{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">HvJEU 8 december 2011, C-275/10, ECLI:EU:C:2011:814, NJ 2012/124, m.nt. M.R. Mok (Residex Capital), punt 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0539, NJ 2013/433, m.nt. M.R. Mok en JOR 2013/231, m.nt. I.P.M. Ligteringen (Residex/Gemeente Rotterdam).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie van antwoord, punt 36, en pleitnota over staatssteunaspecten, punt 19-21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. hierna 4.13 (subonderdeel 1.2.1) en 4.18 (subonderdeel 1.2.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in die zin ook punt 68 van de procesinleiding, waar Commerz schrijft: “Nietigheid van de op 4 juni 2004 afgegeven garantie kan alleen worden aangenomen als zou vaststaan dat Commerz door die garantie is begunstigd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van Commerz tot vergoeding van een aanzienlijk bedrag aan buitengerechtelijke kosten (advocatenkosten) was (reeds) om die reden ook niet toewijsbaar; zie rov. 3.60 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">S. van der Heul, JOR 2020/101, punt 18 en 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. mijn conclusie in de aanhangige zaak 19/00627, Harlingen/Spaansen, punt 4.34 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord, punt 2, en pleitnota over staatssteunaspecten, punt 3 e.v. HbR reageert daarop het betoog van Commerz dat de “achteraf door de raad van commissarissen verleende instemming (…) de overheid niet alsnog in beeld zou brengen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit blijkt ook uit het kopje van hoofdstuk IV.2.2 van de memorie van antwoord, waarin HbR op de goedkeuring van de garantie door de RvC heeft gewezen: “Eerste vereiste van artikel 107 lid 1 VWEU: de garanties zijn steunmaatregelen van de staat of in welke vorm dan ook met staatsmiddelen bekostigd.” In de pleitnota van HbR over staatssteunaspecten wordt over de toerekenbaarheid van de garantie opgemerkt (punt 20): “De garanties komen (uiteindelijk) uit dezelfde overheidsmiddelen. Voor en na de verzelfstandiging was goedkeuring van de zijde van de Gemeente vereist. Eerst via een gemeenteraadsbesluit, later door goedkeuring van de Raad van commissarissen (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HbR’s schriftelijke toelichting na prejudiciële verwijzing, punt 3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting HbR 20 april 2012, punt 3.3.2 en 7.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke opmerkingen Commissie, punt 3 (bijlage 3 bij schriftelijke toelichting Commerz van 19 juni 2015) en conclusie van A-G Wathelet, C-242/13, punt 88.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. memorie na cassatie en verwijzing van HbR, punt 5, 39 en vooral 85 waar HbR stelt: “Door de instemming van de RvC is de bemoeienis van de overheid en daarmee de toerekenbaarheid aan de Staat bij de garantie voor het Vehicles-krediet gegeven. Een concretere betrokkenheid dan expliciete goedkeuring van deze garantie – waarover al eerder met (diverse betrokkenen binnen) de Gemeente is gesproken en gecorrespondeerd – is nauwelijks denkbaar.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEG 16 mei 2002, C-482/99, ECLI:EU:C:2002:294, NJ 2003/107, m.nt. M.R. Mok (Stardust Marine), punt 56. Zie ook Gerecht EU 19 maart 2019, T-98/16, T-196/16, T-198/16, ECLI:EU:T:2019:167 (Banca Tercas), punt 85. Vgl. de schriftelijke toelichting van HbR, punt 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de noot van Van der Heul bij het bestreden arrest, JOR 2020/101, punt 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerecht EU 19 maart 2019, T-98/16, T-196/16, T-198/16, ECLI:EU:T:2019:167 (Banca Tercas).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft het arrest van het Gerecht per abuis als een arrest van het HvJEU aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerecht EU 19 maart 2019, T-98/16, T-196/16, T-198/16, ECLI:EU:T:2019:167 (Banca Tercas), punt 113.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de driehoeksrelatie die ontstaat als een overheidsinstantie aan een bank een garantie afgeeft voor een door haar verstrekt krediet, moet het handelen van de overheid (en niet het handelen van de bank) worden beoordeeld aan de hand van het market economy operator-beginsel. Het is immers alleen relevant of de overheid steun verleent. Relevant daarbij is met name of de overheid voor het verlenen van de garantie een premie ontvangt, waarvan de hoogte moet zijn afgestemd op het risicoprofiel van de kredietnemer en dus wordt bepaald door de kans op een default. Het door de bank naar verwachting te behalen rendement op het krediet (gelet op fundingkosten, de rentevoet en eventuele fees) kan echter wel een aanwijzing opleveren om vast te stellen of de overheidsinstantie marktconform heeft gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mededeling begrip staatssteun, punt 78.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerecht 12 maart 2020, T-901/16, ECLI:EU:T:2020:97 (Elche Club de Fútbol/Commissie), punt 114.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mededeling begrip staatssteun, punt 81.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 81 van de procesinleiding (“was er in het onderhavige geval geen aanleiding om de voorwaarden van het krediet aan te passen”) en punt 52 van de schriftelijke toelichting van HbR (“de voorwaarden van de lening bij de garantieverlening in 2004 [bleven] ongewijzigd”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting van HbR, punt 46, onder verwijzing naar rov. 3.46 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 19 maart 2013, C-399/10P en C-401/10P, ECLI:EU:C:2013:175), NJ 2013/429, m.nt. M.R. Mok (Bouyges), punt 127.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, punt 79.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerecht 7 oktober 2010, T-452/08, ECLI:EU:T:2010:427 (DHL/Commissie), punt 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, punt 80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 43 van het DHL-arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar komt nog bij dat het uitvoeren van de order waarvoor het Vehicles-krediet was verleend kort daarna op losse schroeven is komen te staan omdat het ministerie van Defensie de met RDM gesloten overeenkomsten wilde beëindigen (zie brief van Commerz d.d. 28 juli 2004 aan RDM Vehicles, productie 3 bij de dagvaarding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Keus voor Hoge Raad 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6102, NJ 2013/260, JOR 2013/232, m.nt. I.P.M. Ligteringen (Commerz/HbR), punt 2.80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gepubliceerd in het Gemeenteblad 1994, nummer 183. Conclusie van antwoord, productie 11, p. 1 en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord, productie 11, p. 13 en 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gepubliceerd in het Gemeenteblad 2001, nummer 103. Conclusie van antwoord, productie 10, p. 1, 9, 10, 38 en 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 28 februari 2002, Stb. 2002, nr. 111.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 10:13 Awb bepaalt wat onder delegatie wordt verstaan. Art. 10:16 lid 1 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan ter zake van de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid uitsluitend beleidsregels kan geven. Art. 10:17 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de gedelegeerde bevoegdheid niet meer zelf kan uitoefenen. Art. 10:26 Awb bepaalt dat besluiten slechts aan goedkeuring kunnen worden onderworpen in bij of krachtens de wet bepaalde gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.C. Borman, T&amp;C Awb (bijgewerkt t/m 1 september 2019), art. 10:13, aant. 2b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1993/94, 23700, nr. 3 (memorie van toelichting bij de derde tranche Awb): “Dit artikel [art. 10:17 Awb; A-G] laat uiteraard onverlet, dat de delegans zich bij de delegatie de uitoefening van een bepaald gedeelte van de bevoegdheid kan voorbehouden.” Zie ook de bronnen vermeld in de schriftelijke toelichting van HbR, punten 64-67.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671, NJ 2010/115 (ING/Bera), rov. 3.4 en HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZB1223, NJ 1993/287, m.nt. P. van Schilfgaarde (Felix/Aruba), rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1356, NJ 2017/326, rov. 3.3.2, waarin onder meer wordt verwezen naar HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:143 (Aventura), JOR 2017/150, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, welk arrest is hersteld bij arrest van HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:277 (Aventura).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (codificatie) (PbEU 2015, L 248/9).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 23 januari 2019, C-387/17, ECLI:EU:C:2019:51 (Traghetti).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 15 van Verordening 659/1999, de voorganger van de Procedureverordening, kende een aan art. 17 gelijkluidende regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 22 Procedureverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 29 Procedureverordening ziet op de samenwerking tussen de Commissie en de nationale rechterlijke instanties, maar regelt verder niets over de bevoegdheden of verplichtingen van de nationale rechterlijke instanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 23 januari 2019, C-387/17, ECLI:EU:C:2019:51 (Traghetti), punt 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 23 januari 2019, C-387/17, ECLI:EU:C:2019:51 (Traghetti), punt 54, onder verwijzing naar HvJEU 21 november 2013, ECLI:EU:C:2013:755 (Deutsche Lufthansa), punt 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak Traghetti ging het om een vordering van de concurrent van de begunstigde onderneming tegen de Italiaanse staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de conclusie van A-G Wahl in Traghetti, punt 91: “De verjaringstermijn van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 659/1999 beperkt alleen de bevoegdheden van de Commissie inzake terugvordering van onrechtmatige steun in de tijd. De subjectieve beperking van de bevoegdheid tot schorsing van lid 2 van dat artikel wijst mijns inziens duidelijk erop dat de termijn in kwestie alleen de bevoegdheid van de Commissie om onrechtmatige steun terug te vorderen, in de tijd beperkt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord, punt 376: “HbR is van mening dat er geen verplichting is tot betaling onder de garanties en zeker geen verplichting tot betaling van de wettelijke handelsrente. Als er al een verplichting zou bestaan tot betaling onder de garanties, dan is dat een contractuele waarbij in dat geval de verplichtingen van de inlenende partijen worden gegarandeerd en die bestaan uit het betalen van de contractuele rente. De regeling ex artikel 119a BW is van regelend recht. Zo er al rente betaald moet worden, is dat de rente die de inlener had moeten betalen en dat is de contractuele rente die is overeengekomen tussen Commerz en de inlener.”</p></div>", "next": 0}