{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar art. 11 van de LoI, CvA Maatschap c.s. onder 33 en 39, Antwoordakte Maatschap c.s. 24 juni 2015 onder 19 en 23, MvA 30, 291 en 361 en spreekaantekeningen hb Maatschap c.s. onder 4 en 6. Deze stellingen zouden door het hof in het midden zijn gelaten zodat daarvan in cassatie bij wege van hypothetische feitelijke grondslag kan worden uitgegaan. In de verdere verwijzingen zal ik dit als volgt aanduiden: (beroep op hypothetische feitelijke grondslag). Ook Sevilla zou hebben gesteld dat art. 11 van de LoI verplichtingen voor [C] en [A] in het leven riep. De Maatschap c.s. verwijst naar de MvG onder 1.40 (ii) en 2.105.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de stellingen en vindplaatsen uit de vorige twee voetnoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt opgemerkt dat het hof in rov. 3.26 overweegt dat het gaat om omzetting van de kapitaalinbreng in twee stappen van elk EUR 6,5 miljoen, maar dat uit art. 32 en 37 LoI (prod. 1 Sevilla) blijkt dat het gaat om twee stappen van elk USD 6,5 miljoen. In rov. 3.5, gedachtestreepjes 9 en 11, heeft het hof het wel over USD 6,5 miljoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar art. 32 en 37 van de LoI, CvA Maatschap c.s. onder 9, 22 en 76, Antwoordakte Maatschap c.s. 24 juni 2015 onder 29, spreekaantekeningen eerste aanleg Maatschap c.s. onder 5, MvA onder 9, 19, 30, 32 en 86 en spreekaantekeningen hb Maatschap c.s. onder 4 (beroep op hypothetische feitelijke grondslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de tweede voetnoot van subonderdeel I.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerefereerd wordt aan art. 32 van de LoI, CvA Maatschap c.s. onder 8, 9, 16, 23 en 76, Antwoordakte Maatschap c.s. 27 mei 2015 onder 14 en 20, Antwoordakte Maatschap c.s. 24 juni 2015 onder 24, spreekaantekeningen eerste aanleg Maatschap c.s. onder 7, MvA onder 58, 59, 65, 287 en 308 en spreekaantekeningen hb Maatschap c.s. onder 4 en 17 (beroep op hypothetische feitelijke grondslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar art. 32 van de LoI en MvA onder 59, 65 en 308 (beroep op hypothetische feitelijke grondslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Maatschap c.s. verwijst naar art. 32 van de LoI, CvA Maatschap c.s. onder 57, Antwoordakte Maatschap c.s. 27 mei 2015 onder 14 en 20, MvA onder 282, 287 en 308 en spreekaantekeningen hb Maatschap c.s. onder 5 (beroep op hypothetische feitelijke grondslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerefereerd wordt aan art. 32 van de LoI, CvA Maatschap c.s. onder 26, Antwoordakte Maatschap c.s. 27 mei 2015 onder 14 en 20, MvA onder 17 en 59 en spreekaantekeningen hb Maatschap c.s. onder 5 (beroep op hypothetische feitelijke grondslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Maatschap c.s. doet een beroep op art. 32 van de LoI, haar CvA onder 27, haar Antwoordakte 27 mei 2015 onder 14 en 20, haar spreekaantekeningen hb onder 17 en de vindplaatsen in de drie voorgaande voetnoten (beroep op hypothetische feitelijke grondslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">E. Dirix, De meerpartijenovereenkomst (preadvies Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht in Nederland en België), 1983, p. 763, J. Hijma, Wilsgebreken bij een meerpartijenovereenkomst, in: C.G. Breedveld-de Voogd (red.), De Meerpartijenovereenkomst, 2015, p. 114 en T.F.E. Tjong Tjin Tai, Meerpartijenovereenkomsten en samenhangende overeenkomsten (Mon. BW A29), 2019/32.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. Dirix, De meerpartijenovereenkomst (preadvies Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht in Nederland en België), 1983, p. 764-765, J. Hijma, Wilsgebreken bij een meerpartijenovereenkomst, in: C.G. Breedveld-de Voogd (red.), De Meerpartijenovereenkomst, 2015, p. 115 en T.F.E. Tjong Tjin Tai, Meerpartijenovereenkomsten en samenhangende overeenkomsten (Mon. BW A29), 2019/37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4548 (mr. Heuvelmans q.q.), rov. 4.6, rechtbank Zwolle-Lelystad 24 februari 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BM0319, Prg 2010/140 (gem. Kampen), rov. 4.10, E. Dirix, De meerpartijenovereenkomst (preadvies Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht in Nederland en België), 1983, p. 790 en T.F.E. Tjong Tjin Tai, Meerpartijenovereenkomsten en samenhangende overeenkomsten (Mon. BW A29), 2019/3, 28 en 51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 3.26, 3.30, 3.37, 3.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerefereerd wordt aan MvG onder 1.40 (ii), 2.37 en 2.105 en MvA onder 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7024, NJ 2007/565, JOR 2008/23 m.nt. R.P.J.L. Tjittes (Vodafone/ETC), H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/3, F.J. de Vries, De overeenkomst in het algemeen (Mon. BW nr. B54) 2016/12, R.P.J.L. Tjittes, Redelijkheid en samenwerking in het commerciële contractenrecht, in: M.J.M.T. Keulaerds e.a. (red), Veelzijdig in cassatie (Grabandt-bundel), 2012, p. 343-354 en P.S. Bakker, Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&amp;P nr. CA6) 2012/1.6 en 3.3.5. Zie ook: HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1274, RvdW 2020/871, Ondernemingsrecht 2020/136 m.nt. M.H.E. Rongen en C.W.M. Lieverse (Immobile/Promontoria), HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1276, RvdW 2020/883, Ondernemingsrecht 2020/137 m.nt. M.H.E. Rongen en C.W.M. Lieverse (Alegre/Promontoria), HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6163, NJ 2011/423 m.nt. P.A. Stein, JOR 2011/310 m.nt. B.A. Schuijling (ING/Kreuger), HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337, NJ 2005/467, JOR 2006/31 m.nt. B. Wessels, AA20051027 m.nt. T. Hartlief, NTBR 2006/13 m.nt. C.J.M. Bollen, BR 2006/82 m.nt. M.A.M.C. van den Berg (CBB/JPO), HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9311, NJ 2001/79 (Multi Vastgoed/Nethou), HR 23 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0018, NJ 1988/1017 m.nt. C.J.H. Brunner (VSH/Shell), HR 15 november 1957, ECLI:NL:HR:1957:AG2023, NJ 1958/67 m.nt. L.E.H. Rutten (Baris/Riezenkamp).</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W. Hesselink, De redelijkheid en billijkheid in het Europese privaatrecht, diss., 1999, p. 235, F.J. de Vries, De overeenkomst in het algemeen (Mon. BW nr. B54) 2016/12 en H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. art. 1:202 van de Principles of European Contract Law (“Each party owes to the other a duty to co-operate in order to give full effect to the contract.”) en M.W. Hesselink, De redelijkheid en billijkheid in het Europese privaatrecht, diss., 1999, p. 225-238. Hesselink gaat hier onder meer in op het Duitse, Italiaanse, Franse, Engelse en Spaanse recht op dit punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9550, NJ 2004/672 (ligplaats) en daarover T.H.M. van Wechem en M. Wallart, Aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid: waar liggen de grenzen?, VrA 2005/2, p. 61-76. Over ambtshalve toepassing van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid: GS Verbintenissenrecht (M. Vriend), art. 6:2 BW, aant. 5.3, conclusie A-G De Bock voor HR 7 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2019:1063, RvdW 2020/227 (X/Staedion), nr. 3.23, mijn conclusie voor HR 1 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2018:1473, NJ 2019/71, nr. 2.10, Asser/Sieburgh 6-III, 2018/395, H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/43.2, P.S. Bakker, Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&amp;P nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">CA6) 2012/5.3.1 en 5.4.2, conclusie A-G Spier voor HR 24 september 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO9550, NJ 2004/672 (ligplaats), nr. 3.7 en conclusie A-G Asser voor HR 11 november 1994, ECLI:NL:PHR:1994:ZC1527, NJ 1995/511 m.nt. R.E. Japikse (Eerland/Rotterdam), nr. 3.13. Zie over aanvulling van rechtsgronden in het algemeen: HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0472, NJ 2012/143 (Post c.s./Kleijweg c.s.), rov. 4.5.2, GS Burgerlijke Rechtsvordering (T.F.E. Tjong Tjin Tai), art. 25 Rv, aant. 2 en 3, Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/171-174, Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr.4) 2017/43-55, Snijders/Wendels, Civiel appel (BPP nr. 2) 2009/229-233 en C.E.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smith, Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden, 2004, nr. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sevilla heeft in het kader van haar verweer tegen het eerste onderdeel van het principaal cassatieberoep verwezen naar deze passages. Zie haar s.t. onder 28 en de dupliek in cassatie onder 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS Vermogensrecht (F.M. van Cassel-van Zeeland), art. 3:37 BW, aant. 2.8, GS Verbintenissenrecht (Y.G. Blei Weissmann), art. 6:217 BW, aant. 3.139.4.1 en 3.139.4.4, Asser/Sieburgh 6-III 2018/167 met verwijzingen naar onder meer HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3013, NJ 2015/442 m. red. aant. (MeeGaa/ […]), HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, NJ 2012/75 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2011/361 m.nt. Chr.M. Stokkermans (DE/Fuchs c.s.), HR 4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4732, NJ 2000/258 (Kinheim/Pelders), HR 23 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2897, NJ 1999/497 (Jut/Nederlandse Verzekeringsgroep) en Parlementaire Geschiedenis boek 3 BW, p. 181-182.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar CvA Maatschap c.s. onder 16, Antwoordakte Maatschap c.s. 27 mei 2015 onder 11 en 20, Antwoordakte Maatschap c.s. 24 juni 2015 onder 24, spreekaantekeningen eerste aanleg Maatschap c.s. onder 5, MvA onder 10, 11, 21, 27, 58, 73, 266, 272 en 434 en spreekaantekeningen hb Maatschap c.s. onder 6 en 9 (beroep op hypothetische feitelijke grondslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerefereerd wordt aan p-v comparitie 23 april 2015, p. 10, MvA onder 12 en spreekaantekeningen hb Maatschap c.s. onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Maatschap c.s. doet een beroep op haar CvA onder 14 en MvA onder 30, 114, 156 en 290 (beroep op hypothetische feitelijke grondslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 102.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 212.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 335.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 105, 224 en 346.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 47 en 369.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 82.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 301.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 228.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 230.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 238.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 239 en 354.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 82, 235 en 349 (beroep op hypothetische feitelijke grondslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 235 (beroep op hypothetische feitelijke grondslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA onder 349 (beroep op hypothetische feitelijke grondslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49, JBPr 2016/32 m.nt. C.S.G. Janssens, JIN 2016/38 m.nt. M.A.J.G. Janssen, HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, NJ 2015/426 m. red. aant., JBPr 2015/68 m.nt. G.C.C. Lewin, JIN 2015/226 m.nt. G.J. de Bock ([…] / […]), HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3075, NJ 2014/485 m. red. aant., JIN 2014/224 m.nt. M.A.J.G. Janssen ( / […]), HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9991, NJ 2011/512 m.nt. H.B. Krans (X/Cofely), HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser, AA20050270 m.nt. G.R. Rutgers, JBPr 2004/65 m.nt. M.A.J.G. Janssen (OZ Export Planten/Roozen Holland), A.M. van Aerde, Zestien jaar OZ/Roozen: een rustig bezit?, TCR 2020-3, p. 83-94, Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/209-210 en 214, Asser Procesrecht/Asser, Bewijs 2017/220, G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken (BPP nr. 15) 2015/61-71, Jongbloed &amp; Ernes, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht 2014/9.4, Thoe Schwartzenberg/De Groot, Hoogervorst &amp; Van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, nrs. 31-33 en Snijders/Wendels, Civiel appel (BPP nr. 2) 2009/207.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie GS Vermogensrecht (K.A.M. van Vugt), art. 3:66 BW, aant. 2, Asser/Kortmann 3-III 2017/75 en Van Schaick, Volmacht (Mon. BW nr. B5) 2011/39.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Maatschap c.s. verwijst naar de tweede voetnoot van subonderdeel I.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar prods. 41 en 45 van Sevilla in eerste aanleg, MvA onder 165, 195 en 281 en rov. 3.26 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA inc. appel onder 3.32 (beroep op hypothetische feitelijke grondslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 3.3 t/m 3.8 van het bestreden arrest, MvA onder 13 en 266 en pleitnota hb Sevilla onder 27-28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar MvG onder 1.12-1.14, 1.18, 5.1, 5.7, 5.8 (uitgewerkt in 5.9-5.22) en 6.16, pleitnota hb Sevilla onder 33-43 en comparitieaantekeningen eerste aanleg Sevilla onder 86-91. Betwistingen van de Maatschap: MvA onder 23, 27, 30, 31, 49, 90-92, 291 en 312.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan volgen de namen Sevilla, [C] , de Maatschap, [B] , [A] en [D] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel stelt ter toelichting dat de inbreng van Sevilla in de Maatschap zou worden omgezet in een schuld van de Maatschap aan Sevilla, die vervolgens werd overgenomen door [A] . Verwezen wordt naar MvA inc. onder 3.5-3.10 en 3.68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerefereerd wordt aan MvG onder 1.7-1.10 over de economische en organisatorische verstrengeling van de Maatschap en de andere entiteiten; en verder aan rov. 3.25 van het bestreden arrest en aan MvG onder 2.7-2.29 en 2.37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sevilla doet een beroep op haar MvG onder 2.36-2.39, haar MvA inc onder 3.13-3.16 en haar pleitnota hb onder 11-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar MvG onder 2.27-2.29, 5.1, 5.7, 5.8 (uitgewerkt in 5.9-5.22) en 6.16. Betwistingen van de Maatschap: MvA 23, 27, 30, 31, 49, 90-92, 291 en 312.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Sevilla is deze stelling niet weersproken in MvA onder 428, waar MvG onder 18.5 aan de orde komt, en ook niet elders, terwijl de Maatschap in MvA onder 127 stelt dat zij “niet om niet heeft ingestemd” maar met het oog op de financiering van Sevilla, de Maatschap in MvA onder 135 stelt dat tegenover haar verplichtingen een verplichting van Sevilla stond en de Maatschap in MvA onder 417 stelt dat de financiering door Sevilla haar de prikkel gaf de LoI te tekenen. Sevilla verwijst ook naar CvA Maatschap onder 23, comparitieaantekeningen eerste aanleg Sevilla onder 39, pleitnota hb Sevilla onder 28-30 en p-v pleidooi hb, p. 10, waar namens Sevilla is aangevoerd dat de Maatschap aandrong op de betaling van de investering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroep op hypothetische feitelijke grondslag, omdat het hof de door Sevilla gestelde uitleg van de LoI in rov. 3.61 in het midden heeft gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 3.7 van het bestreden arrest en MvG onder 1.3 en 2.61-2.82.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verplichting tot financiering stond tegenover de verplichting van de Maatschap volgt volgens Sevilla ook uit de inleidende dagvaarding (herstelexploot) onder 7, uit CvA Maatschap onder 9, 16, 22 en 23 en uit de pleitnota hb Sevilla onder 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sevilla wijst op rov. 3.28 en haar pleitnota hb onder 28-30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt gerefereerd aan de pleitnota hb Sevilla onder 28-30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter vergelijking wordt gewezen op T.F.E. Tjong Tjin Tai, Meerpartijenovereenkomsten en samenhangende overeenkomsten (Mon. BW A29), 2019, p. 53-54 en J. Hijma, Wilsgebreken bij een meerpartijenovereenkomst, in: C.G. Breedveld-de Voogd (red.), De meerpartijenovereenkomst, 2015, hoofdstuk 7, par. 4, in het bijzonder p. 114.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewezen wordt op MvG onder 18.4; dat Sevilla dit aanvoerde blijkt volgens haar ook uit rov. 3.61 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3402, NJ 2011/43 m.nt. J. Hijma, TBR 2010/79 m.nt. A.M. Ubink ([…] /TSN), HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP7760, NJ 2006/201 m.nt. H.J. Snijders ([…] / […]), HR 19 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1731, NJ 1995/531 (Ordelmans/Lademo IV), GS Verbintenissenrecht (W.H. van Boom), art. 6:277 BW, aant. 4, Asser/Sieburgh 6-III, 2018/710-711, F.B. Bakels, Ontbinding van overeenkomsten (Mon. BW B58), 2011, nr. 84, S.D. Lindenbergh, Over wat schade is…en waarom het bij de vaststelling daarvan in de praktijk zo dikwijls mis gaat, WPNR 2010/6867, p. 908-909, F.B. Bakels, Ontbinding van wederkerige overeenkomsten, diss., 1993, p. 424-426 en Parlementaire Geschiedenis boek 6 BW, p. 1036. Zie ook HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1684, NJ 2012/684 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, AA20120366 m.nt. W.H. van Boom (G4 Beheer/Hanzevast Beleggingen), rov. 3.3.4 en 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS Verbintenissenrecht (W.H. van Boom), art. 6:271 BW, aant. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parlementaire Geschiedenis boek 6 BW, p. 1025-1026.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parlementaire Geschiedenis boek 6 BW, p. 803-804, 807 en 817. Vgl. ook: GS Verbintenissenrecht (W.H. van Boom), art. 6:271 BW, aant. 4, Asser/Sieburgh 6-III, 2018/699 en F.B. Bakels, Ontbinding van overeenkomsten (Mon. BW nr. B58), 2011, nr. 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie s.t. Maatschap onder 96, repliek Maatschap onder 28-29 en s.t. Sevilla onder 65.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.R. Damminga, Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen, diss., 2014, p. 269, 270, 277, 278, 283-290, 297 en 298 en M.W. Scheltema, Onverschuldigde betaling, diss., 1997, p. 30-35, 68-82, 111-112, 115-117, 127 en 128.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scheltema bepleit een benadering aan de hand van de doelgerichtheid van de betaling, terwijl Damminga de oplossing ziet in een toerekening van de ontvangst van de betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Maatschap heeft er in dit verband op gewezen dat zij geen partij was bij de Aanvullende afspraken (s.t. 100 onder b). Uit het arrest blijkt inderdaad dat de Maatschap niet is genoemd als ondertekenaar van de Aanvullende afspraken (rov. 3.7), maar het hof heeft bij de beoordeling van het beroep op schuldeisersverzuim overwogen dat uit de gang van zaken rond de totstandkoming van de LoI en de Aanvullende afspraken blijkt dat de Maatschap ook in de Aanvullende afspraken is gekend en daarmee heeft ingestemd (rov. 3.32).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2285, NJ 2017/124 m.nt. P. van Schilfgaarde, Ondernemingsrecht 2017/7 m.nt. S.M. Bartman, JIN 2016/225 m.nt. G.J. de Bock, JOR 2016/325 m.nt. B.M. Katan (Resort of the World/Maple Leaf), de conclusie voor dit arrest van A-G Hartlief nr. 4.20-4.25 en HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480, NJ 2000/698 m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2000/238 m.nt. O.L.O. de Witt Wijnen, TvI 2001, p. 39 m.nt. J.B. Huizink, Ondernemingsrecht 2000/54 m.nt. M.L. Lennarts (Rainbow). Hierover: Bartman &amp; Dorresteijn/Olaerts, Van het concern 2020/8.5.1-8.5.3, H. Koster, Vereenzelviging?, MvV 2018-9, p. 288-294, Assink e.a. (red.), De vele gezichten van Maarten Kroeze's 'bange bestuurders' (IVOR nr. 104) 2017/II.15.2.2, J.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elbers, Misbruik van het identiteitsverschil en crediteursbenadeling, diss., 2014, nrs. 8.3-8.5.5.3, F.K. Buijn/P.M. Storm, Ondernemingsrecht BV en NV in de praktijk, 2013, nr. 9.4.3, L. Timmerman, Vereenzelviging als strijdmiddel in vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheidsprocedures, Ondernemingsrecht 2001-10, p. 294-300 en S.M. Bartman, Onrechtmatige daad en vereenzelviging; een interactief paar, WPNR 2000/6422, p. 795-797. Vgl. ook: HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6445, NJ 2009/318 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2009/104 m.nt. J.S. Kortmann, JA 2009/78 m.nt. M. Mussche, TvI 2010/16 m.nt. M.Y. Nethe (Stichting Waaldijk/mr. Aerts q.q.), HR 3 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1865, NJ 1996/215 m.nt.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M.M. Maeijer (Roco/Staat) en HR 9 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1752, NJ 1996/213 (Krijger/Citco).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het faillissementsverslag is te vinden in het (via www.rechtspraak.nl toegankelijke) Centraal Insolventieregister onder insolventienummer F.05/17/165. Het verslag vermeldt als oorzaak van het faillissement kort gezegd dat een deel van het project niet meer kon worden gerealiseerd omdat de joint venture partner van [D] zich dit deel min of meer zou hebben toegeëigend, dat er een geschil is ontstaan over de financiering van het resterende deel van het project, dat Sevilla sinds medio 2013 geen financiering meer heeft verstrekt, dat er in Vietnam onvoldoende financiering beschikbaar was en dat het project tenslotte is verkocht voor een bedrag dat ontoereikend was voor de crediteurenpositie van € 193.000.000,- .</p>\n<p class=\"lf-p\">Sevilla doet verder een beroep op de MvG onder 2.59, 2.84, 2.85, 18.6, 18.7, 18.14 en 18.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar MvG onder 1.8, 1.10, 1.13, 1.14, 2.9, 2.10, 2.19, 18.11-18.15 en pleitnota Sevilla hb onder 11. De Maatschap heeft betwist dat economische verwevenheid bestond en dat [C] het vermogen voor de Maatschap beheerde, zie: MvA onder 90-91.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sevilla beroept zich op MvG onder 2.7, 2.39 (ii), 2.62, 2.66, 2.67, 6.23 en 18.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">T. van der Linden, Aanvullend verrijkingsrecht, diss., 2019, nrs. 5.2.4.1-5.2.4.5, GS Verbintenissenrecht (R. Koolhoven), art. 6:212 BW, aant. 4.2.3-4.2.3.10, S.R. Damminga, Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen, diss., 2014, p 203-205, HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1782, NJ 2013/540 m.nt. J.L.R.A. Huydecoper, JOR 2013/266 m.nt. S.R. Damminga, JIN 2013/119 m.nt. P.C.M. Kemp, JHV 2013/139 m.nt. H. Ferment, WR 2014/57 m.nt. O.A.H. van Dalsum (Credit Suisse/Subway), HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4936, NJ 2011/422, m.nt. H.B. Krans ([…] / […]), HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4745, NJ 2008/481 (Verbouwing), HR 25 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7348, NJ 2005/413 m.nt. C.J.H. Brunner, JA 2005/45 m.nt. G.E. van Maanen, JM 2005/60 m.nt. H.J. Bos (Gem. Bedum/ […]) en Parlementaire Geschiedenis boek 6 BW, p. 831. Zie ook HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, NJ 2019/248 m.nt. L.C.A. Verstappen, AA20190477 m.nt. A.J.M. Nuytinck, JPF 2019/122 m.nt. B.E. Reinhartz, JIN 2019/102 m.nt. A.M.E. Derks.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sevilla wijst op de volgende stellingen: over onrechtmatige daad als grondslag van de vordering: MvG 1.38 (iv), 1.63, 5.17 en 5.23 en pleitnota Sevilla hb onder 43, over de betaling van USD 500.000: MvG onder 2.66-2.68 en 2.84 en over de weigering (en frustratie) door de Maatschap en de entiteiten aan haar zijde van de nakoming van hun verplichtingen die tegenover Sevilla’s betaling staan: MvG 2.103 (uitgewerkt in 2.104-2.235) en 5.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1510 (X/gemeente Sluis), HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1042, RvdW 2019/791 (IGVO/X), HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:354, NJ 2019/409 m.nt. L.A.D. Keus, AB 2019/493 m.nt. L. de Bella (Boskalis/provincie Zuid-Holland), HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:269, NJ 2020/8 m.nt. J.L. Smeehuijzen, TBR 2019/176 m.nt. J.J. Dammingh (NVM-meetinstructie), HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18, NJ 2017/62, JIN 2017/63 m.nt. L.J.M. Timmermans, TRA 2017/53 m.nt. J.J.M. de Laat, Gst. 2017/52 m.nt. R.D. Boesveld, AB 2017/407 m.nt. C.N.J. Kortmann, JB 2017/17 m.nt. L.J.M. Timmermans (UWV/X), HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2987, NJ 2017/133 m.nt. S.D. Lindenbergh (netvliesloslating), HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112, NJ 2016/291, JA 2016/123 m.nt.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.L. Brens, JIN 2016/181 m.nt. L.J.M. Timmermans, TBR 2016/124 m.nt. F.A. Mulder en F.A. Linssen, Gst. 2016/112 m.nt. R.D. Boesveld en D.J. de Jongh, AB 2017/232 m.nt. L. di Bella, JB 2016/129 m.nt. L.J.M. Timmermans (Gem. Hengelo/ […]), HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539, RvdW 2010/468 (makelaar), HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3402, NJ 2011/43 m.nt. J. Hijma, TBR 2010/79 m.nt. A.M. Ubink ([…] /TSN), HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP7760, NJ 2006/201 m.nt. H.J. Snijders ([…] / […]), HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3067, NJ 2003/389 (V/Branderhorst), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9339 NJ 2004/210 m.nt. J. Hijma (Sparrow/ […]) en HR 18 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4915 NJ 2002/168 (Interplant/Oldenburger).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook: S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1 (Mon. BW nr. B34) 2020/33, W.Th. Nuninga, Niet meer en niet minder. Over normatieve overwegingen bij het vaststellen van causaal verband, MvV 2020-6, p. 228, M.R. Hebly, Schadevaststelling en tijd, diss., 2019, nr. 3.3.4, Van der Kooij, Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&amp;P nr. CA21) 2019/6.3.2, E.F.D. Engelhard, Keuzeonzekerheid bij de vaststelling van het condicio-sine-qua-non-verband, AA20200810, p. 811-812, Asser/Sieburgh 6-II 2017/50, T.F.E. Tjong Tjin Tai, Schade, causaliteit en schadebegroting. WPNR 7108 (2016), p. 385 en GS Schadevergoeding (R.J.B. Boonekamp), art. 6:98 BW, aant. 1.2.2. Vergelijk tevens HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:28, NJ 2020/121 m.nt.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, Ondernemingsrecht 2020/47 m.nt. K. Frielink (Deutsche Nederland/X) en HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213, NJ 2006/606 m.nt. J.B.M. Vranken, JA 2005/34 m.nt. F.M. Ruitenbeek-Bart (wrongful life).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar MvG onder 1.35, 16.11 en 16.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerefereerd wordt aan MvG onder 16.6-16.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20) 2019/143 en Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/85. Een eindbeslissing is een uitdrukkelijke en zonder voorbehoud gegeven beslissing over een geschilpunt tussen partijen: HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:757, NJ 2019/375 m.nt. E.W.J. de Groot, TBR 2019/129 m.nt. F.A. Mulder en H.A. Bijkerk, BR 2019/65 m.nt. J.S. Procee (X/Gem. Eindhoven), HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3160, NJ 2012/582 m.nt. H.B. Krans ([…] / […]), HR 4 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4805, NJ 1985/3 m.nt. W.H. Heemskerk (Van der Meer/Siller en Jamart), Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/153, Hugenholtz/Heemskerk/Teuben, Hoofdlijnen van het Nederlands burgerlijk procesrecht, 2018, nr. 144 en Snijders/Wendels, Civiel appel 2009/65. Vergelijk ook: HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5356, NJ 2013/343 m. red. aant., JBPr 2013/51 m.nt. H.L.G. Wieten (M/ […]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Sevilla heeft over dit processuele aspect in voetnoot 19 van haar incidenteel cassatieberoep het volgende opgemerkt: “Dat dit vonnis een deskundige benoemt ten aanzien van door [C] te vergoeden schade doet er niet aan af dat ook de Maatschap partij was in die procedure en het vonnis kende. Namens de Maatschap is, in weerwil van MvA randnr. 3 en 416, bij pleidooi van 21 januari 2019 (p-v, p. 11) erkend dat de overwegingen in het vonnis relevant kunnen zijn voor de Maatschap. Overigens heeft Sevilla een beroep gedaan op het vonnis en het overgelegd, zodat ook de Maatschap ermee bekend was en erop kon reageren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Sevilla wijst op het arrest HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP7760, NJ 2006/201 m.nt. H.J. Snijders ([…] / […]).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 m. red. aant., JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (molenaarszoon), HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2987, NJ 2017/133 m.nt. S.D. Lindenbergh (netvliesloslating), HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435, NJ 2005/371 ([…] / […]), HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9243, NJ 2003/212 (V/Olifiers), HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437 m.nt. C.J.H. Brunner (Van Sas/Interpolis), HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654, NJ 1998/624 (Vehof-Vasters/Helvetia), W.Th. Nuninga, Niet meer en niet minder. Over normatieve overwegingen bij het vaststellen van causaal verband, MvV 2020-6, p. 230, M.R. Hebly, Schadevaststelling en tijd, diss., 2019, nr. 3.3.4, Klaassen, Schadevergoeding algemeen 2 (Mon. BW nr. B35) 2017/9, T.F.E. Tjong Tjin Tai, Schade, causaliteit en schadebegroting, WPNR 7108 (2016), p. 386. Zie ook: HR 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1291, NJ 2020/120 m.nt. S.D. Lindenbergh, JOR 2019/299 m.nt. J.B.R. Regouw, Ondernemingsrecht 2020/27 m.nt. J.G.A. Strucken, JBPr 2019/55 m.nt. H.J.W. Alt (Gem. Vianen/X) en HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1053, RvdW 2017/659, JIN 2017/138 m.nt. E.S. Ebels, JOR 2017/330 m.nt. J. van Bekkum (Hofstad c.s./Zürich c.s.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Sevilla verwijst naar het p-v van het pleidooi hb, p. 10: “Voorzitter: Dan de schadevergoeding. Sevilla heeft een hoog bedrag gevorderd, op basis van een vergelijking tussen de huidige situatie en de situatie als de LoI correct was nagekomen. Dat is een verhaal met de nodige onzekerheden. (…) Mr. Evers: Inderdaad. U zult hebben gelezen dat onze deskundige een percentage heeft toegepast waarmee de risico’s van het project zijn verdisconteerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerefereerd wordt aan MvG 16.12-16.13 ten aanzien van het behalen van de business milestones in het kader van het verkrijgen van verdere financiering en MvG 16.14-16.18 ten aanzien van het verschaffen van verdere financiering door Sevilla.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sevilla doet een beroep op HR 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1291, NJ 2020/120 m.nt. S.D. Lindenbergh, JOR 2019/299 m.nt. J.B.R. Regouw, Ondernemingsrecht 2020/27 m.nt. J.G.A. Strucken, JBPr 2019/55 m.nt. H.J.W. Alt (Gem. Vianen/X).</p></div>", "next": 0}