E.D. Faber en N.S.G.J. Vermunt (ABN AMRO/Marell), rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Steneker, annotatie bij Hof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2955, JOR 2017/212, par. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. het voorbeeld bij A. Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a), Deventer: Kluwer 2012/54.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.A. Schuijling, annotatie bij Rb Oost-Brabant 12 oktober 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5618, JOR 2017/268, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Steneker, annotatie bij Hof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2955, JOR 2017/212, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J. Abendroth, ‘De Wederzijdse Zekerheden Regeling en het Baron von Münchhausen – effect’, WPNR 2016/7099, p. 217-218.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, nr. 10 en s.t., nrs. 34-39.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.t. nr. 39, onder verwijzing naar een mededeling van A. Bouwman, accountmanager van de bank, die daarover als getuige zou kunnen verklaren. Zie ook MvG, nr. 41 jo. 21, waar gesteld wordt dat de vordering van de bank per 17 februari 2014 is teruggebracht tot € 0 en de bank per die datum daadwerkelijk volledig uit de opbrengst van de vorderingen kon worden voldaan (zodat de pandrechten van de bank zijn vervallen).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de s.t., nr. 39, lijkt dit bedrag te worden beperkt tot hetgeen is geïnd in de periode van 17 februari tot 1 maart 2014 (met ingang van welke laatste datum Holding, krachtens afspraak met de curator, zou worden beschouwd als openbaar pandhouder).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3619, JOR 2016/105 (ABN AMRO/Marell), rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.t., nr. 42-43.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvG, nrs. 32-34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu het hof niet heeft overwogen op welk moment de bank zich uit de geïnde bedrag heeft voldaan, moet er volgens de curator vanuit worden gegaan dat dit gebeurde op het moment waarop de bedragen bij de bank zijn binnengekomen, ertoe leidend dat de vordering per 17 februari 2014 was teruggebracht tot 0. Een eventueel op dat moment bestaand surplus zou zijn geïnd ten gunste van Holding. Voor bedragen die na 17 februari 2014 nog zouden binnenkomen, was geen afspraak gemaakt (s.t., nr. 43).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvG, nrs. 35-37 (grief Ib), 60, 70-71, steeds onder verwijzing naar een telefoonnotitie van de curator d.d.12 februari 2014 (prod.1) en een e-mail van de bank d.d. 17 oktober 2014 (prod. 3). De overige in het middel aangegeven vindplaatsen (MvG, nrs. 87-88) hebben op deze kwestie geen betrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.t., nr. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA, nrs. 10, 118-125, 127, 174-186 (ad grief Ib).</p></div>", "next": 0}