{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat reeds is vastgesteld dat het doel van de actie van de medeverdachten was dat de demonstratie in Dokkum, die tussen 10:30 uur en 13:30 uur was toegestaan, niet door zou gaan. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat de blokkade kort voor 10:00 uur een feit was en dat de bussen en auto’s om 10:45 uur weer stapvoets konden rijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dossier bevat het besluit van de loco-burgemeester Van der Meer van de (toenmalige) gemeente Dongeradeel d.d. 18 november 2017 dat de eerder toegestane betoging – waarbij geen onderscheid is gemaakt tussen de dynamische en de statische betoging – wordt verboden gelet op door de politie verstrekte informatie. De loco-burgemeester is als getuige bij de rechter-commissaris gehoord. Uit dit verhoor blijkt dat de dynamische optocht niet doorging omdat de demonstranten te laat waren. Het verbod op de betoging is omstreeks 11:00 uur genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat uit de inhoud van het besluit d.d. 18 november 2017, in samenhang bezien met de aanvullende verklaring van loco-burgemeester Van der Meer, duidelijk blijkt dat het feit dat de A7 door de medeverdachten opzettelijk is versperd, waardoor de demonstranten vertraging opliepen, een rol heeft gespeeld in de besluitvorming omtrent het niet laten doorgaan van de algehele manifestatie. Het hof is van oordeel dat de blokkade aldus wezenlijk heeft bijgedragen aan het feit dat de betoging niet kon worden uitgevoerd. Het openbaar ministerie heeft terecht aangevoerd dat het feit dat ook andere omstandigheden ten grondslag kunnen hebben gelegen aan het verbod op de manifestatie, het verband tussen de blokkade op de A7 en het verbod op de betoging niet ongedaan maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu medeverdachten bij het voorgaande tezamen en in vereniging met elkaar hebben gehandeld - zie hieromtrent de overwegingen bij feit 2 - kan worden bewezen dat zij als medeplegers met bedreiging met geweld de geoorloofde betoging hebben verhinderd, zoals is ten laste gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de verdediging zich nog op het standpunt heeft willen stellen dat de blokkade langer heeft geduurd doordat de medeverdachten van de politie niet eerder mochten wegrijden en dit de reden is waarom (een deel van) de demonstratie niet kon doorgaan, overweegt het hof als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbalisant [verbalisant 2] , die als één van de eerste verbalisanten ter plaatse was en als contactpersoon met de meldkamer was aangewezen, is als getuige bij de rechter-commissaris gehoord en heeft bij die gelegenheid verklaard dat er ter plaatse naar zijn idee een grimmige sfeer heerste en dat de insteek vervolgens was om de-escalerend op te treden. [verbalisant 2] heeft voorts verklaard: “u vraagt mij of de insteek was om pas te beginnen met het opheffen van de blokkade zodra er ondersteuning was. Ja, we waren met z’n vieren en mijn inschatting was dat dat onvoldoende was om de blokkade op te heffen. Ik heb de meldkamer om ondersteuning van de ME gevraagd en om een chef van dienst omdat het om een ernstig openbare orde probleem ging. De ME was onderweg vanuit Dokkum.” Het hof is van oordeel dat deze beslissing van de politie gelet op alle feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken, alleszins te billijken is. Voor zover medeverdachten daardoor langer ter plaatse zijn gebleven dan zij eigenlijk wilden, is dit een logisch gevolg van hun eigen handelen dat voor hun eigen rekening en risico komt. In ieder geval staat dit op geen enkele wijze in de weg aan het oordeel dat er een causaal verband bestaat tussen de blokkade op de A7 en het niet doorgaan van de betoging door de demonstranten.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">100.</span>Het middel bevat twee klachten. De eerste klacht houdt in dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om ‘bedreiging met geweld’ in de zin van art. 143 Sr aan te kunnen nemen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">101.</span>‘Bedreiging’ is als zelfstandig misdrijf strafbaar ingevolge art. 285 Sr. Daarnaast is ‘bedreiging’ bestanddeel van diverse andere bepalingen waarin de bedreiging fungeert als middel dat wordt aangewend tot de krenking van het eigenlijk beschermde rechtsgoed. Dit laatste is ook het geval in art. 143 Sr.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">102.</span>Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met een in art. 285, eerste lid, Sr vermeld misdrijf is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij (of een ander) slachtoffer van dat misdrijf zou worden. Van geschiktheid de redelijke vrees te doen ontstaan is geen sprake als de bedreigde van de bedreiging niet daadwerkelijk op de hoogte is geraakt. Een verbale uiting is niet nodig; ook daden zijn onder omstandigheden geschikt om zodanige vrees te doen ontstaan. Zo kan een personenauto door de wijze waarop deze wordt ingezet een geschikt instrument zijn om iemand te bedreigen met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. Onderdeel daarvan kan zijn het tot stilstand dwingen van een auto door met het eigen voertuig voor de desbetreffende auto te rijden en af te remmen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">103.</span>Een in het oog springend punt waarop de bedreiging als zelfstandig misdrijf op de voet van art. 285 Sr verschilt van ‘bedreiging als middel’ in andere strafbaarstellingen, is dat de eerstgenoemde bedreiging is toegespitst op een in die bepaling omschreven misdrijf of categorie van misdrijven. Bedreiging met enig geweld heeft de wetgever niet zelfstandig als misdrijf strafbaar gesteld. Van belang voor de ondergrens van het misdrijf van art. 285 Sr is daarom of de redelijke vrees die de bedreiging kon veroorzaken vrees voor bijvoorbeeld zwaar lichamelijk letsel of het verlies van het leven betreft. Ter illustratie van het belang hiervan kan worden gewezen op HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2145, NJ 2005/61 m.nt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Buruma en HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3717, NJ 2011/285. In beide zaken kwam de vraag op of de vrees voor fysieke aanranding redelijkerwijs ook het oplopen van zwaar lichamelijk letsel betrof. In de eerstgenoemde zaak ging het om een verdachte die zwaaiend met gebalde vuisten op een fietser afrende, daarbij schreeuwde dat zij moest ‘opdonderen’ en zijn woorden kracht bijzette door – toen hij haar dicht genaderd was – slaande bewegingen in de richting van haar hoofd te maken. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat de gedragingen voldoende dreigend waren om bij het slachtoffer de redelijke vrees voor zwaar lichamelijk letsel te doen ontstaan niet onbegrijpelijk. In de tweede zaak, waarin de Hoge Raad op 14 juni 2011 uitspraak deed, liep de verdachte op het slachtoffer toe, kwam hij heel dichtbij het slachtoffer staan, hief hij zijn arm, en balde hij zijn vuist, waarbij hij riep: ‘Loslaten’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad achtte in die zaak het oordeel van het hof dat de gedragingen en uitlating van de verdachte bedreiging met zware mishandeling opleveren niet begrijpelijk.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">104.</span>In het verband van art. 143 Sr is geen bedreiging met zware mishandeling vereist, maar bedreiging met geweld. Ook als dat geweld niet tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden, is het door middel van de bedreiging ermee verhinderen van een geoorloofde betoging of vergadering dus een misdrijf. Het openlijk en in vereniging “geweld” plegen is strafbaar gesteld in art. 141 Sr. Daarin gaat het niet alleen om geweld tegen personen, maar ook om geweld tegen goederen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">105.</span>De tekst van art. 143 Sr bevat geen beperking tot geweld tegen personen. Evenals bij art. 141 Sr, zal het geweld als bedoeld in art. 143 Sr zowel geweld tegen personen als geweld tegen goederen kunnen omvatten. Het begrip ‘geweld’ is in het Wetboek van Strafrecht niet nader gedefinieerd. Wel stelt art. 81 Sr het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht gelijk aan het plegen van geweld. Met de zinsnede ‘het plegen van geweld’ heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de gelijkstelling niet tevens van toepassing is op de bedreiging met het brengen in staat van bewusteloosheid of onmacht. De wetsgeschiedenis biedt weinig houvast om tot een nadere omschrijving van het bestanddeel ‘geweld’ te komen. In de rechtspraak van de Hoge Raad is ‘geweld’ evenmin gedefinieerd. Lindenberg merkt op dat dit begrip in de rechtspraak in de regel wordt uitgelegd als een hardhandige gedraging.” Andere auteurs gaan in hun definities uit van een – in beginsel – fysieke kracht die “van een niet al te geringe intensiteit” is of die “met zo’n hevigheid geschiedt dat zij geëigend schijnt het in de betreffende bepaling beschermde rechtsgoed in gevaar te brengen”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">106.</span>Uit de rechtspraak wordt wel duidelijk dat de grenzen van het begrip ‘geweld’ niet eng moeten worden getrokken. Zo overwoog de Hoge Raad naar aanleiding van een zaak waarin de verdachte op een avond in februari het slachtoffer in bedwelmde toestand langs de weg had achtergelaten dat voor geweld in de zin van art. 312 Sr niet steeds de aanwending van fysieke kracht van een zekere hevigheid tegen personen, geëigend om weerstand te breken, is vereist, maar daaronder ook het blootstellen van tevoren in een hulpeloze toestand gebrachte mensen aan voor een mens in die toestand levensgevaarlijke omstandigheden kan worden begrepen. Voorts kon de rechter onder de gegeven omstandigheden onder meer als geweld aanmerken de wederrechtelijke vrijheidsbeperking bestaande uit het vastbinden van het slachtoffer, het in het verkeer brengen van een giftige en voor menselijke consumptie bestemde drank en het prepareren van een haarverzorgingsmiddel met een hardnekkige kleurstof waardoor ernstig nadeel of hinder ontstaat voor de consumenten.</div>\n<p class=\"lf-p\">In HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5818 hield de bewezenverklaring van afpersing in dat het door de verdachte uitgeoefende ‘geweld’ bestond uit het slaan op een tafel en van die tafel slaan van zakjes koffiemelk. In cassatie werd betoogd dat als zulk ‘geweld’ in de zin van art. 317 alleen mag worden aangemerkt de handeling die geschikt is om een persoon pijn of letsel toe te brengen dan wel om zijn bewegingsvrijheid te belemmeren, of om goederen te vernielen of te beschadigen. De Hoge Raad deed het middel af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. In de wat andere context van art. 141 Sr konden onder andere het bekladden van grafstenen en het gebruik van graffiti op onder meer een bedrijfspand en een trein als geweld worden aangemerkt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">107.</span>Het hof heeft, anders dan de rechtbank, geoordeeld dat het handelen van de medeverdachten kan worden aangemerkt als bedreiging met geweld jegens de demonstranten. Het hof heeft vastgesteld dat medeverdachten in auto’s de bussen van de demonstranten die op de A7 onderweg waren naar Dokkum hebben ingehaald, dat zij snelheid hebben geminderd en op die manier de bussen tot stilstand hebben gebracht. Door auto’s en een motor op de rijbaan en de vluchtstrook te plaatsen “is de A7 geblokkeerd”. Verder heeft het hof vastgesteld dat er met (gebalde) vuisten en/of omhoog geheven armen (richting de bussen) is gezwaaid en dat er tegen één of meerdere autobussen is geslagen. Het hof heeft daarnaast de omstandigheden waaronder deze gedragingen hebben plaatsgevonden in aanmerking genomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">In dat verband heeft het hof overwogen dat de demonstranten op weg waren naar een bijeenkomst waarvan bekend was dat zij daar op zijn zachtst gezegd niet met open armen zouden worden ontvangen. De bewezen verklaarde gedragingen strekken zich niet uit tot het handelen op de A6. Het aldaar zeer abrupt remmen vlak voor de bussen heeft volgens het hof de slachtoffers wel gesterkt in het gevoel niet welkom te zijn en heeft een beladen sfeer geschapen. Mede in het licht van deze context heeft het hof geoordeeld dat het vervolgens op de A7 met vijftien auto’s omsluiten van de bussen en het dwingen van de bussen tot stilstand te komen voor de inzittenden bedreigend moet zijn geweest. Die bedreigende situatie is vervolgens versterkt doordat een groot aantal personen uit de auto’s is gestapt en naar de bussen is gelopen, waarbij armbewegingen zijn gemaakt en er op de bus(sen) is geslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft overwogen dat het niet anders kan dan dat dit gedrag bij de demonstranten angst moet hebben ingeboezemd, hetgeen wordt bevestigd door de aangiftes.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">108.</span>Met deze overwegingen heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de gedragingen van de medeverdachten in onderlinge samenhang bezien van dien aard waren en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat geweld zou worden gebruikt. Gelet op het voorafgaande, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het delictsbestanddeel ‘bedreiging met geweld’ van art. 143 Sr. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij roep ik in herinnering dat het in deze bepaling zowel gaat om geweld tegen personen als om geweld tegen goederen. Daarbij komt dat, anders dan de steller van het middel meent, uit de feitelijke vaststellingen van het hof niet voortvloeit dat de demonstranten met rust zijn gelaten. De bewezenverklaring is in zoverre naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">109.</span>De eerste klacht van het middel faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">110.</span>De tweede klacht van het middel houdt in dat het hof heeft miskend dat voor de bewezenverklaring en de kwalificatie van het ten laste gelegde feit is vereist dat de bedreiging met geweld er de oorzaak van is dat de geoorloofde openbare betoging is verhinderd. Volgens de steller van het middel kan de bewijsvoering het bewijs dat specifiek de bedreiging met geweld de betoging heeft verhinderd niet dragen. Over het oordeel van het hof dat het verhinderen van de betoging redelijkerwijs als gevolg van de gedragingen van de medeverdachten, die bestonden uit het blokkeren van de A7, aan die medeverdachten kan worden toegerekend, wordt niet geklaagd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">111.</span>De steller van het middel betoogt in dit verband dat voor een bewezenverklaring noodzakelijk is dat wordt vastgesteld dat de bedreiging met geweld een betoging heeft verhinderd. Door te overwegen dat “de blokkade” wezenlijk eraan heeft bijgedragen dat de betoging niet kon worden uitgevoerd, zou het hof in het midden hebben gelaten of het de bedreiging met geweld is geweest die in voldoende causaal verband staat met het niet doorgaan van de betoging. Het impliciete oordeel van het hof dat een causaal verband tussen de blokkade en de afgelasting van de betoging voldoende is voor het oordeel dat ‘door bedreiging met geweld’ een ongeoorloofde betoging is verhinderd, zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">112.</span>Het komt mij voor dat deze tweede klacht berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft immers overwogen dat het met vijftien auto’s omsluiten van de bussen waardoor deze bussen werden gedwongen tot stilstand te komen voor de inzittenden reeds (“alleen al”) bedreigend moet zijn geweest en dat die reeds bedreigende situatie nog eens is versterkt doordat een groot aantal personen is uitgestapt en richting de bussen is gelopen, waarbij armbewegingen zijn gemaakt en op de bus(sen) is geslagen. In deze overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de gedragingen die het de bussen onmogelijk maakten de weg te vervolgen onlosmakelijk onderdeel zijn geweest van het samenstel van gedragingen dat het hof aanmerkt als ‘bedreiging met geweld’. Het is kennelijk ook dit samenstel van gedragingen in hun onderlinge verband geweest waarvan het hof heeft overwogen dat het “wezenlijk heeft bijgedragen” aan het feit dat de betoging niet kon worden uitgevoerd. Aldus heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het niet doorgaan van de geoorloofde betoging redelijkerwijs als gevolg van dit samenstel van gedragingen aan de medeverdachten kan worden toegerekend en dat tussen de bedreiging met geweld door de medeverdachten en de verhindering van de betoging causaal verband bestaat.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">113.</span>Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, zodat de tweede klacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">114.</span>Het middel is tevergeefs voorgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">115.</span>Het zevende middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte het in de bewezenverklaring van feit 3 subsidiair omschreven feit “opzettelijk heeft uitgelokt”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">116.</span>Uit de hiervoor onder 98 weergegeven bewezenverklaring van feit 3 subsidiair blijkt dat het hof ten laste van de verdachte heeft bewezen verklaard dat zij – kort gezegd – het in die bewezenverklaring nader omschreven feit van art. 143 Sr “door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt”, door via Facebook een ‘event’ op te starten en daarin een oproep te plaatsen met de in de bewezenverklaring aangehaalde inhoud.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">117.</span>Ten aanzien van de vraag of de verdachte tot het feit door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, heeft het hof in het bestreden arrest het volgende overwogen: “2) Heeft verdachte dit feit opzettelijk uitgelokt?</div>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar hetgeen het hof onder 2 subsidiair heeft overwogen, beantwoordt het hof deze vraag bevestigend. Het event op Facebook en de daarop vermelde oproep kunnen als uitlokkingsmiddel worden aangemerkt. Uit het dossier blijkt dat medeverdachten kennis hebben genomen van voornoemde oproep en daaraan uitvoering hebben gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is het hof ook hier van oordeel dat niet alleen kan worden bewezen dat verdachte opzet had op de uitlokking, maar ook (in voorwaardelijke zin) op de bestanddelen van het uitgelokte feit, zoals die hiervoor aan de orde zijn gekomen. Dit geldt derhalve ook voor het onderdeel “bedreiging met geweld”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voornoemde oproep op Facebook heeft verdachte anderen bewust opgeroepen om zich - op met naam en toenaam genoemde locaties en op een specifiek tijdstip - te verzamelen en massaal met voertuigen de weg op te gaan, met het doel om te voorkomen dat een specifieke groep hun eindbestemming zou bereiken en de toegestane betoging kon uitvoeren. De oproep tot actie – door verdachte ook aangeduid als de ‘Fryske opstand’ – is op internet gezet en vervolgens is de uitvoering van de actie door verdachte volledig uit handen gegeven, zonder dat er voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om gevaar of (bedreiging met) geweld te voorkomen. Dat verdachte nadien op Facebook een bericht heeft geplaatst inhoudende “Geen ongelukken veroorzaken! Hou het veilig!” is niet als zodanig aan te merken. Mede gelet op het feit dat de oproep via social media onbegrensd is verspreid, had verdachte er op bedacht moeten zijn dat de oproep door heel veel personen zou worden opgepikt en dat de kans aanmerkelijk was te achten dat anderen de actie op een zodanige manier zouden uitvoeren dat dit bij de demonstranten de redelijke vrees op geweld zou oproepen en dat hun handelen derhalve een bedreiging met geweld zou opleveren. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans op de koop toegenomen.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">118.</span>Het middel bevat twee tegen de bewezenverklaring van feit 3 subsidiair gerichte klachten, die in de kern overeenkomen met de in het vijfde middel tegen het oordeel van het hof ter zake van feit 2 subsidiair gerichte klachten. Het middel behelst ten eerste de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de medeverdachten haar oproep op een zodanige manier zouden uitvoeren dat hun handelen ‘bedreiging met geweld’ als bedoeld in art. 143 Sr zou opleveren, onbegrijpelijk is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">119.</span>Bij de beoordeling van de eerste klacht moet worden vooropgesteld wat hiervoor bij de bespreking van het vijfde middel onder 85 ten aanzien van het opzet van de uitlokker is uiteengezet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">120.</span>Uit de hiervoor onder 117 weergegeven overwegingen van het hof blijkt dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de bestanddelen van het uitgelokte feit, waaronder het bestanddeel “bedreiging met geweld”. Aan dat oordeel heeft het hof ten grondslag gelegd dat de verdachte door de wijze waarop zij anderen tot actie heeft opgeroepen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat anderen de actie op een zodanige manier zouden uitvoeren dat dit bij de demonstranten de redelijke vrees voor geweld zou doen ontstaan en dat de verdachte die aanmerkelijke kans “op de koop heeft toegenomen”, dus bewust heeft aanvaard. Daaruit blijkt dat het hof bij zijn beoordeling de juiste maatstaf heeft toegepast. De minder gelukkige formulering dat de verdachte op de aanmerkelijke kans bedacht “had (…) moeten zijn” doet daar in dit geval niet aan af.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">121.</span>Het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de medeverdachten de geoorloofde betoging door bedreiging met geweld zouden verhinderen, acht ik in het licht van de door het hof vastgestelde gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht niet onbegrijpelijk. Bewezen verklaard is onder meer dat de verdachte heeft opgeroepen de demonstranten te “verjagen”. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het hof mede uit de bewoordingen en de strekking van de oproep kunnen afleiden dat de verdachte in voorwaardelijke zin opzet erop heeft gehad dat de verhindering van de betoging door het aanjagen van de vrees voor geweld zou geschieden. Het hof heeft in zijn nadere overwegingen daarnaast in aanmerking genomen dat de verdachte anderen bewust heeft opgeroepen om zich te verzamelen en massaal met voertuigen de weg op te gaan met als doel te voorkomen dat een specifieke groep hun eindbestemming zou bereiken, dat de verdachte door de inhoud van de oproep en het daarvoor gekozen medium aan de oproep een groot bereik heeft verschaft en de uitvoering van de actie volledig uit handen heeft gegeven, terwijl geen voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om bedreiging met geweld te voorkomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">122.</span>Mede gelet op de ruime betekenis van het begrip ‘geweld’ in dit verband, getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">123.</span>De eerste klacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">124.</span>De tweede klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte heeft uitgelokt door inlichtingen te verschaffen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, aangezien een aansporing om in actie te komen niet kan worden aangemerkt als het verschaffen van inlichtingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">125.</span>Aangenomen moet worden dat “het verschaffen van inlichtingen” in de tenlastelegging en de bewezenverklaring ter zake van feit 3 subsidiair de betekenis heeft die daaraan toekomt in art. 47, eerste lid onder 2°, Sr.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">126.</span>Het hof heeft de vraag of sprake is van het uitlokkingsmiddel ‘verschaffen van inlichtingen’ als bedoeld in art. 47, eerste lid onder 2°, Sr in zijn arrest uitdrukkelijk onder ogen gezien en die vraag – onder verwijzing naar zijn overwegingen over diezelfde vraag in het kader van feit 2 subsidiair – bevestigend beantwoord.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">127.</span>De klacht is in de kern gelijkluidend aan de tweede klacht van het vijfde middel en kan op de in de bespreking van die klacht genoemde gronden niet slagen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">128.</span>Het middel faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">129.</span>Het achtste middel is gericht tegen de bewezenverklaring van feit 4 subsidiair en komt op tegen het oordeel van het hof dat hetgeen waartoe de verdachte heeft uitgelokt (het medeplegen van) het door bedreiging met geweld dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden in de zin van art. 284 Sr oplevert.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">130.</span>Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 4 subsidiair bewezen verklaard dat: “een groot aantal personen op 18 november 2017, op de Rijksweg A7, nabij Oudehaske in de richting van Heerenveen, tezamen in vereniging met elkaar, anderen, te weten bestuurders van autobussen en/of inzittenden van die autobussen, door bedreiging met geweld gericht tegen die voornoemde bestuurders en/of inzittenden, wederrechtelijk heeft/hebben gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, immers hebben zij</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>als bestuurder(s) en/of inzittende(n) van (een) (groep) motorrijtuig(en), tezamen en in vereniging, op die Rijksweg A7 die bestuurders van die autobussen en een of meer inzittenden van die autobussen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gedwongen de/het door hem/haar/hen bestuurde motorrijtuig(en) af te remmen en tot stilstand te brengen en zodoende</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gedwongen te dulden dat zij in een file terecht kwamen en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gedwongen te dulden dat zij hun reis niet konden vervolgen en/of de plaats hunner bestemming niet (tijdig) konden bereiken en vertraging ondervonden en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gedwongen te dulden dat zij hun recht om een betoging te houden in Dokkum niet konden verwezenlijken/uitvoeren en bestaande die bedreiging met geweld uit het tezamen en in vereniging,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>over de vluchtstrook inhalen van die autobussen en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>afremmen en snelheid minderen voor die autobus(sen) en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het (abrupt) tot stilstand brengen van een of meer van die autobus(sen) en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>blokkeren van die Rijksweg A 7, door meerdere motorrijtuigen op de rijbanen en vluchtstrook van die Rijksweg A7 te parkeren/plaatsen en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zwaaien met de (gebalde) vuisten en/of wijzen in de richting de autobus(sen) en/of het omhoog houden van de/een arm(en), en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>slaan tegen een of meer autobus(sen); welk feit verdachte in de periode van 15 november 2017 tot en met 18 november 2017 in Nederland, door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, via de sociaalnetwerksite Facebook een zogenoemde “event” op te starten onder de naam “Project P” en daarin de volgende oproep en/of tekst te vermelden: “Aankomende zaterdagmorgen komen er bussen met onruststokers uit Amsterdam en Rotterdam naar Dokkum voor een protestmars en anti Zwarte Piet demo langs de route van de Sint” en “We roepen elke oprechte Fries op om zich zaterdagmorgen om 8.30 uur met de Friese vlag te verzamelen op onderstaande locaties bij de Friese grens en bij de centrale as naar Dokkum” en “De organisatie zal het vertrek van de onruststokers (ook live) volgen en updates van routes en tijden op de FB pagina zetten. Wij kunnen dan op tijd massaal met Friese vlaggen de (snelwegen op en om ze te vertragen/verjagen zodat onze kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest vieren kunnen in Dokkum” en “Kom met auto, vrachtwagen, motor, trekker en paarden wagen om de onruststokers te laten zien dat dit geouwehoer hier niet welkom is” en “Meld je aan voor dit evenement, tag alle oprechte Friezen en “Grutte Pieren” die je kent en scheur de Friese vlag alvast van de muur!” en “Begeef jullie zaterdag om 8.30 uur naar de verzamelplekken en volg vanaf 7.00 uur de berichten in dit evenement o.a. voor nieuwere instructies over de route” en “LOCATIES Routiers Zurich” en/of “MC Donalds De Lemmer” en/of “Centrale as” en “Mobiliseer je kaats-, voetbal-, haak- en bikerclub. Gooi het in de buurt en familie whatsapp en laat zaterdag iedereen weten: Wij zijn Project P - van Grote Pier (Piet) en Zwarte Piet!”, (in onderling verband en samenhang bezien met de gehele tekst zoals weergegeven op p. 32 en 33).”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">131.</span>Ten aanzien van de vraag of het door de verdachte opzettelijk uitgelokte feit het medeplegen van door (geweld of) bedreiging met geweld dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden in de zin van art. 284 Sr behelst, heeft het hof in het bestreden arrest het volgende overwogen: “1) Is er sprake van het (door medeverdachten) medeplegen van door (bedreiging met) geweld en/of een andere feitelijkheid dwingen van andere bestuurders iets te doen, niet te doen en/of te dulden?</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit strafbare feit wordt in het algemeen aangeduid als “dwang”. Er is sprake van strafbare dwang als de verdachte – zonder dat hij/zij daartoe bevoegd was – door het toepassen van drukmiddelen opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer iets heeft gedaan, niet heeft gedaan of heeft geduld. Dit betekent dat het misdrijf pas voltooid is wanneer iemand daadwerkelijk is gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden en dat er een causaal verband moet bestaan tussen de toegepaste dwangmiddelen en dat gevolg. In het bestanddeel dwingen ligt een opzetvereiste besloten. Voorwaardelijk opzet is voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De handelingen op de A7 die volgens het openbaar ministerie dienen te worden aangemerkt als (bedreiging met) geweld en/of (bedreiging met) een andere feitelijkheid in het kader van de onder 4 ten laste gelegde dwang, komen overeen met de handelingen waarmee het bestanddeel (bedreiging met) geweld is omschreven in het kader van de onder 3 ten laste gelegde verhindering van een betoging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals het hof ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft overwogen, kunnen de handelingen van de medeverdachten die gericht waren tegen de bussen met demonstranten, worden aangemerkt als bedreiging met geweld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verlengde van hetgeen onder 3 subsidiair is overwogen, acht het hof tevens bewezen dat de medeverdachten door middel van voornoemde handelingen de bestuurders en inzittenden van de bussen met demonstranten hebben gedwongen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>te remmen en de bussen tot stilstand te brengen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>te dulden dat zij in een file terecht kwamen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>te dulden dat zij hun reis niet konden vervolgen, dat zij de plaats van bestemming niet (tijdig) konden bereiken en/of dat zij (ernstige) vertraging ondervonden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is voorts van oordeel dat de medeverdachten door middel van deze handelingen de bestuurders en inzittenden van de bussen met anti-Zwarte Piet-demonstranten hebben gedwongen te dulden dat zij hun recht om een betoging te houden in Dokkum, niet konden verwezenlijken/uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omtrent het verband tussen de blokkade op de A7 en het niet doorgaan van de betoging verwijst het hof naar hetgeen daaromtrent bij feit 3 subsidiair is overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is met de rechtbank van oordeel dat medeverdachten door hun handelen ten minste bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat alle hiervoor genoemde gevolgen van de blokkade zouden intreden en dat zij de bestuurders en inzittenden van de bussen met demonstranten daartoe zouden dwingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu medeverdachten bij het voorgaande tezamen en in vereniging met elkaar hebben gehandeld – zie hieromtrent de overwegingen bij feit 2 – kan worden bewezen dat zij zich als medeplegers door bedreiging met geweld aan dwang hebben schuldig gemaakt.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">132.</span>In het zesde cassatiemiddel is een klacht gericht tegen het oordeel van het hof dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat sprake is geweest van ‘bedreiging met geweld’ in de zin art. 143 Sr. De steller van het middel merkt op dat het bij feit 4 subsidiair weliswaar gaat om een andere strafbepaling (art. 284 Sr), maar dat de vraag of door de gedragingen van de medeverdachten het bestanddeel ‘door bedreiging met geweld’ is vervuld ook hier van belang is. De eerste klacht van het zesde middel is daarom ook in het achtste middel opgenomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">133.</span>Het hof heeft zijn oordeel dat de handelingen van de medeverdachten kunnen worden aangemerkt als ‘bedreiging met geweld’ in de zin van art. 284 Sr gemotiveerd door te verwijzen naar hetgeen het hof ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft overwogen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">134.</span>Voor zover de in het middel te lezen klacht een herhaling van de eerste klacht van het zesde middel behelst, dient bij de beoordeling ervan te worden vooropgesteld wat ik ten aanzien van het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’ bij de bespreking van het zesde middel heb vooropgesteld. De betekenis van dat bestanddeel is in art. 284 Sr geen andere dan in art. 143 Sr. Wel wordt met de bedreiging met geweld een ander gevolg teweeggebracht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">135.</span>Terwijl de bewezenverklaring van feit 3 subsidiair inhoudt dat “door bedreiging met geweld” is verhinderd, specificeert de bewezenverklaring van feit 4 subsidiair dat het gaat om dwang “door bedreiging met geweld gericht tegen (…) bestuurders en/of inzittenden” van de bussen. In de bewezenverklaring van feit 4 subsidiair ligt aldus besloten dat het samenstel van gedragingen van de medeverdachten in dit geval de redelijke vrees kon doen ontstaan dat geweld zou worden gebruikt tegen de bestuurder(s) en/of inzittende(n) van die bussen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">136.</span>Al met al ben ik van oordeel dat de bewijsvoering van het hof ook dit laatste oordeel kan dragen. Daarbij stel ik voorop dat het geweld waarvoor de redelijke vrees kan ontstaan geen intens of hevig geweld behoeft te zijn. Of het samenstel van gedragingen van de medeverdachten bij de bestuurders en/of inzittenden in redelijkheid de vrees kon doen ontstaan dat tegen het geweld zou worden gepleegd, is bovendien een vraag die verweven is met vaststellingen en waarderingen van feitelijke aard, zodat de toetsing van het oordeel van het hof daarover niet anders dan terughoudend kan zijn. Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen tot uitdrukking gebracht bij de beantwoording van die vraag veel gewicht te hebben toegekend aan de gedragingen van de medeverdachten in onderlinge samenhang en in de context dat de demonstranten op weg waren naar een bijeenkomst waarvan bekend was dat zij daar op zijn zachtst gezegd niet met open armen zouden worden ontvangen en van het aan de gedragingen voorafgaande handelen op de A6.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het is in deze context dat het hof heeft geoordeeld dat het vervolgens op de A7 met vijftien auto’s omsluiten van de bussen en het dwingen van de bussen tot stilstand te komen voor de inzittenden bedreigend moet zijn geweest. Die bedreigende situatie is vervolgens versterkt doordat een groot aantal personen uit de auto’s is gestapt en naar de bussen is gelopen, waarbij armbewegingen zijn gemaakt en er op de bus(sen) is geslagen. Het hof heeft overwogen dat het niet anders kan dan dat dit gedrag bij de demonstranten angst moet hebben ingeboezemd, hetgeen wordt bevestigd door de aangiftes. Die redelijke vrees heeft naar het oordeel van het hof kennelijk mede omvat dat tegen een of meer van hen geweld zou worden gepleegd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">137.</span>Het oordeel van het hof getuigt in zoverre niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">138.</span>Ook als daarover anders zou worden geoordeeld, behoeft dat overigens wegens gebrek aan voldoende rechtens te respecteren belang niet tot cassatie te leiden. Indien de zinsnede “gericht tegen die voornoemde bestuurders en/of inzittenden” wordt geschrapt uit de bewezenverklaring, kan niet worden gezegd dat daarmee aan de aard en ernst van het bewezen verklaarde wezenlijk afbreuk wordt gedaan, terwijl niet is aangevoerd dat en waarom de verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging van het arrest en een nieuwe behandeling op deze grond.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">139.</span>Voor zover de in het middel te lezen klacht een herhaling van de eerste klacht van het zesde middel inhoudt, kan de klacht niet tot cassatie leiden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">140.</span>Voor zover daarnaast wordt opgekomen tegen “[h]et oordeel van het hof dat alle handelingen van medeverdachten die gericht waren tegen de bussen met demonstranten, kunnen worden aangemerkt als bedreiging met geweld”, berust het betoog op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft geoordeeld dat de gedragingen van de medeverdachten in onderlinge samenhang bezien van dien aard waren en onder zodanige omstandigheden zijn gedaan dat bij de demonstranten de redelijke vrees kon ontstaan dat geweld zou worden toegepast. Daarvoor is niet vereist dat ook iedere in de tenlastelegging onder een eigen gedachtestreepje opgenomen handeling op zichzelf beschouwd een (afzonderlijke) bedreiging met geweld zou hebben opgeleverd. Het hof heeft dit niet miskend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">141.</span>Het middel bevat voorts de klacht dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid dat de ‘bedreiging met geweld’ de oorzaak is dat de bestuurders en inzittenden van de bussen met demonstranten werden gedwongen te remmen, de bussen tot stilstand te brengen, te dulden dat zij in een file terecht kwamen, respectievelijk te dulden dat zij hun reis niet konden vervolgen, dat zij de plaats van bestemming niet (tijdig) konden bereiken en/of dat zij (ernstige) vertraging ondervonden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">142.</span>Deze klacht berust, evenals de tweede klacht van het zesde middel, op de opvatting dat het door het hof vastgestelde causaal verband tussen de blokkade op de A7 en de door de bestuurders van de bussen en de inzittenden van die bussen ondervonden dwang voor een bewezenverklaring onvoldoende is, omdat de wegblokkade en het verkeersgedrag waarmee deze blokkade gepaard ging op zichzelf beschouwd nog niet als ‘bedreiging met geweld’ kunnen worden aangemerkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">143.</span>In het kader van het vereiste verband tussen de bedreiging met geweld en hetgeen waartoe de bestuurders en inzittenden van de bussen zijn gedwongen, heeft het hof verwezen naar hetgeen het daarover heeft overwogen ten aanzien van feit 3 subsidiair.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">144.</span>De tweede klacht kan niet slagen. De redenen daarvoor heb ik uiteengezet in mijn bespreking van het zesde middel. Om dezelfde redenen is evenmin onjuist of onbegrijpelijk het in de bewijsvoering ten aanzien van feit 4 subsidiair besloten liggende oordeel van het hof dat aan dit samenstel van gedragingen in hun onderlinge verband redelijkerwijs kan worden toegerekend dat de bestuurders en inzittenden van de bussen met demonstranten werden gedwongen te remmen, de bussen tot stilstand te brengen, te dulden dat zij in een file terecht kwamen, respectievelijk te dulden dat zij hun reis niet konden vervolgen, dat zij de plaats van bestemming niet (tijdig) konden bereiken en/of dat zij (ernstige) vertraging ondervonden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">145.</span>De tweede klacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">146.</span>Het middel faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">147.</span>Het negende middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte tot het in de bewezenverklaring van feit 4 subsidiair omschreven feit “opzettelijk heeft uitgelokt”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">148.</span>Uit de hiervoor onder 130 weergegeven bewezenverklaring van feit 4 subsidiair blijkt dat het hof ten laste van de verdachte heeft bewezen verklaard dat zij – kort gezegd – het in die bewezenverklaring nader omschreven feit “door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt”, door via Facebook een ‘event’ op te starten en daarin een oproep te plaatsen met de in de bewezenverklaring aangehaalde inhoud.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">149.</span>Ten aanzien van de vraag of de verdachte tot het feit door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, heeft het hof in het bestreden arrest het volgende overwogen: “2) Heeft verdachte dit feit opzettelijk uitgelokt?</div>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar hetgeen het hof onder 2 en 3 subsidiair heeft overwogen, beantwoordt het hof deze vraag eveneens bevestigend. Het event op Facebook en de daarop vermelde oproep kunnen als uitlokkingsmiddel worden aangemerkt. Uit het dossier blijkt dat medeverdachten kennis hebben genomen van die oproep en daaraan uitvoering hebben gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is het hof ook hier van oordeel dat niet alleen kan worden bewezen dat verdachte opzet had op de uitlokking, maar ook (in voorwaardelijke zin) op de bestanddelen van het uitgelokte feit, zoals die hiervoor aan de orde zijn gekomen. Dit geldt ook voor het onderdeel “bedreiging met geweld”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de oproep op Facebook heeft verdachte anderen bewust opgeroepen om zich - op met naam en toenaam genoemde locaties en op een specifiek tijdstip - te verzamelen en massaal met voertuigen de weg op te gaan, met het doel om te voorkomen dat een specifieke groep hun eindbestemming zou bereiken en de toegestane betoging kon uitvoeren. De oproep tot actie – door verdachte ook aangeduid als de ‘Fryske opstand’ – is op internet gezet en vervolgens is de uitvoering van de actie door verdachte volledig uit handen gegeven, zonder dat er voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om gevaar of (bedreiging met) geweld te voorkomen. Dat verdachte nadien op Facebook een bericht heeft geplaatst inhoudende “Geen ongelukken veroorzaken! Hou het veilig!” is niet als zodanig aan te merken. Mede gelet op het feit dat de oproep via social media onbegrensd is verspreid, had verdachte er op bedacht moeten zijn dat de oproep door heel veel personen zou worden opgepikt en dat de kans aanmerkelijk was te achten dat anderen de actie op een zodanige manier zouden uitvoeren dat dit bij de demonstranten de redelijke vrees op geweld zou oproepen en dat hun handelen derhalve een bedreiging met geweld zou opleveren. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans op de koop toegenomen.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">150.</span>Het middel bevat twee tegen de bewezenverklaring van feit 4 subsidiair gerichte klachten die in de kern overeenkomen met de in het vijfde en het zevende middel tegen het oordeel van het hof ter zake van feit 2 subsidiair respectievelijk feit 3 subsidiair gerichte klachten. Het middel behelst ten eerste de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de medeverdachten haar oproep op een zodanige manier zouden uitvoeren dat hun handelen ‘bedreiging met geweld’ als bedoeld in art. 284 Sr zou opleveren, onbegrijpelijk is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">151.</span>Bij de beoordeling van de eerste klacht moet worden vooropgesteld wat hiervoor bij de bespreking van het vijfde middel onder 85 ten aanzien van het opzet van de uitlokker is uiteengezet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">152.</span>Uit de bovenstaande overwegingen van het hof blijkt dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de bestanddelen van het uitgelokte feit, waaronder het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’ als bedoeld in art. 284 Sr. Aan dat oordeel heeft het hof dezelfde bewijsvoering en overwegingen ten grondslag gelegd als die ten grondslag liggen aan het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’ als bedoeld in art. 143 Sr.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">153.</span>Op de gronden vermeld in mijn bespreking van de eerste klacht van het zevende middel, faalt de klacht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">154.</span>De tweede klacht van het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte heeft uitgelokt door inlichtingen te verschaffen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, aangezien een aansporing om in actie te komen niet kan worden aangemerkt als het verschaffen van inlichtingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">155.</span>Het hof heeft de vraag of sprake is van het uitlokkingsmiddel ‘verschaffen van inlichtingen’ als bedoeld in art. 47, eerste lid onder 2°, Sr in zijn arrest uitdrukkelijk onder ogen gezien en die vraag – onder verwijzing naar zijn overwegingen over diezelfde vraag in het kader van feit 2 subsidiair en feit 3 subsidiair – bevestigend beantwoord.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">156.</span>De klacht is in de kern gelijkluidend aan de tweede klacht van het vijfde middel en de tweede klacht van het zevende middel en kan op de in mijn bespreking van de tweede klacht van het vijfde middel genoemde gronden niet slagen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">157.</span>Het middel faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">158.</span>Het tiende middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de door de verdachte uitgelokte feiten die zijn vermeld in de bewezenverklaringen van feit 2 subsidiair, feit 3 subsidiair en feit 4 subsidiair tezamen en in vereniging zijn begaan, gelet op de in de rechtspraak van de Hoge Raad aan de kwalificatie medeplegen gestelde eisen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet begrijpelijk is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">159.</span>Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, houdt de bestreden uitspraak het volgende in: “FEIT 2 (primair):</div>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2 primair wordt verdachte verweten dat zij zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk versperren van de Rijksweg A7, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was. (…) Oordeel hof Naast de vraag of sprake is geweest van het opzettelijk versperren van een weg waarbij gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was, dient de vraag te worden beantwoord of verdachte als medepleger daarvan kan worden aangemerkt. Op deze vraag zal eerst worden ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. (…) Op grond van het voorgaande is het hof - anders dan het openbaar ministerie - van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte aan het feitelijke gebeuren op de A 7 is van onvoldoende gewicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte zal daarom van het onder 2 primair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken. Het verweer van de verdediging slaagt in zoverre. Bij de bespreking van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde zal het hof nader ingaan op de overige verweren van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">FEIT 2 (subsidiair) Onder feit 2 subsidiair wordt verdachte kort gezegd verweten dat zij opzettelijk heeft uitgelokt dat andere personen tezamen en in vereniging opzettelijk de A7 hebben versperd, waarbij gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel hof (…) De vragen die het hof vervolgens moet beantwoorden is of (1) bewezen kan worden dat medeverdachten de A7 opzettelijk hebben versperd terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was, en - zo ja - of (2) bewezen kan worden dat verdachte dit feit opzettelijk heeft uitgelokt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>Is er sprake van het (door medeverdachten) medeplegen van het opzettelijk versperren van de A7, terwijl daarvan gevaar voor veiligheid van het verkeer te duchten was?</div>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vraag of sprake is van medeplegen is van belang dat voor het versperren van een snelweg meerdere voertuigen en meerdere personen nodig zijn waarmee de versperring daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. Het delict zoals dat in deze zaak is ten laste gelegd vereist derhalve een zekere collectiviteit. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat niet alleen de bestuurders van de auto’s die vooraan in de groep reden en/of als eerste hun auto tot stilstand hebben gebracht, de A7 hebben versperd, maar ook degenen die vervolgens hebben meegeholpen om de blokkade verder uit te bouwen, deze te laten voortduren en/of niet op te heffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke rol iemand precies heeft gehad (bestuurder/bijrijder), waar iemand zich precies op de weg en in de blokkade heeft bevonden (voor, naast of achter de bussen), of iemand er van meet af aan bij was, of zich er later heeft bij gevoegd, en of iemand al dan niet de auto heeft verlaten, acht het hof gezien het voorgaande niet relevant voor de vraag of sprake is van medeplegen. Het specifieke karakter van dit strafbare feit maakt dat het enkele (doelgericht) ter plaatse aanwezig zijn en het op die manier getalsmatig versterken en laten voortduren van de versperring een zeer belangrijk aspect is in de vraag of iemand als medepleger kan worden aangemerkt. Door het zich met dit doel bewust voegen bij de blokkade, maakt iemand zich onderdeel van het strafbare feit. In de onderhavige zaak kan daarom reeds van medeplegen worden gesproken indien kan worden bewezen dat iemand op één van voormelde manieren ter plaatse was en deel heeft uitgemaakt van de versperring, met het (gezamenlijke) doel om te voorkomen dat de demonstranten in Dokkum zouden kunnen demonstreren. In dat geval kan worden vastgesteld dat zij zich in bewuste en nauwe samenwerking met elkaar hebben schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 162 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof bewezen dat er tussen de medeverdachten sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het versperren van de A7. (…) FEIT 3 (subsidiair): (…) Nu medeverdachten bij het voorgaande tezamen en in vereniging met elkaar hebben gehandeld – zie hieromtrent de overwegingen bij feit 2 – kan worden bewezen dat zij als medeplegers met bedreiging met geweld de geoorloofde betoging hebben verhinderd, zoals is ten laste gelegd. (…) FEIT 4 (subsidiair):</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is met de rechtbank van oordeel dat medeverdachten door hun handelen ten minste bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat alle hiervoor genoemde gevolgen van de blokkade zouden intreden en dat zij de bestuurders en inzittenden van de bussen met demonstranten daartoe zouden dwingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu medeverdachten bij het voorgaande tezamen en in vereniging met elkaar hebben gehandeld - zie hieromtrent de overwegingen bij feit 2 - kan worden bewezen dat zij zich als medeplegers door bedreiging met geweld aan dwang hebben schuldig gemaakt.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">160.</span>Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor de kwalificatie ‘medeplegen’ vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bestaat het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, dan rust op de rechter die desondanks oordeelt dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken, de taak in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als voorbeelden van gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, noemt de Hoge Raad het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht. In zijn oordeelsvorming kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar noodzakelijk is dat niet. Zeker in andere, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de meest recente rechtspraak van de Hoge Raad over medeplegen lijkt te kunnen worden afgeleid dat in toenemende mate het bestaan van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan een relevant aandachtspunt kan zijn voor de beoordeling of sprake is van medeplegen. Ingeval sprake is van het gezamenlijk optrekken met het oog op het realiseren van een gezamenlijk plan kan sprake zijn van medeplegen, ook al zouden de gedragingen van de verdachte op zichzelf beschouwd niet als een bijdrage van voldoende gewicht aan het ten laste gelegde feit kunnen worden aangemerkt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">161.</span>Uit de motivering van de beslissing van het hof om de verdachte van het aan haar onder 2 (en 3 en 4) primair ten laste gelegde medeplegen vrij te spreken, blijkt dat het hof het bovenstaande beoordelingskader voor ogen heeft gestaan. De steller van het middel betoogt niettemin dat het hof in het kader van de telkens subsidiair ten laste gelegde uitlokking van het medeplegen van de feiten onvoldoende aandacht heeft besteed aan de vraag of de bijdrage van de individuele medeverdachten aan het strafbare feit van voldoende gewicht is geweest. Door te overwegen dat niet relevant is welke rol een medeverdachte precies heeft gehad, waar iemand zich op de weg en in de blokkade bevond, of diegene er vanaf het begin bij was en of hij of zij het voertuig heeft verlaten, zou het hof volgens de steller van het middel de nadruk hebben gelegd op de “collectiviteit van handelen” en aldus duidelijk afstand hebben genomen van de rechtspraak van de Hoge Raad inzake medeplegen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">162.</span>Ik deel deze opvatting niet. Het hof heeft onder 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair telkens bewezen verklaard dat “een groot aantal personen” tezamen en in vereniging het nader omschreven door de verdachte uitgelokte feit heeft begaan. Welke personen dit waren, is voor het bewijs in de strafzaak tegen de verdachte niet relevant. Uit de hiervoor weergegeven bewijsoverwegingen van het hof ter zake van feit 2 subsidiair blijkt dat het hof heeft beoordeeld of kan worden gezegd dat het grote aantal personen, bestaande uit de medeverdachten van de verdachte, het desbetreffende feit tezamen en in vereniging heeft begaan. Daarbij heeft het hof als maatstaf gehanteerd of tussen de medeverdachten sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het begaan van het feit, bestaande uit een gezamenlijke uitvoering.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in dat verband niet miskend dat voor medeplegen is vereist dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van de medepleger aan het delict van voldoende gewicht is. Het oordeel van het hof moet zo worden verstaan dat het van oordeel is dat die bijdrage van voldoende gewicht door de aanwezigen op de A7 inderdaad is geleverd, omdat voor hen allen geldt dat zij hebben deelgenomen aan de gezamenlijke uitvoering van het feit. Aan dit oordeel heeft het hof ten grondslag gelegd dat voor een gezamenlijke uitvoering “doelgerichte aanwezigheid” en “getalsmatige versterking” voldoende is, ongeacht de ter plaatse door de individuele medeverdachte verrichte gedragingen. Het is ter onderbouwing van dit laatste oordeel dat het hof de aandacht heeft gevestigd op het bijzondere karakter van de bewezen verklaarde feiten en daarmee overeenkomstig de rechtspraak van de Hoge Raad het belang van de rol van elke medeverdachte en het belang van diens aanwezigheid op belangrijke momenten in aanmerking heeft genomen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">163.</span>De overwegingen van het hof geven er tevens blijk van dat het hof heeft onderkend dat voor het medeplegen van de door de verdachte uitgelokte feiten zowel samenwerkingsopzet als opzet op het gronddelict van de medeplegers is vereist. Het hof heeft immers de eis gesteld dat een individuele verdachte “doelgericht” ter plaatse was, hetgeen opzet op het gronddelict impliceert en tevens dat moet worden bewezen dat iemand ter plaatse was met “het (gezamenlijke) doel” om te voorkomen dat de demonstranten in Dokkum zouden kunnen demonstreren, hetgeen opzet op de samenwerking veronderstelt. Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft het hof dus niet geoordeeld dat het niet ter zake doet of de individuele medeverdachte opzet heeft gehad op de samenwerking en op de bestanddelen van de afzonderlijke delicten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">164.</span>In de bewezenverklaringen van feit 3 en 4 ligt voorts als het oordeel van het hof besloten dat een groot aantal personen telkens het voor medeplegen vereiste opzet op bedreiging met geweld heeft gehad. Uit de bewijsoverwegingen van het hof blijkt dat het hof kennelijk ervan is uitgegaan dat een gezamenlijk doel om op de A7 de demonstratie te verhinderen op de wijze zoals is gebeurd ook ten minste voorwaardelijk opzet op ‘bedreiging met geweld’ in de zin van art. 143, respectievelijk art. 284, onder 1°, Sr omvat. In aanmerking genomen dat het hof het gehele samenstel van gedragingen van de medeverdachten op de A7 in onderlinge samenhang als ‘bedreiging met geweld’ heeft aangemerkt, is dit impliciete oordeel niet onbegrijpelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">165.</span>De steller merkt nog op dat uit de bewijsvoering van het hof niet zou blijken dat de individuele medeverdachten door de verdachte zijn uitgelokt. Ook die opmerking treft geen doel. Het recht stelt niet de eis dat de uitlokker alle betrokken medeplegers door middel van uitlokkingsmiddelen heeft bewogen en evenmin dat de uitlokker opzet heeft op de uiteindelijke deelnemingsvorm van de uitvoering.Het hof heeft uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de oproep van de verdachte verschillende medeplegers daadwerkelijk heeft bewogen het feit tezamen en in vereniging te begaan. In dat verband wijs ik in het bijzonder op de door het hof in een voetnoot bij zijn nadere bewijsoverwegingen opgenomen aanvulling van de bewijsvoering met onderdelen van door de medeverdachten [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">166.</span>Het middel faalt in al zijn onderdelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">167.</span>Ten overvloede merk ik nog op dat het rechtens te respecteren belang van de verdachte bij het tiende middel niet evident is. Ook als uit de bewijsvoering niet zou kunnen worden afgeleid dat sprake is geweest van medeplegen door “een groot aantal personen”, maar wel dat de feiten zijn medegepleegd “door een aantal personen”, doet zulks aan de aard en de ernst van het aan de uitlokker van de onderhavige feiten te maken verwijt niet af. Dat geldt voor de in de onderhavige zaak uitgelokte feiten zelfs als zou blijken dat het feit niet is medegepleegd, maar door één persoon is gepleegd. Het betreft hier immers geen feiten waarvan het ‘in vereniging’ begaan een strafverzwarende omstandigheid vormt. Zolang uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat ten minste een van de (mede)plegers van het feit door de verdachte tot het begaan daarvan is uitgelokt, bestaat bij vernietiging en terugwijzing op grond van een klacht als de onderhavige dan ook niet voldoende rechtens te respecteren belang.</div>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 168. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld. De middelen 3 en 4 lenen zich niet voor toepassing van art. 81, eerste lid, RO. In elk geval de middelen 1, 2, 5, 7, 9 en 10 kunnen met toepassing van art. 81, eerste lid, RO worden afgedaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">169.</span>Ambtshalve wijs ik op het volgende. De op 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) heeft onder meer tot gevolg dat met ingang van die datum de rechter niet langer de mogelijkheid heeft om vervangende hechtenis te verbinden aan de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, voor het geval geen volledige betaling of volledig verhaal volgt. In plaats daarvan kan de rechter het dwangmiddel van de gijzeling opleggen, die net als de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar kan duren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">170.</span>In HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat daarmee sprake is van een verandering in de regels van sanctierecht die ten gunste van de verdachte werkt en die met onmiddellijke ingang moet worden toegepast. Gelet hierop zal de Hoge Raad in zaken waarin de cassatieschriftuur is binnengekomen voor of op 26 juni 2020 de uitspraak van het hof waarbij aan de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is verbonden in zoverre ambtshalve vernietigen. In de onderhavige zaak doet de bedoelde situatie zich voor.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">171.</span>Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast, en te bepalen dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het woord ‘Blokkeerfries’ kreeg in de verkiezing van woord van het jaar 2018 van Van Dale de voorkeur boven de eveneens genomineerde woorden ‘yogasnuiver’ en ‘mangomoment’ (nos.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo werd onder meer geschreven: “We roepen elke oprechte Fries op om zich zaterdagmorgen om 8.30 uur met de Friese vlag te verzamelen op onderstaande locaties bij de Friese grens en bij de centrale as naar Dokkum. De organisatie zal het vertrek van de onruststokers (ook live) volgen en updates van routes en tijden op de FB pagina zetten. Wij kunnen dan op tijd massaal met Friese Vlaggen de (snel)wegen op en om ze te vertragen/ verhinderen zo dat ze onze kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest vieren kunnen in Dokkum. Kom met auto, vrachtwagen, motor, trekker en paard en wagen om de onruststokers te laten zien dat dit geouwehoer hier niet welkom is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij in deze conclusie hierna anders wordt vermeld, zijn in de citaten uit het bestreden arrest steeds de voetnoten weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor zorgen over de betekenis van het relativiteitsvereiste als begrenzing van het slachtofferbegrip: WvSv, Melai/Groenhuijsen e.a., art. 51a-51h Sv, aant. 6 en art. 51a Sv, aant. 4 (actueel t/m 1-3-2010). Zie ook reeds J.W. Spanninga en A.L.J. van Strien, ‘Een wetsvoorstel betreffende het spreekrecht’, Trema 2001, p. 419-428.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, rov. 2.3.1: “Voorts is niet vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Tweede Deel, tweede druk, Haarlem 1891, p. 116: “Het gevaar kan goederen of menschen betreffen en zich al of niet hebben verwezenlijkt.” Vgl. in meer algemene zin mijn vordering tot cassatie in het belang der wet ECLI:NL:PHR:2016:626, onder 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook Candido/Lochs, in:T&amp;C WvSv, art. 51e Sv, aant. 5. Zie hierover ook T.N.B.M. Spronken en F. Fernhout, ‘Spreekrecht voor slachtoffers, aspirientjes voor de rest’, NJB 2005, p. 150-156.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, rov. 2.6 onder verwijzing naar HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5554 en HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het arrest van 31 oktober 2019, p. 41-42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onder meer HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5402, NJ 2012/574.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onder meer HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244, m.nt. Bleichrodt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR1149, NJ 2012/367, m.nt. Cleiren (spreekrecht uitgeoefend door vriendin slachtoffer) en HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5402, NJ 2012/574 (ten laste gelegde feit betreft niet een misdrijf waarop acht jaar gevangenisstraf of meer is gesteld, noch een van de overige genoemde misdrijven).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Kamerstukken II 2001/2002, 27632, nr. 8, p. 10 waarin kamerleden Dittrich en Schonewill in de nota naar aanleiding van het verslag opmerken: “Het is niet aannemelijk dat de rechter gewraakt zal worden, wanneer het slachtoffer ter zitting van zijn spreekrecht gebruik heeft gemaakt. Een wrakingsverzoek kan alleen plaatsvinden ingevolge art. 512 Wetboek van Strafvordering op grond van feiten of omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dat is niet het geval, wanneer ter zitting alle procesdeelnemers op hetzelfde moment de mondelinge verklaring van het slachtoffer horen. Wraking is ook niet aannemelijk bij de experimenten, waar de schriftelijke verklaring van het slachtoffer door de rechter wordt voorgelezen, maar waar geen mogelijkheid is het slachtoffer over die verklaring te ondervragen, tenzij besloten wordt het slachtoffer als getuige op te roepen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR1149, NJ 2012/367, m.nt. Cleiren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder omstandigheden kan een toezegging van een verbalisant worden toegerekend aan het openbaar ministerie. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven in de regel evenwel niet worden ontleend. Vgl. HR 13 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3188, NJ 1989/403, HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5002 en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563, m.nt. Van Kempen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109, m.nt Schalken, HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563, m.nt. Van Kempen, HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:513, NJ 2015/200, m.nt. Reijntjes, HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:742, NJ 2016/388, m.nt. Keulen en HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:228.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 21 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:89, NJ 2019/176, m.nt. Reijntjes en HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2982.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 219-220.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0898, rov. 2.3, HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:286, NJ 2014/137, HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6198 (art. 81 RO) en HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:885 (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 16 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2525, NJ 1996/527, rov. 7.7, HR 18 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5207, NJ 2002/318 en HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:286, NJ 2014/137.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in ieder geval het juiste criterium aangelegd voor de vraag of sprake is van schending van het verbod van willekeur, te weten of er sprake is van aperte onredelijkheid, in die zin dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Zie nader Corstens/Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 63-64.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 september 1999 (ECLI:NL:HR:1997:ZC9557, niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1881-1886), deel II, tweede druk, p. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237, NJ 2010/22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smidt, deel II, p. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1919/1920, 428, nr. 5, p. 12. Vgl. ook Handelingen II 16 juni 1920, p. 2741-2742.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 28 juli 1920, “houdende nadere voorzieningen tot bestrijding van revolutionnaire woelingen”, Stb. 1920/619. Zie over de wetsgeschiedenis van art. 131 Sr nader de conclusies van mijn ambtgenoten Keulen (ECLI:NL:PHR:2019:723, onder 12-21) voorafgaand aan HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1069, NJ 2019/349, m.nt. Dommering en Hofstee (ECLI:NL:PHR:2019:1235,onder 36-45), voorafgaand aan HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:447, NJ 2020/240, m.nt. Keijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. J.W. Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 2 bij art. 131 Sr. Al stond boven de memorie van toelichting op art. 131 en volgende wel: “Verlokking tot misdrijf”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smidt, deel II, p. 69, toegespitst op het opruien tot medeplichtigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9557.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 5 april 1909, W 8859 en HR 17 november 1930, ECLI:NL:HR:1930:77, NJ 1931, p. 119 e.v. In HR 20 maart 1933, ECLI:NL:HR:1933:60, NJ 1933, p. 925 e.v., m.nt. Taverne streepte de Hoge Raad het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring (ten onrechte) aangewezen strafbare feit zelf uit de bewezenverklaring weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1069, NJ 2019/349, m.nt. Dommering, rov. 4.5.; HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:447, NJ 2020/240, m.nt. Keijzer, rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus HR 17 november 1890, W 5967. Vgl. in dezelfde zin J.W. Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 1 bij art. 131 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 15 juni 1903, W 7940; HR 5 april 1909, W 8859; HR 11 mei 1914, ECLI:NL:HR:1914:157, NJ 1914, p. 889 e.v.; HR 21 november 1921, ECLI:NL:HR:1921:140, NJ 1922, p. 177 e.v.; en HR 17 december 1928, ECLI:NL:HR:1928:184, NJ 1929, p. 638 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:447, NJ 2020/240, m.nt. Keijzer, rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 juni 1903, W 7940 en HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1818, NJ 2001/694, m.nt. D.H. De Jong. Vgl. ook J.W. Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 1 bij art. 131 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ten aanzien van art. 132 Sr: HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237, NJ 2010/22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 28 juni 1937, ECLI:NL:HR:1937:231, NJ 1938/191.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Tweede Deel, Tweede druk, Haarlem 1891, p. 116.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smidt, deel II, p. 116.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dezelfde zin mijn ambtgenoot Vegter in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2010:BK2650, onderdeel 14) voorafgaand aan HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2650 (HR: art. 81, eerste lid, RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, a.w., p. 98.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.F. Stamhuis, Gemeen gevaar (oratie OU), Nijmegen: WLP 2006, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 1 bij art. 157 (bijgewerkt tot en met 1 maart 2006). Zie in deze zin ook Th.W. van Veen, noot onder: HR 5 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB9449, NJ 1980/300.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.F. Stamhuis, Gemeen gevaar (oratie OU), Nijmegen: WLP 2006, p. 6-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1959/60, 5861, nr. 3, p. 23: “De gezondheid van mensen behoeft dus nog niet te zijn aangetast en zelfs behoeft gevaar daarvoor nog niet reëel aanwezig te zijn. Voldoende is, dat vrees voor zodanig gevaar bestaat.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Smidt, deel II, p. 118.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smidt, deel II, p. 122.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smidt, deel II, p. 128-129.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn algemene vooropstelling heeft de Hoge Raad overeenkomstig toegepast op andere delicten. Vgl. HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2752, NJ 2015/405 (art. 385b, eerste lid, Sr) en HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:19 (art. 161bis, derde lid, Sr). De overwegingen in laatstgenoemde zaak luiden enigszins anders, maar dat kan worden verklaard doordat de verdachte een toestand waarvan langdurig gevaar te duchten was in het leven had geroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. o.a. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653, NJ 2009/120; HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0594; HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1700; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8840.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653, NJ 2009/120; HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4230, NJ 2012/670, m.nt. Bleichrodt; HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1335, NJ 2016/328.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8840.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653, NJ 2009/120. Vgl. ook HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0594, waarin werd gecasseerd omdat uit de bewijsmiddelen niet kon volgen dat zich ten tijde van de brandstichting in een sportcentrum in de (directe) omgeving van dat sportcentrum personen bevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1700.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover Stamhuis 2006, a.w., p. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (ECLI:NL:PHR:2010:BK2650, onderdeel 16) voorafgaand aan HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2650 (HR: art. 81, eerste lid, RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dezelfde zin J.W. Fokkens, ‘Art. 162 Sr’, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wolters Kluwer, losbl., aant. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard behoort een succesvol beroep op afwezigheid van alle schuld wel tot de mogelijkheden. Zie bijvoorbeeld HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3998, NJ 2005/435.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. o.a. Hazewinkel-Suringa/Remmelink, a.w., p. 97; C. Kelk &amp; F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 63; G. Knigge &amp; H. D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, p. 9 en p. 79; A.N. Kesteloo, Strafbaarheid in de voorfase, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 190-191; De Hullu, a.w., p. 74; J.W. Fokkens, ‘Inleidende beschouwingen bij Titel VII Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht’, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 2 en mijn noot (onder 1) onder HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4230, NJ 2012/670.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Knigge &amp; H. D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 29 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB6309, NJ 1966/395, m.nt. Pompe en HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BL8997.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB6309, NJ 1966/395, m.nt. Pompe. Op dit punt wijkt het vereiste opzet van de uitlokker van dat van degene die het feit opzettelijk voorbereidt. Vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4230, NJ 2012/670 en mijn noot onder dat arrest (onder punt 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 28 juli 1924 tot wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot de uitlokking, Stb. 1924/370.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dezelfde zin Knigge &amp; Wolswijk 2015, a.w., p. 283; De Hullu 2018, a.w., p. 489; en de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (ECLI:NL:PHR:2015:2657, onder 8) voorafgaand aan HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:223, NJ 2016/119.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0260, NJ 2001/308 en HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:223, NJ 2016/119. In de oudere rechtspraak werd een enigszins andersluidend criterium gehanteerd. Vgl. HR 17 juni 1940, ECLI:NL:HR:1940:58, NJ 1940/821, m.nt. Pompe; HR 5 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB8980, NJ 1982/339 en HR 29 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:AD1519, NJ 1992/267.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de ‘eenvoudige aansporing’ uitdrukkelijk HR 17 juni 1940, ECLI:NL:HR:1940:58, NJ 1940/821, m.nt. Pompe. Vgl. ook De Hullu 2018, a.w., p. 488 en Knigge &amp; Wolswijk 2015, a.w., p. 283.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB8980, NJ 1982/339.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dat verschil en het belang erin in het kader van de dwangbepalingen (in het bijzonder art. 284 Sr) K. Lindenberg, Strafbare dwang. Over het bestanddeel ‘dwingen’ en strafbaarstellingen van dwang, in het bijzonder art. 284 Sr (diss. Groningen), Antwerpen/Apeldoorn: Maklu 2007, p. 219-221.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet is vereist dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd ook tegen de bedreigde zelf is gericht. Vgl. HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3400, NJ 2011/224, m.nt. Keijzer onder NJ 2011/228.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. o.a. HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252, NJ 1984/479; HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448; HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7104 en HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3717, NJ 2011/285.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6562, NJ 2009/109.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD9986; HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3726 (ongepubliceerd; HR: art. 81, eerste lid, RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1858, NJ 2011/225, m.nt. Keijzer onder NJ 2011/228.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook J. ten Voorde, in: T&amp;C Sr, aant. 8 bij art. 143.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smidt, deel I, p. 530.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lindenberg 2007, a.w., 191.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.W. Fokkens, ‘Artikel 81 Sr’, in: NoyonLangemeijer/Remmelink, Het Wetboek van strafrecht, losbl., aant. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Simons, Leerboek van het Nederlandsche Strafrecht, tweede deel, 1929, p. 44. Zie voor (een analyse van) meer definities van ‘geweld’ Lindenberg 2007, a.w., p. 192-193.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC3622, NJ 1983/692.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 augustus 1937, ECLI:NL:HR:1937:121, NJ 1938/29.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6615, NJ 1979/585.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 december 1987, ECLI:NL: HR:1987:AC0645, NJ 1988/896, m.nt. Mulder.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0221, NJ 1997/88.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1306, NJ 1999/311.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de rechtspraak over het leerstuk van de causaliteit, o.a. HR 3 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9666, NJ 2005/69, m.nt. Knigge; HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8535, NJ 2007/48; HR 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0247, NJ 2007/49; HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, NJ 2012/301, m.nt. Keijzer; HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4491, NJ 2013/194; HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1335, NJ 2016/328; HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:585, NJ 2017/470, m.nt. Wolswijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. over een dergelijke frase in dezelfde zin HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1881, NJ 2020/296, m.nt. Wolswijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133. Vgl. ook HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3436 en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als aanvullende bewijsmiddelen neemt het hof in dit kader op:- Het proces-verbaal van verhoor [betrokkene 2] , d.d. 9 januari 2018, map 6, p. 2358 e.v. (onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven - : Ik wist dat ik zou worden aangehouden. Dat is de consequentie van zo’n actie als het blokkeren van de snelweg. Ik heb via Whatsapp contact gehad met anderen over de actie op de A7. We zouden eerst bij de Afsluitdijk afspreken. Ik was daar ook. Ik ben via de Facebookactie in contact gekomen met de groep personen die de blokkade wilde instellen op de A7. Er was een evenement opgericht op Facebook. Dat evenement heette “Project P’. Na de actie voelde ik mij goed omdat het een geslaagde actie was. Het plan was om ze af te remmen. Te vertragen zeg maar. Met ‘ze’ bedoel ik de bussen met de demonstranten. Ik was het ermee eens. Ik kwam erbij vanaf het tankstation BP. Ik stond bij het tankstation en toen zijn we opgereden toen we de bussen aan zagen komen. Ik reed vooraan vanaf het tankstation. Ik stond vooraan. Ik ben uit de auto gestapt. Ik was de eerste die weg kon omdat ik vooraan stond. Ik heb wel over de gevolgen van een blokkade voor andere weggebruikers nagedacht. Ik kan mij enigszins voorstellen dat het bedreigend was voor demonstranten. [betrokkene 1] heeft in eerste instantie een oproep gedaan. Daarmee heeft zij veel mensen benaderd en wakker geschud. Ik vind de blokkade geslaagd en terecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">En:- Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 12 januari 2018, map 5, p. 1876 e.v. (onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven - : Ik heb een oproep gezien van [betrokkene 1] en toen had ik zoiets van zien wel wat er gebeurt en ik ben naar de Afsluitdijk gereden. Dat was die zaterdag rond 08:00 uur (het hof begrijpt: 18 november 2017). Het was de bedoeling om de grenzen van Friesland te bewaken. We troffen een hele ploeg daar. Ze stonden met Friese vlaggen. Ik heb iemand gevraagd wat we gingen doen. Die zei ze komen over Lemmer. We zijn daarna in de auto gegaan en richting Joure gereden. We reden naar de benzinepomp op de A7. Daar waren nog wel meer voertuigen. Na drie kwartier tot een uur zagen we de bussen aankomen en gingen we in de auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">We moesten de weg op en rustig rijden. Ik was één van de eersten die de snelweg opreed. We reden rustig de snelweg op en daarna langzaam remmen. Toen ik stilstond ben ik uitgestapt en bij de bus gaan kijken. Het was de bedoeling om de bussen tegen te houden. Na die tijd had ik een goed gevoel. Een beetje trots ook wel. Tijdens de actie vond ik het wel een beetje spannend. Je zet toch even de snelweg stil. Wat zou er gebeuren. Ik was het 100% eens met de dingen die wij gingen doen. Ik heb meegedaan zodat de anti-pieten-demonstranten niet in Dokkum aan zouden komen en daar de kinderen een leuk feestje zouden hebben. Dat was mijn bedoeling. De bussen probeerden eerst nog tussen het verkeer door te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toen dat niet lukte zijn ze blijven staan. Ik kan me wel een beetje voorstellen dat het bedreigend was voor de demonstranten. Eerst stil zetten op de snelweg. Ze weten niet wat er gebeuren gaat. Sommigen van ons liepen met de vuisten in de lucht. Ik heb dat op filmpjes gezien).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond; en HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:221, NJ 2020/141, m.nt. Vellinga.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover uitgebreider de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187 (ECLI:NL:PHR:2019:1286). Vgl. ook zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:124, onder punt 15) voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:544 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:472, onder punt 10), voorafgaand aan HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat verband kan worden gewezen op HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140 m.nt. Vellinga. Zie in dit verband ook de noot van Rozemond onder HR 20 september 2016, NJ 2016/420 en W. Albers, T. Beekhuis &amp; R. ter Haar, ‘Medeplegen: van wezenlijke bijdrage naar planverwezenlijking?’, DD 2020/23.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 juni 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB6863, NJ 1977/42; HR 2 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB7914, NJ 1982/492 en HR 31 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9797, NJ 1988/633.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. (a contrario) De Hullu 2018, a.w., p. 487, voetnoot 287.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dit verband HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2916 en HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:661.</p></div>", "next": 0}