{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Uit het procesreglement blijkt niet helemaal duidelijk wat er gebeurt als een partij geen gebruik maakt van de hersteltermijn van twee weken die geldt na weigering van een te lang processtuk en evenmin verzoekt om een langer processtuk te mogen indienen. Ik ga er vanuit dat het te lange processtuk dan (wederom) wordt geweigerd en dat akte niet-dienen volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.56 Daarmee wordt een sanctie gesteld die feitelijk leidt tot niet-ontvankelijkheid (althans, als het gaat om de memorie van grieven). Zoals gezegd, is het uitgangspunt dat zonder wettelijke grondslag in een procesreglement niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid mag worden gesteld. Een op een dergelijke bepaling gebaseerde beslissing leidt onmiskenbaar tot een beperking van de rechten van een partij. Daarvoor is dus een wettelijke grondslag vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.57 Wellicht zou uit de onder 5.32-5.36 besproken beschikking over het Bijzonder rekestreglement personen- en familierecht van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage kunnen worden afgeleid dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid wel mag volgen (c.q. het processtuk mag worden geweigerd), als na een geboden hersteltermijn wederom een stuk wordt ingediend dat niet aan de paginalimiet voldoet. Ik ga er echter vanuit dat daarvoor is vereist dat sprake is van aanvullende, bijzondere omstandigheden (die – in de woorden van Asser (zie onder 5.35) – leiden tot ‘een tamelijk ernstige schending van de goede procesorde’). Met andere woorden, het enkele feit dat gehandeld wordt in strijd met een bepaling in een procesreglement is niet voldoende om op grond van de eisen van een goede procesorde tot het oordeel van niet-ontvankelijkheid te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.58 Ook aan het arrest Ajax/Valk (zie onder 5.41) kan m.i. niet worden ontleend dat, na het ongebruikt verstrijken van een hersteltermijn, aan de eisen van een behoorlijke rechtspleging kan worden ontleend dat een te lang processtuk mag worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.59 Daarmee is het de vraag of er voor de maximeringsregels een wettelijk aanknopingspunt (of grondslag) bestaat, waarop gebaseerd zou kunnen worden dat een processtuk dat niet voldoet aan de paginalimiet mag worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 19 lid 2 Rv als wettelijke grondslag voor de maximeringsregels?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.60 Volgens de Staat is een grondslag voor de in de maximeringsregels voorgeschreven paginalimiet gelegen in art. 19 lid 2 Rv. Naar ik begrijp wordt daarmee ook het standpunt ingenomen dat daarin een grondslag te vinden is voor het opleggen van de sanctie van niet-ontvankelijkheid bij overschrijding van de paginalimiet. Art. 19 Rv luidt als volgt: “1. De rechter stelt partijen over en weer in de gelegenheid hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht, een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De rechter neemt ambtshalve of op verlangen van een van de partijen alle beslissingen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van art. 19 Rv is ingevoerd met de Wet KEI en is per 1 september 2017 voor alle procedures in werking getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.61 In de artikelsgewijze toelichting bij art. 19 lid 2 Rv staat het volgende: “De rechter heeft in de nieuwe basisprocedure een sterkere regierol gekregen ten aanzien van het verloop van de procedure. Het is wenselijk dat de verantwoordelijkheid van de rechter voor een voorspoedig verloop van de procedure ook expliciet wordt neergelegd in de wet. Artikel 19, tweede lid, bepaalt daarom dat de rechter ambtshalve of op verlangen van een van partijen alle beslissingen neemt die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit blijkt dat art. 19 lid 2 Rv bedoeld is om de in de KEI-wetgeving beoogde regierol van de rechter een wettelijke basis te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.62 De begrippen ‘regievoering’ en ‘regierol’ van de rechter zijn voor het eerst als zodanig benoemd in de KEI-wetgeving. De noodzaak voor rechterlijke regie in Rv-KEI moet worden begrepen in samenhang met twee aspecten van de KEI-wetgeving. Dat is in de eerste plaats de versterking van de rol van de mondelinge behandeling in de procedure: de mondelinge behandeling is het hart van de civiele procedure geworden. Daarmee is het belangrijk dat de rechter een goede invulling geeft aan de procedure, wat onder meer inhoudt dat er duidelijkheid bestaat over wat partijen op de mondelinge behandeling kunnen verwachten, dat op de mondelinge behandeling zoveel mogelijk alle relevante informatie beschikbaar is (waar de rechter zo nodig voorafgaand al om moet vragen) en dat de mondelinge behandeling zo efficiënt mogelijk wordt gebruikt, bijvoorbeeld door daar direct getuigen te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om al deze doelen te bereiken is het belangrijk dat de rechter sturing geeft aan partijen; dat is in feite wat er bedoeld wordt met regie. In de tweede plaats voorzag de KEI-wetgeving in een korte basisprocedure (procesinleiding, verweer, mondelinge behandeling), waarbij de mondelinge behandeling in beginsel sluitstuk zou moeten zijn en de rechter daarna dus vonnis kon wijzen. Om het mogelijk te maken dat in ‘niet-standaardzaken’ (zoals ze werden aangeduid in de parlementaire geschiedenis) toch extra proceshandelingen konden worden verricht, was het belangrijk dat de rechter ook voor wat betreft het verloop van de zitting zo nodig sturing gaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.63 Aanvankelijk gaven de artikelen 30k en 30o Rv-KEI een nadere uitwerking aan de rechterlijke regierol. Zoals bekend is het grootste gedeelte van de KEI-wetgeving echter uiteindelijk niet ingevoerd. Art. 30k Rv-KEI heeft met de Spoedwet KEI echter een doorstart gemaakt als art. 87 Rv. Art. 87 Rv geeft een algemene regeling van de mondelinge behandeling en bevat onder meer een opsomming van de mogelijkheden die de mondelinge behandeling biedt. Die mogelijkheden zijn te zien als de instrumenten die de rechter onder het huidige Rv heeft voor regievoering voor, tijdens en na de mondelinge behandeling. Art. 87 Rv en art. 19 lid 2 Rv zijn dus de in het huidige Rv overgebleven regiebepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.64 Over de regierol van de rechter is in de memorie van toelichting bij de Wet KEI het volgende te lezen: “De nieuwe civiele basisprocedure biedt de civiele rechter meer mogelijkheden om regie te voeren op het verloop van de procedure. Het is aan de rechter om de voortgang van de procedure te bewaken. Omdat partijen hun standpunt en (proces)stukken zo veel mogelijk meteen in het geding moeten brengen, kan de rechter het dossier normaliter beoordelen na de indiening van het verweerschrift (artikel 30k, vijfde lid, Rv). Bij de beoordeling van het dossier kan blijken dat partijen te weinig stukken hebben overgelegd ter onderbouwing van hun standpunten, of dat zij verwijzen naar stukken die niet zijn overgelegd. Als de rechter deze stukken nodig acht voor een goede oordeelsvorming, kan hij van partijen verlangen dat zij die stukken alsnog indienen (vgl. het huidige artikel 22 Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als partijen geen gebruik maken van de mogelijkheid om hun standpunt beter te onderbouwen, kan de rechter daaraan de gevolgen verbinden die hem geraden voorkomen. De gerechten maken het mogelijk dat een zaak al in een vroeg stadium van de procedure wordt toebedeeld aan een rechter, zodat deze zo nodig ook voorafgaand aan de inhoudelijke mondelinge behandeling een regiezitting kan inlassen, al dan niet op verzoek van partijen.(…) Ook is van belang dat de rechter de invulling van de mondelinge behandeling in samenspraak met partijen kan afstemmen op de aard en complexiteit van de voorliggende zaak. In de consultatieronde is aangegeven dat het huidige recht in dat opzicht onvoldoende duidelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deel van de rechters neemt thans aan dat tijdens een comparitie gelegenheid kan worden gegeven voor een pleidooi, terwijl een ander deel aanneemt dat de bestaande wetgeving daaraan in de weg staat. Met dit wetsvoorstel wordt verduidelijkt dat de rechter bewegingsruimte heeft bij de invulling van de mondelinge behandeling (artikel 30k Rv). Elke zaak bevat elementen die kenmerkend zijn voor die zaak. Die elementen kunnen om een specifieke invulling van de mondelinge behandeling vragen. Partijen kunnen wel of juist niet de behoefte hebben om hun standpunten nader toe te lichten. Het kan wel of juist niet nodig en wenselijk zijn om tijdens die mondelinge behandeling getuigen of deskundigen te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan wel of juist niet zinvol zijn om de mogelijkheden van een schikking te verkennen. Het is aan de rechter om, met oog voor de behoeften van partijen, te bepalen hoe een specifieke mondelinge behandeling verloopt. Op deze manier biedt hij partijen maatwerk. De tijdige planning van de mondelinge behandeling en de invulling daarvan hebben tot gevolg dat de rechter meer regie kan voeren in de zaken die aan hem zijn voorgelegd. (…) De rechter heeft voorts de mogelijkheid om regie te voeren omdat hij in overleg met partijen kan beslissen dat in een zaak het basisstramien moet worden aangevuld met additionele proceshandelingen (artikel 30o Rv). Ook daarvoor is de aard of complexiteit van de zaak doorslaggevend. Zo kan de rechter beslissen dat een regiezitting wenselijk is voordat beide partijen hun standpunten schriftelijk hebben toegelicht. Op grond van de aard of complexiteit van de zaak kan hij ook afwijkende termijnen nodig achten, bijvoorbeeld als het noodzakelijk is een uitspraak van een buitenlandse rechter af te wachten alvorens de Nederlandse rechter verder kan. Afwijking van de termijnen is mogelijk, al dan niet op verzoek van een van partijen, met de goede procesorde als uitgangspunt. Het is aan de rechter om te beslissen welke vervolgstappen gezet of welke proceshandelingen verricht moeten worden, opdat hij tot een gedegen oordeel kan komen. Afwijking van de termijnen of aanvullende proceshandelingen zijn niet nodig wanneer de rechter reeds voldoende informatie heeft ontvangen om de zaak af te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regievoering door de rechter kan bijdragen aan kortere doorlooptijden en meer tevredenheid onder rechtzoekenden, omdat procedures beter aansluiten bij de behoeften in een specifieke zaak. De rechter bepaalt welke proceshandelingen door partijen verricht kunnen worden en tot welk moment. Hij kan partijen bij zijn besluitvorming daarover betrekken. (…) Bij deze besluitvorming weegt de rechter de belangen van partijen af tegen het belang van een snelle en doelmatige procesvoering. Met het onderhavige wetsvoorstel wil ik rechters meer ruimte bieden om regie te voeren op te voortgang van de procedure. Een duidelijke grondslag daarvoor in de wet draagt bij aan rechtszekerheid. Tegelijkertijd blijft de uniformiteit van de rechtspleging van belang. Zoals ook de Raad voor de rechtspraak heeft opgemerkt in zijn advies over het voorontwerp (p. 4), gaat de regievoering niet zo ver dat elk gerecht of elke individuele rechter bijvoorbeeld zal kunnen bepalen op welke wijze een partij mondeling verweer kan voeren. De praktische uitwerking van het recht op mondeling verweer dient voorspelbaar te zijn voor de rechtzoekenden en kan het beste in een landelijk geldend procesreglement worden uitgewerkt. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.65 Uit deze passage blijkt dat regievoering zoals bedoeld in Rv-KEI inhoudt dat de rechter op individueel zaaksniveau beslissingen neemt over hetzij de verschillende processuele stappen die worden genomen, hetzij de wijze waarop de zitting verloopt. Dit zijn de twee aspecten van regievoering: het afstemmen van de mondelinge behandeling op de bijzonderheden van de zaak en het bepalen van het verloop van de procedure, afhankelijk van de bijzonderheden van de zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.66 Regievoering is dus onlosmakelijk verbonden met het begrip maatwerk: wat is in déze concrete zaak de beste (dat wil zeggen: de meest efficiënte maar ook meest doeltreffende) manier om de procesvoering in te richten. De wijze waarop de rechter in een concrete zaak regie voert, kan dus niet los worden gezien van de bijzonderheden van díe concrete zaak. Zie ook de korte samenvatting aan het begin van de memorie van toelichting bij de Wet KEI: “Flexibiliteit en maatwerk worden bereikt doordat de rechter in overleg met partijen van de basisprocedure kan afwijken. Zo kan de mondelinge behandeling in bepaalde gevallen achterwege blijven, terwijl in andere gevallen een extra mondelinge behandeling of andere zitting kan worden gehouden of een extra schriftelijke ronde kan worden ingelast.”</p>\n<p class=\"lf-p\">En: “De rechter krijgt met dit wetsvoorstel wel meer ruimte om regie te voeren ten aanzien van het verloop van de procedure. Omdat de mondelinge behandeling relatief snel na de start van de procedure plaatsvindt, is vroegtijdig overleg van de rechter en partijen mogelijk. Het wetsvoorstel regelt dat de rechter de mondelinge behandeling kan afstemmen op de bijzonderheden van de zaak en dat hij kan afwijken van het stramien van de basisprocedure indien de aard of complexiteit van de zaak dat meebrengt (artikel 30o Rv).”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.67 Betoogd zou kunnen worden dat art. 19 lid 2 Rv voorziet in beslissingsruimte voor de rechter voor het uitoefenen van regie, zodat rechters bij wijze van zelfbinding ook algemene regels kunnen stellen voor de manier waarop zij invulling geven aan die beleidsruimte. Hier stuiten we echter op twee problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.68 In de eerste plaats is het lastig dat art. 19 lid 2 Rv er nu juist voor is bedoeld om op individueel zaaksniveau beslissingen te kunnen nemen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure. Dat is nu juist het hele idee van regievoering: maatwerk op individueel niveau. Dit betekent dat de ratio van art. 19 lid 2 Rv op gespannen voet staat met het stellen van algemene regels die gelden voor alle zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.69 Een tweede probleem is dat er geen enkel aanknopingspunt is in de wetsgeschiedenis om aan te nemen dat bij regievoering in de zin van art. 19 lid 2 Rv (‘beslissingen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure’) ook gedacht is aan het nemen van een beslissing over de maximale omvang van processtukken. Ook dat maakt het lastig om aan te nemen dat art. 19 lid 2 Rv op dit punt (beleids)ruimte biedt aan de rechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.70 De Staat leidt uit de laatste zinnen van de hiervoor onder 5.62 geciteerde passage uit de memorie van toelichting (“Tegelijkertijd … uitgewerkt.”) af dat art. 19 lid 2 Rv óók een grondslag biedt voor het in een procesreglement invulling geven aan regievoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.71 Die passage gaat echter over de wijze waarop een partij mondeling verweer kan voeren, en heeft dus geen betrekking op de lengte van processtukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.72 Verder verwijst de Staat in dit verband ook naar de volgende passage uit de Nota naar aanleiding van het verslag: “De leden van de D66-fractie vragen in verband met de grotere regierol van de rechter of en op welke wijze professionele standaarden zullen worden ontwikkeld om discussie te voorkomen, indien rechters meer ruimte in het proces nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de invulling van de regierol zijn onder meer de landelijk vast te stellen procesreglementen van belang. Met behulp van die procesreglementen worden de wettelijke regels nader ingevuld. Hiermee hangt de ontwikkeling van de professionele standaarden samen. Zowel de procesreglementen als de professionele standaarden worden met brede participatie vanuit de rechtspraak ontwikkeld. De procesreglementen worden ook afgestemd met externe stakeholders. Voor wat betreft de invulling van de regierol zijn verder de interne opleiding van rechters en werkoverleggen van belang. Voor het overige zal de jurisprudentie een richtsnoer geven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.73 De vraag die de leden van de D66-factie stelden, en waar de hiervoor geciteerde tekst een antwoord op was, luidde als volgt (mijn onderstreping): “De leden van de D66-fractie merken op dat de rechter een grotere regierol krijgt tijdens de zitting. Zij vragen de regering of en zo ja op welke wijze professionele standaarden zullen worden ontwikkeld teneinde discussie te voorkomen als de rechters meer ruimte in het proces nemen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.74 De vraag – en daarmee ook het antwoord – zag dus op regievoering tijdens de zitting (zie daarover ook onder 5.60). Kennelijk is gedacht dat daarover in de procesreglementen nadere regels worden opgenomen. Dat is ook gebeurd, bijvoorbeeld in de artikelen 4.1 e.v. van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven. Verder wordt in de aangehaalde passage verwezen naar de ontwikkeling van professionele standaarden. Ook daar wordt aan gewerkt, denk aan de Professionele standaard Meervoudig beslissen van de civiele afdelingen van de hoven. Maar een professionele standaard is uiteraard wat anders dan een procesreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.75 Kortom, naar mijn mening is er in de wetsgeschiedenis van art. 19 lid 2 Rv geen aanknopingspunt te vinden voor de gedachte dat deze bepaling een grondslag zou kunnen bieden voor het maximeren van de omvang van processtukken. A fortiori kan daarin ook geen grondslag worden gevonden voor het weigeren van een processtuk omdat dit langer is dan een in een procesreglement voorgeschreven aantal pagina’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eisen van een goede procesorde als grondslag voor de maximeringsregels?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.76 Een andere mogelijkheid is dat de bevoegdheid van de rechter om in een procesreglement eisen te stellen aan de maximale omvang van processtukken gebaseerd kan worden op de eisen van de goede procesorde. Dit standpunt wordt subsidiair door de Staat verdedigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.77 De Staat verwijst hier naar de ‘al sinds 1931’ bestaande rechtspraak waarin de feitenrechter een akte van een procespartij kan weigeren, omdat de omvang daarvan te lang is en de akte in feite een verkapte conclusie behelst. Verder noemt de Staat als argument dat al in 2008 in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven de spreektijd bij pleidooi in beginsel was beperkt tot 30 minuten. In het huidige procesreglement is die spreektijd vaak korter (zie onder 5.47).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.78 Het standpunt dat de Staat hier inneemt kan in zoverre worden onderschreven, dat de maximeringsregeling op zichzelf te kwalificeren is als een regeling die in overwegende mate van organisatorische aard is, en daarmee kan worden gegrond op de eisen van een behoorlijke rechtspleging (of, m.i. minder voor de hand liggend, de eisen van een goede procesorde). Dat geldt echter niet voor het weigeren van een processtuk dat niet voldoet aan de paginalimiet, ook niet als eerder een hersteltermijn is geboden. Daarvoor is wel een wettelijke grondslag nodig (zie hiervoor onder 5.50).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 35 Rv: nadere regels bij AMvB 5.79 Als mogelijke wettelijke grondslag is ook nog te denken aan art. 35 Rv. Deze bepaling luidt als volgt: “1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot door de rechter te stellen termijnen voor het verrichten van proceshandelingen en kunnen beperkingen worden gesteld aan de mogelijkheid om daarvoor uitstel te verkrijgen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere nadere regels worden gesteld betreffende het verloop van de procedure, de opmaak en inrichting van de door partijen in het geding te brengen stukken, alsmede nadere regels ter bevordering van de eenheid van de wijze van rechtspleging bij de verschillende gerechten.”</div>\n<p class=\"lf-p\">5.80 Nu art. 35 Rv slechts de grondslag biedt voor het stellen van nadere regels bij algemene maatregel van bestuur, is direct duidelijk dat de bepaling niet de basis kan vormen voor een rechtersregeling (met welke inhoud dan ook) over de in de bepaling genoemde onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.81 Overigens is er tot op heden geen algemene maatregel van bestuur uitgevaardigd waarin wettelijke termijnen voor het verrichten van proceshandelingen zijn neergelegd (art. 35 lid 1 Rv). Dit hangt vermoedelijk samen met de opmerking in de parlementaire geschiedenis bij art. 35 Rv dat vanwege de totstandkoming van een landelijk rolreglement voor de civiele rol bij de rechtbanken vooralsnog geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de mogelijkheid om de termijnen bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen. Eerder was in de memorie van toelichting al in algemene zin opgemerkt dat het tot stand brengen van een uniform landelijk rolreglement in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de rechterlijke macht zelf is en dat van de bevoegdheid van art. 35 Rv pas gebruik zal worden gemaakt indien uniforme regels niet binnen een redelijke termijn op andere wijze tot stand komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.82 Art. 35 Rv heeft een breder bereik dan art. 133 Rv (zie over art. 133 Rv onder 5.38-5.40). Art. 35 lid 2 Rv houdt immers in dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld ‘betreffende het verloop van de procedure, de opmaak en inrichting van de door partijen in het geding te brengen stukken, alsmede nadere regels ter bevordering van de eenheid van de wijze van rechtspleging bij de verschillende gerechten’. Art. 133 Rv biedt géén grondslag voor het stellen van (rechterlijke) regels op deze punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.83 Ten slotte is nog op te merken dat de zinsnede in art. 35 lid 2 Rv dat nadere regels kunnen worden gesteld over ‘de opmaak en inrichting van de door partijen in het geding te brengen stukken’ is ingevoerd met de Wet KEI. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarmee beoogd is dat regels kunnen worden gesteld voor het opstellen van gedigitaliseerde stukken in een bepaald format.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie tot zover 5.84 De conclusie tot zover is dat procesreglementen wel bepalingen mogen bevatten over de maximale omvang van processtukken, omdat dergelijke regels in overwegende mate als van organisatorische aard zijn te kwalificeren, zolang de regels de mogelijkheid bieden om (met toestemming) ook een langer processtuk in te kunnen dienen en/of een aanvullende akte te kunnen nemen. Er is echter geen uit de wet voortvloeiende beleidsruimte voor de rechter – ook niet in samenhang met de eisen van een behoorlijke rechtspleging dan wel de eisen van de goede procesorde – om een processtuk dat niet voldoet aan de paginalimiet te weigeren. Voor de appellerende partij zou zo’n weigering tot gevolg hebben dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, omdat immers niet van grieven is gediend. Een dergelijke, ingrijpende beslissing kan niet worden genomen zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. Zo’n grondslag is er nu in ieder geval niet. En als de memorie van grieven niet kan worden geweigerd, kan moeilijk worden verdedigd dat de memorie van antwoord bij overschrijding van de paginalimiet wel zou kunnen worden geweigerd; in dat geval ontstaat er strijd met het beginsel van gelijkheid der wapenen (zie onder 6.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.85 Dit roept de vraag op of de procesreglementen wel een andere, minder ingrijpende sanctie zouden mogen stellen op het indienen van een processtuk dat niet voldoet aan de paginalimiet. M.i. is dat het geval. De procesreglementen zouden kunnen bepalen dat een te lang processtuk – in de situatie dat geen toestemming is verleend om een langer stuk in te dienen en na het bieden van een hersteltermijn niet een korter stuk is ingediend – niet wordt gelezen, voor zover de paginalimiet is overschreden. Dit is m.i. geen sanctie die zodanig ingrijpt in de rechten van partijen dat daarvoor een wettelijke grondslag nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.86 Wel kan in zo’n geval onder omstandigheden sprake zijn van schending van het recht op hoor en wederhoor. Dat komt in de volgende paragraaf aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Het recht op hoor en wederhoor Inleiding 6.1 Het beginsel van hoor en wederhoor is het meest fundamentele beginsel van het Nederlandse burgerlijke procesrecht. Het beginsel is in 2002 in art. 19 (thans lid 1) Rv gecodificeerd (zie onder 5.60), maar het speelde ook daarvoor in de rechtspraak van de Hoge Raad al een belangrijke rol als beginsel van ongeschreven recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Het beginsel van hoor en wederhoor is ook een van de aspecten van het recht op een eerlijk proces, zoals dat is neergelegd in art. 6 EVRM. De rechten die volgen uit art. 6 EVRM moeten als een minimumwaarborg worden beschouwd. Dit betekent dat de Nederlandse rechter zwaardere eisen mag stellen aan het recht op hoor en wederhoor, dan dat zij zou hoeven doen in het licht van de EHRM-jurisprudentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 In de literatuur worden wel drie aspecten van het recht op hoor en wederhoor onderscheiden (die overigens niet steeds scherp zijn te scheiden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Recht op rechterlijk gehoor 6.4 Dat is in de eerste plaats het recht op rechterlijk gehoor. Het recht op rechterlijk gehoor heeft als uitgangspunt dat elke procespartij het recht heeft om haar standpunten naar voren te brengen en toe te lichten. Het recht op rechterlijk gehoor brengt mee dat partijen in voldoende mate en op gepaste wijze in de gelegenheid worden gesteld om zich over de zaak uit te laten. Volgens Giesen betekent dit dat een partij “de kans moet hebben om de eigen zaak aan de rechter voor te leggen”. Smits omschrijft dit recht als “de aanspraak om in voldoende mate en op gepaste wijze in de gelegenheid te worden gesteld om zich als partij in zowel feitelijk als juridisch opzicht over een zaak uit te laten”. Het recht op rechterlijk gehoor is dus ruimer dan het recht op tegenspraak. Ook het recht van de partijen op een effectieve reactie op alle informatie die in het geding wordt gebracht, met het oog op de beïnvloeding van de rechter, valt onder het recht op rechterlijk gehoor. Met name de Mantovanelli-uitspraak van het EHRM is hier leidend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recht op tegenspraak 6.5 Het beginsel van hoor en wederhoor ziet in de tweede plaats op het recht op tegenspraak (‘adversarial proceedings’). Daarbij gaat het om het recht van partijen om zich uit te laten over de standpunten en alle in het geding gebrachte stukken van de wederpartij. De rechter mag zich niet baseren op informatie die ten nadele van de wederpartij werkt, zonder dat deze zich hier (voldoende) over heeft kunnen uitlaten. Onder meer de rechtspraak over late overlegging van stukken – in welk geval de wederpartij voldoende tijd moet hebben gehad om op een deugdelijke wijze kennis hiervan te nemen – staat in het teken van dit aspect van het beginsel van hoor en wederhoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beginsel van gelijkheid der wapenen 6.6 In de derde plaats omvat het beginsel van hoor en wederhoor het beginsel van gelijkheid der wapenen (‘equality of arms’). Dat houdt in dat geen van partijen benadeeld mag worden ten opzichte van de andere partij; een partij heeft het recht om in gelijke mate gehoord te worden als de wederpartij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen aan het recht op hoor en wederhoor 6.7 Het recht op hoor en wederhoor is echter niet onbegrensd. Dit volgt ook uit het slot van de eerste volzin van art. 19 lid 1 Rv (“een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit”). Het bekendste voorbeeld van zo’n wettelijke beperking is de procedure tot verlenen van beslagverlof: in die procedure zal de rechter de beslagene in beginsel niet horen (art. 700 Rv). Een ander voorbeeld is verstekverlening: als een gedaagde behoorlijk is opgeroepen maar niet in het geding verschijnt, wordt tegen hem verstek verleend. In dat geval wijst de rechter de vordering toe, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt (art. 139 Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8 Ook art. 132 lid 3 Rv, dat bepaalt dat de rechter slechts nadere conclusies toestaat voor zover dat met het oog op art. 19 Rv of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is, is te beschouwen als een wettelijke beperking van het recht op hoor en wederhoor. Hetzelfde geldt voor de regel van art. 133 lid 4 Rv, dat wanneer een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht om de desbetreffende proceshandeling te verrichten vervalt (zie daarover ook onder 5.38-5.40).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9 Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ook op grond van de goede procesorde beperkingen kunnen worden gesteld aan het recht op hoor en wederhoor. Een voorbeeld hiervan is dat de rechter op grond van de goede procesorde stukken die in een zeer laat stadium van de procedure worden overgelegd, kan weigeren. Een ander voorbeeld is de jurisprudentie waarin is geoordeeld dat partijen in cassatie in re- en dupliek dienen te volstaan met een beknopte reactie op de schriftelijke toelichting van de wederpartij en dat zij in deze stukken geen nieuwe onderwerpen mogen aansnijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn de maximeringsregels in strijd met beginsel van hoor en wederhoor?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10 De Advocaten stellen zich in deze procedure op het standpunt dat de maximeringsbepalingen in de procesreglementen in strijd zijn met het recht op hoor en wederhoor. Als ik het goed zie, hebben zij daarmee vooral het eerste aspect van het beginsel van hoor en wederhoor op het oog, dus het recht op rechterlijk gehoor. Het gaat hen erom ‘dat het aan partijen is om te beslissen hoe zij hun zaak inkleden en aan de rechter presenteren’.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11 Uit het voorgaande volgt echter dat het recht op rechterlijk gehoor niet onbeperkt is. Het gaat erom dat partijen in voldoende mate en op gepaste wijze in de gelegenheid zijn gesteld om zich over de zaak uit te laten en op de door hen gewenste wijze de zaak aan de rechter hebben kunnen presenteren. Nu de maximeringsregels voorzien in de mogelijkheid om een langer processtuk in te dienen als daarvoor toestemming is verleend, en/of in de mogelijkheid om een aanvullende akte te nemen als daarvoor toestemming is verleend, kan niet worden gezegd dat de maximeringsregels op zichzelf in strijd komen met het recht op hoor en wederhoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.12 Wel kan onder omstandigheden strijd met het beginsel van hoor en wederhoor ontstaan als sprake zou zijn van een onterechte weigering om een langer processtuk te mogen indienen en/of een aanvullende akte te mogen nemen. In zo’n geval is het de beslissing van de rolraadsheer die leidt tot strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13 Schending van het recht op hoor en wederhoor door de rechter vormt voor de partij die hiervan nadeel ondervindt een grond om hoger beroep en beroep in cassatie in te stellen. Dit kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ook als de wet hogere voorzieningen uitsluit. Met andere woorden, in voorkomende gevallen zal een partij in cassatie kunnen klagen over strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Of die klacht terecht is, hangt af van de omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Het recht op toegang tot de rechter Inleiding 7.1 Bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een procedure die voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM, gaat het er in de rechtspraak van het EHRM steeds om of de procedure in zijn geheel eerlijk is geweest. De rechtsgang hoeft dus niet in alle onderdelen en in alle fasen te voldoen aan de eisen van art. 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Het EHRM heeft voor wat betreft civiele zaken voor het eerst verwezen naar het recht op toegang tot de rechter in de zaak Golder/VK. Daarin werd overwogen dat de tekst van art. 6 lid 1 EVRM weliswaar niet in expliciete bewoordingen spreekt over dit recht, maar dat het recht op toegang tot de rechter een inherent onderdeel uitmaakt van de waarborgen die volgen uit art. 6 lid 1 EVRM. Het recht op een eerlijk proces – zoals dat is vervat in art. 6 lid 1 EVRM – veronderstelt namelijk dat men allereerst wel toegang tot de rechter heeft kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Het recht op toegang tot de rechter moet volgens het Hof ‘praktisch en effectief’ zijn, en dus niet louter theoretisch of illusoir.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Het recht op toegang tot de rechter is echter geen absoluut recht. In de zaak Ashingdane/VK overwoog het EHRM in dat kader het volgende (mijn onderstrepingen): “57 (…). Certainly, the right of access to the court is not absolute but may be subject to limitations; these are permitted by implication since the right of access “by its nature calls for regulation by the State, regulation which may vary in time and in place according to the needs and resources of the community and of individuals” (see the above-mentioned Golder judgment, p. 19, par. 38, quoting the “Belgian Linguistic” judgment of 23 July 1968, Series A no. 6, p. 32, par. 5). In laying down such regulation, the Contracting States enjoy a certain margin of appreciation. Whilst the final decision as to observance of the Convention’s requirements rests with the Court, it is no part of the Court’s function to substitute for the assessment of the national authorities any other assessment of what might be the best policy in this field (see mutatis mutandis, the Klass and Others judgment of 6 September 1978, Series A no. 28, p. 23, par. 49).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nonetheless, the limitations applied must not restrict or reduce the access left to the individual in such a way or to such an extent that the very essence of the right is impaired (see the above-mentioned Golder and ‘Belgian Linguistic’ judgments, ibid., and also the above-mentioned Winterwerp judgment, Series A no. 33, p. 24 and 29, par. 60 and 75). Furthermore a limitation will not be compatible with Article 6 par. 1 if it does not pursue a legitimate aim and if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be achieved.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Beperkingen van het recht op toegang tot de rechter zijn dus toegestaan, omdat dit recht naar zijn aard vraagt om regulering door een lidstaat (‘regulation by the State’). Deze regulering kan variëren naar tijd en plaats, en mede afhankelijk zijn van de behoeften en beschikbare middelen van de samenleving en individuen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Margin of appreciation 7.6 Bij het opleggen van beperkingen van het recht op toegang tot de rechter hebben de lidstaten een zekere beoordelingsvrijheid (‘margin of appreciation’) om te bepalen welk beleid het best gehanteerd kan worden. Uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Naït-Liman/Zwitserland volgt dat de omvang van deze margin of appreciation mede kan afhangen van relevante internationaalrechtelijke bepalingen, evenals van het bestaan van een consensus (a “European consensus”) of een zekere trend onder de lidstaten van de Raad van Europa met betrekking tot de in de zaak voorliggende kwestie(s).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 Verder is van belang dat beperkingen aan het recht op toegang voorzienbaar zijn. Dat betekent niet dat er altijd een wettelijke grondslag voor een beperking hoeft te zijn; ook een beperking die gebaseerd is op jurisprudentiële regels kan een voorzienbare beperking inhouden (zie bijvoorbeeld de zaak Levages Prestations Services/Frankrijk (rov. 42), hierna onder 7.11).</p>\n<p class=\"lf-p\">Drie voorwaarden aan beperkingen van het recht op toegang tot de rechter 7.8 Het recht op toegang tot de rechter mag volgens vaste rechtspraak van het EHRM alleen worden beperkt, indien de beperking voldoet aan de volgende drie voorwaarden: (i) De beperking mag niet de kern van het recht op toegang tot de rechter (‘the very essence of the right’) aantasten; (ii) De beperking moet een legitiem doel dienen; en (iii) Er moet sprake zijn van proportionaliteit tussen het doel – dat met de beperking wordt beoogd – en de ingestelde beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste voorwaarde: recht op toegang mag niet in de kern worden aangetast 7.9 Voor wat betreft de eerste voorwaarde, dat de beperking het recht op toegang tot de rechter niet in de kern mag aantasten, is van belang dat aan art. 6 lid 1 EVRM niet een recht op hoger beroep of cassatie kan worden ontleend. Als binnen een lidstaat echter de mogelijkheid bestaat om hoger beroep of cassatieberoep in te stellen, dan moeten deze procedures wel aan de eisen van art. 6 EVRM voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10 Als het gaat om procedurele eisen aan het instellen van een rechtsmiddel, wordt al snel aangenomen dat het binnen de margin of appreciation van de lidstaat valt om dergelijke eisen te stellen, mits de kern van het recht op toegang niet wordt aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.11 Als voorbeeld kan worden genoemd de zaak Levages Prestations Services/Frankrijk. In deze zaak was klager door de Cour de Cassation ambtshalve niet-ontvankelijk verklaard, zonder eerst gelegenheid tot herstel te hebben gekregen, omdat de cassatieadvocaat had verzuimd om een kopie van het tussenarrest van het hof van Parijs mee te zenden met het cassatieberoepschrift. Dat dit vereist was, volgde uit art. 979 van het Franse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de daarover ontwikkelde rechtspraak. Het EHRM overwoog het volgende: “40. The Court reiterates that the “right to a tribunal”, of which the right of access is one aspect (see the Golder v. the United Kingdom judgment of 21 February 1975, Series A no. 18, p. 18, para. 36), is not absolute; it is subject to limitations permitted by implication, in particular where the conditions of admissibility of an appeal are concerned, since by its very nature it calls for regulation by the State, which enjoys a certain margin of appreciation in this regard (see the Ashingdane v. the United Kingdom judgment of 28 May 1985, Series A no. 93, pp. 24-25, para. 57). (…) 42. In order to satisfy itself that the very essence of the applicant company's ‘right to a tribunal’ was not impaired by the declaration that the appeal was inadmissible, the Court will firstly examine whether the procedure to be followed for an appeal on points of law, in particular with respect to the production of documents, could be regarded as foreseeable from the point of view of a litigant and whether, therefore, the penalty for failing to follow that procedure did not infringe the proportionality principle.</p>\n<p class=\"lf-p\">Article 979 NCCP expressly requires only the production of the decision appealed against, but that expression, under the Court of Cassation's case-law, ‘has to be understood as applying not only to the decision appealed against, but also to decisions that are its necessary complement’. There can be no doubt that this case-law, which is old and readily accessible, was available to a member of the Conseil d'Etat and Court of Cassation Bar.</p>\n<p class=\"lf-p\">The applicant company's counsel was thus in a position to ascertain what steps he had to take to bring an appeal on points of law, both from the wording of Article 979 NCCP and, if necessary, with the aid of the case-law, which was sufficiently clear and coherent (see, the Geouffre de la Pradelle v. France judgment previously cited, p. 43, § 34). (…) 45. However, the manner in which Article 6 para. 1 (art. 6-1) applies to courts of appeal or of cassation must clearly depend on the special features of the proceedings concerned and account must be taken of the entirety of the proceedings conducted in the domestic legal order and the court of cassation’s role in them (…); the conditions of admissibility of an appeal on points of law may be stricter than for an ordinary appeal.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">46.</span>Lastly, in its case-law on Article 6 the Court has accepted that the requirements inherent in the concept of ‘fair hearing’ are not necessarily the same in cases concerning the determination of civil rights and obligations as in cases concerning the determination of a criminal charge. The Contracting States have greater latitude when dealing with civil cases concerning civil rights and obligations than when dealing with criminal cases (see the Dombo Beheer BV v. the Netherlands judgment of 27 October 1993, Series A no. 274, p. 19, § 32). (…) 47. The Court notes that in civil cases the procedure for gaining access to the Court of Cassation varies according to whether exemption from legal representation is available for the type of proceedings concerned or not. If it is, Article 988 NCCP lays down that the appellate court's registry must send the case file and a copy of the decision appealed against to the Court of Cassation's registry without delay. On the other hand, in proceedings for which legal representation by a member of the Conseil d'Etat and Court of Cassation Bar is compulsory, the rules are stricter for the parties — who are represented — and the court registries have fewer obligations; Article 977 NCCP requires only that the registrar of the Court of Cassation request the case file and, under the Court of Cassation's case-law, the court has no obligation to inform the parties of any failure to comply with the rules of procedure.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">48.</span>Given the special nature of the Court of Cassation's role, which is limited to reviewing whether the law has been correctly applied, the Court is able to accept that the procedure followed in the Court of Cassation may be more formal, especially as in proceedings with compulsory representation the parties will be represented by a member of the Conseil d'Etat and Court of Cassation Bar (…). Moreover, the appeal to the Court of Cassation was made in the instant case after the applicant company’s claims had been heard by both a commercial court and a court of appeal, each of which had full jurisdiction.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">49.</span>In conclusion, regard being had to all the proceedings in the domestic courts, Levages Prestations Services’ right of access to a court as guaranteed by Article 6 para. 1 of the Convention (art. 6-1) was not infringed by reason of the conditions which it had to satisfy for its appeal on points of law to be admissible.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>Consequently, there has been no violation of that provision (art. 6-1).”</div>\n<p class=\"lf-p\">7.12 Het komt er dus op neer dat procedurele eisen mogen worden gesteld aan het instellen van (cassatie)beroep, ook als deze strikt zijn, mits voor een partij vooraf duidelijk is welke eisen dat zijn (could be regarded as foreseeable for a litigant).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.13 Een ander voorbeeld is de zaak Zubac/Kroatië. Hierin was het cassatieberoep van Zubac bij het Kroatische Hooggerechtshof niet-ontvankelijk bevonden, omdat het financiële belang van de zaak volgens de processtukken in feitelijke instanties te laag was voor het instellen van cassatieberoep. In werkelijkheid was met de zaak echter een veel hoger bedrag gemoeid. Zubac had het belang echter zelf zo laag gesteld (om te voorkomen dat een hoger griffierecht moest worden betaald; kennelijk volgens een gebruikelijke praktijk). Het EHRM oordeelde dat geen sprake was van een beperking van de kern van het recht op toegang tot de rechter, omdat, heel kort samengevat, Zubac zelf had kunnen voorkomen dat de financiële waarde op een te laag bedrag werd vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.14 Ook kan worden genoemd de zaak Brualla Gómez/Spanje. In deze zaak werd nadat klaagster al haar voornemen om in cassatie te gaan kenbaar had gemaakt, de financiële appelgrens voor huurzaken in cassatie verhoogd. Hierdoor werd zij niet-ontvankelijk verklaard door de Spaanse cassatierechter. Volgens het EHRM was het recht van klaagster op toegang tot de rechter niet in de kern aangetast, onder meer omdat zij zowel in eerste als in tweede aanleg haar zaak volledig aan een feitenrechter had kunnen voorleggen (waarbij het EHRM aantekent dat ‘fairness’ van de procedures in feitelijke instanties niet ter discussie was gesteld). Meegewogen wordt dus dat het om een cassatieprocedure gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.15 De grens ligt daar waar sprake is van excessief formalisme; dan is niet meer sprake van een legitieme beperking (vgl. hierna onder 7.20-7.21).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede voorwaarde: beperking moet legitiem doel hebben 7.16 Een voorbeeld van een zaak waarin een legitiem doel ontbrak is de zaak Oorzhak/Rusland. In deze zaak werd de klager in een cassatieprocedure niet-ontvankelijk verklaard, omdat de cassatietermijn zou zijn verstreken. Er was echter uitgegaan van een termijn die was aangevangen op de dag waarop de appelrechter een hoorzitting had gehouden, in plaats van de gebruikelijke dag waarop het vonnis door de appelrechter was gewezen. Niet duidelijk was geworden waarom voor dat aanvangsmoment van de termijn was gekozen, wat het EHRM tot het oordeel bracht dat er geen legitiem doel was voor de beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.17 In de al genoemde zaak Brualla Gómez de la Torre/Spanje (zie onder 7.14) achtte het EHRM het door de maatregel nagestreefde doel – het voorkomen van een overbelasting van de cassatierechter – wel een legitiem doel: “36 (…), the Court considers legitimate the aim pursued by this statutory amendment, namely increasing the financial threshold for appeals to the Supreme Court in this sphere, so as to avoid that court’s becoming overloaded with cases of lesser importance. But it is also a requirement that the inadmissibility of the appeal to the Supreme Court did not impair the very essence of the applicant’s right to a court or “tribunal” within the meaning of Article 6 § 1.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.18 Dat het voorkomen van overbelasting van de rechtspraak een legitiem doel is, volgt ook uit de zaak Stanev/Bulgarije. Ook het verplichten tot het beproeven van een schikking voorafgaand aan de procedure – om daarmee lange en kostbare procedures te voorkomen – werd door het EHRM bestempeld als een maatregel die een legitiem doel nastreeft. Andere doelen die door het EHRM als legitiem zijn beoordeeld, zien bijvoorbeeld op het creëren van rechtszekerheid door middel van wettelijke verjaringstermijnen en het vooraf laten stellen van zekerheid met het oog op het verhalen van de proceskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde voorwaarde: proportionaliteit tussen beperking en doel 7.19 De derde voorwaarde voor een beperking van het recht op toegang tot de rechter is dat sprake moet zijn van proportionaliteit tussen de opgelegde beperking en het nagestreefde legitieme doel. De margin of appreciation bepaalt in dat kader mede hoe ver een lidstaat kan gaan. Hiermee is het in de eerste plaats aan de lidstaat om te zorgen voor een evenwicht tussen de beperking en het daarmee nagestreefde doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.20 In de zaak Liakopoulou/Griekenland had de Griekse Hoge Raad de klaagster, van wie een stuk grond onteigend was, niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet de feiten waarop de appelrechter zijn oordeel had gebaseerd bij haar cassatiegronden had besproken. Dit was in strijd met de in de Griekse jurisprudentie ontwikkelde regel dat de cassatieschriftuur een gedetailleerde uiteenzetting dient te geven van de feiten waarop het Hof van Beroep zijn arrest heeft gebaseerd. Klaagster had die feiten echter wel besproken in de inleiding van haar cassatieschriftuur. Volgens het EHRM gaf de wijze waarop de Griekse Hoge Raad de uit de jurisprudentie voortvloeiende beperking had toegepast, blijk van excessief formalisme, waardoor geen sprake was van proportionaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.21 In de rechtspraak van het EHRM zijn vele voorbeelden van zaken waarin de toepassing van bepaalde procesrechtelijke regels als excessief formalistisch is bestempeld. In het algemeen is daarvan vooral sprake als een partij in materiële zin wel voldoet aan een procesrechtelijke regel, zoals de verplichting tot het geven van informatie over de in lagere instantie vastgestelde feiten, maar daarvoor niet de juiste, formeel voorgeschreven vorm kiest.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.22 Een recent voorbeeld is het EHRM-arrest in de zaak Succi e.a./Italië. In deze zaak waren klagers niet-ontvankelijk verklaard door de Italiaanse Hoge Raad, omdat zij in strijd met de destijds geldende voorschriften (de regel is afgeschaft met het onder 9.7 te bespreken protocol) niet de stukken uit eerdere instanties hadden opgenomen in het cassatieberoepschrift. Deze voorschriften waren gebaseerd op het autonomiebeginsel en dienden volgens het EHRM een legitiem doel: het vereenvoudigen van het werk van de cassatierechter en tegelijkertijd het dienen van de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling. Het autonomiebeginsel stelt de rechter in staat de inhoud van de klachten te bepalen op grond van (enkel) de lezing van het beroepschrift, wat de effectiviteit en efficiëntie dient; dat is niet alleen in het belang van justitiabelen, maar ook in het algemeen belang. Verder overwoog het EHRM dat deze beperking proportioneel was, en dat de vereisten over hoe het cassatiestuk moest worden ingericht duidelijk volgden uit de destijds kenbare jurisprudentie en dat verwacht mocht worden dat een cassatieadvocaat hiervan op de hoogte zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.23 In de zaak Succi werd vervolgens geoordeeld dat voldoende duidelijk is op welke gronden elk van de cassatiemiddelen berust en naar welke (in de nationale procedure overgelegde) stukken in het beroepschrift wordt verwezen, zodat de niet-ontvankelijkverklaring op grond van het niet in acht nemen van de desbetreffende eisen excessief formalistisch is en niet gerechtvaardigd wordt door de doeleinden achter het autonomiebeginsel. Daarmee was sprake van een schending van art. 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.24 In de parallelle zaken Pezzullo en Di Romano e.a. oordeelde het EHRM dat géén sprake was van een schending. Overwogen werd dat de destijds geldende procesrechtelijke regels omtrent de presentatie van de rechtsvragen en de motiveringsklachten in het beroepschrift zijn toegepast, die de advocaat van klagers bekend hadden moeten zijn geweest. Wat betreft het autonomiebeginsel moet met de cassatierechter worden vastgesteld dat het beroepschrift niet aan de daaruit voortvloeiende eisen voldoet. Door op die grond het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren is geen sprake van excessief formalisme.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusies 7.25 Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat procedurele beperkingen niet snel strijdig worden bevonden met art. 6 EVRM. Het staat een lidstaat vrij om beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot de rechter, mits voldaan is aan de voorwaarden dat (i) het recht op toegang tot de rechter niet in de kern wordt aangetast; (ii) de beperking een legitiem doel dient; en (iii) er sprake is van proportionaliteit tussen het doel dat met de beperking wordt beoogd en de beperking. Bij het treffen van een juiste balans hiertussen hebben lidstaten een ruime margin of appreciation. Verder blijkt dat het ontlasten van de rechterlijke macht, het bevorderen van een efficiënte en effectieve rechtsgang als legitieme doelen worden beschouwd. Toepassing van formele beperkingen vindt zijn grens waar sprake is van excessief formalisme. Ten slotte volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat niet dat alleen bij wet beperkingen mogen worden opgelegd. Wel is steeds vereist dat de precieze inhoud van de beperkingen vooraf voldoende kenbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.26 Het beperken van de omvang van processtukken, ter bevordering van een efficiënte rechtsgang, past m.i. in grote lijnen binnen deze kaders, mits uit de procesreglementen duidelijk en precies kan worden afgeleid wat er van een advocaat wordt verwacht. De regels ter maximering van de omvang tasten het recht op toegang niet in de kern aan. De regels hebben een legitiem doel en niet gezegd kan worden dat de regels disproportioneel zijn (of excessief formalistisch).</p>\n<p class=\"lf-p\">8Wie is bevoegd om een rechtersregeling vast te stellen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding 8.1 In deze zaak is niet als prejudiciële vraag voorgelegd wie bevoegd is om rechtersregelingen vast te stellen. Dat is echter wel een belangrijke vraag omdat, zoals vermeld is onder 5.22, een van de vereisten voor het kwalificeren van een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 Wet RO is dat de regeling is vastgesteld door een daartoe bevoegd rechterlijk orgaan. Dat roept de vraag of de reglementen waarom het in deze zaak gaat, door een daartoe bevoegd rechterlijke orgaan zijn vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Bij wie de bevoegdheid ligt om rechtersregelingen vast te stellen, is een kwestie (om niet te zeggen: een pijnpunt) die door de jaren heen verschillende malen aan de orde is gesteld in de literatuur, zonder dat dit tot duidelijkheid in de rechtspraak heeft geleid. Daarmee is het belangrijk genoeg voor een bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Uitgangspunt hierbij is dat er naar de huidige stand van het recht geen wettelijke bepaling is die expliciet voorziet in de mogelijkheid dat rechtersregelingen worden opgesteld. Dat betekent dat er in de wet ook geen instantie is aangewezen die ‘de bevoegdheid heeft rechters te binden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4 Een hof (of enig ander gerecht) is overigens geen bestuursorgaan in de zin van de Awb. Art. 1:1 lid 2 sub c Awb zondert onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, namelijk uitdrukkelijk van het bestuursorgaan-begrip uit. Dat betekent dat gerechten niet aan art. 4:81 Awb de bevoegdheid kunnen ontlenen om beleidsregels vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5 Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan niet duidelijk worden afgeleid welke instanties bevoegd zijn om een rechtersregeling vast te stellen, anders dan dat het – volgens de civiele kamer – moet gaan om ‘een rechterlijk orgaan’. Over de vraag waarop de bevoegdheid van deze instanties berust, zijn in de rechtspraak van de Hoge Raad evenmin algemene uitspraken gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landelijke overleggen vakinhoud (LOV’s)?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6 Wel kan uit de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad worden afgeleid dat de LOV’s niet bevoegd zijn om een rechtersregeling vast te stellen. Zie een arrest van de strafkamer uit 2018, waarin het volgende werd overwogen: “4.2 (…). Wel zijn daarover in het kader van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) afspraken gemaakt. Deze afspraken vormen evenwel geen recht in de zin van art. 79 RO, reeds omdat deze niet afkomstig zijn van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte (vgl. HR 3 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8838, NJ 2003/570 ten aanzien van de oriëntatiepunten voor de straftoemeting). De rechter is dan ook niet gebonden aan die afspraken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7 Dat de LOV’s niet de bevoegdheid hebben rechters te binden, ligt ook voor de hand omdat deze landelijke overleggen geen wettelijke grondslag hebben. In de literatuur wordt dan ook algemeen aangenomen dat de LOV’s geen rechters bindende regels kunnen opstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8 Verder is door de civiele kamer van de Hoge Raad geoordeeld dat het door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) in samenspraak met de NOvA opgestelde Liquidatietarief rechtbanken en hoven niet als recht in de zin van art. 79 Wet RO kan worden aangemerkt; het gaat volgens de Hoge Raad slechts om ‘een de rechter niet bindende richtlijn’. In dit arrest is weliswaar niet overwogen dat de reden daarvoor is dat de regels niet zijn opgesteld door ‘een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden’, maar in de literatuur wordt er vanuit gegaan dat dit wel het (belangrijkste) argument is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9 Over de door de NVvR opgestelde Alimentatienormen overwoog de Hoge Raad dat dit geen regels zijn in de zin van art. 99 Wet RO (oud), omdat “het in het rapport Alimentatienormen niet gaat om regels die in de hiervoor bedoelde zin zijn vastgesteld door een orgaan van het openbaar bestuur met het oog op de uitoefening van zijn eigen beleid, maar om richtlijnen die genoemde Vereniging, een privaatrechtelijke instelling, aanbeveelt ten gebruike door rechterlijke instellingen die zich met de vaststelling van alimentatie bezighouden.” Omdat de NVvR een privaatrechtelijke instelling is en geen orgaan van het openbaar bestuur, werd dus geoordeeld dat geen sprake is van recht in de zin van art. 79 Wet RO. Aangenomen wordt dat dit ook de reden is waarom het eveneens van de NVvR afkomstige Rapport Voorwerk II over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten door de Hoge Raad niet als recht in de zin van art. 79 Wet RO werd aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.10 Een ‘privaatrechtelijke’ instelling geldt dus in ieder geval niet als ‘een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden’. Dit sluit aan bij de latere overweging van de civiele kamer van de Hoge Raad, dat het moet gaan om een regeling die door ‘een daartoe bevoegd rechterlijk orgaan is vastgesteld’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raad voor de rechtspraak?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.11 Ook de Raad voor de rechtspraak is niet bevoegd om een rechtersregeling vast te stellen. Art. 94 Wet RO (dat hier als enige in beeld komt) bepaalt dat de Raad voor de rechtspraak tot taak heeft ondersteuning te bieden aan activiteiten van de gerechten die gericht zijn op uniforme rechtstoepassing en bevordering van de juridische kwaliteit. Bij de uitvoering van deze taak mag de Raad niet treden in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak (art. 96 lid 1 Wet RO). Hoewel de parlementaire geschiedenis onder de noemer ‘uniforme rechtstoepassing’ ook de ontwikkeling van rechtersregelingen schaart, kan op de zeer algemeen geformuleerde taakstelling van art. 94 Wet RO niet de bevoegdheid om rechters te binden door het opstellen van rechtersregelingen worden gebaseerd. Dat is temeer het geval nu, ondanks een advies van de commissie-Leemhuis om de Raad voor de rechtspraak wél de wettelijke bevoegdheid te geven om bindende richtlijnen en beleidsregels voor rechters vast te stellen, de wetgever in de Wet Raad voor de rechtspraak (Wrvr) heeft volstaan met de hiervoor beschreven taakstellingen, op grond waarvan de Raad slechts een faciliterende rol toekomt op het terrein van ‘de uniforme rechtstoepassing en de juridische kwaliteit’. De Raad voor de rechtspraak beschikt op dit terrein niet over dwingende (regelgevende) bevoegdheden en evenmin over een formele adviesbevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12 Aldus is er volgens de parlementaire geschiedenis in het kader van de uniforme rechtstoepassing geen plaats voor het vaststellen van ‘beleidsregels’ door de Raad voor de rechtspraak. De activiteiten die de Raad samen met de gerechten op dit terrein ontwikkelt, kunnen wel leiden tot “gezaghebbende publicaties die de gerechten praktische handreikingen bieden bij de toepassing van bepaalde regels”. Het is aan de rechter om per concrete zaak te bepalen of de handreiking relevant is en welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden, zo wordt opgemerkt. Als voorbeeld van de activiteiten die de Raad voor de rechtspraak op het terrein van de uniforme rechtstoepassing zou kunnen ontplooien, noemt de parlementaire geschiedenis onder meer het ondersteunen van de gerechten bij de totstandkoming van uniforme procesreglementen. De vaststelling van deze reglementen (of andere rechtersregelingen) geschiedt vervolgens door (de betreffende sectorvergadering of de gerechtsvergadering van) de gerechten zelf, zo is te lezen in de parlementaire geschiedenis. Over het karakter van deze procesreglementen is in de parlementaire geschiedenis het volgende opgemerkt: “In de eerste plaats dat in het systeem van het wetsvoorstel – in tegenstelling tot hetgeen bijvoorbeeld de commissie Leemhuis adviseerde – inderdaad geen plaats is voor het vaststellen van beleidsregels door de Raad voor de rechtspraak in het kader van de uniforme rechtstoepassing. (…). In de tweede plaats merken wij op dat op het niveau van de gerechten wel van «rechterlijke beleidsregels» gesproken kan worden; de door de gerechten (c.q. gerechtsver-gaderingen) vastgestelde uniforme procedureregelingen kunnen als zodanig worden aangemerkt. Zij betreffen de wijze waarop rechters hun procesrechtelijke bevoegdheden uitoefenen. In dat verband is van belang dat de rechtspraak heeft aanvaard dat degene die over een discretionaire bevoegdheid beschikt, via het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel zichzelf kan binden door aan te geven op welke wijze hij voornemens is deze bevoegdheid te hanteren. Voor bestuursorganen is dit gecodificeerd in de Algemene wet bestuursrecht, maar voor rechters geldt mutatis mutandis hetzelfde. De houding van de regering tegenover deze procedurerelingen is zonder meer positief; zij juicht de totstandkoming daarvan toe.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13 De procesreglementen moeten volgens de parlementaire geschiedenis worden beschouwd als richtlijnen, waaraan de rechter in beginsel is gebonden op grond van het vertrouwensbeginsel, maar waarop in bijzondere omstandigheden uitzonderingen kunnen worden gemaakt en toegelaten. Tegelijkertijd wordt – naar aanleiding van de volgens de memorie van toelichting in het advies van de President van en de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad gestelde vraag of regelgevende bevoegdheden aan andere organen binnen de rechterlijke organisatie moeten worden toegekend – opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van de verhouding tussen de staatsmachten ongewenst wordt geacht “indien op grond van een daartoe in de wet gecreëerde bevoegdheid rechtelijke organen zelf bindende regels gaan vaststellen die zij krachtens hun rechtsprekende taak moeten uitleggen en toepassen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele gerechten?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.14 Nu de conclusie is dat noch de LOV’s noch de Raad voor de rechtspraak bevoegd zijn om rechtersregelingen vast te stellen, is de vraag of individuele gerechten dat wél zijn. Die vraag lijkt bevestigend te moeten worden beantwoord. Zo was het in het Rolrichtlijnenarrest (waarin de Hoge Raad voor het eerst de bindende werking van rechtersregelingen erkende, zie onder 5.8) de rechtbank die de procesregeling had vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.15 In de tijd dat het Rolrichtlijnenarrest werd gewezen (1996) was de organisatie van de rechterlijke macht echter wezenlijk anders geregeld dan nu het geval is. In die tijd bestond bij elk gerecht een collegevergadering (rechtersvergadering), waarin alle bij het desbetreffende gerecht werkzame rechters zitting hadden. De wet kende verschillende bevoegdheden toe aan deze collegevergadering. Daarnaast beschikte de president van een gerecht over enkele bevoegdheden. Voor wat betreft de bedrijfsvoering was formeel de Minister van Justitie bevoegd (per 1 januari 1998 waren deze bevoegdheden gemandateerd aan de directeuren bedrijfsvoering). In de tijd dat het Rolrichtlijnenarrest is gewezen, was een besluit van ‘de rechtbank’ formeel beschouwd dus een besluit van de rechtersvergadering, dus van alle rechters gezamenlijk (tenzij het ging om een besluit van de president van het gerecht). Daarmee lag het in de rede dat onder de Wet RO zoals deze gold tot 1 januari 2002, deze rechtersvergadering bevoegd was om rechters bindende regels op te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.16 Inmiddels is de organisatie van de rechtspraak ingrijpend veranderd. Per 1 januari 2013 is de Wet herziening gerechtelijke kaart (Whgk) in werking getreden. De meest fundamentele wijziging vond echter plaats per 1 januari 2002, met de invoering van de Wet organisatie en bestuur gerechten (Wobg) en de Wet Raad voor de rechtspraak (Wrvr). Met de Wobg werd een nieuwe organisatiestructuur bij de gerechten ingevoerd, waarbij binnen de gerechten onder meer een gerechtsbestuur en een gerechtsvergadering alsmede sectorvergaderingen kwamen te functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtsbesturen?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.17 Art. 23 lid 1 Wet RO bepaalt dat het gerechtsbestuur is belast met de algemene leiding, de organisatie en de bedrijfsvoering van het gerecht, waarbij het eerste lid, onder d, het bestuur in het bijzonder opdraagt te zorgen voor ‘de kwaliteit van de bestuurlijke en organisatorische werkwijze van het gerecht daaronder begrepen de externe gerichtheid’. Art. 23 lid 2 Wet RO voegt daaraan toe dat het bestuur bij de uitvoering van de taken bedoeld in het eerste lid, niet treedt in ‘de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak of in een categorie van zaken’. Art. 23 lid 3 Wet RO bepaalt dat het gerechtsbestuur voorts tot taak heeft binnen het gerecht de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing te bevorderen, en dat het daarover overleg voert met de gerechtsvergadering of met – kort gezegd – een door de gerechtsvergadering aangewezen afvaardiging. Bij de uitvoering van deze taak treedt het bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak, aldus nog steeds art. 23 lid 3 Wet RO.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.18 In de parlementaire geschiedenis is benadrukt dat het gerechtsbestuur in art. 23 lid 3 Wet RO alleen een ‘overlegbevoegdheid’ wordt toegekend; het bestuur heeft ten aanzien van de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing geen dwingende bevoegdheden en geen formele adviesbevoegdheid. In de literatuur wordt aangenomen dat in deze overlegbevoegheid geen grondslag kan worden gevonden voor een bevoegdheid van het bestuur tot het vaststellen van rechtersregelingen. Dit volgt ook met zoveel woorden uit de parlementaire geschiedenis bij art. 23 Wet RO. Een dergelijke grondslag ligt naar mijn mening evenmin besloten in de taak om de uniforme rechtstoepassing te bevorderen. Art. 23 lid 3 Wet RO biedt derhalve geen grondslag voor het vaststellen van rechtersregelingen door het gerechtsbestuur. Hetzelfde geldt voor de in art. 23 lid 1, onder d, Wet RO opgenomen taakstelling (zie onder 8.17), nu een rechtersregeling waarin bepaalde rechterlijke bevoegdheden zijn genormeerd iets anders is dan het regelen van de ‘kwaliteit van de organisatorische werkwijze van een gerecht’, als bedoeld in art. 23 lid 1, onder d, Wet RO.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.19 Het aannemen van een bevoegdheid van een gerechtsbestuur ligt al helemaal niet in de rede nu het niet-rechterlijk lid van het gerechtsbestuur geen rechterlijke ambtenaar is (art. 15 lid 2 Wet RO). Als we er vanuit gaan dat het bij een rechtersregeling om een vorm van zelfbinding door rechters gaat, is het niet aanvaardbaar dat een niet-rechter meebeslist over de inhoud van zo’n regeling. Daaraan kan nog worden toegevoegd, zoals Bovend’Eert terecht constateert, dat het ook in zoverre niet in de rede ligt om het gerechtsbestuur bevoegd te achten tot het vaststellen van rechtersregelingen, dat de functie van gerechtsbestuurder (net als de functie van lid van de Raad voor de rechtspraak) geen rechterlijk ambt is, maar een bestuursambt. Dit ambt is functioneel en rechtspositioneel niet onafhankelijk en staat in een gezagsverhouding tot de Minister van Justitie en Veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtsvergadering?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.20 Als opvolger van de collegevergadering kent art. 22 lid 1 Wet RO de gerechtsvergadering. Deze wordt volgens art. 22 lid 3 Wet RO gevormd door de bij een gerecht werkzame rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, de rechters in opleiding en de rechter-plaatsvervangers ‘met aanwijzing’. Volgens art. 28 Wet RO kan de gerechtsvergadering het gerechtsbestuur gevraagd of ongevraagd adviseren over de uitvoering van de in art. 23 lid 3 Wet RO genoemde taak van het bestuur. De Wet RO geeft geen andere bevoegdheden aan de gerechtsvergadering.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.21 Teuben constateerde in haar proefschrift – dat dateert van vóór de inwerkingtreding van de Whgk, maar van ná de herziening van de Wet RO per 1 januari 2002 – dat art. 23 lid 1 Wet RO (oud) het gerechtsbestuur slechts een overlegbevoegdheid toekent zodat zij niet kan worden beschouwd als bevoegd orgaan voor de vaststelling van rechtsregelingen, en dat art. 28 Wet RO (oud) geen uitsluitsel biedt over de rol van de sectorvergaderingen en de gerechtsvergadering op dit punt. Uit de parlementaire geschiedenis bij de Wobg en de Wrvr leidt Teuben echter af dat de bevoegdheid om te beslissen over de vaststelling van rechtersregelingen primair bij de sectorvergaderingen ligt. In bepaalde gevallen kan echter ook de gerechtsvergadering bevoegd zijn een dergelijke rechtersregeling vast te stellen, namelijk wanneer de regeling ziet op een onderwerp dat voor het gehele gerecht van belang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit sluit volgens Teuben aan bij het uitgangspunt dat rechtersregelingen in beginsel moeten worden vastgesteld door de individuele rechters (binnen een gerecht gezamenlijk) omdat aan hen de rechtsprekende bevoegdheden toekomen waarop de regelingen zien (‘zelfbinding’). Ook elders in de literatuur werd – onder de Wet RO (oud) – algemeen aangenomen dat het de gerechtsvergadering is die bevoegd is om rechtersregelingen vast te stellen. Overigens kan het voorbereiden van een rechtersregeling volgens Teuben wel gebeuren door ‘niet-bevoegde organen’; de regeling zal dan vervolgens door de sectorvergadering of de gerechtsvergadering van een gerecht moeten worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.22 Het verplichte sectormodel (waarin de sectorvoorzitters van rechtswege lid waren van het gerechtsbestuur) is echter per 1 januari 2013 afgeschaft, als onderdeel van de Whgk. Deze afschaffing, die is gesitueerd tegen de achtergrond van de met de Whgk doorgevoerde schaalvergroting van de gerechten, is ingegeven door de wens om de kwaliteit van de gerechtsbesturen te versterken en deze besturen kleiner, sterker, slagvaardiger en meer omgevings-gericht te maken. Dat heeft ertoe geleid dat gerechtsbesturen niet langer bestaan uit een voorzitter, de sectorvoorzitters en een niet-rechterlijk lid, maar uit twee rechterlijke leden (waaronder de voorzitter) en een niet-rechterlijk lid (zie steeds art. 15 Wet RO). In de verdere organisatorische indeling van de gerechten, door de parlementaire geschiedenis beschouwd als een zaak van de rechtspraak zelf, is voorzien door de Raad voor de rechtspraak. Daarbij is het sectormodel vervangen door een indeling in afdelingen en/of teams, ter keuze van de gerechten (binnen de door de Raad daarvoor gestelde kaders).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.23 Met het afschaffen van het verplichte sectormodel is ook de wettelijke verankering van de rol van de sectorvergadering op het gebied van ‘de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing’ in art. 23 en 28 Wet RO (oud) komen te vervallen. De advies- en overlegrol van de gerechtsvergadering op deze gebieden is echter gehandhaafd, anders dan de Raad voor de rechtspraak had geadviseerd. Om de coördinatie van rechtseenheid en kwaliteit binnen de verschillende rechtsgebieden te accentueren, is daarbij in art. 23 lid 3 Wet RO opgenomen dat het overleg van het gerechtsbestuur over het bevorderen van de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing ook kan plaatsvinden met ‘een door de gerechtsvergadering aangewezen afvaardiging van de in art. 22 lid 1 en lid 3 Wet RO genoemde deelnemers aan de gerechtsvergadering op het terrein van burgerlijke zaken, strafzaken of bestuursrechtelijke zaken of een ander rechtsterrein’. De rol van de sectorvergadering is echter niet via een wettelijk bepaling ‘overgedragen’ aan een andere ‘instantie’.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.24 Nu de gerechtsvergadering dus geen andere taken heeft dan die genoemd worden in art. 28 Wet RO – het (gevraagd of ongevraagd) adviseren van het gerechtsbestuur over de taak van het bestuur om binnen het gerecht de juridische kwaliteit en uniforme rechtstoepassing te bevorderen – houdt de huidige Wet RO dus geen expliciete grondslag in op grond waarvan de gerechtsvergadering rechtersregelingen kan vaststellen. Ook in de literatuur is dat de algemene opvatting. Daar staat tegenover dat in de wetsgeschiedenis er wel vanuit is gegaan dat de gerechtsvergadering een rechtersregeling kan vaststellen (zie hiervoor onder 8.12).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.25 Daarmee is de conclusie dat de Wet RO geen grondslag bevat voor het vaststellen van rechtersregelingen door enige persoon of instantie. Dit is in de literatuur al vaak geconstateerd. Bepleit is – tevergeefs, zo blijkt uit het voorgaande – dat het wenselijk zou zijn de onduidelijkheid op dit punt weg te nemen, door wettelijk te verankeren waar de bewuste bevoegdheid ligt. De algemene opvatting in de literatuur is dat slechts rechters zelf bevoegd zijn om rechtersregelingen vast te stellen. Deze opvatting wordt gefundeerd op het uitgangspunt dat het bij deze regelingen gaat om een vorm van zelfbinding door de betrokken rechters. Daarmee is de conclusie in de literatuur dat het de (gezamenlijke rechters in de) gerechtsvergaderingen van de verschillende gerechten zijn die bevoegd zijn om rechtersregelingen op te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.26 De regeling kan zijn voorbereid en opgesteld door een landelijke werkgroep of een landelijk overleg van afgevaardigden van de betrokken gerechten. Dat ligt vanuit een praktisch oogpunt in de rede en is in de praktijk ook wel de manier waarop rechtersregelingen tot stand komen. Dergelijke regelingen zouden op grond van het voorgaande vervolgens door de gerechtsvergaderingen van de verschillende gerechten afzonderlijk moeten worden vastgesteld. Dit laatste lijkt in de praktijk echter niet steeds te gebeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusies 8.27 Hoewel een wettelijke grondslag ontbreekt, moet worden aangenomen dat alleen de gerechten bevoegd zijn om rechtersregelingen vast te stellen, die de rechter kunnen binden omdat zij kwalificeren als recht in de zin van art. 79 Wet RO. De LOV’s kunnen de regelingen voorbereiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.28 Binnen de gerechten zijn het m.i. niet de gerechtsbesturen, maar de gerechtsvergaderingen die een besluit moeten nemen over vaststelling van rechtersregelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Rechtsvergelijking Inleiding 9.1 De NOvA stelt in haar schriftelijke opmerkingen dat de limitering van de lengte van processtukken in civielrechtelijk hoger beroep ook vanuit internationaalrechtelijk perspectief niet valt te verdedigen. Zij heeft bij de Ordes van Advocaten van een aantal andere Europese landen navraag gedaan of in deze landen de omvang van processtukken tijdens civiele appelprocedures is gelimiteerd, en zo ja, of die regels zijn gebaseerd op een wettelijke grondslag of uit rechtersregels (‘court rules’) volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 De resultaten van deze enquête zijn, die als bijlage bij de schriftelijke opmerkingen van de NOvA zijn gevoegd, zijn volgens de NOvA ‘voor zichzelf sprekend’.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Onder meer uit de resultaten van de NOvA- enquête blijkt dat in verschillende landen sprake is van beperkingen in de omvang van processtukken, dan wel van andere regels die beperkend zijn voor de manier van procederen in hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Frankrijk 9.4 In Frankrijk is in 2017 de twee-conclusieregel in hoger beroep wettelijk verplicht, door art. 910-4 van het Franse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Code de procédure civile) als volgt te wijzigen: “A peine d'irrecevabilité, relevée d'office, les parties doivent présenter, dès les conclusions mentionnées aux articles 905-2 et 908 à 910, l'ensemble de leurs prétentions sur le fond. L'irrecevabilité peut également être invoquée par la partie contre laquelle sont formées des prétentions ultérieures”.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5 Dit betekent dat partijen hun grieven voor het ingestelde (incidenteel) appel tijdig en in één keer moeten aanvoeren, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Daarnaast moeten partijen sinds de wetswijziging in 2017 op grond van art. 954 van de Franse Code de procédure civile hun memories in hoger beroep volgens een vast stramien inrichten. Zo moeten partijen een overzicht geven van de feiten en het procesverloop en van de bestreden onderdelen uit de voorgaande uitspraak. Verder moeten partijen hun vorderingen en pleidooien bespreken en een samenvatting van hun vorderingen aanleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6 Verder heb ik begrepen dat een werkgroep van het Franse Departement voor burgerzaken (La direction des affaires civiles et du sceau) zich momenteel buigt over het structuren van processtukken in appel en cassatie. Ook het invoeren van paginalimieten zou hier bij betrokken worden. Over de uitkomst hiervan is echter nog niets bekend gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Italiaanse cassatieprocedure 9.7 Zoals ook naar voren komt uit de NOvA-enquête, heeft de President van de Italiaanse Hoge Raad (Corte di cassazione) in samenspraak met de Italiaanse Orde van Advocaten op 17 december 2015 een protocol opgesteld (zie daarover ook onder 7.22). Op basis van dit protocol en het daarin vermelde template, worden partijen – mede in het belang van de snelheid en duidelijkheid van de procedure – aangemoedigd om niet meer dan 30 pagina’s (exclusief het inleidende en concluderende gedeelte) in hun cassatiestukken te gebruiken. Dit protocol is niet bindend; het gaat om aanbevelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8 Volledigheidshalve merk ik op dat – als ik het goed zie – het in de resultaten van de NOvA-enquête zonder nadere specificatie beschreven wetsvoorstel inmiddels is aangenomen (zie de Wet van 26 november 2021, nr. 206) en dat deze wet geen betrekking heeft op de beknoptheid van handelingen in appel- of cassatieprocedures, maar op de procedure in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duitsland 9.9 Verder volgt uit de resultaten van de NOvA-enquête dat in Duitsland een aantal rechters via partij-instructies heeft geprobeerd om de omvang van schriftelijke stukken te beperken. Hiervoor worden in de resultaten van deze enquête geen bronnen genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.10 Zelf stuitte ik op een arrest van het Hof Frankfurt uit 20 september 2007, waarin dit hof zich heeft uitgelaten over een door een lagere Duitse rechter opgelegde beperking ten aanzien van het aantal pagina’s dat een partij voor haar dagvaarding mocht gebruiken. In deze zaak had de voorzitter van de Kamer voor handelszaken (Kammer für Handelssachen) de partij bevolen om haar dagvaarding van 495 pagina’s binnen vier weken samen te vatten in 20-30 pagina’s. Volgens de rechter kon in redelijkheid niet van het gerecht worden verwacht dat het stuk van 495 pagina’s zou worden gelezen, omdat dit de capaciteit van de rechtbank zou overvragen. Vervolgens diende de partij vanwege een mogelijke vooringenomenheid een klacht in tegen de rechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat de rechtbank Darmstadt de klacht van vermeende vooringenomenheid ongegrond verklaarde, oordeelde het Hof in Frankfurt dat de klacht wel gegrond was. Het overwoog daarbij dat de hoeveelheid werk waarschijnlijk binnen de grenzen zou liggen van wat van een enkele rechter zou kunnen worden verlangd; deze zou volgens het hof ook kunnen samenwerken met een collega. Verder vond het hof dat het ook in gevallen als deze de taak van zowel de rechter, het presidium en de griffie is om ervoor te zorgen dat de zaak ook binnen een redelijke termijn kan worden behandeld. De door de voorzitter van de Kamer voor handelszaken gegeven aanwijzing leidde er volgens het Hof toe dat een objectief en redelijk oordelende partij de indruk zou kunnen krijgen dat deze rechter zou weigeren om haar dagvaarding volledig ter kennis te nemen en te waarderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot overwoog het hof dat § 253 van het Duitse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zivilprozessordnung) de rechter niet de mogelijkheid gaf om het aantal pagina’s van schriftelijke stukken te beperken of om zo’n korte termijn voor het herschrijven van het stuk te bevelen. De uitspraak is door sommige auteurs kritisch besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spaanse appelprocedure 9.11 In Spanje hebben zich ontwikkelingen voorgedaan die het meest lijken op de Nederlandse situatie. Zoals ook volgt uit de resultaten van de door de NOvA afgenomen enquête, geldt in de regio Madrid sinds het besluit van het Regionale Hof van 19 september 2019 een beperking van de omvang van de processtukken bij de gerechtshoven in burgerlijke en handelszaken. De omvang van de memories zijn beperkt tot 25 pagina’s (Times New Roman lettertype 12, voor voetnoten lettertype 10, regelafstand 1,5). Partijen kunnen het gerechtshof om toestemming vragen om een langer processtuk te mogen indienen. Indien deze toestemming niet verkregen wordt, kan de appelrechter besluiten om het processtuk niet-ontvankelijk te verklaren bij een overschrijding van het maximum aantal pagina’s. Daarbij zal worden nagegaan in hoeverre het te grootte document een spoedig verloop van de procedure belet.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.12 Deze regel volgde op een uitspraak van de civiele kamer van de Spaanse Hoge Raad van 27 januari 2017, waarin werd geoordeeld dat de ‘excessieve lengte’ in cassatie een reden kan zijn om een processtuk te weigeren. De Spaanse Hoge Raad (Tribunal Supremo) verwees daarbij naar art. 481.1 van het Spaanse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Ley de Enjuiciamiento Civil), waarin is bepaald dat een beroepschrift in cassatie een daartoe ‘benodigde omvang’ (“necesaria extensión”) moet hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.13 De Spaanse Orde van Advocaten heeft geprobeerd om de door het Regionale Hof van Madrid opgelegde beperking van tafel te krijgen. De Spaanse Hoge Raad heeft op 1 juni 2021 echter bepaald dat de beperking in stand kan blijven. In deze uitspraak heeft de Spaanse Hoge Raad volstaan met de overweging dat een overschrijding van het aantal pagina’s kan leiden tot een niet-ontvankelijkheidsverklaring wanneer het de rechtsgang hindert. In dat opzicht verschilt zijn arrest uit 2021 niet met het arrest van 21 januari 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ierland 9.14 Als ik het goed zie, geldt er in Ierland een maximum van 10.000 woorden die partijen in hun stukken mogen gebruiken tijdens civiele procedures. Deze beperking komt zowel terug in de Practice Directions van de – naar ik begrijp – rechtbank (High Court), als die van het gerechtshof (Court of Appeal) en het Hooggerechtshof (Supreme Court). Ook gelden er op basis van de Practice Directions regels over hoe partijen hun stukken moeten vormgeven. Zo moeten zij een template hanteren en zich houden aan bepalingen over het gebruik van lettertype Times New Roman, tekengrootte 12, regelafstand 1,5 en specifieke marges voor de uitlijning van hun schriftelijk stuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.15 Zoals ik het begrijp, kan een partij tijdens een procedure die is aangebracht bij het Ierse Hooggerechtshof met toestemming van de “case management judge” meer dan 10.000 woorden gebruiken. Het lijkt erop dat deze toestemming niet vaak wordt gegeven. Verder heb ik onder de Practice Directions van de rechtbank en het hof geen bepalingen kunnen vinden over de mogelijkheid van een partij om ontheffing te vragen van het maximum gestelde aantal woorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.16 In appelprocedures lijkt daarnaast in sommige gevallen een limiet van 5.000 woorden te gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.17 Dat de Chief Justice van het Hooggerechtshof en de presidenten van de andere gerechten bevoegd zijn om zulke paginalimieten in te stellen, lijkt te volgen uit §11(12) van de Wet Diverse bepalingen van het burgerlijk recht en het strafrecht uit 2020 (Civil Law and Criminal Law (Miscellaneous Provisions) Act 2020): “In the interests of the administration of justice and the determination of relevant proceedings in a manner which is just, expeditious and likely to minimise the cost of those proceedings, the Chief Justice in the case of the Supreme Court, and the President of a Court in the case of any other Court, may issue practice directions in relation to the conduct of relevant proceedings before it.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.18 Zie in dat kader ook de tekst die aan het begin van Practice Direction HC 97 – van de High Court – staat vermeld: “I, Mary Irvine, President of the High Court, hereby issue the following Practice Direction in accordance with section 11(12) of the Civil Law and Criminal Law (Miscellaneous Provisions) Act 2020.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Amerikaans federaal procesrecht 9.19 Volledigheidshalve merk ik op dat volgens Bosselaar &amp; Kemp tijdens Amerikaanse federale procedures vaak ook eisen worden gesteld aan het aantal pagina’s van de processtukken en de manier waarop deze door partijen vormgegeven moeten worden. Zij beschrijven dat dit zowel geldt ten aanzien van de procedures die plaatsvinden bij de rechtbanken (district courts), als tijdens de appelprocedures bij de gerechtshoven (circuit courts) en de procedures die gevoerd worden bij het Hooggerechtshof (Supreme Court).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.20 Ten slotte noem ik ook de paginalimieten die gelden bij een aantal hoogste bestuursrechters in Europese landen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Griekse bestuursrechter 9.21 Bij de Griekse Raad van State geldt volgens Tjepkema &amp; Van Heusen dat de rechter partijen kan vragen om hun belangrijkste bezwaren uiteen te zetten in een samenvatting. Uit de antwoorden die de Griekse vertegenwoordiging heeft gegeven in reactie op een enquête die is afgenomen onder de hoogste nationale bestuursrechters in Europa, leid ik echter af dat het hier gaat om een verplichting tot het verstrekken van zo’n samenvatting (die niet meer dan 200 woorden mag bevatten). Zoals ook volgt uit de resultaten van de door de NOvA afgenomen enquête, geldt bovendien dat de processtukken in een procedure bij de Griekse Raad van State niet meer dan 30 pagina’s mogen bedragen. Deze paginalimiet is door art. 24 van de wet L. 4786/2021 toegevoegd aan de zesde paragraaf van art. 17 van het Presidentiële Decreet 18/1989. Uit deze zesde paragraaf volgt ook dat aktes beperkt zijn tot maximaal 20 pagina’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.22 Als ik het goed zie, zal de griffie – in samenspraak met de rechter – op grond van voormelde paragraaf de partijen verzoeken om bij een overschrijding van het maximum aantal pagina’s binnen een maand een nieuw stuk in te dienen, dat wel aan de gestelde limiet voldoet. Als een partij aan dit verzoek geen gehoor geeft, kan de rechter op grond van art. 17(6) van het Presidentiële Decreet 18/1989 besluiten dat een boete wordt opgelegd die maximaal drie keer de kosten voor het opstarten van de procedure mag bedragen. De bedragen die op die manier worden geïncasseerd, worden volgens voormeld art. 17(3) in een fonds gestopt waaruit de gerechtsgebouwen worden gefinancierd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Italiaanse bestuursrechter 9.23 Ook tijdens de procedures die worden gevoerd bij de Italiaanse Raad van State (Consiglio di Stato) geldt een paginalimiet. Zoals ook volgt uit de resultaten van de enquête die de NOvA heeft afgenomen, bepaalt art. 3(2) van het Italiaanse Wetboek van Bestuurlijk Procesrecht (Codice del processo amministrativo) sinds 30 oktober 2016 dat de rechter en de partijen hun stukken op een duidelijke en beknopte manier moeten samenstellen, in lijn met daarvoor gestelde regelingen. Deze regelingen zijn, zoals ook deels wordt beschreven in de resultaten van de NOvA-enquête, opgesteld door de President van de Italiaanse Raad van State op 22 december 2016, bij decreet nr. 167/2016. In art. 3 van dit Decreet staat dat er sprake is van een verschillend maximum aantal pagina’s, afhankelijk van het type processtuk. Het inleidend processtuk in een niet-contentieuze procedure dient daarbij te worden beperkt tot 30.000 tekens (15 pagina’s); volgens Tjepkema &amp; Van Heusen gaat het daarbij bijvoorbeeld om Kieswetzaken. In contentieuze procedures mogen 70.000 tekens (35 pagina’s) worden gebruikt. Op basis van art. 5 van het Decreet kan het aantal pagina’s worden verruimd tot 25 of 50 pagina’s in zaken die een groot belang vertegenwoordigen. En ten slotte geldt bij verzoeken tot – en reacties op – het gelasten van conservatoire maatregelen volgens art. 3(2) en (3) een paginalimiet van 5 of 10 pagina’s, afhankelijk van de gevraagde maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ierse bestuursrechter 9.24 Bij de Ierse hoogste bestuursrechter geldt een limiet van 10.000 woorden ten aanzien van de schriftelijke stukken die partijen indienen. Deze limiet volgt uit paragraaf 20(c)(v) van de aanwijzing ‘SC16-Conduct of Proceedings Before the Supreme Court’. Hieruit volgt ook dat een schriftelijk stuk van een partij op een A4-formaat (dubbelzijdig) moet worden ingediend, dat daarbij lettertype Times New Roman (tekengrootte 12) en regelafstand 1,5 moet worden gebruikt en dat zekere marges ten opzichte van de paginazijden moeten worden gerespecteerd. Volgens paragraaf 20(c)(v) van deze aanwijzing moet een partij het gebruikte aantal woorden op het document schrijven. Verder leid ik uit de antwoorden die de Ierse vertegenwoordiging heeft gegeven in reactie op een enquête die is afgenomen onder de hoogste nationale bestuursrechters in Europa af dat er – met toestemming van de ‘case management judge’ – eventueel meer woorden zouden mogen gebruikt, maar dat een ontheffing hiervoor gewoonlijk niet wordt gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spaanse bestuursrechter 9.25 Zoals ook volgt uit de resultaten van de door de NOvA gehouden enquête, zou bij de Spaanse hoogste bestuursrechter het gebruik van paginalimieten meer geaccepteerd zijn. Daar zou – zoals ook wordt opgemerkt door Tjepkema &amp; Van Heusen – een limiet van 50.000 tekens gelden (ongeveer 25 pagina’s) voor het beroepschrift en een limiet van 30.000 tekens voor overige stukken. Deze paginalimiet – die geldt tijdens de procedures bij de plaatsvinden bij de Derde Kamer van de Spaanse Hoge Raad – is gebaseerd op art. 87 bis, derde lid, van de Wet voor Jurisdictie in contentieuze bestuursrechtelijke zaken (Ley de la Jurisicción Contencioso-Administrativa), waarin is bepaald dat de bestuurskamer van de Spaanse Hoge Raad dergelijke paginalimieten kan stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.26 Ook bij verschillende supranationale gerechten in Europa is sprake van een beperking van de omvang van de processtukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof van Justitie Europese Unie 9.27 Zo geldt bij het Hof van Justitie van de Europese Unie op basis van diens Praktische aanwijzingen voor de partijen inzake bij het Hof aangebrachte zaken een beperking tot 20 bladzijden in prejudiciële zaken en 30 pagina’s in reguliere zaken. Verder geldt in hoger beroep een maximum van 25 pagina’s en 3 pagina’s voor re- en dupliek.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.28 Deze praktische aanwijzingen zijn gebaseerd op art. 58 van het procesreglement van het Hof van Justitie, waaruit volgt dat onverminderd de in het Reglement opgenomen bepalingen het Hof “bij besluit de maximumlengte van de bij hem ingediende memories of opmerkingen [kan] vaststellen”. Ook vermeldt art. 175 lid 2 van het procesreglement dat de president van het Hof van Justitie in hogere voorzieningsprocedures het aantal pagina’s van de memories van re- en dupliek kan beperken. Hetzelfde volgt uit art. 190 lid 2 van dit procesreglement, in het geval van een incidentele hogere voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.29 Dit procesreglement is op haar beurt gegrond op art. 253 lid 6 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, waarin is bepaald dat het Hof van Justitie – met goedkeuring van de Raad – zijn procesreglement vaststelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Benelux Gerechtshof 9.30 Bij het Benelux Gerechtshof geldt op grond van art. 5.18 lid 3 van het Reglement op de procesvoering van het Benelux-Gerechtshof dat de president van dit hof het aantal pagina’s van een memorie van re- en dupliek na incidentele voorziening kan beperken. Deze beperking is gegrond op art. 11 lid 2 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, dat bepaalt dat het hof zijn reglement op de procesvoering vaststelt en ter goedkeuring voorlegt aan het Comité van Ministers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Europees Hof voor de Rechten van de Mens 9.31 Ook het EHRM kent een limitering van het aantal pagina’s. Uit Rule 47(1) van het procesreglement (‘Rules of Court’ d.d. 1 augustus 2021) volgt namelijk dat de klager gebruik moet maken van een voorgeschreven format dat op de website van het EHRM is geplaatst, tenzij het EHRM anders beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.32 Dit format maakt het voor de klager mogelijk om op drie pagina’s de feiten te beschrijven en om twee pagina’s te gebruiken om de beweerde schending van het EVRM uiteen te zetten. Ook kan de klager ongeveer één en een derde pagina gebruiken om diens naleving van de ontvankelijkheidsvoorwaarden te beschrijven. Uit de Toelichting op het invullen van het verzoekschriftformulier begrijp ik dat het hierbij gaat om een “gelimiteerde ruimte” en dat de klacht niet wordt behandeld indien deze ruimte wordt overschreden: “Indien niet wordt voldaan aan het vereiste dat de relevante informatie ingevuld dient te worden in de in het verzoekschrift beschikbare gelimiteerde ruimte, zal dit ertoe leiden dat de zaak niet door het Hof wordt onderzocht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.33 Een klager mag echter op grond van Rule 47 lid 2, sub b, in een bijlage wel aanvullende informatie aan zijn klacht toevoegen, op voorwaarde dat deze bijlage niet meer dan 20 pagina’s behelst. Uit de voormelde Toelichting begrijp ik dat de klager hiermee een aanvulling kan geven op de beknopte weergave van de feiten, haar klachten en de naleving van de ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals beschreven in het format. De Toelichting merkt daarbij het volgende op: “De bijlage mag ook geen nieuwe klachten bevatten; hij dient enkel gebruikt te worden voor de nadere uitwerking van de klachten die reeds op het verzoekschriftformulier werden vermeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.34 Ook is in de toelichting vermeld dat de klager in het geval van getypte tekst, tekengrootte 12 moet gebruiken en dat voetnoten moeten worden vermeld in tekengrootte 10. Verder mogen bijlagen volgens de toelichting geen marge van minder dan 3,5 cm breed bevatten en moet gebruik worden gemaakt van opeenvolgende paginanummers en genummerde paragrafen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.35 Verder volgt uit de Practice Directions (meer specifiek: uit de afdeling “Written pleadings”, onder 12) die in de Rules of Court van het EHRM staan vermeld, dat een partij een korte samenvatting van haar pleidooi moet toevoegen indien haar schriftelijke pleidooi het aantal van 30 pagina’s overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusies 9.36 Mijn conclusie uit deze rechtsvergelijkende paragraaf is dat in veel meer landen wordt geworsteld met lange processtukken. In verschillende landen is sprake van een limiet aan het aantal pagina’s dat een processtuk mag beslaan. Daarbij gaat het met name om procedures bij de Europese gerechten, enkele hoogste bestuursrechtelijke colleges en in een enkel geval om appel- of cassatiecolleges.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.37 Verder blijkt uit het overzicht dat in enkele gevallen hiervoor een specifieke wettelijke grondslag is gecreëerd – waarbij met name Ierland is te noemen –, maar dat soms de regels ook een buitenwettelijke basis hebben. De regels bij de Europese gerechten nemen op dit punt een bijzondere positie in, omdat de gerechten bij verdrag in het leven zijn geroepen en in de desbetreffende verdragsregels is opgenomen dat de gerechten zelf hun procesregels mogen vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Bespreking van de prejudiciële vragen Eerste vraag 10.1 De eerste prejudiciële vraag luidt als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Heeft de rechter op grond van artikel 19 lid 2 Rv en/of enige andere wettelijke bepaling en/of de eisen van een goede procesorde en/of enige andere grondslag de bevoegdheid om in hoger beroep (a) te beslissen dat een processtuk aan een maximum lengte is gebonden, bijvoorbeeld een maximaal aantal pagina’s of woorden, en (b) een processtuk te weigeren wanneer dit de vooraf bepaalde maximale lengte overschrijdt en/of andere consequenties te verbinden aan een dergelijke overschrijding, zoals het buit ten beschouwing laten van een deel van een processtuk?</div>\n<p class=\"lf-p\">10.2 In de eerste vraag is geen verbinding gelegd met de voorgestelde maximeringsbepalingen in de landelijk procesreglementen van de hoven. Duidelijk is echter dat dat de crux is van het geschil tussen partijen. Of de rechter – los van wat daarover een procesreglement is bepaald – de bevoegdheid heeft om ‘te beslissen dat een processtuk aan een maximum lengte is gebonden’ of ‘een processtuk te weigeren wanneer dit de vooraf bepaalde maximale lengte overschrijdt’, is niet een vraag die in deze procedure aan de orde is. Die vraag zou ik daarom buiten beschouwing willen laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 Waar het wel om gaat is of in de landelijke procesreglementen van de hoven mag worden bepaald dat de omvang van de processtukken in hoger beroep is gemaximeerd. Dit is ook aan de orde gesteld in de tweede vraag. Ik herformuleer de eerste vraag daarom als volgt (als vraag 1*):</p>\n<p class=\"lf-p\">1*. Mag in de landelijke procesreglementen van de hoven worden bepaald dat de omvang van de processtukken in hoger beroep niet groter is dan een bepaald aantal pagina’s? a. Is daarvoor een wettelijke grondslag vereist? b. Zo ja, welke wettelijke grondslag kan daarvoor worden aangewezen?</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 Deze vraag moet m.i. als volgt worden beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5 In de landelijke procesreglementen van de hoven mag worden bepaald dat de omvang van de processtukken in hoger beroep niet groter mag zijn dan een bepaald aantal pagina’s. Dergelijke regels strekken in overwegende mate ter bevordering van een behoorlijke rechtspleging en grijpen niet wezenlijk in in de rechten van partijen, omdat in alle gevallen de mogelijkheid bestaat om, met toestemming, toch een langer processtuk in te dienen en/of een aanvullende akte te nemen (zie onder 5.54-5.55). Dit brengt met mee dat geen wettelijke grondslag is vereist voor deze regels. De bevoegdheid om dergelijke regels te stellen kan worden gebaseerd op de beleidsruimte die de rechter kan ontlenen aan de eisen van een behoorlijke rechtspleging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede vraag 10.6 De tweede prejudiciële vraag luidt als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is, zijn de gerechtshoven dan bevoegd om in een landelijk procesreglement algemene regels op te nemen waarin op voorhand wordt bepaald dat processtukken in beginsel (met de mogelijkheid van uitzonderingen) aan een maximum lengte zijn gebonden, bijvoorbeeld een maximaal aantal pagina’s of woorden?</div>\n<p class=\"lf-p\">10.7 Met het oog op de herformulering van vraag 1 zal ik ook deze vraag herformuleren (als vraag 2*):</p>\n<p class=\"lf-p\">2*. Mag in de landelijke procesreglementen van de hoven worden bepaald dat bij overschrijding van het maximale aantal pagina’s het processtuk wordt geweigerd en/of mogen daaraan andere consequenties worden verbonden, zoals het buiten beschouwing laten van een deel van een processtuk?a. Is daarvoor een wettelijke grondslag vereist? b. Zo ja, welke wettelijke grondslag kan daarvoor worden aangewezen?</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8 Als ervan wordt uitgegaan dat de regels in de procesreglementen zo moet worden begrepen, dat bij overschrijding van het maximum aantal pagina’s het processtuk wordt geweigerd (vgl. onder 5.56), dan geldt dat voor een dergelijke sanctie een wettelijke grondslag is vereist. Weigering van de memorie van grieven (c.q. het verzoekschrift) leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Daarmee grijpt het weigeren van een processtuk wezenlijk in in de rechten van een partij. In zoverre kunnen de regels uit de procesreglementen niet worden gekwalificeerd als regels die in overwegende mate strekken ter bevordering van een behoorlijke rechtspleging. Hoewel weigering van de memorie van antwoord (c.q. het verweerschrift) niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, kan vanuit een oogpunt van gelijkheid der wapenen dit processtuk ook niet worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9 In Rv is geen bepaling aan te wijzen waarop kan worden gebaseerd dat de rechter een processtuk kan weigeren dat het maximum aantal pagina’s overschrijdt. Art. 19 lid 2 Rv kan niet als grondslag gelden (zie onder 5.60-5.75). Ook kan de weigering niet worden gebaseerd op de eisen van een goede procesorde (zie onder 5.76-5.78).</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde vraag 10.10 De derde prejudiciële vraag luidt als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend is, worden het recht op hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter dan voldoende gewaarborgd wanneer dit procesreglement (a) een partij het recht geeft om voordat het processtuk ingediend moet worden, gemotiveerd te verzoeken een processtuk in te mogen dienen dat de in het procesreglement bepaalde maximale lengte overschrijdt en haar wederpartij vervolgens de mogelijkheid geeft op dit verzoek te reageren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>een partij het recht geeft om, indien de toegestane maximum omvang van het processtuk ontoereikend blijkt te zijn, gemotiveerd te verzoeken een aanvullend processtuk te mogen nemen ter nadere toelichting van een in het eerdere processtuk reeds opgenomen grief, eiswijziging of verweer en haar wederpartij vervolgens de mogelijkheid geeft op dit ver- zoek te reageren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>een partij het recht geeft om binnen twee weken nadat een processtuk vanwege een overschrijding van de maximaal toegestane omvang geweigerd is, dit processtuk in te korten en opnieuw in te dienen?</div>\n<p class=\"lf-p\">10.11 Nu vraag 2 niet bevestigend wordt beantwoord, wordt strikt genomen niet toegekomen aan de beantwoording van deze vraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12 Beantwoording van deze vraag is ook niet mogelijk omdat niet in zijn algemeenheid kan worden beoordeeld of het recht op hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter al dan niet voldoende gewaarborgd is in het procesreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13 Ik herformuleer de vraag op een manier waardoor deze wel kan worden beantwoord (en die wellicht ook de strekking van de vraag is) (vraag 3*):</p>\n<p class=\"lf-p\">3*. Kan een partij zich met succes beroepen op schending van het recht op hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter, in het geval zij geen toestemming heeft verkregen om een langer processtuk in te dienen en/of geen toestemming heeft gekregen om een aanvullend processtuk in te dienen?</p>\n<p class=\"lf-p\">10.14 Het antwoord op deze vraag luidt m.i. als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.15 Er kan sprake zijn van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor als zich zou voordoen dat het verzoek om een langer processtuk te mogen indienen en/of een aanvullende akte te mogen nemen, ten onrechte is geweigerd en een partij daardoor onredelijk is beknot in haar mogelijkheden om de zaak op de door haar gewenste wijze voor de rechter uiteen te zetten. In dat geval kan over de desbetreffende beslissing van de rolraadsheer in cassatie worden geklaagd dat sprake is van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.16 Van strijd met het recht op toegang tot de rechter is in beginsel geen sprake. Uit de rechtspraak van het EVRM volgt dat het een lidstaat in het algemeen vrij staat om beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot de rechter, mits voldaan is aan de voorwaarden dat (i) het recht op toegang tot de rechter niet in de kern wordt aangetast; (ii) de beperking een legitiem doel dient; en (iii) er sprake is van proportionaliteit tussen het doel dat met de beperking wordt beoogd en de beperking. Aan deze voorwaarden is voldaan, nu het recht op toegang niet in de kern wordt aangetast, het ontlasten van de rechterlijke macht, het bevorderen van een efficiënte en effectieve rechtsgang door het EHRM als legitieme doelen worden beschouwd en de regels niet disproportioneel zijn. Er kan immers altijd toestemming worden verzocht om een langer processtuk in te mogen dienen of een aanvullende akte te mogen nemen. Dat de beperking niet disproportioneel is, geldt temeer nu de lidstaten hier een ruime margin of appreciation hebben en het bovendien gaat om hoger beroep. De rechtspraak van het EVRM vereist geen wettelijke grondslag voor beperkingen, maar wel is steeds vereist dat de precieze inhoud van de beperkingen vooraf voldoende kenbaar is (zie onder 7.25-7.26).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde vraag 10.17 De vierde prejudiciële vraag luidt als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend is, aan welke vereisten moet een bepaling in het procesreglement waarin de omvang van de processtukken in hoger beroep wordt gemaximeerd, dan ten minste voldoen met het oog op het recht op hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter?</div>\n<p class=\"lf-p\">10.18 Deze vraag hoeft geen beantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde vraag 10.19 De vijfde prejudiciële vraag luidt als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Indien in een procesreglement de omvang van processtukken in hoger beroep kan worden gemaximeerd, hoe kan daarbij dan het volgende mogelijke probleem worden opgelost: volgens het procesreglement wordt de beslissing genomen door een (rol)raadsheer. De beslissing heeft mogelijk ingrijpende gevolgen voor de partij die het betreft. Wordt met de regeling in het procesreglement en de bestaande mogelijkheden van toetsing in cassatie de rechtsbescherming voldoende gewaarborgd? Zo nee, hoe kan dan worden voorzien in toereikende rechtsbescherming?</div>\n<p class=\"lf-p\">10.20 Het antwoord op deze vraag luidt m.i. als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.21 Hoewel het de rolraadsheer is die in eerste instantie beslist op een verzoek om een langer processtuk in te mogen dienen, en/of op een verzoek om een aanvullende akte te mogen nemen, kan de meervoudige kamer die inhoudelijk de zaak beoordeelt, altijd een andere beslissing nemen dan de rolraadsheer. De meervoudige kamer kan beslissen dat alsnog een langer processtuk mag worden ingediend. Ook kan de meervoudige kamer beslissen dat een aanvullende akte mag worden genomen. Deze bevoegdheid volgt uit art. 19 lid 2 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.22 Indien een partij ‘aan het einde van de rit’ van mening is dat zij tekort is gedaan in haar recht om haar standpunt uiteen te zetten ten overstaan van de rechter – en daarmee sprake is van strijd met het recht op hoor en wederhoor, in het bijzonder het recht op een rechterlijk gehoor – kan daarover in cassatie worden geklaagd (zie onder 6.13). Daarmee is sprake van een toereikende rechtsbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">11Conclusie De conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen als hiervoor onder 10 vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De paginalimiet is niet in alle gevallen 25 pagina’s; voor verzoekschriften in handelszaken is de limiet pagina’s en in octrooizaken 60 dan wel 36 pagina’s. Voor de leesbaarheid van deze conclusie spreek ik steeds over 25 pagina’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. rechter rechtbank Den Haag 11 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5927.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gepubliceerd in Stcrt. 31 maart 2021, nr. 14863 respectievelijk Stcrt. 31 maart 2021, nr. 14861. De procesreglementen zijn ook te raadplegen op www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/Reglementen-procedures-en-formulieren/Paginas/Procesreglement.aspx.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven is dat de twaalfde versie; voor het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven is dat de dertiende versie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwsbericht is te raadplegen op www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Per-1-april-limiet-aan-lengte-processtukken-bij-de-civiele-afdelingen-gerechtshoven.aspx.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijlages zijn later toegevoegd, als tegemoetkoming aan de bezwaren van de advocatuur. Zie N.E. Groeneveld-Tijssens &amp; S.A.L. van de Sande, ‘Limieten voor processtukken in hoger beroep: wat valt er nog aan toe te voegen?’, TvPP 2021-3, p. 81-82.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze adviezen van 8 februari 2021 zijn te vinden als prod. 1 bij de dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het kortgedingvonnis van 11 juni 2021, rov. 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanhangsel Handelingen II 2020-2021, nr. 2778. Zie voor de vragen ook Aanhangsel Handelingen II 2020-2021, nr. 2539.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar Advocatie: 1 april 2021 Advocaten starten kort geding om limiet aan lengte processtukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.o. Advocaten onder 8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer R.J.B. Boonekamp, ‘De uitdijing van civiele processtukken en het luisterend oor van de rechter’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020/4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de omvang van de stukken in cassatie ook J.B.M. Vranken, ‘De omvang van cassatiestukken in civiele zaken’, NJB 2018/997.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze pilot F.J. de Vries, ‘Verkorting van processtukken’, NTBR 2019/29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer G. van Daal e.a., ‘Luie rechters draaien het recht door de gehaktmolen’, NJB 2012/2363; J.H.M. van Swaaij, ‘Maak gehakt van beperkingen aan omvang van processtukken’, NJB 2013/6.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.J. de Vries, ‘Verkorting van processtukken’, NTBR 2019/29.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp, ‘De uitdijing van civiele processtukken en het luisterend oor van de rechter’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020/4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord onder punt 2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp, ‘De uitdijing van civiele processtukken en het luisterend oor van de rechter’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020/4.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.B.M. Vranken, ‘De omvang van cassatiestukken in civiele zaken’, NJB 2018/997.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.B.M. Vranken, ‘De omvang van cassatiestukken in civiele zaken’, NJB 2018/997, par. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.C. van Schaick, ‘De omvang van een memorie’, Ars Aequi 2021/9, p. 804-807.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.o. Advocaten onder 6.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook s.o. Advocaten onder 7.3-7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer A.C. van Schaick, ‘De omvang van een memorie’, Ars Aequi 2021/9, p. 804-807. Zie ook s.o. NOvA onder 2.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.o. NOvA onder 2.4.4. Zie voor een rechterlijke instructie aan het begin van de procedure ook s.o. Advocaten onder 6.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.o. NOvA onder 2.4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder meer T. Barkhuysen, ‘Intelligent omgaan met lange processtukken’, NJB 2021/1. Zie ook s.o. Advocaten onder 6.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals verschillende auteurs dat doen, onder meer T. Barkhuysen, ‘Intelligent omgaan met lange processtukken’, NJB 2021/1; J.C. Heuving, ‘Civiele rechtspleging is een gezamenlijke verantwoordelijkheid, ook als het de lengte van processtukken betreft’, Tijdschrift voor de Procespraktijk 2021/3, p. 79-81.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp, ‘De uitdijing van civiele processtukken en het luisterend oor van de rechter’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020/4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem R.J.B. Boonekamp, ‘De uitdijing van civiele processtukken en het luisterend oor van de rechter’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020/4.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.J. de Vries, ‘Verkorting van processtukken’, NTBR 2019/29.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.B.M. Vranken, ‘De omvang van cassatiestukken in civiele zaken’, NJB 2018/997, par. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.C. van Schaick, ‘De omvang van een memorie’, Ars Aequi 2021/9, p. 804-807.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 81 lid 1 Wet RO luidt als volgt: Indien de Hoge Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem R.J.B. Boonekamp, ‘De uitdijing van civiele processtukken en het luisterend oor van de rechter’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020/4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meest recente plannen voor verkorting van de doorlooptijden zijn te vinden in het rapport Doorlooptijden in beweging! Eindrapport project doorlooptijden Rechtspraak, Raad voor de rechtspraak, uit oktober 2019. Zie over het ontbreken van een empirische basis voor deze plannen onder meer R.H. de Bock, ‘Over tijdigheid, kwaliteit en sturing’, in: Tijdige rechtspraak. Rechtstreeks 2021/2, p. 39-46. Zie over het rapport ook F. van Dijk, K. van der Kraats en R. Verkerk, ‘Doorlooptijden: staat de trein stil of komt die (nu eindelijk) in beweging? Een bespreking van het eindrapport ‘Doorlooptijden in beweging’, TCR 2021/3. Zie verder ook M.J.A.M. Ashmann, ‘Een kijkje in de rechtspraakkeuken: welk gerecht verdient prioriteit?’, Ars Aequi 2021/0334, p. 336. Zie bijvoorbeeld specifiek over de lange doorlooptijden in letselschadezaken E.A. de Vries, ‘Stroperige letselschadeprocedures: effectieve remedies tegen rechterlijke termijnoverschrijding?’, TVvP 2021/1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">R. Verkerk, F. van Dijk &amp; D. Pistoria, ‘De berechting binnen een redelijke termijn. Een empirisch onderzoek naar doorlooptijden in handelszaken’, TCR 2020/4, par. 5.4, voetnoot 93.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agenda voor de appelrechtspraak 2020, opgenomen in A. Hol en J. Verburg (red.), Innoverende hoven. Agenda voor de appelrechtspraak 2020. Den Haag 2014, p. 341-374, p. 349.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover onder meer R.H. de Bock &amp; G.C.C. Lewin, ‘De civiele afdelingen van de hoven moeten blijven innoveren’, in: Innoverende hoven gewogen. Over de achtergronden en effecten van vernieuwingen in de appelrechtspraak. Rechtstreeks 2020/1. Verkerk, Van Dijk en Pistoria komen voor zaken met een belang tussen de € 1 en € 5 miljoen op een gemiddelde van 774 dagen. R. Verkerk, F. van Dijk &amp; D. Pistoria, ‘De berechting binnen een redelijke termijn. Een empirisch onderzoek naar doorlooptijden in handelszaken’, in: TCR 2020/4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meest recent gepubliceerde ‘Kengetallen Gerechten’ zijn de Kengetallen 2019. Daar valt te lezen dat de gemiddelde duur van rechtszaken bij de hoven (dus niet alleen handelszaken) in de voorafgaande vijf jaar met 8% is toegenomen. Tabel 4 van bijlage 3 bij de Kengetallen 2019 bevat een overzicht van de doorlooptijden in handelszaken bij de hoven. Hieruit blijkt dat (bij een norm van 70%) in 2015 48% van de zaken binnen 1 jaar werd afgedaan en in 2019 40%. In 2015 werd 81% van de zaken binnen 2 jaar afgedaan (norm 90%) en in 2019 79%. Voor handelsverzoekzaken in hoger beroep werd in 2015 45% van de zaken binnen zes maanden afgedaan (bij een norm van 90%) en in 2019 40%. Deze cijfers bevestigen het beeld dat de doorlooptijden van handelszaken in hoger beroep de afgelopen jaren zijn toegenomen. Met name is sprake van een gestage daling van het percentage handelsvorderingzaken dat binnen één jaar wordt afgedaan. Ook is een dalende trend zichtbaar in het percentage handelsverzoekzaken. De cijfers zijn te raadplegen via www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Jaardocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als alle handelszaken van de gerechtshoven worden bekeken (er is geen uitsplitsing gemaakt tussen vorderingszaken en verzoekzaken), dan is de instroom afgenomen van 9000 zaken in 2016, naar 8.230 in 2017, naar 7.670 in 2018, naar 7.040 in 2019 en naar 6.330 zaken in 2020. Zie het Jaarverslag 2020 van de rechtspraak, p. 40, tabel 1, te raadplegen via www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Jaardocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.H. de Bock, ‘Grip op kwaliteit. Een model voor inhoudelijke kwaliteit van rechterlijke beslissingen’, in: Kwaliteit als keuze. Kwaliteit(sbeoordeling) van rechtspraak, wetgeving en rechtswetenschappelijk onderzoek (Preadvies Nederlandse Juristenvereniging), Deventer 2015, p. 27-139, onder 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 30q van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Kamerstukken 34 059), Stb. 2016/288.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.o. NOvA onder 2.4.2; s.o. Advocaten onder 6.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht /Van Schaick 2 2016/94; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/100.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), par. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Van Schaick is dit ‘een gebruikelijke praktijk’, zie Asser Procesrecht /Van Schaick 2 2016/95. Van der Kraats schrijft in haar proefschrift dat in de door haar onderzochte zaken driekwart van de zaken op stelplicht zijn afgedaan, zie K.F.G. van der Kraats, De (eigen)aardigheid van de kantonrechter (diss. UU), Den Haag 2017, par. 4.3.3. Zie ook K.G.F. van der Kraats, ‘De stelplicht: geen kraaienpoot maar een “sinkhole”’, Ars Aequi 2018/3, p. 262-266.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.P. de Haan, ‘Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. Een kritische blik op het afdoen op stelplicht’, in: Ars Aequi 2021/5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Asser Procesrecht/Asser 3 2017/219; M.J.A.M. Ahsmann, ‘Bewijs: verschuiving van ‘bewijzen’ naar ‘stellen’?’, in: Bewijsrecht (bijdragen jaarvergadering Nederlandse Vereniging voor Procesrecht 2009), 2010, p. 13-27 en p. 188-190; R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure (diss. Tilburg), 2011, p, 99 e.v.; J.L.R.A. Huydecoper, ‘We hebben er wat mee te stellen’. In: Trema 2002, p. 209-214. Vgl. ook G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken, 2015, nr. 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.D.H. Asser, ‘Stelplicht, een kraaienpoot op de weg van de waarheidsvinding’, TCR 2012/4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.P. de Haan, ‘Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. Een kritische blik op het afdoen op stelplicht’, Ars Aequi 2021/5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), par. 3.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover Asser Procesrecht/Asser 3 2017/35.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid. Over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Deventer 2011, p. 20-22.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), par. 11.7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht /Van Schaick 2 2016/94. Vgl. ook G.C.C. Lewin, die het heeft over een verfeitelijkingsplicht en de motiveringsplicht, in zijn noot onder HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, JBPR 2015/68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook T. Hidma, ‘Over de kraaienpootjes van Vrouwe Justitia: Open vizier tijdens de mondelinge behandeling’, in: R. de Bock, R. Klomp &amp; E. Schaafsma-Beversluis (red.), Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020, p. 147-154.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 3; J.P. de Haan, ‘Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. Een kritische blik op het afdoen op stelplicht’, in: Ars Aequi 2021/5 (AA20210450).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover de conclusie van A-G Huydecoper bij HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9729, onder 8 en mijn conclusie voor HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:305, onder 3.10 en 3.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Asser 3 2017/5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000/430 ([…] /De Schelde), r.o. 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0571, NJ 2012/315 m.nt. C.J.M. Klaassen ([…] /Joodse gemeente).</p>\n<p class=\"lf-p\">S.o. Advocaten onder 8.3. Zie ook H.J.W. Alt, ‘Beperking van het aantal pagina’s in appel: aanpassing van het burgerlijk procesrecht vereist’, JBPr 2021/4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.J.M. Maeijer en H.J. Snijders, rov. 4.2.3 en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6699, NJ 2014/175 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.J.M. Maeijer en H.J. Snijders, rov. 4.2.2-4.2.3; HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.2; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6699, NJ 2014/175 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.6; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, JBPr 2018/9 m.nt. G.C.C. Lewin, rov. 3.3.2. Vgl. ook HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:258, NJ 2020/91, rov. 3.2.2 en 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.J.M. Maeijer en H.J. Snijders, rov. 4.2.2 en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de rechtspraak van de Hoge Raad zijn als uitzonderingen aanvaard in de gevallen, samengevat (a) dat de wederpartij heeft ondubbelzinnig erin toegestemd dat een na de memorie van grieven of van antwoord naar voren gebrachte grief of nieuw verweer alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken, of dat een eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt; (b) waarin dit volgt uit de aard van het geschil (bijvoorbeeld bij alimentatiezaken); en (c) dat sprake is van nieuwe feiten en moet worden voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Zie HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.3 en voorts ook HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, JBPr 2018/9 m.nt. G.C.C. Lewin, rov. 3.3.2 en HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:258, NJ 2020/91, rov. 3.2.2 en 4.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv., met verdere verwijzingen, de conclusie van A-G Van Peursem voor HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:641, onder 3.5 en de conclusie van A-G Hartlief van 22 oktober 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1000, onder 3.4. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/162; Klaassen, Meijer &amp; Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017/257a. Vgl. ook HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:281, rov. 3.5.5 en HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:641, rov. 3.5.2 alsmede HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, JBPr 2018/9 m.nt. G.C.C. Lewin, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.L. Valk, ‘De tweeconclusieregel herzien’, in: R.H. de Bock, R.J.Q. Klomp &amp; E.L. Schaafsma-Beversluis (red.), Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020, p. 279-281.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Wetsvoorstel modernisering en vereenvoudiging bewijsrecht bepaalt lid 2 van art. 24 Rv dat de rechter binnen de grenzen van de rechtsstrijd met partijen de grondslag van hun vordering, verzoek of verweer bespreekt. Zie Kamerstukken II, 2020-2021, 35 498, nr. 3, p. 11. Zie hierover uitvoerig F.J.P. Lock, ‘De rol van de civiele rechter en de aanvulling op artikel 24 Rv’, RM Themis 2020/6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie idem F.J.P. Lock, ‘De rol van de civiele rechter en de aanvulling op artikel 24 Rv’, RM Themis 2020/6 en F.J.P. Lock, ‘KEI en wat er (niet) verandert in het procesrecht in het civiele hoger beroep’, TCR 2016/3.2, par. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.o. Advocaten onder 6.3-6.8; s.o. NOvA onder 2.1. Zie ook s.o. Staat, onder 2.8-2.9 en repliek Staat, onder 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.o. NOvA, onder 2.1; s.o. Advocaten onder 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.o. Staat onder 2.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de website van de NOvA is het volgende vermeld over het landelijk dekenberaad: “Alle dekens van de orden in de arrondissementen gezamenlijk vormen het dekenberaad. Dit is het overlegorgaan waarin de dekens met elkaar overleggen over de wijze waarop zij hun toezichttaken en -bevoegdheden uitoefenen en klachten behandelen. Dit betekent dat het dekenberaad als zodanig geen besluiten neemt. Als er iets besloten wordt, wordt dit door alle elf dekens afzonderlijk gedaan. De dekens nemen aan het dekenberaad deel als toezichthouder en klachtbehandelaar en als voorzitter van de raad van de orde in het arrondissement.” Zie https://www.advocatenorde.nl/dekenberaad.</p></div>", "next": 239711}