{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Art. 36 Paspoortwet is om die reden komen te vervallen (Stb. 2001/132). Echter, de mogelijkheden om tot een oplossing te komen wanneer een ouder of voogd niet wenste mee te werken aan de verkrijging van een reisdocument, eventueel door middel van schriftelijke aanwijzing als bedoeld in art. 1:258 BW (oud) bleken in de praktijk niet uitvoerbaar. Daarom is het huidige art. 36 Paspoortwet ingevoerd. In tegenstelling tot de eerdere regeling is ervoor gekozen om het verlenen van een vervangende verklaring van de rechter niet meer te koppelen aan het enkele feit dat de minderjarige onder toezicht is gesteld, maar aan een verzoek van (bureau Jeugdzorg; thans) de gecertificeerde instelling of een gezinsvoogdij-instelling. Die zal dit verzoek slechts doen indien degenen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, weigeren om zelf toestemming te verlenen. De rechter kan daarnaast, door de mogelijkheid om het reisdocument aan een bepaalde geldigheidsduur of een territoriale geldigheid te binden, inspelen op de bijzonderheden van de zaak waarin zijn oordeel wordt gevraagd (Kamerstukken II 2005/06, 30 381 (R 1804), nr. 3, p. 1-3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art 1:306 lid 2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenals de schriftelijke aanwijzing (art. 1:263 lid 1 BW en art. 1:265f lid 2 BW), een beslissing op een verzoek tot intrekking van een schriftelijke aanwijzing (art. 1:265 BW) en een beslissing over uithuisplaatsing als bedoeld in art. 1:265d BW (beëindiging, bekorting en het afzien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging verblijfplaats), zie daarover J.D. de Boer, W.D. Kolkman &amp; F.R. Salomons, Mr. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 1. Personen en familierecht. Deel I. De persoon, afstamming en adoptie, gezag en omgang, levensonderhoud, bescherming van meerderjarigen, Deventer: Wolters Kluwer 2020 (411. Toepasselijkheid Awb). Het hierna weergegeven juridische kader is hieraan ontleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punselie, diss. 2006, p. 64 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 29 (MvT) Art. 1:258 lid 3 BW (oud) is in werking getreden op 1 november 1995 (Wet van 26 april 1995, Stb. 255) en was de opvolger van de gelijkluidende bepaling art. 1:260 lid 4 BW (oud) ingevoerd in 1955, Wet van 20 juli 1955, Stb. 323.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:265a BW, aant. 8 (actueel t/m 01-12-2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">J.D. de Boer, W.D. Kolkman &amp; F.R. Salomons, Mr. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht, 1. Personen- en familierecht. Deel I. De persoon, afstamming en adoptie, gezag en omgang, levensonderhoud, bescherming van meerderjarigen, Deventer: Wolters Kluwer 2020 (415 Uitsluitend met rechterlijke machtiging) met verwijzing naar HR 13 november 1998, ECLI;NL:HR:1998:ZC2774, NJ 1999/147. In die zaak was het kind vrijwillig uit huis geplaatst, maar verzocht de gezinsvoogdij-instelling een machtiging voor het geval de ouder in een later stadium de vrijwillige uithuisplaatsing zou beëindigen. Uw Raad oordeelde dat de rechter niet blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de oordelen dat daarvoor in dat geval geen grond bestond.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:265a BW, aant. 8 (actueel t/m 01-12-2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. voor deze problematiek: Kinderombudsman Rotterdam, Is er nog een plekje vrij? 26 februari 2018, onderzoek van RSJ&amp;RVS, Intensieve hulp, heldere grenzen aan drang in de jeugdzorg, Den Haag: 2019, rechtbank Rotterdam 12 juni 2019, ECLI:RBROT:2019:5070, rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 april 2019, ECLI;NL:RBZWB:2019:2076 en rechtbank Noord-Nederland 11 december 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4426.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:265a, aant. 1 (actueel t/m 01-12-2020). Zie ook R. de Boer &amp; M.R. Bruning, ‘Eerste evaluatie Jeugdwet vanuit juridisch perspectief’, FJR 2018/46, en D.S. Kroost, ‘Jeugdhulpverlening ‘met zachte drang’: duidelijkheid vereist’, Tijdschrift voor Jeugdrecht 2019/1, p. 17-24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 20 januari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:331.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6476.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 7 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:357.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Roermond 3 juni 2009, ECLI:NL:RBROE:2009:BI6016 en 11 november 2009, ECLI:RBAROE:2009:BK2959.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Nederland 23 oktober 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8397.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Nederland 29 juli 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3322.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 26 april 1995, Stb. 1995/255.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33983, nr. 3, p. 10-11 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Savornin Lohman e.a. 2000, p. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.A.M. van der Zon, Pleegrechten voor kinderen. Een onderzoek naar het realiseren van de rechten van kinderen die in het kader van een ondertoezichtstelling in een pleeggezin zijn geplaatst. Den Haag: Boom juridisch 2020, p. 267.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.A.M. van der Zon, Pleegrechten voor kinderen. Een onderzoek naar het realiseren van de rechten van kinderen die in het kader van een ondertoezichtstelling in een pleeggezin zijn geplaatst. Den Haag: Boom juridisch 2020, p. 258.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.R. Bruning, T&amp;C BW, commentaar op art. 1:265b BW, Machtiging uithuisplaatsing (actueel t/m 01-08-2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">J.D. de Boer, W.D. Kolkman &amp; F.R. Salomons, Mr. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 1. Personen en familierecht. Deel I. De persoon, afstamming en adoptie, gezag en omgang, levensonderhoud, bescherming van meerderjarigen, Deventer: Wolters Kluwer 2020 (416 Procedure tot verkrijgen rechterlijke machtiging uithuisplaatsing).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 13 november 1998, ECLI;NL:HR:1998:ZC2774, NJ 1999/147.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010/11, 32 529, nr. 6, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88 m.nt. S.F.M. Wortmann.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uw Raad geeft aan dat de wet, anders dan voor de beslissingen tot het treffen van voorlopige kinderbeschermingsmaatregelen, opgesomd in art. 800 lid 3 Rv en art. 809 lid 3 Rv, geen bijzondere regels bevat voor de beslissing tot schorsing van een schriftelijke aanwijzing op de voet van art. 1:264 lid 1, laatste volzin, BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">I.J.M. Schepens, SDU Commentaar Burgerlijk Wetboek 1 art. 265 (actueel t/m 02-06-2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">A.E. Barendsen &amp; J.K. van den Heuvel, 'Prejudiciële vragen over het interveniëren in de contactregelingen tussen kind en ouders beantwoord', Advocatenblad 2019/4, p. 60-62 K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:265f BW, aant. 7 (actueel t/m 01-12-2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">J.H. Heuvelhorst en D. van der Leij, De impact van een uitspraak van de Hoge Raad op de praktijk van de GI. De (on)mogelijkheden om binnen de ondertoezichtstelling omgang te reguleren, FJR 2020/30.</p></div>", "next": 0}