{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">“3. Uitsluiting van de overdraagbaarheid of verpandbaarheid is niet mogelijk als het een geldvordering op naam betreft die voortkomt uit de uitoefening van een beroep of bedrijf. Een beding tussen schuldeiser en schuldenaar dat ertoe strekt de overdraagbaarheid of verpandbaarheid van een dergelijke geldvordering geheel of gedeeltelijk uit te sluiten dan wel vervreemding of verpanding ervan tegen te gaan, is nietig.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het voorgaande lid is niet van toepassing op geldvorderingen: a. uit hoofde van een betaal- of spaarrekening; b. uit hoofde van een krediet- of geldleningsovereenkomst waarbij aan de kant van de kredietgever meerdere partijen betrokken zijn of zullen zijn; c. van of op een clearinginstelling, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, dan wel een centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie, een verrekeningsinstituut of een centrale bank, als bedoeld in artikel 212a, onderdelen c, d, e en g van de Faillissementswet; d. die op grond van een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, 35, vijfde lid, of 35a, vierde lid, Invorderingswet 1990 zullen worden betaald op een bankrekening die wordt gehouden ten behoeve van de betaling van loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies.”</div>\n<p class=\"lf-p\">4.31 Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel is het dus niet langer mogelijk om de overdraagbaarheid en verpandbaarheid van een beroeps- of bedrijfsmatig verkregen geldvordering krachtens beding uit te sluiten of te beperken. Op deze manier beoogt de wetgever een einde te maken aan de in bepaalde sectoren grootschalige – zo niet categorische – wijze waarop overdracht en verpanding van geldvorderingen wordt uitgesloten, om zo tot een verruiming van de kredietmogelijkheden voor het bedrijfsleven te komen. Daarmee wordt tevens aangesloten bij de ontwikkelingen in de ons omringende landen, zoals Duitsland en Oostenrijk. Het wetsvoorstel ziet zowel op bedingen met goederenrechtelijke werking als op bedingen met slechts obligatoire werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.32 In het wetsvoorstel wordt rekening gehouden met het belang van de debiteur om niet geconfronteerd te worden met nieuwe crediteuren in samenhang met de behoefte aan een eenduidig betalingsadres. Daartoe bevat het de voorziening dat de overdracht of verpanding van zakelijke geldvorderingen door de crediteur pas effectief wordt jegens de debiteur als de mededeling bedoeld in art. (3:236 lid 2 jo) 3:94 lid 1, 3:94 lid 3 of 3:239 lid 3 BW schriftelijk aan de debiteur is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.33 Voor contracten gesloten na inwerkingtreding van de wet geldt de nietigheidssanctie direct. Voor op het moment van inwerkingtreding reeds bestaande bedingen geldt een uitgestelde werking van drie maanden. Met dit overgangsrecht wil de wetgever verzekeren dat de overdracht en verpanding van geldvorderingen op naam na de inwerkingtreding van de nieuwe wet onverkort mogelijk worden, ondanks eventuele andersluidende (oudere) contractuele bedingen. Tevens wordt hiermee recht gedaan aan het dwingende karakter van het nieuwe art. 3:83, derde lid, BW en de economische onwenselijkheid van de door dit wetsvoorstel getroffen overdrachts- en verpandingsverboden. De periode van drie maanden biedt een passend evenwicht tussen de eventuele noodzaak om te kunnen anticiperen op de nieuwe situatie en het mkb-belang bij verruiming van de kredietverleningsmogelijkheden, aldus de wetgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34 Ten tijde van het schrijven van deze conclusie was het wetsvoorstel in afwachting van de nota naar aanleiding van het verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.35 Ik keer terug naar de onderdelen I en II van het incidentele cassatiemiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking onderdelen I en II incidenteel middel 4.36 Uit het hiervoor besproken juridisch kader volgt dat diverse argumenten kunnen worden aangevoerd voor het standpunt dat het overdraagbaarheidsvereiste uit art. 3:83 lid 1 en 3:228 BW niet zou moeten gelden voor de verpanding van vorderingen. Wel merk ik daarbij op dat het veel gebruikte argument dat uitwinning geschiedt door inning enige relativering behoeft, omdat inning van de verpande vordering alleen mogelijk is indien deze op het tijdstip van uitwinning opeisbaar is. Dit kan problematisch zijn bij langlopende schulden, zoals een hypothecaire lening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.37 Het overdraagbaarheidsvereiste uit art. 3:228 BW is in de parlementaire geschiedenis niet nader toegelicht. De parlementaire geschiedenis bij art. 3:81 BW vermeldt slechts dat de ratio van het overdraagbaarheidsvereiste – kort gezegd – is dat de vestiging van een beperkt recht moet worden gezien als een deeloverdracht, als gevolg waarvan het goed waarop het beperkt recht wordt gevestigd overdraagbaar moet zijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt derhalve niet of de wetgever zich bewust is geweest van de in de literatuur aangevoerde argumenten voor een afwijking van het overdraagbaarheidsvereiste voor het pandrecht op vorderingsrechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.38 Hoewel dus op goede grond kan worden betoogd dat de onoverdraagbaarheid van een vordering niet van rechtswege zou moeten leiden tot onverpandbaarheid, laat de tekst van de artikelen 3:81 en 3:228 BW naar mijn mening geen ruimte om voor het pandrecht op vorderingen een uitzondering toe te staan op het (dwingendrechtelijke) overdraagbaarheidsvereiste. Partijen hebben met betrekking tot vorderingsrechten weliswaar een grote vrijheid om hun rechtsverhouding naar eigen wens vorm te geven, maar deze vrijheid vindt zijn grenzen in wettelijke regels van dwingend recht. Art. 3:228 BW is een dergelijke bepaling van dwingend recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39 Bovendien vinden de in de literatuur aangevoerde argumenten (voor het door mij als opvatting ii aangeduide standpunt) met name hun grondslag in de wens om de als onwenselijk bestempelde praktijk van het op grote schaal opnemen van overdrachts- (en verpandings-)verboden te begrenzen, omdat door deze praktijk de mogelijkheden tot financiering op basis van vorderingen worden ingeperkt. In dit verband is door (toenmalig) A-G Hartkamp, in zijn conclusie voor Oryx/ […], terecht opgemerkt dat, als opvatting ii zou worden aanvaard, dit hoogstwaarschijnlijk slechts tot gevolg zal hebben dat schuldenaren voortaan naast een overdrachtsverbod ook uitdrukkelijk een verpandingsverbod zullen bedingen. Dit zal derhalve waarschijnlijk niet leiden tot de gewenste verruiming van de financieringsmogelijkheden voor het bedrijfsleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.40 Ik concludeer dan ook dat een vordering die onoverdraagbaar is als gevolg van een overdrachtsverbod in de zin van art. 3:83 lid 2 BW, niet kan worden verpand. Het hof heeft dit miskend in rov. 2.21 van het arrest, en heeft daarop vervolgens ten onrechte voortgeborduurd in rov. 2.22-2.24 en 2.32.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.41 Anders dan Rabobank betoogt (s.t., nr. 29), kan niet alleen de schuldenaar een beroep doen op de bescherming van art. 3:83 lid 2 BW. Een overdrachts- of verpandingsverbod met goederenrechtelijke werking leidt ertoe dat bij een levering of vestigingshandeling in strijd met dat verbod geen overdracht of vestiging plaatsvindt (vgl. Oryx/ […], zie hiervoor onder 4.13). Ook de curator (van de schuldeiser) kan daarop een beroep doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42 Dit betekent dat onderdeel I van het incidentele middel slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43 Na verwijzing zal het hof alsnog moeten oordelen of – zoals het in rov. 2.32 in het midden heeft gelaten – de in art. 6 lid 7 gestipuleerde onoverdraagbaarheid van het lidmaatschap zo moet worden uitgelegd dat hiermee goederenrechtelijke onoverdraagbaarheid van de in dezelfde bepaling genoemde ledenlening is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44 Onderdeel II behoeft geen bespreking meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Onderdeel IV incidenteel middel: ledenlening naar aard onoverdraagbaar 5.1 Onderdeel IV van het incidentele middel richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 2.33, waarin het hof respondeert op grief 3 in het incidenteel appel, die gericht was tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering uit hoofde van de ledenlening voor verpanding vatbaar was. Nadat het hof in rov. 2.32 het beroep van de curator c.s. op onverpandbaarheid van de vordering op grond van een beding als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW had verworpen, heeft het hof vervolgens in de bestreden rov. 2.33 als volgt overwogen: “2.33. De door de curator c.s. gestelde onverpandbaarheid vloeit evenmin voort uit de door hem gestelde “inbedding” van de ledenlening in het lidmaatschap. Bepaalde rechten en plichten uit de rechtsverhouding tussen lid en coöperatie zouden als onlosmakelijk aan het lidmaatschap verbonden kunnen worden geacht, zoals bijvoorbeeld het stemrecht van het lid, maar dit geldt naar het oordeel van het hof niet voor het recht op terugbetaling van de ledenlening (inning) indien aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan. De curator c.s. beroept zich er tot slot nog op dat volgens hem (i) artikel 33 lid 5 van de statuten meebrengt dat FloraHolland in voorkomend geval kan besluiten om exploitatieverliezen af te boeken op de ledenleningen; (ii) dergelijke afboekingen als tegenvorderingen op de betreffende leden moeten worden aangemerkt; (iii) verpanding van de aanspraken van een lid uit een ledenlening, aan de zijde van FloraHolland op grond van artikel 6:130 lid 2 BW in de weg zou staan aan verrekening van na de verpanding verrichtte afboeking van verliezen op grond van artikel 33 lid 5 van de statuten; (iv) dat niet geacht kan worden de bedoeling te zijn; en (v) daarom dus de ledenlening onverpandbaar moet worden geoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit argument faalt. De pandhouder kan tegenover FloraHolland niet méér rechten verkrijgen dan de [de vof] jegens FloraHolland kan uitoefenen. De stelling van de curator c.s. houdt in wezen in dat de rechten van [de vof] uit de ledenlening zijn onderworpen aan het afboekings- of verrekeningsvoorbehoud van artikel 33 lid 5 van de statuten met betrekking tot mogelijke toekomstige exploitatieverliezen. Dit impliceert evenwel dat in geval van verpanding, ook de pandhouder dat voorbehoud tegen zich heeft te laten gelden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Het onderdeel klaagt dat het hof zijn oordelen in de eerste twee volzinnen en het overige gedeelte van rov 2.33 onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd in het licht van de stellingen van de curator c.s. Volgens het onderdeel heeft de curator c.s. betoogd dat en waarom de ledenlening naar haar aard niet overdraagbaar is als bedoeld in art. 3:83 lid 1 BW, waarbij samengevat is aangevoerd dat: i. de vordering afhankelijk is van het lidmaatschap (dat ook niet overdraagbaar is); ii. FloraHolland zelf van mening is dat de vordering niet overdraagbaar is, en iii. ook uit art. 6 lid 7 van de statuten kan worden afgeleid dat de vordering naar haar aard niet overdraagbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof had kenbaar en gemotiveerd op deze essentiële stellingen moeten responderen, aldus het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Bij de bespreking van dit onderdeel kan het volgende worden vooropgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Op grond van art. 3:83 lid 1 BW zijn vorderingsrechten overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen overdracht verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Afhankelijke rechten zijn steeds naar hun aard niet apart overdraagbaar. Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht (het ‘hoofdrecht’) zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan (art. 3:7 BW). Voorbeelden van afhankelijke rechten zijn pand, hypotheek, rechten uit borgtocht, het aandeel in een mandelige zaak, het recht van erfdienstbaarheid, het eigendomsrecht van een opstal dat bestaat als gevolg van een opstalrecht, het afhankelijke opstalrecht en het retentierecht. Bij een afhankelijk recht heeft als uitgangspunt te gelden dat het tenietgaan van het hoofdrecht tot gevolg heeft dat ook het afhankelijke recht vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Voorts zijn vorderingsrechten naar hun aard niet overdraagbaar indien zij een persoonlijk karakter hebben, zoals wanneer de te verrichten prestatie verband houdt met persoonlijke eigenschappen van de schuldeiser, of wanneer de aard van de aan de vordering ten grondslag liggende rechtsverhouding zich tegen overdracht verzet. In de literatuur worden onder meer het recht op levensonderhoud en het recht op pensioen, alsmede het recht op kost en inwoning op grond van een pensionovereenkomst genoemd als vorderingen die naar hun aard onoverdraagbaar zijn. Met betrekking tot het vorderingsrecht van de curator in faillissement op grond van art. 2:248 BW (bestuurdersaansprakelijkheid) heeft uw Raad geoordeeld dat dit vorderingsrecht, gezien zijn bijzondere aard, niet voor overdracht vatbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Bij vorderingen uit geldlening zal de aard van de vordering zich doorgaans niet tegen overdracht verzetten. Onder omstandigheden kan echter ook een dergelijke vordering onoverdraagbaar zijn. Zo volgt uit het arrest De Staat/Appelsdat de aard van een in het kader van steunverlening door de staat verstrekt krediet met zich kan brengen dat het zozeer gebonden is aan de persoon van de staat als schuldeiser, dat de rechten en bevoegdheden uit het krediet slechts door de staat behoren te worden uitgeoefend. Het vorderingsrecht van een bank op een cliënt uit hoofde van een overeenkomst van geldlening verzet zich er volgens uw Raad niet tegen dat dit vorderingsrecht door een bank aan een niet-bank wordt overgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Onderdeel IV van het incidentele middel kan niet slagen, omdat het hof wel degelijk heeft gerespondeerd op de stelling van de curator c.s. dat de ledenlening naar haar aard niet overdraagbaar is. Het hof heeft deze stelling in rov. 2.33 immers verworpen door te oordelen dat de onverpandbaarheid van de ledenlening ook niet voortvloeit uit de door de curator c.s. gestelde “inbedding” van de ledenlening in het lidmaatschap. Het hof is daarbij niet voorbijgegaan aan de in het onderdeel genoemde stellingen, althans hoefde niet op deze stellingen in te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Voor stelling i, dat de vordering afhankelijk is van het (niet-overdraagbare) lidmaatschap, geldt dat het hof deze stelling in rov. 2.33, eerste twee volzinnen, uitdrukkelijk heeft verworpen. Het hof oordeelt daar immers dat het recht op terugbetaling van de ledenlening, in tegenstelling tot het stemrecht van het lid, geen recht is dat onlosmakelijk aan het lidmaatschap is verbonden. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof hoefde dit oordeel bovendien niet nader te motiveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Het hof hoefde in rov. 2.33 niet op stelling ii in te gaan, omdat deze niet als essentieel valt aan te merken Zelfs indien deze stelling – dat FloraHolland zelf van mening is dat de vordering uit hoofde van de ledenlening niet overdraagbaar is – zou moeten worden aanvaard, dan kan dit er niet toe leiden dat de vordering uit hoofde van de ledenlening naar haar aard niet-overdraagbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Voor stelling iii geldt dat het hof deze in rov. 3.32 expliciet heeft verworpen in het kader van de beoordeling van de vraag of de ledenlening onverpandbaar is als gevolg van een beding in de zin van art. 3:83 lid 2 BW. Het hof hoefde deze stelling daarom niet opnieuw te bespreken in het kader van de beoordeling van de vraag of de ledenlening naar haar aard onverpandbaar was op grond van art. 3:83 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Voor zover met onderdeel IV tevens is beoogd een rechtsklacht aan te voeren tegen het oordeel van het hof in rov. 2.33 (verweerschrift, tevens incidenteel cassatieberoep, nr. 2.10, laatste volzin), voldoet deze klacht niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt:  in het principale cassatieberoep tot verwerping;  in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Volgens de s.t. van Rabobank (nr. 7) zijn de curator c.s. en Rabobank overeengekomen de vraag of Rabobank een pandrecht heeft op de vorderingen uit hoofde van de participatiereserve en de ledenlening tot aan de Hoge Raad uit te procederen, omdat het antwoord op deze vraag voor de praktijk van groot belang is. Volgens de curator c.s. (MvA/MvG inc., nr. 3) speelt de discussie wie aanspraak heeft op het saldo op de participatierekening en het saldo van de ledenlening in veel faillissementen van glastuinbouwbedrijven in de bloemen- en/of plantensector, en wordt in een aantal faillissementen de uitkomst van de onderhavige procedure afgewacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 2.1 en 2.3-2.7 van het arrest van het hof Den Haag van 9 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:982 (hierna ook: het bestreden arrest), in samenhang met rov. 2.1-2.10 van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14585.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 2 bij inl. dagv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 1 bij inl. dagv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 3 bij inl. dagv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. III bij MvG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 5 bij inl. dagv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 15 statuten vermeldt verder onder e: het inhouden van een liquiditeitsbijdrage van de leden, welk ingehouden bedrag wordt aangemerkt als een voorwaardelijke vordering van het lid op de coöperatie. Deze vordering wordt, behoudens aanwending ter delging van een tekort, terstond na de vaststelling van de jaarrekening voldaan door bijschrijving op de ledenlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 34 statuten bevat voorts bepalingen over mogelijke besluiten (“kan”) tot voldoening van het saldo van de participatierekening in geval van: het eindigen van het lidmaatschap (lid 4 sub a), overlijden (lid 4 sub b) respectievelijk het bereiken van de 65-jarige leeftijd (lid 5 sub a).</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 9 bij inl. dagv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 9 bij inl. dagv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 14 bij CvA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de mailwisseling tussen Rabobank en FloraHolland in de periode januari-juni 2014, overgelegd als prod. 8 bij inl. dagv. en prod. 1 bij CvA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, rov. 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, rov. 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vonnis van 13 december 2017, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevolen bij tussenvonnis van de rechtbank Den Haag van 10 augustus 2016, zaaknummer/rolnummer: C/09/510604 / HA ZA 16/551.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reacties van partijen d.d. 15 december 2016 op het buiten hun aanwezigheid opgemaakte proces-verbaal bevinden zich uitsluitend in het A-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Haag 13 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14585, JOR 2018/103 m.nt. G.J.C. Rensen en A. Steneker, RI 2018/22 m. wenk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, rov. 2.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besteden arrest, rov. 2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Haag 9 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:982, RCR 2020/77 m. wenk.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, NJ 2004/281 (Oryx/ […] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0247, NJ 1989/200 (Staal Bankiers/Ambags q.q.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor onder 1.8 Zie hiervoor onder 1.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">O.a. R.C.J. Galle in: R.C.J. Galle (red.), Handboek coöperatie, 2012 (hierna: Handboek coöperatie 2012), p. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 2:53a jo. 2:34 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Rensen 2-III 2017/213 en 225.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Rensen 2-III 2017/273.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Rensen 2-III 2017/226; G.J.H. van der Sangen in: Snijder-Kuipers &amp; Rensen (red.), Handboek notarieel ondernemingsrecht - deel 2 - Vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (VDHI nr. 132-2) 2019 (hierna: Handboek notarieel ondernemingsrecht 2019), nr. 7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overes, Van der Ploeg &amp; Van Veen, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij 2021/2.2.2; G.J.H. van der Sangen in: Handboek notarieel ondernemingsrecht 2019/7.2; Beudeker e.a./Nijland &amp; Zaman, De coöperatie anno 2017 (AN nr. 166) 2018, p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Assink/Slagter 2013, (Deel 2), § 84, p. 1487, voetnoot 182, met verdere vindplaatsen. Anders: J.B.W.M. Kemperink en M.M. Oving in: Handboek notarieel ondernemingsrecht 2019/1.10, met vermelding van literatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.B.W.M. Kemperink en M.M. Oving in: Handboek notarieel ondernemingsrecht 2019/1.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Rensen 2-III 2017/232, 236-237.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wel ledenrekening of ledenschuldrekening genoemd. Zie G.J.H. van der Sangen, Rechtskarakter en financiering van de coöperatie (diss.), 1999 (hierna: diss. 1999), p. 321.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wel kapitaalrekening, ledenreserverekening, ledenkapitaal of inleggeld genoemd. Zie G.J.H. van der Sangen, diss. 1999, p. 319; Asser/Rensen 2-III 2017/226.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.H. van der Sangen, diss. 1999, p. 273-277; Assink/Slagter 2013, (Deel 2), § 84, p. 1491-1492.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan worden onderscheiden tussen gebonden en niet-gebonden en omlopende en niet-omlopende ledenschuldrekeningen. Zie G.J.H. van der Sangen, diss. 1999, p. 321-323. Zie ook G.J.H. van der Sangen in: Handboek notarieel ondernemingsrecht 2019/7.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhouding kan plaatsvinden met toepassing van art. 15, aanhef en onder e, statuten, het in rekening brengen van een zogenoemde ‘liquiditeitsbijdrage’. Zie voor de inhouding van zo’n liquiditeitsbijdrage o.m. de afrekeningen, overgelegd als prod. 4 bij inl. dagv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Traditioneel werd het eigen vermogen vaak gevormd door het jaarlijks inhouden van (een gedeelte van) het exploitatieoverschot, zonder dat de leden daarop enige aanspraak konden maken. In dit verband werd ook wel gesproken van ‘vermogen in de dode hand’. Zie o.m. R.C.J. Galle, in: Handboek coöperatie 2012, p. 34-37. Bij grote agrarische coöperaties heeft een ontwikkeling plaatsgevonden van het ‘vermogen in de dode hand’ naar het op naam stellen van het eigen vermogen ten behoeve van de leden, naar rato van hun bijdrage aan het succes van de coöperatie. Zie G.J.H. van der Sangen, diss. 1999, p. 319-321 en in: Handboek coöperatie 2012, p. 218-219; J.B.W.M. Kemperink en M.M. Oving, in: Handboek notarieel ondernemingsrecht 2019/1.11 en 1.12.1. Nog een stap verder gaat het uitgeven van (verhandelbare) vermogenstitels (aandeel, ledenbewijs, certificaat of participatiebewijs). Zie o.m. R.C.J. Galle, in: Handboek coöperatie 2012, p. 37-38 en G.J.H. van der Sangen, in: Handboek coöperatie 2012, p. 221 en 226-227.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.H. van der Sangen, in: Handboek coöperatie 2012, p. 227.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.H. van der Sangen, diss. 1999, p. 319-321; J.B.W.M. Kemperink en M.M. Oving, in: Handboek notarieel ondernemingsrecht 2019/1.12.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Rensen 2-III 2017/226; G.J.H. van der Sangen e.a. (red.), De coöperatie, een eigentijdse rechtsvorm, 2007, p. 150-151 en 152.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.C.J.J. Kortmann, annotatie bij HR 25 maart 1988, ECLI:NL:HR:1998:AD0247 (Staal Bankiers/Ambags q.q.), AA 1989/0056, p. 59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. o.m. HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841, NJ 2020/33, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De curator c.s. heeft zich (bij wijze van verweer tegen de principale grief 3) op het standpunt gesteld dat deze vorderingen niet onder de omschrijving in de pandakte vallen (MvA/MvG inc., nr. 46 jo. nrs. 8-19), hetgeen Rabobank heeft betwist (MvA inc., nrs. 6-7). In het oordeel van het hof ligt besloten dat de stelling van de curator c.s. wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die zin dat een contraire wil geen invloed heeft. Zie HR 24 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1680, NJ 1996/158, m.nt. W.M. Kleijn (Hollander’s kuikenbroederij).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 11 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AD3803, NJ 1986/68, rov. 3.2 (Kramer q.q./NMB); HR 30 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5528, NJ 1987/530, m.nt. W.C.L. van der Grinten, rov. 3.2 (WUH/Emmerig q.q.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 381 (MvT Inv).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0171, NJ 1992/605, m.nt. W.M. Kleijn (Veenendaal q.q./Hogeslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 381 (MvT Inv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1253 (MvA I Inv.); B.A. Schuijling, Levering en verpanding van toekomstige goederen (diss.), 2016 (hierna: diss. 2016), nr. 87.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.A. Schuijling, diss. 2016/87.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.A. Schuijling, diss. 2016/89. Zie ook het hierna te bespreken arrest HR 26 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4349, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 1 (SOS/ABN).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 juni 1929, ECLI:NL:HR:1929:358, NJ 1929, p. 1285, m.nt. P. Scholten (Postgiro), p. 1287. Zie ook M.H.E. Rongen, Cessie (diss.), 2012/883, en B.A. Schuijling, diss. 2016/85.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een bespreking van deze oude rechtspraak: B.A. Schuijling, diss. 2016/90-91.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4349, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 1 (SOS/ABN).</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Wuisman, conclusie (nr. 2.4) voor HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9463, JOR 2011/63 m.nt. B.A. Schuijling (ING/Nederend q.q.).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AD3803, NJ 1986/68, rov. 3.3 (Kramer q.q./NMB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het exacte tijdstip van ontstaan (tijdstip van investeren, einde belastingtijdvak of -jaar) werd in het midden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5528, NJ 1987/530, m.nt. W.C.L. van der Grinten, rov. 3.2 (WUH/Emmerig q.q.).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0247, NJ 1989/200, m.nt. W.M. Kleijn, AA 1989/0056, p. 56, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, rov. 3.2 (Staal Bankiers/Ambags q.q.).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8998, NJ 1990/325, rov. 3 (Dubbeld/Laman).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1136, NJ 1994/229, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.3 (Frima q.q./Blankers).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4504, NJ 2006/203, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.5 ([…] / […]).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9463, NJ 2010/653, rov. 3.5 (ING/Nederend q.q.).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196, m.nt. C.E. du Perron, rov. 3.6 (ASR/Achmea). Voor de regresvordering van de borg ex art. 7:866 BW jo. 6:10 BW geldt hetzelfde ontstaansmoment, zie HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7157, JOR 2012/346, m.nt. A.J. Tekstra, rov. 3.3 (Staatssecretaris van Financiën/X).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3023, NJ 2016/48, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.3.2 (De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2901, NJ 2018/316, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.5.5 en 3.6.2 (Famed/Kreikamp q.q.). Voor de bepaling van die deelprestaties moet worden aangesloten bij de binnen het toepasselijke DBC-traject aangewezen deelprestaties voor zover deze zijn voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze restrictieve koers wat betreft het ontstaansmoment van vorderingen wordt wel in verband gebracht met een rechtspolitieke keuze ten gunste van de faillissementsboedel en daarmee ten gunste van de overige schuldeisers van de pandgever. Zie B.A. Schuijling, diss. 2016/93, onder verwijzing naar A-G Wuisman, conclusie (nr. 3.6) voor HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9463, NJ 2010/653 (ING/Nederend q.q.).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4349, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus W.M. Kleijn, in zijn annotaties onder Staal/Ambags q.q., NJ 1989/200, nr. 2, en onder Frima q.q/Blankers, NJ 1994/229, nr. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.C.J.J. Kortmann, annotatie onder Staal Bankiers/Ambags q.q., AA 1989/0056, p. 59.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Strikwerda, conclusie (nr. 2.3) voor HR 5 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8998, NJ 1990/325 (Dubbeld/Laman).</p>\n<p class=\"lf-p\">H.L.E. Verhagen en M.H.E. Rongen, Cessie: de overdracht van vorderingen op naam. (Preadviezen VvBR), 2000, p. 45 en B.A. Schuijling, diss. 2016/96, allen met verdere literatuurverwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.A. Schuijling, diss. 2016/97, met verwijzingen. Zo is door Verhagen en Rongen (a.w., p. 51-53) bepleit dat de verbindende kracht van de overeenkomst rechtvaardigt dat vorderingen die hun oorzaak vinden in een bestaande overeenkomst in beginsel als bestaande vorderingen moeten worden aangemerkt. Zij maken daarbij een uitzondering voor het geval dat de gebondenheid van de debiteur en daarmee het ontstaan van de verbintenis afhankelijk zijn van de wilsverklaring van de debiteur van de vordering of een daarmee gelijk te stellen handeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.A. Schuijling, diss. 2016/95. Zie ook F.M.J. Verstijlen, ‘De verpanding van onderhanden werk’, WPNR 2013/6963, p. 122, volgens wie het ontstaan van vorderingen een kwestie van contractenrecht is; de daarbij geldende partijautonomie en contractsvrijheid brengen mee dat als partijen willen dat een vordering ontstaat, die vordering ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 16 april 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:1688, JOR 2014/220, m.nt. A.J. Tekstra (onder JOR 2014/221), RI 2014/69, m. wenk (AlveraFlora).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar A-G Strikwerda, conclusie voor HR 5 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8998 (Dubbeld/Laman), waarover hiervoor onder 3.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">De statutaire bepalingen zijn aangehaald in rov. 2.2 van het vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 4 maart 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:879, JOR 2016/38, m.nt. B.A. Schuijling, RI 2015/56, m. wenk, rov. 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Haag 3 juni 2014, JOR 2014/221, m.nt. A.J. Tekstra (Sub Rosa), rov. 2.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">FloraHolland is per 1 januari 2008 ontstaan door fusie van Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A. te Naaldwijk (CBF) en Coöperatie Bloemenveiling Aalsmeer U.A. (CBA). Het hof heeft het geschil beoordeeld aan de hand van de statuten van CBF en CBA (rov. 2.10-2.13).</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van de statuten van CBF en CBA is kenbaar uit Rb. ’s-Gravenhage 16 mei 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2027, JOR 2013/120, rov. 2.7-2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.A. Schuijling, annotatie (nr. 4) bij Rb. Amsterdam 4 maart 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:879, JOR 2016/38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel 7A.14 (oud) betreffende verbruiklening is per 1 januari 2017 vervangen door Titel 7.2C (“Geldlening”). Op overeenkomsten die voor 1 januari 2017 tot stand zijn gekomen blijven de bepalingen van Titel 7A.14 (oud) van toepassing (art. 68a lid 2 Overgangswet NBW).</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J. Tekstra, annotatie bij Rb. Amsterdam 16 april 2004 en Hof Den Haag 3 juni 2014, JOR 2014/221.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het ontstaansmoment van de vordering van de aandeelhouder in een vennootschap op dividenduitkering: B.A. Schuijling, diss. 2016/127. Volgens Schuijling ontstaat de vordering tot dividenduitkering zodra de statutair en wettelijk voorgeschreven handelingen (art. 2:105 en 2:216 BW) zijn verricht. Als uitgangspunt is de vordering tot uitkering onmiddellijk opeisbaar. Door een – statutair toegelaten – bepaling van een datum van betaalbaarstelling kan de opeisbaarheid van de vordering worden uitgesteld. Op het ontstaansmoment van de vordering tot uitkering is een dergelijke betaalbaarstelling echter niet van invloed. Ook is denkbaar dat de uitkering krachtens de statuten pas na een langere periode “vrijvalt” en de aandeelhouder in deze periode reeds als een crediteur van de vennootschap heeft te gelden, aldus Schuijling.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.M. Vermaire, ‘Zijn vorderingen van leden van een coöperatie uit hoofde van ledenleningen en/of participatiereserves toekomstige vorderingen?’, FIP 2015/60.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.G. Boeve, ‘Reactie op bijdrage Vermaire in FIP (2015/1/60): de vordering tot uitkering van participatiereserves; bestaand of toekomstig?’, FIP 2015/169.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.C. Rensen en A. Steneker, annotatie (nr. 4-8) bij Rb. Den Haag 13 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14585, JOR 2018/103.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.t. zijdens Rabobank, nr. 79.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar MvA in incidenteel appel, nr. 20; CvA, nr. 83.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar MvA in incidenteel appel, nr. 15, onder (c); CvA, nr. 80.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.t. zijdens Rabobank, nr. 93.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0247, NJ 1989/200, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.2 (Staal Bankiers/Ambags q.q.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. s.t. zijdens de curator c.s., nr. 6.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">De participatievergoeding zelf is ook eerst rechtens verschuldigd na een besluit tot uitkering: art. 34 lid 3 statuten rekent de participatievergoeding tot de uit te keren ‘jaarlaag’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middelonderdeel verwijst naar MvG/MvA inc., nrs. 119-122 jo. inl. dagv. nrs.111-124.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er staat niet vast dat sprake is geweest van een formele opzegging. Alle betrokkenen (de curator, FloraHolland en Rabobank) zijn het er echter over eens dat het lidmaatschap op enig moment voor 3 juni 2014 tot een einde is gekomen. Zie akte houdende uitlaten inzake opzegging lidmaatschap d.d. 11 januari 2017, nrs. 2-3, en antwoordakte d.d. 8 februari 2017, nr. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. art. 68a lid 2 Overgangswet NBW. Zie ook voetnoot 89 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.A. Schuijling, annotatie (nr. 4) bij Rb. Amsterdam 4 maart 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:879, JOR 2016/38; G.J.C. Rensen en A. Steneker, annotatie (nr. 4) bij Rb. Den Haag 13 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14585, JOR 2018/103; B.A. Schuijling, diss. 2016/117.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9463, NJ 2010/653 (ING/Nederend q.q.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie s.t. zijdens de curator c.s., nr. 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 314 (T.M.); Asser/Van Mierlo &amp; Krzeminski 3-VI 2020/25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/110, p. 84; H.L.E. Verhagen en M.H.E. Rongen, Cessie: de overdracht van vorderingen op naam. (Preadviezen VvBR), 2000 (hierna: Preadviezen 2000), p. 100.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, NJ 2004/281 m.nt. H.J. Snijders (Oryx/ […] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3.1 (Coface/Intergamma); F.M. van Peski, Sdu Commentaar Burgerlijk Wetboek Vermogensrecht (Boek 3 BW), art. 3:83 BW, aant. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Van Mierlo &amp; Krzeminski 3-VI 2020/25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Van Mierlo &amp; Krzeminski 3-VI 2020/25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een aantal voorbeelden van formuleringen: mijn conclusie (nr. 2.11) voor HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167 m.nt. H.J. Snijders (Coface/Intergamma); F.E.J. Beekhoven van den Boezem, Onoverdraagbaarheid van vorderingen krachtens partijbeding (diss.) 2003, p. 65-66; F.M.J. Verstijlen, ‘Niet-overdrachts- en niet-verpandingsbedingen in de financieringspraktijk’, WPNR 2017/7134, p. 77.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de motieven voor cessieverboden: mijn conclusie (nr. 2.10) voor HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167 m.nt. H.J. Snijders (Coface/Intergamma); Verhagen en Rongen, Preadviezen 2000, p. 101; F.E.J. Beekhoven van den Boezem, Onoverdraagbaarheid van vorderingen krachtens partijbeding, diss. 2003, p. 63-65 en p. 224-225; M. Orval, ‘Het cessieverbod nader bezien’, WPNR 6823 (2009), p. 993, M.H.E. Rongen, Cessie, diss. 2012, p. 683, en M.H.E. Rongen, ‘De uitleg van cessie- en verpandingsverboden na het arrest Coface/Intergamma’, TFR 2014/7-8, p. 327-328.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Van Mierlo &amp; Krzeminski 3-VI 2020/25. Zie ook mijn conclusie (nr. 2.12) voor HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167 m.nt. H.J. Snijders (Coface/Intergamma).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn conclusie (nr. 2.16) voor HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167 m.nt. H.J. Snijders (Coface/Intergamma).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167 m.nt. H.J. Snijders (Coface/Intergamma).</p>\n<p class=\"lf-p\">O.a. Asser/Van Mierlo &amp; Krzeminski 3-VI 2020/25; M.H.E. Rongen, ‘De uitleg van cessie- en verpandingsverboden na het arrest Coface/Intergamma’, TFR 2014/7-8, p. 328. Zie ook F.E.J. Beekhoven van den Boezem en G.J.L. Bergervoet, ‘Uitleg van cessie- en verpandingsverboden’, TvI 2012/13.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zoverre zijn de partijen in deze cassatieprocedure het ook eens, zie s.t. zijdens Rabobank, nr. 28 en s.t. zijdens curator c.s., nrs. 2.4-2.7. Zie in dit verband ook M.H.E. Rongen, annotatie (nr. 2) bij HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, JOR 2003/52 (Oryx/ […] ); H.J. Snijders, annotatie (nr. 3) bij HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, NJ 2004/281 (Oryx/ […] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Van Mierlo &amp; Krzeminski 3-VI 2020/25, 106 en 196; F.E.J. Beekhoven van den Boezem, Onoverdraagbaarheid van vorderingen krachtens partijbeding (diss.) 2003, p. 97; M. Orval, ‘Het cessieverbod nader bezien’, WPNR 2009/6823, p. 995; P.C. Van Es, GS Vermogensrecht, art. 3:81 BW, aant. 3.1.1, en art. 3:98 BW, aant. 10.2; D.F.H. Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:228 BW, aant. 1.4.1; Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2), 2017/507; A.J. Verdaas, Stil pandrecht op vorderingen op naam (diss.) 2008/137-139. Verdaas bepleit overigens wel aanpassing van art. 3:228 BW in die zin dat onoverdraagbare vorderingen wel verpandbaar zijn, mits de vordering vatbaar is voor inning door de pandhouder, en de pandhouder zich op het geïnde kan verhalen (nr. 140).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 309 (T.M.). Dit betreft de parlementaire geschiedenis bij art. 3:81 BW. In de parlementaire geschiedenis bij art. 3:228 BW is het vereiste van overdraagbaarheid van het te verpanden goed niet nader toegelicht (Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 734 (T.M.)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gedachte – de vestiging van een beperkt recht op een goed kan als een wijze van overdracht van bepaalde bevoegdheden worden beschouwd – ligt ook ten grondslag aan de schakelbepaling van art. 3:98 BW. Zie Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 404 (T.M.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhagen en Rongen, Preadviezen 2000, p. 105-109; M.H.E. Rongen, Cessie (diss.) 2012/560; R.D. Vriesendorp, ‘Verpanding van contractueel onoverdraagbare geldvorderingen’, WPNR 1996/6211, p. 105-106; F.M.J. Verstijlen, Algemene bepalingen pand en hypotheek (Mon. BW nr. B11) 2013/9.3; F.M.J. Verstijlen, ‘Niet-overdrachts- en niet-verpandingsbedingen in de financieringspraktijk’, WPNR 2017/7134, p. 83; A.S. Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a) 2012/51, p. 128-129; Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/214; Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/754; J.W.A. Biemans, ‘Onoverdraagbare’ vorderingen in faillissement: twee kwesties van uitleg tussen de curator en de pandhouder’, MvV 2013/4, p. 119-120; Snijders, Goederenrecht (SBR 2), 2017/313.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 314 (T.M.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de mogelijkheid van beslag op een onoverdraagbare vordering: Verhagen &amp; Rongen, Preadviezen 2000, p. 104-105. Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 314 (T.M.).</p>\n<p class=\"lf-p\">A.S. Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a) 2012/51, p. 129; Snijders, Goederenrecht (SBR 2), 2017/313.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/754.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.E.J. Beekhoven van den Boezem, Onoverdraagbaarheid van vorderingen krachtens partijbeding (diss.) 2003, p. 108.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rensen en Steneker, annotatie (nr. 3) bij Rb. Den Haag 13 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14585, JOR 2018/103.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook: F.M.J. Verstijlen, ‘Niet-overdrachts- en niet-verpandingsbedingen in de financieringspraktijk’, WPNR 2017/7134, p. 83.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhagen &amp; Rongen, Preadviezen 2000, p. 110.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.S. Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a) 2012/51, p. 129.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhagen &amp; Rongen, Preadviezen 2000, p. 109.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 35 482, nr. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het wetsvoorstel o.m.: M.H.E. Rongen, ‘De wet opheffing verpandingsverboden. Een kritische bespreking van de nieuwe regeling van art. 3:83 lid 3 en 4, 3:94 lid 5 en 3:239 lid 5 BW, alsmede van het overgangsrecht’, O&amp;F 2020/4.3, p. 32-56; W.H.B.K. Nieuwesteeg, ‘Verdeel de nadelen van het opheffen van verpandingsverboden’, WPNR 2021/7347, p. 891.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 35 482, nr. 3, p. 1-2 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 35 482, nr. 3, p. 3 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de nieuw in te voeren overgangsbepaling van art. 85a Overgangswet nieuw BW geldt de nietigheid, bedoeld in artikel 83, derde lid, tweede zin, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, in afwijking van artikel 79, voor bestaande bedingen vanaf drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet opheffing verpandingsverboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 35 482, nr. 3, p. 14 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">De status van het wetsvoorstel is te raadplegen via: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/wetsvoorstellen/detail?cfg=wetsvoorsteldetails&amp;qry=wetsvoorstel%3A35482.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 734 (T.M.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 309 (T.M.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het goederenrecht heeft in beginsel een dwingend karakter. Zie o.a. Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/33.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Hartkamp, conclusie (nr. 10) voor HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, NJ 2004/281 m.nt. H.J. Snijders (Oryx/ […] ). Zie ook Vriesendorp, ‘Oryx/ […] ’, AA 2003/3, p. 193.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep, nr. 2.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep, nrs. 2.8-2.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar MvA/MvG inc., nrs. 132 en 134; schriftelijk pleidooi, nrs. 32 en 35-36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar MvA/MvG inc., nr. 129; schriftelijk pleidooi, nr. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar schriftelijk pleidooi, nr. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/209 en 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 314 (T.M.).</p>\n<p class=\"lf-p\">E.B. Rank-Berenschot, T&amp;C BW, art. 3:83 BW, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2013/204.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snijders, Goederenrecht (SBR 2), 2017/309.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 september 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9949, NJ 1991/52 m.nt. J.M.M. Maeijer (Den Toom/De Kreek q.q.). Zie over de vraag wanneer de aard van een vordering zich tegen overdracht verzet tevens de conclusie van A-G Hartlief (nrs. 4.9-4.46) voor HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1274, NJ 2021/35, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Immobile/Promontoria).</p>\n<p class=\"lf-p\">F.M. van Peski, Sdu Commentaar Vermogensrecht, art. 3:83 BW, aant. 3; Reehuis &amp; Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/104.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2326, NJ 1990/766 m.nt. W.M. Kleijn (De Staat/Appels).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1274, NJ 2021/35, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Immobile/Promontoria) en HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1276, JOR 2020/267, m.nt. J.W.A. Biemans (Alegre/Promontoria).</p></div>", "next": 0}