{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deze overweging kan m.i. beter worden verstaan mede in het licht van art. 223 lid 2 Rv op grond waarvan een voorlopige voorziening voldoende “moet samenhangen” met de hoofdvordering, wat in het huidige in de wet vastgelegde stelsel van het recht van enquête (uitgaande van de ‘eerste procedure’) dan vooral verband houdt met het vereiste enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW, waarbij weer mede de doeleinden van het enquêterecht (waaronder sanering en herstel van gezonde verhoudingen door zulke maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de rechtspersoon) in het oog moeten worden houden. De beperking die art. 223 lid 2 Rv aldus aanbrengt op de reikwijdte van voorlopige voorzieningen, moet intussen ook weer niet worden overtrokken: “Hoewel in beginsel iedere voorziening, welke zich ervoor leent om als voorlopige voorziening toegewezen te worden, bij wege van provisionele vordering kan worden gevorderd, vormt het vereiste van samenhang met de hoofdzaak daarbij een beperkende factor. Ten aanzien van de kortgedingprocedure bestaat deze beperking niet, nu voor deze procedure het samenhangvereiste niet geldt. Op dit punt zal het verschil tussen de beide procedures in de praktijk overigens wel meevallen, omdat partijen ingevolge art. 24 Rv in beginsel zelf de omvang van de hoofdzaak kunnen bepalen, en op die manier dus ook een bepaalde provisionele vordering mogelijk kunnen maken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.13 De onder 3.12 hiervoor gesignaleerde parallel tussen onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW en voorlopige voorzieningen op de voet van art. 223 Rv dan wel onmiddellijke voorzieningen in kort geding op de voet van art. 254 Rv, is niet alleen van belang bij beantwoording van de vraag welke onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW door de OK getroffen kunnen worden, maar ook bij beantwoording van de vraag welke motiveringseisen bij het treffen van zulke onmiddellijke voorzieningen aan de OK kunnen worden gesteld. A-G Timmerman komt daarover in een van zijn conclusies in de DEM-zaak, samenvattend, tot de slotsom: “dat [de] ondernemingskamer de gebruikmaking van haar discretionaire bevoegdheid ex art. 2:349a lid 2 BW in beginsel slechts beperkt behoeft te motiveren. Dit ligt besloten in het karakter van zowel de onmiddellijke voorziening als discretionaire bevoegdheid van de ondernemingskamer, als in het karakter van de onmiddellijke voorziening als ordemaatregel die vergelijkbaar is met de voorlopige voorziening in kort geding. Daarbij meen ik dat de eisen die aan de motivering van de onmiddellijke voorziening gesteld mogen worden hoger worden, naarmate de door de ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorziening een ingrijpender karakter kent. Dit is een glijdende schaal. Dit laat echter onverlet dat grondbeginselen van een goede procesorde gelden, waartoe behoort dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat aan een uitspraak in kort geding in het algemeen minder hoge motiveringseisen worden gesteld dan aan een bodemuitspraak, is vaste rechtspraak van de Hoge Raad. De minimumeis die aan de motivering van elke rechterlijke beslissing moet worden gesteld, erop neerkomend dat deze zodanig is dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing controleerbaar (ook voor de hogere rechter) en aanvaardbaar (voor partijen en derden) te maken, volgt uit het Vredo/Veenhuis-arrest van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot uitspraken in kort geding is in de literatuur een tendens waarneembaar naar verdergaande motiveringseisen, althans geen andere motiveringseisen dan in een bodemprocedure. Ik laat Boonekamp hierover aan het woord: “De vraag is of er (nog) wel grond is voor het uitgangspunt om in het algemeen aan een vonnis in kort geding minder hoge motiveringseisen te stellen en zo ja, in welke opzichten daartoe aanleiding is. (…) Motivering is een waarborg voor deugdelijke rechtspraak. (…) Het valt in zijn algemeenheid niet goed in te zien waarom in kort geding (…) minder hoge eisen aan de motivering gesteld zouden moeten worden, nu het kort geding in feite in de praktijk een zelfstandige snelle rechtsgang is geworden waarin vele, vaak ingewikkelde, kwesties aan de rechter worden voorgelegd, waarmee grote belangen voor de partijen en grote algemeen maatschappelijke belangen kunnen zijn gemoeid, en waarin regelmatig beslissingen moeten worden genomen waarvan een grote precedentwerking kan uitgaan, terwijl bij dit alles veelal geen bodemprocedure meer volgt en de beslissing dus in die zin niet ‘voorlopig’ is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij die ontwikkeling past het veeleer in een aantal opzichten juist niet minder hoge eisen aan de motivering te stellen. Dat het ‘slechts’ om een voorlopige beslissing zou gaan, overtuigt niet langer. (….) Gezien de hiervoor genoemde ontwikkeling is er juist iets voor te zeggen de kortgedingrechter, die onder tijdsdruk moet beslissen, door motiveringeisen te dwingen tot nauwkeurig nadenken over de beslissing, zeker in enigszins ingewikkelde kwesties, en meer in het bijzonder over beslissingen met verstrekkende en/of onomkeerbare gevolgen of beslissingen van groot publiek of maatschappelijk belang. Hoewel beslissingen in kort geding deels in een ander kader worden genomen dan in een bodemprocedure, laten zij zich ten dele evengoed motiveren. (…) Voor de belangenafweging ligt dat iets anders. Wel kan nauwkeurig worden uiteengezet welke belangen over en weer tegen elkaar worden afgewogen. Waarom het ene belang zwaarder weegt dan het andere zal veelal maar zeer beperkt kunnen worden gemotiveerd. Dat zal uit een nauwkeurige omschrijving van de belangen die in ogenschouw worden genomen moeten volgen. (…) Hiermee wil geenszins gezegd zijn dat een goede motivering in een kortgedingvonnis heel uitvoerig moet zijn of dat op alle stellingen en weren tot in detail moet worden ingegaan. (…) Waarom het gaat is dat uit de motivering van het vonnis blijkt dat de kern van de zaak met voldoende diepgang onder ogen is gezien en dat daarbij de standpunten en argumenten van de partijen die van belang zijn voor de beslissing zijn meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaruit zal dan ook blijken dat en waarom hetgeen verder nog is aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt.” [noten niet overgenomen, A-G] Wat Boonekamp in deze passage stelt over motivering van uitspraken in kort geding, laat zich m.i. ook transponeren naar de motiveringseisen voor de OK bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het treffen door de OK van onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW wordt later niet nog eens door haar, laat staan door een andere feitenrechter, ‘ten gronde’ beoordeeld (te onderscheiden van de mogelijke latere beoordeling door de OK in het kader van hetzelfde geding in hoeverre een eenmaal getroffen onmiddellijke voorziening, gegeven de dan voorliggende omstandigheden van het geval, nog gehandhaafd dient te worden). Onmiddellijke voorzieningen preluderen naar de aard ook niet op een beschikking van de OK naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW (‘eerste procedure’) of art. 2:355 lid 1 BW (‘tweede procedure’) en hebben in die zin geen voorlopig karakter (te onderscheiden van de toepassing van art. 2:349a lid 3 BW, wat mede vergt dat er naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van de rechtspersoon), maar vormen in zoverre een eindbeslissing in termen van een ‘ordemaatregel’, met dien verstande dat de getroffen voorziening wel een tijdelijk karakter moet hebben, al hoeven de gevolgen ervan niet per definitie omkeerbaar te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wees onder 3.4 hiervoor al op de praktijk van enquêteprocedures, waarbij het accent is verschoven naar het treffen van onmiddellijke voorzieningen die het geschil in feite beslechten. De OK stuurt daarop dan ook wel aan, bijvoorbeeld, zoals in de onderhavige zaak (zie rov. 3.16 van Beschikking II), door de benoeming van een onderzoeker aan te houden opdat kan worden bezien of reeds door de te treffen onmiddellijke voorziening(en) een oplossing van het geschil kan worden bereikt (zie ook onder 3.5 hiervoor). Een ‘tweede procedure’ zoals hiervoor bedoeld (zie ook onder 3.4 hiervoor), wordt daardoor in de praktijk nog maar betrekkelijk weinig doorlopen; het geschil wordt dikwijls al beslecht in de ‘eerste procedure’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus bezien kan ook hier worden gezegd, vrij naar Boonekamp, dat, wat betreft een beperking van de aan de motivering te stellen eisen, niet langer overtuigt dat het bij het treffen door de OK van een onmiddellijke voorziening ex art. 2:349a BW ‘slechts’ om een voorlopige beslissing zou gaan (al geldt ook daar, mede gelet op art. 2:349a lid 1 BW, dat ter zake spoed betracht dient te worden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat hogere eisen mogen worden gesteld aan de motivering door de OK, naarmate de getroffen onmiddellijke voorziening een ingrijpender karakter kent, wordt in literatuur over art. 2:349a leden 2 en 3 BW al langer aangenomen. In de onderhavige zaak kan onder meer worden gesproken van onmiddellijke voorzieningen met een ingrijpend karakter voor het lid Aloysius, mede gelet op het verlies van haar ‘vetorecht’ waar het gaat om besluitvorming door de algemene vergadering van de Coöperatie (zie ook onder 3.3, 3.9 en 3.11 hiervoor). Van de desbetreffende beschikking (Beschikking II in dit geval) mag, gelet op het voorgaande, dus verwacht worden dat daarin door de OK, al met al, voldoende nauwkeurig wordt uiteengezet welke belangen over en weer tegen elkaar worden afgewogen. Als beperking in de motivering geldt ook voor een dergelijke OK-beschikking evenwel, en evenzeer passend bij het discretionaire karakter van de bevoegdheid van de OK om ex art. 2:349a BW onmiddellijke voorzieningen te treffen (zie ook onder 3.4 hiervoor), dat veelal maar zeer beperkt gemotiveerd zal kunnen worden waarom, per saldo, het ene belang zwaarder weegt dan het andere. Ook dat ligt in lijn met de hiervoor geciteerde observaties van Boonekamp, onder meer waar hij schrijft dat dit laatste zal moeten volgen uit een nauwkeurige omschrijving door de rechter van de belangen die in ogenschouw worden genomen. Ik herhaal nogmaals zijn slotsom: “Hiermee wil geenszins gezegd zijn dat een goede motivering in een kortgedingvonnis heel uitvoerig moet zijn of dat op alle stellingen en weren tot in detail moet worden ingegaan. (…) Waarom het gaat is dat uit de motivering van het vonnis blijkt dat de kern van de zaak met voldoende diepgang onder ogen is gezien en dat daarbij de standpunten en argumenten van de partijen die van belang zijn voor de beslissing zijn meegewogen. Daaruit zal dan ook blijken dat en waarom hetgeen verder nog is aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs hier ook op Schild, die mede het volgende schrijft over de motiveringseisen voor de OK bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW en de (beperkte) toetsing daarvan in cassatie: “In beginsel zal uit de vastgestelde feiten moeten volgen dat de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen noopt. De (voorlopig) vastgestelde feiten dienen te ‘tonen’ dat een getroffen onmiddellijke voorziening gerechtvaardigd is. Valt zulks niet zonder meer uit vastgestelde feiten af te leiden, dan gelden verhoogde motiveringseisen.De Hoge Raad kan zowel (i) de vraag of de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek aanleiding geeft tot het treffen van voorzieningen, als (ii) de vraag welke onmiddellijke voorzieningen geïndiceerd zijn, alleen marginaal toetsen. Beoordeeld wordt of de Ondernemingskamer in redelijkheid tot het treffen van een onmiddellijke voorziening heeft kunnen besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus heeft de Ondernemingskamer een ruime discretionaire bevoegdheid bij het treffen van voorzieningen. Het is begrijpelijk dat de Hoge Raad zich op dit punt terughoudend wenst op te stellen. Een beoordeling van de vraag welke onmiddellijke voorzieningen in het concrete geval geïndiceerd zijn betreft een beoordeling van de omstandigheden van het geval, welke beoordeling is voorbehouden aan de feitenrechter. De toetsing in cassatie is in wezen een toetsing of de Ondernemingskamer door het treffen van een bepaalde voorziening niet zodanig heeft gehandeld dat geen sprake meer is van een fair balance in het licht van de op het spel staande belangen. Een toetsing op proportionaliteit derhalve.” [curs. in origineel, noten niet overgenomen, A-G] 3.14 Een vraag die met het voorgaande verband houdt, is of de motiveringseisen voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW de toets van art. 6 EVRM kunnen doorstaan. Een voorvraag die in dat kader eerst bevestigend moet worden beantwoord, is of door het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a BW burgerlijke rechten en verplichtingen (civil rights and obligations) in het geding zijn: in de onderhavige zaak met name van leden van de Coöperatie. Nu de door de OK in Beschikking II getroffen onmiddellijke voorzieningen ertoe kunnen leiden dat vermogensrechtelijke verplichtingen aan een lid van de Coöperatie worden opgelegd (zie ook onder 3.2 hiervoor), is het minst genomen voorstelbaar dat die horde te nemen valt. Daarvan ga ik hierna dan ook uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onmiddellijke voorzieningen in het enquêterecht kunnen worden beschouwd als zogenoemde interim measures. In de Micallef-uitspraak is het EHRM omgegaan, kort gezegd door te bepalen dat procedures met betrekking tot dergelijke interim measures ook onder het bereik van art. 6 lid 1 EVRM kunnen vallen. Deze lijn wordt door het EHRM in de Micallef-uitspraak (onder het kopje “The new approach”) als volgt uiteengezet: “83. As previously noted, Article 6 in its civil ‘limb’ applies only to proceedings determining civil rights or obligations. Not all interim measures determine such rights and obligations and the applicability of Article 6 will depend on whether certain conditions are fulfilled.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">84.</span>First, the right at stake in both the main and the injunction proceedings should be ‘civil’ within the autonomous meaning of that notion under Article 6 of the Convention (see, inter alia, Stran Greek Refineries and Stratis Andreadis v. Greece, 9 December 1994, § 39, Series A no. 301-B; König v. Germany, 28 June 1978, §§ 89-90, Series A no. 27; Ferrazzini v. Italy [GC], no. 44759/98, §§ 24-31, ECHR 2001-VII; and Roche v. the United Kingdom [GC], no. 32555/96, § 119, ECHR 2005-X).</div>\n<p class=\"lf-p\">85.Second, the nature of the interim measure, its object and purpose as well as its effects on the right in question should be scrutinised. Whenever an interim measure can be considered effectively to determine the civil right or obligation at stake, notwithstanding the length of time it is in force, Article 6 will be applicable.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">86.</span>However, the Court accepts that in exceptional cases - where, for example, the effectiveness of the measure sought depends upon a rapid decision-making process - it may not be possible immediately to comply with all of the requirements of Article 6. Thus, in such specific cases, while the independence and impartiality of the tribunal or the judge concerned is an indispensable and inalienable safeguard in such proceedings, other procedural safeguards may apply only to the extent compatible with the nature and purpose of the interim proceedings at issue. In any subsequent proceedings before the Court, it will fall to the Government to establish that, in view of the purpose of the proceedings at issue in a given case, one or more specific procedural safeguards could not be applied without unduly prejudicing the attainment of the objectives sought by the interim measure in question.”</div>\n<p class=\"lf-p\">In het licht hiervan, wordt door Van Schaick en Visser betwijfeld of Nederlandse kortgedingvonnissen voldoen aan de motiveringseisen die uit art. 6 EVRM voortvloeien. Volgens deze schrijvers laat het EHRM alleen een verlichte motiveringsplicht toe in ‘exceptional cases’ (kennelijk verwijzend naar punt 86 van het arrest), waarbij het aan de aangesproken staat is te bewijzen dat de kortgedingrechter stond voor een uitzonderlijke situatie die rechtvaardigde dat een burgerlijk recht of burgerlijke verplichting werd vastgesteld zonder dat aan alle eisen van art. 6 EVRM was voldaan, en heeft het arrest zo bezien ingrijpende gevolgen voor het Nederlandse kort geding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen dit laatste wordt door Boonekamp ingebracht - en m.i. terecht - dat in zijn algemeenheid moeilijk gezegd kan worden dat kortgedinguitspraken, waarvoor volgens de Hoge Raad lichtere motiveringseisen gelden, niet voldoen aan de motiveringseisen die uit art. 6 EVRM voortvloeien. Volgens Boonekamp is de Hoge Raad aan die eisen tegemoet gekomen met de maatstaf die voortvloeit uit het Vredo/Veenhuis-arrest (zie ook onder 3.13 hiervoor). Daarbij is volgens mij ook van belang, dat de Hoge Raad de minimumeisen uit dat arrest (dus: dat de rechterlijke beslissing tenminste zodanig behoort te worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang opdat zij zowel voor partijen als voor derden, en in geval van het openstaan van een hogere voorziening de hogere rechter daaronder begrepen, controleerbaar en aanvaardbaar is) in een faillissementsrechtelijke zaak nader heeft uitgewerkt, onder verwijzing naar EHRM-rechtspraak: “[I]ndien en voor zover degene wiens faillissement wordt aangevraagd, gemotiveerd en relevant verweer heeft gevoerd, maar niettemin in staat van faillissement wordt verklaard, uit het vonnis dan wel het dat vonnis ondanks zijn hoger beroep bevestigende arrest, gelezen tegen de achtergrond van en in verband met de gedingstukken, ten minste met een redelijke mate van zekerheid moet zijn op te maken dat zijn verweer onder ogen is gezien alsmede op welke grond het is verworpen (vgl. EHRM 9 december 1994, Serie A, n° 303–A).”</p>\n<p class=\"lf-p\">De hier door de Hoge Raad vergelijkenderwijs aangehaalde EHRM-uitspraak van 9 december 1994 maakt deel uit van vaste rechtspraak, waaruit onder meer blijkt dat de motiveringseisen afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de procedure, en dat niet op iedere stelling ingegaan hoeft te worden, maar dat de rechter wel moet ingaan op stellingen die voor zijn beslissing van belang zijn (die kunnen leiden tot een andere uitkomst van het geding). In deze vaste rechtspraak heeft de Micallef-uitspraak van het EHRM geen verandering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ondernemingsrechtelijke literatuur wordt, onder verwijzing naar de opvatting van Van Schaick en Visser, niettemin gewezen op mogelijke implicaties van de Micallef-uitspraak van het EHRM voor de motivering door de OK van het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW. Hierbij moet worden bedacht dat het EHRM in de Micallef-uitspraak niets heeft overwogen over de omvang van de motiveringsplicht bij het treffen van interim measures en dat mij ook geen EHRM-rechtspraak bekend is die specifiek ingaat op de motiveringseisen die gelden in geval van interim measures. Eikelboom acht het niettemin “gezien de(…) preoccupatie met de noden van de rechtspersoon (…) mogelijk dat het in de praktijk is voorgevallen dat een verweer in strijd met art. 6 EVRM onbesproken bleef.” Hierbij moet m.i. onder meer bedacht worden dat art. 6 EVRM hier geen andere, althans zwaardere eisen, aan de motivering door de OK stelt dan die welke reeds rechtstreeks volgen uit het Nederlandse burgerlijke procesrecht. In dat licht bezien, begrijp ik ook de onder 3.13 hiervoor aangehaalde conclusie van A-G Timmerman in de DEM-zaak, waarin wat betreft de motivering door de OK van het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW geen afzonderlijke aandacht wordt besteed aan art. 6 EVRM in het algemeen en het Micallef-arrest van het EHRM in het bijzonder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cassatieklachten 3.15 Daarmee kom ik toe aan de bespreking van de cassatieklachten. Het cassatiemiddel is opgebouwd uit vijf onderdelen (genummerd 1 t/m 5). De onderdelen 1 en 2 zijn nader uitgewerkt in diverse subonderdelen, de onderdelen 3, 4 en 5 niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 1: “onmiddellijke voorziening tot benoeming en handhaving van [verweerster 4] als tijdelijk bestuurder”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.16 Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van de OK over de benoeming van [verweerster 4] , bij wijze van onmiddellijke voorziening, als tijdelijk bestuurder van de Coöperatie (rov. 3.5 en 4 van Beschikking I) en het oordeel van de OK over de handhaving van die benoeming (rov. 3.11 en 4 van Beschikking II). Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.17 Subonderdeel 1.1 klaagt dat de OK geen (althans onvoldoende althans onbegrijpelijke) (kenbare) aandacht heeft besteed aan twee essentiële stellingen van Aloysius over haar bezwaren tegen de persoon van [verweerster 4] . Deze stellingen houden, zakelijk weergegeven, in: (a) dat de (her)benoeming van [verweerster 4] op 28 juni 2019 door Aloysius niet wordt erkend en dat [verweerster 4] zich volgens Aloysius diende te onthouden van het uitbrengen van haar beweerdelijke ‘contractuele’ stem; en (b) dat Aloysius op grond van een aantal feiten en omstandigheden geen vertrouwen meer heeft in [verweerster 4] als bestuurder van de Coöperatie, en dat [verweerster 4] ‘onderdeel’ is geworden van de patstelling en ook anderszins te nauw betrokken is bij de feiten die aan de orde moeten komen in het (door Aloysius voorgestane) onderzoek naar het beleid en de gang van zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het subonderdeel doet daaraan geenszins af hetgeen de OK heeft geoordeeld in rov. 3.5 van Beschikking I en rov. 3.11 van Beschikking II, nu niet valt in te zien dat en waarom een andere persoon dan [verweerster 4] niet meer (althans evenzeer) geschikt zou zijn als tijdelijke bestuurder van de Coöperatie, mede in het licht van de genoemde essentiële stellingen van Aloysius over haar bezwaren tegen de persoon van [verweerster 4] . Volgens het subonderdeel “klemt [dit] temeer” gelet op het daarin vervolgens onder (i) t/m (vi) opgesomde, en “doet [a]an het voorgaande evenmin af” dat de leden van de Coöperatie (ook) niet in staat zijn gebleken te voorzien in een andere bestuurder van de Coöperatie (aangezien de OK bij de benoeming van een tijdelijke bestuurder niet wordt beperkt door de patstelling in de algemene vergadering waardoor de leden van de Coöperatie niet in staat zijn gebleken te voorzien in een andere bestuurder, en zij de keuze heeft uit een zeer brede ‘pool’ van potentiële tijdelijke bestuurders).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.18 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de in cassatie vaststaande, niet-bestreden feiten, blijkt dat de Coöperatie per 2 april 2018, als gevolg van het verstrijken van de benoemingstermijn van [bestuurder 5] (bestuurder van Aloysius) en [bestuurder 1] (bestuurder van Mutsaers), die beiden niet zijn herbenoemd, niet langer over een bestuur beschikte (zie ook onder 1.18 hiervoor). Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius hebben vervolgens [verweerster 4] aangezocht als interim-bestuurder van de Coöperatie (zie ook onder 1.22 hiervoor). Uit de op 28 september 2018 door de drie leden van de Coöperatie ondertekende offerte van [verweerster 4] blijkt onder meer dat zij gezamenlijk de wens hebben uitgesproken een interim-bestuurder te benoemen om de impasse in de besluitvorming van de Coöperatie te doorbreken (zie ook onder 1.23 hiervoor). [verweerster 4] is per 1 oktober 2018 aanvankelijk aangesteld voor een periode van drie maanden, waarna haar benoeming als interim-bestuurder van de Coöperatie met zes maanden is verlengd tot 1 juli 2019 (zie ook onder 1.23-1.24 en 1.27 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 7 juni 2019 heeft [verweerster 4] aan de leden van de Coöperatie verslag gedaan van haar bevindingen, analyses en conclusies. In het verslag heeft [verweerster 4] onder meer geconstateerd dat Aloysius zich niet aan de afspraken houdt en de continuïteit van de Coöperatie in gevaar brengt (zie ook onder 1.30 hiervoor). Vanaf dat moment is Aloysius zich tegen (voortzetting van) het interim-bestuurderschap van [verweerster 4] gaan verzetten (zie ook onder 1.31-1.37 hiervoor), waarna Mutsaers en De Wijnberg met het verzenden van een bezwarenbrief ex art. 2:349 lid 1 BW het enquêtetraject hebben gestart (zie ook onder 1.38 hiervoor). In de Pleitnotities zijdens Mutsaers en De Wijnberg onder 4, waarop Aloysius zich in het subonderdeel mede beroept, is in dit verband opgemerkt: “Als we de situatie van mei 2018 dan afzetten tegen de situatie van vandaag de dag: is er dan veel veranderd? Helaas niet. Ondanks het feit dat de Leden erin zijn geslaagd om ter beslechting van de binnen de Coöperatie bestaande geschillen een tijdelijk bestuurder te benoemen in de persoon van [verweerster 4] , heeft zij geconcludeerd dat het haar niet is gelukt om de geschillen te beslechten. Haar herbenoeming en stemrecht binnen de Algemene Ledenvergadering worden bovendien door Aloysius betwist. De door de advocaat van Aloysius genoemde geschilpunten zijn daarom stuk voor stuk nog actueel en daarmee nog urgenter dan anderhalf jaar geleden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De OK heeft, zowel in Beschikking I als in Beschikking II, voldoende (kenbare) aandacht besteed aan de in het subonderdeel onder (a) en (b) genoemde bezwaren (“essentiële stellingen”) van Aloysius tegen de persoon van [verweerster 4] . De beoordeling daarvan door de OK aldaar is niet ontoereikend gemotiveerd. Daartoe wijs ik op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Beschikking I heeft de OK in rov. 1.4, bij de weergave van het verloop van het geding, onder meer het verzoek van Aloysius weergegeven tot het bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding benoemen van een tijdelijke bestuurder van de Coöperatie, niet zijnde [verweerster 4] , waarbij ik aanteken dat Mutsaers en De Wijnberg (rov. 1.2) alsmede de Coöperatie (rov. 1.3) de OK hebben verzocht bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding, [verweerster 4] of een andere persoon te benoemen tot tijdelijke bestuurder van de Coöperatie. In rov. 3.2 van Beschikking I, onder de gronden van de beslissing, heeft de OK het verweer van Aloysius tegen de persoon van [verweerster 4] als volgt samengevat: “Aloysius heeft onder andere als verweer aangevoerd dat er geen plicht voor Aloysius was om in te stemmen met de (her)benoeming van [verweerster 4] en dat zij heeft gedaan wat in redelijkheid van haar verwacht kan worden om te komen tot een andere invulling van het bestuur van de Coöperatie. Volgens Aloysius diende [verweerster 4] zich te onthouden van het uitbrengen van haar beweerdelijke “contractuele stem”, omdat die niet rechtsgeldig is en omdat die verbonden was aan haar bestuurderschap en niet diende om haar invloed te geven op haar eigen herbenoeming. Aloysius heeft geen vertrouwen meer in [verweerster 4] als bestuurder van de Coöperatie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 3.5 van Beschikking I motiveert de OK de beslissing om [verweerster 4] , “voor zover zij vanaf 1 juli 2019 niet langer bestuurder is”, bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur als bedoeld in die rechtsoverweging (tot dat de OK een beslissing op de overige verzoeken heeft genomen en heeft besloten of en op welke wijze alsdan in het bestuur van de Coöperatie zal moeten worden voorzien) tot tijdelijke bestuurder van de Coöperatie te benoemen, daarbij bepalend dat [verweerster 4] zelfstandig bevoegd is de Coöperatie te vertegenwoordigen. De OK overweegt: “Ook indien, zoals voor de hand ligt, partijen ernaar zullen streven om door middel van mediation te komen tot afspraken gericht op duurzame samenwerking in het belang van de kinderen die, in het verzorgingsgebied van partijen, op speciaal onderwijs en jeugdzorg zijn aangewezen, vergt het belang van de Coöperatie dat gedurende dit traject [dus: om door middel van mediation te komen tot afspraken gericht op duurzame samenwerking in het belang van de kinderen die, in het verzorgingsgebied van partijen, op speciaal onderwijs en jeugdzorg zijn aangewezen, A-G] geen onzekerheid bestaat over de vraag of er een rechtsgeldig benoemde bestuurder van de Coöperatie is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze overweging vormt de schriftelijke neerslag van de mondelinge uitspraak van de OK op de zitting van 29 augustus 2019 (zie ook rov. 1.5 van Beschikking I). Deze overweging strookt met de verzoeken van zowel Mutsaers en De Wijnberg als de Coöperatie, zoals door de OK weergegeven in respectievelijk rov. 1.2 en 1.3 van Beschikking I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de zinsnede in rov. 3.5 van Beschikking I “voor zover zij [ [verweerster 4] , A-G] vanaf 1 juli 2019 niet langer bestuurder is”, doelt de OK op de herbenoeming van [verweerster 4] op de algemene vergadering van de Coöperatie van 28 juni 2019 (zie ook rov. 2.15 Beschikking I, weergeven onder 1.34 hiervoor), waarin [verweerster 4] met haar ‘contractuele’ stem, evenals Mutsaers en De Wijnberg, voor haar voorgestelde herbenoeming heeft gestemd, waarop het besluit tot herbenoeming door de algemene vergadering is aangenomen, wat door Aloysius, die tegen de voorgestelde herbenoeming heeft gestemd, niet wordt erkend. Hieruit volgt dat het bezwaar van Aloysius tegen de persoon van [verweerster 4] zoals weergegeven in dit subonderdeel onder (a), en onderkend door de OK in rov. 3.2 van Beschikking I, door de OK onder ogen is gezien en is verworpen, althans dat de OK het belang van de rechtspersoon (de Coöperatie) bij benoeming van [verweerster 4] als haar tijdelijke bestuurder zwaarwegender heeft geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de herbenoeming van [verweerster 4] niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, heeft de OK die benoeming bij wijze van onmiddellijke voorziening en voor beperkte duur geformaliseerd. Het bezwaar van Aloysius tegen de persoon van [verweerster 4] zoals tot uitdrukking gebracht in haar stelling weergegeven in het subonderdeel onder (b), dat door de OK is onderkend in rov. 3.2 van Beschikking I (“Aloysius heeft geen vertrouwen meer in [verweerster 4] als bestuurder van de Coöperatie”), heeft in de door de OK gemaakte belangenafweging, waarvan rov. 3.5 van Beschikking I dus de schriftelijke neerslag vormt en waarbij het belang van de Coöperatie dus voorop staat (zie ook onder 3.2, 3.4 en 3.12 hiervoor), niet geleid tot benoeming van een andere tijdelijke bestuurder dan [verweerster 4] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Een en ander heeft de OK, daarop voortbouwend, ook tot uitdrukking gebracht met rov. 4 van Beschikking I.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 3.4 van Beschikking II geeft de OK opnieuw de bezwaren van Aloysius tegen de persoon van [verweerster 4] weer, waarop in het subonderdeel onder (a) en (b) wordt gedoeld. In rov. 3.11 van Beschikking II overweegt de OK vervolgens dat het: “met het oog op de toestand van de Coöperatie noodzakelijk [wordt geacht] om de benoeming van [verweerster 4] als tijdelijk bestuurder van de Coöperatie, bij beschikking van 29 augustus 2019, te handhaven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze overweging moet mede worden gelezen in samenhang met rov. 3.13 van Beschikking II. Daarin overweegt de OK onder meer, na in rov. 3.12 van Beschikking II te hebben gewezen op andere aanwending van art. 2:349a lid 2 BW waartoe de daarvóór (met name in rov. 3.6-3.10 van Beschikking II) beschreven toestand van de Coöperatie noopt, dat: “[h]et belang van de Coöperatie verder [vergt] dat geen onzekerheid meer bestaat over de vraag of [verweerster 4] nog steeds beschikt over een contractu[eel] stemrecht dat de leden aan [verweerster 4] hebben toegekend.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De OK beslist dat de benoeming van [verweerster 4] als tijdelijke bestuurder van de Coöperatie wordt gehandhaafd (zie in dat verband ook rov. 3.14 van Beschikking II), maar dat zij geen stemrecht heeft in de algemene vergadering van de Coöperatie (rov. 3.13 en 4 van Beschikking II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het subonderdeel deze overwegingen van de OK in Beschikking I en Beschikking II anders leest, gaat het uit van een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel klaagt dat de OK haar in het subonderdeel bestreden oordelen nog weer nader had moeten motiveren, geldt dat Aloysius daarmee te hoge eisen stelt aan de motiveringsplicht van de OK bij het treffen van een onmiddellijke voorziening zoals de onderhavige. Hierbij teken ik aan dat de OK de in het subonderdeel genoemde bezwaren onder (a) en (b) van Aloysius kenbaar heeft betrokken en dat het benoemen van een tijdelijke bestuurder van de Coöperatie als zodanig niet ter discussie stond, nu ook Aloysius daarom heeft verzocht, maar dat partijen van opvatting verschilden over de uitwerking van die voorziening, over de persoon van die tijdelijke bestuurder, al dan niet zijnde [verweerster 4] . Bij een dergelijke keuze komt aan de OK een ruime discretionaire bevoegdheid toe, die zij hier heeft aangewend in het belang van de Coöperatie en (ook overigens) met inachtneming van de daarbij geldende begrenzingen. Zie ook onder 3.2-3.4 en 3.12-3.14 hiervoor. Daaraan doet niet af hetgeen overigens nog is opgemerkt in het subonderdeel, in de opsomming onder (i) t/m (vi) en de slotalinea (ook weer met een (i) en een (ii)). Daarover merk ik - ten overvloede - nog het volgende op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de opmerking onder de eerste (i) dat “de OK ook nodig heeft geacht om te bepalen dat [verweerster 4] geen stem toekomt in de algemene vergadering” (rov. 3.13 van Beschikking II), merk ik op dat de OK dit nodig heeft geacht in verband met het daaraan voorafgaande in rov. 3.12 van Beschikking II, wat eveneens betrekking heeft op het belang van de Coöperatie en weer voortbouwt op met name rov. 3.6-3.11 van Beschikking II (“De hiervoor beschreven toestand van de Coöperatie”, etc.). Onzekerheid over het “nog steeds” bestaan van de ‘contractuele’ stem die de leden van de Coöperatie aan [verweerster 4] hebben toegekend, verdraagt zich niet goed met die overige door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen juist vanwege die door de OK beschreven toestand van de Coöperatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De OK overweegt niet dat de (her)benoeming van [verweerster 4] niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, en ook niet dat [verweerster 4] zich had moeten onthouden van het uitbrengen van haar beweerdelijke ‘contractuele’ stem. Wat betreft de “(morele) bezwaren” die Aloysius heeft geuit tegen de wijze waarop [verweerster 4] opereerde als bestuurder, dit wordt onder (iv) toegelicht met het verwijt dat “ [verweerster 4] eerder blijk had gegeven van een bereidheid om de accountant in het kader van de controle van de jaarrekening op het verkeerde been te zetten.” Daarover hebben Aloysius, Mutsaers en De Wijnberg, en [verweerster 4] zich uitgelaten, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. De OK heeft ook het door Aloysius aangevoerde over de (morele) bezwaren tegen [verweerster 4] als bestuurder van de Coöperatie in rov. 3.4 van Beschikking II (en in rov. 3.2 van Beschikking I) kenbaar onderkend (“Aloysius heeft geen vertrouwen meer in [verweerster 4] als bestuurder van de Coöperatie”), maar het niettemin (in rov. 3.11 van Beschikking II) “met het oog op de toestand van de Coöperatie noodzakelijk [geacht] om de benoeming van [verweerster 4] als tijdelijk bestuurder van de Coöperatie, bij beschikking van 29 augustus 2019, te handhaven.” Wat betreft het genoemde onder (i) t/m (vi): daarmee stuurt Aloysius overigens in essentie aan op een feitelijke herbeoordeling van de beslissing, bij wijze van onmiddellijke voorziening, tot benoeming van [verweerster 4] tot tijdelijke bestuurder van de Coöperatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een dergelijke herbeoordeling is in cassatie geen plaats. Het subonderdeel ziet er onder (vi) bovendien aan voorbij dat het onderzoek zich mede kan uitstrekken over een periode waarin de rechtspersoon die voorwerp is van het onderzoek functioneerde onder het regime van onmiddellijke voorzieningen. Dat rekening zou moeten worden gehouden met de mogelijkheid dat uit het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken zou blijken dat sprake is van wanbeleid of een onjuiste gang van zaken waarvoor [verweerster 4] (mede)verantwoordelijk zou zijn, staat niet reeds op zichzelf in de weg aan de benoeming van [verweerster 4] tot tijdelijke bestuurder. De beschikkingen van de OK bevatten overigens geen concrete aanwijzingen voor verwijten aan het adres van [verweerster 4] , zoals mede blijkt uit rov. 3.6-3.11 van Beschikking II en het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder (v) wordt nog verondersteld dat de OK de in rov. 3.10 van Beschikking II bedoelde (en op rov. 3.6-3.9 van Beschikking II gebaseerde) gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van de Coöperatie “heeft ‘gekoppeld’ aan het handelen of nalaten van “partijen” (…) waaronder dus - nota bene - van [verweerster 4] ”, aan wie de OK “dus ook (onder meer) heeft ‘toegerekend’” dat, samengevat, zij er niet in slagen op korte termijn tot afspraken te komen gericht op duurzame samenwerking (rov. 3.7 van Beschikking II). [verweerster 4] wordt weliswaar in zowel Beschikking I als Beschikking II aangeduid als (in persoon verschenen) belanghebbende, maar daaruit volgt niet dat de OK in onder meer rov. 3.7 van Beschikking II met “partijen” mede verwijst naar [verweerster 4] .</p>\n<p class=\"lf-p\">In samenhang gelezen met onder meer rov. 3.1-3.4 alsmede rov. 3.6 en 3.8-3.9 van Beschikking II, is duidelijk dat de OK hier met “partijen” het oog heeft op de leden Mutsaers en De Wijnberg enerzijds en Aloysius anderzijds alsmede de Coöperatie, niet specifiek ook en los daarvan op [verweerster 4] . Dit strookt ook met rov. 3.16 van Beschikking II, waarin de OK mede overweegt dat zij de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog zal aanhouden opdat kan worden bezien of reeds door de te treffen onmiddellijke voorzieningen (waaronder dus handhaving van de benoeming van [verweerster 4] als tijdelijke bestuurder van de Coöperatie, als bedoeld in rov. 3.11 van Beschikking II) “een oplossing van het geschil kan worden bereikt”, waarop de OK nog laat volgen dat “[i]eder der partijen” of de door de OK “benoemde bestuurder en commissaris” (die de OK dus niet onder die “partijen” schaart) op elk moment de OK kan verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bovendien hierna, in het kader van de in de slotalinea van het subonderdeel onder (ii) gemaakte opmerking, over andere benoemingen door de OK van [verweerster 4] als functionaris. Daarmee gaat het subonderdeel dus ook uit van een verkeerde lezing van deze beschikkingen en mist het tevens feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de in de slotalinea onder (i) gemaakte opmerking: het is weliswaar op zichzelf juist dat de OK bij de benoeming van een tijdelijke bestuurder bij wijze van onmiddellijke voorziening niet wordt beperkt door de daar bedoelde patstelling in de algemene vergadering van de Coöperatie, maar dat is een algemene waarheid waaruit niet volgt dat de OK niet heeft kunnen komen tot de benoeming van [verweerster 4] als tijdelijke bestuurder in Beschikking I en Beschikking II, zoals zij dat in die beschikkingen heeft gedaan. Zoals hiervoor uiteengezet, heeft de OK daarbij ook kenbaar rekening gehouden met de in het subonderdeel onder (a) en (b) bedoelde bezwaren van Aloysius tegen de persoon van [verweerster 4] en was zij tot nog weer een nadere motivering ter zake niet gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaraan doet evenmin af de in de slotalinea onder (ii) gemaakte opmerking over, kort gezegd, de ‘pool’ van potentiële functionarissen die de OK bij wijze van onmiddellijke voorziening ex art. 2:349a BW zou kunnen benoemen. Op de website van de OK op rechtspraak.nl is in 2015 een ‘Protocol lijst van OK-functionarissen Ondernemingskamer’ gepubliceerd. Daaruit blijkt dat de OK beschikt over een lijst van personen waaruit zij kan putten bij het benoemen of aanwijzen van functionarissen (met name onderzoekers, bestuurders, commissarissen, beheerders van aandelen en deskundigen). Deze lijst is niet openbaar. Het is evenwel bepaald niet denkbeeldig dat [verweerster 4] deel uitmaakt van deze ‘pool’ van potentiële functionarissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo is zij zowel voor als na de onderhavige zaak door de OK tevens in andere enquêtes benoemd tot tijdelijke bestuurder of tijdelijke commissaris/toezichthouder. Het is voorts aan de OK om een geschikte en beschikbare persoon als functionaris (zoals tijdelijke bestuurder) te benoemen, waarvoor het niet noodzakelijk is dat die persoon ook reeds op die lijst staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.19 Subonderdeel 1.2 klaagt dat de OK heeft miskend dat (i) bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen voldoende rekening moet worden gehouden met, en een billijke afweging moet plaatsvinden van, de belangen van de betrokken partijen (in dit geval dus ook de belangen van Aloysius bij, kort gezegd, een tijdelijke bestuurder niet zijnde [verweerster 4] ) en/of (ii) de noodzaak van deze onmiddellijke voorziening moet zijn gebleken (dus dat een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn, wat in dit geval betekent dat moet zijn gebleken dat de benoeming van een andere persoon dan [verweerster 4] tot tijdelijke bestuurder van de Coöperatie niet effectief zou zijn). Indien de OK het voorgaande niet heeft miskend, zijn/is Beschikking I en/of Beschikking II volgens het subonderdeel onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat daaruit niet (althans onvoldoende) blijkt dat de OK aan het treffen van deze onmiddellijke voorziening op voldoende wijze een dergelijke billijke afweging van de betrokken belangen en/of een dergelijke noodzakelijkheidstoets ten grondslag heeft gelegd, mede in het licht van subonderdeel 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.20 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De OK heeft bij het treffen van de door het onderdeel bestreden onmiddellijke voorzieningen in Beschikking I en Beschikking II voldoende rekening gehouden met, en een billijke afweging gemaakt van, de belangen van de betrokken partijen, onder wie Aloysius; de noodzaak van de bestreden onmiddellijke voorzieningen is ook gebleken. De OK is daarmee, zoals gezegd, binnen de kaders van art. 2:349a leden 2 en 3 BW gebleven en was ook niet gehouden haar oordeel ter zake nader te motiveren. Zie ook onder 3.2-3.4, 3.12-3.14 en 3.18 hiervoor. In Beschikking I blijkt het rekening houden met de belangen van Aloysius mede uit rov. 3.2 en de noodzaak van het benoemen van [verweerster 4] tot tijdelijke bestuurder van de Coöperatie mede uit rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Beschikking II blijkt het rekening houden met de belangen van Aloysius mede uit rov. 3.4 en 3.13 en de noodzaak van het handhaven van die benoeming mede uit rov. 3.11 en 3.15. Ik verwijs ook naar de bespreking van subonderdeel 1.1. Dat de belangenafweging van de OK in dit verband niet ertoe heeft geleid dat, in lijn met het verzoek van Aloysius (zie rov. 1.4 van Beschikking I en rov. 1.4 van Beschikking II), een tijdelijke bestuurder niet zijnde [verweerster 4] is benoemd, wil uiteraard niet zeggen dat haar bezwaren ter zake niet zijn meegenomen in de billijke afweging die de OK heeft gemaakt. De noodzaak van de benoeming van een tijdelijke bestuurder van de Coöperatie staat ook buiten kijf, nu Aloysius zelf, net als de Coöperatie en haar overige leden (Mutsaers en De Wijnberg), ook om de benoeming van een tijdelijke bestuurder heeft verzocht (rov. 1.4 van Beschikking I en rov. 1.4 van Beschikking II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel kan niet worden gevolgd in de opvatting dat het niet effectief zijn van een minder ingrijpende maatregel in dit geval zou betekenen, dat moet zijn gebleken dat de benoeming van een andere persoon dan [verweerster 4] tot tijdelijke bestuurder van de Coöperatie niet effectief zou zijn. Niet valt in te zien dat het benoemen van een andere persoon dan [verweerster 4] tot tijdelijke bestuurder op hier relevante wijze minder ingrijpend is dan het in Beschikking I formaliseren van de benoeming van [verweerster 4] , die reeds als interim-bestuurder bij de Coöperatie was betrokken, en het in beschikking II handhaven van diezelfde benoeming tot tijdelijke bestuurder, gelet op de vigerende omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of zo’n ordemaatregel “minder ingrijpend” is, moet de OK niet beoordelen louter bezien vanuit het belang van één lid, zoals hier Aloysius, maar gelet op en onder afweging van de belangen van de Coöperatie en al haar leden onder wie Aloysius, waarbij het belang (de toestand) van de Coöperatie hier centraal staat. Zie ook weer onder 3.2-3.4 en 3.12-3.14 hiervoor. En dat is wat de OK hier heeft gedaan, op toereikend gemotiveerde wijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2: “doorslaggevende stem van tijdelijk commissaris in de algemene vergadering”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.21 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.12 en 4 van Beschikking II, waarin de OK bij wijze van onmiddellijke voorziening, voor zover nodig in afwijking van de statuten, een tijdelijke commissaris van de Coöperatie heeft benoemd die een doorslaggevende stem in de algemene vergadering heeft en waarbij de OK heeft bepaald dat alle besluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen, in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden en de commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden, ook als in de statuten en/of tussen de Coöperatie, Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius contractueel anders is bepaald. Volgens het onderdeel, dat nog wijst op hetgeen de OK ‘kort samengevat’ in dit kader heeft overwogen (ook wijzend op rov. 3.6-3.10 en 3.15), zijn deze oordelen en beslissingen rechtens onjuist althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel valt uiteen in vijf subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.22 Subonderdeel 2.1 klaagt dat de OK geen (althans onvoldoende althans onbegrijpelijke) (kenbare) aandacht heeft besteed aan een aantal, in het subonderdeel als a t/m g geletterde, essentiële stellingen van Aloysius (ieder afzonderlijk of één of meerdere, al dan niet in onderlinge samenhang beschouwd). Deze stellingen komen er, “zeer kort samengevat”, op neer dat het vetorecht van ieder lid ten aanzien van de financiële bijdragen door de leden en ten aanzien van statutenwijzigingen op grond van de statuten en/of de Mantelovereenkomst, mede gezien in het licht van de aard van de Coöperatie en het onderhavige geschil en/of de bepalingen van de Wet op de expertisecentra, meebrengt dat de leden controle moeten hebben over (de besluitvorming over) hun financiële bijdragen en het niet aan anderen is (ook niet via het enquêterecht) om te beschikken over ‘de portemonnee’ van een lid. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien dat en waarom deze essentiële stellingen van Aloysius (waarvan de juistheid door de OK in het midden is gelaten, zodat de juistheid van deze stellingen in cassatie als vaststaand geldt) niet in de weg staan aan (althans relevant zijn bij) een beslissing tot het treffen van deze onmiddellijke voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel klaagt voorts (“Bovendien”) dat de OK niet (althans onvoldoende althans onbegrijpelijk) heeft gerespondeerd op de door Aloysius aangedragen minder ingrijpende maatregelen, waarbij geldt: “Hoe ingrijpender de onmiddellijke voorzieningen, hoe zwaarder de motiveringseisen”. Volgens het subonderdeel geldt kennelijk als minst ingrijpende maatregel een onmiddellijke voorziening waarbij door middel van een tijdelijke afwijking van de statuten besluitvorming geschiedt op basis van het principe dat de zeggenschap van een lid evenredig is aan de financiële bijdrage van dat lid of (subsidiair) door middel van een tijdelijke afwijking van de statuten stemrecht in de algemene vergadering wordt toegekend aan een bestuurder die niet tevens lid is (en niet zijnde [verweerster 4] ), zodat besluiten waarvoor een drie/vierde meerderheid is vereist kunnen worden genomen zonder dat leden kunnen worden gedwongen om een bepaalde contributie te betalen (ten aanzien waarvan een unanimiteitsvereiste geldt).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.23 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De OK heeft bij het treffen van de onmiddellijke voorzieningen die in dit onderdeel worden bestreden, de in cassatie onbestreden feiten tot uitgangspunt genomen (zie met name onder 1.5-1.9, 1.12-1.13, 1.15-1.17, 1.19-1.21, 1.25-1.26 en 1.28-1.31 hiervoor). Mutsaers en De Wijnberg hebben de OK onder meer verzocht te bepalen dat in afwijking van de statuten van de Coöperatie, alle besluiten door de algemene vergadering worden genomen met een meerderheid van ten minste twee/derde van de uitgebrachte stemmen, althans te bepalen dat, in afwijking van de statuten, de tijdelijke bestuurder in de algemene vergadering stemrecht heeft, waarbij bij het staken van stemmen de stem van de tijdelijke bestuurder doorslaggevend is en bij besluiten die conform de statuten unanimiteit vereisen de stem van de tijdelijke bestuurder beslissend is, en te bepalen dat, in afwijking van de statuten, in de algemene vergadering ook besluiten kunnen worden genomen indien niet alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn, dan wel een andere voorziening te treffen die de OK juist acht (rov. 1.2 van Beschikking II, zie ook onder 2.1 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Coöperatie heeft de OK onder meer verzocht bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding de statutair vereiste unanimiteit of drie/vierde meerderheid voor besluitvorming door de algemene vergadering voor de duur van het geding te vervangen door een gewone meerderheid van stemmen met benoeming van een onafhankelijke functionaris die in de ledenvergadering fungeert als vierde lid van de Coöperatie en een doorslaggevende stem heeft indien de stemmen staken (rov. 1.3 van Beschikking II, zie ook onder 2.2 hiervoor). Mutsaers, De Wijnberg en de Coöperatie hebben aan hun verzoeken ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van de Coöperatie en dat gelet op de toestand van de Coöperatie onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen (zie ook rov. 3.3 van Beschikking II, weergegeven onder 2.3 hiervoor, over wat zij daartoe ter toelichting onder meer naar voren hebben gebracht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aloysius heeft gemotiveerd verweer gevoerd en ook aangevoerd dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van de Coöperatie en dat gelet op de toestand van de Coöperatie onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen (rov. 1.4 van Beschikking II, zie ook onder 2.4 hiervoor). In rov. 3.4 van Beschikking II geeft de OK, in cassatie onbestreden, weer wat Aloysius onder meer naar voren heeft gebracht. Ik citeer uit die rov. 3.4 bijvoorbeeld (zie ook onder 2.4 hiervoor): “De meningsverschillen tussen partijen staan volgens Aloysius eraan in de weg dat er een jaarbegroting wordt vastgesteld en goedgekeurd, verhinderen dat contributiebesluiten worden genomen en hebben hun weerslag op de jaarrekening, waardoor het vaststellen daarvan moeizaam verloopt. (…) Anders dan Mutsaers, De Wijnberg en de Coöperatie betogen is het volgens Aloysius een welbewuste keuze geweest dat de statuten voor wat betreft de besluitvorming van de algemene vergadering uitgaan van een meerderheid van drie/vierde omdat het uitgangspunt was dat de leden wilden samenwerken op basis van consensus.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen deze achtergrond, en “gelet op hetgeen partijen in hun processtukken en ter zitting naar voren hebben gebracht”, komt de OK op basis van haar constateringen in rov. 3.6-3.9 in rov. 3.10 van Beschikking II tot het, in cassatie onbestreden, oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van de Coöperatie en dat een onderzoek zal worden bevolen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De OK overweegt vervolgens onder meer in rov. 3.12 van Beschikking II dat die in rov. 3.6-3.11 beschreven toestand van de Coöperatie ertoe noopt “dat een situatie in het leven wordt geroepen waarbij ten aanzien van de financiële aangelegenheden van de Coöperatie beslissingen kunnen worden genomen”, en acht het “mede daarom noodzakelijk” de desbetreffende, in dit onderdeel bestreden, onmiddellijke voorzieningen te treffen. Uit deze overwegingen, met name rov. 3.4 en 3.12 van Beschikking II, volgt dat de OK de in het subonderdeel genoemde stellingen van Aloysius over het ‘vetorecht’ ten aanzien van de financiële bijdragen door de leden en ten aanzien van statutenwijzigingen onder ogen heeft gezien, heeft betrokken in haar belangenafweging en heeft verworpen althans van onvoldoende gewicht heeft geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik begrijp rov. 3.12 van Beschikking II zo dat naar het oordeel van de OK de toestand van de Coöperatie zodanig is, dat het vetorecht van ieder lid van de Coöperatie moet worden doorbroken om uit de impasse in de algemene vergadering (waardoor belangrijke beslissingen niet meer kunnen worden genomen) te geraken. De aard van de Coöperatie en het onderhavige geschil (zie de stelling onder a, zie ook onder 3.2-3.3 en 3.9 hiervoor), het systeem van bekostiging van het speciaal onderwijs op grond van de Wet op de expertisecentra (zie de stelling onder b), de statuten (zie de stelling onder c) en de Mantelovereenkomst (zie de stelling onder d) doen, reeds naar de aard, niet af aan dat oordeel van de OK over doorbreking van het vetorecht van ieder lid (zie ook de stelling onder e).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat met de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen wordt afgeweken van hetgeen in de statuten en in de Mantelovereenkomst is bepaald, wordt overigens uitdrukkelijk door de OK betrokken in rov. 3.12 en 4 van Beschikking II (“ook als in de statuten en/of tussen de Coöperatie, Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius contractueel anders is bepaald”). Over het onder f genoemde (kort gezegd: dat “aan Aloysius geen verwijt is te maken ten aanzien van het verloop van de besluitvorming”, dat “[d]aar waar de besluitvorming hapert, [dat] komt doordat Mutsaers en De Wijnberg wars zijn van ieder compromis” en “hebben gezocht naar manieren om Aloysius hun wil te kunnen opleggen”, en dat daarmee “niet verenigbaar [is] dat juist de zeggenschap van Aloysius aan banden zou worden gelegd”) merk ik nog het volgende op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit heeft de OK, wat daarvan verder zij, mede gelet op het voorgaande niet nader hoeven te betrekken noch prohibitief hoeven achten voor het treffen van de onderhavige onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW. De toestand (het belang) van de Coöperatie staat hier, in het kader van onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW, centraal (zie ook onder 3.2, 3.4 en 3.12 hiervoor). Daarmee strookt dat, ook voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen in gevallen als de onderhavige, in wezen ‘curatieve enquêtes’, niet bepalend is in hoeverre enige betrokkene, zoals het lid Aloysius of de leden Mutsaers en/of De Wijnberg, al dan niet enig verwijt te maken valt omtrent een bepaald punt (zie ook onder 3.3 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">De stem van de onafhankelijke persoon die door de OK tot tijdelijke commissaris is benoemd, is doorslaggevend in de algemene vergadering van de Coöperatie; deze ordemaatregel is onderdeel van de bredere ingreep door de OK in rov. 3.12 en 4 van Beschikking II, waarmee zij niet beoogt juist de zeggenschap van Aloysius aan banden te leggen, maar op evenwichtige en doelmatige wijze de vrijwel totale patstelling in de algemene vergadering van de Coöperatie (waardoor belangrijke besluiten niet meer kunnen worden genomen) te doorbreken, wat insluit dat ook weer beslissingen genomen kunnen worden ten aanzien van de financiële aangelegenheden van de Coöperatie (zie ook onder 3.10-3.11 hiervoor). Van belang is daarbij dat de leden Mutsaers en De Wijnberg niet eigenstandig besluiten van de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen ‘doordrukken’ (zie ook onder 3.11 hiervoor) en dat zij, mede gelet op art. 2:8 BW en niettegenstaande rov. 2.2-2.3 van Beschikking II, ieder voor zich in brede zin bij besluitvorming door de algemene vergadering tevens rekening dienen te houden met de gerechtvaardigde belangen van zowel de Coöperatie als het lid Aloysius, waarbij ook betekenis toekomt aan de betrokkenheid van zowel een tijdelijke bestuurder als een tijdelijke commissaris (zie ook onder 3.7 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Relevant is voorts dat de OK niet heeft gekozen voor een verdergaande voorziening-variant, waarin aan de tijdelijke commissaris een ‘beslissende’ stem in de algemene vergadering van de Coöperatie zou toekomen of een gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen in de algemene vergadering zou volstaan, hetgeen de zeggenschap ook van het lid Aloysius in verdergaande mate had beperkt (zie ook onder 3.11 hiervoor). Verder, en aansluitend op dit laatste, valt ook hier het volgende inzake de stelling onder g te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het subonderdeel is nog gewezen op de “minder ingrijpende maatregelen” (zie de stelling onder g) die de OK, volgens het subonderdeel, als onmiddellijke voorzieningen had kunnen treffen. In het Verweerschrift zijdens Aloysius zijn deze maatregelen als volgt toegelicht: “314 De minst ingrijpende maatregel om er voor te zorgen dat de besluitvorming in de algemene vergadering niet wordt geblokkeerd maar wel recht wordt gedaan aan alle (financiële) belangen van de Leden, is een tijdelijke afwijking van de statuten. Deze tijdelijke afwijking roept een gefaseerde vorm van besluitvorming in het leven op basis van het principe wie betaalt, bepaalt: (i) Eerst wordt bij unaniem besluit ten aanzien van ieder boekjaar (dus separaat ten aanzien van 2017, 2018 en 2019) bepaald welke verdeelsleutel wordt gehanteerd met betrekking tot de contributie. (ii) Deze verdeelsleutel bepaalt vervolgens ook de stemverhoudingen met besluiten met betrekking tot dat jaar, indien deze besluiten van financiële aard zijn. Dus een Lid dat 25% van de contributie betaalt, mag ook 25% van alle stemmen uitbrengen. (iii) Alle besluiten ten aanzien van de financiën (onder meer het besluit om een jaarbegroting vast te stellen en de jaarrekening vast te stellen) worden met een meerderheid van ten minste 60% van de stemmen genomen. Dat geldt ook voor een besluit als bedoeld in art. 11 lid 2 sub i van de statuten waarin wordt bepaald dat de algemene ledenvergadering bij besluit kan bepalen dat het bestuur om een bepaalde rechtshandeling te verrichten de toestemming van de algemene vergadering nodig heeft (wat de mogelijkheid biedt om het doen van bepaalde uitgaven aan het goedkeuringsvereiste te onderwerpen, waarbij dan weer een meerderheid van 60% geldt).</p>\n<p class=\"lf-p\">315 Subsidiair wijst Aloysius op de mogelijkheid [voetnoot met verwijzing naar art. 2:38 lid 3 BW jo. art. 2:53a BW, A-G] om door middel van tijdelijk afwijken van de statuten stemrecht in de algemene ledenvergadering toe te kennen aan bestuurder die geen lid is. Op die manier kunnen de besluiten waarvoor een 3/4de meerderheid is vereist worden genomen, zonder dat Leden kunnen worden gedwongen om een bepaalde contributie te betalen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel zijdens Mutsaers en De Wijnberg als zijdens de Coöperatie is erop gewezen dat de onmiddellijke voorzieningen die in het Verweerschrift zijdens Aloysius worden voorgesteld, de vigerende patstelling in de algemene vergadering van de Coöperatie (waardoor belangrijke beslissingen niet meer kunnen worden genomen) hoogstwaarschijnlijk niet zal doorbreken. In de Pleitnotities zijdens Mutsaers en De Wijnberg wordt in dat verband gesteld: “27 Voor wat betreft de door Aloysius gevraagde onmiddellijke voorziening binnen de Algemene Ledenvergadering zijn Verzoeksters van mening dat die complex is. De eerste door Aloysius geformuleerde voorwaarde betreft namelijk het unaniem besluiten over de verdeelsleutel. Gelet op de principiële standpunten van partijen over de contributie en de verdeelsleutel valt redelijkerwijs te verwachten dat partijen deze horde niet zullen nemen. Daarnaast zal het koppelen van de omvang van het stemrecht aan de hoogte van de contributie tot gevolg kunnen hebben dat Aloysius het voor het zeggen krijgt. Feitelijk geldt dan omgekeerd het verwijt dat Aloysius thans Verzoeksters maakt. Indien de mate van zeggenschap indirect wordt gekoppeld aan het leerlingenaantal, kan daarop worden gestuurd en daarmee wordt dus ook de continuïteit van het KEC beïnvloed wegens schommelingen van het aantal leerlingen. Dat is onwenselijk. Daarentegen is het betalen voor de ruimte die door een lid wordt gebruikt veel redelijker en bovendien een prikkel om de Coöperatie te laten renderen en deze niet langer te beconcurreren. Ten overvloede merkt Mutsaers op dat de door Aloysius voorgestelde benadering voor haar niet uitvoerbaar is vanwege de wettelijke bekostigingssystematiek. Die wijkt af van die van Aloysius. [bestuurder 1] kan dit desgewenst nader toelichten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Pleitnotities zijdens de Coöperatie wordt hierover opgemerkt: “13 Gelet op de opstelling van Aloysius is haar voorstel voor een onmiddellijke voorziening over de besluitvorming niet reëel. Aloysius stelt voor eerst unaniem, ten aanzien van ieder afzonderlijk boekjaar, [te] bepalen welke financiële verdeelsleutel moet worden gehanteerd. Daar gaan partijen simpelweg niet uit komen, zo veel is inmiddels wel duidelijk. Er zal dus op een andere manier ingegrepen moeten worden om besluitvorming mogelijk te maken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het subsidiaire standpunt van Aloysius (in haar Verweerschrift onder 315) merk ik nog op dat dat in zoverre is gevolgd dat de OK voor de duur van het geding, voor zover nodig (ook) in afwijking van de statuten, een onafhankelijke functionaris heeft benoemd met “één doorslaggevende stem” in de algemene vergadering van de Coöperatie. Kennelijk mede ter tegemoetkoming aan de bezwaren van Aloysius tegen de persoon van [verweerster 4] (zie onderdeel 1), heeft de OK ervoor gekozen, in het belang van de Coöperatie, niet de tijdelijke bestuurder zijnde [verweerster 4] , maar een onafhankelijke persoon in de functie van tijdelijke commissaris dat stemrecht te geven. In de door Aloysius subsidiair voorgestelde onmiddellijke voorziening kunnen op die manier besluiten waarvoor een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen is vereist, worden genomen met één tegenstem, maar blijft het unanimiteitsvereiste (‘algemene stemmen’) voor bepaalde besluiten op grond van de statuten gelden, evenals kennelijk de quorumeis van een vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee wordt naar het oordeel van de OK in rov. 3.12 van Beschikking II, en gelet ook op hetgeen Mutsaers en De Wijnberg alsmede de Coöperatie daarover in hun Pleitnotities hebben opgemerkt, in ieder geval niet “een situatie in het leven geroepen waarbij ten aanzien van de financiële aangelegenheden van de Coöperatie beslissingen kunnen worden genomen”, wat dan logischerwijs ook niet zou leiden tot een doorbreking van de bestaande, vrijwel totale patstelling in de algemene vergadering van de Coöperatie (waardoor belangrijke beslissingen niet meer kunnen worden genomen). De OK benadrukt daarom in rov. 3.12 en 4 van Beschikking II, ingegeven door de in rov. 3.6-3.11 van Beschikking II beschreven toestand van de Coöperatie, en, als gezegd, blijk gevend van een evenwichtige en doelmatige benadering, dat alle besluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen, in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden en de tijdelijke commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop valt m.i., gelet op het voorgaande, niet noemenswaardig af te dingen. Zie ook onder 3.7 en 3.10-3.11 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de weergave hiervoor van de Pleitnotities zijdens Mutsaers en De Wijnberg blijkt dat de wettelijke bekostigingssystematiek ook voor Mutsaers een aandachtspunt is. Aloysius heeft zich in dat verband beroepen op de Wet op de expertisecentra (hierna: de WEC) (zie ook de stelling onder b). De WEC treft wettelijke voorzieningen voor het speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs ter bevordering van een ononderbroken ontwikkeling van de kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is. Op grond van art. 145a lid 1 WEC kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders, de rechtspersoon die de school in stand houdt een aanwijzing geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 145a lid 2 WEC bevat een limitatieve opsomming van wanbeheer. Het kan daarbij onder meer gaan om “financieel wanbeleid” (sub a) of “ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf dan wel een derde” (sub c). Het (indirect) betalen van facturen waaraan geen overeenkomst en/of geen daadwerkelijke werkzaamheden ten grondslag liggen, kwalificeert volgens Aloysius - ik denk: in beginsel terecht - als wanbeheer in de zin van de WEC. Dat volgens het subonderdeel onder b, welke stelling ook is onderkend door de OK in rov. 3.4 van Beschikking II, “Mutsaers met steun van [verweerster 4] aankoerst op het betalen van honderdduizenden euro’s door de Coöperatie aan Mutsaers voor beweerdelijke inzet van persoon waaraan geen overeenkomst ten grondslag ligt en waarover geen transparantie is betracht”, maakt evenwel niet dat de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen als zodanig in strijd zijn met bepalingen uit de WEC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betalen van facturen zonder dat daaraan een overeenkomst en/of daadwerkelijke werkzaamheden ten grondslag liggen/ligt, is feitelijk niet gebeurd (en zal m.i. door de aanwezigheid van de tijdelijke bestuurder, onder toezicht van de tijdelijke commissaris, ook niet snel gebeuren). Een hiervan te onderscheiden punt is de stelling van Aloysius in het subonderdeel onder b dat “het onverenigbaar is met het systeem van bekostiging van het speciaal onderwijs, indien een Lid die het bevoegd gezag is met betrekking tot een school bij meerderheidsbesluit zou kunnen worden gedwongen om een bepaald bedrag aan contributie te betalen. Dat zou immers hoogstwaarschijnlijk betekenen dat gelden die met een bepaald oormerk aan het bevoegd gezag zijn verstrekt op een andere manier worden aangewend.” De OK respondeert m.i. mede (en afdoende) op deze stelling in:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>rov. 3.13 van Beschikking II, met de benoeming van “een onafhankelijke persoon tot tijdelijk commissaris van de Coöperatie” die in de algemene vergadering van de Coöperatie “één doorslaggevende stem zal kunnen uitoefenen”, dit gelet ook op het in het leven roepen van een situatie “waarbij ten aanzien van de financiële gelegenheden van de Coöperatie beslissingen kunnen worden genomen”;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>rov. 3.14 van Beschikking II: “De te benoemen tijdelijk commissaris en tijdelijk bestuurder mogen het daarom mede tot hun taak rekenen om, in samenspraak met partijen en mede gelet op het belang van de kinderen die in het verzorgingsgebied van het KEC, op speciaal onderwijs en jeugdzorg zijn aangewezen, de in aanmerking komende scenario’s voor verdere samenwerking of ontvlechting te verkennen.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Het spreekt m.i. voor zich, en de OK was dan ook niet gehouden dat in zijn motivering te expliciteren, dat daarbij (dus: bij besluitvorming door de algemene vergadering, mede op basis van de aanwending door de tijdelijke commissaris van diens doorslaggevende stem in de algemene vergadering van de Coöperatie, en bij de gezamenlijke voortzetting of afwikkeling van de samenwerking binnen de Coöperatie) in beginsel binnen de voor de leden van de Coöperatie geldende wettelijke kaders moet worden gebleven, waaronder voor Aloysius dus de WEC. Zie ook onder 3.7 en 3.11 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De slotsom is dat de OK geen van de in het subonderdeel onder a t/m g genoemde stellingen van Aloysius over het hoofd heeft gezien, dat deze stellingen - individueel of in onderling(e) verband en samenhang bezien - niet in de weg staan aan de door de OK in rov. 3.12 en 4 van Beschikking II getroffen onmiddellijke voorzieningen, en dat de OK het treffen van die voorzieningen, mede gelet op het partijdebat en rov. 3.14 van Beschikking II, voldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Zie ook onder 3.3-3.4, 3.7 en 3.11-3.14 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.24 Subonderdeel 2.2 klaagt dat de OK heeft miskend dat (i) bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen voldoende rekening moet worden gehouden met, en een billijke afweging moet plaatsvinden van, de belangen van de betrokken partijen (waaronder dus ook de belangen van Aloysius bij haar in subonderdeel 2.1 genoemde vetorecht) en/of (ii) de noodzaak van deze voorziening moet zijn gebleken (dus dat een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn, hetgeen in dit geval (onder meer) betekent dat de door Aloysius in subonderdeel 2.1 genoemde minder ingrijpende maatregelen niet effectief zouden zijn). Indien de OK dat niet heeft miskend, is Beschikking II onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, aangezien daaruit niet (althans onvoldoende) blijkt dat de OK aan het treffen van deze onmiddellijke voorziening op voldoende wijze een dergelijke billijke afweging van de betrokken belangen en/of een dergelijke noodzakelijkheidstoets ten grondslag heeft gelegd, “mede in het licht” van subonderdelen 2.1 en 2.3 t/m 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.25 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 3.12 van Beschikking II heeft de OK gemotiveerd dat de betreffende onmiddellijke voorzieningen noodzakelijk zijn in verband met de toestand van de Coöperatie, zoals die mede volgt uit rov. 3.6-3.11 van Beschikking II. Daaruit blijkt onder meer dat sprake is van een vrijwel totale patstelling in de algemene vergadering van de Coöperatie, waardoor belangrijke beslissingen niet meer kunnen worden genomen. Dat de OK mede de belangen van Aloysius bij haar belangenafweging heeft betrokken, blijkt kenbaar onder meer uit: de (zakelijke, maar niettemin uitgebreide) weergave van het door Aloysius onder meer naar voren gebrachte: zie rov. 3.4 van Beschikking II; het toekennen van “één doorslaggevende stem” in de algemene vergadering van de Coöperatie aan een “onafhankelijke persoon” die tot tijdelijke commissaris van de Coöperatie wordt benoemd, zodat ook ten aanzien van financiële aangelegenheden van de Coöperatie beslissingen kunnen worden genomen: zie rov. 3.12 van Beschikking II; het hanteren van een gekwalificeerde meerderheidseis in combinatie met een quorumeis voor besluitvorming door de algemene vergadering, zie rov. 3.12 van Beschikking II; het bepalen dat [verweerster 4] geen stemrecht toekomt in de algemene vergadering, waarmee ook tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van Aloysius tegen het ‘contractuele’ stemrecht van [verweerster 4] , waarover onderdeel 1; zie rov. 3.13 (en 3.12) van Beschikking II; en het doel van de benoeming van “de tijdelijk commissaris en de tijdelijk bestuurder”, zoals uiteengezet in rov. 3.14 (en 3.11-3.13) van Beschikking II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de door Aloysius voorgestelde, bij de behandeling van subonderdeel 2.1 genoemde, minder ingrijpende maatregelen niet effectief zouden zijn, blijkt m.i. ook voldoende uit het oordeel van de OK. Bij die minder ingrijpende maatregelen (zie ook onder 3.23 hiervoor) blijft immers het unanimiteitsvereiste voor besluiten ten aanzien van financiële aangelegenheden in stand, waarmee die dus naar het oordeel van de OK niet effectief zijn om de door de OK geconstateerde vrijwel totale patstelling in de algemene vergadering (waardoor belangrijke beslissingen niet meer kunnen worden genomen) te doorbreken. Dat de OK de noodzakelijkheid en proportionaliteit van de door haar getroffen onmiddellijke voorzieningen in ogenschouw heeft genomen, blijkt voorts nog uitdrukkelijk uit rov. 3.15 van Beschikking II: “Meer of andere voorzieningen acht de Ondernemingskamer vooralsnog niet noodzakelijk. Indien de voorzieningen niet het beoogde gevolg hebben, zal nader kunnen worden bezien of verdergaande of andere voorzieningen zijn aangewezen.” [curs. toegevoegd, A-G] De OK blijft m.i. bij de door het subonderdeel bestreden onmiddellijke voorzieningen binnen het door art. 2:349a lid 2 BW gestelde kader van, kort gezegd, noodzakelijkheid en proportionaliteit. Voor zover het subonderdeel Beschikking II anders leest, gaat het uit van een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag. Overigens geldt dat het bestreden oordeel van de OK dus geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en geen nadere motivering behoefde. Zie ook onder 3.2-3.4, 3.7 en 3.11-3.14 hiervoor). Daaraan doet evenmin af de (cryptische) verwijzing aan het slot van het subonderdeel naar subonderdelen 2.1 en 2.3 t/m 2.5, welke subonderdelen eveneens falen, zoals uiteengezet bij de behandeling van die subonderdelen hiervoor en hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.26 Subonderdeel 2.3 klaagt dat de OK heeft miskend dat het treffen van de door het onderdeel bestreden onmiddellijke voorzieningen (in beginsel) in strijd is met de strekking van het enquêterecht. Indien de OK dat niet heeft miskend, is Beschikking II onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, omdat daaruit niet (althans onvoldoende) blijkt dat en waarom het treffen van de bestreden onmiddellijke voorzieningen niet in strijd is met de strekking van het enquêterecht, “mede in het licht van het voorgaande”.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.27 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel gaat m.i. terecht ervan uit dat men ‘doel’ en ‘strekking’ van het enquêterecht kan onderscheiden. In dit subonderdeel gaat het over (strijd met) “de strekking van het enquêterecht”, (strijd met) “de strekking en doeleinden van het enquêterecht” komt hierna aan de orde, bij subonderdeel 2.5. Hoewel doel en strekking van het enquêterecht van elkaar te onderscheiden zijn, vallen beide begrippen niet helemaal van elkaar te scheiden. De strekking van het enquêterecht gaat in essentie over de draagwijdte; over de vraag hoe ver het enquêterecht, in dit geval de door de OK in rov. 3.12 en 4 van Beschikking II getroffen onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW, zich kunnen en mogen uitstrekken om de doeleinden van het enquêterecht te bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merkte onder 3.3 hiervoor reeds op, dat de Hoge Raad in rov. 4.1 van zijn Ogem-beschikking verschillende doeleinden heeft ontleend aan “de ontstaansgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht, zoals deze is neergelegd in Boek 2 BW”. In de onderhavige zaak, een zogenoemde ‘curatieve enquête’ (zie ook onder 3.3 hiervoor), gaat het in wezen vooral om “de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon.” De hier door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen zijn, naar de kern genomen, gericht op doorbreking van de vrijwel totale patstelling in de algemene vergadering van de Coöperatie waardoor belangrijke beslissingen niet meer kunnen worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De OK mag verstrekkende onmiddellijke voorzieningen treffen om dat doel te bereiken. Ik wees onder 3.3-3.4 hiervoor reeds op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad waaruit dat volgt. De onmiddellijke voorzieningen die door het onderdeel worden bestreden, zijn m.i. in lijn met deze rechtspraak van de Hoge Raad door de OK getroffen. Zij zijn voorlopig van aard (“voor de duur van het geding”), er heeft een billijke afweging van de belangen van partijen (onder wie het lid Aloysius) plaatsgevonden en de noodzaak van deze onmiddellijke voorzieningen is voldoende gebleken, waarbij met name van belang is dat de door Aloysius naar voren gebrachte, minder ingrijpende maatregelen niet effectief zouden zijn (zie de behandeling van subonderdelen 2.1 en 2.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen het effect kunnen hebben dat door de aldus mogelijk gemaakte besluitvorming door de algemene vergadering Aloysius “in haar portemonnee” wordt geraakt, is wellicht niet onjuist, maar levert hoe dan ook geen strijd op met de strekking van het enquêterecht. De OK was ook niet gehouden nader te motiveren dat en waarom de door haar getroffen onmiddellijke voorzieningen niet in strijd komen met de strekking van het enquêterecht. Ten overvloede merk ik nog op dat het voor zich spreekt dat bij de besluitvorming door de algemene vergadering van de Coöperatie ook inzake financiële aangelegenheden (zie rov. 3.12 van Beschikking II), en bij gezamenlijke voortzetting dan wel afwikkeling van de samenwerking binnen de Coöperatie (zie rov. 3.14 van Beschikking II), in beginsel binnen de voor de leden geldende wettelijke kaders moet worden gebleven, waaronder voor Aloysius de WEC (zie ook onder 3.23 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarin brengen de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen geen verandering, net zo min als de werking van bijvoorbeeld art. 2:8 BW in dat kader. Zie ook onder 3.2-3.4, 3.7 en 3.11-3.14 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.28 Subonderdeel 2.4 klaagt dat de OK heeft miskend dat zij bepaaldelijk moet aangeven van welke statutaire bepalingen tijdelijk wordt afgeweken door het treffen van de door het onderdeel bestreden onmiddellijke voorzieningen en daarbij eveneens bepaaldelijk moet aangeven welke bevoegdheden (of maatregelen) zij met deze onmiddellijke voorzieningen op het oog heeft. Indien de OK dat niet heeft miskend, is Beschikking II onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het subonderdeel blijkt daaruit niet (althans onvoldoende) van welke statutaire bepalingen tijdelijk wordt afgeweken en is het onduidelijk of het gaat om alle besluiten of alleen om besluiten ten aanzien van financiële aangelegenheden. Verder rijst volgens het subonderdeel de vraag of ook besluiten die niet rechtsgeldig zijn geagendeerd en volgens de statuten alleen kunnen worden genomen op basis van unanimiteit onder de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen vallen. Volgens het subonderdeel wordt door het voorgaande de status van de bij het handelsregister gedeponeerde statuten onzeker. Zie voor een en ander het subonderdeel onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel klaagt verder dat “en/of” daaruit niet (althans onvoldoende) blijkt welke bevoegdheden (of maatregelen) de OK met de door het onderdeel bestreden onmiddellijke voorzieningen op het oog heeft ter afwijking van de statuten. Volgens het subonderdeel moet worden aangenomen dat met “één doorslaggevende stem” van de tijdelijke commissaris wordt bedoeld dat indien Mutsaers en De Wijnberg tegenstemmen en Aloysius en de tijdelijke commissaris voor, het besluit is aangenomen. Indien de “doorslaggevende stem” enkel tot uitdrukking zou brengen dat door het toekennen aan de tijdelijke commissaris van stemrecht in de algemene vergadering de numerieke verhoudingen zo zijn gewijzigd dat een drie/vierde meerderheid kan worden behaald, komt er volgens het subonderdeel in juridisch opzicht geen bijzondere betekenis toe aan deze stem en is het niet nodig die “doorslaggevend” te noemen. Volgens het subonderdeel heeft in de praktijk bij de tijdelijke commissaris en de tijdelijke bestuurder het misverstand postgevat dat in het geval dat Mutsaers en De Wijnberg tegenstemmen en Aloysius en de tijdelijke commissaris voor, “het besluit is afgewezen”. Bovendien moet volgens het subonderdeel worden aangenomen dat, maar is onduidelijk of, deze doorslaggevende stem alleen geldt bij het staken van de stemmen van de leden. Zie voor een en ander het subonderdeel onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.29 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De OK heeft in rov. 3.12 en 4 van Beschikking II bepaald, inclusief de hier herhaalde benadrukking (door middel van cursivering), dat alle besluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen, in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden en de commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden. Hier gelden dus geen uitzonderingen. Uit rov. 2.8 en 3.6 van Beschikking II blijkt dat de statuten van de Coöperatie voor de meeste besluitvorming door de algemene vergadering reeds een drie/vierde meerderheid van de uitgebrachte stemmen vereisen, uitgaande van een vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn (art.17 lid 1 statuten). Uit rov. 2.13 van Beschikking II (zie ook onder 1.13 hiervoor), onder verwijzing naar de Mantelovereenkomst, blijkt welke besluiten van de algemene vergadering enkel met algemene stemmen (unaniem) genomen kunnen worden, in een algemene vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Dat betreft de volgende besluiten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>aanvraag lidmaatschap (art. 4 lid 1 statuten);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>jaarlijkse contributie (art. 6 lid 2 statuten);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>opleggen van entreegelden en uittreedgelden (art. 6 leden 3 en 6 statuten);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>opleggen van een extra heffing bij een dreigend exploitatietekort (art. 6 lid 7 statuten);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>besluiten tot winstuitkering (art. 19 lid 2 statuten);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>statutenwijziging (art. 20 lid 3 statuten);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ontbinding (art. 22 lid 1 statuten).</div>\n<p class=\"lf-p\">Uit de vaststaande, in cassatie onbestreden, feiten blijkt dus, in de terminologie van de Zwagerman Beheer-beschikking van de Hoge Raad (zie ook onder 3.8 hiervoor), ook “bepaaldelijk” van welke statutaire bepalingen met de getroffen onmiddellijke voorzieningen tijdelijk wordt afgeweken. Dit zijn, wat betreft het vereiste van een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen: de besluiten waarvoor op grond van de statuten ‘algemene stemmen’ (unanimiteit) zijn (is) vereist. En dit zijn, wat betreft de quorumeis (in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden en de commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden): alle besluiten, nu de statuten daarvoor verwijzen naar een vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals ook uit rov. 3.12 van Beschikking II blijkt, is mede van belang dat “een situatie in het leven wordt geroepen waarbij ten aanzien van de financiële aangelegenheden van de Coöperatie beslissingen kunnen worden genomen.” Dan gaat het met name om besluiten op grond van art. 6 en 11 van de statuten (zie ook rov. 2.9 en 2.13 van Beschikking II). Dat de OK met alle besluiten mede het oog heeft op niet-financiële aangelegenheden blijkt voorts uit rov. 3.7 en 3.14 van Beschikking II. Zie ook onder 3.9 hiervoor. Gelet op het voorgaande, valt niet in te zien dat en waarom door deze onmiddellijke voorzieningen “de status van de bij het handelsregister gedeponeerde statuten onzeker [wordt]”, zoals gesteld in het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het subonderdeel Beschikking II anders leest, gaat het uit van een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag. Overigens geldt dat het bestreden oordeel van de OK dus geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en geen nadere motivering behoefde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laatste geldt ook wat betreft het bepaaldelijk aangeven door de OK welke bevoegdheden (of maatregelen) zij met deze onmiddellijke voorzieningen op het oog heeft, wat in het subonderdeel is gezet in de sleutel van de uitleg van “één doorslaggevende stem” van de tijdelijke commissaris, als bedoeld in rov. 3.12 en 4 van Beschikking II. M.i. kan in redelijkheid geen twijfel bestaan over wat de OK in de onderhavige zaak met “één doorslaggevende stem” van de tijdelijke commissaris in de algemene vergadering van de Coöperatie heeft bedoeld. Met “één” wordt duidelijk gemaakt dat geen sprake is van meervoudig stemrecht, oftewel “one man [in de zin van ‘person’, A-G], one vote”. “Doorslaggevend” heeft in de onderhavige zaak de gangbare, taalkundige, betekenis van het woord dat de stem van de tijdelijke commissaris bij een ‘drie stemmen voor, een stem tegen’-situatie of een ‘drie stemmen voor’ (en ook de tijdelijke commissaris stemt)-situatie, gelet op de vereiste meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen (in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden en de commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden), de doorslag geeft voor het al dan niet nemen van het voorgestelde besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader onder 3.10-3.11 hiervoor. Voor zover het subonderdeel Beschikking II anders leest, gaat het uit van een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag. Overigens geldt dat het bestreden oordeel van de OK ook op dit punt dus geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en geen nadere motivering behoefde. Zoals hieruit volgt, kan geen sprake zijn van een “in de praktijk postgevat misverstand” als bedoeld in het subonderdeel. Als De Wijnberg en Mutsaers tegen een voorgesteld besluit stemmen, en Aloysius en de tijdelijke commissaris voor, wordt terecht ervan uitgegaan “dat het besluit is afgewezen”, wat ik aldus versta dat het voorgestelde besluit dan niet is genomen. Zie ook onder 3.11 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de in de slotzin van het subonderdeel bedoelde aanname en onduidelijkheid doen zich in werkelijkheid dus niet voor. Dat het in dit geval voor de OK strikt genomen niet nodig was geweest de stem van de tijdelijke commissaris als “doorslaggevend” aan te duiden, nu daaraan geen in juridisch opzicht bijzondere betekenis toekomt, is wellicht niet onjuist, maar vormt hoe dan ook geen reden tot cassatie; te meer niet nu, zoals blijkt uit het subonderdeel en ook wordt bevestigd in het Verweerschrift zijdens de Coöperatie, de doorslaggevende stem van de tijdelijke commissaris bij het nemen van besluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie in de praktijk ook is/wordt begrepen op de m.i. juiste wijze (zie weer onder 3.11 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtsgeldigheid van inmiddels genomen besluiten van de algemene vergadering (en daarmee van de Coöperatie) komt dus ook niet om die reden ter discussie te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.30 Subonderdeel 2.5 klaagt dat de OK heeft miskend dat (i) zij (in beginsel) niet door het treffen van onmiddellijke voorzieningen kan ingrijpen in contractuele bepalingen en deze buiten werking kan stellen (mede aangezien geen onzekerheid mag bestaan over de uitvoering van rechtsgeldig aangegane overeenkomsten)(terwijl, indien deze ingreep alleen betrekking zou hebben op de vennootschappelijke verhoudingen en onverlet zou laten de contractuele verhoudingen, deze onmiddellijke voorzieningen zouden leiden tot contractuele geschillen (over bijvoorbeeld wanprestatie), hetgeen in strijd zou komen met de strekking en doeleinden van het enquêterecht) en/of (ii) tot de doeleinden van het enquêterecht niet behoort de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard. Indien de OK dat niet heeft miskend, is Beschikking II onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, omdat daaruit niet (althans onvoldoende) blijkt (i) dat en waarom de OK door middel van de door het onderdeel bestreden onmiddellijke voorzieningen de bepalingen uit de Mantelovereenkomst over unanimiteit buiten werking heeft gesteld en/of (ii) dat en waarom ten aanzien van deze bepalingen uit de Mantelovereenkomst niet sprake is van een geschil van vermogensrechtelijke aard.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.31 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit subonderdeel is gericht tegen rov. 3.12 (laatste zinsnede) en 4 van Beschikking II. Die laatste zinsnede van rov. 3.12 van Beschikking II luidt dat “ook als in de statuten en/of tussen de Coöperatie, Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius contractueel anders is bepaald”, de door de OK voor alle besluiten door de algemene vergadering geldende versterkte meerderheids- en quorumeisen gelden, te weten een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden en de commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De OK heeft hier, naar ook ik begrijp, met “contractueel anders is bepaald” het oog op de tussen Aloysius, Mutsaers, De Wijnberg en de Coöperatie gesloten Mantelovereenkomst (zie ook onder 1.13 hiervoor). In art. 2.1 van de Mantelovereenkomst staat dat als uitgangspunt voor de besluitvorming door de Coöperatie geldt dat partijen met elkaar willen samenwerking op basis van consent van elke partij ten aanzien van de beleidsplanning en besluitvorming binnen de Coöperatie (zoals ook opgenomen in de considerans van de statuten). In art. 2.2 van de Mantelovereenkomst staat dat besluiten van de algemene vergadering in beginsel worden genomen met drie/vierde meerderheid in een vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn (art. 17 lid 1 statuten) en welke besluiten van de algemene vergadering enkel met algemene stemmen (unaniem) genomen kunnen worden, uitgaande van dezelfde quorumeis. Unanimiteit is vereist voor aanvraag lidmaatschap (art. 4 lid 1 statuten), jaarlijkse contributie (art. 6 lid 2 statuten), opleggen van entreegelden en uittreedgelden (art. 6 leden 3 en 6 statuten) en van een extra heffing bij een dreigend exploitatietekort (art. 6 lid 7 statuten), en besluiten tot winstuitkering (art. 19 lid 2 statuten), statutenwijziging (art. 20 lid 3 statuten) en ontbinding (art. 22 lid 1 statuten) (zie ook onder 1.13 en 3.29 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik begin met de rechtsklacht onder (i) dat, kort gezegd, de OK zou hebben miskend dat zij (in beginsel) niet door het treffen van onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW kan ingrijpen in contractuele bepalingen en deze buiten werking kan stellen. Het subonderdeel verwijst naar de ABN AMRO Bank-beschikking van de Hoge Raad, waarin onder meer het volgende is overwogen: “4.10 Ten slotte wordt nog overwogen dat aan toewijzing van het verzoek van VEB c.s. ook het volgende in de weg staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat in dit geval om een bevoegdelijk door het bestuur van ABN AMRO Bank met Bank of America gesloten koopovereenkomst. Over de (mogelijke) uitvoering daarvan mag geen onzekerheid bestaan, mede gelet op de belangen van derden. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat de eisen van behoorlijk ondernemingsbestuur meebrengen dat het bestuur van ABN AMRO Holding de voorgenomen (afsplitsing en) verkoop van LaSalle aan de algemene vergadering van aandeelhouders had moeten voorleggen, heeft een eventueel verzuim op dit punt geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de transactie. Mede gelet op het bepaalde in art. 2:107a lid 2 BW heeft een eventueel gebrek in de besluitvorming inzake de LaSalle-transactie, immers geen externe werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het vorenstaande volgt dat de gevraagde onmiddellijke voorzieningen, die in elk geval voor de duur van het geding externe werking hebben voorzover daardoor de nakoming van die koopovereenkomst wordt belemmerd, zowel tegenover Bank of America als tegenover Barclays niet gerechtvaardigd zijn. Gelet op dit een en ander bestaat ook bij een billijke afweging van belangen geen ruimte voor een voorziening die verdere uitvoering van de LaSalle-transactie opschort of tijdelijk onmogelijk maakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de toelichting op het onderdeel is deze overweging niet per se beperkt tot overeenkomsten met derden. In die toelichting wordt voorts opgemerkt dat Aloysius als contractuele wederpartij van de Coöperatie een “derde” is in de zin van deze overweging uit de ABN AMRO Bank-beschikking van de Hoge Raad. Dat is m.i. niet juist. In de ABN AMRO Bank-zaak was sprake van een koopovereenkomst tussen ‘ABN AMRO Bank’ en een derde, ‘Bank of America’, welke transactie bevoegdelijk (rechtsgeldig) door het bestuur van ABN AMRO Bank met Bank of America was gesloten. Een ‘derde’ wil hier zeggen, zakelijk weergegeven: iemand, te weten Bank of America, die niet (ook) krachtens de wet en statuten betrokken is bij de organisatie van de rechtspersoon, te weten ABN AMRO Bank (vgl. art. 2:8 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ging hier, anders gezegd, om ‘externe’ (rechts)verhoudingen. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. De Mantelovereenkomst betreft een (op de statuten aansluitende) overeenkomst tussen de Coöperatie en haar drie leden Aloysius, Mutsaers en De Wijnberg, die allen vallen binnen de kring van art. 2:8 BW. Het gaat hier, anders gezegd, en in ieder geval voor doeleinden van art. 2:349a leden 2 en 3 BW, veeleer om ‘interne’ (rechts)verhoudingen. De situatie die voorlag in de ABN AMRO Bank-zaak, en waarop die overweging van de Hoge Raad toch echt is toegesneden, doet zich in de onderhavige zaak niet voor. Daarmee valt ook reeds de bodem weg onder de passage in de rechtsklacht onder (i) waarbij dat beroep op de ABN AMRO Bank-beschikking van de Hoge Raad wordt gedaan (“mede aangezien geen onzekerheid mag bestaan over de uitvoering van rechtsgeldig aangegane overeenkomsten”).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mantelovereenkomst is in zoverre vergelijkbaar met een aandeelhoudersovereenkomst, waarin aandeelhouders van een N.V. of B.V. hun rechtsverhouding in aanvulling op of in afwijking van de statuten van de vennootschap nader kunnen regelen, en waarbij de vennootschap (veelal) ook partij is. Ik wijs op de Inter Access-beschikking van de OK, waarin wordt overwogen dat “in acht genomen moet worden of aan het treffen van de als gewenst te beschouwen voorzieningen, wettelijke, contractuele of andere belemmeringen niettemin in de weg staan”. Als contractuele belemmering komt een beroep op een bepaling uit de desbetreffende aandeelhoudersovereenkomst aan de orde. Dit beroep wordt in die zaak als volgt door de OK gepareerd: “3.14 Wat het beroep op de AHO betreft, geldt in de eerste plaats dat op grond van hetgeen in dit geding daaromtrent naar voren is gekomen aannemelijk is dat daarin eerder een intentie is uitgesproken, dan dat daarin een voldoende specifieke aanspraak is geformuleerd die zich leent voor afdwinging in rechte. Afgezien daarvan geldt dat voorts geenszins valt uit te sluiten dat, zoals IA Groep en Rapar hebben betoogd, hetgeen in artikel 5 lid 1 van de AHO is neergeschreven moet worden gelezen in samenhang met de in 2.7 geciteerde overweging van de Herstructureringsovereenkomst en dus slechts geldt in verband met en voor de duur van de omstandigheid dat Willemse als CEO van AI Groep fungeerde en in die hoedanigheid orde op zaken moest gaan stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte hebben IA Groep en Rapar op goede gronden betoogd dat, indien in meergenoemd artikel 5 lid 1 AHO een onvoorwaardelijke bescherming van Marigot tegen verwatering van haar aandelenbezit in of zeggenschap in de algemene vergadering van aandeelhouders van IA Groep onder de 50,1% is neergelegd, het beroep daarop bij de huidige stand van zaken van IA Groep als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt, zoals bedoeld in artikel 6:258 BW. Gegeven immers de - naar hierna in 3.16 zal worden overwogen: gerechtvaardigde - weigering van Rapar het alternatieve voorstel van Marigot en Willemse te steunen en gegeven de door haar aangekondigde executie van de zekerheid voor haar vordering in de vorm van het pandrecht op de door IA Groep in IA gehouden aandelen - waarvan, zoals overwogen, niet valt in te zien dat zulks haar niet vrijstaat - zou het beroep op die bescherming tot voor IA en alle bij haar betrokken belangen zeer schadelijke gevolgen (kunnen) leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband verdient nog opmerking dat ook het belang van Marigot en daarmee indirect van Willemse als aandeelhouder beter wordt gediend indien zij minderheidsaandeelhouder wordt in een levensvatbare IA Groep dan indien zij als aandeelhouder in een postconcurrente positie in een faillissement van IA Groep moet opkomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Eikelboom spreekt in dit verband van “de achterdeur van een preliminair oordeel”. Wat daarvan zij, in de onderhavige zaak heeft de OK een andere techniek toegepast dan in rov. 3.14 van haar Inter Access-beschikking zoals hiervoor geciteerd, door in rov. 3.12 en 4 van Beschikking II te overwegen en te beslissen dat alle besluiten door de algemene vergadering van de Coöperatie kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden en de commissaris aanwezig zijn of vertegenwoordigd worden, ook als in de statuten en/of tussen de Coöperatie, Mutsaers, De Wijnberg en Aloysius contractueel (lees dus: in de Mantelovereenkomst) anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de toelichting op het onderdeel is ofwel de OK hiermee de grenzen van haar bevoegdheid (ex art. 2:349a BW) te buiten gegaan, omdat de OK niet bevoegd is een wijziging aan te brengen in de Mantelovereenkomst (dat is aan de gewone civiele rechter) en de OK naleving van deze overeenkomst niet mag belemmeren, ofwel sprake van “een slag in de lucht, die uitsluitend onrust en nadere geschillen kan veroorzaken. De voorziening voldoet dan niet aan het doel waarvoor deze bevoegdheid is gegeven.”Dat geen sprake is van een “slag in de lucht” blijkt reeds uit het feit dat de OK zich niet heeft beperkt tot een overweging in het lichaam van de beschikking (rov. 3.12 van Beschikking II), maar de desbetreffende zinsnede (“ook als in de statuten en/of tussen [de Coöperatie], [Mutsaers], [De Wijnberg] en [Aloysius] contractueel anders is bepaald”) ook in het dictum (rov. 4) van Beschikking II heeft opgenomen. De kernvraag is of de OK hiermee buiten haar (mede) met art. 2:349a leden 2 en 3 BW gegeven bevoegdheid is getreden. Ik beantwoord die vraag ontkennend. Voordat ik daarop nader in ga, maak ik een nog uitstapje naar een pendant van het Nederlandse enquêterecht in de west: het Curaçaose enquêterecht, waarover ook onder 3.12 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">In art. 2:276 lid 3 onder d BWC (onderdeel van het Curaçaose enquêterecht) is geregeld dat een voorlopige voorziening tijdelijke afwijking kan inhouden van daarbij aangegeven bepalingen van de statuten, een vennootschappelijke overeenkomst als bedoeld in art. 2:127/227 lid 3 BWC, of een reglement. De ‘vennootschappelijke overeenkomst’ als bedoeld in art. 2:127/227 lid 3 BWC betreft, kort gezegd, een schriftelijke overeenkomst tussen de vennootschap en alle aandeelhouders, die wordt aangeduid als “vennootschappelijke overeenkomst”, waarbij de statuten van de vennootschap uitdrukkelijk bepalen dat aandeelbewijzen aan toonder en schuldbrieven aan toonder niet kunnen worden afgegeven. Op grond van art. 2:127/227 lid 4 BWC kunnen bepalingen uit de vennootschappelijke overeenkomst dezelfde werking hebben als statutaire bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting bij de Landsverordening herziening Boek 2 BWC wordt in dat verband gesproken van “vennootschapsrechtelijke werking”. Van Schilfgaarde heeft het in dat verband over “quasi-statuten” en wijst erop dat de vondst van vennootschapsrechtelijke werking van een aandeelhoudersovereenkomst uit de Nederlandse rechtspraak en literatuur afkomstig is: “Een mooi voorbeeld van haasje-over concordantie via de literatuur en de Nederlandse rechter.” Ik wees er onder 3.12 hiervoor al op dat art. 2:276 BWC is geïnspireerd door art. 2:349a BW, dus Nederlands enquêterecht. Een in het oog springend verschil is dat art. 2:276 BWC een (limitatieve) opsomming geeft van de mogelijk te treffen voorlopige voorzieningen, terwijl in art. 2:349a leden 2 en 3 BW wordt opengelaten welke onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat het voorgaande onder meer laat zien, is dat aan de figuur van het enquêterecht op zichzelf niet wezensvreemd is dat de rechter in dat verband, onder omstandigheden, met een voorziening (ook) tijdelijk kan afwijken van een contractuele bepaling. M.i. strookt het daarmee, en met het gegeven dat de onmiddellijke voorziening van art. 2:349a BW door de wetgever is ontworpen als bijzondere bevoegdheid van de OK ter bevordering van de doeltreffendheid van het enquêterecht waarin het belang van de rechtspersoon voorop staat (zie ook onder 3.2-3.4 en 3.12 hiervoor), om in het kader van art. 2:349a leden 2 en 3 BW zo’n afwijkingsmogelijkheid voor de OK niet op voorhand en categorisch uit te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ieder geval niet - en daarom gaat het mij hier, gelet op de onderhavige zaak - het door de OK in een ‘curatieve enquête’ en in het kader van een onmiddellijke voorziening ex art. 2:349a BW vanwege de toestand van de rechtspersoon tijdelijk kunnen afwijken (ook) van een overeenkomst tussen een coöperatie en al haar leden, die allen vallen binnen de kring van art. 2:8 BW en allen verschenen zijn in de enquêteprocedure, waar een of meer relevante statutaire bepalingen omtrent besluitvorming door de algemene vergadering van de coöperatie tevens in die overeenkomst zijn vastgelegd (welke contractuele ‘governance’ bepalingen aldus in wezen die statutaire bepalingen herhalen en zo meer van hetzelfde zijn, in de zin van slechts een contractueel verlengde van die statutaire bepalingen) en in de gegeven omstandigheden een adequate werking van deze voorziening, die juist gericht is op het vlottrekken van de besluitvorming door de algemene vergadering van de coöperatie waarin zich een vrijwel totale patstelling voordoet waardoor belangrijke beslissingen niet meer kunnen worden genomen, vergt dat met alleen afwijking van die statutaire bepalingen (en niet ook die contractuele echo daarvan) niet wordt volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De systematiek van art. 2:349a leden 2 en 3 BW, waarin geen sprake is van een (al dan niet limitatieve) opsomming van onmiddellijke voorzieningen, maar, zoals gezegd, wordt opengelaten welke onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen, staat daaraan niet in de weg. De tekst, strekking en wetsgeschiedenis van deze bepalingen, die in de ‘tweede procedure’ via art. 2:355 lid 3 BW van overeenkomstige toepassing zijn (zie ook onder 3.4 hiervoor), dwingen m.i. evenmin tot een andere conclusie, noch rechtspraak van de Hoge Raad (of de OK) ter zake. Daarin is veeleer ruimte te ontwaren voor hetgeen de OK in rov. 3.12 en 4 van Beschikking II gedoseerd doet bij wege van ordemaatregel, welk tijdelijk ingrijpen duidelijk een - bezien vanuit de Coöperatie en haar drie leden - primair ‘intern’ karakter heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook onder 3.2-3.4, 3.7, 3.9 en 3.11-3.12 hiervoor. Het open laten van die ruimte spreekt m.i. ook aan, omdat het tegendeel zou meebrengen dat de OK in de genoemde situatie die verlammende patstelling in de algemene vergadering van de Coöperatie (waardoor belangrijke beslissingen niet meer kunnen worden genomen) niet daadwerkelijk effectief zou kunnen doorbreken met onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW, enkel vanwege het feit dat relevante statutaire bepalingen omtrent besluitvorming door de algemene vergadering tevens zijn vastgelegd in een overeenkomst tussen die coöperatie en al haar leden, zelfs al gaat het daarbij om contractuele ‘governance’ bepalingen die in wezen die statutaire bepalingen herhalen en zo meer van hetzelfde zijn, in de zin van slechts een contractueel verlengde van die statutaire bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">En dat zou te zeer afbreuk doen aan de hiervoor weergegeven bedoeling van art. 2:349a leden 2 en 3 BW. Kort en goed: zó ‘spannend’ is het welbeschouwd niet wat de OK hier doet, bezien vanuit enquêterechtelijk perspectief. Gelet op het voorgaande, met inbegrip van rov. 3.12 en 4 van Beschikking II, is wat mij betreft de rechtsklacht onder (i) dus ook gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting en doet zich dus evenmin voor het scenario van “onrust en nadere geschillen” waarop de toelichting op het subonderdeel wijst, kennelijk aansluitend bij de laatste zinsnede van de rechtsklacht onder (i) (“terwijl, (…) de strekking en de doeleinden van het enquêterecht”) die ook in zoverre vastloopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee kom ik bij de gerelateerde motiveringsklacht onder (i). De OK heeft in Beschikking II niet nader behoeven te motiveren “dat en waarom” zij bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding ook de betreffende bepalingen uit de Mantelovereenkomst buiten werking heeft willen stellen. Uit de door de OK vastgestelde feiten in Beschikking II blijkt dat de statutaire bepalingen waarvan bij wijze van onmiddellijke voorziening wordt afgeweken, tevens in de Mantelovereenkomst zijn vastgelegd, zoals ook hiervoor bedoeld (zie ook onder 1.13 en 3.29 hiervoor). Daaruit blijkt ook in zoverre reeds het belang van het treffen van die onmiddellijke voorziening, waarop deze motiveringsklacht al afstuit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat brengt mij bij de rechtsklacht onder (ii) dat de OK zou hebben miskend dat tot de doeleinden van het enquêterecht niet behoort “de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard”. In de Unilever-beschikking van de Hoge Raad, waarop deze klacht is gebaseerd, is over de vraag of de OK een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon mag gelasten indien aannemelijk is dat tussen de verzoeker en de rechtspersoon die voorwerp is van het gevraagde onderzoek een vermogensrechtelijk geschil bestaat, onder meer het volgende overwogen: “Tot de doeleinden van het enquêterecht, zoals deze de wetgever voor ogen stonden, behoort niet de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. Wanneer het gaat om een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, kan een enquêteverzoek niet worden toegewezen.” [curs. toegevoegd, A-G] Ik merkte reeds op dat de onderhavige zaak is te kwalificeren als een zogenoemde ‘curatieve enquête’, waarin het draait om het eerstgenoemde doeleinde uit de Ogem-beschikking: de sanering en het herstel van de gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon. Zie onder 3.3 hiervoor. Van een geschil van “louter vermogensrechtelijke aard”, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure “niet verwezenlijkt kunnen worden”, is dan ook geen sprake, zoals de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a leden 2 en 3 BW in Beschikking I, Beschikking II en Beschikking III ook illustreren (en waarbij ten aanzien van Beschikking II zij herhaald dat daaruit blijkt dat de statutaire bepalingen waarvan bij wijze van onmiddellijke voorziening wordt afgeweken, tevens in de Mantelovereenkomst zijn vastgelegd, zoals ook hiervoor bedoeld).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop stuit deze rechtsklacht reeds af. Daarbij komt dat de Unilever-beschikking van de Hoge Raad in de sleutel staat van de vraag of, kort gezegd, een enquêteverzoek al dan niet kan worden toegewezen. De beslissing van de OK om een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van de Coöperatie wordt door Aloysius in cassatie niet ter discussie gesteld (zie ook onder 3.1 hiervoor). In de toewijzing van het enquêteverzoek door de OK ligt besloten dat geen sprake is van een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan resteert de gerelateerde motiveringsklacht onder (ii). De OK was, bij deze stand van zaken, ook niet gehouden te motiveren “dat en waarom” ten aanzien van de betreffende bepalingen uit de Mantelovereenkomst géén sprake is van een geschil van (louter) vermogensrechtelijke aard (wat dus al volgt uit Beschikking II), reden waarom ook deze motiveringsklacht sneeft. Ik wijs ten overvloede nog op hetgeen de Hoge Raad in de Unilever-beschikking heeft overwogen over de motiveringseisen met betrekking tot de vraag of een enquête kan worden bevolen: “4.4.2 De aan de ondernemingskamer gegeven bevoegdheid een enquête te bevelen is een discretionaire, dat wil zeggen dat bij de uitoefening van die bevoegdheid een afweging van de betrokken belangen dient plaats te vinden, met dien verstande dat voor toewijzing van een verzoek ingevolge art. 2:350 lid 1 BW slechts plaats is, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De ondernemingskamer kan de bevoegdheid om een enquête te bevelen uiteraard slechts uitoefenen ten aanzien van het concrete aan haar voorgelegde verzoek. Dit brengt mee dat een door haar gemaakte belangenafweging moet steunen op feiten en omstandigheden zoals die zich voordoen in het haar voorgelegde geval (zie HR 20 november 1996, nr. 55, NJ 1997, 188).</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondernemingskamer zal bij deze belangenafweging, ook al heeft die plaats in een concreet geval, naast de hiervoor omschreven doeleinden van het enquêterecht mede de in 4.4.1 bedoelde bezwaren [tegen ruime toepassing van het middel van een enquête, zoals reputatieschade voor de betrokken rechtspersoon en het gevaar dat de verzoekers in feite slechts hun eigen vermogensrechtelijke belangen beogen te dienen in plaats van het belang van de rechtspersoon, A-G] moeten betrekken, en de aard van het tussen de verzoeker en de rechtspersoon bestaande geschil in aanmerking moeten nemen. Er bestaat evenwel geen grond van de ondernemingskamer te vergen dat zij telkens in de motivering van haar beslissing tot uitdrukking brengt dat zij de bedoelde bezwaren in de beoordeling heeft betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is van belang dat de afweging van de bij die bezwaren betrokken meer algemene belangen tegen de in het concrete geval bestaande belangen zich veelal niet voor een gedetailleerde motivering leent.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3 Wat betreft het in dit geding in het bijzonder naar voren gebrachte bezwaar dat het hier in wezen gaat om een beperkt en zuiver vermogensrechtelijk geschil tussen de verzoekers en de rechtspersoon dat niet bij de ondernemingskamer thuishoort, geldt evenzeer dat het niet in het algemeen leidt tot het stellen van bijzondere motiveringseisen. Daarbij is in aanmerking te nemen dat geschillen tussen aandeelhouders die een enquêteverzoek doen en de vennootschap veelal mede een vermogensrechtelijk karakter hebben, en dat de (geheel of ten dele) vermogensrechtelijke aard van het concrete geschil ook daarom een onvoldoende onderscheidend criterium vormt aan de hand waarvan beoordeeld zou kunnen worden of een bijzondere motivering is vereist.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier valt m.i., zoals ook hiervoor al aangestipt, een zinvolle parallel te trekken met de motiveringseisen die gelden bij het treffen door de OK van onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW. Dat betreft immers ook een discretionaire bevoegdheid van de OK. Bij de motivering van de dienaangaande door de OK gemaakte afweging als zodanig van de betrokken belangen geldt evenzeer dat daaraan niet te hoge eisen kunnen en moeten worden gesteld, nu dit zich veelal niet goed voor een gedetailleerde motivering leent. Zie ook onder 3.13 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3: “verweer door Coöperatie op instructie [verweerster 4] ”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.32 Onderdeel 3 verwijst naar een brief van Aloysius aan de OK van 22 augustus 2019. Het onderdeel klaagt dat de OK heeft miskend dat deze brief tot de gedingstukken behoort en dat zij deze brief (en de daarin vervatte stellingen van Aloysius) in haar beoordeling had moeten betrekken. Indien de OK dat niet heeft miskend, is Beschikking II volgens het onderdeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, aangezien daaruit niet (althans onvoldoende) blijkt dat de OK deze brief tot de gedingstukken heeft gerekend en zij deze brief in haar beoordeling heeft betrokken. Volgens het subonderdeel zijn de stellingen van Aloysius uit haar brief van 22 augustus 2019, erop neerkomend dat [verweerster 4] sinds 1 juli 2019 geen bestuurder van de Coöperatie meer was en dus ook niet een volmacht tot het verrichten van proceshandelingen namens de Coöperatie kon verlenen, en dat daarom de Coöperatie diende te worden aangemerkt als niet-verschenen, essentieel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.33 De Brief met aanvullende producties 60 t/m 76 zijdens Aloysius van 22 augustus 2019 luidt, voor zover relevant, als volgt: “Het verweerschrift dat door mr. Mussche en mr. Fonville is ingediend, zal worden aangeduid als het “verweerschrift van [verweerster 4] ”. Dat verweerschrift wordt door hen ten onrechte bestempeld als verweerschrift van de coöperatie, nu mr. Mussche en mr. Fonville werken in opdracht van [verweerster 4] en zij geen bestuurder van de coöperatie meer is (zie nr. 270 e.v. Verweerschrift) en dus ook niet een volmacht kan verlenen tot het verrichten van proceshandelingen namens de coöperatie. De coöperatie dient te worden aangemerkt als niet verschenen en het verweerschrift van mr. Mussche en mr. Fonville moet worden geweigerd als verweerschrift zijdens de coöperatie. Aloysius heeft er evenwel geen bezwaar tegen als het verweerschrift van mr. Mussche en mr. Fonville in de beoordeling wordt betrokken als een verweerschrift zijdens [verweerster 4] . Het belang dat in deze kwestie schuilt, is toegelicht in nrs. 276 t/m 280 (met name nr. 280) en 286(ii)(a) Verweerschrift. De coöperatie wordt niet geschaad, indien zij geen verweerschrift indient, omdat alle visies die binnen de boezem van de coöperatie bestaan of bestonden zijn verwoord in het verzoekschrift.” [voetnoot uit origineel niet overgenomen, A-G] In het Verweerschrift zijdens Aloysius van 15 augustus 2019 waarnaar de brief verwijst, wordt onder 286 aanhef en onder (ii)(a) opgemerkt: “286 Evenwel heeft Aloysius wel hoop dat het volgende heilzaam zal zijn voor de situatie van de coöperatie: (…)(ii) Oordelen van de Ondernemingskamer kunnen Mutsaers en Wijnberg in de positie dwingen dat zij geen keus hebben dan om in onderhandeling te treden en een compromis te sluiten, bijvoorbeeld het oordeel dat: (a) [verweerster 4] thans geen bestuurder van de coöperatie is;”</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Mussche heeft blijkens zijn Pleitnotities zijdens de Coöperatie van 29 augustus 2019 onder meer als volgt gereageerd op deze stellingen uit de brief zijdens Aloysius: “2. “Een advocaat wordt op zijn woord geloofd.” Dit adagium geldt kennelijk niet voor Aloysius en mr. Eikelboom, want zij betwisten dat ik optreed voor het KEC. (…) 3. Wijn &amp; Stael heeft opdracht gekregen van het KEC, vertegenwoordigd door [verweerster 4] , om de onderhavige zaak namens haar te behandelen. Deze opdracht dateert van ruim vóór 1 juli 2019 en is sindsdien niet ingetrokken. (…) 6. Het is gissen naar het belang dat Aloysius plotseling meent te hebben bij haar stelling. Ik kan eigenlijk maar één belang bedenken: Aloysius sorteert voor op het onbetaald laten of terugvorderen door het KEC van de facturen van [verweerster 4] en Wijn &amp; Stael, welk vooruitzicht zou kunnen leiden tot terughoudendheid bij het verrichten van werkzaamheden (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.34 Het onderdeel faalt, gelet op het voorgaande en het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht dat de OK heeft miskend dat de desbetreffende brief tot de gedingstukken behoort en dat zij deze brief in haar beoordeling had moeten betrekken, mist feitelijke grondslag. Zowel uit Beschikking I (rov. 1.5) als uit Beschikking II (rov. 1.5) blijkt dat de OK de desbetreffende brief, waarbij zijdens Aloysius nadere producties zijn overgelegd, onder ogen heeft gezien en als gedingstuk bij haar beoordeling heeft betrokken: “Bij die gelegenheid [de openbare terechtzitting van de OK van 29 augustus 2019, A-G] hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen en wat mr. Vielvoye en mr. Eikelboom betreft onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de kop van de beide beschikkingen blijkt bovendien dat de Coöperatie is verschenen en wordt bijgestaan door mr. Mussche en mr. Fonville. Dat volgt voorts uit rov. 1.3 van zowel Beschikking I als Beschikking II, waaruit blijkt dat de Coöperatie op 15 augustus 2019 een verweerschrift bij de OK heeft ingediend. De OK heeft het verweerschrift dat door mr. Mussche en mr. Fonville is ingediend dus kenbaar als verweerschrift van de Coöperatie beschouwd. De OK was niet gehouden dat oordeel nader te motiveren. Anders dan het onderdeel klaagt, was geen sprake van een essentiële stelling. Aloysius stelt in de desbetreffende brief dat zij er geen bezwaar tegen heeft als het verweerschrift van mr. Mussche en mr. Fonville in de beoordeling wordt betrokken. Het valt niet in te zien waarom het aanmerken van het verweerschrift van mr. Mussche en mr. Fonville als een verweerschrift van [verweerster 4] en niet als een verweerschrift van de Coöperatie tot een andere beslissing van de zaak zou (kunnen) leiden. Het onderdeel licht dat ook niet toe. Het onderdeel faalt in zoverre ook bij gebrek aan belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 4: “gelijk bedrag aan contributie als uitgangspunt”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.35 Onderdeel 4 is gericht tegen de laatste zin van rov. 3.8 van Beschikking II, waarin de OK heeft overwogen: “Anderzijds is in de statuten van de Coöperatie ook niet vastgelegd dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de leden een gelijk bedrag aan contributie betalen, zodat de stelling van Aloysius dat zij niet gehouden is om meer dan een derde van de contributie te betalen, tenzij zij instemt met een hogere contributie, evenmin juist is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel klaagt dat de OK heeft miskend dat art. 6 lid 2 van de statuten bepaalt dat unanimiteit is vereist voor zowel besluiten tot vaststelling van de hoogte van de contributie als besluiten tot indeling van de leden in categorieën die een verschillende contributie betalen, zodat wel degelijk (volgens de statuten) de instemming van Aloysius is vereist voor dergelijke besluiten over de contributie en wel degelijk als uitgangspunt geldt dat de leden een gelijk bedrag aan contributie betalen (tenzij unaniem wordt besloten tot verdeling in categorieën). Indien de OK het voorgaande niet heeft miskend, is Beschikking II volgens het onderdeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, aangezien daaruit niet (althans onvoldoende) blijkt dat en waarom de OK tot het bestreden oordeel is gekomen, “mede in het licht van het voorgaande”.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.36 Artikel 6 lid 2 van de statuten luidt als volgt (zie ook rov. 2.9 van Beschikking II, weergegeven onder 1.9 hiervoor): “De leden betalen een jaarlijkse contributie ten behoeve van de exploitatie van het RKEC Roermond. De hoogte van de contributie wordt jaarlijks met algemene stemmen (unaniem) vastgesteld door de algemene vergadering in een vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. De leden kunnen daarbij in categorieën worden ingedeeld, die een verschillende contributie betalen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Verweerschrift zijdens Aloysius wordt uit deze bepaling het volgende afgeleid: “Kort gezegd, geldt op grond van de statuten dat de contributie ieder jaar wordt vastgesteld bij unaniem besluit van de algemene ledenvergadering. Wat betreft de verdeling daarvan geldt als uitgangspunt dat de leden een gelijk bedrag aan contributie betalen, maar unaniem kan worden besloten tot een gedifferentieerde contributie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Verweerschrift zijdens de Coöperatie wordt hier tegenin gebracht: “Het KEC kan Aloysius niet volgen in haar redenering [dat uit art. 6 lid 2 van de statuten volgt dat ieder lid een gelijk deel van de kosten draagt en Aloysius daarom slechts bereid is een derde deel van de kosten te dragen, A-G]. Art. 6 lid 2 van de statuten bepaalt dat de leden met unanimiteit moeten besluiten over de verdeling van de jaarlijks vast te stellen contributie. Anders dan Aloysius betoogt volgt daaruit niet dat wanneer geen besluit over de contributie wordt genomen, de kosten gelijkelijk over de leden verdeeld moeten worden. Dat zou ook niet redelijk zijn, aangezien Aloysius tot op de dag van vandaag veel meer leerlingen heeft en veel meer vierkante meters van het KEC-gebouw in gebruik heeft.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.37 Het onderdeel faalt, gelet op het voorgaande en het volgende.Statuten van rechtspersonen moeten, kort gezegd, objectief worden uitgelegd. Dat geldt ook hier, waar het gaat om uitleg van de statuten van de Coöperatie. De uitleg van een bepaling uit die statuten is hier voorbehouden aan de OK als feitenrechter, maar in cassatie kan wel worden getoetst of de juiste uitlegmaatstaf is gehanteerd en of de gegeven uitleg niet onbegrijpelijk is. Over de door de OK gehanteerde uitlegmaatstaf wordt in cassatie niet geklaagd, enkel over de door de OK gegeven uitleg aan de statuten van de Coöperatie in de slotzin van rov. 3.8 van Beschikking II. Uitgaande van een - m.i. door de OK gehanteerde - objectieve uitleg van art. 6 lid 2 van de statuten, mede gelet op de tekst van die bepaling (‘grammaticale’ uitleg), acht ik het niet onbegrijpelijk dat de OK, met inachtneming ook van rov. 2.9 van Beschikking II, in de slotzin van rov. 3.8 van Beschikking II heeft geoordeeld dat “in de statuten van de Coöperatie ook niet [is] vastgelegd dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de leden een gelijk bedrag aan contributie betalen” (zodat de stelling van Aloysius dat zij niet gehouden is om meer dan een/derde van de contributie te betalen, tenzij zij instemt met een hogere contributie, evenmin juist is).</p></div>", "next": 239415}