{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wat de klacht aanvoert in verband met een bestuursrechtelijke uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant biedt het onderdeel geen soelaas. Wat er verder zij van de op dat specifieke geval toegesneden overweging van de voorzieningenrechter waarop de klacht een beroep doet, en nog daargelaten dat daarin niet staat dat uit het gebruikmaken van een pand per se blijkt dat zulk gebruik is toegestaan (en daaruit al helemaal niet volgt dat “uit een dergelijk gebruik perse [blijkt] dat het de respectieve chapters toegestaan is van het desbetreffende pand gebruik te maken”): er is eenvoudigweg geen grond om aan te nemen, ook niet gelet op die enkele overweging van de voorzieningenrechter, dat in het onderhavige geval, niettegenstaande ál hetgeen het hof in de beschikking overweegt en daarbij aan omstandigheden van het geval betrekt (mede in rov. 3.24-3.27), waarover nader onder 3.21 hiervoor, de enkele omstandigheid dat de chapters “(meestal) een clubhuis hebben” (die het hof onderkent in rov. 3.28), zo al juist, maakt dat bij de chapters opeens wel sprake is van zelfstandige lichamen die als zodanig - dus (als) zelfstandig (lichaam) - deelnemen aan het rechtsverkeer, dus van lichamen die als zelfstandige eenheden naar buiten optreden en deelnemen aan het rechtsverkeer, zoals bedoeld in de genoemde Hoge Raad-beschikking (rov. 3.4.1 en 3.6.2), zodat de chapters opeens wel als zelfstandige, van (de informele vereniging) No Surrender te onderscheiden verenigingen (informele verenigingen) zijn aan te merken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dit wordt logischerwijs niet anders doordat, naar de klacht verder nog noteert, die uitspraak van de voorzieningenrechter is genoemd in noot 54 van de conclusie van A-G Vlas voor de genoemde Bandidos-beschikking van de Hoge Raad en in die conclusie, onder 3.30, drie, in het bestuursrecht geformuleerde vereisten worden genoemd voor het bestaan van een informele vereniging. Maatgevend in het onderhavige geval, dat draait om de toepassing van art. 2:20 lid 1 BW, is hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in die beschikking inzake art. 2:20 lid 1 BW, in het bijzonder in rov. 3.4.1 en 3.6.1-3.6.2, waarover reeds uitgebreid onder 3.21, 3.23 en dit 3.25 hiervoor. Daaruit blijkt niet als een van de vereisten dat “de organisatie als een eenheid [dient] deel te nemen aan het rechtsverkeer” (laat staan van een bevestiging van die overweging van de voorzieningenrechter in de genoemde bestuursrechtelijke procedure, en al helemaal niet in de door de klacht voorgestane zin, waarover ook bij het vorige gedachtestreepje), wel als een van de vereisten dat sprake moet zijn van “een zelfstandig lichaam dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer” (oftewel van een lichaam “dat als zelfstandige eenheid naar buiten optreedt en deelneemt aan het rechtsverkeer”), wat telkens afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval, dus niet van ‘hard-and-fast rules’ (zoals, in het onderhavige geval, het enkele hebben van een clubhuis).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dit wordt logischerwijs evenmin anders doordat, naar de klacht verder nog noteert, de Hoge Raad, naar uit zijn Bandidos-beschikking blijkt, die drie in de conclusie van A-G Vlas voor die beschikking onder 3.30 genoemde, in het bestuursrecht geformuleerde vereisten heeft overgenomen voor het civiele recht, reden waarom naar de mening van No Surrender “het enkele hebben, waaronder te verstaan: gebruik (mogen) maken, van een clubhuis”, deelname aan het rechtsverkeer impliceert. Ik verwijs kortheidshalve naar hetgeen ik opmerkte bij het vorige gedachtestreepje. Daarmee valt ook reeds de bodem weg onder de veronderstelling in de klacht dat “het enkele hebben, waaronder te verstaan: gebruik (mogen) maken, van een clubhuis”, deelname aan het rechtsverkeer impliceert, waarbij de klacht bovendien eraan voorbijziet - “deelname aan het rechtsverkeer” - dat het erom gaat of sprake is van “een zelfstandig lichaam dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer” (oftewel van een lichaam “dat als zelfstandige eenheid naar buiten optreedt en deelneemt aan het rechtsverkeer”).</div>\n<p class=\"lf-p\">Wat de klacht hieromtrent verder nog opmerkt, maakt naar de aard het voorgaande niet anders. Voor zover de klacht zich nog keert tegen rov. 3.28, laatste twee zinnen, valt gegeven het voorgaande, en zonder verdere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom hetgeen het hof daar overweegt “de toets der cassatiekritiek” niet zou kunnen doorstaan. Dit behoeft geen verdere toelichting.Kortom, met het voorgaande is gegeven dat wat de klacht aanvoert, niet meebrengt dat het hof “in strijd met de Bandidos-beslissing van de Hoge Raad, onder 3.4.1 en 3.6.3 en daarmee een te strenge eis” hanteert om het bestaan van een informele vereniging te kunnen vaststellen of ter zake onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd oordeelt.Hierop stuit de klacht af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.26 In nr. 2.11 stelt het onderdeel nog dat van belang is dat het hof de chapters en brotherhoods als belanghebbenden heeft aangemerkt, omdat daaruit evenzeer blijkt dat de chapters en brotherhoods rechtspersoonlijkheid bezitten, nu zij door deel te nemen aan deze procedure, deel hadden kunnen nemen aan het rechtsverkeer. Het hof heeft deze omstandigheid ten onrechte niet meegewogen, althans zijn oordeel dat deze omstandigheid hier niet van belang is, is ten onrechte niet gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.27 De klacht faalt, gelet op het volgende.Aan het slot van de mondelinge behandeling ter zitting van 11 september 2020 heeft de voorzitter van het hof het volgende opgemerkt: “[H]et is de taak van het hof te beoordelen of er belanghebbenden zijn die moeten worden opgeroepen. We constateren in dit geval dat de beslissing die het hof heeft te nemen het voortbestaan raakt van de formele vereniging, de chapters en de brotherhoods. Dat betekent dat we ze als belanghebbenden hebben aan te merken. Ze zijn niet als zodanig opgeroepen en dat is iets wat we moeten repareren. We gaan zoeken naar de beste mogelijkheid om al deze entiteiten op te roepen. We proberen daarna de behandeling zo snel mogelijk voort te zetten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter uitvoering van deze beslissing heeft het hof NS MC, de chapters en de brotherhoods als belanghebbenden opgeroepen voor de zitting van 24 november 2020. Daar is van hen alleen de chapter Los Hermanos verschenen, niet ook NS MC, andere chapters dan Los Hermanos of enige brotherhood. Dit constateert het hof ook in rov. 2.6 van de beschikking (daarbij nog opmerkend dat NS MC, die andere chapters en de brotherhoods zich in dit hoger beroep dus niet tegen het door de rechtbank uitgesproken verbod en de ontbinding hebben verzet, maar dat volgens No Surrender zelf de rechtbank ten onrechte ervan uitgaat dat de brotherhoods van deze informele vereniging deel uitmaken, en dat No Surrender zich ook verzet tegen de veronderstelling van de rechtbank dat de chapters door het verbod worden geraakt).</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 3.32-3.33 overweegt het hof als volgt: “3.32. De hiervoor genoemde chapter Los Hermanos, die als enige van de door het hof opgeroepen belanghebbenden is verschenen, heeft in lijn met No Surrender het standpunt verdedigd dat zij als zelfstandige informele vereniging moet worden aangemerkt. Daartoe is echter niets aangevoerd dat hiervoor niet al in de beoordeling is betrokken: Los Hermanos heeft zich kort gezegd beperkt tot de opmerking dat zij een eigen naam heeft en een bestuur dat uitjes organiseert (conform de doelstelling: motoruitjes), dat haar vijftien leden eigen vergaderingen bijwonen, eigen onderscheidingstekens dragen en dat zij contributie betalen. Elke verdere onderbouwing ontbreekt. Dat geldt met name ook voor de opmerking dat Los Hermanos geen verantwoording hoeft af te leggen aan de landelijke informele vereniging No Surrender. Hieraan voegt het hof nog het volgende toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.33. Desgevraagd heeft de president van Los Hermanos verklaard dat deze chapter slechts beschikt over een stalling, en niet over een clubhuis. Een zelfstandig e-mailadres kon hij niet geven, en van een eigen bankrekening is evenmin iets gebleken - een constatering die overigens voor alle chapters geldt. Al met al geldt ook voor Los Hermanos dat uit niets blijkt dat zij zelfstandig aan het maatschappelijk verkeer deelneemt. Het enkele feit dat na oproeping door het hof twee advocaten voor deze chapter zijn opgetreden, dwingt niet tot een andere conclusie.”[onderstreping toegevoegd, A-G] Hieruit blijkt dat het hof ten aan zien van de chapter Los Hermanos in essentie de in de klacht bedoelde omstandigheid betrekt, maar afdoende gemotiveerd ontoereikend acht om te komen tot een andere conclusie dan dat al met al ook voor Los Hermanos geldt dat uit niets blijkt dat zij zelfstandig aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, welke conclusie moet worden bezien mede in het licht van rov. 3.24-3.28 (en 3.29-3.31) alsmede rov. 3.32 en 3.33, eerste twee zinnen.Naar besloten ligt in ’s hofs beschikking, waaronder rov. 3.24-3.33, geldt gegeven hetgeen het hof daar overweegt ten aanzien van de ondanks oproeping als belanghebbenden niet verschenen chapters (dus behoudens Los Hermanos), en in lijn met dat overwogene inzake de chapter Los Hermanos, dat het enkele feit dat een of meer advocaten voor die chapters hadden kunnen optreden als zij na oproeping als belanghebbenden door het hof wel waren verschenen, wat zij dus niet hebben gedaan, niet dwingt tot een andere conclusie dan dat in de gegeven omstandigheden uit niets blijkt dat zij zelfstandig aan het maatschappelijk verkeer deelnemen (of in de woorden van rov. 3.27 van de beschikking: op geen enkele manier is gebleken dat de chapters “daadwerkelijk zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnemen”), zoals bedoeld door het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat bij deze stand van zaken, en gezien het voorgaande, het hof gehouden was tot een nog weer nadere motivering ter zake valt niet in te zien, waarbij ik ook betrek dat die andere chapters dan Los Hermanos dus (ook na oproeping als belanghebbenden door het hof) niet zijn verschenen en dat de klacht niet aanvoert, laat staan met verwijzing naar enige stelling (met vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties), dat door No Surrender en/of de chapter Los Hermanos ter zake nog meer of anders is aangevoerd waarop het hof te responderen had. Dit alles geldt temeer voor de brotherhoods (die dus, ondanks oproeping als belanghebbenden door het hof, evenmin zijn verschenen), gelet op rov. 3.35 waarin het hof vaststelt dat de discussie zich ook wat hen betreft toespitst op de vraag of het wel informele verenigingen zijn en dat dit niet het geval is, “want wat voor de chapters geldt, geldt in nog grotere mate voor de brotherhoods”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dit een en ander verdient nog opmerking dat die oproeping van onder meer de chapters en brotherhoods als belanghebbenden door het hof uiteraard nog geen erkenning (door het hof) impliceert van de chapters of brotherhoods als zelfstandige lichamen die als zodanig aan het rechtsverkeer deelnemen (oftewel als lichamen die als zelfstandige eenheden naar buiten optreden en deelnemen aan het rechtsverkeer), laat staan als rechtspersonen, juist omdat het hof, in het kader van dit hoger beroep inzake het op art. 2:20 lid 1 BW gebaseerde verzoek van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding dat zich ook richtte tegen de chapters en brotherhoods (niet als van de informele vereniging No Surrender te onderscheiden rechtspersonen, maar als deel uitmakend van die informele vereniging No Surrender), en gezien ook het door No Surrender aangevoerde, mede had te beslissen of de chapters en brotherhoods al dan niet kwalificeren als zelfstandige, van (de informele vereniging) No Surrender te onderscheiden verenigingen (informele verenigingen) en daarmee rechtspersonen, waarvan onderdeel is de vraag of zij zijn aan te merken als zulke zelfstandige lichamen die als zodanig aan het rechtsverkeer deelnemen, en het dus in de rede lag om die chapters en brotherhoods als belanghebbenden op te roepen (zoals het hof dus ook onderkent, zie de aanvang van dit 3.27).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij moet nog worden bedacht dat naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van die procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen dient te worden afgeleid wie in dat verband belanghebbende is, en valt nog aan te tekenen, kort gezegd, dat waar een ‘entiteit’ (niet natuurlijk persoon) in een concreet geval als zo’n belanghebbende kan worden aangemerkt dit niet noodzakelijkerwijs impliceert dat zij ‘dus’ ook rechtspersoonlijkheid heeft (rechtspersoon is).Kortom, met het voorgaande is gegeven dat wat de klacht aanvoert, niet meebrengt dat het hof “in strijd met de Bandidos-beslissing van de Hoge Raad, onder 3.4.1 en 3.6.3 en daarmee een te strenge eis” hanteert om het bestaan van een informele vereniging te kunnen vaststellen of ter zake onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd oordeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop stuit de klacht af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.28 Ik lees verder geen klacht(en) in (de toelichting op) het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.29 Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 2 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 3.30 Onderdeel 3 (“Klacht 3”) klaagt dat “[o]p grond van het voorgaande” niet in stand kunnen blijven rov. 3.39 van de beschikking (omtrent het passeren van het bewijsaanbod van No Surrender), rov. 3.35 (dat de chapters geen formele verenigingen zijn) en rov. 3.34 (dat het verbod en de ontbinding van No Surrender tevens Los Hermanos treft), voor zover het hof zich op de in het middel (“hier”) beschreven maatstaven heeft gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.31 Het onderdeel faalt, gegeven het falen van onderdelen 1 en 2 (“het voorgaande”), in welk lot het onderhavige onderdeel, met de daarin vervatte voortbouwklacht, deelt. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 3.32 De slotsom luidt dat de beschikking in stand kan blijven, nu alle daartegen gerichte klachten falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4De conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10385.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prospect: leden van Motorcycle Clubs (MC's) die (na de fase als 'hangaround') in de tweede (bij No Surrender de derde) fase van hun 'proeftijd' lopen. Deze periode duurt doorgaans een jaar. Deze leden betalen contributie, mogen colors dragen (onderscheidingstekens) met een beperkt aantal 'rockers' en zijn aanwezig bij clubactiviteiten. Bij No Surrender duurt de prospect-fase doorgaans zes maanden. De prospect krijgt gedurende die periode een full member toegewezen als mentor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hangaround: de eerste fase van de 'proeftijd' die nieuwe leden van een MC doorlopen. Deze periode duurt doorgaans een aantal maanden en wordt opgevolgd door het prospect-lidmaatschap. Deze leden betalen contributie en zijn aanwezig bij clubactiviteiten. Bij No Surrender bestaat de rang van hangaround uit twee fasen, die ieder minimaal drie maanden duren. Bevordering naar de rang van prospect gebeurt middels stemming door leden vanaf de rang van 'full member'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Generaal: de hoogste rang, de Generaal staat aan het hoofd van No Surrender. Na het vertrek van [betrokkene 1] staan de Captains aan de top van de organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Captain: de Captains krijgen chapters toebedeeld waarvoor zij verantwoordelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nomad: een Nomad heeft gezag over heel No Surrender, waaronder de chapters en brotherhoods. De Sergeant of Arms van een chapter, die gaat over de veiligheid in de chapter, legt verantwoording af aan een Nomad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Nederland (locatie Assen) 7 juni 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2445, RO 2019/58, AB 2020/35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Nederland (locatie Assen) 19 september 2019, zaak-/rekestnr. C/19/124145 / HA RK 18-45 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 11 september 2020, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het proces-verbaal van die zitting en de in deze cassatieprocedure door partijen gefourneerde procesdossiers leid ik af dat het OM geen spreekaantekeningen heeft overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgend op de nog niet vermelde overwegingen in rov. 2.6-2.8 van de beschikking, die als volgt luiden: “2.6. De brotherhoods en NS MC zijn door het hof opgeroepen, maar zijn niet 'verschenen'. Met uitzondering van Los Hermanos (waarover hierna meer) geldt dat ook voor de chapters. Zij hebben zich in dit hoger beroep dus niet tegen het uitgesproken verbod en de ontbinding verzet. Maar volgens No Surrender zelf gaat de rechtbank er ten onrechte vanuit dat de brotherhoods van deze informele vereniging deel uitmaken. Ook verzet No Surrender zich tegen de veronderstelling van de rechtbank dat de chapters door het verbod worden geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.7. Het OM heeft zijn verzoek ten aanzien van NS MC verminderd: hij gaat er niet langer vanuit dat een verbod van No Surrender ook die formele vereniging treft, en vraagt daarom een afzonderlijk verbod van NS MC.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.8. In een zogenoemd 'incidenteel' hoger beroep komt het OM ertegen op dat de beslissing van de rechtbank pas effect heeft als deze definitief is. Anders gezegd: het OM verwijt de rechtbank dat zijn beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Het hof vat dat op als een verzoek om deze beschikking wel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.” [Noot 6 in origineel, A-G:] Colors: benaming van de clubkledij van 1%-MC’s, bestaande uit een mouwloos vest waarop de verschillende ‘patches’ en ‘rockers’ (stukken stof met opdruk) zijn bevestigd. [Noot 7 in origineel, A-G:] Consigliere: een bestuursfunctie binnen een chapter, een raadgever van het bestuur. [Noot 8 in origineel, A-G:] Het citaat luidt: “daarnaast geeft hij aan dat het 'oorlog' is tussen No Surrender en Los Guerreros. Het broeit al enige tijd tussen hem en No Surrender. Hij vertelt dat hij als enige president van No Surrender tegen de andere presidenten in ging...Hij heeft momenteel leden van de LG paraat staan voor een eventuele confrontatie.\" [Noot 9 in origineel, A-G:] Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797 (Bandidos).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst hier naar het beroepschrift zijdens No Surrender, p. 13, grief 6 onder d, met verwijzing naar vindplaatsen in het verweerschrift in eerste aanleg zijdens No Surrender, en naar de pleitnota zijdens No Surrender in hoger beroep (mr. Nillesen), nrs. 18-22.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een breder beeld van art. 2:20 lid 1 BW (achtergronden, parlementaire geschiedenis, aanstaande en voorgestelde wetgeving, de door het OM gehanteerde integrale aanpak van zogenoemde Outlaw Motorcycle Gangs, etc.) verwijs ik kortheidshalve naar de conclusie van A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2019:1163) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226, onder 2.2-2.8 en naar mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:593) voor HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1789, RvdW 2020/1205, onder 2.1-2.22. De beschouwingen aldaar zijn nog steeds actueel, zij het dat het onder 2.11 e.v. van laatstgenoemde conclusie besproken wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen inmiddels het Staatsblad heeft gehaald (Stb. 2021, 310) en met ingang van 1 januari 2022 in werking zal treden (Stb. 2021, 346).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wet raakt lopende procedures evenwel niet, dus ook niet de onderhavige zaak. Zie Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 27 en het door deze wet ingevoerde art. 32a lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek: “Artikel 20 van Boek 2, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I van de Wet van 23 juni 2021, tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 310), blijft van toepassing ten aanzien van een procedure bij de civiele rechter waarbij voor de datum van inwerkingtreding van dat artikel een verzoek bij de rechter is ingediend, een beroep bij het gerechtshof is ingediend of een verzoek bij de Hoge Raad is ingediend.” Het in de genoemde beschouwingen eveneens aangestipte initiatiefwetsvoorstel Bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties (Kamerstukken 35079) ligt thans bij de Eerste Kamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2.4 van de beschikking en het verzoekschrift zijdens het OM, nrs. 1.1, 3.101-3.109, 4.112-4.115. Ik citeer nr. 4.112: “In hoofdstuk 3 heeft het OM de (oprichting van de) vereniging met volledige rechtsbevoegdheid NS MC beschreven en daarbij geconcludeerd dat zij als een (faciliterend) onderdeel van het overkoepelende No Surrender dient te worden beschouwd. Een verbodenverklaring en ontbinding van No Surrender heeft daarom automatisch tot gevolg dat ook NS MC als verbodenverklaard en ontbonden moet worden beschouwd. In beginsel kan uw rechtbank daarom volstaan met een verbodenverklaring en ontbinding van No Surrender, als uw rechtbank expliciet constateert dat NS MC daarvan onderdeel uitmaakt. Zou echter toch aan een beoordeling van de werkzaamheid van NS MC worden toegekomen, omdat uw rechtbank van oordeel zou zijn dat NS MC als een op zichzelf staande rechtspersoon, niet behorende tot No Surrender, moet worden gezien, dan moet worden geconcludeerd dat (ook) de werkzaamheid van NS MC in strijd met de openbare orde is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnotities zijdens het OM in hoger beroep d.d. 11 september 2020, nrs. 45-46: “In het verzoekschrift heeft het OM zich primair op het standpunt gesteld dat NS MC een onderdeel uitmaakt van No Surrender en dat een verbodenverklaring en ontbinding van No Surrender zich daarom ook automatisch uitstrekt over NS MC. Sinds de beschikking van de Hoge Raad inzake Bandidos MC is echter duidelijk dat de verbodenverklaring en ontbinding van de overkoepelende (informele) vereniging zich niet uitstrekt tot de onderdelen van die (informele) vereniging die eigen rechtspersoonlijkheid hebben. NS MC heeft als vereniging met volledige rechtsbevoegdheid eigen rechtspersoonlijkheid zodat een verbodenverklaring en ontbinding van No Surrender zich niet automatisch uitstrekt over NS MC. Gelet hierop herhaalt het OM het in het verzoekschrift subsidiair gedane verzoek ten aanzien van NS MC, namelijk om op grond van art. 2:20 BW NS MC zelfstandig verboden te verklaren en te ontbinden, vanwege het feit dat van een eigen, van No Surrender onafhankelijke werkzaamheid van NS MC geen sprake is. De werkzaamheid van No Surrender werkt als gezegd een op een door in de werkzaamheid van NS MC met als gevolg dat ook de werkzaamheid van NS MC in strijd is met de openbare orde.” [zonder noot in origineel, A-G] Zie ook nrs. 1.11-1.13 van de toelichting in het cassatieverzoekschrift, waar de door het hof in rov. 3.36 vastgestelde eisvermindering “opvallend” wordt genoemd, maar niettemin wordt opgemerkt dat het hof op dit punt kan worden gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee verwerpt het hof dus ook de stelling van het OM dat “[d]e werkzaamheid van No Surrender (…) een op een door[werkt] in de werkzaamheid van NS MC met als gevolg dat ook de werkzaamheid van NS MC in strijd is met de openbare orde”. Zie de pleitnotities zijdens het OM in hoger beroep d.d. 11 september 2020, nr. 46, waarover ook noot 22 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te onderscheiden van de vraag of de chapters en/of brotherhoods informele verenigingen zijn, waarop grieven 1-5 en 7 van No Surrender betrekking hebben en waarop rov. 3.24-3.35 van de beschikking zien, alsmede van de vraag of er ruimte is voor nadere bewijslevering zijdens No Surrender, waarop grief 8 van No Surrender betrekking heeft en waarop rov. 3.39 van de beschikking ziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift zijdens No Surrender, p. 13, grief 6 onder d: “Appellant heeft bepaalde feiten wel degelijk gemotiveerd betwist. Zo wordt het fenomeen van ‘bad standing’ als club-breed sanctioneringsinstrument betwist onder punt IV, sub b, pagina 7 en verder van het verweerschrift. Hetzelfde geldt voor de beweerdelijke 1%-status, vide punt IV sub c, pag. 11 en verder van het verweerschrift, beweerdelijk namens No Surrender toegepast geweld, punt IV sub d, pag. 13 en verder van het verweerschrift, drugs, punt IV sub e, pag. 14 van het verweerschrift, het beweerdelijke fenomeen van omerta, punt IV sub f, pag 14 en verder, het beweerdelijke fenomeen van clubadvocatuur, punt IV sub g, pag. 15 en verder, beweerdelijk structureel gebruik van cryptotelefonie, punt IV sub h, pag. 16 en de beweerdelijke façade van een criminele organisatie in de vorm van een motorclub, punt IV sub i, pag. 16 van het verweerschrift.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Steeds met weglating van de voorbeelden en citaten uit het onderliggende dossier die worden genoemd, die hier niet ter zake doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnota in hoger beroep zijdens No Surrender (mr. Nillesen), nrs. 18-22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij betrek ik ook het volgende. In de toelichting (zie o.a. het cassatieverzoekschrift, nr. 1.9, volgend op nrs. 1.6-1.8, en als opmaat naar nr. 1.10) poogt No Surrender nog ingang te doen vinden dat het noorden samenvalt met NS MC (“NS MC, zijnde “het noorden”), maar dit vindt in de gedingstukken in feitelijke instanties geen grond (het subonderdeel wijst ook niet op enige vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties), zodat daaraan in cassatie moet worden voorbijgegaan. Dit laatste geldt temeer nu het hof in rov. 3.29-3.30, in cassatie onbestreden, oordeelt, kort gezegd, dat het voorgaande niet anders wordt wanneer juist is dat ‘Captain [betrokkene 2] verantwoordelijk was voor ‘het noorden’ en dat dit in zoverre losstond van ‘het zuiden’ in de tijd dat hij nog de scepter zwaaide over dat noorden, nu ‘het noorden’ slechts een extra bestuurslaag betrof (“Dat wijst namelijk slechts op een extra bestuurslaag”) die het centraal geregelde beleid van No Surrender volgde (“Het betekent niet dat het [betrokkene 2] vrij stond het centraal geregelde beleid te negeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn ook geen aanwijzingen voor dat hij dat heeft gedaan: voor zover uit de stukken van zijn invloed blijkt, is die in lijn met de regels die No Surrender al voor zijn komst aan de chapters oplegde”), terwijl deze extra bestuurslaag na het vertrek van [betrokkene 2] bovendien is weggevallen en een onderscheid tussen noord en zuid thans - dus op het moment waarop het hof zijn beschikking gaf - zelfs helemaal niet bestaat. Er is dan ook geen grond om aan te nemen, zoals geponeerd in nr. 1.10 van de cassatieverzoekschrift, dat het “[p]er saldo aldus mogelijk [is] dat de zaak tegen No Surrender met (veel) minder feiten en omstandigheden kan worden onderbouwd, wat uiteindelijk mogelijk tot de conclusie leidt dat No Surrender (toch) niet kan worden verboden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet ook op de toelichting (in het cassatieverzoekschrift, nrs. 1.3-1.5, e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226, rov. 3.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oftewel “dat de daden die de derde/rechtspersoon stelt en de woorden die hij spreekt, althans als uitgangspunt alleen aan die derde/rechtspersoon kunnen worden toegerekend en niet (ook) aan een ander, zodat deze daden en woorden niet zowel kunnen tellen bij de derde/rechtspersoon als bij een ander”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie wat betreft het begrip ‘werkzaamheid’ met name Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 9-10 en Kamerstukken II 1985/86, 17476, 12, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396, rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser/M.J. Kroeze, De rechtspersoon (2-I), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 391; M.Y. Nethe, ‘Toerekening van gedragingen bij de toepassing van de steekvlambepaling (I)’, WPNR 2020/7285; J. Koornstra e.a., Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs, Den Haag: Sdu 2019 (m.n. p. 173-189, met bespreking van relevante rechtspraak); J. van der Weele, ‘Verbodenverklaring van rechtspersonen (I en II)’, WPNR 2019/7234-7235; en T.J. van der Ploeg, ‘Hoe moeilijk is het om een vereniging - of andere rechtspersoon - te verbieden?’, NJB 2012/890.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst hier naar “vindplaatsen in onderdeel A”. Zie onder 3.3-3.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar in cassatie niet met vrucht wordt bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook noot 24 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld zijn kennelijk (wederom) rov. 3.9 t/m 3.20 van de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar het verweerschrift in hoger beroep zijdens het OM, nrs. “2.22 (4) jo. 2.37”: “Het beroep van No Surrender op deze beschikking inzake Bandidos [HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226, A-G] gaat niet op, omdat (…) (4) het bovendien niet uitmaakt of de chapters kunnen worden aangemerkt als informele vereniging, omdat namelijk goede gronden bestaan om aan te nemen dat de verbodenverklaring en ontbinding van de hoofdvereniging óók de desbetreffende afdeling-rechtspersoon treffen. Een afdeling van een hoofdvereniging is - ook als die afdeling zelf als rechtspersoon kan worden gekwalificeerd - immers uit de aard van de zaak nauw verbonden met de hoofdvereniging, en daarmee evenzeer met het doel en de werkzaamheid daarvan. (…) Ten slotte komt No Surrender onder xxviii. van de derde grief nog op tegen r.o. 3.32 van de beschikking van de rechtbank. No Surrender meent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de situatie van No Surrender zodanig afwijkt van de situatie bij Bandidos MC, dat de conclusie moet luiden dat de chapters onzelfstandige onderdelen zijn van No Surrender die binnen de hoofdstructuur functioneren. Ter onderbouwing van dit onderdeel citeert No Surrender een korte passage uit de betreffende rechtsoverweging waarin de rechtbank benoemt dat de chapters en brotherhoods een behoorlijke mate van zelfstandigheid hebben door het zelf bepalen van de innig van de contributie en het hebben van een eigen clubhuis en bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens doet No Surrender het voorkomen alsof de rechtbank haar conclusie enkel uit die woorden en met slechts een verwijzing naar de notulen trekt. No Surrender heeft hiermee onvolledig geciteerd. De rechtbank heeft immers overwogen dat de genoemde mate van zelfstandigheid niet kan afdoen aan het oordeel van de rechtbank dat de chapters en brotherhoods een hiërarchisch onderdeel vormen van het geheel en met No Surrender zijn te vereenzelvigen. Het door No Surrender gedane beroep op de beschikking van uw hof, locatie Arnhem, van 18 december 2018 gaat, gelet op alle door het Openbaar Ministerie ten aanzien van No Surrender gestelde feiten en omstandigheden en hetgeen hiervóór onder 2.22, 2.34 en 2.35 ten aanzien van genoemde beschikking is opgemerkt, niet op” [zonder noten in origineel, A-G]; alsmede naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 11 september 2020, p. 8 bovenaan (mr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de Ven): “Raadsheer mr. Ten Berg: (…) Wil het OM dat het hof iets zegt over de chapters en brotherhoods. Want wat maakt dit voor het OM uit? Stel dat het hof No Surrender verbiedt, dan gaat het OM naar het clubhuis in Emmen om het vermogen te vereffenen. Als die chapter dan zegt dat zij een zelfstandige vereniging vormt die niet onder de uitspraak valt, dan geldt dat hetzelfde kan gebeuren als het hof wel de chapters verbiedt. Die chapters kunnen dan nog steeds in het individuele geval zeggen dat zij een informele vereniging vormen die niet onder dat verbod valt. Mr. Van de Ven: het OM wil graag van het hof een duidelijke uitspraak hierin. Op het moment dat het OM elke chapter los in het verzoekschrift als vereniging zou benoemen, moet dus ten aanzien van elke chapter worden vastgesteld dat de werkzaamheid in strijd zou zijn met de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan loop je het risico dat zich nu in Duitsland verwezenlijkt, namelijk dat zodra een vereniging wordt verboden een andere wordt opgericht onder een andere naam. Eigenlijk ziet uw vraag op de handhaving. In de Bandidoszaak heeft uw hof een beschikking gegeven waarin geoordeeld is dat voor zover de werkzaamheid van de chapters niet valt onder de werkzaamheid van een nationale vereniging, die chapter niet onder het verbod valt. Het OM vraagt zich dan af wat de werkzaamheid zou kunnen inhouden die niet valt onder die van de club? Is dat een potje kaarten? Er zijn op dit moment discussies over hoever de handhaving gaat. Satudarah en Bandidos zijn verboden. Mag je een hesje met BMC Sittard erop in beslag nemen? Het OM meent van wel, maar hierover heeft de rechter zich nog niet uitgelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is waar wij naar op zoek zijn. De stelling van het OM is dat geen sprake is van een zelfstandige werkzaamheid als chapters, het is gewoon No Surrender. Achterop alle jassen staat No Surrender met een doodshoofd. Aanvankelijk waren de patches van de chapters veel kleiner dan hoe ze nu op de foto’s bij de pleitnota te zien zijn. Als het hof zegt dat de chapters wel onder de informele vereniging No Surrender vallen, gelijk de rechtbank heeft gedaan, dan kan de gemeente dat clubhuis sluiten omdat het onder het verbod valt. Als het hof oordeelt dat de chapters er niet onder vallen, dan volgt inderdaad een handhavingsdiscussie. Daarom vraagt het OM duidelijkheid van het hof.” [citaat weergegeven met voorafgaande vraagstelling, A-G] Zie de citaten in de vorige noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik lees daarover ook niets relevant in de toelichting (nrs. 1.1-1.23 van het cassatieverzoekschrift), ook niet in nrs. 1.14 en 1.16-1.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting (nr. 1.18 van het cassatieverzoekschrift) bevestigt dit ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt niet anders als daarbij de pleitnota in hoger beroep zijdens No Surrender (mr. Nillesen), nrs. 3, 19-22 worden betrokken, zoals genoemd in de toelichting (nrs. 1.16-1.17 van het cassatieverzoekschrift). Nrs. 19-22 van die pleitnota citeerde ik onder 3.4 hiervoor. Nr. 3 van die pleitnota luidt: “Het gaat om de zelfstandigheid van de chapters en de wijze waarop de chapters in deze procedure door het OM zijn bejegend, te weten niet opgeroepen, precies zoals in de eerste pagina’s van het beroepschrift staat beschreven.” Nog daargelaten dat dit de pleitnota zijdens No Surrender in hoger beroep betreft, niet het beroepschrift van No Surrender, is evenmin onbegrijpelijk dat het hof ook hierin een ‘bestrijding’ zijdens No Surrender als bedoeld in het subonderdeel niet heeft ontwaard. Wat wordt opgemerkt in de toelichting (nrs. 1.19-1.21 van het cassatieverzoekschrift) over hetgeen de voorzitter van het hof ter mondelinge behandeling zou hebben opgemerkt (proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 11 september 2020, p. 3 bovenaan), maakt dit niet anders, nu dat evident betrekking heeft op hetgeen het hof in rov. 1.1, 2.6 en 3.22 aan de orde stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Integendeel: het hof beschouwt de chapters en brotherhoods als onderdelen van (de informele vereniging) No Surrender, zoals onder meer blijkt uit rov. 3.1 (“De conclusie zal zijn dat No Surrender terecht is verboden en ontbonden, en dat de chapters en brotherhoods dat lot delen, omdat zij niet als informele verenigingen kunnen worden beschouwd”), rov. 3.27-3.28 (“Dat de chapters (…) daadwerkelijk zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnemen, is - anders dan bij No Surrender - op geen enkele manier gebleken. Dat heeft als reden dat de presentatie van (chapters van) No Surrender in het maatschappelijke leven wordt bepaald door een strikte, centraal gestuurde organisatie: uitingen op sociale media zijn gebonden aan regels die door het centrale gezag zijn opgesteld - zoals in feite alles binnen de organisatie strikt hiërarchisch (‘top down’) is vormgegeven (…). (…) [D]e vrijheid die [de chapters] wel hebben om de gang van zaken op lokaal niveau te regelen (…) is in hoge mate ondergeschikt aan de invloed van het centrale gezag binnen No Surrender”) en rov. 3.35 (“[W]at voor de chapters geldt, geldt in nog grotere mate voor de brotherhoods (…). In tegendeel, de brotherhoods zijn ondergeschikt aan de chapters en kennen zelfs niet de vrijheden van de chapters”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel noemt dus ook geen vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties waaruit blijkt dat een dergelijke stelling door No Surrender zou zijn ingenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396, rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de zinnen die aan dit citaat voorafgaan: “3.6 De aldus bepleite ruime uitleg van het begrip “werkzaamheid” kan niet als juist worden aanvaard. De hiervoor in 3.3 en 3.4 bedoelde, door het Openbaar Ministerie onderschreven, noodzaak tot terughoudendheid verzet zich tegen een dergelijke ruime uitleg, die zou meebrengen dat aan een rechtspersoon gedragingen van derden als eigen \"werkzaamheid\" worden toegerekend, alleen doordat de rechtspersoon daarvan of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden geen of onvoldoende afstand heeft genomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bouwt mede voort op rov. 3.21, eerste t/m vierde zin, en moet ook in dat licht worden bezien: “Met al het voorgaande staat vast dat het bestuur van No Surrender doelbewust gelegenheid heeft gegeven tot het begaan van maatschappelijk ontwrichtende activiteiten, veelal onder de vlag van de vereniging. No Surrender beperkt zich er niet toe geen afstand te nemen van de gedragingen van haar (bestuurs)leden of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden; zij bepaalt juist die cultuur en vormt voor deze gedragingen bewust een voedingsbodem. Het was en is de kennelijke bedoeling van No Surrender om zichzelf en haar leden hiermee als wetteloze bandieten buiten de maatschappelijke orde te plaatsen en maatschappelijke angst te kweken. De instrumenten die daarvoor worden gehanteerd, bestaan intern uit repressie en afgedwongen solidariteit.” Zie ook het vervolg in rov. 3.21, zesde en zevende zin: “Extern gaat het vooral om vaak ernstige criminele gedragingen door individuen of groepen personen die met hun herkenningstekens en andere verschijningsvormen refereren aan de verheerlijking van geweld. Deze werkzaamheid, die zich ook in de openbare ruimte manifesteert (en het criminele gedrag van bestuursleden van No Surrender) is maatschappelijk zodanig beschadigend en ontwrichtend, dat daardoor een verbod van No Surrender wordt gerechtvaardigd.” Zie verder bijv. ook rov. 3.17, eerste zin in verbinding met rov. 3.8-3.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vorige noot: “Met al het voorgaande staat vast dat het bestuur van No Surrender doelbewust gelegenheid heeft gegeven tot het begaan van maatschappelijk ontwrichtende activiteiten, veelal onder de vlag van de vereniging.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is evident dat in ’s hofs oordeel die strafbare gedragingen van leden van No Surrender onlosmakelijk verbonden zijn met die door No Surrender bepaalde cultuur, waarin het plegen van geweld wordt verheerlijkt en waaraan leden zich niet zomaar kunnen onttrekken, oftewel die door het hof in rov. 3.21, vijfde zin bedoelde bijzondere omstandigheden, waarover ook hiervoor, waaronder noot 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waaronder HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226 en HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1789, RvdW 2020/1205 (art. 81 RO), alsmede Asser/Kroeze 2021, nr. 391, Nethe 2020, Koornstra e.a. 2019 (m.n. p. 173-189, met bespreking van relevante rechtspraak), Van der Weele 2019 en Van der Ploeg 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier valt ook met een schuin oog te betrekken rechtspraak van de Hoge Raad die kan worden gezien als ‘loten aan de stam’ van HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595, NJ 1980/34, waarvan een recent voorbeeld wordt gevormd door HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413, NJ 2021/295, rov. 3.2.2, waaruit volgt dat in beginsel de aard van de functie van bestuurder van een rechtspersoon meebrengt dat zijn wetenschap in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als wetenschap van de rechtspersoon, wat onder bijzondere omstandigheden anders kan zijn. Zie bijv. J.L. Smeehuijzen in nr. 5 van zijn NJ-annotatie onder dit arrest: “De Hoge Raad stelt voorop dat in beginsel de aard van de functie van bestuurder van een rechtspersoon meebrengt dat zijn wetenschap in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als wetenschap van de rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat uitgangspunt is het resultaat van de al lang gevestigde regel dat toerekening van kennis van een interne functionaris van een rechtspersoon aan die rechtspersoon plaatsvindt indien zijn wetenschap in het maatschappelijk verkeer als wetenschap van de rechtspersoon heeft te gelden (zie onder meer HR 11 maart 2005, NJ 2005/576 en HR 29 maart 2019, NJ 2019/157). Die regel laat zich weer terugvoeren op het arrest Kleuterschool Babbel (HR 6 april 1979, NJ 1980/34, m.nt. C.J.H. Brunner), waar de Hoge Raad oordeelde dat een rechtspersoon aansprakelijk is voor de onrechtmatige daad van een functionaris als de gedraging van die functionaris in het maatschappelijk verkeer als een gedraging van de rechtspersoon kan worden aangemerkt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396, rov. 3.3-3.4, HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, rov. 3.5 en HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226, rov. 3.4.3: “Art. 2:20 lid 1 BW moet worden uitgelegd in het licht van de in de Grondwet en het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting. Met de toewijzing van een op de voet van art. 2:20 lid 1 BW gedaan verzoek wordt immers een ernstige inbreuk gemaakt op deze vrijheden, waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen. Dit betekent dat art. 2:20 lid 1 BW strikt moet worden uitgelegd (…)” [zonder noot in origineel, A-G].</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting (nrs. 1.1-1.23 van het cassatieverzoekschrift) lees ik daarover evenmin iets relevants.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting (nrs. 1.1-1.23 van het cassatieverzoekschrift) lees ik ook daarover evenmin iets relevants.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedoeld wordt op HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226. Opgemerkt zij dat rov. 3.6.3 in deze Hoge Raad-beschikking niet bestaat. Voor de hand ligt dat het onderdeel eigenlijk doelt op rov. 3.6.2, zodat ik daarvan zal uitgaan. Verweerder in cassatie maakt geen melding van deze verkeerde verwijzing; kennelijk heeft die hem geen problemen opgeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting verwijst hier naar de pleitnotities zijdens No Surrender in hoger beroep (mr. Nillesen), nrs. 15-16, waar in nr. 15 een deel van rov. 3.6.1-3.6.2 van de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad wordt geciteerd (vanaf “Uit hetgeen hiervoor in 3.4.1 is overwogen volgt dat”, etc.; zie het citaat onder 3.21 hierna), om daarna in nr. 16 op te merken: “Voor de chapters van NS geldt precies hetzelfde. Het is onbetwist dat de lokale chapters zelf een bestendige organisatie met leden vormen (1), beschikken over een eigen bestuur (2), een eigen naam (3), eigen leden (4), eigen vergaderingen (5), een eigen contributieverplichting (5) en eigen onderscheidingstekens op de kleding (6) en zich naar buiten toe als zelfstandige eenheid presenteren (7). a.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beschikking van de rechtbank staat daarover opgetekend onder 3.2: “No Surrender telt op dit moment meer dan 900 leden. In Nederland heeft No Surrender ongeveer 30 chapters. Daarnaast zijn er nog chapters zowel binnen als buiten Europa. Een chapter bestaat uit kaderleden (het chapterbestuur) en leden. Binnen een chapter vormen de kaderleden met de rang of functie van ‘president’, ‘vide-president’, ‘consigliere’, ‘secretary’, treasurer’, ‘sergeant-at-arms’ en ‘road captain’ het dagelijks bestuur. De leden bestaan uit full-members, daarnaast zijn er prospects en hangarounds.” b. Clubs als NS zijn per definitie lokaal georganiseerd; het gaat om heel veel leden. Leden van een zuidelijk chapter hoeven leden van een noordelijk chapter niet eens te kennen en vice versa, vandaar de onderscheidingstekens, zowel qua geografie als rangorde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de voetballerij is dat niet heel veel anders. Leden zijn over en weer niet verantwoordelijk voor elkaars werkzaamheid. c. Uit de door het OM aangeleverde bijlagen blijkt duidelijk van contributie t.b.v. individuele chapters, eigen feesten, eigen onderscheidingstekens (zie bijlagen), eigen clubhuizen etc. Het is ook niet voor niets dat het OM stelt op pag. 69/153, onder 3.62: “In onderstaande alinea’s zal de organisatiestructuur van No Surrender (en de eronder vallende chapters en brotherhoods) worden beschreven in het licht van de (lage) eisen die de wet en jurisprudentie stellen aan het vormen van een informele vereniging (en daarmee een rechtspersoon in de zin van art. 2:20 BW).” Volgens mij betwist het OM ook niet dat chapters losse verenigingen vormen.” [zonder noten in origineel, A-G].</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts verwijst het onderdeel naar “het proces-verbaal van het gerechtshof, blad 6 en 9, verklaringen van mr. Nillesen”, waarmee het kennelijk doelt op hetgeen mr. Nillesen namens No Surrender heeft aangevoerd bij de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 11 september 2020 zoals blijkend uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal, p. 5-6 en 9-10: “mr. Nillesen: het doel van No Surrender is motorrijden. Mensen met een chapter in Nijmegen doen dat het liefst in de omgeving van Nijmegen en mensen met een chapter in Alkmaar doen dat het liefst in de omgeving van Alkmaar. Het is vergelijkbaar met een voetbalclub, die hebben ook allemaal als doel voetballen. De vraag of je als vereniging een onderscheidend doel hebt is niet de maatstaf die aangelegd moet worden bij de vraag of de chapters rechtspersoonlijkheid hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan best gaan om verenigingen met dezelfde doelstelling, maar dan op andere locaties. Het betreft hier eigenlijk een vraag voor de chapters, en die vertegenwoordigen wij niet. (…) mr. Nillesen: het voorbeeld wordt genoemd dat chapter Drenthe ontbonden wordt en vervolgens chapter Nijmegen opgericht wordt. In het kader van handhaving kun je dan zeggen dat sprake is van omlabelen van de club, dat is een vorm van voortzetting en dan kun je dat nog steeds aanpakken. Maar je kunt alleen vaststellen dat sprake is van voortzetting als je weet wie die entiteit is. Je moet dus weten wie de leden zijn. In de Satudarahzaak is geen enkel verweer gevoerd op de zelfstandigheid van de chapters. Wat nu gebeurt, is dat ‘Darahbaru’ rondrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is een equivalent van Satudarah. Het is niet aan het hof om het handhavingsvraagstuk te beantwoorden. Het is niet zo dat de beginselen van vrijheid van vereniging geweld aangedaan kunnen worden, simpelweg omdat sprake is van een motorclub. Eerst moet worden vastgesteld dat sprake is van een informele vereniging. Volgens mij zijn de chapters informele verenigingen en ik ben verbaasd dat het OM de stelling inneemt dat daar geen sprake van is, terwijl de Hoge Raad zegt dat onzelfstandigheid daar geen maatstaf voor is. (…) Tweede termijn Mr. Nillesen: ik wil de volgende punten nog onder de aandacht brengen: - Gesteld dat sprake zou zijn van een ijzeren greep zoals door het OM betoogd, dan is dat niet uniek voor No Surrender.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uniformiteit wordt door alle OMG’s gepropageerd. Vandaar ook de jasjes, de colors en de motoren. Dat geldt ook voor BMC en de uitspraak ten aanzien van BMC is heel helder. OMG’s volgen hetzelfde script, hebben dezelfde blauwdruk. Dat geldt ook ten aanzien van de Nomads, die zijn van alle tijden en alle soorten motorclubs. - Er wordt gerefereerd aan de verbodenverklaring van de chapters van Satudarah maar dat komt omdat in die zaak op het punt van de chapters geen verweer is gevoerd. - Het gemak waarmee het OM de informele vereniging aanneemt als het gaat over de overkoepelende structuur, terwijl aan de andere kant wordt gezegd dat dat niet mogelijk is voor de chapters, is retorisch inconsequent. - Er is verzuimd recherche en bewijs te genereren ten aanzien van losse chapters en brotherhoods en dan heb ik het met name over hoe een chapter is samengesteld, wie daar deelgenoot van zijn, hoe dat gaat in een clubhuis, wie daar feitelijk zitten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als die recherche niet wordt gedaan, dan is het heel ingewikkeld te zeggen dat ze dermate ‘hangen’ aan de overkoepelende structuur dat ze onzelfstandig zijn. - De omvang van het aantal leden maakt dat chapters organisatorisch altijd een functie behouden. Dat spreekt voor zich en dat is een feit van algemene bekendheid. - Het OM doet alsof de functies binnen de chapters niet effectief zijn, maar dat is in strijd met alle mutaties die zijn aangeleverd. Een President heeft per definitie meer zeggenschap dan een hang around. Er wordt ook altijd gezegd wie President, Treasurer, Nomad of hang around is, dat is relevant voor hoe mensen met elkaar omgaan. Intern heb je verhoudingen, de chapter is een biotoop, een microkosmos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een President niets zou voorstellen, zou niemand met zo’n chapterpatch willen rondlopen. Leden hebben inspraak op chapterniveau. Een meewerkend voorman is een subjectieve kwalificatie die niet gestaafd wordt door bewijsmiddelen. Dat geldt überhaupt voor de stellingen van het OM vanaf punt 8. - Uit niets blijkt dat het van chapter naar chapter gaan centraal wordt aangestuurd, dat kan ook decentraal. [betrokkene 1] had dezelfde pet op als de voorman van BMC. Dat de voorman van BMC zowel de nationale pet als die van Sittard op had, stond er niet aan in de weg dat sprake was van informele verenigingen. - Oude notulen definiëren de club anno 2020 niet. - Voor zover het erover zou gaan dat men niet van de ene chapter naar de andere zou kunnen stappen, staat vast dat uit de bewijsvergaring van het OM blijkt dat wel degelijk mensen van de ene naar de andere chapter zijn overgestapt. - Geografische duiding gebeurt overal, ook bij BMC via BMC Sittard. - Het is niet zo dat vanuit een overkoepelende structuur wordt bepaald dat iemand die in Brabant lid wil worden, wordt gestuurd naar bijvoorbeeld Maastricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid worden gebeurt via coöptatie, via via en op lokaal niveau. - De conclusie van het OM onder 42 is een novum. Deze stelling heeft het OM niet eerder ingenomen en verhoudt zich tot punt 15 van mijn pleidooi.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld is kennelijk de verwijzing in het onderdeel naar “de Bandidos-beslissing van de Hoge Raad, onder 3.4.1 en 3.6.3”, dus: HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226, rov. 3.4.1 en 3.6.2 (zie ook noot 57 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting verwijst hier naar de pleitnotities zijdens No Surrender in hoger beroep d.d. 11 september 2020, nr. 16.b: “Clubs als NS zijn per definitie lokaal georganiseerd; het gaat om heel veel leden. Leden van een zuidelijk chapter hoeven leden van een noordelijk chapter niet eens te kennen en vice versa, vandaar de onderscheidingstekens, zowel qua geografie als rangorde. In de voetballerij is dat niet heel veel anders. Leden zijn over en weer niet verantwoordelijk voor elkaars werkzaamheid.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226, rov. 3.4.1, 3.6.1-3.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar overweegt het hof als volgt: “Verenigingen zijn rechtspersonen met leden die zijn gericht op een bepaald doel (art. 2:26 lid 1 BW). Er bestaat een juridisch onderscheid tussen de formele en informele variant, maar beide kunnen worden verboden en ontbonden. Als een vereniging niet beschikt over statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, dan is sprake van zo'n informele vereniging (een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid). NS MC is een formele vereniging, maar No Surrender is dat niet. De vraag is daarom of dat wel een informele vereniging is. Op de vraag aan welke voorwaarden dan moet zijn voldaan, zal het hof bij de behandeling van de chapters en brotherhoods nog ingaan. Op deze plaats is dat niet nodig. De rechtbank is er namelijk vanuit gegaan dat No Surrender een informele vereniging is (rechtsoverweging 3.29), en daar is geen bezwaar tegen gemaakt. Voor het hof staat dit daarom vast.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is terecht, gezien HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226, rov. 3.4.3: “Als een vereniging op de voet van art. 2:20 lid 1 BW wordt verboden, strekt dat verbod zich niet uit tot de afdelingen van de vereniging die zelf als rechtspersoon moeten worden aangemerkt. (…) Art. 2:20 lid 1 BW, dat uitdrukkelijk bepaalt dat ‘een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde’ op verzoek van het OM verboden wordt verklaard en wordt ontbonden, dient daarom aldus te worden uitgelegd dat toewijzing van dat verzoek tot gevolg heeft dat uitsluitend de rechtspersoon ten aanzien van wie het verzoek is gedaan, verboden wordt verklaard en wordt ontbonden. Toewijzing van een dergelijk verzoek heeft dus niet tot gevolg dat daarmee tevens een andere rechtspersoon wordt verboden.” [zonder noot in origineel, A-G] Zie ook rov. 3.36-3.38, waar het hof die Hoge Raad-beschikking ook noemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat het OM, dat in dit opzicht de bewijslast draagt van wat hij aanvoert, bestrijdt, terwijl No Surrender echter meent dat elk chapter wel degelijk een informele vereniging is, aldus het hof in rov. 3.24, derde en vierde zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die rov. 3.24 en 3.25, t/m de voorlaatste zin luiden als volgt: “3.24. De chapters zijn geen formele verenigingen. De discussie spitst zich daarom toe op de vraag of het wel informele verenigingen zijn. Het OM, dat in dit opzicht de bewijslast draagt van wat hij aanvoert, bestrijdt dat. No Surrender meent echter dat elk chapter wel degelijk een informele vereniging is. Vast staat immers dat zij elk een eigen bestuur hebben (de kaders, met de functies President, Vice president, Sergeant at arms, Treasurer, Secretary, Road captain en Consigliere). Ook de andere leden van de chapters hebben een rang en/of functie. Zo zijn zogenaamde 'securityleden' belast met het garanderen van de veiligheid van hun chapter en de andere No Surrenderleden. Verder staat ter onderbouwing van dit verweer het volgende vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.25. Het kader voert het dagelijks bestuur over de chapters. Op dit lokale niveau is het gebruikelijk - en meestal vereist - dat de chapters een wekelijkse vergadering beleggen, waarbij aanwezigheid voor de leden verplicht is. Leden worden geacht deze clubavonden voorrang te geven boven alle activiteiten in hun privéleven. Chapters en brotherhoods kunnen bovendien eigen versies van de clubregels hebben en innen eigen contributies. Verschillende chapters hanteren daarbij verschillende contributiebedragen (zij zijn daar kennelijk vrij in). Bovendien hebben de chapters veelal eigen clubhuizen; zij hebben eigen namen en eigen onderscheidingsteken, nemen hun eigen hangarounds en prospects aan, en regelen zelf promotie en degradatie binnen de chapters en de aanschaf van hesjes en dergelijke. Hieruit blijkt dat de chapters inderdaad een zekere mate van zelfstandigheid hebben. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals ook blijkt uit de laatste zin van rov. 3.25 van de beschikking: “Over het doel van de chapters wordt het volgende overwogen”, waarop in het bijzonder rov. 3.26 aansluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee zegt het hof niet dat de chapters als afzonderlijke verenigingen (rechtspersonen) zijn aan te merken, nu het hof daarover juist nog te oordelen heeft, en in andere zin oordeelt, gelet op met name het vervolg in rov. 3.26 en rov. 3.27-3.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dat verband bijv. ook rov. 3.21, waar het hof onder meer overweegt: “Met al het voorgaande staat vast dat het bestuur van No Surrender doelbewust gelegenheid heeft gegeven tot het begaan van maatschappelijk ontwrichtende activiteiten, veelal onder de vlag van de vereniging. No Surrender beperkt zich er niet toe geen afstand te nemen van de gedragingen van haar (bestuurs)leden of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden; zij bepaalt juist die cultuur en vormt voor deze gedragingen bewust een voedingsbodem. Het was en is de kennelijke bedoeling van No Surrender om zichzelf en haar leden hiermee als wetteloze bandieten buiten de maatschappelijke orde te plaatsen en maatschappelijke angst te kweken. De instrumenten die daarvoor worden gehanteerd, bestaan intern uit repressie en afgedwongen solidariteit. (…) Extern gaat het vooral om vaak ernstige criminele gedragingen door individuen of groepen personen die met hun herkenningstekens en andere verschijningsvormen refereren aan de verheerlijking van geweld.” Zie verder bijv. ook rov. 3.17, eerste zin in verbinding met rov. 3.8-3.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 3.27, tweede en derde zin van de beschikking: “Het feit dat al deze subgroeperingen eigen 'patches' dragen en eigen namen hebben, maakt dat niet anders. Die patches stellen leden van No Surrender onderling weliswaar in de gelegenheid clubgenoten (ook letterlijk) te 'plaatsen', maar voor de buitenstaander zijn die nuanceringen niet onderscheidend.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 3.27, vijfde en zesde zin van de beschikking: “Dat heeft als reden dat de presentatie van (chapters van) No Surrender in het maatschappelijke leven wordt bepaald door een strikte, centraal gestuurde organisatie: uitingen op sociale media zijn gebonden aan regels die door het centrale gezag zijn opgesteld - zoals in feite alles binnen de organisatie strikt hiërarchisch ('top down') is vormgegeven: de rangen en functies zijn door No Surrender in clubregels vastgelegd en ook de bepalende regels, zoals omtrent bad standing, zwijgplicht, kledingvoorschriften en de jailhouseprocedure, worden door No Surrender opgesteld en dwingend aan de chapters opgelegd. Het is niet mogelijk lid te zijn van een chapter en niet van No Surrender; leden kunnen niet zonder toestemming van het centraal gezag van chapter wisselen, de chapters hebben geen eigen website of e-mailadres (op een enkele uitzondering na, maar die website van de Haagse chapter Westcoast is niet onderscheidend) en voor zover zij eigen reglementen hebben, wijken die niet wezenlijk af van dat van No Surrender.” Zie verder bijv. ook rov. 3.8-3.14. [Noot 8 in origineel, A-G:] Het citaat luidt: “daarnaast geeft hij aan dat het 'oorlog' is tussen No Surrender en Los Guerreros. Het broeit al enige tijd tussen hem en No Surrender. Hij vertelt dat hij als enige president van No Surrender tegen de andere presidenten in ging...Hij heeft momenteel leden van de LG paraat staan voor een eventuele confrontatie.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de genoemde Hoge Raad-beschikking, waarop de klacht in nr. 2.1 wijst en in nr. 2.2 voortbouwt, volgt dat dus niet. Voor zover aan de in nr. 2.2 bedoelde stellingen zijdens No Surrender (met verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties) hier al zelfstandige betekenis toekomt (“in lijn met wat”, etc.), volgt daaruit niet iets anders, wat tevens insluit dat het hof, gelet ook op hetgeen het overweegt in rov. 3.26, derde en vierde zin (een daartegen gericht klacht lees ik niet in het onderdeel of elders in het cassatieverzoekschrift), niet gehouden was de vaststelling van die omstandigheid - en de implicaties daarvan - nader te motiveren vanwege die stellingname zijdens No Surrender (waarin ik ook niet lees wat de klacht daarvan thans maakt in nr. 2.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel legt ook niet uit waarom dit laatste anders zou zijn, ook niet in nr. 2.2. Anders dan in nr. 2.2 wordt betoogd, onder verwijzing naar nr. 2.1 (“Het gerechtshof had zich dan ook”, etc.) en die stellingname zijdens No Surrender (“in lijn met wat”, etc.), is er dus ook geen grond om met de klacht aldaar aan te nemen dat het hof zich “[had] behoren te beperken tot het vaststellen van een doel van een vereniging, zonder in te gaan op de gevolgen van dat doel voor de handelingsvrijheid van de informele vereniging”, voor zover de klacht daarbij al feitelijke grondslag heeft, waarover direct hierna (zie ook noot 78 hierna). Dit een en ander wordt niet anders door hetgeen de klacht nog betoogt in nr. 2.3, reeds omdat in cassatie niet ervan is uit te gaan (ook niet veronderstellenderwijs) dat de chapters hun doel zelf hebben gekozen, nu het hof zoiets nergens vaststelt (in nr. 2.3 wordt ook geen vindplaats in de beschikking genoemd) en door No Surrender ook niet is aangevoerd in feitelijke instanties dat de chapters hun doel zelf hebben gekozen, wat in de in nr. 2.3 genoemde vindplaats evenmin te lezen valt: zie het citaat in noot 60 hiervoor, dat voor zich spreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook noot 69 hiervoor over rov. 3.21 van de beschikking, waaronder: “Het was en is de kennelijke bedoeling van No Surrender om zichzelf en haar leden hiermee als wetteloze bandieten buiten de maatschappelijke orde te plaatsen en maatschappelijke angst te kweken.” Ik wees daarbij ook op bijv. rov. 3.17, eerste zin in verbinding met rov. 3.8-3.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 3.6.2 van die Hoge Raad-beschikking, waaruit blijkt “dat een afdeling van een vereniging alleen dan ook zelf een vereniging kan zijn en dus rechtspersoonlijkheid kan bezitten, indien de afdeling als zelfstandige eenheid naar buiten optreedt en deelneemt aan het rechtsverkeer”. Daaraan doen dan logischerwijs niet af de stellingen van No Surrender en de chapter Los Hermanos die het hof nog betrekt, en verwerpt, in rov. 3.29-3.34. Zie bijv. ook, en in lijn met rov. 3.24-3.28 (en 3.29-3.31), rov. 3.32-3.33 inzake de chapter Los Hermanos waarin het hof concludeert: “Al met al geldt ook voor Los Hermanos dat uit niets blijkt dat zij zelfstandig aan het maatschappelijk verkeer deelneemt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieraan staat niet in de weg dat, naar de Hoge Raad overweegt in de Bandidos-beschikking (rov. 3.6.2), het in overwegende mate onafhankelijk functioneren van een afdeling van de vereniging ten opzichte van de vereniging niet geldt als een vereiste voor rechtspersoonlijkheid van die afdeling. Zo’n vereiste hanteert het hof immers niet, mede gelet op rov. 3.23, tweede zin. En dit laat immers onverlet dat het hof in het onderhavige geval de mate waarin de chapters onafhankelijk functioneren ten opzichte van No Surrender, over de band van dat centrale gezag binnen No Surrender, kon betrekken, zoals het doet, bij beantwoording van de te onderscheiden (deel)vraag of de chapters daadwerkelijk zelfstandige lichamen zijn die als zodanig - dus (als) zelfstandig (lichaam) - deelnemen aan het rechtsverkeer, aan welk vereiste voldaan moet zijn willen de chapters aangemerkt kunnen worden als zelfstandige, van (de informele vereniging) No Surrender te onderscheiden verenigingen (informele verenigingen), wat dus niet het geval is. Zie ook de vorige noot en de volgende noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat geldt ook voor rov. 3.23, waaronder de derde en vierde zin, hiervoor weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in het bijzonder nrs. 2.1 en 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waaronder de vaststelling in nr. 2.1 dat de Hoge Raad in die beschikking “[heeft] overwogen dat (…) het in overwegende mate onafhankelijk functioneren van de afdeling ten opzichte van de vereniging niet geldt als een vereiste voor rechtspersoonlijkheid”, waarover ook noot 76 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over nrs. 2.1-2.3 ook noot 73 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting bevat hier een kennelijke verschrijving (“omdat uit niets van wat in Hoge Raad in de aan de orde zijnde beslissing blijkt”, etc.). Ik ga ervan uit dat wordt gedoeld op “de Bandidos-beslissing van de Hoge Raad, onder 3.4.1 en 3.6.3”, wat dus moet worden gelezen als HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226, rov. 3.4.1 en 3.6.2 (zie ook noten 57 en 59 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226, rov. 3.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de genoemde Hoge Raad-beschikking, waarop de klacht in nr. 2.4 wijst, volgt dat dus niet. De klacht doet in nrs. 2.4-2.5 geen beroep op enige stellig zijdens No Surrender (of de chapter Los Hermanos), laat staan met verwijzing naar enige vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik doel op nr. 2.5: “Daarbij komt dat een niet of nauwelijks waarneembaar onderscheidendheid juist het doel kan zijn van een informele vereniging, zodat de maatstaf die het gerechtshof hier aanlegt ook om die reden niet, of niet zonder meer in deze opvatting kan worden gevolgd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Oost-Brabant (Vzr.) 24 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2701, rov. 3.6: “Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster een vast ledenbestand en is het niet slechts een losse vriendenclub. De leden onderscheiden zich van anderen door het dragen van kleding van Motorclub Satudarah Eindhoven (wat blijkt uit de opdruk van de kleding). Verzoekster heeft een postadres. Weliswaar is geen ledenadministratie voorhanden en wordt er volgens verzoekster geen contributie betaald, maar dit zijn slechts aanwijzigen en geen vereisten voor het bestaan van een informele vereniging. Ook is de voorzieningenrechter voldoende gebleken dat sprake van een eigen bestuur met in ieder geval een voorzitter en een secretaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de voorzitter volgens verzoekster slechts beperkte bevoegdheden bezit, maakt dit niet anders. Weliswaar zijn er geen aanwijzigen dat er een formele algemene ledenvergadering is gehouden maar verzoekster heeft wel aangegeven dat de leden het laatste woord hebben hetgeen naar het oordeel van de voorzieningenrechter feitelijk niet verschilt van een ledenvergadering van een vereniging met rechtspersoonlijkheid. Verder acht de voorzieningenrechter op basis van de hierboven genoemde rapporten voldoende aannemelijk dat verzoekster een bepaald doel heeft in de vorm van het organiseren van activiteiten voor haar leden en deelnemen aan activiteiten van derden. Het bestaan van deze activiteiten blijkt uit de bovengenoemde rapporten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de hierboven genoemde informatie in het Handboek is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat verzoekster zelf een entiteit vormt en niet slechts een afdeling is van de landelijke vereniging. Verzoekster neemt deel aan het rechtsverkeer reeds omdat haar is toegestaan van het pand gebruik te maken. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoekster is aan te merken als een informele vereniging in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek en daarmee als een rechtspersoon. Verweerder heeft verzoekster daarom kunnen aanschrijven.” [onderstreping toegevoegd, A-G] HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226, rov. 3.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rb. Oost-Brabant (Vzr.) 24 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2701, waarin voorlag het geval waarin de gemeente Eindhoven (verweerder) aan Satudarah Motorclub Eindhoven (verzoekster), ter attentie van de president, bij brief van 6 mei 2013 had verzonden een besluit van 1 mei 2013 tot het onder oplegging van een dwangsom gelasten om de exploitatie van het bouwwerk aan een bepaald adres als horecabedrijf binnen twee weken na verzending te beëindigen, tegen welk besluit verzoekster bezwaar had gemaakt en in welk verband zij de voorzieningenrechter had verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is kennelijk de in noot 86 hiervoor onderstreepte overweging van de voorzieningenrechter. Zie overigens ook Rb. Oost-Brabant (Vzr.) 24 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2701, rov. 3.3: “(…) Om een entiteit als een informele vereniging aan te merken, dient sprake te zijn van een vast ledenbestand, een algemene ledenvergadering en een bestuur, een organisatie met een bepaald doel die een eenheid vormt die als subject deelneemt aan het rechtsverkeer” (de klacht verwijst daarnaar niet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de klacht in nr. 2.7. Ik laat ook daar dat de klacht in nr. 2.7 (of elders) niet wijst op een daartoe strekkende stellingname zijdens No Surrender (of Los Hermanos), laat staan met verwijzing naar enige vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waaronder dus, kort gezegd: dat in het maatschappelijk verkeer leden van chapters niet van elkaar te onderscheiden zijn (daar zij zich presenteren als onderdeel van een gemeenschap die No Surrender heet en daaraan hun bestaansrecht ontlenen, niet aan het lidmaatschap van lokale afdelingen, waaraan niet afdoet het feit dat al deze subgroeperingen eigen 'patches' dragen en eigen namen hebben, nu weliswaar die patches leden van No Surrender onderling in de gelegenheid stellen clubgenoten (ook letterlijk) te 'plaatsen', maar die nuanceringen voor de buitenstaander niet onderscheidend zijn); en dat, anders dan bij No Surrender, op geen enkele manier is gebleken dat de chapters desondanks daadwerkelijk zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnemen, wat als reden heeft dat de presentatie van (chapters van) No Surrender in het maatschappelijk leven wordt bepaald door dat centrale gezag binnen No Surrender (door die strikte, centraal gestuurde organisatie, waarbinnen in feite alles strikt hiërarchisch (‘top down’) is vormgegeven). Zie nader rov. 3.27 van de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A-G Vlas in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:1163) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, JOR 2020/226, onder 3.30, noot 54: “ABRvS 12 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6406, AB 2009/201, m.nt. R. Ortlep (Comité Behoud Havezathe Heeckeren), rov. 2.3; Rb. Oost-Brabant 24 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2701 (Satudarah Motorclub Eindhoven), rov. 3.3; Overes, Van der Ploeg &amp; Van Veen, a.w., 2019, p. 51.” De klacht verwijst in nr. 2.8 naar “voetnoot 53” in de genoemde conclusie, maar daarin wordt slechts literatuur genoemd, dus niet de uitspraak van de voorzieningenrechter. De klacht verwijst in nr. 2.7 naar Rb. Oost-Brabant (Vzr.) 24 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2701, rov. 3.6, maar daarop wijst de A-G dus niet in de genoemde conclusie (daar gaat het alleen om Rb. Oost-Brabant (Vzr.) 24 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2701, rov. 3.3, geciteerd in noot 90 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 2.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de bestreden overweging van het hof in rov. 3.27 is dat in nr. 2.10 niet meer dan dat het hof “hierom”, wat kennelijk terugslaat op nrs. 2.6-2.9, “althans niet zonder nadere overweging die ontbreekt” tot zijn oordeel kon komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie wederom nr. 2.10: “De overweging, onder 3.28., dat de chapters ook een eigen naam en (meestal) een clubhuis hebben, een onontkoombaar gevolg is van het feit dat het om lokale afdelingen gaat en dat op de vraag of ze als verenigingen zijn aan te merken, dat geen wezenlijke invloed heeft, kan hierom evenmin de toets der cassatiekritiek doorstaan.” Dit bouwt kennelijk (“hierom evenmin”) ook voort op nrs. 2.6-2.9. Zie ook de vorige noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 11 september 2020, p. 10 onderaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 24 november 2020, p. 2, waar de voorzitter van het hof opmerkt: “[H]et hof heeft geconstateerd dat de chapters en brotherhoods niet als belanghebbenden in de procedure zijn betrokken en heeft besloten hen alsnog op te roepen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 1.1 van de beschikking en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 24 november 2020, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 24 november 2020, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waaraan het hof in rov. 3.35 toevoegt: “(…) een eigen doelstelling ontbreekt, en er zijn geen beslissende feiten of omstandigheden aangevoerd of gebleken die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat zij als informele verenigingen zijn aan te merken. In tegendeel, de brotherhoods zijn ondergeschikt aan de chapters en kennen zelfs niet de vrijheden van de chapters. Daar is althans niets van gebleken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149, rov. 4.2, HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486, rov. 3.3.2, HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45, rov. 3.4.2 en HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1900, NJ 2018/412, rov. 4.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook HR 25 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4696, NJ 1984/297, rov. 3.4: “[D]e bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden [komt] in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen. (…) Het voormelde uitgangspunt - waar dit ruimte laat voor uitzonderingen - brengt mee dat voor het antwoord op de door het middel aan de orde gestelde vraag beslissend is of er grond bestaat te dezen een zodanige uitzondering aan te nemen.” Deze beslissing is herhaald in HR 3 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1163, NJ 1994/375, rov. 3.3, HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130, NJ 2015/265, rov. 5.1 en HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2233, NJ 2016/429, rov. 3.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook o.a. de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2016:837) voor laatstgenoemd arrest en A. Knigge &amp; M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2020 (actueel t/m 14 januari 2020), art. 45, aant. 9: “De Hoge Raad liet in genoemd arrest [HR 25 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4696, NJ 1984/297, A-G] echter uitdrukkelijk de mogelijkheid open een uitzondering toe te laten op de geformuleerde hoofdregel. Voor de vraag of de omstandigheden tot een dergelijke uitzondering nopen, zal beslissend zijn of het toekennen van procesbevoegdheid aan een entiteit die noch een natuurlijke persoon is noch over rechtspersoonlijkheid beschikt, noodzakelijk is teneinde het recht op een effectieve toegang tot de rechter te effectueren.” In de praktijk plegen wel vaker ‘entiteiten’ die geen rechtspersoon zijn, als belanghebbende te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. OK 26 juni 1986, ECLI:NL:GHAMS:1986:AC9616, NJ 1987/976 (ondernemingsraad is belanghebbende in jaarrekeningprocedure).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel vermeldt in nr. 2.12 van het cassatieverzoekschrift niet meer dan: “Hierom kan de beschikking niet in stand blijven.” Dit behelst geen klacht die nog weer een aparte behandeling behoeft, gegeven al het voorgaande.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel lijkt te bedoelen: dat de brotherhoods geen informele verenigingen zijn. Rov. 3.35 van de beschikking ziet immers op de brotherhoods, terwijl het middel niet bestrijdt enige door het hof aangelegde “maatstaf” voor het al dan niet aanmerken van een ‘entiteit’ als formele vereniging (zie bijv. rov. 3.4, in cassatie onbestreden), wat de brotherhoods volgens het hof dus niet zijn (zie rov. 3.35, eerste zin: “De brotherhoods zijn geen formele verenigingen”).</p></div>", "next": 0}