{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>Dat brengt mee dat het middel slaagt voor zover het klaagt over ’s hofs oordeel dat het over onvoldoende gegevens beschikt om een zorgmachtiging te kunnen afgeven nu een indicatiestelling ontbreekt. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">51.</span>Het slagen van deze deelklacht behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Kern van ’s hofs overweging is dat het ‘over onvoldoende gegevens beschikt om een zorgmachtiging te kunnen opleggen’. Uit art. 5:19 Wvggz volgt dat de rechter alleen een zorgmachtiging kan afgeven indien (een verzoekschrift voor) de zorgmachtiging is voorbereid met toepassing van de daar genoemde artikelen. Dat geldt ook als de rechter ambtshalve toepassing zou willen geven aan art. 2.3, eerste lid, Wfz. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2020 volgt dat die voorbereiding niet heeft plaatsgevonden. Op de vraag van de voorzitter ‘of er dan wel een vordering van het Openbaar Ministerie nodig is’ heeft de raadsvrouw geantwoord: ‘Nee, uw hof moet het Openbaar Ministerie dan opdragen om de zorgmachtiging in gang te zetten’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">52.</span>Daaruit volgt dat het hof ervanuit heeft kunnen gaan dat onvoldoende gegevens ontbraken om een zorgmachtiging te kunnen afgeven. Dat brengt mee dat een rechtens te respecteren belang bij cassatie vanwege het slagen van de eerste deelklacht ontbreekt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">53.</span>De stellers van het middel klagen voorts over ’s hofs beslissing het onderzoek niet te heropenen teneinde alsnog over die gegevens te kunnen beschikken en het daartoe overwegen dat de verdachte niet over enig ziekte-inzicht beschikt en niet heeft meegewerkt aan het onderzoek van deskundigen, waardoor ‘onvoldoende duidelijk (is) welke behandeling er nodig is, laat staan dat er een inschatting kan worden gemaakt van de behandelduur.’ Dat bij een verdachte enig ziekte-inzicht ontbreekt en deze niet heeft meegewerkt aan het onderzoek van deskundigen, ‘met als gevolg dat de deskundigen (eerder) geen goed beeld van de problematiek van de verdachte hebben kunnen verkrijgen’ zou er niet aan in de weg staan ‘de machtiging op te leggen’. Daarbij zou het hof vooruit zijn gelopen op ‘de door deskundigen te nemen conclusies door te oordelen dat onvoldoende duidelijk zal worden welke behandeling er nodig is en er geen inschatting kan worden gemaakt van de behandelduur’. ’s Hofs afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting zou daarmee niet zonder meer begrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">54.</span>Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 januari en de door haar overgelegde pleitnota volgt niet dat de raadsvrouw een verzoek om aanhouding heeft gedaan. In de pleitnota staat dat het hof, indien het ‘van oordeel is dat is voldaan aan de voorwaarden om een zorgmachtiging krachtens de Wvggz af te geven’ ambtshalve een zorgmachtiging krachtens de Wvggz kan afgeven. En de raadsvrouw informeert het hof dat het OM in een dergelijk geval dient te worden verzocht een zorgmachtiging voor te bereiden. Daarmee zou ‘een alternatief voorhanden (zijn) waar serieus naar moet worden gekeken’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">55.</span>Dat de raadsvrouw het hof niet expliciet heeft verzocht om de officier van justitie te verzoeken een (verzoekschrift voor) een zorgmachtiging voor te bereiden, spoort met de wensen die de verdachte tegenover de raadsvrouw had geuit. De verdachte wilde, zo bleek, ‘graag dat de zaak vandaag in hoger beroep wordt behandeld. Hij wil geen risico nemen dat de zaak toch wordt aangehouden in verband met het eventueel toewijzen van verzoeken’ (zie de passages uit de pleitnota die bij randnummer 8 zijn weergegeven). Mede in dat licht faalt het middel wegens gebrek aan feitelijke grondslag voor zover het erover klaagt dat sprake is van een verzoek tot aanhouding.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">56.</span>Voor het geval Uw Raad daar anders over denkt, merk ik nog het volgende op. Met de steller van het middel meen ik dat de omstandigheden dat de verdachte niet over enig ziekte-inzicht beschikt en niet heeft meegewerkt aan het onderzoek door deskundigen niet in de weg behoeven te staan aan het afgeven van een zorgmachtiging. Dat betekent echter niet dat het hof niet mede op basis van deze omstandigheden tot de beslissing heeft kunnen komen het onderzoek niet te heropenen teneinde de officier van justitie in staat te stellen een (verzoekschrift voor een) zorgmachtiging voor te bereiden. Van de rechter wordt verlangd dat hij in het kader van de zorgmachtiging beslissingen neemt over de zorg die daadwerkelijk verleend dient te worden (art. 6:4 Wvggz).</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft vastgesteld dat onvoldoende duidelijk is welke behandeling nodig is, dat het geen inschatting kan maken van de behandelduur en dat er geen enkele aanwijzing is dat de verdachte thans wel zal meewerken aan enig onderzoek. Dat het hof mede op basis van deze vaststellingen tot genoemde beslissing is gekomen, en kennelijk geen ambtshalve toepassing van art. 2.3, eerste lid, Wfz overweegt, is tegen deze achtergrond niet onbegrijpelijk. Het hof is met deze overwegingen ook niet op ontoelaatbare wijze vooruitgelopen op de uitkomsten van het onderzoek dat in het kader van de voorbereiding van (het verzoekschrift inzak) de zorgmachtiging zou dienen te worden verricht. Ik neem daarbij in aanmerking dat de stellers van het middel niet hebben bestreden dat de door het hof vastgestelde feiten een toereikende basis bieden voor deze inschatting.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">57.</span>Het derde middel faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">58.</span>Alle drie middelen falen. Het eerste en tweede middel lenen zich voor afdoening met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>Ambtshalve merk ik nog op dat de verdachte is veroordeeld wegens ‘mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in een familierechtelijke betrekking staat, meermalen gepleegd’. Op mishandeling staat een maximale gevangenisstraf van drie jaren (art. 300, eerste lid, Sr); deze gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd ‘ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen (…) zijn vader, tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat’. De rechter kan gelasten ‘dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld indien hij tot het oordeel komt dat (…) 2o. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld’ (art. 37a, eerste lid, Sr). Strafverzwarende omstandigheden tellen in deze context mee. Dat brengt mee dat de kwalificatie oplegging van terbeschikkingstelling toelaat.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">60.</span>Ook overigens heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">61.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het bestreden arrest is gepubliceerd (ECLI:NL:GHDHA:2020:189).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een uitgebreide bespreking van de wettelijke regeling C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg. Wet verplichte ggz &amp; Wet forensische zorg, DeventerL Wolters Kluwer 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1 Kamerstukken II 2009/10, 32 398, nr. 2, artikel 7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2009/10, 32 398, nr. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 32 398, nr. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Kamerstukken II 2015/2016, 32 399, nr. 25 (tweede nota van wijziging), artikel 14.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 32 399, nr. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 14.4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, Stb. 2018, 37. Dit artikel leidde ook tot een aanpassing van de definitie van het begrip ‘forensische zorg’ in art. 1.1, tweede lid, Wfz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 25. Deze nota van wijziging stelde een nieuwe tekst van de hoofdstukken 5, 6 en 7 voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2009/10, 32 398, nr. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 32 398, nr. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvankelijk stond voor het voorgestelde art. 5.3, derde lid, een 6. Dat is hersteld door de tweede nota van wijziging (Kamerstukken II 2012/13, 32 398, nr. 19), evenals enkele taalkundige onzorgvuldigheden in het voorgestelde art. 5.1, tweede en vierde lid. In de weergegeven tekst zijn deze correcties verwerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de indicatiestelling uitgebreid W.F. van Kordelaar en A.Y. Slijkhuis, ‘Vernieuwing en indicatiestelling forensische zorg’, in: H. Groen, M. Drost en H.L.I. Nijman, Handboek Forensische geestelijke gezondheidszorg, 2e druk, Utrecht: De Tijdstroom 2011, p. 74-80. Zie ook W.F. van Kordelaar, ‘Hoofdstuk 6. Het psychologisch onderzoek pro justitia’, in: F.A.M. Bakker en H.J.C. van Marle (red.), De psychiatrie in het Nederlandse recht, 8e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 114 alsmede F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, 3e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 171.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 32 398, nr. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.W.T. Klappe, P.A.M. Mevis en M.J.F. van der Wolf, ‘Het afgeven van een zorgmachtiging door de strafrechter: overzicht en eerste indrukken van de praktijk betreffende art. 2:3 Wfz sedert 1 januari 2020’, DD 2020/43.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid die art. 5:11, tweede lid, Wvggz de OvJ laat om de voorbereiding van een zorgmachtiging te beëindigen wordt volgens de auteurs ‘in zoverre overruled door het feit dat de beslissing in die zaken nu eenmaal een onderdeel is geworden van het geheel aan beslissingen van de strafrechter waartoe de OvJ hem in staat moet stellen’. En ook art. 5.17 Wvggz, dat de indiening van een verzoekschrift door de OvJ afhankelijk maakt van zijn beslissing of ‘is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg’, staat volgens hen, zo begrijp ik, niet aan ambtshalve oplegging door de strafrechter in de weg. Anders is de benadering van Reijntjes-Wendenburg, a.w., p. 8. Zij wijst erop dat uit de wettelijke regeling niet volgt dat de rechter de officier van justitie kan opdragen om een tot een zorgmachtiging strekkend verzoekschrift in te dienen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook de pleitnota, waarin de raadsvrouw naar voren had gebracht: ‘Uw Hof dient het OM in een dergelijk geval te verzoeken een ZM voor te bereiden zodat deze vervolgens ten uitvoer kan worden gelegd.’ Bleichrodt en Vegter, a.w., p. 182-183. Hofstee geeft in Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, aant. 2 bij art. 37a Sr (actueel t/m 2 augustus 2018), aan dat de wetgever ‘kennelijk aansluiting (heeft) gezocht bij art. 67 lid 1 onderdeel a Sv’. Ook in die context wordt met bijzondere strafverzwarende omstandigheden rekening gehouden; vgl;. onder meer B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, 14e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 377.</p></div>", "next": 0}