{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 2.1, 2.2 en 4.1 van het bestreden eindarrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 30 juni 2020, (ECLI:NL:GHARL:2020:4935) (hierna ook: het bestreden arrest) i.v.m. rov. 2.1 t/m 2.10 van het eindvonnis van Rb. Midden-Nederland van 9 mei 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:2280).</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 1 bij procesinleiding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft geoordeeld dat art. 1 van de vestigingsakte aldus moet worden uitgelegd dat het erfpachtrecht slechts eenmaal met 10 jaar kan worden verlengd (vonnis van 9 mei 2019, rov. 4.5). Tegen dit oordeel is in hoger beroep niet gegriefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 20 van de vestigingsakte behelst de verklaring van comparanten dat [betrokkene 1] de op het perceel aanwezige opstallen, te weten de uitspanning [A] en aanbehoren, van de stichting heeft overgenomen voor de prijs van fl. 10.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 5 bij procesinleiding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 4 bij procesinleiding in eerste aanleg. De brief is geschreven naar aanleiding van een gesprek over verlenging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 6 bij procesinleiding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is de naam van het restaurant dat zich op het erfpachtperceel bevindt en door achtereenvolgens [betrokkene 1] en erfpachtster is geëxploiteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 8 bij procesinleiding in eerste aanleg. Volgens de akte wordt geleverd: “het erfpachts- en opstalrecht tot 30 oktober 2008 van een perceel grond waarop zich de opstallen bevinden van het restaurant [A] , met woonhuis en voormalige tabaksschuur.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 9 bij procesinleiding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 23 bij procesinleiding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 24 bij procesinleiding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 27 bij procesinleiding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 29 bij procesinleiding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 31 bij procesinleiding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 35 bij procesinleiding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgelegd bij brief zijdens de stichting aan het hof van 29 mei 2020 (nr. 16 in het A-dossier).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de volledige weergave de procesinleiding, p. 3-5 en het eindvonnis van 9 mei 2019, rov. 3.1. Erfpachtster heeft haar aldaar weergegeven vorderingen sub I en sub IV-subsidiair in appel niet langer gehandhaafd. Zie bestreden arrest, rov. 4.2, resp. MvG, p. 31 (petitum).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vonnis van 9 mei 2019, rov. 4.1 en 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vonnis van 9 mei 2019, rov. 4.8. Zie verweerschrift tevens inhoudende een tegenvordering, nrs. 4.9-4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vonnis van 9 mei 2019, rov. 4.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vonnis van 9 mei 2019, rov. 4.24. Zie verweerschrift tevens inhoudende een tegenvordering, nrs. 4.21-4.22, 5.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vonnis van 9 mei 2019, rov. 4.25. Zie verweerschrift teven inhoudende een tegenvordering, nrs. 4.15-4.17, 5.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vonnis van 9 mei 2019, rov. 4.27. Zie verweerschrift teven inhoudende een tegenvordering, nr. 4.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, rov. 3.2. In afwijking van de in de processtukken gehanteerde KEI-terminologie gebruikt het hof de term ‘reconventie’. Zie voor een uitgebreide weergave het vonnis van 9 mei 2019, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland 9 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2280. Zie ook RN 2019/77, met redactionele wenk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangehaald hiervoor onder 1.1-(ix).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangehaald hiervoor onder 1.1-(v).</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 34 bij procesinleiding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2019, zaaknr. 200.260.743.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, rov. 1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4935, RN 2020/92, met redactionele wenk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft het incidenteel hoger beroep wegens gebrek aan belang niet behandeld. Zie bestreden arrest, rov. 4.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangehaald hiervoor onder 1.1-(ix).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. Asser/Sieburgh 6-III 2018/134.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitaantekeningen zijdens de stichting, nr. 4 i.v.m. prod. 5. Zie ook pleitnotitie zijdens erfpachtster, nr. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar MvG, nr. 4.20-4.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar oproepingsbericht, nr. 3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 32 bij procesinleiding in eerste aanleg. Deze productie ontbreekt in het B-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/221; Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/647.</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 308.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ploeger &amp; Bounjouh, Erfpacht en opstal (Mon. BW, nr. B28), 2019/52, onder verwijzing naar de bespreking van Vraagpunt 7, Parl. Gesch. Boek 5, p. 335 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de meeste schrijvers wordt aangenomen dat de regeling uitsluitend ziet op ‘normale gevallen’ van beëindiging, zoals het aflopen van de erfpachtovereenkomst (tijdelijke erfpacht). Voor bepaalde bijzondere gevallen, zoals opzegging van de erfpachtovereenkomst door de eigenaar wegens tekortschieten van de erfpachter, gelden speciale vergoedingsregelingen (art. 5:87 lid 2 BW, waarde erfpacht). Zie Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/241, met verwijzingen; Ploeger &amp; Bounjouh, Erfpacht en opstal (Mon. BW, nr. B28), 2019/52; M. van Weeren, 50 vragen over erfpacht: Praktische gids voor de erfpachter, eigenaar en vastgoedprofessional, Deventer: Wolters Kluwer, 2021, vraag 44 (p. 320-321).</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 343.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Koe, De waarde van erfpacht (R&amp;P nr. VG12) 2020/2.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/241; Ploeger &amp; Bounjouh, Erfpacht en opstal (Mon. BW, nr. B28) 2019/14. Zie ook A.A. van Velten, ‘In hoeverre is de verplichting tot vergoeding van opstalwaarde bij beëindiging van erfpacht dwingend?’, WPNR 1993/6099, p. 536-537.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de ratio daarvan: MvA II, Parl. Gesch. Boek 5, p. 347.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/241, met vermelding van vindplaatsen; De Koe, De waarde van erfpacht (R&amp;P nr. VG12) 2020/2.2.1, met vermelding van rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.J. Vonck, GS Zakelijke rechten, art. 5:99 BW, aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 344.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/241.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het eerst bepleit door J. de Jong in: Gemeentelijke gronduitgifte (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 1984, p. 265, onderschreven door F.J. Vonck, De flexibiliteit van het recht van erfpacht (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 275; Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/241; Ploeger &amp; Bounjouh, Erfpacht en opstal (Mon. BW, nr. B28), 2019/52; M van Weeren, 50 vragen over erfpacht, 2021, vraag 44 (p. 318-319).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Koe, De waarde van erfpacht (R&amp;P nr. VG12) 2020/5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie A-G Huydecoper (onder 14-20) voor HR 9 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7408 (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3071, NJ 2015/13 m.nt. P.C.E van Wijmen, rov. 3.8.3 (in het kader van de vraag naar doorkruising van het stelsel van de Onteigeningswet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/248; Ploeger &amp; Bounjouh, Erfpacht en opstal (Mon. BW nr. B28) 2019/16, 57 en 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ploeger &amp; Bounjouh, Erfpacht en opstal (Mon. BW nr. B28) 2019/60. Volgens de schrijvers zal van een afhankelijk opstalrecht in elk geval sprake zijn in die gevallen waarin dit onder het oude BW werd gevestigd in combinatie met een erfpachtrecht met het oog op de regeling van de waardevergoeding over de opstallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/250.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Ploeger &amp; Bounjouh, Erfpacht en opstal (Mon. BW nr. B28) 2019/59: art. 5:99 BW geldt voor elk opstalrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 364.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Bartels &amp; Van Velten 5 2017/256.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ploeger &amp; Bounjouh, Erfpacht en opstal (Mon. BW nr. B28) 2019/11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 773 BW (oud) luidde: “De erfpachter is onbevoegd om van den grondeigenaar te vorderen, dat hij de waarde betale van de gebouwen, werken, betimmeringen en beplantingen, hoegenaamd, welke eerstgemelde heeft gemaakt, en die zich bij het eindigen der erfpacht op den grond bevinden.” Partijen konden hiervan afwijken en in de akte wel een opstalvergoeding overeenkomen (art. 782 BW (oud)). Art. 772 BW (oud) verschafte de erfpachter een wegneemrecht ter zake van onverplicht aangebrachte gebouwen, werken of beplantingen. Zie Asser-Beekhuis II Zakenrecht 1990/299 en 301; De Koe, De waarde van erfpacht (R&amp;P nr. VG12) 2020/2.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ploeger &amp; Bounjouh, Erfpacht en opstal (Mon. BW nr. B28) 2019/52.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT Inv., Parl. Gesch. Overgangsrecht (Inv. 3, 5 en 6), p. 147.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bartels, Sagaert, Tweehuysen en Vonck, in: Boek 5 NW van de toekomst, KNB preadviezen 2016, p. 330; T.E. Booms, ‘De oorsprong der soorten en het afhankelijke opstalrecht’, WPNR 2015/7075, p. 758. Zie ook Asser-Beekhuis II Zakenrecht 1990/309.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan te nemen valt dat dit niet geldt voor zover bepaald wordt dat de grondeigenaar bij het eindigen van het opstalrecht in de eigendom van de opstallen treedt, omdat dit een essentieel kenmerk van het opstalrecht betreft. Vgl. thans de dwingendrechtelijke bepaling van art. 5:105 lid 1 BW, waarover MvA II, Parl. Gesch. Boek 5, p. 357-358.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 171 Ow luidt: “De artikelen 166-169 zijn van overeenkomstige toepassing op een recht van opstal in dezelfde gevallen waarin die artikelen op een recht van erfpacht van toepassing zijn en voor zover het opstalrecht aan de daar bedoelde regels voor erfpacht is onderworpen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT Inv., Parl. Gesch. Overgangsrecht (Inv. 3, 5 en 6), p. 147.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT Inv., Parl. Gesch. Overgangsrecht (Inv. 3, 5 en 6), p. 295.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. F.J. Vonck, GS Zakelijke rechten, Art. 5:105 BW, aant. A9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. H.K. Nijkamp, ‘Een of twee beperkte rechten, dat is de kwestie!’, WPNR 2020/7293, p. 545-546.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie (Serie Burgerlijk Proces &amp; Praktijk, nr. 20), Deventer: Wolters Kluwer 2019/131.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding in eerste aanleg, nr. 1.6, 3.30 en 3.143-3.147, alsmede het in nr. 2.9 genoemde en als productie 3 overgelegde taxatierapport van 15 oktober 2002. Zie ook vonnis van 9 mei 2019, rov. 4.22. In nr. 3.148 wordt ook nog aangevoerd dat art. 15 van de akte in strijd is met art. 5:99 BW omdat niet voorzien is in vergoeding van de beplantingen. Dit punt speelt in de procedure verder geen rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerschrift tevens houdende een tegenvordering, nr. 4.15 en 4.21; MvA, nr. 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerschrift tevens houdende een tegenvordering, nr. 3.11. De jaarlijkse vaststelling van investeringen was in de relatie tussen [betrokkene 1] en de stichting achterwege gebleven, zie nr. 3.9. De door [betrokkene 1] betaalde koopprijs ad f 10.000,- en de door hem (met goedkeuring van de stichting) geïnvesteerde bedragen belopen per 1 december 2002 een bedrag van € 275.000,-. Art. 15 houdt in dat de vergoeding niet meer zal mogen bedragen dan de geïndexeerde optelsom van dit bedrag ad € 275.000,- en de nadien door erfpachtster met goedkeuring van de stichting verrichte en vastgestelde investeringen, aldus de stichting (zie MvA, nr. 79).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerschrift tevens houdende een tegenvordering, nr. 3.12-3.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Haar verweer heeft zich beperkt tot de stellingen dat (i) art. 5:99 BW op dit voor 1 januari 1992 gevestigde recht niet van toepassing is, (ii) art. 5:99 in dit geval niet van dwingend recht is, omdat geen sprake is van woningbouw, en (iii) de bevoegdheid tot vernietiging verjaard is. Zie hiervoor, alinea 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke dupliek, nr. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 34 bij procesinleiding in eerste aanleg, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvG, nrs. 4.64-4.68 resp. MvA, nrs. 56-60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze bepaling o.m. Asser/Sieburgh 6-III 2018/623.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9951, NJ 2013/557 m.nt. J.L.R.A. Huydecoper (Stern/Gulf), rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om passages in de NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 235-236.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Wissink, conclusie (onder 3.4) voor HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866, NJ 2016/439 m.nt. H.B. Krans ([…] /Dexia).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866, NJ 2016/439 m.nt. H.B. Krans ([…] /Dexia), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Hartlief, conclusie (onder 3.58) voor HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1903, RvdW 2018/1120.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de ratio van deze bepalingen: S. Stuij, Verjaring (O&amp;R nr. 120) 2020/3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1166.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9951, NJ 2013/557 m.nt. J.L.R.A. Huydecoper (Stern/Gulf), rov. 3.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866, NJ 2016/439 m.nt. H.B. Krans ([…] /Dexia), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders s.t. zijdens erfpachtster, nr. 5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.t. zijdens erfpachtster, nr. 5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan het geval was in de zaak Stern/Gulf, zie rov. 3.5.3 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier geldt dus niet althans minder het voor een beding in algemene voorwaarden geldende argument dat betrokkene het beding niet gelezen zal hebben, zie MvA II, Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1628.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is niet anders doordat het (tijdelijk) recht eerst teniet zal kunnen gaan nadat het door een rechtsopvolger van de erfpachter is verkregen. De opstalvergoeding maakt immers een belangrijk deel van de waarde van het erfpacht- of opstalrecht uit, zoals de onderhavige zaak illustreert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. A-G Wissink, conclusie voor het arrest Stern/Gulf, onder 2.30.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.t. zijdens erfpachtster, nr. 5.7-5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866, NJ 2016/439 m.nt. H.B. Krans ([…] /Dexia), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst naar MvG, nr. 4.72.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die vaststelling komt niet overeen met de stelling van erfpachtster dat zij naast de bedragen van € 350.000,- voor het woonhuis en € 210.670,- voor restaurant en tabaksschuur nog heeft betaald: € 50.000,- voor de inventaris en € 50.000,- voor de goodwill. Zie procesinleiding in eerste aanleg, nr. 2.15-2.16, onder verwijzing naar de koopovereenkomst (productie 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde van de erfpacht is te onderscheiden van de waarde van de nog aanwezige gebouwen, werken en beplantingen. Zie F.J. Vonck, GS Zakelijke rechten, art. 5:99 BW, aant. 2; De Koe, De waarde van erfpacht (R&amp;P nr. VG12) 2020/2.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnotitie d.d. 15 juni 2020, nr. 3-4. Daarin wordt kennelijk abusievelijk verwezen naar een arrest van 11 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:627.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van comparitie d.d. 15 juni 2020, p. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 bij procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie persbericht van Raad voor de Rechtspraak d.d. 15 maart 2020, te raadplegen via https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/laatste-informatie-mbt-uitbraak-coronavirus.aspx.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een overzicht van de verschillende fasen en bijbehorende maatregelen: de preambule van de TAR (versie 24 november 2020), aangehaald in HR 15 december 2020 (Strafkamer), ECLI:NL:HR:2020:2008, NJ 2021/107 m.nt. R.J.B. Schutgens, rov. 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste versie van deze regeling is van 4 april 2020. De meest recente versie dateert van 5 november 2021 en geldt tot 1 december 2021 of zoveel langer als de Rechtspraak aansluit bij de verlenging van de coronamaatregelen door het kabinet; zie preambule. De regeling is te raadplegen via https://www.rechtspraak.nl/coronavirus-(COVID-19)/Paginas/COVID-19-tijdelijke-algemene-regeling-zaaksbehandeling-Rechtspraak.aspx.</p>\n<p class=\"lf-p\">Versie 5 november 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor strafzaken o.m. de door het LOVS vastgestelde Tijdelijke regeling strafrecht, aangehaald in de conclusie van A-G Harteveld (onder 3.16) voor HR 22 juni 2021 (Strafkamer), ECLI:NL:HR:2021:854, NJ 2021/249. In die zaak werd geoordeeld dat deze regeling (de daarin bedoelde behandeling ‘buiten zitting om’) niet afdoet aan het oordeel dat het ontbreken van een openbare raadkamerzitting de beschikking op een klaagschrift ex art. 552a Sv nietig doet zijn. Zie ook HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1568. Anders: HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1497, rov. 2.4 (gelet op het verband van de schriftelijke afdoening met de COVID-19 epidemie en de schriftelijke instemming van klager met deze behandelingswijze).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook deze kent verschillende versies; de laatste is van 26 juni 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 22 april 2020, houdende tijdelijke voorzieningen op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in verband met de uitbraak van COVID-19 (Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid), Stb. 2020, 124 (kamerstukken 35 434).</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 22 april 2020 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, Stb. 2020, 126. De terugwerkende kracht geldt niet voor de paragrafen 1, 6, 10 en 11, alsmede de artikelen 15 en 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 december 2020 (Strafkamer), ECLI:NL:HR:2020:2037, NJ 2021/108 m.nt. R.J.B. Schutgens, rov. 4.2.1; HR 9 april 2021 (Belastingkamer), ECLI:NL:HR:2021:505, BNB 2021/101 m.nt. A.J.H. van Suilen, rov. 2.3.1. Zie ook Kamerstukken II 2019-2020, 35 434, nr. 3 (MvT), p. 1-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019-2020, 35 434, nr. 3 (MvT), p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019-2020, 35 434, nr. 3 (MvT), p. 4-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.W.S. de Boer e.a., ‘De Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid’, Ars Aequi 2020, p. 600.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.W.S. de Boer e.a., ‘De Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid’, Ars Aequi 2020, p. 600. Zie ook Kamerstukken II 2019-2020, 35 434, nr. 4 (Advies Raad van State en Nader Rapport), p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur is opgemerkt dat die situatie zich in civiele procedures niet snel zal voordoen, omdat in geval van gebruik van een communicatiemiddel waarop partijen kunnen inbellen of inloggen, die mogelijkheid ook aan derden moet kunnen worden gegeven. Zie S. Boersen, ‘Digitale zittingen, een ‘blijvertje’?’, TvPP 2020/6, p. 231.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.C. Heuving, ‘Corona, civiele rechtspleging en hoor en wederhoor’, TvPP 2020-3, p. 63-64, met vermelding van rechtspraak; R. de Bock, ‘Rechtspraak in tijden van Corona’, Ars Aequi 2020, p. 463.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Dordonat-Breewsma, R. van der Laan, B. Schellekens en J. Smits, ‘Coronamaatregelen en fundamentele rechtsbeginselen: van noodoplossingen naar brede reflectie’, Rechtsreeks 3/2020, p. 26-27.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1509, NJ 2020/402 m.nt. J. Legemaate.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019-2020, 35 434, nr. 3 (MvT), p. 6: “De Wvggz kent ten opzichte van Rv een eigen regime voor het horen van betrokkene om de rechtspositie van betrokkene te versterken. Dit regime houdt in dat betrokkene fysiek/face to face moet worden gehoord, ofwel op de rechtbank ofwel op zijn woon- of verblijfplaats. Dit regime is zo vormgegeven vanwege de kwetsbare positie waarin betrokkene zich vanwege zijn aandoening al bevindt, en ten aanzien van wie daarbij verplichte zorg wordt overwogen. Dit geldt ook in een crisistijd, zoals thans het geval is met COVID-19. Daarbij geldt dat het belang van betrokkene zwaar weegt: betrokkene wordt fysiek gehoord, tenzij de rechter gemotiveerd vaststelt dat fysiek horen in een individueel geval onverantwoord is. Falen alle verantwoorde pogingen tot fysiek horen, dan pas zou vastgesteld kunnen worden dat betrokkene in verband met zijn individuele omstandigheden niet in staat wordt geacht om gehoord te worden en kan worden overgegaan tot horen via telefonie, videoconferentie of andere audiovisuele transmissie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover kritisch S. Boersen, ‘Digitale zittingen, een ‘blijvertje’?’; TvPP 2020/6, p. 230-231.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:505, BNB 2021/101 m.nt. A.J.H. van Suilen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de parallelzaak: HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:825.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 28 lid 2 TW-COVID sluit de inhoudelijke behandeling van de strafzaak ter terechtzitting uit van mondelinge behandeling door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 december 2020 (Strafkamer), ECLI:NL:HR:2020:2037, NJ 2021/108 m.nt. R.J.B. Schutgens, rov. 5.3.5-5.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 december 2020 (Strafkamer), ECLI:NL:HR:2020:2008, NJ 2021/107 m.nt. R.J.B. Schutgens (onder NJ 2021/108).</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 2.6.3 verwijst de HR naar EHRM 14 november 2000, nr. 35115/97 (Riepan/Oostenrijk), rov. 27-29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schuttgens, annotatie onder NJ 2021/108, nr. 5. Zie over de achtergrond van het openbaarheidsbeginsel voorts o.m. Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/339, en L. van Lent, ‘Openbaarheid en toegankelijkheid van rechterlijke uitspraken. Van oude principes die niet voorbijgaan’, Ars Aequi 2018, p. 418-424. Door het EHRM werd het doel van openbaarheid van zittingen als volgt verwoord: ‘To ensure scrutiny of the judiciary by the public with a view to safeguarding the right to a fair trial’, zie EHRM 8 december 1983, zaaknr. 7984/77 (Pretto e.a./Italië), en: ‘The public character of proceedings before judicial bodies protects litigants against the administration of justice in secret with no public scrutiny.’, zie EHRM 16 juli 2013, zaaknr. 40908/05 (Fazliyski/Bulgarije).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/357.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. A.L.M. van Mierlo, T&amp;C Rv, Art. 27 Rv, aant. 2, Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/337 en T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 27 Rv, aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/361 en P. Smits, Artikel 6 EVRM en het civiele proces (Serie Burgerlijk Proces &amp; Praktijk, nr. 10), Deventer: Kluwer 2008, p. 181.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 165.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Nota, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 165 en Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/351 onder a. Zie ook GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 27 Rv, aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Nota, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 165 en vgl. (bijvoorbeeld) EHRM 17 december 2013, zaaknr. 20688/04 (Nikolova en Vandova/Bulgarije). Zie ook GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 27 Rv, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/361 en 351, onder f en GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 27 Rv, aant. 6. Zie in die zin ook Nota, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 165.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 165.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover kritisch Schutgens in zijn annotatie bij NJ 2021/108.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de verhouding tussen toegankelijkheid en openbaarheid van de rechtspraak tijdens de coronapandemie ook J. Dordonat-Breeuwsma e.a., ‘Coronamaatregelen en fundamentele rechtsbeginselen: van noodoplossingen naar brede reflectie’, Rechtstreeks 2020/3, p. 25 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 9 april 2021 (Belastingkamer), ECLI:NL:HR:2021:505, BNB 2021/101 m.nt. A.J.H. van Suilen, rov 2.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar een transcriptie van een door een toehoorder (aan de zijde van de erfpachtster) gemaakte opname van de zitting (overgelegd als bijlage 2 bij de procesinleiding in cassatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0539, NJ 1992/359.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2161, NJ 2003/286 m.nt. Maeijer (rov. 3.27) en HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616, NJ 2006/156 (rov. 3.3.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar p. 1-2 van de transcriptie, waar mr. De Geer zegt: “Ik hoor u nu weer maar dit is een erg moeilijke manier van een zitting bijwonen. Ik denk niet dat wij zo ons argument goed naar voren kunnen brengen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 91 Rv (oud) bepaalt dat het p-v ‘zo spoedig mogelijk’ wordt verstrekt..</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. met betrekking tot art. 290 Rv: HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:413 (rov. 3.5.2) en HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336, (rov. 3.3.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van art. 5.6 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven kan een arrest bij vervroeging worden uitgesproken, tenzij beide partijen hiertegen bezwaar maken.</p></div>", "next": 0}