{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II, 1984-1985, 18 904, nr. 3, p. 9. Zie ook MvT, Kamerstukken II, 1984-1985, 18 904, nr. 3, p. 8 (“Van die dag af wast wettelijke rente aan bij de prijs. Dat noopt de uitkoper ertoe niet te dralen met overnemen.”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Maeijer, Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/689 sub a.</p>\n<p class=\"lf-p\">T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, Deventer: Kluwer 2014, p. 266.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam (OK) 7 december 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6899, Ondernemingsrecht 2011/7 m.nt. N. Kuijpers, JOR 2011/45 m.nt. M.W. Josephus Jitta (Corporate Express); Hof Amsterdam (OK) 3 oktober 1996, ECLI:NL:GHAMS:1996:AB8533, NJ 1997/72 (Evodam Beheer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Maeijer, Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/689; M.J. van Vliet, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 120; F.K. Buijn &amp; P.M. Storm, Ondernemingsrecht BV en NV in de praktijk, Deventer: Kluwer 2013, p. 1139; T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, Deventer: Kluwer 2014, p. 272; M. Sinninghe Damsté &amp; L.P. Wiggers, Sdu commentaar ondernemingsrecht, art. 2:92a BW, aant. 3. Anders: M.W. Josephus Jitta in zijn annotatie onder 6 bij Hof Amsterdam (OK) 7 december 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6899, JOR 2011/45 (Corporate Express).</p>\n<p class=\"lf-p\">M. Sinninghe Damsté &amp; L.P. Wiggers, Sdu commentaar ondernemingsrecht, art. 2:92a BW, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">T. Salemink, GS Rechtspersonen, art 2:92a BW, aant. 6; T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, Deventer: Kluwer 2014, p. 268-270; Asser/Maeijer, Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/691; M.J. van Vliet, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 120.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1980, 473.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 1981, 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierover de schriftelijke toelichting namens Fortbet nrs. 81-82. Zie ook P. van Schilfgaarde, J.D.M. Schoonbrood, J.W. Winter &amp; J.B. Wezeman, Van de BV en de NV 2017/130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting namens Fortbet nr. 81. Van een dergelijke poging wordt ook melding gemaakt in de verzetdagvaarding nr. 4, onder verwijzing naar een bericht op de website van Fortuna.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rente over geconsigneerde gelden was voor 2018, 2019 respectievelijk 2020 0,05, 0,03 respectievelijk 0,01% per jaar (Stcrt. 2018/6112, 2019/5355, 2020/9979). De wettelijke rente van art. 6:119 BW was over die jaren 2% per jaar (Stb. 2014, 491).</p>\n<p class=\"lf-p\">F.K. Buijn &amp; P.M. Storm, Ondernemingsrecht BV en NV in de praktijk, Deventer: Kluwer 2013, par. 17.4.7, p. 1137; P.M. Storm, Corporate Litigation bij de Ondernemingskamer, Den Haag: Boom Juridisch 2018 p. 588; T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, Deventer: Kluwer 2014, par .10.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam (OK) 7 december 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6899, Ondernemingsrecht 2011/7 m.nt. N. Kuijpers, JOR 2011/45 m.nt. M.W. Josephus Jitta.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvankelijk bestond onduidelijkheid over de betekenis van de term ‘altijd’. Zie de annotatie van Kuijpers bij Hof Amsterdam (OK) 7 december 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6899, Ondernemingsrecht 2011/7 (Corporate Express). Zie ook T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, Deventer: Kluwer 2014, p. 278 en de oudere literatuur waarnaar hij verwijst in voetnoot 116.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J. van Vliet, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 120.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Maeijer, Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II* 2009/689 sub b. In deze zin reeds Asser/Maeijer 2-III 2000/514.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. van Schilfgaarde, J.D.M. Schoonbrood, J.W. Winter &amp; J.B. Wezeman, Van de BV en de NV 2017/130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie F.K. Buijn &amp; P.M. Storm, Ondernemingsrecht BV en NV in de praktijk, Deventer: Kluwer 2013, par. 17.4.7, p. 1137; P.M. Storm, Corporate Litigation bij de Ondernemingskamer, Den Haag: Boom Juridisch 2018 p. 588-589.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.F. Assink &amp; W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 2435.</p>\n<p class=\"lf-p\">T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, Deventer: Kluwer 2014, par 10.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.D. Bruining, ‘Kroniek uitkooprecht en geschillenregeling 2008-2010’, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten &amp; D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2010-2011, Deventer: Kluwer, 2011, p. 126.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W. Josephus Jitta, noot onder 6, bij Hof Amsterdam (OK) 7 december 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6899, JOR 2011/45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser/Maeijer &amp; Kroeze 2-I* 2015/224.</p>\n<p class=\"lf-p\">T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, Deventer: Kluwer 2014, par. 10.4.3, wijst in dit verband nog op de parallel met art. 6:66 BW. Ingevolge deze bepaling kan de schuldenaar het door hem verschuldigde in bewaring stellen, voor zover de schuldeiser in verzuim is door de prestatie van de schuldenaar (de betaling van een geldsom of de aflevering van een zaak) niet te aanvaarden Zie Hof Amsterdam (OK) 7 december 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6899, Ondernemingsrecht 2011/7 m.nt. N. Kuijpers, JOR 2011/45 m.nt. M.W. Josephus Jitta.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. Ynzonides, Verstek en verzet, 1996, p. 57; P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 140, aant. 12.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1902, NJ 1993/559 m.nt. J.M.M. Maeijer (Baron van Wassenaar/ABN AMRO), rov. 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, 2014/10.5.1.b, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 10 december 1954, ECLI:NL:HR:1954:12, NJ 1955/252 m.nt. D.J. Veegens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/86; P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 143, aant. 7.1; M. Ynzonides, Verstek en verzet, 1996, p. 140.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien overigens aan het bepaalde in art. 140 leden 1 en 2 Rv is voldaan. Zie Asser-Maeijer-Van Solinge &amp; Nieuwe Weme 2-II∗, 2009/680; Leijten in diens noot (sub 3) onder Hof Amsterdam (OK) 13 april 2010, JOR 2010/184 (Getronics); T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, 2014/10.5.1.c.i. M.W. Josephus Jitta, JOR 2020/33, plaatst (sub 10) overigens kanttekeningen bij deze route. Ook L.D. Bruining, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten &amp; D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2010-2011, Deventer: Kluwer, 2011, p. 120, stelt de vraag of voldoende is dat een gedaagde (bijvoorbeeld de vennootschap zelf die een paar aandelen in zichzelf houdt) wel verschijnt maar geen verweer voert en zich refereert aan het oordeel van de Ondernemingskamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, 2014/10.5.1.c.ii.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.M. Hermans, ‘Uitkoop en het recht om uitgekocht te worden onder de dertiende EG-richtlijn’, Ondernemingsrecht 2002, p. 497 e.v. op p. 502 voetnoot 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.D. Bruining, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten &amp; D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2010-2011, Deventer: Kluwer, 2011, p. 120.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo volgt uit HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1710, NJ 1995/682 m.nt. H.E. Ras, rov. 3.4. Zie ook HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546, rov. 3.2-3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. over de partiële werking van een vernietiging in cassatie HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:AG7229, NJ 1998/237 m.nt. H.J. Snijders en voorts Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/296; B.T.M. van der Wiel e.a., Cassatie, 2019/388, en over de vernietiging in hoger beroep Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling- Van Gent 4 2018/7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik laat in het midden wat daarvan de gevolgen zouden kunnen zijn. Vgl. Josephus Jitta, JOR 2020/33, noot sub 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629, NJ 2016/495 m.nt. A.I.M. van Mierlo, JBPr 2014/55 m.nt. J.W. Westenberg, JOR 2015/154 m.nt. M. van de Hel-Koedoot, JIN 2014/193 m.nt. M.C. van Rijswijk en P.H. Frerichs (Morning Star International/Republiek Gabon).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nrs. 5, 92 en 105.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting namens Fortbet nr. 103; schriftelijke repliek nr. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Josephus Jitta, JOR 2020/33, noot sub 9, die spreekt van een onrechtmatige tenuitvoerlegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894, NJ 2016/89 m.nt. H.J. Snijders, 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de schriftelijke toelichting namens Fortbet nr. 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629, NJ 2016/495 m.nt. A.I.M. van Mierlo, JBPr 2014/55 m.nt. J.W. Westenberg, JOR 2015/154 m.nt. M. van de Hel-Koedoot, JIN 2014/193 m.nt. M.C. van Rijswijk en P.H. Frerichs (Morning Star International/Republiek Gabon).</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de OK hier geen rol heeft (zie hiervoor in 4.15.2), wordt dit probleem niet verholpen door (ex ante) een specifieke termijn voor de vrijwillige voldoening te bepalen, zoals wordt geopperd in de schriftelijke toelichting namens [verweerders] nr. 4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch. NRv, p. 348.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 143, aant. 7.3 en 15.1; T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, Deventer: Kluwer 2014, par 10.4.3; L.D. Bruining, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten &amp; D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2010-2011, Deventer: Kluwer, 2011, p. 120; H.W. Wiersma, Inhaalmanoeuvres van het burgerlijk procesrecht, NJB 2002, p. 19. Rueb, Gras, Hendrikse &amp; Jongbloed, Compendium burgerlijk procesrecht 202, par. 10.2.2, lijken ook uit te gaan van een termijn van vier weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. F.K. Buijn &amp; P.M. Storm, Ondernemingsrecht BV en NV in de praktijk, Deventer: Kluwer 2013, par. 17.4.8, p. 1139; .J.M. von Schmidt auf Altenstadt, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 143, aant. 7.1 (alwaar wel wordt verwezen naar een mogelijke termijn van vier of acht weken); Van de Hel-Koedoot, T&amp;C Rv, art. 143, aant..3.e; C.J.M. Klaassen, G.J. Meijer &amp; H.J. Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2017/251. Dit punt was in cassatie niet aan de orde in HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629, r.o. 3.6.4, NJ 2016/495, m.nt. A.I.M. van Mierlo, JBPr 2014/55, m.nt. J.W. Westenberg, JOR 2015/154, m.nt. M. van de Hel-Koedoot, JIN 2014/193, m.nt. M.C. van Rijswijk e.a. (Morning Star/Republiek Gabon). Zie rov. 3.7 van dit arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 143, aant. 7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wijst terecht de schriftelijke toelichting namens [verweerders] nrs. 3.44-3.46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting namens Fortbet nrs. 116-117.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting namens Fortbet nr. 118.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wijst terecht de schriftelijke toelichting namens [verweerders] nr. 4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4936, NJ 2000/509, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4.3. Zie ook HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2341, NJ 2005/191 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4 en 3.7; HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9154, NJ 2010/526 m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.5.1-3.5.2. Vgl. HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894, NJ 2016/89 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierover ook de schriftelijke toelichting namens [verweerders] nrs. 3.41-3.42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de schriftelijke toelichting namens Fortbet nrs. 79, 80, 101 en 103.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de schriftelijke toelichting namens Fortbet nr. 100 is dit het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting namens [verweerders] nr. 4.47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Josephus Jitta, JOR 2020/33, noot sub 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81 m.nt. H.B. Krans, JBPr 2017/38 m.nt. S.L. Mineur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:810, NJ 2021/3 m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 2.7.5; HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5661, NJ 2006/444 m.nt. Vranken, rov. 4.1; HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904, NJ 2000/291 m.nt. Vranken, rov. 3.4; HR 26 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0911, NJ 1993/489 m.nt. P.A. Stein, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.J.P. Lock, ‘Samen uit, samen thuis, Nieuwe regels voor de processueel ondeelbare rechtsverhouding’, TvPP 2017-4, p. 129; T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 118 Rv, aant. 2.1; A.S. Rueb, E. Gras, R.G. Hendrikse &amp; A.W. Jongbloed, Compendium Burgerlijk procesrecht 2018/8.4; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/35; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling van Gent 2018/47; B.T.M. van der Wiel &amp; N.T. Dempsey, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/181; Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/54; Snijders/Wendels 2009/106.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snijders/Wendels 2009/107. Zie in vergelijkbare zin Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/35; Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/54; B.T.M. van der Wiel &amp; N.T. Dempsey, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/181; F.J.P. Lock, TvPP 2017-4, p. 128, 131.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. F.J.P. Lock, TvPP 2017-4, p. 131; A.S. Rueb, E. Gras, R.G. Hendrikse &amp; A.W. Jongbloed, Compendium Burgerlijk procesrecht 2018/8.4; .F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 30g Rv, aant. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling van Gent 2018/47, 199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is daarom minder behoefte aan het exceptio plurium litis consortium-verweer dat is gegrond op de aanwezigheid van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Zie A.S. Rueb, E. Gras, R.G. Hendrikse &amp; A.W. Jongbloed, Compendium Burgerlijk 2018/8.4. Vgl. voorts. T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 30g Rv, aant. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81 m.nt. H.B. Krans, JBPr 2017/38 m.nt. S.L. Mineur, rov. 3.4, 3.5.4, 3.6.1 en 3.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.K. Buijn &amp; P.M. Storm, Ondernemingsrecht BV en NV in de praktijk, Deventer: Kluwer 2013, p. 1126, spreken van een ondeelbare vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierover de schriftelijke toelichting namens Fortbet nrs. 130-131.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. M.J. van Vliet, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 255-256.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierover de schriftelijke toelichting namens Fortbet nr. 140.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wordt een beroep gedaan in de schriftelijke toelichting namens Fortbet nr. 141.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze mogelijkheid is onder ogen gezien en verworpen. Zie MvT, 1984-1985, 18 904, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 4.1.4 wijst op HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1902, NJ 1993/559; HR 11 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2131, NJ 1997/176; HR 12 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AC2381, NJ 1997/377; en HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1777, NJ 2004/184.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierover de schriftelijke toelichting namens Fortbet nrs. 142-143.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierover de schriftelijke toelichting namens Fortbet nrs. 138-139.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur wordt uit de gelijke behandeling van de uit te kopen minderheidsaandeelhouders afgeleid dat een afspraak tussen overnemer en een minderheidsaandeelhouder, dat de laatste na een veroordelend arrest zijn aandelen zal behouden of mogen terugkopen, onrechtmatig is jegens de andere minderheidsaandeelhouders. Zie M.J. van Vliet, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, 1999, par. 6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van de minister van Justitie van 18 juni 1987, Kamerstukken II, 1987-1988, 18 904, nr. 17; MvA, Kamerstukken I, 1987-1988, 18 904, nr. 41a, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewijzigd amendement van het lid Vermeend nr. 16; Handelingen II, 2 juli 1987, TK95 95-4915.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld de schriftelijke toelichting namens Fortbet nr. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 3 lid 1 Besluit openbare biedingen Wft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie t.a.v. art. 6b Wte, de voorloper van art. 5:79 Wft, F.K. Buijn &amp; P.M. Storm, BV en NV Het nieuwe ondernemingsrecht, 2005, p. 506-507.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA, Kamerstukken I, 1987-1988, 18 904, nr. 41a, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting bij het Besluit openbare biedingen Wft (Stcrt. 2007/201, p. 12) en de voorlopers. (art. 3 Tijdelijke vrijstellingsregeling overnamebiedingen (Stcrt. 2006/ 98, p. 10) en art. 11a Vrijstellingsregeling Wte 1995 (Stcrt. 2001/168, p. 6)) verwijzen naar art. 12 SER Fusiegedragsregels. Over ratio en strekking van de her verbod van (thans) art. 5:79 Wft en van de vrijstellingen bestaan verschillende opvattingen. Zie daarover G. van Solinge en M.P. Nieuwe Weme, Gedragsregels inzake een openbaar bod op aandelen, 1999, p. 229-238.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting namens [verweerders] nr. 4.45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. W. Heemskerk &amp; K. Teuben, Hoofdlijnen Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht Convoy Uitgevers: 2018/179; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 2018/47; F.J.P. Lock, TvPP 2017-4, p.135 onder 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie (sub 2.20) van mijn ambtgenoot Rank-Berenschot voor HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:177 en vergelijk F.J.P. Lock, TvPP 2017-4, p. 137.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo volgt uit HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1710, NJ 1995/682 m.nt. H.E. Ras, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:649, JBPr 2018/33 m.nt. F.J.P. Lock.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in een geval van tussenkomst HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:183, NJ 2018/78 m.nt. W.D.H. Asser, JBPr 2015/29 m.nt. M.O.J. de Folter, rov. 4.2.2-4.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2216, NJ 2018/469, rov. 3.6.</p></div>", "next": 0}