{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">64.</span>Uit de overwegingen die Uw Raad in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. Rozemond heeft geformuleerd, volgt dat het aan het openbaar ministerie is om bewijs aan te dragen van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het ‘niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is’. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag volgens Uw Raad van de verdachte worden verlangd ‘dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is’.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat houdt volgens Uw Raad niet in ‘dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is’. Een verklaring die, in een situatie waarin geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, ook bij juistheid niet impliceert dat het voorwerp een legale herkomst heeft, voldoet evenwel niet aan de eisen die Uw Raad in voormelde overweging stelt. Tegen die achtergrond heeft het hof bij de beoordeling van de alternatieve verklaring die de verdachte naar voren heeft gebracht kunnen betrekken ‘dat deze verklaring, indien al juist, niets zegt over de (legale) herkomst van het vermogen’. Uit die overweging volgt niet dat het hof heeft geoordeeld dat het op de weg van de verdachte ligt om de legale herkomst van het vermogen van zijn ouders aannemelijk te maken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>De steller van het middel klaagt voorts over ’s hofs overweging voor zover inhoudend dat de verdediging niet concreet heeft toegelicht en met geen enkel schriftelijk stuk heeft onderbouwd hoe de vader van de verdachte vermogen heeft opgebouwd, hoe en wanneer dit vermogen te gelde is gemaakt en op welke wijze dit vermogen ruim twee jaar na diens overlijden in de vorm van cashstortingen op zijn Belgische bankrekening terecht is gekomen. Het hof zou daarmee hebben miskend dat het niet aan de verdediging is om de opbouw van het vermogen van zijn ouders te onderbouwen. En de raadsman zou uitdrukkelijk onderbouwde standpunten omtrent de (buitenlandse) bankrekeningen hebben betrokken die wel degelijk concreet zijn, nu ‘met zoveel mogelijk precisie is uiteengezet wanneer de desbetreffende bankrekeningen zijn geopend, wat de achtergrond daarvan was en welke fluctuaties op die rekeningen hebben plaatsgevonden’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">66.</span>Zoals aangegeven heeft het hof bij de beoordeling van de verklaring die de verdachte naar voren heeft gebracht kunnen betrekken dat deze verklaring, indien al juist, niets zegt over de (legale) herkomst van het vermogen. Datzelfde geldt voor de uiteenzettingen die de raadsman van de verdachte in zijn op 19 en 20 februari 2019 gehouden pleidooi heeft gegeven omtrent de buitenlandse bankrekeningen. De raadsman is daarin eerst ingegaan op de Belgische bankrekeningen van [betrokkene 12] bij BNP Paribas Fortis (rekeningen [014] en [017] ). Hij heeft gesteld dat deze rekeningen in 1968 in Antwerpen zijn geopend, dat daarop vanaf de opening tot en met 1997 is gehandeld in valuta en na 1997 in beursgenoteerde aandelen en dat in 1998 door [betrokkene 12] een groot bedrag is overgemaakt naar de rekening van [betrokkene 14] .</div>\n<p class=\"lf-p\">Inzake die bankrekening van [betrokkene 14] (rekeningnummer [015] ) heeft de raadsman gesteld dat de grootte van het overgemaakte bedrag (NFL 2.500.000,-) en de reden voor overmaking was gelegen in politieke ontwikkelingen in Suriname, zonder de relevantie van die ontwikkelingen voor een transactie waarbij de gelden op naam van [betrokkene 14] kwamen zonder het eigendom over te dragen nader te duiden. Bij de bankrekening van [betrokkene 15] (rekeningnummer [016] ) vermeldt de raadsman dat de gelden op de BBL nummerrekening van [betrokkene 12] in 1992 zijn overgemaakt op deze rekening terwijl de eigendom bij [betrokkene 12] bleef. De Luxemburgse bankrekeningen van [betrokkene 11] , echtgenote van [betrokkene 12] (rekeningnummers [008] , [009] , [010] en [011] ) zouden ‘aanvankelijk door de bank abusievelijk geopend’ zijn op naam van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze rekeningen zouden tot 1991 gelden zijn bijgeschreven, daarna niet meer. De Luxemburgse bankrekening van [betrokkene 12] (rekeningnummer [012] ) zou zijn geopend in 1982, na opening zouden nooit bij- en/of afschrijvingen naar andere bankrekeningen dan wel in contanten hebben plaatsgevonden. Op de bankrekening van [betrokkene 13] , echtgenote van de verdachte, bij de Commerzbank (rekeningnummer [013] ) zouden (aldus de raadsman) gelden staan afkomstig van een rekening die [betrokkene 12] in 1982 heeft geopend bij de Dresdner bank in Düsseldorf. Ook hier zouden ‘na ontstaan van het beginkapitaal in de jaren ‘80’ nooit bij- en/of afschrijvingen naar andere bankrekeningen dan wel in contanten hebben plaatsgevonden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">67.</span>Uit het betoog van de raadsman kan worden afgeleid dat deze inderdaad standpunten heeft betrokken inzake de momenten waarop rekeningen zijn geopend, de achtergrond daarvan en fluctuaties op die rekeningen. Dat doet evenwel in geen enkel opzicht af aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel dat de verdediging niet concreet heeft toegelicht en met geen enkel schriftelijk stuk heeft onderbouwd hoe de vader van de verdachte vermogen heeft opgebouwd, hoe en wanneer dit vermogen te gelde is gemaakt en op welke wijze dit vermogen ruim twee jaar na diens overlijden in de vorm van cashstortingen op zijn Belgische bankrekening terecht is gekomen. De precisie waarmee het openen van rekeningen en sommige latere overschrijvingen worden weergegeven, maakt daarbij dat nog meer in het oog springt dat voor de herkomst van de gestorte gelden en de ratio van deze vermogensspreiding geen (aannemelijke) verklaring wordt gegeven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">68.</span>De steller van het middel klaagt vervolgens over ’s hofs overweging, inhoudend dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een groot legaal verworven inkomen uit een of meer concreet aangeduide legale bronnen of van (te gelde gemaakt) vermogen waaruit de saldi op de buitenlandse bankrekeningen op naam van de vader van de verdachte kunnen worden verklaard. Deze overweging zou onbegrijpelijk zijn in het licht van hetgeen de raadsman van de verdachte naar voren heeft gebracht: als de vader van de verdachte reeds in 1968, toen de verdachte minderjarig was, in België bankrekeningen heeft geopend en ook nadien op naam van de ouders van de verdachte verschillende bankrekeningen zijn geopend en daarop forse bedragen zijn geboekt, zou bezwaarlijk kunnen worden volgehouden dat de ouders van de verdachte geen groot inkomen of vermogen hadden. In elk geval had het hof volgens de steller van het middel nader dienen te motiveren waarom deze concrete bankrekeningen er volgens het hof niet op duiden dat de ouders van de verdachte over een groot inkomen of vermogen beschikten. Voorts zou ook deze overweging onbegrijpelijk zijn in het licht van de bewijslastverdeling die bij de beoordeling van witwassen in acht moet worden genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">69.</span>Het hof heeft uit het dossier afgeleid dat [betrokkene 12] over enkele percelen in Suriname beschikte en dat hij inkomen heeft genoten uit landbouwwerkzaamheden. Volgens het hof is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een groot legaal verworven inkomen uit een of meer concreet aangeduide legale bronnen of van (te gelde gemaakt) vermogen waaruit de saldi op de buitenlandse bankrekeningen op zijn naam verklaard kunnen worden. Het hof wijst er daarbij op dat het perceel van 2,3 hectare aan de [o-straat 1] in 1961 door [betrokkene 12] , die landbouwer was, is gekocht met een lening van 4.500 Surinaamse guldens, verstrekt door een familielid, en dat die lening door 4 jaar lang heel hard te werken is afgelost.</div>\n<p class=\"lf-p\">En dat de taxatiewaarde in 2018 van dit perceel geen verklaring kan opleveren voor de herkomst van de stortingen op rekening [017] , die meer dan tien jaar vóór de taxatie plaatsvonden en dit perceel toen in ieder geval (nog) niet te gelde was gemaakt. Het hof neemt voorts in aanmerking dat tot 2010 geen van de betrokkenen bij de onderhavige strafzaak heeft verklaard over het bestaan van een familiekapitaal. Het hof wijst daarbij in het bijzonder op verklaringen die de verdachte en zijn echtgenote in het kader van het AMFI-onderzoek (in 2004) hebben afgelegd. Het hof attendeert er ten slotte op dat het dossier sterke aanwijzingen bevat dat [betrokkene 12] juist niet vermogend was, en wijst daarbij op een verklaring van een broer van de verdachte waaruit volgt dat [betrokkene 12] ‘tamelijk arm was en schulden had’, en op de verklaring van een zus van de verdachte dat ‘hun vader in Suriname een kleine landbouwer was en niet vermogend was’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof noemt ook een door de broer van de verdachte bij de politie getoonde verklaring van minvermogen van zijn vader uit 1998.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">70.</span>Het hof heeft uit deze feiten en omstandigheden kunnen afleiden dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een groot legaal verworven inkomen uit een of meer concreet aangeduide legale bronnen of van (te gelde gemaakt) vermogen waaruit de saldi op de buitenlandse bankrekeningen op naam van de vader van de verdachte kunnen worden verklaard. Aan de begrijpelijkheid van deze overweging doet niet af dat [betrokkene 12] de bedoelde bankrekening in 1968 zou hebben geopend. Daarbij neem ik in aanmerking dat de enkele omstandigheid dat een bankrekening wordt geopend niet impliceert dat daar een groot bedrag op staat. Ik neem voorts in aanmerking dat, zoals ook de onderhavige zaak leert, de enkele omstandigheid dat een bedrag op een bankrekening staat, nog niet betekent dat dit bedrag feitelijk in eigendom toebehoort aan degene op wiens naam de rekening staat. ’s Hofs overweging is ook niet onbegrijpelijk in het licht van de bewijslastverdeling die bij de beoordeling van witwassen in acht moet worden genomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Nu de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen ‘dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is’. Dat de vader van de verdachte de bankrekening waarop de cashstortingen hebben plaatsgevonden in 1968 heeft geopend en dat nadien bankrekeningen zijn geopend waarop forse bedragen zijn gestort, levert niet een dergelijke verklaring op. Tot nadere motivering was het hof in het licht van het aangevoerde niet gehouden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">71.</span>De steller van het middel klaagt tevens over ’s hofs overweging, inhoudend dat het taxatierapport niet aannemelijk maakt dat de ouders van de verdachte beschikten over een groot legaal inkomen of vermogen. De explosieve stijging van de waarde van het perceel (van 4.500 Surinaamse guldens naar meer dan € 2.000.000,-) zou inzicht geven in ‘de (legale) opbouw van het familiekapitaal’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">72.</span>Het hof heeft overwogen dat niet is aangetoond dat het perceel waarop het taxatierapport betrekking heeft ten tijde van de verwerving al een substantiële waarde vertegenwoordigde, terwijl de taxatiewaarde van dit perceel bovendien geen verklaring kan opleveren voor de herkomst van de stortingen op rekening [017] , die meer dan tien jaar vóór de taxatie plaatsvonden en dit perceel toen in ieder geval (nog) niet te gelde was gemaakt. Die overweging is niet onbegrijpelijk. Dat de vader van de verdachte dit perceel in 1961 gekocht heeft, met een lening, en deze in vier jaar heeft afbetaald, en dat het perceel nadien in zijn bezit en dat van zijn erfgenamen gebleven is, biedt geen inzicht in eventuele andere onderdelen van ‘het familiekapitaal’ en de al dan niet legale verwerving daarvan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">73.</span>De steller van het middel klaagt eveneens over ’s hofs oordeel dat geen van de betrokkenen in de onderhavige strafzaak voor 2010 heeft verklaard over een familiekapitaal. Hij wijst daarbij op de door de raadsman van de verdachte besproken verklaringen die [betrokkene 19] en diens echtgenote [betrokkene 8] in 2004 en 2005 hebben afgelegd. Concreet voert hij aan dat [betrokkene 19] in 2004 heeft verklaard dat hij in 1985 een bedrag van 500.000 Nederlandse guldens, dat van zijn ouders was, naar Nederland heeft gebracht. En dat [betrokkene 8] in 2005 deze verklaring heeft bevestigd en heeft verklaard dat haar man uit een rijke familie komt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">74.</span>Het hof heeft in aanmerking genomen dat ‘tot 2010 geen van de betrokkenen bij de onderhavige strafzaak heeft verklaard over het bestaan van een familiekapitaal’. Daarbij wijst het hof erop dat de verdachte in het kader van het AMFI-onderzoek in 2004 meermalen is verhoord en herhaaldelijk een verklaring heeft afgelegd over hoe hij is begonnen met zijn werkzaamheden in het onroerend goed, maar daarbij niets heeft verklaard over familiekapitaal of een onverdeelde boedel. En het hof wijst erop dat de echtgenote van de verdachte in dat onderzoek meermalen is verhoord over de aankoop van huizen binnen de familie en toen evenmin iets heeft verklaard over familiekapitaal of een onverdeelde boedel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">75.</span>Tegen de achtergrond van ’s hofs overweging en de door de steller van het middel aangestipte verklaringen van [betrokkene 19] en [betrokkene 8] lees ik ’s hofs overweging zo dat het hof in het bijzonder het oog heeft gehad op verklaringen die zijn afgelegd door de verdachte en zijn echtgenote. En dat het hof daarbij in het bijzonder betekenis heeft gehecht aan de omstandigheid dat de verdachte heeft verklaard ‘dat hij vanaf het moment dat hij in Nederland woont een huis heeft gekocht met een hypotheek, dat hij hierna nog een huis heeft gekocht met een hypotheek en dat heeft verhuurd en zo verder is gekomen’. Dat het hof mede op grond van eerder door de verdachte en zijn echtgenote (en andere medeverdachten dan [betrokkene 19] en [betrokkene 8] ) afgelegde verklaringen het bestaan van een (legaal) familiekapitaal niet aannemelijk heeft geacht, is niet onbegrijpelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>De steller van het middel klaagt ten slotte over ’s hofs overweging dat het dossier sterke aanwijzingen bevat dat de vader van de verdachte juist niet vermogend was. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn omdat het hof voorbij is gegaan aan het standpunt dat de ouders van de verdachte vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw bankrekeningen hebben geopend en dat de broer van de verdachte in 1985 een aan zijn ouders toebehorend bedrag van NLG 500.000 naar Nederland heeft gebracht. Dat het hof betekenis heeft toegekend aan de verklaringen van [betrokkene 16] en [betrokkene 28] zou nadere motivering behoeven ‘indien alleen al de opening van bankrekeningen vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw erop duidt’ dat de ouders van de verdachte wel degelijk vermogend waren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">77.</span>Het hof heeft overwogen dat het dossier sterke aanwijzingen bevat dat de vader van de verdachte ‘juist niet vermogend was’. Daarbij wijst het hof op de verklaring die [betrokkene 16] , een broer van de verdachte, op 15 januari 2019 bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. Het hof leidt uit die verklaring af dat de vader van de verdachte ‘tamelijk arm was en schulden had’. De verklaring van [betrokkene 28] , een zus van de verdachte, wijst volgens het hof in dezelfde richting. Het hof vermeldt ook dat [betrokkene 16] tijdens zijn verhoor bij de politie een ‘verklaring van minvermogen’ van zijn vader uit 1998 heeft getoond.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>Het hof heeft de verklaringen van [betrokkene 16] en [betrokkene 28] kunnen opvatten als sterke aanwijzingen dat de vader van de verdachte niet vermogend was. Dat het hof deze aanwijzingen uit bedoelde verklaringen heeft afgeleid behoefde geen nadere motivering in het licht van de stelling dat vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw bankrekeningen zouden zijn geopend door de ouders van de verdachte. Zoals aangegeven impliceert de enkele omstandigheid dat een bankrekening wordt geopend niet dat daar een groot bedrag op staat. Dat [betrokkene 19] daadwerkelijk in 1985 een aan de ouders van de verdachte toebehorend bedrag van NLG 500.000,- naar Nederland heeft gebracht is door het hof niet vastgesteld. Dat het hof geloof heeft gehecht aan de verklaringen van [betrokkene 16] en [betrokkene 28] – die, zoals het hof heeft overwogen, in zoverre niet stroken met de verklaringen van [betrokkene 19] – impliceert dat het hof geen geloof heeft gehecht aan de verklaringen van laatstgenoemde. Dat behoefde geen nadere toelichting, in aanmerking genomen dat de selectie en waardering van bewijsmateriaal binnen de door het recht getrokken grenzen aan het hof is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">79.</span>Ten overvloede wijs ik erop dat ook in het geval het hof wel van de juistheid van de verklaring van [betrokkene 19] zou zijn uitgegaan (voor zover inhoudend dat hij NLG 500.000,- heeft vervoerd), dat niet zou afdoen aan de toereikendheid van ’s hofs bewijsconstructie. Ook van deze verklaring kan gezegd worden dat zij ‘indien al juist, niets zegt over de (legale) herkomst van het vermogen’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">80.</span>Al met al is ’s hofs oordeel dat de door de verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van de onder 1 tenlastegelegde voorwerpen, te weten dat deze voortkomen uit het familiekapitaal, onvoldoende concreet, mede daardoor niet verifieerbaar en overigens op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, ook in het licht van de standpunten die de raadsman van de verdachte in dat kader heeft betrokken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">81.</span>De tweede deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">82.</span>De derde deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte voor de beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde relevante verzoeken heeft afgewezen, althans zijn beslissing op deze verzoeken onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Zoals reeds vermeld, gaat het – kort gezegd – om (1) het horen van getuigen over het familiekapitaal, (2) onderzoek naar Surinaamse bankrekeningen, (3) onderzoek naar de in de tenlastelegging genoemde bankrekeningen en (4) het horen van bankmedewerkers.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">83.</span>Vooropgesteld kan worden dat deze deelklacht zich blijkens de toelichting enkel keert tegen de afwijzing van de verzoeken bij arrest en niet tegen de ter terechtzitting van 11 mei 2017 medegedeelde beslissingen op de onderzoekswensen. Deze deelklacht ziet blijkens de toelichting evenmin op het oordeel van het hof dat wordt afgezien van de hernieuwde oproeping van de getuige [betrokkene 7] op de grond dat onaannemelijk is dat deze getuige ter terechtzitting zal verschijnen ‘teneinde daar alsnog een inhoudelijke verklaring af te leggen’. De steller van het middel richt zijn pijlen op de hiervoor weergegeven overwegingen van het hof in het arrest onder het kopje ‘3.2.5 Onderzoekwensen betreffende familiekapitaal’. In die overwegingen ligt besloten dat het hof ten aanzien van de in het middel bedoelde verzoeken het noodzakelijkheidscriterium als maatstaf heeft gehanteerd. De steller van het middel klaagt – terecht – niet over die door het hof gehanteerde maatstaf.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">84.</span>De steller van het middel voert aan dat aan ’s hofs afwijzing drie overwegingen ten grondslag liggen. De eerste houdt in dat nader onderzoek niet aan de orde is ‘bij gebrek aan concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke informatie op dat punt’. Tegen die overweging voert de steller van het middel aan dat de verdachte zich in een Catch 22-situatie zou bevinden. Enerzijds zou de verdachte worden tegengeworpen dat de gepresenteerde informatie ontoereikend is om als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te worden geduid en anderzijds zou hem geen mogelijkheid worden geboden om de verklaring aan de hand van getuigenverhoren en nader onderzoek zodanig vorm en inhoud te geven dat kan worden voldaan aan de door het hof gestelde maatstaf. Gegeven de onderbouwde standpunten van de verdediging zou ’s hofs overweging onbegrijpelijk en in elk geval onvoldoende gemotiveerd zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">85.</span>Uit de beslissingen op de onderzoekswensen van de verdachte en de toelichting op die beslissingen die de voorzitter van het gerechtshof op 11 mei 2017 heeft medegedeeld blijkt dat niet gesteld kan worden dat aan de verdediging geen mogelijkheden tot (nader) onderzoek zijn geboden. De voorzitter deelt eerst de namen mede van 44 getuigen die in eerste aanleg in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris zijn gehoord, sommigen – onder wie [betrokkene 6] – meermalen. Onder de reeds gehoorde getuigen bevinden zich ook [betrokkene 8] , [betrokkene 19] , [betrokkene 15] en [betrokkene 13] . De verzoeken van de verdachte om ook in hoger beroep getuigen (opnieuw) te doen horen zijn vervolgens op grond van verschillende argumenten afgewezen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering betreft het verzoek tot het verhoor van de getuige [betrokkene 8] ; dat verzoek heeft het hof toegewezen omdat deze getuige weliswaar in eerste aanleg bij de rechter-commissaris is gehoord, maar zich daar feitelijk alleen op haar zwijgrecht heeft beroepen. Nadien zijn in hoger beroep ook verzoeken van de verdediging tot het – al dan niet nogmaals – horen van [betrokkene 19] , [betrokkene 13] en [betrokkene 16] (en andere getuigen) toegewezen. Deze getuigen zijn door de raadsheer-commissaris gehoord. Voor zover de steller van het middel heeft willen betogen dat geen mogelijkheden zijn geboden om door vragen te stellen aan getuigen het aangevoerde alternatieve scenario concreter, beter verifieerbaar en minder onwaarschijnlijk te maken, ontbeert het betoog derhalve feitelijke grondslag.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">86.</span>Dat het hof de afwijzing van de herhaalde getuigenverzoeken en andere onderzoekswensen in het bestreden arrest mede heeft gebaseerd op het oordeel dat het ‘nader onderzoek’ naar het bestaan van familiekapitaal of een onverdeelde boedel van wijlen [betrokkene 12] niet aan de orde acht ‘bij gebrek aan concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke informatie op dat punt’ moet mede in het licht van die eerdere mogelijkheden tot onderzoek worden begrepen. In het licht van de argumenten die aan de verzoeken ten grondslag zijn gelegd, behoefden aan de verdediging niet de verzochte additionele mogelijkheden tot onderzoek te worden geboden. Zo gelezen is de motivering van ’s hofs afwijzing ook in het licht van hetgeen door de raadsman van de verdachte aan de verzoeken ten grondslag is gelegd niet onbegrijpelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">87.</span>De steller van het middel klaagt voorts over ’s hofs overweging dat niet valt in te zien waarom het op de weg van het Openbaar Ministerie zou liggen om onderzoek te doen naar vermogensbestanddelen die liggen in de persoonlijke of familiesfeer van de verdachte, welke vermogensbestanddelen veel gemakkelijker door de verdachte dan door het Openbaar Ministerie kunnen worden blootgelegd. Deze overweging zou onbegrijpelijk zijn omdat nader onderzoek in opdracht van de rechter zou plaatsvinden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">88.</span>Dat het hof heeft overwogen dat het (kort gezegd) nader onderzoek van de kant van het Openbaar Ministerie niet aan de orde acht, valt terug te voeren op de overwegingen die Uw Raad in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. Rozemond heeft geformuleerd. Uw Raad spreekt daarin over een situatie waarin ‘de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is’. Van de verdachte mag in die situatie worden verwacht dat hij ‘een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is’. Indien de verdachte een dergelijke verklaring geeft, ligt het volgens Uw Raad ‘op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring’. De formulering van het hof kan tevens zijn ingegeven door de omstandigheid dat het hof, bij toewijzing van onderzoekswensen, voor de realisatie daarvan mede van inspanningen van het Openbaar Ministerie afhankelijk was geweest. Uit de bedoelde overweging kan niet worden afgeleid dat het hof zou hebben miskend dat nader onderzoek, indien één of meer verzoeken waren toegewezen, in opdracht van de rechter had plaatsgevonden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">89.</span>De steller van het middel meent voorts dat ’s hofs overweging onbegrijpelijk is omdat het gerechtshof niet heeft uitgelegd waarom de verdediging veel gemakkelijker dan het OM vermogensbestanddelen van de ouders van de verdachte kan blootleggen. Zo zou deze overweging miskennen dat de verdediging geen mogelijkheid heeft om bankmedewerkers op te roepen als getuigen, dat niet inzichtelijk is waarom de verdachte veel gemakkelijker dan het Openbaar Ministerie gegevens kan opvragen bij Surinaamse banken over bankrekeningen in de periode 1960-2000 en dat het verzoek tot het horen van zes getuigen van de eerste categorie bedoeld is om niet slechts aan de verdediging maar ook aan het Openbaar Ministerie en de rechter de gelegenheid te bieden om de alternatieve verklaring die de verdachte heeft gegeven te toetsen en te beoordelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">90.</span>Het hof heeft overwogen dat niet valt in te zien ‘waarom het op de weg van het Openbaar Ministerie zou liggen om onderzoek te doen naar vermogensbestanddelen die liggen in de persoonlijke of familiesfeer van de verdachte, welke vermogensbestanddelen om die reden nu juist veel gemakkelijker door de verdachte dan door het Openbaar Ministerie kunnen worden blootgelegd’. Uit deze overweging volgt niet dat het hof ervan is uitgegaan dat de verdediging, in het algemeen gesproken, onderzoeksmogelijkheden en -bevoegdheden ter beschikking staan waarover het Openbaar Ministerie niet beschikt. Voor zover het middel van die interpretatie van ’s hofs overweging uitgaat, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft met deze overweging tot uitdrukking gebracht dat het voor de verdachte gemakkelijker is dan voor het Openbaar Ministerie om informatie te achterhalen over de achtergrond van vermogensbestanddelen ‘die liggen in de persoonlijke of familiesfeer van de verdachte’. Zo gelezen is ’s hofs overweging niet onbegrijpelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">91.</span>De steller van het middel klaagt ten slotte over ’s hofs overweging dat niet valt in te zien wat uit de bankstukken of verklaringen van de bankmedewerkers meer kan blijken over de herkomst van de saldi op de bankrekeningen of daarop gestorte gelden dan wat de verdachte en zijn echtgenote daarover zelf kunnen verklaren. ’s Hofs overweging zou bezwaarlijk anders begrepen kunnen worden dan dat het gerechtshof enerzijds van oordeel is dat de verdachte en zijn echtgenote zelf over de bankrekeningen kunnen verklaren en dat het gerechtshof anderzijds van oordeel is dat stukken van de bedoelde bankrekeningen geen meerwaarde hebben. Dat zou zich niet met elkaar laten rijmen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">92.</span>Het hof heeft overwogen dat niet valt in te zien wat uit de door de verdediging bedoelde bankstukken of verklaringen van bankmedewerkers ‘méér kan blijken over de herkomst van de op de desbetreffende bankrekeningen staande saldi of daarop gestorte gelden dan wat de verdachte en zijn echtgenote zelf, als degenen aan wie deze rekeningen feitelijk toebehoren, daarover kunnen verklaren.’ Uit deze overweging volgt niet dat het hof van oordeel is dat stukken van de bedoelde bankrekeningen geen meerwaarde kunnen hebben. Nader onderzoek daarnaar met het oog op de volledigheid van het onderzoek is naar het oordeel van het hof evenwel niet noodzakelijk nu ook de verdachte en zijn echtgenote daarover kunnen verklaren (en zij daarover niet geloofwaardig hebben verklaard). ’s Hofs overweging sluit niet uit dat in het kader van de verificatie van een concrete en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte en zijn echtgenote – welke verklaring naar ’s hofs oordeel evenwel is uitgebleven – onderzoek naar bankstukken aan de orde had kunnen zijn. ’s Hofs overweging is (derhalve) niet innerlijk tegenstrijdig en ook overigens niet onbegrijpelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">93.</span>Al met al is – mede in het licht van de reeds in eerste aanleg en in hoger beroep op verzoek van de verdediging gehouden getuigenverhoren – het oordeel van het hof dat toewijzing van de in het middel bedoelde onderzoekswensen niet noodzakelijk is, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">94.</span>De derde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">95.</span>Bij het voorgaande komt nog het volgende. In de aanvulling op het verkort arrest heeft het hof onder de bewijsmiddelen een verklaring opgenomen die [betrokkene 39] op 20 juni 2014 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd (bewijsmiddel 7 van de ‘Algemene en op diverse onderdelen betrekking hebbende bewijsmiddelen’). Deze verklaring luidt als volgt: ‘Ik ben inspecteur van 's Rijks belastingen en als zodanig betrokken bij het project 'Waterstof'. (punt 21).</div>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb ambtshalve aanslagen opgelegd aan [verdachte] , zijn echtgenote en zijn kinderen. (punt 33).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belastingplichtige (Hof: het gaat over verdachte [verdachte] ) die al 20 jaar geen aangifte doet pleegt strafbare feiten. (punt 41).</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of ik ermee bekend ben tot wanneer de [familie] belastingaangiften heeft gedaan. Ik denk tot 1990. Ze doen al haast 20 jaar geen aangifte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als u stelt dat de laatste aangifte in 2002 zou zijn geweest, dan antwoord ik met: er waren toen geen biljetten ingeleverd. De Hoge Raad heeft in drie arresten geoordeeld dat er geen aangifte is binnengekomen. (punt 99).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn na de eeuwwisseling schikkingsonderhandelingen geweest tussen de belastingdienst en de [familie] . Daar is niets uitgekomen. (punt 100).</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of de belastingdienst een aanslag kan opleggen aan zowel de juridische als de economische eigenaar. Ja. De ontvanger mag die verschuldigde belasting echter niet bij beiden innen. (punt 108).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik moet dat waarvan ik denk dat er een geldstroom is geweest belasten. Daarbij zal het mij een worst wezen of u economisch belang of economisch eigendom heeft. Wat dat betreft is de belastingdienst amoreel. (punt 109).</p>\n<p class=\"lf-p\">U, Officier van Justitie, vraagt mij of één van de belastingplichtigen, anders dan [verdachte] en [betrokkene 13] , bij de belastingkamer naar voren heeft gebracht dat hij recht had op familiekapitaal. Neen, als ik aan [verdachte] vraag van wie dat familiekapitaal is, dan zegt hij dat niet. Hij heeft niet gezegd wie gerechtigd is tot dat familiekapitaal.’ 96. Het hof heeft onder de ‘Algemene en op diverse onderdelen betrekking hebbende bewijsmiddelen’ voorts een ‘Nadere bewijsoverweging’ opgenomen. Deze luidt als volgt: ‘Zoals in het arrest uiteengezet verwerpt het hof het bestaan van het door de verdachte gestelde familievermogen/onverdeelde boedel. Waar verdachte spreekt over vermogen van zijn vader/familievermogen/ons vermogen en dergelijke vat het hof dit op als vermogen dat - weliswaar niet civielrechtelijk, maar wel - feitelijk uitsluitend aan de verdachte toebehoorde en waarover hij als heer en meester kon beschikken.’ 97. Het hof heeft in de aanvulling voorts een ‘Nadere bewijsoverweging in aanvulling op het arrest’ opgenomen. Deze luidt als volgt (p. 103-104): ‘Ten aanzien van de tegoeden op de buitenlandse bankrekeningen, die door de verdachte werden beheerd en waarover de verdachte als heer en meester kon beschikken geldt het volgende. Het hof verwerpt zoals al eerder overwogen de stelling omtrent de onverdeelde boedel/het familiekapitaal. Een andere (geloofwaardige) legale herkomst dan dat deze tegoeden afkomstig zijn uit de nalatenschap van de ouders van de verdachte is door of namens de verdachte niet verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarenboven geldt dat eerst in het kader van het onderzoek 'Waterstof' de Nederlandse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de buitenlandse bankrekeningen. De verdachte had deze vermogensbestanddelen en de inkomsten daaruit, wat daar verder ook van zij, in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting (tot de afschaffing daarvan) moeten opgeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof leidt het mede gelet op de onder bewijsmiddel 7 bij de algemene bewijsmiddelen, aangehaalde getuigenverklaring van belastinginspecteur [betrokkene 39] geen twijfel dat de verdachte - die ontkent dat de tegoeden (en panden) feitelijk uitsluitend aan hem toebehoren - deze vermogensbestanddelen en/of de inkomsten daaruit nimmer in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting (en vermogensbelasting) - voor zover gedaan - heeft aangegeven. Datzelfde geldt ten aanzien van de juridische eigenaren. In de eerder ambtshalve opgelegde aanslagen zijn 'de buitenlandse bankrekeningen' dus ook niet verdisconteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesteld noch gebleken is dat de (in Nederland) verschuldigde belastingen ter zake bezit van, inkomsten uit - en de verwerving van deze vermogensbestanddelen ooit door enig persoon zijn aangegeven en voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is ook op deze gronden van oordeel dat niet alleen ten aanzien van de hierboven genoemde, bekende contante stortingen op de buitenlandse bankrekeningen het vermoeden van een criminele herkomst gerechtvaardigd is, maar ook ten aanzien van de overige bijschrijvingen en/of tegoeden op buitenlandse bankrekeningen, alsmede op de van die rekeningen afgeschreven bedragen.’ 98. De eerste en tweede deelklacht van het middel richten zich, zo bleek, tegen de bewijsredenering die het hof in het verkort arrest onder de kopjes genummerd 3.2.1 t/m 3.2.4 aan de bewezenverklaring van witwassen ten grondslag heeft gelegd. Uit de aanvulling op het verkort arrest blijkt dat het hof ook een tweede, alternatieve bewijsredenering aan de bewezenverklaring van witwassen ten grondslag heeft gelegd. Dat de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen waarop het middel blijkens de toelichting onder 2.16 betrekking heeft (deels en/of middellijk) van misdrijf afkomstig zijn, wordt in deze bewijsredenering gebaseerd op fiscale misdrijven. Of deze voorwerpen al dan niet deels terug zijn te leiden tot familiekapitaal doet in deze bewijsredenering niet terzake: ook vermogensbestanddelen die terug te leiden zouden zijn tot familiekapitaal en inkomsten daaruit dienen in aangiften voor de inkomstenbelasting en vermogensbelasting te worden opgegeven. En uit deze bewijsredenering vloeit daarmee ook rechtstreeks voort dat en waarom het hof de onderzoekswensen die verband houden met het beweerdelijke familiekapitaal als niet noodzakelijk kon afwijzen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">99.</span>Nu de bewezenverklaring van feit 1 zelfstandig steunt op deze bewijsredenering en in cassatie geen klachten tegen deze bewijsredenering naar voren worden gebracht, falen de eerste en tweede deelklacht ook deswege. De derde deelklacht faalt in het licht van deze bewijsredenering eveneens, nu daarin nog een argument besloten ligt waarom het hof nader onderzoek naar het bestaan van een familiekapitaal of een onverdeelde boedel van wijlen [betrokkene 12] niet noodzakelijk heeft kunnen oordelen, en het middel zich daar niet tegen keert.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">100.</span>Het tweede middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het derde middel 101. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek tot voeging van de bij dupliek overgelegde producties 10 tot en met 13 heeft afgewezen, althans dat het hof zijn beslissing op dat verzoek onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">102.</span>Het in het middel bedoelde verzoek tot voeging van producties houdt verband met de verklaring van [betrokkene 16] , de oudere broer van de verdachte, bij de raadsheer-commissaris van 15 januari 2019. Het proces-verbaal van het verhoor van deze getuige bevindt zich bij de gedingstukken en houdt onder meer het volgende in: ’50. U houdt mij voor een uittreksel uit het Nederlands kadaster van 21 juni 2018. U zegt mij dat het alle registergoederen en onroerendgoedtransacties betreft van 1 januari 1989 tot 14 juni 2018 op naam van mij. Het uittreksel zal als bijlage 3 aan dit proces-verbaal worden gehecht. Ik vraag u: zijn die allemaal op mijn naam? De getuige leest het uittreksel. Dit is een lachertje, zoveel huizen op mijn naam. Ik heb in Zoetermeer nooit huizen gekocht of verkocht. De raadsheer-commissaris vraagt mij of ik ooit huizen gekocht heb. Ja, ik heb twee keer een huis gekocht in Lelystad, omdat het in Den Haag duur was. Mijn vader leefde toen nog. Ik wilde daar met mijn vader gaan wonen. Ik heb die huizen in Lelystad met een hypotheek gekocht, [verdachte] had daar niets mee te maken. [verdachte] heeft wel te maken gehad met huizen gekocht op de veiling in 1982, onder de noemer ‘achter de komma’.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hij heeft die huizen gekocht op mijn naam. Hij heeft die huizen in opdracht van mij gekocht. [verdachte] heeft mij gevraagd dat te doen en ik heb dat gedaan. [verdachte] had mij gezegd dat er geld mee te verdienen was en toen heb ik die huizen gekocht. [verdachte] heeft op die manier drie huizen gekocht, één op de [a-straat 4], één op de [p-straat] en één op de [q-straat] in het […]. Die laatste is gelijk door verkocht. Op dat huis is 18.000 euro winst gemaakt. [verdachte] heeft dat toen op mijn naam gekocht. Hij was de makelaar. Hij was de opkoper. Hij regelde de hypotheken. Ik heb die 18.000 euro gekregen. De hypotheken van de huizen [a-straat 4] en [p-straat] stonden op mijn naam. Ik ben zelf op de [a-straat 4] gaan wonen, want ik had een ruimere woning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na doorlezing deelt de getuige mee dat de drie panden die op de veiling zijn gekocht, waarover hierboven verklaard, door tussenkomst van [verdachte] zijn gekocht en dat andere panden door de getuige gekocht, door hemzelf zijn gekocht zonder tussenkomst van [verdachte] , dat waren ongeveer 6 of 7 panden, in ieder geval niet meer dan 10. Op de lijst in het kadaster staan er veel meer. Ik noem u de straatnamen behorend bij de panden die ik ooit zelf, zonder tussenkomst van [verdachte] , heb gekocht: een huis in Dordrecht in 1978 in de wijk […], [r-straat 1] in Den Haag, [s-straat] ik dacht [s-straat 1] ook in Den Haag. Na de panden die ik via de veiling en [verdachte] heb gekocht, heb ik nog de navolgende panden zelf, zonder tussenkomst van [verdachte] , gekocht: [t-straat] in het […] in Den Haag ik dacht nummer [t-straat 1], [u-straat 1] in Den Haag, [u-straat 2] in Den Haag, [v-straat 1] in […] in Den Haag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarna ben ik verhuisd naar Rotterdam en heb ik de woning gekocht, waar ik nu ook nog woon. Ik heb ook nog twee huizen in Lelystad gekocht, zoals ik hierboven ook al noemde. Een van die huizen was in de wijk […] en de andere in het oude centrum van Lelystad, daarvan weet ik de straatnaam en het huisnummer niet meer. In Lelystad heb ik niet gewoond, dat was wel het plan, maar daar is het niet van gekomen en in de rest van de huizen die ik noemde heb ik wel kortere of langere tijd zelf gewoond. Mr. Korvinus deelt desgevraagd mee dat hij na zal vragen en onderdeel van het dossier zal maken, welke panden bedoeld zijn met de panden die vermeld staan op de lijst van het kadaster, zoals deze als bijlage 3 aan dit proces-verbaal is aangehecht.’ 103. Als bijlage 3 bij het proces-verbaal van het getuigenverhoor is aangehecht een lijst met perceelnummers, zijnde de resultaten van onderzoek (periode 1 januari 1989 tot 14 juni 2018) in de openbare registers van het kadaster naar ingeschreven akten (uitgezonderd stukken inzake hypotheken en beslagen) betreffende alle registergoederen en transacties van [betrokkene 16] , van 21 juni 2018.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">104.</span>Ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2019 heeft de raadsman ter toelichting van zijn nadere onderzoekswensen het woord gevoerd overeenkomstig een pleitnota. Daarbij is onder meer ingegaan op de verklaring van [betrokkene 16] bij de raadsheer-commissaris (p. 8-11). Die pleitnota houdt onder meer in: ‘ ‘Op 15 januari jl. heeft getuige [betrokkene 16] – de oudere broer van cliënt - tegenover de RH-C een verklaring afgelegd over het vermogen van zijn overleden ouders, [betrokkene 12] en [betrokkene 11] . ‘ (…) ‘ [betrokkene 16] heeft in het verleden ook in onroerend goed gehandeld. [betrokkene 16] verklaard dat [verdachte] in zijn opdracht op de veiling drie registergoederen heeft gekocht: [a-straat 4], [ p-straat 1] en een registergoed aan de [q-straat]. Deze panden zijn in eerste instantie gekocht met de gelden van [betrokkene 12] . Aan de RH-C heb ik aangegeven dat ik navraag zal doen en onderdeel van het dossier zal maken, welke panden bedoeld zijn met de panden die vermeld staan op de lijst van het kadaster, zoals deze als bijlage 3 aan het proces-verbaal van [betrokkene 16] is aangehecht. De aan- en verkopen van [betrokkene 16] per pand en de onderliggende leveringsaktes ontvangt u hierbij (zie bijlage).’ 105. Ter terechtzitting van 4 februari 2019 heeft het openbaar ministerie gereageerd op de onderzoekswensen van de raadsman, waarbij ook is ingegaan op de opmerkingen van de raadsman over de verklaring van [betrokkene 16] bij de raadsheer-commissaris. De behandeling van de zaak van de verdachte is voortgezet op 12 februari 2019. Het openbaar ministerie heeft toen zijn requisitoir gehouden. Ter terechtzitting van 19 en 20 februari 2019 heeft de raadsman zijn pleidooi gehouden. In het op 20 februari 2019 voorgedragen tweede gedeelte van de overgelegde pleitnota (p. 166-170) wordt min of meer woordelijk herhaald hetgeen over de verklaring van [betrokkene 16] bij de raadsheer-commissaris is opgenomen op pagina’s 8 t/m 11 van de pleitnota die op 29 januari 2019 is voorgedragen. De bij pleidooi voorgedragen pleitnota houdt onder meer in (p. 167): ‘De aan- en verkopen van [betrokkene 16] per pand en de onderliggende leveringsaktes zijn overgelegd’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">106.</span>Ter terechtzitting van 27 februari 2019 heeft het openbaar ministerie het woord tot repliek gevoerd. Daarbij is opnieuw ingegaan op de verklaring van [betrokkene 16] bij de raadsheer-commissaris. Op de terechtzitting van 7 maart 2019 heeft de raadsman vervolgens het woord tot dupliek gevoerd. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt daarover het volgende in: ‘Mr. Korvinus krijgt de gelegenheid tot dupliek.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarop deelt mr. Korvinus mede dat de medeverdachte [betrokkene 17] in het bezit is van de producties die behoren bij zijn op schrift gestelde dupliek, maar dat hij zojuist heeft vernomen dat deze is aangehouden en zich thans op het politiebureau bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts deelt mr. Korvinus mede dat hij inschat dat hij iets meer dan 2 uren nodig heeft voor zijn dupliek en dat hij de producties op een later moment gedurende de dupliek wenst in te brengen zodra deze bij het politiebureau zijn opgehaald en hier naartoe zijn gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Korvinus voert vervolgens het woord overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier van de verdachte [verdachte] gevoegde 'Conclusie van dupliek'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de dupliek komt de bode de zittingszaal binnen met de producties, waarna mr. Korvinus deze overlegt aan het hof en de advocaat-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">In reactie daarop vraagt de advocaat-generaal of zich bij de producties nieuwe stukken bevinden die nog geen onderdeel uitmaken van het procesdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop deelt mr. Korvinus mede dat hij dit niet durft te zeggen, maar dat hij denkt dat dit niet het geval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal merkt op dat zij het op prijs stelt dat mr. Korvinus aangeeft welke stukken van de producties nog geen onderdeel uitmaken van het procesdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Korvinus stemt hiermee in en hervat zijn dupliek. (…) Na een korte onderbreking wordt het onderzoek hervat en deelt mr. Korvinus mede dat van de producties het artikel uit het Advocatenblad nieuw is alsmede vanaf productie 10, inhoudende de kadasterstukken waarmee de verdediging wenst aan te tonen dat [betrokkene 16] niet de waarheid heeft gesproken bij de raadsheer-commissaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">In reactie daarop deelt de advocaat-generaal mede:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verzet mij tegen het voegen van deze stukken voor zover deze stukken nog geen onderdeel uitmaken van het dossier. Ik acht het verzoek tot het voegen van de producties tardief. Het Openbaar Ministerie kan en wil in dit stadium niet meer ingaan op deze zeer laat overgelegde stukken. Ten aanzien van de producties 10 en 11 merk ik op dat de verdediging tijdens het verhoor van [betrokkene 16] bij de raadsheer-commissaris een overzicht heeft laten zien aan de getuige waarover hij zich kon uitlaten. Er is dus tijdens dat verhoor aandacht besteed aan dit punt. De getuige heeft nu niet meer de mogelijkheid om te reageren op de producties. De stukken hadden ook in een eerder stadium toegezonden kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop deelt mr. Korvinus mede:</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft deze stukken uit het kadaster overgelegd om de stelling dat de verklaring van [betrokkene 16] onbetrouwbaar is te onderbouwen. De getuige [betrokkene 16] is bij de raadsheer-commissaris gehoord over de stukken uit het kadaster. De thans overgelegde producties betreffen een nadere specificatie van hetgeen hem reeds is voorgehouden tijdens het verhoor. Het betreffen openbare stukken die het Openbaar Ministerie ook kan raadplegen. Daarnaast betreffen het geen stukken die leiden tot nader onderzoek. Het is enkel overgelegd zodat het hof het kadaster niet hoeft te raadplegen maar het zodoende kan verifiëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bezwaar van het Openbaar Ministerie wordt gegrond geacht. Het hof zal acht slaan op de 'Conclusie van Dupliek' die mr. Korvinus heeft overgelegd. Daarnaast neemt het hof de producties 1 tot en met 9 in ontvangst, zodat deze onderdeel uitmaken van het dossier. De producties 10 tot en met 13 betreffen nieuwe stukken en zijn als geheel zeer omvangrijk. Het hof acht de inbreng hiervan bij dupliek tardief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De producties 10 tot en met 13 worden teruggegeven aan mr. Korvinus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Korvinus deelt daarop mede bezwaar te maken tegen deze beslissing.’ 107. De ter terechtzitting van 7 maart 2019 overgelegde conclusie van dupliek van de raadsman houdt onder meer het volgende in (p. 51-53): ‘Dan de verklaring van [betrokkene 16] waar de A-G in repliek over stelt dat deze geloofwaardig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toelichting van de onderzoekswensen d.d. 29 januari 2019 alsook bij pleidooi (pagina 166 ev.) is toegelicht dat de verklaring van [betrokkene 16] tot cruciale informatie heeft geleid en bevestigd dat de ouders van [verdachte] wel degelijk vermogend waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duidelijk is dat vanwege het vermogen van [betrokkene 12] - alleen al in Suriname - de verklaring van min-vermogen nooit had mogen worden verstrekt. Duidelijk is dat [betrokkene 16] kennis droeg van de panden en rekeningen van [betrokkene 12] maar geeft hier in zijn verhoor een oneerlijke draai aan. [betrokkene 16] verklaart bij de rhc het volgende. 'Ik was maar een klein ambtenaartje’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de verdediging is overgelegd een overzicht van de transacties die [betrokkene 16] vanaf 1980 tot en met 2004 heeft verricht. Uw hof beschikt over het overzicht van het kadaster en het overzicht waarin is toegelicht wanneer [betrokkene 16] welk pand heeft gekocht en de aankoopsom alsook wanneer hij het desbetreffende registergoed heeft verkocht en wat de verkoopsom betrof. Met de transacties en de verhuur van de woningen heeft [betrokkene 16] tonnen verdiend. De aan- en verkoopaktes ontvangt onder BIJLAGE 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat hij een klein ambtenaartje was en daarmee eigenlijk probeert te doen overkomen dat hij een modaal inkomen of minder had is aantoonbaar onjuist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de politie verklaard [betrokkene 16] dat hij [verdachte] nooit heeft gemachtigd voor de aankoop van onroerend goed. Bij de rhc verklaard [betrokkene 16] daarentegen dat hij [verdachte] wel gemachtigd had om drie registergoederen op de veiling te kopen - een op de [a-straat 4], een op de [p-straat] en een op de [q-straat].</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de financiering van de registergoederen aan de [a-straat 4] en [ p-straat 1] verklaard [betrokkene 16] bij de RHC het volgende:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">51.</span>“U raadsman vraagt mij of dat huis aan de [a-straat] gefinancierd is met geld wat op de rekening van mijn vader stond. Waar en hoe [verdachte] het geregeld heeft weet ik niet. Het was wel een lineaire hypotheekvorm. Wat betreft de [p-straat] weet ik niet bij welke bank [verdachte] wat geregeld heeft. De raadsheer-commissaris vraagt mij wie de hypotheek betaalde. Later in 1991 is mij gebleken uit het onderzoek van de FIOD, dat die bank helemaal niet bestond. De raadsheer-commissaris vraagt mij of ik zelf ooit hypotheek heb afgelost voor de [a-straat] . Ik heb het pand aan de [p-straat] van 1983 tot 1989 in beheer gehad en verhuurd. Zolang ik op de [a-straat] gewoond heb, heb ik hypotheek afgelost. Dat gold ook voor de [p-straat], ik ontving huur en betaalde de hypotheek. Dat ging via een automatische afschrijving. Later bleek dat het geen officiële erkende bank was. Toen kwam bij mij het idee dat [verdachte] toch aan het frauderen was. Toen heb ik afstand gedaan van de twee huizen door de huizen te verkopen. Achteraf is gebleken dat de kopers stromannen waren van [verdachte] . Hij heeft zijn stromannen naar mij gestuurd in de [a-straat] . U vraagt mij hoe ik weet dat het stromannen van [verdachte] waren. Omdat die mensen later ook aanwezig waren bij het kantoor van [verdachte] . Ik herinner mij nog ene [betrokkene 18], die kwam om de deal te sluiten. Het werd gekocht op naam van [betrokkene 40], Ik kan wel zeggen dat [verdachte] hier gefraudeerd heeft.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze verklaring van [betrokkene 16] heeft [verdachte] niet in de koude kleren laten zitten. Dat een oudere broer bereid is zo ver te gaan om door het verkondigen van leugens de familie te belasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het registergoed [a-straat 4] heeft [betrokkene 16] samen met zijn echtgenote [betrokkene 41] een hypotheek afgesloten bij de Landbouwbank. De hypotheek is door [betrokkene 16] aangevraagd en voor het passeren van de hypotheekakte zijn zowel [betrokkene 16] als zijn echtgenote in 1981 persoonlijk bij de notaris [betrokkene 42] verschenen. Onder BIJLAGE 11 ontvangt u de ingeschreven hypotheekakte waaruit dat blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze hypotheekakte toont aan dat [betrokkene 16] destijds zelf de hypotheek heeft afgesloten bij een erkende bank, de Landbouwbank en dat zijn verklaring dat [verdachte] de hypotheek had geregeld, dat het om een niet officiële bank ging en dat toen bij hem het idee kwam dat [verdachte] aan het frauderen was zeer leugenachtig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de financiering van de registergoederen aan de [ p-straat 1] heeft [betrokkene 16] een hypotheek afgesloten bij AMEV Hypotheekbank. De hypotheek is door [betrokkene 16] aangevraagd en voor het passeren van de hypotheekakte is hij in persoon verschenen bij de notaris, [betrokkene 43]. Onder BIJLAGE 12 ontvangt u de ingeschreven hypotheekakte waaruit dit blijkt. Deze hypotheekakte toont aan dat [betrokkene 16] destijds zelf de hypotheek heeft afgesloten bij een erkende bank, de AMEV hypotheekbank en dat zijn verklaring dat [verdachte] de hypotheek had geregeld, dat het om een niet officiële bank ging en dat toen bij hem het idee kwam dat [verdachte] aan het frauderen was zeer leugenachtig is. [betrokkene 16] heeft de registergoederen [a-straat 4] en [ p-straat 1] destijds gekocht voor fl 40.500,- en fl 77.000. In 1991 heeft [betrokkene 16] beide registergoederen verkocht voor een bedrag van fl. 182.500,-. Inhoudende dat voornoemde panden voor [betrokkene 16] een winst van ongeveer fl 60.000 hebben opgebracht. En dan laten we nog buiten beschouwing de door [betrokkene 16] geinde huurgelden van het registergoed aan de [ p-straat 1].</p>\n<p class=\"lf-p\">De registergoederen zijn destijds verkocht aan een persoon genaamd [betrokkene 40]. De opmerking van [betrokkene 16] dat [betrokkene 40] een stroman was betwist [verdachte] ten stelligste. Als [betrokkene 16] de koper op het kantoor van [verdachte] zou hebben gezien dan betekend dat nog niet dat hij een stroman was. Uit kadastraal onderzoek is gebleken dat [betrokkene 40] in heel zijn leven maar een transactie heeft verricht, namelijk die met [betrokkene 16] (bijlage 13).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de A-G niet vanuit een tunnelvisie zou werken en zou openstaan om de verklaring van [betrokkene 16] van afstand te bekijken zou zij - alleen al op basis van de stukken uit het dossier kunnen concluderen dat de verklaring van [betrokkene 16] niet klopt en hij er puur en alleen op gericht is om [verdachte] te belasten.’ 108. Ingevolge art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv, in verbinding met de artikelen 331 en 415 Sv, is de raadsman bevoegd in appel nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. Uw Raad heeft overwogen dat moet worden aangenomen dat de wetgever daarbij in de eerste plaats voor ogen heeft gestaan de situatie dat nieuwe bescheiden voor of bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep worden overgelegd, maar dat art. 414 Sv er niet aan in de weg staat dat in een later stadium van het geding gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid nieuwe stukken over te leggen. Zo is het bijvoorbeeld niet uitgesloten dat een verdachte bij het laatste woord nog stukken overlegt. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is de bevoegdheid nieuwe stukken te overleggen evenwel niet onbegrensd. In HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409 heeft Uw Raad overwogen: ‘Ingevolge art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt (vgl. HR 16 november 1999, NJ 2000, 214).’ 109. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2019 heeft de advocaat-generaal zich aldaar verzet tegen het voegen van de in de conclusie van dupliek bedoelde producties voor zover deze stukken nog geen onderdeel uitmaken van het dossier. Daartoe is onder meer aangevoerd dat het verzoek tot het voegen van die producties tardief is, dat de stukken in een eerder stadium toegezonden hadden kunnen worden en dat het openbaar ministerie niet meer kan ingaan op deze overgelegde stukken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">110.</span>Het hof heeft het bezwaar van het openbaar ministerie gegrond geacht. Het hof heeft overwogen dat het acht zal slaan op de conclusie van dupliek die de raadsman heeft overgelegd en dat het de producties 1 tot en met 9 in ontvangst neemt, zodat deze onderdeel uitmaken van het dossier. Het hof heeft voorts overwogen dat de producties 10 tot en met 13 nieuwe stukken betreffen die als geheel zeer omvangrijk zijn. Het hof heeft de inbreng hiervan bij dupliek tardief geacht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">111.</span>De steller van het middel klaagt dat de beslissing van het hof niet begrijpelijk is. Het hof zou zijn beslissing slechts hebben onderbouwd met het oordeel dat de inbreng van de producties 10 tot en met 13 bij dupliek tardief is. Het hof zou niet de ontlastende aard van deze producties bij zijn beslissing hebben betrokken. De steller van het middel wijst erop dat door de raadsman is betoogd dat de producties relevant zijn omdat zij het standpunt van de verdediging onderbouwen dat de door [betrokkene 16] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring onbetrouwbaar is. Het zou onbegrijpelijk zijn dat het hof enerzijds in het arrest overweegt dat het geen reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van [betrokkene 16] en dat het hof anderzijds weigert stukken aan het dossier toe te voegen die volgens de verdediging de onbetrouwbaarheid van die verklaringen demonstreren. De overweging van het hof dat de inbreng van de producties 10 tot en met 13 bij dupliek tardief is, zou voorts onbegrijpelijk zijn of onvoldoende gemotiveerd omdat de verdediging ‘nog geen drie maanden’ na het verhoor van [betrokkene 16] bij de raadsheer-commissaris deze stukken ter voeging in het dossier heeft aangeboden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">112.</span>Voor zover wordt geklaagd dat het hof zijn beslissing slechts heeft onderbouwd met het oordeel dat de inbreng van de producties 10 tot en met 13 bij dupliek tardief is, mist het middel feitelijke grondslag. Het hof heeft immers ook in zijn oordeel betrokken dat de producties 10 tot en met 13 ‘als geheel zeer omvangrijk’ zijn. Met de overweging dat de inbreng van die producties bij dupliek tardief is, heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het inbrengen van die producties, gelet op de omvang daarvan en het stadium waarin de procedure zich bevond, in strijd moet worden geacht met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">113.</span>Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van ‘s hofs oordeel komt naar het mij voorkomt mede betekenis toe aan het aantal momenten waarop de verdediging redelijkerwijs in staat was die stukken eerder in te brengen (op een zodanig moment dat het openbaar ministerie daarop nog kon reageren). In dit verband is van belang dat – na het verhoor van [betrokkene 16] bij de raadsheer-commissaris – het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 januari en 4 februari 2019 (waarbij de raadsman en het openbaar ministerie zijn ingegaan op dat verhoor), op 12 februari 2019 (waarbij de raadsman de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft toegelicht en het requisitoir is gehouden), op 19 en 20 februari 2019 (toen de raadsman zijn pleidooi hield) en op 27 februari 2019 (toen het openbaar ministerie het woord tot repliek voerde). Ik neem hierbij in aanmerking dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 maart 2019 niet blijkt dat de raadsman heeft aangevoerd dat hij niet in staat was om de producties 10 tot en met 13 op één van die eerdere terechtzittingen te overleggen, dan wel die stukken voorafgaand aan 7 maart 2019 schriftelijk in het geding te brengen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">114.</span>Van belang is voorts dat het hof acht heeft geslagen op de conclusie van dupliek van de raadsman (inclusief de producties 1 tot en met 9). Aldus heeft het hof acht geslagen op hetgeen de raadsman bij dupliek (en op eerdere momenten) heeft aangevoerd over de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 16] , waaronder de stelling dat hij met de transacties en de verhuur van de woningen tonnen heeft verdiend, dat hij voor de [a-straat 4] en de [ p-straat 1] zelf de hypotheek heeft afgesloten bij de Landbouwbank respectievelijk AMEV Hypotheekbank en dat uit kadastraal onderzoek is gebleken dat [betrokkene 40] in heel zijn leven maar één transactie heeft verricht, namelijk die met [betrokkene 16] . Ik merk hierbij op dat uit de overwegingen die het hof in het arrest aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 16] heeft gewijd (p. 47-49, weergegeven bij de bespreking van het tweede middel) niet volgt dat daarbij betekenis is toegekend aan het ontbreken van stukken die de hiervoor bedoelde stellingen van de raadsman onderbouwen. Ook overigens bieden ’s hofs overwegingen geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat het betrouwbaarheidsoordeel anders was uitgevallen indien het hof had beschikt over de in de conclusie van dupliek beschreven aktes (producties 10-12) en kadastrale gegevens over de transacties van [betrokkene 40] (productie 13).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">115.</span>Wat de ontlastende aard van die producties betreft, wijs ik erop dat de raadsman bij pleidooi heeft gesteld dat de ‘aan- en verkopen van [betrokkene 16] per pand en de onderliggende leveringsaktes zijn overgelegd’. Blijkens de conclusie van dupliek heeft de raadsman voorts aangevoerd dat de verdediging een overzicht heeft overgelegd van de transacties die [betrokkene 16] vanaf 1980 tot en met 2004 heeft verricht. En dat het hof beschikt over ‘het overzicht van het kadaster en het overzicht waarin is toegelicht wanneer [betrokkene 16] welk pand heeft gekocht en de aankoopsom alsook wanneer hij het desbetreffende registergoed heeft verkocht en wat de verkoopsom betrof’. De raadsman heeft bij dupliek verder opgemerkt dat de ‘thans overgelegde producties’ een ‘nadere specificatie’ betreffen van hetgeen de getuige reeds is voorgehouden tijdens het verhoor en dat het openbare stukken zijn die enkel zijn overgelegd ‘zodat het hof het kadaster niet hoeft te raadplegen maar het zodoende kan verifiëren’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">116.</span>Volgens de mededelingen van de raadsman beschikte het hof derhalve reeds over door de verdediging in het geding gebrachte stukken betreffende de door [betrokkene 16] verrichte aan- en verkooptransacties, waaronder ‘de onderliggende leveringsaktes’. Dat relativeert de ontlastende waarde van de producties 10 tot en met 13 die de raadsman (daarenboven) nog in het geding wilde brengen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">117.</span>Al met al is het in ’s hofs overwegingen besloten liggende oordeel dat het inbrengen van die producties, gelet op de omvang daarvan en het stadium waarin de procedure zich bevond, in strijd moet worden geacht met de beginselen van een behoorlijke procesorde niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het kan – verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard – in cassatie niet verder worden getoetst.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">118.</span>Het derde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde middel 119. Het vierde middel keert zich tegen de verwerping van het verweer dat sprake is van een onrechtmatige inbeslagname en onvolledige teruggave van administratie. Het hof zou ten onrechte hebben geoordeeld (1) dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet kan worden verweten dat de Aanwijzing inbeslagneming niet is nageleefd en dat niet aannemelijk is geworden dat in zoverre doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn rechten tekort is gedaan en/of (2) dat niet aannemelijk is geworden dat de verdediging mede aan de hand van de ten onrechte aan Post NL aangeboden stukken de legale herkomst van gelden kan verklaren en dat door het ten onrechte aanbieden van inbeslaggenomen stukken aan Post NL geen wezenlijk belang van de verdachte is geschonden of daaruit anderszins voor hem enig nadeel voortvloeit. Het hof zou ten onrechte hebben volstaan met de enkele vaststelling van het vormverzuim, althans voornoemde beslissingen onvoldoende en/of onbegrijpelijk hebben gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">120.</span>Het in het middel bedoelde verweer is ter terechtzitting van 19 februari 2019 blijkens de aldaar voorgedragen pleitnota uitgemond in de volgende conclusie (p. 70-71): ‘In de zaak tegen [verdachte] is gehandeld in strijd met de aanwijzing inbeslagneming, dat is een gegeven. In de zaak van [verdachte] is de administratie zoekgeraakt danwel vernietigd door de onder [verdachte] in beslag genomen poststukken van [verdachte] en zijn medeverdachten aan Post nl aan te bieden. (…) De processen-verbaal geven geen inzicht wat er in beslag is genomen en zoals verklaard door teamleider Ravenhorst is zij ook niet in staat te reproduceren wat er van het beslag is geretourneerd. Doordat de inbeslaggenomen administratie aantoonbaar voor een groot deel zoek is geraakt vernietigd, is een behoorlijke verdediging onmogelijk geworden om te voeren. Dit is des te ernstiger daar [verdachte] voor witwassen is vervolgd en veroordeeld, waarbij het aan [verdachte] is om een min of meer verifieerbare verklaring te geven over de herkomst van de gelden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Omdat er sprake is van een vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) door het beslag niet op de daartoe voorgeschreven wijze te administreren en opgeslagen te houden waardoor [verdachte] ernstig in zijn verdediging is geschaad dient het OM naar het standpunt van de verdediging in haar vervolging niet ontvankelijk te worden verklaard.’ 121. Het hof heeft het door de raadsman gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen: ‘Onrechtmatige inbeslagname en onvolledige teruggave van administratie De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi aangevoerd dat er geen grond of reden was voor het Openbaar Ministerie om van de Aanwijzing inbeslagneming af te wijken, en dat niet de volledige administratie is geretourneerd aan de verdachte, onder wie een en ander op meerdere plaatsen in beslag is genomen. Daarnaast zijn delen van de in beslag genomen (financiële) administratie aangeboden aan Post NL, bij voorbeeld ter retournering aan de afzenders, dan wel ter doorzending aan geadresseerden van die stukken, waardoor de verdachte volgens de raadsman in zijn belangen wordt geschaad. De verdediging kan daardoor namelijk die stukken niet meer inbrengen om de herkomst aan te tonen van de geldbedragen op de bankrekeningen waar het in deze zaak mede om gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat de inbeslagneming in dit onderzoek inderdaad niet heeft plaatsgevonden conform de 'Aanwijzing inbeslagneming'. Uit het dossier blijkt echter dat de uit zeer vele losse stukken bestaande administratie ten tijde van de inbeslagneming onordelijk was en geen enkele kenbare systematiek kende. Gelet hierop kan in dit geval het Openbaar Ministerie in redelijkheid niet worden verweten dat de voornoemde aanwijzing niet nauwkeurig is nageleefd en het is niet aannemelijk geworden dat in zoverre doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn rechten is tekortgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van het Openbaar Ministerie dat alle stukken (behoudens reclamemateriaal en dergelijke) zijn geretourneerd, behoudens het deel van de in beslag genomen administratie dat ten onrechte aan Post NL is aangeboden. Dat laatste levert een (onherstelbaar) vormverzuim op. Daarbij neemt het hof wel in aanmerking dat door de verdediging niet, ook niet globaal, is aangevoerd welke specifieke stukken niet zijn teruggegeven en nog steeds ontbreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de aan Post NL aangeboden stukken is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden - mede gelet op hetgeen hierna is overwogen - dat de verdediging mede aan de hand van deze stukken de legale herkomst van gelden kan verklaren. Het hof verwerpt, hierna nader onderbouwd, immers de stelling van de verdediging en de verdachte dat sprake was van een door [betrokkene 12] , de vader van de verdachte, opgebouwd familiekapitaal (anders dan het bezit van een klein stuk grond, indertijd aangekocht als landbouwgrond, dat inmiddels vanwege een enorme waardestijging wel waardevol is). Het hof is daarom van oordeel dat zich niet de situatie voordoet dat door dit vormverzuim een wezenlijk belang van de verdachte is geschonden of daaruit anderszins voor hem enig nadeel voortvloeit. Dit vormverzuim kan daardoor niet leiden tot de verstrekkende, en slechts in zeer uitzonderlijke gevallen in aanmerking komende conclusie dat het Openbaar Ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof verwerpt het verweer.’ 122. De steller van het middel meent dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het met foto's onderbouwde standpunt van de raadsman dat de administratie was opgeborgen in mappen met een dossiernaam en dus bezwaarlijk kan worden volgehouden dat de administratie onordelijk was en van een kenbare systematiek geen sprake was. De woorden ‘uit het dossier blijkt’ zouden voor een weerlegging van dat standpunt ontoereikend zijn. Indien sprake zou zijn geweest van een onordelijke administratie, zou bovendien niet duidelijk zijn waarom het openbaar ministerie in redelijkheid niet kan worden verweten dat de aanwijzing niet nauwkeurig is nageleefd. De steller van het middel werpt de vraag op of dat verwijt niet kan worden gemaakt omdat een specificatie van de in beslag genomen administratie teveel werk zou zijn en of dat een rechtens te respecteren belang is in een strafzaak waarin die administratie een hoofdrol speelt in de aan het adres van de verdachte gerichte beschuldigingen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">123.</span>Ter terechtzitting van 27 februari 2019 is het openbaar ministerie bij repliek ingegaan op het verweer met betrekking tot de administratie. De conclusie van repliek houdt daarover onder meer het volgende in (p. 7): . ‘IVc. Inbeslagname en teruggave van administratie Op 16 januari 2014 is door de verbalisant [verbalisant 1] een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt over de wijze waarop goederen zijn aangetroffen en terug gegeven. (nogmaals hierbij gevoegd als bijlage I) De foto's spreken boekdelen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>foto 1: een deel van de administratie zoals die werd aangetroffen. Reden om af te wijken van de aanwijzing die bepaalt dat ieder stuk genummerd en gedocumenteerd moet worden.’ 124. Het als bijlage 1 bij de conclusie van repliek gevoegde proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], teamleider van het Waterstofonderzoek, van 16 januari 2014 houdt onder meer in: ‘Door de Rechter-commissaris is na overleg met de Officier van justitie bepaald dat vanwege de grote omvang van het administratieve beslag niet elk afzonderlijk in beslag genomen geschrift tijdens de doorzoekingen diende te worden geregistreerd doch dat kon worden volstaan met een globale omschrijving. De afbeelding die als bijlage 1 bij dit proces-verbaal is gevoegd geeft een indicatie van de wijze en omvang van het schriftelijke beslag zoals op de verschillende locaties aangetroffen. (…) De omvang van het administratieve beslag bedroeg naar schatting enkele duizenden stuks geschrift in een grote variëteit aan vorm, inhoud en omvang. Na afronding van de verschillende doorzoekingen bleek, teneinde een indicatie te geven van de omvang, bij benadering 35 verhuisdozen gevuld te zijn met in beslag genomen administratieve bescheiden.(…)Gezien de omvang en het ongestructureerde karakter van het administratieve beslag, het arbeidsintensieve karakter van de verwerking hiervan in relatie tot de beschikbare opsporingscapaciteit en noodzakelijk uit te voeren overige opsporingsactiviteiten is door de officier van justitie bepaald dat niet elk in beslag genomen geschrift in het beslagdossier diende te worden geregistreerd en gespecificeerd, doch dat kon worden volstaan met het handhaven van de omschrijving en toegekende inbeslagnamecoderinq zoals tijdens de doorzoeking aan het beslag toegekend.’ 125. Met de verwijzing naar ‘het dossier’ heeft het hof klaarblijkelijk (mede) het oog gehad op de inhoud van het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1]. In het licht van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vormt die verwijzing een toereikende weerlegging van het standpunt van de raadsman voor zover inhoudend dat de administratie van de verdachte niet chaotisch was. ‘s Hofs feitelijke vaststelling dat sprake was van een onordelijke administratie zonder kenbare systematiek is, gelet op de inhoud van dat proces-verbaal, niet onbegrijpelijk. Het hof heeft de door de steller van het middel opgeworpen vra(a)g(en) voorts kennelijk bevestigend beantwoord. ’s Hofs oordeel is ook in zoverre niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen genoemd proces-verbaal inhoudt over ‘de omvang en het ongestructureerde karakter van het administratieve beslag’ en ‘het arbeidsintensieve karakter van de verwerking hiervan in relatie tot de beschikbare opsporingscapaciteit en noodzakelijk uit te voeren overige opsporingsactiviteiten’. Ik merk hierbij nog op dat het proces-verbaal tevens inhoudt dat sprake was van ongeveer vijfendertig verhuisdozen met administratieve bescheiden en dat de rechter-commissaris heeft bepaald dat vanwege de grote omvang van het administratieve beslag niet elk afzonderlijk in beslag genomen geschrift tijdens de doorzoekingen diende te worden geregistreerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">126.</span>Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet kan worden verweten dat de Aanwijzing inbeslagneming niet nauwkeurig is nageleefd en dat niet aannemelijk is geworden dat in zoverre doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn rechten is tekortgedaan, niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">127.</span>De steller van het middel klaagt voorts over de overweging van het hof dat de verdediging niet, ook niet globaal, heeft aangevoerd welke stukken niet zijn teruggegeven. Die overweging zou onbegrijpelijk zijn omdat, nu het hof heeft vastgesteld dat in strijd met de Aanwijzing inbeslagneming niet is gespecificeerd welke stukken in beslag zijn genomen, van de verdediging geen specificatie kan worden verlangd van – zo begrijp ik – de niet teruggegeven stukken. De overweging dat ten aanzien van de aan Post NL aangeboden stukken niet aannemelijk is geworden dat de verdediging mede aan de hand daarvan de legale herkomst van gelden kan verklaren, zou eveneens onbegrijpelijk zijn. Als de voorgeschreven specificatie van de inbeslaggenomen stukken ontbreekt, onbekend is welke stukken ten onrechte aan Post NL zijn aangeboden en (dus) ook de inhoud van die stukken onbekend is, kan – aldus de steller van het middel – niet over de onbekende inhoud daarvan worden gespeculeerd op de wijze als het hof heeft gedaan. ’s Hofs overwegingen zouden veronderstellen dat het beschikt over een ‘magisch oog’ dat het mogelijk maakt niet aannemelijk te achten dat de verdediging aan de hand van de inhoud van die stukken de legale herkomst van de onder 1 tenlastegelegde voorwerpen kan verklaren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">128.</span>Het hof heeft overwogen dat het geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de stelling van het openbaar ministerie dat alle stukken (behoudens reclamemateriaal en dergelijke) zijn geretourneerd, behoudens het deel van de in beslag genomen administratie dat ten onrechte aan Post NL is aangeboden. In de stelling van de raadsman dat door het zoekraken van een deel van de administratie het onmogelijk is geworden een behoorlijke verdediging te voeren, ligt naar het mij voorkomt besloten dat de verdachte, ten minste globaal, weet welke administratieve bescheiden zijn inbeslaggenomen en niet zijn geretourneerd. Zonder die (globale) wetenschap ontbreekt immers de grondslag aan de stelling dat door het niet retourneren van de desbetreffende bescheiden een behoorlijke verdediging onmogelijk is. Gelet daarop acht ik de overweging van het hof dat de verdediging niet, ook niet globaal, heeft aangevoerd welke stukken niet zijn teruggegeven, niet onbegrijpelijk. In het verlengde daarvan acht ik de overweging dat ten aanzien van de aan Post NL aangeboden stukken niet aannemelijk is geworden dat de verdediging mede aan de hand daarvan de legale herkomst van gelden kan verklaren, evenmin onbegrijpelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">129.</span>Bij het voorgaande merk ik nog op dat het middel zich keert tegen de begrijpelijkheid van ’s hofs overwegingen, maar niet klaagt over het oordeel van het hof dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. In het middel of de toelichting wordt ook niet gerefereerd aan het oordeel van het hof dat het geen aanleiding ziet om naar aanleiding van onder meer dit vormverzuim subsidiair ‘tot enige bewijsuitsluiting over te gaan’. Voor zover de klacht dat het hof ten onrechte heeft volstaan met de enkele vaststelling van het vormverzuim mede het oog zou hebben op dat oordeel, wijs ik erop dat van bewijsuitsluiting op de voet van art. 359a Sv geen sprake kan zijn, reeds omdat niet gebleken is dat door het vormverzuim bewijsmateriaal is verkregen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">130.</span>Het vierde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde middel 131. Het vijfde middel keert zich tegen de verwerping van het verweer dat geheimhoudergesprekken, gevoerd tussen de verdachte en zijn toenmalige civiele advocaat mr. Deen, als sturingsinformatie zijn gebruikt in de zaak [betrokkene 44] (feit 4). Het hof zou onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd hebben geoordeeld (1) dat niet aannemelijk is geworden dat de inhoud van enig geheimhoudergesprek als sturingsinformatie is gebruikt in die zin dat op basis daarvan de aangever [betrokkene 44] is benaderd en/of (2) dat op basis van een na zeven jaren opgesteld proces-verbaal aannemelijk is dat naar aanleiding van een telefoongesprek tussen de verdachte en zijn zoon, in combinatie met de resultaten van een zoekslag in inbeslaggenomen goederen, contact is gezocht met aangever [betrokkene 44]. Het hof zou (daarmee, zo begrijp ik uit de toelichting) zijn oordeel dat geen bewijsuitsluiting behoeft te volgen en dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling van de schending van art. 126aa Sv onvoldoende en/of onbegrijpelijk hebben gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">132.</span>De ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2019 voorgedragen pleitnota houdt onder meer het volgende in (p. 33-35, met weglating van voetnoten): ‘Zaak [betrokkene 44] In de zaak [betrokkene 44] komt het kortgezegd op het volgende neer. [betrokkene 44] is op 22 februari 2012 gehoord, de cd-rom met het gesprek tussen [verdachte] en zijn zoon [betrokkene 45] is op 24 februari 2012 door de penitentiaire inrichting aan het onderzoeksteam verstrekt. Gezien de tijdslijn kan het gesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 45] nimmer de aanleiding zijn geweest tot het doen van onderzoek in de zaak van [betrokkene 44]. [betrokkene 44] is namelijk twee dagen voor ontvangst van de gesprekken al gehoord.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij pleidooi in eerste aanleg heeft de raadsman aangevoerd dat hij van mr. Deen, de toenmalige advocaat van verdachte in civiele zaken, heeft vernomen dat deze in de eerste week dat verdachte in detentie zat (de rechtbank begrijpt in de periode 10 januari 2012 tot en met 17 januari 2012) met verdachte heeft gebeld en met hem heeft gesproken over een schikkingsvoorstel in de civiele zaak tussen [betrokkene 19] en [betrokkene 44]. Daarmee heeft de verdediging concrete informatie uit een geheimhoudersgesprek gegeven die in het onderzoek nadelig voor verdachte kan zijn geweest (1e aanwijzing).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 29 januari jl. heeft de verdediging reeds toegelicht dat uit het dossier voorts blijkt dat in de eerste week van zijn aanhouding, periode 10 januari 2012 tot en met 17 januari 2012 en tijdens zijn beperkingen, [verdachte] met mr. Deen telefonisch contact heeft gehad en dat [verdachte] als notarieel gemachtigde van [betrokkene 19] vanuit de arrestantenbewaking met mr. Deen heeft gesproken om een schikking te treffen met [betrokkene 44] over de aankoop van het stuk grond in de Rolde en de hieromtrent lopende procedure:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>in het tapgesprek d.d. 11 januari 2012 tussen [verdachte] en zijn kinderen vertelt deze aan zijn kinderen dat hij van mr. Deen heeft gehoord wat er in de krant staat over zijn aanhouding d.d.</div>\n<p class=\"lf-p\">10 januari 2012 en de beslagleggingen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>op 13 februari 2012 stuurt mr. Deen een brief naar de advocaat van [betrokkene 44] waarin hij een schikkingsvoorstel doet van € 22.000,- tegen finale kwijting over en weer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>in het tapgesprek na de opheffing van de beperkingen van [verdachte] vertelt deze aan zijn kinderen dat er na met mr. Deen te hebben gesproken via de raadsman van [betrokkene 44] met hem een deal is gesloten voor € 20.000,- en dat hij hierover toen hij in beperkingen zat met mr. Deen heeft kunnen bellen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ten tijde van de preliminaire verweren in eerste aanleg heeft de zaakofficier verklaard dat hij weet dat de penitentiaire inrichting was geïnstrueerd dat ze geen geheimhoudersgesprekken wilden hebben en dat ze twee nummers hebben doorgegeven waarvan ze geen gesprekken wilden. ‘Het betroffen 010 nummers’. Zoals gezegd ter zitting en ook opgemerkt door de rechtbank waren er destijds meer advocaten betrokken, waaronder de Haagse advocaat mr. Deen, kantoor houdende te Den Haag met een 070-nummer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat de schikking tussen partijen is bereikt heeft de politie de geldstroom gevolgd en nadat de gelden ad € 20.000,- op de derden rekening van advocatenkantoor Deen werden overgemaakt is door het OM beslag hierop gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het vorenstaande blijkt dat het niet anders kan dan dat de geheimhouders gesprekken tussen mr. Deen en [verdachte] hebben geleid tot het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte in de zaak [betrokkene 44]. (…) Het proces verbaal d.d. 17 januari 2019 “PV PI gesprekken”</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft op 29 januari al inhoudelijk gereageerd op het proces verbaal d.d. 17 januari 2019 “PV PI gesprekken”. Een proces verbaal opgesteld zeven jaar na dato.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM ontwijkt de verweren van de verdediging. Het OM reageert niet op het feit dat de inhoud van het proces verbaal d.d. 17 januari 2019 compleet haaks staat op de verklaringen die zich bevinden in het dossier (nota bene opgemaakt door dezelfde inspecteur van Noordt) en de verklaringen gedaan door de zaaksofficier tijdens de inhoudelijke behandeling in april 2015 nadat hij nader onderzoek had gedaan en contact had opgenomen met de desbetreffende verbalisanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het enige wat de A-G tijdens haar requisitoir feitelijk heeft gedaan is het doornemen van het proces verbaal d.d. 17 januari 2019. Alles wat ervoor heeft plaatsgehad sluit de A-G haar ogen voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel in de zaak [betrokkene 44] als in de zaak van [betrokkene 46] stelt de verdediging zich op het standpunt dat het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte met betrekking tot deze zaken is gestart op basis van de inhoud van geheimhoudersgesprekken c.q. informatie waar het verschoningsrecht op van toepassing is en dat de verdenkingen tegen mr. E. Deen en mr. E. Kerkhoven veel eerder liepen dan thans verwoord in het dossier.’ 133. Het hof heeft het door de raadsman gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen: ‘Geheimhoudersgesprekken De raadsman van de verdachte heeft het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Hiertoe heeft de raadsman - kort gezegd - aangevoerd dat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a Sv, nu in het onderzoek Waterstof geheimhoudersgesprekken zijn getapt, opgenomen en uitgeluisterd. Deze gesprekken zijn voorts niet aanstonds vernietigd. Gelet op het verloop van het onderzoek en de (kennelijke) inhoud van de getapte en niet aanstonds vernietigde gesprekken, kan niet uitgesloten worden dat informatie uit voornoemde geheimhoudersgesprekken is gebruikt als sturingsinformatie in het onderzoek in de casussen [betrokkene 46] en [betrokkene 44]. Aldus is volgens de verdediging gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde en dient het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair is het verweer gevoerd dat dit vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting en meer subsidiair dat het dient te leiden tot strafvermindering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt hierover als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet in geschil is dat in het opsporingsonderzoek onder de naam Waterstof telefoongesprekken tussen de verdachte enerzijds en geheimhouders anderzijds zijn afgeluisterd en opgenomen, terwijl de opnamen van die gesprekken niet terstond zijn vernietigd. Ook is niet in geschil dat daarmee het bepaalde in het tweede lid van artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is geschonden en dat dat in dit geval een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van dit vormverzuim dient het hof rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat kader overweegt het hof het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De officier van justitie, die tevens optreedt als advocaat-generaal in hoger beroep, heeft in eerste aanleg in een brief van 30 maart 2015 uiteengezet dat uit het totaal aan getapte telefooncontacten 426 contacten zijn aangetroffen waarvan - kort gezegd - op basis van een aantal zoektermen mogelijk sprake was van een geheimhoudersgesprek. Hiervan zijn uiteindelijk 70 contacten ten onrechte niet aanstonds vernietigd. Van deze 70 contacten hebben 39 contacten plaatsgevonden met Advocatenkantoor Deen of de advocaten mr. Deen of mr. Kerkhoven . Van die 39 contacten zijn er 17 daadwerkelijke gesprekken tot stand gekomen waaraan een van deze advocaten gespreksdeelnemer is. Verder zijn er 2 gesprekken waaraan de secretaresse van het kantoor [betrokkene 4] deelneemt. Van de 15 overgebleven ten onrechte niet vernietigde gesprekken heeft de toenmalige officier van justitie alsnog een bevel tot vernietiging afgegeven. (…) Wat de zaak [betrokkene 44] betreft blijkt uit het dossier dat het onderzoeksteam (in de persoon van verbalisant [verbalisant 2]) van de penitentiaire inrichting, waarin verdachte toen zat, op 24 februari 2012 een gegevensdrager heeft ontvangen met daarop een aantal gesprekken die globaal zijn beluisterd teneinde te onderzoeken of in deze gesprekken door de verdachte over traceerbaar vermogen werd gesproken (AH/700). Hierbij zat een gesprek dat de verdachte kennelijk op 17 februari 2012, de dag na het overlijden van [betrokkene 47], met zijn zoon [betrokkene 45] heeft gevoerd over een overeengekomen transactie betreffende een perceel van 10 hectare grond in Rode (fonetisch) (DD/418). Verbalisant [verbalisant 2] verbaliseert dat hij naar aanleiding hiervan een zoekslag heeft gemaakt op de woorden Rode, Rolde, grond e.d. en in het beslag van makelaarskantoor [B] (digitaal) een aantal - relevante - documenten heeft aangetroffen zoals koopovereenkomsten uit 2010 waarbij onder anderen [betrokkene 19] en [betrokkene 30] als (ver)koper optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens AH/691 heeft [betrokkene 44] op 22 februari 2012 aangifte van valsheid in geschrift/oplichting gedaan, welk proces-verbaal is gesloten en ondertekend op 29 februari 2012. Uit het in AH/700 weergegeven tapgesprek blijkt dat de verdachte met 'Deen' (het hof begrijpt: zijn toenmalige civiele advocaat mr. Deen) de onderhandelingen heeft geregeld en dat de verdachte met mr. Deen heeft kunnen bellen toen hij in beperkingen zat. Ook uit hetgeen in DD/500 (een tapgesprek tussen de verdachte en zijn kinderen, de medeverdachten [betrokkene 48] en [betrokkene 45] ) is opgenomen blijkt dat de verdachte in die periode regelmatig contact onderhield met mr. Deen. Uit hetgeen als bijlage bij de aangifte van [betrokkene 44] is gevoegd op pagina AH/691/062 volgt dat mr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deen in diezelfde periode onderhandelingen voerde over de casus [betrokkene 44]. Daarmee is naar het oordeel van het hof aannemelijk dat de verdachte in de periode voorafgaand aan de aangifte van [betrokkene 44] met zijn toenmalige advocaat mr. Deen over deze casus heeft gesproken. Deze gesprekken zijn zonder meer aan te merken als geheimhoudersgesprekken en deze hadden daarom vernietigd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reeds op 27 november 2013, dus voordat de kwestie van de geheimhoudersgesprekken door de verdediging aan de orde was gesteld, heeft verbalisant [verbalisant 2] al in voornoemd 'PV AH 746 aanvulling' geverbaliseerd dat de zaak [betrokkene 44] is voortgekomen uit 'het uitluisteren van diverse tapgesprekken' specifiek AH 751, blz. 01-03 en 58-61.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep is een aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 januari 2019 ingebracht waarin door verbalisant [verbalisant 2] is geverbaliseerd dat – in afwijking van de in AH 700 genoemde datum van 24 februari 2012 – reeds op 21 februari 2012 de tot dan toe opgenomen gesprekken zijn ontvangen, onder toevoeging van een kopie van een afsprakenjournaal dat dit bevestigt. Hiertussen bevond zich het gesprek dat in AH/700 is weergegeven en dat aanleiding heeft gegeven om de inbeslaggenomen goederen te doorzoeken. Dit leverde de in AH/700 weergegeven resultaten op en heeft aanleiding gegeven om contact op te nemen met [betrokkene 44] op 22 februari 2012, hetgeen heeft geresulteerd in voornoemde aangifte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de vraag of aannemelijk is dat de inhoud van enig gesprek tussen mr. Deen en de verdachte als sturingsinformatie is gebruikt in de zin dat op basis van de inhoud van dat gesprek aangever [betrokkene 44] is benaderd overweegt het hof als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat enig uitgeluisterd geheimhoudersgesprek is gebruikt als sturingsinformatie geen enkel concreet aanknopingspunt aangedragen. In het licht van hetgeen verbalisant [verbalisant 2] bij aanvullend proces-verbaal onder toevoeging van een afsprakenjournaal uit die periode, heeft gerelateerd, acht het hof het, mede gelet op de datering van de hierboven weergegeven gebeurtenissen, aannemelijk dat op basis van het in AH/700 weergegeven getapte gesprek met de medeverdachte [betrokkene 45], in combinatie met de zoekresultaten uit de onder [B] inbeslaggenomen goederen, contact is gezocht met aangever [betrokkene 44], en dus niet naar aanleiding van (…) enig met mr. Deen gevoerd telefoongesprek. Naar het oordeel van het hof is ook in de zaak [betrokkene 44] derhalve niet gebleken dat door het vormverzuim enig nadeel voor de verdachte is veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof is evenmin aannemelijk geworden dat de ambtenaren die met de opsporing of vervolging zijn belast doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak hebben tekortgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de beperkte ernst van het verzuim dat zich in de zaak van verdachte concreet heeft voorgedaan, en het ontbreken van enig nadeel daarvan voor de verdachte, bijvoorbeeld doordat bewijsmateriaal rechtstreeks resultaat van dat verzuim is, zal aan het verzuim in de zaak van verdachte geen gevolg worden verbonden, ook niet bij de strafmaat. Het hof zal daarom volstaan met de constatering van het verzuim. Het verweer wordt verworpen.’ 134. De steller van het middel acht de overweging van het hof dat de verdediging ter onderbouwing van haar standpunt dat enig uitgeluisterd geheimhoudergesprek is gebruikt als sturingsinformatie ‘geen enkel concreet aanknopingspunt’ heeft aangedragen onbegrijpelijk. Daartoe wordt aangevoerd dat de raadsman heeft betoogd en het hof ook feitelijk heeft vastgesteld dat de verdachte voordat aangever [betrokkene 44] werd benaderd telefonisch heeft gesproken met mr. Deen over de onderhandelingen met [betrokkene 44] en dat het onderzoek naar de zaak [betrokkene 44] is voortgekomen uit het uitluisteren van diverse tapgesprekken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">135.</span>Het hof heeft vastgesteld dat in AH/700 wordt gerelateerd dat verbalisant [verbalisant 2] op 24 februari 2012 van de penitentiaire inrichting waarin de verdachte toen verbleef een gegevensdrager heeft ontvangen met daarop een aantal gesprekken die globaal zijn beluisterd teneinde te onderzoeken of in deze gesprekken door de verdachte over traceerbaar vermogen werd gesproken. Hierbij bevond zich een gesprek dat de verdachte kennelijk op 17 februari 2012 met zijn zoon [betrokkene 45] heeft gevoerd over een overeengekomen transactie betreffende een perceel grond in ‘Rode’ (fonetisch). Verbalisant [verbalisant 2] heeft geverbaliseerd dat hij naar aanleiding hiervan een zoekslag heeft gemaakt op de woorden ‘Rode’, ‘Rolde’, ‘grond’ en dergelijke en in het beslag van makelaarskantoor [B] (digitaal) een aantal relevante documenten heeft aangetroffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">136.</span>Het hof heeft voorts vastgesteld dat in hoger beroep een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 17 januari 2019 is ingebracht waarin is geverbaliseerd dat – in afwijking van de in AH/700 genoemde datum van 24 februari 2012 – reeds op 21 februari 2012 de tot dan toe opgenomen gesprekken zijn ontvangen, onder toevoeging van een kopie van een afsprakenjournaal dat dit bevestigt. Tussen deze gesprekken bevond zich het gesprek dat in AH/700 is weergegeven en dat aanleiding heeft gegeven om de inbeslaggenomen goederen te doorzoeken. Dit leverde de in AH/700 weergegeven resultaten op en heeft aanleiding gegeven om contact op te nemen met [betrokkene 44] op 22 februari 2012, hetgeen heeft geresulteerd in de aangifte van diezelfde datum.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">137.</span>Met de overweging dat de verdediging geen enkel concreet aanknopingspunt heeft aangedragen ter onderbouwing van haar standpunt dat enig uitgeluisterd geheimhoudergesprek is gebruikt als sturingsinformatie, heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd – in het licht van hetgeen verbalisant [verbalisant 2] bij het aanvullend proces-verbaal onder toevoeging van een afsprakenjournaal uit die periode heeft gerelateerd – een onvoldoende concrete onderbouwing vormt van het standpunt van de verdediging. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft kunnen oordelen dat de omstandigheid dat de verdachte in de periode voorafgaand aan de aangifte van [betrokkene 44] met zijn toenmalige advocaat mr.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deen over de casus [betrokkene 44] heeft gesproken geen concreet aanknopingspunt oplevert voor de stelling van de verdediging dat die telefoongesprekken als sturingsinformatie zijn gebruikt. Dat wordt niet anders doordat de raadsman tevens heeft betoogd (en het hof heeft vastgesteld) dat de zaak [betrokkene 44] is voortgekomen uit ‘het uitluisteren van diverse tapgesprekken’. Het uitluisteren van tapgesprekken is immers iets anders dan het uitluisteren van geheimhoudergesprekken. Ik wijs er hierbij op dat het hof heeft vastgesteld dat tussen de globaal beluisterde gesprekken op de van de penitentiaire inrichting ontvangen gegevensdrager zich het in AH/700 weergegeven tapgesprek met de zoon van de verdachte bevond dat (in combinatie met de zoekresultaten uit de onder [B] inbeslaggenomen goederen) aanleiding heeft gegeven contact op te nemen met [betrokkene 44].</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">138.</span>Gelet op het voorgaande faalt ook de in de toelichting verwoorde klacht dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het telefoongesprek van de verdachte met zijn zoon de aanleiding is geweest om contact te zoeken met [betrokkene 44], en niet de telefoongesprekken met mr. Deen. Dat geldt ook voor de klacht dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsman dat de inhoud van het proces-verbaal van 17 januari 2019 in strijd is met alle informatie die (voordien) door de politie, het openbaar ministerie en aangever [betrokkene 44] is gegeven over de aanleiding om hem te benaderen. In de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het hof als zijn – feitelijke en niet onbegrijpelijke – oordeel tot uitdrukking gebracht dat het geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de inhoud van het aanvullend proces-verbaal van 17 januari 2019. Daarbij wijst het hof erop dat de inhoud van het proces-verbaal wordt bevestigd door het bijgevoegde afsprakenjournaal uit de periode waarin de gegevensdrager werd ontvangen. Daarin ligt genoegzaam besloten dat en waarom naar het oordeel van het hof moet worden voorbij gegaan aan de door de raadsman bedoelde informatie waarmee dat proces-verbaal in strijd zou zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">139.</span>De steller van het middel wijst nog op twee vermeende tegenstrijdigheden in de vaststellingen van het hof. Anders dan wordt betoogd, zijn de vaststelling dat de zaak [betrokkene 44] is voortgekomen uit het uitluisteren van diverse tapgesprekken en de vaststelling dat een gesprek tussen de verdachte en zijn zoon aanleiding is geweest om [betrokkene 44] te benaderen, met elkaar te rijmen. Het hof heeft vastgesteld dat op de ontvangen gegevensdrager een aantal gesprekken stond – de tot dan toe opgenomen gesprekken –, dat die (globaal) zijn beluisterd, en dat zich daartussen het gesprek tussen de verdachte en zijn zoon bevond. Aldus kon het hof overwegen dat de zaak [betrokkene 44] is voortgekomen uit het uitluisteren van ‘diverse’ tapgesprekken. Ik merk hierbij nog op dat met de term ‘voortgekomen’ niet noodzakelijk tot uitdrukking behoeft te zijn gebracht dat al die ‘diverse tapgesprekken’ de aanleiding zijn geweest om [betrokkene 44] te benaderen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">140.</span>De vaststelling dat de zaak [betrokkene 44] is voortgekomen uit het uitluisteren van diverse tapgesprekken en de vaststelling dat ook op basis van de resultaten van een zoekslag in inbeslaggenomen goederen contact is gezocht met [betrokkene 44] zijn evenmin onderling tegenstrijdig. Het hof heeft vastgesteld dat het gesprek tussen de verdachte en zijn zoon de aanleiding vormde om de inbeslaggenomen goederen te doorzoeken, hetgeen leidde tot zoekresultaten die op hun beurt aanleiding vormden om contact op te nemen met [betrokkene 44]. Aldus heeft het hof niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat het tapgesprek, in combinatie met bedoelde zoekresultaten, ertoe leidde dat [betrokkene 44] werd benaderd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">141.</span>Gelet op het voorgaande faalt ook de klacht over het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de enkele constatering van een vormverzuim (kort gezegd het niet terstond vernietigen van enkele geheimhoudergesprekken). Blijkens de toelichting bouwt die klacht immers enkel voort op de hiervoor besproken en ongegrond bevonden deelklachten over de begrijpelijkheid van het oordeel dat niet aannemelijk is dat enig telefoongesprek met mr. Deen als sturingsinformatie is gebruikt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">142.</span>Het vijfde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde en zevende middel; afronding 143. Het zesde middel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">144.</span>Het middel is, gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409 m.nt. Ten Voorde, terecht voorgesteld. Uw Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">145.</span>Het zevende middel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase doordat het hof de gedingstukken niet binnen acht maanden heeft ingezonden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">146.</span>Het cassatieberoep is op 26 april 2019 ingesteld. De stukken van het geding zijn op 13 januari 2020 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn van acht maanden met bijna drie weken is overschreden. Ambtshalve wijs ik erop dat de verdachte ten tijde van de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv in verband met deze zaak gedetineerd was en dat Uw Raad niet binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen. Ook in zoverre is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM overschreden. Een en ander dient te leiden tot strafvermindering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">147.</span>Het eerste tot en met vijfde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het zesde en zevende middel slagen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">148.</span>Ambtshalve heb ik, afgezien van de overschrijding van de redelijke termijn, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">149.</span>Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, tot vermindering van de duur van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf, tot bepaling dat gijzeling van gelijke duur als de in het arrest genoemde duur van de vervangende hechtenis kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vóór 1 januari 2013: de Rechtbank te ’s-Gravenhage.</p>\n<p class=\"lf-p\">In cassatie wordt niet geklaagd over de afwijzing door het hof van het verzoek van de raadsman tot het als getuige horen van de bedoelde personen. Evenmin wordt in cassatie opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie, door in eerste aanleg en in hoger beroep bij requisitoir de stukken die in verband gebracht kunnen worden met oplichting van [betrokkene 2] en de gelden die dat heeft gegenereerd in de beschouwing te betrekken, geen (on)geschreven strafprocesrechtelijke vormvoorschriften heeft geschonden en dat evenmin sprake is van handelen in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet herziening gerechtelijke kaart, Stb. 2012, 313; inwerkingtredingsbesluit Stb. 2012, 314.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl, HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:455, NJ 2018/198, rov. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010/11, 32 891, nr. 3, p. 52-53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Kamerstukken II 1998/99, 26 523, nr. 3, p. 9, waar wordt genoemd een geschil over de aanvraag van een bouwvergunning voor een rechtbank bij de gemeente waarin de rechtbank is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2002, 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2012, 313; inwerkingtredingsbesluit Stb. 2012, 314.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die verwijzingsmogelijkheid in art. 8:13 Awb is met ingang van 1 januari 2013 vervallen omdat daarvoor een algemene voorziening werd opgenomen in art. 46b RO (Kamerstukken II 2010/11, 32 891, nr. 3, p. 61).</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 22 januari 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:AA8753.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 523, nr. 3, p. 8-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 2019/25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor zaken waarin in cassatie werd geklaagd over een beslissing van het hof tot verwijzing van een (civiele) zaak: HR 12 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1046, NJ 2020/248 (rov. 3.1.1 en 3.1.2) en de conclusie van A-G Hammerstein (randnummer 4.3) voor HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3191 (eerste middel, art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het eerste middel in de conclusie is niet opgenomen in de publicatie in NJ 2019/25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook een recente conclusie van plv-AG Frielink (ECLI:NL:PHR:2021:25, eerste middel) betreffende een aan het Gerechtshof Den Haag gericht verzoek tot verwijzing van de zaak op de voet van art. 62b RO (onder meer) op de grond dat de verdachte aangifte heeft gedaan tegen een raadsheer van de civiele sector van het Gerechtshof Den Haag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de wettekst spreekt van ‘terugwijzing naar dezelfde rechtbank’ kan de vraag rijzen of het verzoek van de raadsman tot verwijzing door het hof van de zaak naar een andere rechtbank wel had kunnen worden toegewezen. In Wetboek van Strafvordering, Melai/Groenhuijsen e.a., art. 423 Sv, aant. 32 (actueel t/m 1 oktober 2006) wordt in dit verband opgemerkt: ‘In geval van toepassing van art. 423, tweede lid verwijst de appelrechter de zaak naar 'dezelfde rechterlijke instantie.' Deze instantie is de rechter die over de zaak in eerste aanleg heeft geoordeeld en die in de beantwoording van de vragen van art. 348 is blijven 'steken'.’ Daaraan wordt toegevoegd: ‘Blijkt de appelrechter dat de zaak in eerste aanleg door een onbevoegde rechter is behandeld (…), dan zal de appelrechter er goed aan doen de zaak te verwijzen naar de bevoegde rechter om te voorkomen dat de zaak te lang blijft slepen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in de onderhavige zaak moet het hof – indien het tot het oordeel was gekomen dat de Rechtbank Den Haag de zaak wegens betrokkenheid daarbij niet had mogen behandelen – naar het mij voorkomt bevoegd worden geacht de zaak (om proceseconomische redenen) te verwijzen naar een andere rechtbank dan de Rechtbank Den Haag. In geval van terugwijzing van de zaak door het hof naar de Rechtbank Den Haag op voornoemde grond, had die rechtbank – die recht moet doen met inachtneming van 's hofs arrest – vervolgens immers slechts alsnog kunnen beslissen tot verwijzing van de zaak naar een andere rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onder meer HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:756, onder verwijzing naar HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442, NJ 1996/557 m.nt. ’t Hart. Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, 9e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 966, waar wordt opgemerkt dat de jurisprudentiële uitbreiding die Uw Raad aan art. 423, tweede lid, Sv heeft gegeven ziet op situaties waarin de behandeling in eerste aanleg ‘wegens een zeer ernstig defect niet als volwaardig heeft te gelden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onder meer HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, NJ 2019/428 (rov. 3.2.1) en HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, NJ 2019/429 (rov. 4.2.1), beide m.nt. Kooijmans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor dit voorschrift thans het tweede lid van art. 268 Sv. Met ingang van 1 juli 2003 is daarin een uitzondering opgenomen in geval van toepassing van art. 316, tweede lid, Sv (Stb. 2003, 143; inwerkingtredingsbesluit Stb. 2003, 260). In HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:21, NJ 2019/427 m.nt. Mevis heeft Uw Raad geoordeeld dat het verbod van art. 268, tweede lid, Sv – in weerwil van de tekst van art. 415, eerste lid, Sv – niet van toepassing is in hoger beroep (rov. 2.4 en 2.5). Zie daarover J. Loyson, B. Hofstra, K. Schaffels en E. Pfeil, ‘De raadsheer-commissaris als zittingsrechter. Het kan niet waar zijn’, NJB 2018/1511.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie eerder ook HR 13 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8635, NJ 1991/219 m.nt. Van Veen, waarin (de ratio van) art. 268 Sv niet werd genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0147, NJ 1998/189 m.nt. Knigge.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 18 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9612, NJ 1994/305 (behandeling door het hof na vernietiging in cassatie van een eerder door het hof gewezen arrest) en HR 24 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0257, NJ 1996/484 m.nt. Knigge, rov. 4.1 en 4.3 t/m 4.5 (behandeling door de rechtbank na vernietiging in hoger beroep van een eerder door de rechtbank gewezen vonnis).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1502, NJ 2000/335 m.nt. ’t Hart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van A-G Fokkens voor het arrest (randnummer 26) die opmerkte dat wie een directe collega van de vervolgende officier van justitie – zeker bij zulke ernstige feiten als de onderhavige – voor zich ziet als rechter, redelijke gronden heeft om ernstig te twijfelen aan de onpartijdigheid van deze rechter. Zie ook randnummers 4 en 5 van de noot van ’t Hart.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3785, NJ 2008/211.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9920, NJ 2009/278.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1726, NJ 2020/439 m.nt. Vellinga. In zijn noot ziet Vellinga de opmerking van de raadsheer als het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden (art. 25 Rv); de raadsheer ‘heeft dus gewoon zijn werk gedaan’ (randnummers 12-13).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9369, NJ 2001/141. Vgl. ook HR 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141 (voorzitter zegt tegen getuige ‘wij denken dat u liegt’, gevolgd door de mededeling van de verdenking van meineed) en HR 18 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:AD2325, NJ 1996/73 m.nt. Knigge, rov. 5.5.3 (politierechter wijst vordering van de officier van justitie tot het opmaken van proces-verbaal van meineed tegen één getuige toe en wijst ten aanzien van twee andere getuigen een overeenkomstig verzoek van de raadsman af).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0819, NJ 1998/187 m.nt. Knigge, rov. 5.4 en 5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 mei 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1683, NJ 1992/676 m.nt. ’t Hart, rov. 6.5. Vgl. ook HR 29 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9103, NJ 1993/58 m.nt. Knigge; HR 14 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0446, NJ 1996/644 m.nt. Schalken; HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9320, NJ 1998/186 m.nt. Knigge (onder NJ 1998/187), rov. 5.2 t/m 5.3.2; HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7956, rov. 3.4 en 3.6; HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5050, NJ 2004/498.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 26 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8739, NJ 1991/509 m.nt. Van Veen, rov. 4.5 en HR 14 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:AC3597, NJ 1991/695 m.nt. ’t Hart, rov. 4.3. Zie voorts HR 29 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1909, NJ 1993/692 m.nt. ’t Hart, rov. 5.4 (de enkele omstandigheid dat een rechterlijk college dat de zaak van de verdachte in hoger beroep behandelt herhaaldelijk verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis heeft afgewezen brengt niet mee dat de zaak niet wordt behandeld door een impartial tribunal als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM; ook niet indien bij die afwijzingen is overwogen dat zich het geval van art. 67a, derde lid, Sv niet voordeed).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 15 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0690, NJ 1997/535 en HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9320, NJ 1998/186 m.nt. Knigge (onder NJ 1998/187), rov. 5.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1311, NJ 2008/193 m.nt. Reijntjes, rov. 3.4 en 3.5. Vgl. ook HR 27 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8116, NJ 1984/173, waarin het hof bij tussenarrest had overwogen dat het ‘voorshands van oordeel is dat verdachte het hem primair ten laste gelegde heeft begaan’. Zie voorts HR 20 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO0616, NJ 2005/241 m.nt. Knigge (rov. 5.1 e.v.), waarin het hof drie in eerste aanleg gevoegde zaken had gesplitst, in die zin dat één van de zaken afzonderlijk is berecht en afgedaan, en het hof op een later moment de twee andere zaken in dezelfde samenstelling behandelde, alsmede HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:939 (art. 81 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Hofstee.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9103, NJ 1993/58 m.nt. Knigge.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9053, NJ 1993/194 m.nt. Schalken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De steller van het middel verwijst ten aanzien van de bankmedewerkers naar ‘de getuigen 25-65’ in de pleitnota voor de terechtzitting van 29 januari 2019. In die reeks in de pleitnota ontbreken de nummers 47 en 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr. 3 en 4 in de appelschriftuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr. 25-46 en 49-65 in de appelschriftuur. [betrokkene 7] wordt twee keer in deze lijst vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met dien verstande dat een standpunt ten aanzien van het horen van [betrokkene 28] ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman heeft op de betreffende zitting opgemerkt (p. 26): ‘Ik heb donderdagmiddag het bericht ontvangen dat op maandagmiddag het getuigenverhoor van [betrokkene 7] zou plaatsvinden. Deze voorzittersbeslissing liep kennelijk vooruit op de beslissing op de rest van de onderzoekswensen.’ Zie ook p. 43 van het proces-verbaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bewijsmiddel 3 bij ‘Feit 1 gewoontewitwassen: herkomst geld ouders verdachte bankrekening [017] op naam van [betrokkene 12] ’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel is daarin zonder argumentatie vermeld dat de stortingen ‘geen andere verklaring (kunnen) hebben dan dat deze door de bank als contante storting aangemerkte bedragen zijn te herleiden naar interne omzettingstransacties van de gulden naar de euro van deposito- c.q. effectenrekeningen’ (p. 161).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bewijsmiddel 3 bij ‘Feit 1 gewoontewitwassen: herkomst geld ouders verdachte bankrekening [017] op naam van [betrokkene 12] ’.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De steller van het middel verwijst naar de pleitnota voor de terechtzitting van 29 januari 2019 (zie p. 7-8 en 12).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het midden kan daarom blijven of de ter terechtzitting van 11 mei 2017 medegedeelde beslissingen op de onderzoekswensen op de voet van art. 322, vierde lid, jo. art. 415, eerste lid, Sv (deels) in stand zijn gebleven nadat het onderzoek ter terechtzitting op 29 januari 2019 opnieuw is aangevangen. Ik merk hierbij op dat een deel van de in het middel bedoelde verzoeken ook niet eerder dan ter terechtzitting van 29 januari 2019 is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat - in cassatie niet bestreden - oordeel draagt de beslissing van het hof om de getuige [betrokkene 7] niet (opnieuw) te horen zelfstandig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook de overwegingen van het hof onder het kopje ‘Onderzoekwensen’ op p. 2-4 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik teken hierbij aan dat [betrokkene 7] ter terechtzitting van 4 februari 2019 had te gelden als een niet verschenen getuige als bedoeld in art. 287, derde lid, en art. 288, eerste lid, Sv. Het hof heeft evenwel, als gezegd, ten aanzien van deze getuige (aanvullend) overwogen dat wordt afgezien van de hernieuwde oproeping (waarbij het hof kennelijk het oog heeft gehad op het bepaalde in art. 288, eerste lid, Sv). Ik laat de vraag rusten of het hof – nu de raadsman ter terechtzitting van 4 februari 2019 geen verzoek tot hernieuwde oproeping van [betrokkene 7] heeft gedaan – gehouden was ten aanzien van deze getuige een beslissing uit hoofde van de artikelen 287 en 288 Sv te nemen. Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.20, 2.23 en 2.61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de opmerkingen van de raadsman in de pleitnota’s voor de terechtzittingen van 29 januari 2019 (p. 5-6) en 19 februari 2019 (p. 3) alsmede het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2019 (p. 53).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk nog op dat de in het middel bedoelde getuigen geen prosecution witnesses betreffen. Vgl. in verband met het onderscheid tussen prosecution en defence witnesses EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin v. Nederland), rov. 40-45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft hierbij kennelijk het oog op jurisprudentie van Uw Raad waaruit volgt dat vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen ‘afkomstig (...) uit enig misdrijf’ in de zin van art. 420bis en 420quater Sr (HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774, NJ 2009/94 m.nt. Borgers, rov. 3.8) en dat sprake kan zijn van vermogen dat ‘gedeeltelijk’ van misdrijf van afkomstig is als gevolg van vermenging van legaal vermogen met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen en/of van vermogen dat ‘middellijk’ van misdrijf van afkomstig is doordat het bestaat uit vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van (vervolg)transacties uitgevoerd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen (HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2011/44 m.nt. Keijzer, rov. 3.6.1). Tegen die achtergrond bedoelt het hof in de laatste alinea van de bewijsoverweging op p. 104 van de aanvulling kennelijk dat ten aanzien van ‘de overige bijschrijvingen en/of tegoeden op buitenlandse bankrekeningen, alsmede op de van die rekeningen afgeschreven bedragen’ sprake is van een criminele herkomst (en niet slechts van een vermoeden daarvan). Vgl. ook HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1377.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijk stuk getiteld ‘Reactie op onderzoekswensen’, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van repliek, p. 11-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0317, NJ 1996/275.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2818, NJ 2017/449.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs er hierbij nog op dat het door de raadsman ter terechtzitting van 25 maart 2019 voorgedragen op schrift gestelde en overgelegde laatste woord van de verdachte inhoudt dat de verdachte ‘onmiddellijk’ na de verklaring van [betrokkene 16] van 15 januari 2019 onder meer ‘alle aan- en verkoopaktes’ en ‘alle hypotheekaktes’ van [betrokkene 16] bij het kadaster heeft opgevraagd. En dat de verdachte ook de hypotheekaktes heeft opgevraagd ‘waaruit blijkt dat [betrokkene 16] voor de twee registergoederen – [a-straat 4] en [ p-straat 1] – zelf hypotheken had aangevraagd bij officiële banken, respectievelijk Landbouwbank en AMEV hypotheekbank’ (zesde en zevende ongenummerde pagina). De stelling dat de stukken onmiddellijk na het getuigenverhoor zijn opgevraagd wijst er niet op dat de raadsman eerst op 7 maart 2019 in de gelegenheid was de producties 10 tot en met 13 in het geding te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de gedingstukken bevindt zich de hiervoor genoemde lijst met perceelnummers van 21 juni 2018 die als bijlage 3 is gehecht aan het proces-verbaal van het getuigenverhoor van [betrokkene 16] bij de raadsheer-commissaris van 15 januari 2019, met daarop handgeschreven ‘overgelegd ter zitting in [verdachte]’. Niet is vermeld wie dit heeft aangetekend en op welke terechtzitting het stuk is overgelegd. Aan het stuk is gehecht een overzicht van de desbetreffende perceelnummers met daarbij de vermelding van de bijbehorende adressen, of sprake is van een koop of verkoop, de prijs en de datum van de transactie. De oudste transactie die wordt vermeld dateert uit 1980, de jongste uit 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1451, NJ 2000/214 m.nt. Reijntjes, rov. 3.4 en HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3202, rov. 4.4. Zie ook de conclusie van A-G Machielse voor laatstgenoemd arrest (randnummer 3.5): ‘Het oordeel óf het overleggen van nieuwe stukken strijdig is met beginselen van een behoorlijke procesorde (en wel in die mate dat die stukken niet aan het dossier mogen worden toegevoegd) is dermate verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat dit oordeel in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namens de verdachte is een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend dat strekte tot opheffing van het beslag. Bij beschikking van 7 juli 2020 heeft Uw Raad het cassatieberoep in die zaak niet-ontvankelijk verklaard (nr. 19/01049 B, niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedoeld wordt p. 63-64 van de pleitnota: ‘De verdediging verwijst Uw Hof naar de foto’s van het pand [m-straat 2] op de dag van de inbeslagname, p-v binnentreden [m-straat 2], AH -620. Op pagina 27 tot en met 32 treft u de foto’s van de administratie in de woonkamer. Zoals zichtbaar op de foto’s was de administratie gesorteerd in Atlanta mappen (voorzien van een dossiernaam) en opgeslagen in dozen danwel losliggende archiefkasten. Op twee tafels lagen er ook dossiers die met elastiekjes was gebonden danwel gesorteerd in Atlanta mappen. (…) De administratie van [verdachte] was meer dan gemiddeld, maar niet chaotisch.’ De ten tijde van de inbeslagneming geldende Aanwijzing inbeslagneming (Stcrt. 2010, nr. 19117) schreef specificatie in de kennisgeving van inbeslagneming voor (II.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 11 september 2012 (p. 3) sprak de raadsman aldaar zelf ook van vijfendertig dozen met administratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie is onder meer in het schriftelijk requisitoir in hoger beroep (p. 108) ingegaan op de teruggave van de administratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De steller van het middel – die opmerkt dat het betoog van de raadsman is ‘gezet in de sleutel van het door hem gevoerde verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard’ en dat het hof ‘op zichzelf met juistheid (heeft) overwogen dat de jurisprudentie van de Hoge Raad leert dat voor dat rechtsgevolg slechts in zeer uitzonderlijke gevallen plaats is’ – meent zelf dat de vraag kan worden gesteld welk belang de verdachte heeft bij deze cassatieklacht. Nu ik meen dat het vierde middel faalt, laat ik hetgeen in de schriftuur wordt opgemerkt over het belang van de verdachte bij gegrondverklaring van de in het middel geformuleerde klachten onbesproken. Terzijde merk ik op dat de bijstelling door Uw Raad van de maatstaf voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op de voet van art. 359a Sv (in die zin dat niet ook behoeft te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces ‘doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte’ heeft plaatsgevonden; zie HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en 1890, rov. 2.5.2) niet afdoet aan hetgeen in de hoofdtekst is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, p. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik lees in het middel en de toelichting daarop geen klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het verweer dat meer subsidiair strafvermindering dient plaats te vinden (conclusie van dupliek, p. 30). Ten overvloede wijs ik erop dat voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is, en het dus moet gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast (vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en 1890, rov. 2.3.2). In de overwegingen van het hof ‘dat zich niet de situatie voordoet dat door dit vormverzuim een wezenlijk belang van de verdachte is geschonden of daaruit anderszins voor hem enig nadeel voortvloeit’ (in het kader van de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie) en dat wordt gelet op ‘de beperkte ernst’ van het vormverzuim en ‘het ontbreken van enig aanwijsbaar nadeel daarvan voor de verdachte’ (in het kader van het subsidiaire beroep op bewijsuitsluiting) ligt als niet onbegrijpelijk oordeel besloten dat het hof evenmin aanleiding heeft gezien om tot strafvermindering over te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">AH/700 (een proces-verbaal van bevindingen van 9 maart 2012) is gevoegd als bijlage 5 bij de pleitnota van de raadsman voor de terechtzitting van 19 februari 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit proces-verbaal met het daarbij gevoegde afsprakenjournaal is gevoegd als bijlage 8 bij het schriftelijk requisitoir in hoger beroep.</p></div>", "next": 238647}