{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">75.</span>De Bont merkt in zijn noot onder het arrest van 28 januari 2020 op dat de “echte discussie omtrent de vraag of sprake is van een (impliciet) kwaliteitsdelict, ziet op het delict van het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van de aangifte, in het tweede lid van artikel 69 AWR” (cursivering van mij, EH). De steller van het middel lijkt daaraan voorbij te gaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>Het eerste lid van art. 69 AWR stelt zelfstandig strafbaar (onder meer) het opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte. Evenals het tweede lid van art. 69 AWR rept het eerste lid van “bij de belastingwet voorziene aangifte”. In zijn analyse van de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot het tweede lid respectievelijk het eerste lid van art. 69 AWR signaleert De Bont dat deze woorden weliswaar identiek zijn, maar dat de betekenis op het punt van de gehoudenheid tot het doen van aangifte “diametraal” anders is: “Het eerste lid van artikel 69 AWR ziet op het opzettelijk niet (tijdig) doen van aangifte. De Hoge Raad (23 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6161, BNB 2004/180) overwoog in het kader van dit delict dat ingeval het Hof \"van oordeel is geweest dat zodanige uitnodiging te dezen niet is vereist, [het] is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bestanddeel 'een bij de belastingwet voorziene aangifte'.\" Zonder uitnodiging is er dus geen ‘gehoudenheid’, ofwel geen verplichting als gevolg waarvan geen sprake is van een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">77.</span>Ik meen evenwel dat de vraag of het om een (impliciet of expliciet) kwaliteitsdelict gaat en (kort gezegd) of sprake is van gehoudenheid tot ‘het doen van aangifte ook zonder uitnodiging’, zoals in het middel bedoeld, in de onderhavige zaak niet van belang is en verder onbesproken kan blijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>Uitgangspunt is dat art. 49 ALL zich richt tot de aangifteplichtige. In de delictsomschrijvingen van art. 49, eerste lid en tweede lid, ALL komen de bestanddelen “een bij de belastingwet voorziene aangifte” niet voor; daarin wordt gesproken van “degene die ingevolge deze landsverordening verplicht is” tot het (tijdig) doen van aangifte. De verdachte in de onderhavige zaak is als zodanig aan te merken, zodat hij binnen het bereik van die strafbepaling valt. Blijkens bewijsmiddel 1 heeft de verdachte immers een eenmansbedrijf opgericht onder de naam [A], dat als zodanig geregistreerd staat in de Commercial Register of the St. Maarten Chamber of Commerce &amp; Industry. Het betreft een “sole ownership”, waarvan de verdachte “Statutory Director” en “Managing Director” is.</div>\n<p class=\"lf-p\">In bewijsmiddel 4, gelezen in samenhang met voetnoot 11 in het vonnis van het Gerecht, staat vermeld op welke data de maandelijkse aangiften van de belasting op de bedrijfsomzetten voor [A] zijn binnengekomen, en op welke maanden en jaren deze zien. Nogmaals zij opgemerkt dat op de terechtzittingen van het Hof door de verdediging niet is bestreden dat de verdachte degene was die ingevolge de ALL verplicht was tot het tijdig doen van aangifte en dat het de verdachte is die in dit verband de belastingplichtige was. Daarbij komt dat het Hof in zijn vonnis (bladen 3 en 4) heeft vastgesteld dat uit de door de verdediging overgelegde stukken blijkt dat de aangiften voor de belasting op bedrijfsomzetten a. over de jaren 2010 tot en met 2016 op 19 december 2017 en b. voor het jaar 2009 in februari 2018 zijn ingediend, en voorts dat de verdachte pas geruime tijd later, namelijk vanaf 19 december 2017 en dus ten onrechte niet tijdig, de aangiften op bedrijfsomzetten heeft ingeleverd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">79.</span>Het middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">VI. Het vierde middel (niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte) 80. Het vierde middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, in het bijzonder voor zover zij inhouden dat de verdachte de aangiftes (telkens) ‘niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan’, onvoldoende met redenen is omkleed, terwijl uit de bewijsmiddelen evenmin kan worden afgeleid wat de gestelde termijn voor het doen van aangiften is geweest, noch of er na het verstrijken van die termijn eerst is herinnerd/aangemaand, zoals de ALL voorschrijft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">81.</span>Ik merk hier nogmaals op dat het onder 1 bewezenverklaarde feit betrekking heeft op het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte inkomstenbelasting en het onder 2 bewezenverklaarde feit ziet op het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte belasting op de bedrijfsomzetten. Voor de bewezenverklaringen verwijs ik naar randnummer 4.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">82.</span>Ter onderbouwing van de klacht voert de steller van het middel aan dat (i) uit de systematiek van de ALL volgt dat het aan de inspecteur is om eerst een termijn te stellen en vervolgens de belastingplichtige aan deze termijn te herinneren dan wel om hem aan te manen en mogelijk uitstel te verlenen, (ii) de stelling van de verdachte is dat hem nooit is verzocht om aangifte te doen en (iii) ten aanzien van de jaren 2009 tot en met 2013 niet kan worden vastgesteld wanneer de daarop betrekking hebbende aangiftebiljetten aan de verdachte zouden zijn uitgereikt en ten aanzien van de overige jaren in bewijsmiddel 5 slechts wordt aangegeven dat de aangiftebiljetten over het vorige jaar op 1 april van het daaropvolgende jaar zijn uitgegeven. Door de steller van het middel wordt daarbij verwezen naar de verklaring die de verdachte tegenover het Hof heeft afgelegd, inhoudende dat de Belastingdienst hem nooit heeft verzocht belastingaangifte te doen en dat de raadsvrouw in hoger beroep heeft betoogd dat in Sint Maarten 80% van de belastingplichtigen te laat aangifte doet en dat die praktijk door de Belastingdienst te Sint Maarten wordt geaccepteerd en dat in ieder geval de aangifte over 2016 – vanwege de 'grace period' – tijdig is ingediend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verweer verdediging 83. Het verweer zoals dat, voor zover hier van belang, door de raadsvrouw zowel in hoger beroep als in eerste aanleg is gevoerd, betreft slechts het belastingjaar 2016 en is bovendien toegespitst op de belasting op de bedrijfsomzetten (feit 2). In eerste aanleg is aangevoerd dat de overheid met betrekking tot het belastingjaar 2016 een ‘grace period’ aan de samenleving van Sint Maarten heeft toegekend vanwege de desastreuze gevolgen van orkaan ‘Irma’ in september 2017, waarin de termijn tot het doen van aangiften bij de Belastingdienst werd verlengd in die zin dat (kort gezegd) het belastingjaar 2016 pas was verschuldigd in januari 2018. In hoger beroep heeft de verdediging haar standpunt ter zake min of meer herhaald door naar voren te brengen dat “zeker 80% van belastingplichtigen in Sint Maarten te laat of in ieder geval na gestelde termijnen hun aangiften doen, dat deze praktijk door de Belastingdienst geaccepteerd is en slechts met heffing van een boete wordt bestraft”, dat “de enge vertaling” van het Gerecht aangaande de ‘grace period’ geen aansluiting vindt bij enige publicatie noch de realiteit van Sint Maarten in die dagen en dat de overwegingen van het Gerecht niet afdoen aan het feit dat de verdachte “op tijd was met zijn aangiften van 2016 en daarmede tijdig heeft gediend”, nu “het belasting jaar 2016 pas [was] verschuldigd in januari 2018”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddelen en overwegingen Hof 84. De gebezigde bewijsmiddelen heb ik hierboven in randnummer 6 opgenomen. Ter wille van de leesbaarheid herhaal ik hier het vierde, het vijfde en het achtste bewijsmiddel: “4. De eerste maandelijkse aangiften van de Belasting op de Bedrijfsomzetten voor [A] zijn op 19 december 2017 bij de Belastingdienst binnengekomen. Op dat moment zijn aangiften ingediend over alle maanden van de jaren 2010 tot en met 2016. Vervolgens zijn op 2 februari 2018 de aangiften over de maanden oktober tot en met december 2009 binnengekomen, op 5 februari 2018 de aangiften over de maanden juli en augustus 2009 en op 6 februari 2018 de aangiften over de maanden januari tot en met juni 2009 en de maand september 2009.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De verdachte heeft verder, voor wat betreft de ten laste gelegde periode, eerst op 15 december 2016 aangiften van de Inkomstenbelasting opgesteld; deze bij de Belastingdienst op 19 december 2017 binnengekomen aangiften hebben betrekking op de jaren 2010 tot en met 2013.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op 19 december 2017 zijn vervolgens de aangiften over de jaren 2014 en 2015 binnengekomen, op 5 februari 2018 de aangifte over het jaar 2009 en op 6 februari 2018 de aangifte over het jaar 2016. Voor wat betreft de jaren 2009 tot en met 2013 blijkt niet expliciet wanneer de daarop betrekking hebbende aangiftebiljetten zijn uitgereikt. De aangiftebiljetten die zien op de jaren 2014, 2015 en 2016, zijn respectievelijk op 1 april 2015,1 april 2016 en 1 april 2017 uitgegeven 8. De verdachte heeft tijdens zijn derde verhoor als verdachte desgevraagd onder meer het volgende verklaard: \"[…] [Verbalisant:]: Onder punt 8. van het contract staat vermeld: 'For audit Purpose please also inform Harbour on completion of works and followup of that for Phase 2 all taxes must be up to par and proven'. Hier staat dat alle belasting betaald moet worden. Dat heeft u niet gedaan. [Verdachte:] Op dat moment had ik mijn belastingaangiften nog niet ingediend en heb de Haven dus niet laten zien dat ik mijn belasting had betaald. Pas nadat ik (het Gerecht: op 26 september 2016) parlementslid ben geworden, heb ik [betrokkene 2] gevraagd om mijn belastingpapieren op orde te brengen.\"”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">85.</span>Het bedoelde verweer van de raadsvrouw is door het Gerecht verworpen. Door het vonnis van het Gerecht ook in zoverre te bevestigen, heeft het Hof dit verweer verworpen op dezelfde gronden als het Gerecht. De overwegingen houden, voor zover hier van belang, het volgende in: “Bewijsoverwegingen De raadsvrouw heeft in subsidiaire zin bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij aangevoerd dat […], (ii) de overheid belastingplichtigen vanwege de desastreuze gevolgen van de orkaan Irma voor het belastingjaar 2016 een 'grace period' tot januari 2018 heeft gegund, […].</div>\n<p class=\"lf-p\">Het Gerecht overweegt als volgt. […] (ii). Het tweede argument van de raadsvrouw gaat evenmin op. Bij raadpleging van openbare bronnen, waaronder de website van de overheid van Sint Maarten, is het Gerecht een dusdanig ruimhartige 'grace period' niet tegengekomen. Voor zover het Gerecht heeft kunnen nagaan, is slechts uitstel verleend voor het doen van maandelijkse aangiften, zoals die van de Belasting op de Bedrijfsomzetten, voor zover betrekking hebbend op de maanden augustus, september, oktober en november van het jaar 2017. Voor die maanden is uitstel verleend tot 15 januari 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat komt het Gerecht ook logisch voor, in aanmerking genomen dat orkaan Irma Sint Maarten op 6 september 2017 heeft getroffen, de termijnen voor de maandelijkse aangiften van de Belasting op de Bedrijfsomzetten in 2016 op dat moment al ruimschoots waren verstreken (zo'n aangifte moet tenslotte uiterlijk op de 15e dag van de daaropvolgende maand zijn ingediend) en óók de termijn voor de aangifte van de Inkomstenbelasting toen al was verstreken (het aangiftebiljet voor het jaar 2016 is op 1 april 2017 uitgereikt en had volgens het opschrift op dat biljet binnen vijf maanden daarna, dus uiterlijk op 1 september 2017, moeten zijn ingediend; dat is, gezien de wettelijke termijn van twee maanden, op zichzelf al een ruimhartige termijn).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Juridisch kader 86. Ter inleiding merk ik het volgende op. In het belastingrecht wordt onderscheid gemaakt tussen heffing bij wege van aanslag en heffing bij wege van aangifte. Dit onderscheid geldt niet alleen in Nederland, maar evenzo in de voormalige Nederlandse Antillen en nadien in Sint Maarten. Art. 7 ALL NA bevatte en art. 7 ALL StM bevat voorschriften die – kort gezegd – voor het doen (van aangifte) van aanslagbelasting in acht moe(s)ten worden genomen. Het verschuldigde bedrag wordt in de vorm van een ‘aanslag’ vastgesteld door de inspecteur. De inkomstenbelasting als genoemd in het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit 1 valt in de categorie aanslagbelasting. Bij aangiftebelasting vormt de aangifte de grondslag voor de belastingschuld en wordt de belasting geheven door het voldoen van de op die aangifte vermelde belasting. De belastingplichtige is er dan zelf verantwoordelijk voor dat het juiste aangiftebedrag wordt ingevuld en dienvolgens het juiste bedrag aan belasting wordt geheven, en ook dat de betaling periodiek (naar tijdvak) of incidenteel (naar tijdstip) plaatsvindt. Nadere regels daarover zijn te vinden in art. 8 ALL NA en art. 8 ALL StM. De in het tenlastegelegde feit 2 genoemde belasting op de bedrijfsomzetten is een voorbeeld van aangiftebelasting.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">87.</span>Het komt mij zinvol voor de relevante wetsartikelen hieronder weer te geven. Met uitzondering van art. 12, eerste lid, van de Landsverordening belasting op bedrijfsomzetten van de Nederlandse Antillen (oud) beperk ik mij daarbij tot de landsverordeningen van Sint Maarten, aangezien de (daarmee verwante) artikelen uit de vroegere landsverordeningen van de Nederlandse Antillen (op een enkel detail na) gelijkluidend van inhoud zijn. Het gaat om de volgende bepalingen:</div>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7, eerste en tweede lid ALL: “1. Met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden geheven, moet het aangiftebiljet binnen een door de Inspecteur gestelde termijn van ten minste twee maanden na uitreiking van het biljet bij de Inspecteur worden ingeleverd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De Inspecteur maant, na verloop van de in het eerste lid bedoelde termijn, de belastingplichtige aan binnen een door hem te stellen termijn van ten minste vijf werkdagen aangifte te doen, tenzij uitstel voor het doen van aangifte overeenkomstig artikel 9 is verleend.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Art. 8, eerste en tweede lid, ALL: “1. Met betrekking tot belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen moet de aangifte worden gedaan bij de Inspecteur.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Heeft de aangifte betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een termijn van 15 dagen na het einde van dat tijdvak. Heeft de aangifte betrekking op een tijdstip, dan wordt zij gedaan binnen een termijn van 15 dagen na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De belastingplichtige dan wel inhoudingsplichtige aan wie niet reeds een aangiftebiljet is uitgereikt, is gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald de Inspecteur te verzoeken een aangiftebiljet uit te reiken.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Art. 9, eerste lid, ALL: “ 1. De Inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden uitstel verlenen voor het indienen van het aangiftebiljet en kan daarbij voorwaarden stellen. Uitstel wordt niet langer verleend dn tot 18 maanden na de datum waarop de belastingschuld is ontstaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt elke termijn die met de aangifte of het opleggen van een aanslag verband houdt met de duur van het verleende uitstel verlengd. […]”</div>\n<p class=\"lf-p\">Art. 18, eerste en tweede lid, ALL: “1. Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolgde artikel 7, tweede lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogste NAf 2.500,- kan opleggen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting welk op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de ingevolge art. 8, tweede lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur hem gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogte NAf 2.500,- kan opleggen. […]”</div>\n<p class=\"lf-p\">Art. 27 Landsverordening op de inkomstenbelasting (LIB): “Het belastingjaar is het kalenderjaar”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 28 LIB: “De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 12, eerst lid, Landsverordening belasting op bedrijfsomzetten 1997 Nederlandse Antillen: “1. De in een tijdvak verschuldigde belasting moet op aangifte worden voldaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 12, eerste lid, Landsverordening belasting op bedrijfsomzetten Sint Maarten (BBO): “1. De in een tijdvak van een kalendermaand verschuldigde belasting moet op aangifte worden gedaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking van het vierde middel 88. Het is juist dat de verdachte op de terechtzitting van het Hof van 14 februari 2020 heeft verklaard dat de Belastingdienst hem nooit heeft verzocht belastingaangifte te doen. De steller van het middel gaat er echter aan voorbij dat de verdachte toen ook heeft verklaard: “Ik wist wel dat ik belastingverplichtingen had, maar ik liep achter”, “Ik wist dat er voor mijn ondernemingen en mijzelf belastingverplichtingen waren” en “Het is mijn schuld dat ik daarmee te laat was. […]. Het is een slechte gewoonte van mij”. Als de voorzitter de verdachte voorhoudt dat uit het dossier volgt dat meerdere jaren geen aangifte bij de Belastingdienst is gedaan, antwoordt de verdachte: “Ja, dat klopt”.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">89.</span>Voor zover het middel met een motiveringsklacht betrekking heeft op hetgeen de verdediging in hoger beroep ten aanzien van het belastingjaar 2016 naar voren heeft gebracht en het oordeel van het Hof daarover, meen ik dat de door het Gerecht genoemde en door het Hof overgenomen gronden de verwerping van het verweer van de verdediging zonder meer kunnen dragen. Deze klacht treft derhalve geen doel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">90.</span>Voor zover in de toelichting op het middel aangaande het belastingjaar 2016 nog wordt aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld wanneer het aangiftebiljet aan de verdachte is uitgereikt, berust dit op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. Het Hof heeft uit het vonnis van het Gerecht immers de overweging bevestigd dat het aangiftebiljet voor het jaar 2016 op 1 april 2017 is uitgereikt en dat volgens het opschrift op dat biljet binnen vijf maanden daarna, dus uiterlijk op 1 september 2017, de aangifte had moeten worden ingediend en dat dit, gezien de wettelijke termijn van twee maanden, op zichzelf al een ruimhartige termijn was.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">91.</span>Indien en voor zover het middel met betrekking tot de feiten 1 en 2 bedoelt te klagen dat het bewezenverklaarde zinsdeel “niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte” onvoldoende met redenen is omkleed en het middel daarbij ook het oog heeft op de belastingjaren 2009, 2010, 2012, 2013, 2014, 2015 mist het mijns inziens feitelijke grondslag. Het toepasselijke wettelijke kader behoeft uiteraard geen bewijs en uit de bewijsmiddelen vier, vijf en acht, bezien in samenhang met de daarin opgenomen voetnoten en de desbetreffende bewijsoverwegingen van het Hof, kan in het licht van dat wettelijk kader worden afgeleid dat telkens opzettelijk is nagelaten om binnen de gestelde termijn aangifte inkomstenbelasting respectievelijk aangifte belasting op de bedrijfsomzetten voor de genoemde belastingjaren te doen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">92.</span>Voor het overige stel ik vast dat de onderbouwing van het middel zoals hierboven in randnummer 82 aangeduid met (i), (ii) en (iii) uit nieuwe argumenten bestaat. Deze argumenten zijn door de verdediging ten overstaan van het Hof niet naar voren gebracht. Omdat zij zozeer verweven zijn met waarderingen van feitelijke aard en derhalve een onderzoek van feitelijke aard vergen, kunnen zij in cassatie niet ten toets komen. Naar het mij toeschijnt behoeft het middel in zoverre geen bespreking.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">93.</span>Niettemin wil ik er – ten overvloede dus – nog wel iets over zeggen. Voor zover door de steller van het middel met verwijzing naar de artikelen 7 en 8 ALL wordt aangevoerd (ad i) dat uit het wettelijke systeem zou volgen dat – voordat de conclusie kan worden getrokken dat niet (tijdig) aangifte is gedaan en gesproken kan worden van het voltooide delict als bedoeld in art. 49 ALL – “eerst aan de aangifteplicht moet worden herinnerd en vervolgens daartoe moet worden aangemaand, terwijl voorts een mogelijkheid van uitstel bestaat”, berust zulks op een onjuiste opvatting van de strekking van de ALL en wordt een eis gesteld die deze of een andere landsverordening van Sint Maarten niet kent. Ik licht dat hieronder toe.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">94.</span>Ingevolge art. 7, eerste lid, ALL moet de aangifte voor een aanslagbelasting, zoals de inkomstenbelasting, worden gedaan binnen een door de inspecteur gestelde termijn van tenminste twee maanden. Op grond van art. 9, eerste lid, ALL kan de inspecteur de termijn, onder voorwaarden, verlengen. Wanneer niet of niet tijdig aangifte wordt gedaan kan de inspecteur hiertegen vervolgens optreden door aan de belastingplichtige ingevolge art. 18, eerste lid, ALL een verzuimboete op te leggen. Het is deze (fiscaal-bestuurlijke) verzuimboete die pas kan worden opgelegd nadát de belastingplichtige op voet van art. 7, tweede lid, ALL is aangemaand tot het doen van aangifte. In de onderhavige zaak gaat het echter niet om een afdoening door middel van het opleggen van een verzuimboete. Gekozen is voor een strafrechtelijk traject. Anders dan art. 18 ALL kent art. 49 ALL niet de eis dat de belastingplichtige na het verstrijken van de aangiftetermijn eerst moet worden aangemaand alvorens tot vervolging kan worden overgegaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">95.</span>Voor de aangiftebelasting, zoals de belasting op de bedrijfsomzetten (art. 12 BBO), geldt dat ingevolge het eerste en het tweede lid van art. 8 ALL de aangifte moet worden gedaan bij de inspecteur en dat wanneer de aangifte betrekking heeft op een tijdvak respectievelijk tijdstip zij moet worden gedaan binnen een termijn van vijftien dagen na het einde van dat tijdvak respectievelijk tijdstip. Ook het niet (tijdig) doen van deze aangifte kan door de inspecteur op grond van art. 18, tweede lid, ALL worden gesanctioneerd met oplegging van een verzuimboete. Terzijde merk ik op dat de verzuimboete in dit geval kan worden opgelegd zonder dat daaraan eerst een aanmaning moet voorafgaan; noch art. 18 ALL noch art. 49 ALL stelt zo een eis. Van meer belang is ook hier echter de vaststelling dat deze fiscale weg in de onderhavige zaak niet is ingeslagen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">96.</span>Voorts is door het Gerecht overwogen – welke overweging eveneens door het Hof is bevestigd – dat slechts uitstel is verleend voor het doen van de maandelijkse aangiften, zoals die van de belasting op de bedrijfsomzetten, voor zover deze betrekking had op de maanden augustus, september, oktober en november van het jaar 2017, en wel tot 15 januari 2018. Dat kwam het Gerecht ook logisch voor omdat orkaan ‘Irma’ Sint Maarten op 6 november 2017 heeft getroffen en de termijnen voor de maandelijkse aangiften van de belasting op de bedrijfsomzetten in 2016 op dat moment al ruimschoots waren verstreken; dergelijke aangiften moesten “tenslotte uiterlijk op de 15e dag van de daaropvolgende maand zijn ingediend”.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat oordeel acht ik geenszins onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Weliswaar blijkt uit bewijsmiddel vier niet wanneer aan de verdachte een aangiftebiljet is uitgereikt met betrekking tot het doen van aangifte belasting op de bedrijfsomzetten over het jaar 2016. Uit dit bewijsmiddel kan enkel worden opgemaakt dat de eerste maandelijkse aangiften over onder meer dat jaar bij de Belastingdienst zijn binnengekomen op 19 december 2017 (op dat moment waren aangiften ingediend over alle maanden van de jaren 2010 tot en met 2016). Uit art. 8, eerste lid, ALL blijkt dat voor de aangiftebelasting de aangifte moet worden gedaan bij de Inspecteur. Wanneer de desbetreffende aangifte betrekking heeft op een tijdvak, zoals in de onderhavige zaak, dient deze te worden gedaan binnen een termijn van 15 dagen na het einde van dat tijdvak (art. 8, tweede lid, ALL).</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan in het eerste lid van art. 7 ALL (betreffende de aanslagbelasting) is voorgeschreven, bepaalt art. 8 ALL niet dat het aangiftebiljet binnen een door de inspecteur gestelde termijn van tenminste twee maanden na uitreiking van het biljet bij de Inspecteur moet worden ingeleverd. De belastingplichtige in Sint Maarten aan wie niet reeds een aangiftebiljet is uitgereikt, is op grond van art. 8, derde lid, ALL gehouden om vóór ommekomst van de betalingstermijn de inspecteur te verzoeken een aangiftebiljet uit te reiken. Blijkens de stukken is dit door de verdachte niet gedaan, hoewel hij, naar hij zelf heeft verklaard op ’s Hofs zitting van 14 februari 2020, wel wist dat er voor zijn onderneming betalingsverplichtingen waren.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">97.</span>Het middel faalt in al zijn onderdelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">VII. Het vijfde middel (strafmotivering) 98. Het vijfde middel klaagt dat de motivering van de aan de verdachte opgelegde straf onbegrijpelijk is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">99.</span>De strafmotivering zou onbegrijpelijk zijn omdat het hof de verdachte zwaar heeft aangerekend dat de verdachte (i) “in de periode toen hij zich als parlementslid verkiesbaar stelde en in de periode dat hij daadwerkelijk parlementslid was, enerzijds als vertegenwoordiger van de inwoners van Sint Maarten een voorbeeldfunctie in de maatschappij vervulde en (kort) als parlementariër een fors inkomen uit de gemeenschapskas ontving en anderzijds zich er niets aan gelegen heeft laten liggen om diezelfde maatschappij en diezelfde gemeenschapskas fors te benadelen” en (ii) “tot en met het hoger beroep geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn handelen, laat staan dat hij op overtuigende wijze spijt heeft betoond”, zulks terwijl de bewezenverklaarde gedragingen waren voltooid vóórdat de verdachte zich verkiesbaar stelde en parlementslid was en daarnaast uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat de verdachte wel degelijk inzicht heeft gegeven in zijn handelen en spijt heeft betuigd. De steller van het middel wijst er daarbij op dat de verdediging overeenkomstig haar pleitnota (par. 111 t/m 123) tegen de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft gepleit en heeft aangevoerd dat – anders dan het Gerecht in eerste aanleg heeft overwogen – de verdachte wel degelijk openheid van zaken heeft gegeven in zijn verklaringen, alsmede dat geen acht moet worden geslagen op het feit dat de verdachte lid van het parlement is geweest.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring verdachte en verweer verdediging 100. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de verdachte op de terechtzitting van het Hof van 14 februari 2020, voor zover hier van belang, verklaard: “Ik heb inderdaad bij de politie verklaard dat ik niet wegloop voor mijn verantwoordelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een gegeven moment heb ik boekhoudster [betrokkene 2] ingeschakeld om orde op zaken te stellen. Dat ging over mijn belastingverplichtingen. Dat had niets te maken met het feit dat ik kort daarvoor parlementslid was geworden. Ik heb dat gedaan omdat het de tijd daarvoor was. Ik wist wel dat ik belastingverplichtingen had, maar ik liep achter. […] U, voorzitter, vraagt mij hoe het komt dat daarvan geen opgave bij de belastingdienst is gedaan. Ik antwoord daarop dat ik als getuige bij de politie al heb verklaard dat ik dat niet heb gedaan. Het is mijn schuld dat ik daarmee te laat was. Ik had hetzelfde probleem met mijn andere bedrijf. Het is een slechte gewoonte van mij. U, voorzitter, houdt mij voor dat uit het dossier volgt dat meerdere jaren geen aangifte bij de belastingdienst is gedaan. Ja, dat klopt. […] U, procureur-generaal, vraagt mij waarom ik op een gegeven moment wel belastingaangiften ben gaan indienen. Ik antwoord daarop dat ik slechte gewoontes heb, maar beter laat dan nooit. Ik ren niet weg voor mijn verantwoordelijkheden. […] Ik werd door de verbalisanten van het Team Bestrijding Ondermijning als getuige gehoord. Wij hadden een open discussie over mijn belastingen. Mij werd geadviseerd om mijn belastingzaken op orde te stellen. U, oudste rechter, vraagt mij of ik de vraag wil beantwoorden waarom ik op een gegeven moment wel belastingaangiften ben gaan doen of dat ik gebruik maak van mijn zwijgrecht. Ik antwoord daarop dat ik aan de wet wilde voldoen.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">101.</span>Het door de steller van het middel bedoelde verweer houdt, voor zover hier van belang en met weglating van de voetnoten, het volgende in: “Op te leggen straffen […] 119. Gelet op de stukken die zich in het einddossier bevinden, blijkt evident dat [verdachte] verklaringen heeft afgelegd - inclusief verklaringen ter zake de verdenking van valsheid in geschrifte - en daarmede openheid van zaken heeft gegeven. Teneinde vervolgens op zitting aan te moeten horen dat hij niet meer van voormeld strafbaar feit wordt verdacht, maar zulks pas nadat hem meermalen is verzocht te antwoorden ter zake de belastingzaak werkt niet enkel misleidend, maar leidt ook tot omkoperij. Immers, met de plotse mededeling ter zitting zijdens het OM dat [verdachte] niet meer voor valsheid in geschrifte zal worden vervolgd, wordt automatisch door het OM én het GEA aangenomen dat [verdachte] zal verklaren met betrekking tot de valsheid in geschrifte verdenking anderen rakend. Daarbij geheel het recht op een eerlijk proces terzijde schuivend door [verdachte] op een dergelijke wijze een - haast geforceerde - proceshouding aan te meten, waartoe geconcludeerd wordt op het zeer eenzijdige beeld van [verdachte] gecreëerd door het OM, en onterecht overgenomen door het GEA. Het GEA neemt niet in overweging dat het beroep op het zwijgrecht van [verdachte] in deze onder de omstandigheden begrijpelijk is, en geboden is doch komt tot een conclusie dat een bestraffing voor deze houding geboden is. […] 120. Het GEA neemt dan in ogenschouw de maatschappelijke functie die [verdachte] bekleedt. Dat [verdachte] ten tijde van een deel van de ten laste gelegde belastingjaren als parlementariër heeft gefungeerd, doet niet af aan het voormelde standpunt zijdens de verdediging. Immers, [verdachte] heeft - anders dan het GEA meent - rekening en verantwoording afgelegd door verklaringen bij het onderzoeksteam af te leggen. Deze verklaringen bevinden zich in het dossier en zijn n.b. door het GEA zelf aangehaald in zijn vonnis ter substantiëring van zijn overwegingen. Daarmede staat vast dat [verdachte] heeft meegewerkt aan het onderzoek en gedurende het onderzoek een open houding heeft aangenomen; daarvan is hij niet afgeweken en is hij consistent in gebleven. Het enkele feit dat [verdachte] zich op zijn zwijgrecht tijdens de zitting in eerste aanleg heeft beroepen, heeft niets te maken met ‘het weglopen van zijn verantwoordelijkheden’. Integendeel, het gebruik maken van zijn zwijgrecht ligt voor [verdachte] gelegen in de omstandigheid dat zijn afgelegde verklaringen alle informatie bevatten waarvan hij kennis draagt en waarvan hij op de hoogte is. Daarmede heeft hij reeds rekening en verantwoording afgelegd en wordt niet ingezien waarom [verdachte] als verdachte zijnde zich niet alsnog op zijn zwijgrecht mag beroepen.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Strafmotivering 102. De strafmotivering in het vonnis van het Hof houdt in: “Oplegging van straffen Bij de bepaling van de op te leggen straffen wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft zich gedurende zeven jaren schuldig gemaakt aan belastingontduiking door niet tijdig aangifte van belastingen te doen. Hierdoor kon aanzienlijk nadeel voor Sint Maarten ontstaan. De verdachte heeft daarmee zijn eigen financiële voordeel boven het algemeen belang van een juiste belastingheffing van Sint Maarten en daarmee de samenleving van Sint Maarten gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafbaarstelling van belastingontduiking beschermt niet alleen de gemeenschapsbelangen die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen van eerlijke belastingbetalers. Belastingontduiking kan immers leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor de inwoners van Sint Maarten. Bovendien kan dit gedrag van de verdachte leiden tot een aantasting van de belastingmoraal en tot gevoelens van onrechtvaardigheid bij diegenen die wel hun belastingverplichtingen nakomen. Aantasting van de belastingmoraal kan ertoe leiden dat meer mensen niet aan hun belastingverplichtingen voldoen en/of meer (met belastinggeld gefinancierde) controle noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij in de periode toen hij zich als parlementslid verkiesbaar stelde en in de periode dat hij daadwerkelijk parlementslid was, enerzijds als vertegenwoordiger van de inwoners van Sint Maarten een voorbeeldfunctie in de maatschappij vervulde en (kort) als parlementariër een fors inkomen uit de gemeenschapskas ontving en anderzijds zich er niets aan gelegen heeft laten liggen om diezelfde maatschappij en diezelfde gemeenschapskas fors te benadelen. De verdachte heeft ter terechtzitting weliswaar verklaard dat hij niet voor zijn verantwoordelijkheden wilde weglopen, maar hij heeft tot en met zijn hoger beroep geen enkel inzicht gegeven in zijn handelen, laat staan dat hij op overtuigende wijze spijt heeft betoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof houdt er voorts ten nadele van de verdachte rekening mee dat het gaat om een aanzienlijk nadeelbedrag, te weten een bedrag van ruim NAf 890.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Om te voorkomen dat de verdachte in herhaling valt, zal het Hof een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Om de ernst van het bewezen verklaarde te benadrukken, zal het Hof daarnaast de maximale werkstraf aan de verdachte opleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande voert tot de slotsom dat het Hof het passend en geboden acht om aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, op te leggen in combinatie met een werkstraf voor de duur van 240 uren (subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de wet geen mogelijkheid biedt om de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten uit het passieve kiesrecht te ontzetten, gaat het Hof voorbij aan deze door de procureur-generaal gevorderde bijkomende straf.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking van het vijfde middel 103. Ik stel voorop dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan de feitenrechter voorbehouden en dit oordeel behoeft daaromtrent in beginsel geen motivering. Zolang de feitenrechter binnen de door de wet aan de straf en maatregel gestelde grenzen blijft, is de strafoplegging in cassatie nagenoeg onaantastbaar. Een grens die de feitenrechter daarbij in acht moet nemen is dat bij de selectie van de gegevens die hij wil gebruiken bij de straftoemeting, deze moeten zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Dit maakt dat de rechter alles wat ter terechtzitting is verklaard of wat in de gedingstukken is neergelegd, in aanmerking mag nemen. Ook mag de rechter letten op zaken als de proceshouding van de verdachte, de gegevens die met de persoon van de verdachte samenhangen, het morele verwijt en factoren die verband houden met de ernst van het feit zoals het ingetreden gevolg. Dergelijke vaststellingen moeten evenwel begrijpelijk zijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">104.</span>Voor zover de steller van het middel betoogt dat de raadsvrouw in hoger beroep naar voren heeft gebracht dat geen acht moet worden geslagen op het feit dat de verdachte lid van het parlement is geweest, berust dit op een onjuiste lezing van de pleitnota. Meer dan dat het Gerecht ‘in ogenschouw heeft genomen dat de verdachte een maatschappelijke functie bekleedt’ en dat de verdachte ‘ten tijde van een deel van de ten laste gelegde belastingjaren als parlementariër heeft gefungeerd’ is in dit verband door de raadsvrouw in haar pleitnota, en (mondeling) in aanvulling daarop, niet aangevoerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">105.</span>Dit brengt mij meteen bij deelklacht (1) dat het hof zou hebben miskend dat de bewezenverklaarde feiten en de door het hof gesuggereerde benadeling van de staatskas plaatsvonden voordat de verdachte zich als parlementslid verkiesbaar stelde en voordat hij parlementslid was. Er zou volgens de steller van het middel geen (temporeel) verband zijn tussen de voorbeeldfunctie die de verdachte had en het inkomen dat hij als parlementariër genoot aan de ene kant en de bewezenverklaarde feiten c.q. de benadeling van de gemeenschapskas aan de andere kant.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">106.</span>Wat op dit onderdeel precies mis zou zijn met de strafmotivering, ontgaat mij. Blijkens bewijsmiddel 8 is (of was) de verdachte op 26 september 2016 parlementslid geworden. De opvatting dat de bewezenverklaarde feiten reeds daarvoor waren voltooid, berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Bewezenverklaard onder feit 1 is immers dat de verdachte zich in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2017 schuldig heeft gemaakt aan het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte inkomstenbelasting. Het forse inkomen waarover het Hof spreekt, genoot de verdachte dus gedurende ruim een jaar in die tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode. De verdediging heeft dit overigens niet bestreden. Integendeel, zij erkent in haar pleitnota (zie hierboven randnummer 101) dat de verdachte “ten tijde van een deel van de ten laste gelegde belastingjaren als parlementariër heeft gefungeerd”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">107.</span>De overweging van het hof dat het de verdachte zwaar aanrekent dat hij in de periode toen hij zich als parlementslid verkiesbaar stelde en in de periode dat hij daadwerkelijk parlementslid was, enerzijds als vertegenwoordiger van de inwoners van Sint Maarten een voorbeeldfunctie in de maatschappij vervulde en (kort) als parlementariër een fors inkomen uit de gemeenschapskas ontving en anderzijds zich er niets aan gelegen heeft laten liggen om diezelfde maatschappij en diezelfde gemeenschapskas fors te benadelen, is derhalve geenszins onbegrijpelijk. De toevoeging van de steller van het middel dat de verdachte kort na zijn aantreden als parlementariër “schoon schip heeft gemaakt”, maakt dat niet anders (nog daargelaten dat ‘schoon schip heeft moeten maken’ hier wellicht meer op zijn plaats zou zijn); de eerste aangiften inkomstenbelasting zijn immers pas op 19 december 2017 door de belastingdienst ontvangen (bewijsmiddel 5).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">108.</span>Ook – ad (ii) – zou de strafmotivering onbegrijpelijk zijn vanwege de overweging van het Hof dat de verdachte “tot en met zijn hoger beroep geen enkel inzicht [heeft] gegeven in zijn handelen, laat staan dat hij op overtuigende wijze spijt heeft betoond”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">109.</span>Door de steller van het middel wordt dienaangaande betoogd dat de verdachte met zijn in hoger beroep afgelegde verklaring, maar ook met de als bewijsmiddel 8 gebruikte verklaring van de verdachte (die inhoudt dat hij zijn belastingaangiften nog niet had ingediend en na zijn aantreden als parlementslid aan de boekhoudster had gevraagd om zijn belastingpapieren op orde te brengen), wel inzicht in zijn handelen heeft gegeven, terwijl de verdachte bovendien heeft aangegeven dat hij een slechte gewoonte heeft gehad en daarmee ‘beter laat dan nooit’ heeft willen afrekenen teneinde aan de wet te voldoen. In dit verband verwijst de steller van het middel naar de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3447, NJ 2006/303 m.nt. Buruma en naar de betrekkelijk recente conclusie van mijn ambtgenoot Keulen vóór HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:786.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">110.</span>Allereerst verwijs ik naar hetgeen ik in randnummer 103 heb vooropgesteld. Voorts kan ik noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof, noch uit bewijsmiddel 8 opmaken dat de verdachte heeft verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen en het laakbare daarvan heeft ingezien. Bovendien heeft het Hof overwogen dat de verdachte niet op overtuigende wijze spijt heeft betoond. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, waarbij ik mede in aanmerking neem dat de verdachte op de terechtzitting op wezenlijke vragen heeft geantwoord ‘dat hij zich allerlei dingen niet meer weet te herinneren’, ‘dat hij slecht is in het zich herinneren van data en bedragen’, ‘dat hij het niet meer precies weet’, ‘dat hij zich niet meer kan herinneren dat hij een 1,1 miljoen dollar in contanten heeft opgenomen’ (!), of een beroep op zijn zwijgrecht doet.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het staat de verdachte uiteraard vrij om die antwoorden te geven en zijn zwijgrecht in te roepen, maar het gaat dan toch wel wat ver om daaruit een spijtbetuiging te destilleren, en dit wordt niet anders doordat de verdachte ook heeft verklaard niet weg te willen lopen voor zijn verantwoordelijkheden en aan de wet te willen voldoen. Die proceshouding van de verdachte verklaart tevens waarom de vergelijking met de zaak in HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3447, NJ 2006/303, m.nt. Buruma en met de conclusie van advocaat-generaal Keulen voorafgaand aan HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:786 mank gaat. De strafmotivering is dan ook evenmin onbegrijpelijk ten aanzien van dit onderdeel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">111.</span>Het middel faalt in beide onderdelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">VIII. Slotsom 112. Alle middelen falen. Naar het mij voorkomt kunnen in ieder geval het tweede, het vierde en het vijfde middel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">113.</span>Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">114.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De woorden “op 19 december 2017” zijn door het Hof in bewijsmiddel 5 toegevoegd. Ook heeft het Hof in de laatste regel van, de hier niet weergegeven, voetnoot 12 toegevoegd: “de documenten L, M, N en O”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene landsverordening landsbelastingen is de in de landsverordening aangegeven citeertitel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik, A-G, begrijp HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6922, NJ 2010/199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik, A-G, begrijp HR 22 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1760, NJ 2001/699.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor die overwegingen randnummer 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook: P. Kavelaars, J. Adeler, D. Beeks en J. Lopez Ramirez, Het fiscale stelsel in het Caribisch Koninkrijk, Den Haag: Sdu Uitgevers 2018 (in het bijzonder p. 536-537).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegevoegd na een amendement-Omzigt is – kort gezegd – dat het recht tot strafvervolging niet vervalt indien de inkeer betrekking heeft op respectievelijk inkomen uit aanmerkelijk belang dan wel uit sparen en beleggen in het buitenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover mijn conclusie vóór HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:267.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uniek is zij niet. Zie voor andere voorbeelden: art. 184 j° art. 7, eerste lid en onder a, WVW (doorrijden na een aanrijding) en, in het commune strafrecht, art. 53-54 Sr (drukpersdelicten), art. 54a Sr (serviceproviders) en art. 192d Sr (leden Staten-Generaal, minister of staatssecretaris).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader J.M. Sitsen, ‘Inkeren: hoe werkt dat eigenlijk?’, FTV 2005/4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3 (MvT), p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft art. 49, derde lid, ALL StM zijn dat de Inspecteur, de Directeur van de Stichting Overheids Belasting Accountants Bureau, de Ontvanger en de door hen aangewezen ambtenaren of personen (art. 48, tweede lid, ALL). De Ontvanger is een zelfstandig bestuursorgaan binnen de overheid die met de invordering van belastingen is belast; zie Kavelaars, Adeler, Beeks en Lopez Ramirez, a.w., p. 501.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.E.C.A. Valkenburg en J.H. van der Werff, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, zesde herziene druk, Deventer: Kluwer 2019, p. 78.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J. Wattel, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Fiscale studieserie nr. 25, tweede herziene druk, Deventer: FED BV 1989/1990, p. 156 en 157.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie J. den Boer, R.J. Koopman en P.J. Wattel, Fiscaal commentaar, Algemeen belastingrecht, Deventer: Kluwer 1999, p. 642.</p>\n<p class=\"lf-p\">In vakstudie 01, Algemeen deel, art. 69 AWR, aant. 13.4 wordt opgemerkt dat de fiscale kamer in het arrest van 2 mei 2001, BNB 2001/319 de terminologie 'weet of redelijkerwijs moet vermoeden' zodanig uitlegt dat de belastingplichtige objectief gezien niet redelijkerwijs behoefde te vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend was of bekend zou worden, en dat in de jurisprudentie van de strafkamer van de Hoge Raad (thans) eenzelfde formulering wordt gebruikt. Zie daarover ook mijn conclusie vóór HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:267.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de strafrechtelijke inkeerregeling staat de fiscale inkeerregeling. De fiscale regeling is in Sint Maarten opgenomen in art. 26 ALL. Dit artikel is vergelijkbaar met de Nederlandse fiscale inkeerregeling ‘van’ art. 67n AWR. Art. 26 ALL StM luidt: “Ingeval een belastingplichtige of inhoudingsplichtige alsnog een juiste en volledige aangifte doet dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat een of meer ambtenaren van de Belastingdienst de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt in plaats van een vergrijpboete een verzuimboete opgelegd van ten hoogste 15%”. Zie over art. 26 ALL (en art. 8 MBAB), de fiscale inkeerregeling, de vergrijpboete en de verzuimboete: Kavelaars, Adeler, Beeks en Lopez Ramirez, a.w., p. 537.</p>\n<p class=\"lf-p\">Staat deze conclusie in relatie met de strafrechtelijke inkeerregeling, dan is zij wel heel snel getrokken. Wordt gedoeld op de fiscale inkeerregeling, dan is dit niet anders. Volgens Kavelaars, Adeler, Beeks en Lopez Ramirez, a.w., p. 537, is voor een beroep op de (fiscale) inkeerregeling namelijk “nog steeds vereist dat de verbetering uit eigen beweging dient te geschieden en geen sprake mag zijn van de wetenschap van een aanstaand boeken- of specifiek brancheonderzoek”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Valkenburg en Van der Werff, a.w., p. 70. In die zin ook Vakstudie 01, Algemeen deel, art. 69 AWR, aant. 13.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook HR 18 september 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1308, NJ 1991/347.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2001 hebben de belastingdienst en het openbaar ministerie samen beleid ontwikkeld in verband met de inkeer met betrekking tot niet-fiscaal verantwoorde buitenlandse rekeningen. Dit rekeningenproject was erop gericht om verborgen buitenlandse banktegoeden van Nederlandse ingezetenen boven water te krijgen. Zie ook Valkenburg en Van der Werff, a.w., p. 77 en 248.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8711.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof, heeft de verdachte onder meer op dat punt niet willen verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door het Hof niet overgenomen overweging van het Gerecht luidt: “De raadsvrouw kan worden toegegeven dat het voorgaande strikt genomen onverlet laat dat de processen-verbaal over de bedoelde fiscale delicten aan de Directeur moeten worden gezonden (artikel 55, tweede lid, eerste volzin). Het openbaar ministerie heeft daaraan in zoverre voldaan dat het met betrekking tot de verdachte opgemaakte relaasproces-verbaal is verzonden naar belastingcontroleur [betrokkene 5] (afdeling Controle en Opsporing van de Belastingdienst Sint Maarten) en dat daarvan bij brief van 24 november 2017 melding is gemaakt bij degene die als de Directeur moet worden aangemerkt, te weten het Hoofd van de Belastingdienst Sint Maarten [betrokkene 6].</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het openbaar ministerie hiermee niet aan de geformuleerde verplichting heeft voldaan, moet de ernst daarvan behoorlijk worden genuanceerd. De Directeur had de processen-verbaal tenslotte linea recta moeten terugzenden (artikel 55, tweede lid, tweede volzin). Niet valt in te zien welk rechtens te respecteren belang van de verdachte daarmee zou kunnen zijn gediend. De wetgever heeft deze zinledige exercitie hoogstwaarschijnlijk ook niet voor ogen gehad. Uit de memorie van toelichting bij de oorspronkelijke regeling leidt het Gerecht af dat de wetgever met artikel 55 vooral de opsporing door belastingambtenaren, opererend onder de verantwoordelijkheid en aansturing van de Inspecteur en/ of de Directeur, heeft beoogd te reguleren. Die situatie is hier duidelijk niet aan de orde.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof verwijst in een noot naar de Landsverordening houdende algemene bepalingen van formeel belastingrecht (Algemene landsverordening landsbelastingen), PB. 2001, no. 89 en citeert de toelichting bij art. 55. Zie voor dat citaat hierna randnummer 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dezelfde zin HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1975.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het hierboven geciteerde art. 413, vijfde lid onder c, Sv StM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1964 (rov. 2.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 183.</p>\n<p class=\"lf-p\">Staten van de Nederlandse Antillen, Zitting 2000-2001, 2446, nr. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Valkenburg en Van der Werff, a.w., p. 170 en 171 spreken in dit verband wel van een dubbele opportuniteitstoets. Volgens hen is het openbaar ministerie hier geen dominus litis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 9 juni 1987, ECLI:NL:HR:AC0921, NJ 1988/583, m,nt. Van Veen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is de Directeur der belastingen, aldus art. 2, tweede lid, onder a, ALL StM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook de (Nederlandse) memorie van toelichting bij art. 80 AWR: “Een doeltreffende werkverdeling vraagt, dat de processen-verbaal worden ingezonden bij het bestuur van 's Rijks belastingen. Dit geldt niet alleen voor het meest voorkomende geval, dat het proces-verbaal is opgemaakt door een ambtenaar van die dienst, doch ook indien bij uitzondering de opsporing is verricht door een ambtenaar, als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering” (Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 27; in dezelfde zin het vroegere Nederlandse Besluit van 3 mei 1993, nr. AFZ 93/133M). Art. 141 Sv Ned. wijst aan wie in Nederland met de opsporing van strafbare feiten zijn belast; dit zijn onder anderen de officier van justitie en ambtenaren van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel doelt klaarblijkelijk alleen op art. 49 ALL StM. Daarop zal ik mij in het vervolg dan ook richten. Overigens gelden mijn opmerkingen mutatis mutandis evenzeer als art. 49 ALL NA erbij betrokken zou (moeten) worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voetnoot houdt in: “Niet van voormeld einddossier deel uitmakende geschriften, te weten de maandelijkse aangiften Belasting op de Bedrijfsomzetten (Tumover Tax), ingebracht door de verdediging op 12 maart 2018, gemarkeerd als documenten B.I tot en met B.XII, C.III, C.IV, C.VI, C.VII, C.IX tot en met C.XX, D.I tot en met D.XII, E.I tot en met E.XII, F.II, F.Ill, F.V. tot en met F.XXII, G.I tot en met G.XII, H.II tot en met H.XVI en I.I tot en met I.XII. Opgemerkt wordt dat na de eerste reeks aangiften ook een aantal gecorrigeerde aangiften is binnengekomen (op 3 januari 2018 aangiften over de maanden november 2012 en augustus 2015 en op 2 februari 2018 aangiften over de maanden juni, augustus en september 2010, de maanden mei, juni, juli, augustus, september, oktober en december 2012 en opnieuw de maand augustus 2015). Voor het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is dat evenwel niet relevant.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gezegd (zie voetnoot 1) zijn de woorden “op 19 december 2017” door het Hof hier toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover met name ook Kavelaars, Adeler, Beeks en Lopez Ramirez, a.w., p. 423-425, p. 434-443 en (wat betreft het formeel belastingrecht) p. 497 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover Kavelaars, Adeler, Beeks en Lopez Ramirez, a.w., p. 505 e.v. en p. 557 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.C.G. Okhuizen en L.J.A. Pieterse (red.), Hoofdzaken formeel belastingrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2020, p. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kavelaars, Adeler, Beeks en Lopez Ramirez, a.w., p. 513. Zie ook Okhuizen en Pieterse, a.w., p. 110.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld “15” in plaats van thans (uitgeschreven) “vijftien”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 15 december 2016, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112, m.nt. Van Leijenhorst. Zie over de fiscaal-bestuurlijke verzuimboete in Sint Maarten nader Kavelaars, Adeler, Beeks en Lopez Ramirez, a.w., p. 531 (en over de vergrijpboete, p. 533).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zou in deze zaak zo een verzuimboete wel door de inspecteur zijn opgelegd, dan was het una via-beginsel in beeld gekomen. Zie daarover Kavelaars, Adeler, Beeks en Lopez Ramirez, a.w., p. 535-536 en Okhuizen en Pieterse, a.w., p. 477 e.v..</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook art. 69 AWR, waarmee art. 49 ALL overeenkomsten vertoont (zie randnummers 12 en 70), kent deze eis niet. Zie Okhuizen en Pieterse, a.w., p. 471.</p>\n<p class=\"lf-p\">De steller van het middel verwijst in dit verband naar art. 12 LBB. Dat zal een vergissing zijn. De “Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940” speelt in deze zaak geen rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">De steller van het middel wijst kennelijk per abuis op bewijsmiddel vijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 8 ALL is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met art. 10 AWR. Art. 10, eerste lid, AWR zegt evenwel dat “met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, de aangifte [wordt] gedaan bij de inspecteur of de ontvanger die is vermeld in de uitnodiging tot het doen van aangifte”. Ingevolge art. 10 AWR ontstaat de aangifteplicht pas nadat aan de belastingplichtige door de inspecteur een uitnodiging is gestuurd tot het doen van aangifte; zie daarover nader Okhuizen en Pieterse, a.w., p. 403.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Dorst, a.w., p. 264-265.</p></div>", "next": 0}