{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deze stelling is te vinden in de inleidende dagvaarding, onder 27. Het subonderdeel verwijst daarnaast naar de memorie van antwoord in principaal appel, onder 41, maar daar staat slechts – voor zover van belang en kort gezegd – dat aan AIG kwijting is verleend en dat de commissarissen AIG dus niet meer onder de D&amp;O 2013 kunnen aanspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de commissarissen dit in feitelijke instanties hebben aangevoerd, volgt overigens ook niet uit de vindplaatsen die het subonderdeel noemt voor het gestelde belang van Imtech en de commissarissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de genoemde vindplaatsen heeft alleen punt 44 van de memorie van antwoord in principaal appel betrekking op het belang van de excess-verzekeraars bij de VEB-schikking (“Zonder één euro te betalen, profiteerden de excess verzekeraars onder het D&amp;O 2013 programma het meest van de 2014 Schikking. Gelet op het dramatische koersverlies op 3 februari 2013 waren de verzekerde sommen van de first (CNA), second (Liberty) en third excess layer (Allianz) bij aansprakelijkheid van Imtech en de D&amp;O’s 2013 immers eveneens volledig uitgekeerd.”). De overige passages uit de memorie van antwoord waarnaar wordt verwezen hebben betrekking op de belangen van de betrokken partijen (Imtech en haar bestuurders en commissarissen, de aandeelhouders, en AIG) die met de VEB- en de AIG-schikking waren gediend (onder 43) respectievelijk het belang dat de excess-verzekeraars zouden hebben bij het (vergoeden van de kosten van het) voeren van verweer door de commissarissen tegen de vorderingen van de curatoren en in de Lean Lawyers-procedure (onder 135-136).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de pleitaantekeningen in hoger beroep van CNA, onder 7, 43 en 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, punt (vii) van de inleiding. Zie ook onder 1.4.3, punt b en onder 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de procesinleiding, inleiding, punt (vii) (in algemene zin), onder 1.4.3, punt b en voetnoot 60 (m.b.t. het oordeel in rov. 3.25-3.27 dat AIG voor € 12,5 miljoen dekking heeft verleend), onder 2 en voetnoot 67 (m.b.t het oordeel in rov. 3.38 dat geen dekking bestaat onder de excess-verzekering ten aanzien van de claims waartegen de commissarissen zich verweren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, inleiding, onder (vii). Zie ook onder 1.4.3, punt b (“(…) dat de RvC 2013 door het verlenen van kwijting aan AIG zouden hebben geaccepteerd daarmee, (…), hetzij ten minste een ‘eigen behoud’ van EUR 12,5 miljoen te accepteren ingeval van nieuwe gedekte aanspraken in de toekomst.”), onder 2: (“(…), maar de limiet wél zal zijn uitgeput als de RvC 2013 alsnog EUR 12,5 miljoen gedekte schade voor zijn rekening neemt.”) en onder 2.1 (“in elk geval wanneer de RvC een ‘eigen behoud’ van EUR 12,5 miljoen tegen zich zouden moeten laten gelden, de claims voor het meerdere gedekte aanspraken zijn onder de excess verzekering”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het subonderdeel van deze lezing uitgaat, volgt ook uit de klacht over het schenden van de grenzen van de rechtsstrijd. Het subonderdeel zelf licht niet toe waarom van een dergelijke schending sprake is. Uit voetnoot 67 van de procesinleiding, opgenomen bij de stelling dat het bestreden oordeel in rov. 3.38 impliceert dat de commissarissen met de AIG-schikking alle dekking onder de excess-verzekeringen zouden hebben verspeeld, kan echter worden opgemaakt dat het erom gaat dat CNA de zojuist genoemde stelling in feitelijke instanties niet zou hebben ingenomen. Vgl. ook de schriftelijke toelichting van CNA, onder 5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, onder 1.4.3, punt b en onder 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de inleidende dagvaarding, onder 27. Zie ook de pleitaantekeningen van de commissarissen in eerste aanleg, onder 2.2 en de memorie van antwoord in principaal appel, onder 133 en 140 en 141.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel lijkt (enkel) te zijn gericht op een ‘eigen behoud’ met betrekking tot de claims waartegen de commissarissen zich verweren. Dit maak ik op uit de volgende passage uit de procesinleiding (onder 2.1; mijn onderstreping): “Daaraan [aan het beroep van de commissarissen op de bereddingsplicht; A-G] lag de premisse ten grondslag dat het voeren van verweer (…) het belang van de excess-verzekeraars dient, omdat de (dreigende) claims de verzekerde som onder het D&amp;O programma vergaand overschrijden en er, in elk geval wanneer de RvC 2013 een eigen behoud van € 12,5 miljoen tegen zich zouden moeten laten gelden, de claims voor het meerdere gedekte aanspraken zijn onder de excess verzekering”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vindplaatsen genoemd in de voetnoten 68, 73 en 77 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de schriftelijke toelichting van CNA, onder 5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel zelf noemt alleen de verplichting tot het voeren van verweer. In de inleiding op de subonderdelen van onderdeel 2 wordt ook de verplichting tot het verstrekken van informatie genoemd. Zie de procesinleiding, onder 2, punt (iii).</p>\n<p class=\"lf-p\">CNA heeft in de onderhavige procedure “nog meer subsidiair” het volgende verweer gevoerd: “Voor het geval de attachment point bereikt zou zijn én de gevraagde kosten onder het bereik van de primaire verzekering zouden vallen, geldt dat CNA haar verplichtingen onder de polis heeft opgeschort vanwege het feit dat de RvC (oud 2013) niet heeft voldaan aan haar informatie en participatieverplichtingen.” Zie de conclusie van antwoord, onder 8.1.</p></div>", "next": 0}