{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Dat laatste lijkt mij de essentie: het gaat erom of de een werk opleverende originele ‘verzamel’- trekken zijn overgenomen en in die zin is er sprake bij dit soort verzamelwerken van een geringere beschermingsomvang. Mogelijk is het ook zo te zien: de auteursrechtelijk beschermde ‘verzamel’-Leerroutes maken vanwege het alleen auteursrechtelijk relevante element iv) in een verzameling met i) tot en met iii) dat in de ogen van het hof minder snel sprake zal zijn van een situatie dat de in die combinatie gelegen (originele ‘verzamel-’)trekken herkenbaar worden overgenomen, zodat er die zin sprake is van een geringere beschermingsomvang. Of nog weer anders gezegd: in zo’n combinatie ziet het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk een minder dan gemiddelde mate van oorspronkelijkheid; er zal in minder dan gemiddelde mate sprake zijn van creatieve – en dus beschermde – wijzen waarop de begrensde ontwerpruimte is benut. Dat de beschermingsomvang van de Leerroutes in die zin beperkt is, lijkt mij (dan ook) niet onjuist of onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.36 Voor zover de klacht uitgaat van een andere lezing van het bestreden oordeel, mist het volgens mij feitelijke grondslag. Voor zover de klacht tot uitgangspunt neemt dat áls een combinatie van (on)beschermde elementen als auteursrechtelijk beschermd werk moet worden aangemerkt, de niet auteursrechtelijk beschermde elementen van de combinatie sec – naast de auteursrechtelijk beschermde trekken van element (iv) en de originele 'verzamel-'trekken van de combinatie van de vier elementen – zouden moeten worden meegewogen bij de overeenstemmingsvraag, lijkt mij dat, zoals uit het vorenbesprokene volgt, niet juist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.37 Subonderdeel 3.2 bevat de voortbouwende klacht dat bij gegrondbevinding van subonderdeel 3.1 ook het oordeel in rov. 5.34 onderuit gaat, waar het hof volgens de klacht geen inbreuk constateert omdat, de door het hof vastgestelde gelijkenissen vooral de onbeschermde elementen betreffen, terwijl de overeenstemming van de beschermde elementen gering is. Dat behoeft geen afzonderlijke bespreking meer na de bespreking van subonderdeel 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.38 Onderdeel 4 komt met drie subonderdelen op tegen het hanteren van de totaalindrukken-maatstaf voor de beoordeling van de inbreukvraag van het lesmateriaal van Snappet op de Leerroutes in rov. 5.31 en 5.34. Die maatstaf is volgens het onderdeel niet geschikt voor werken als de onderhavige. Ook wordt geklaagd over de manier waarop de totaalindrukken-maatstaf wordt toegepast in rov. 5.34 voor het geval dit toch de juiste maatstaf zou zijn. Subonderdeel 4.1 klaagt dat de totaalindrukken-maatstaf, die door Uw Raad wel is aanvaard bij televisieformats of industriële vormgeving, niet is te hanteren bij het soort werken waar deze zaak over gaat. Bij lesmateriaal kan al sprake zijn van inbreuk als in voldoende mate auteursrechtelijk beschermde trekken zijn overgenomen, ook als de totaalindrukken verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht dit wel de juiste maatstaf zijn, dan klaagt subonderdeel 4.2 dat het hof dan in rov. 5.34 niet werkelijk de totaalindrukken van de Leerroutes en van het lesmateriaal van Snappet met elkaar heeft vergeleken. In plaats daarvan zijn de werken element voor element met elkaar vergeleken, waarbij is vastgesteld dat punten van overeenstemming betrekking hadden op volgens het hof niet beschermde elementen, terwijl de overeenstemming op het element van de beschermde concrete opgaven gering is geoordeeld, vanwege de in het oog springende verschillen, die een andere totaalindruk opleveren Dat is geen juiste toepassing van de totaalindrukken-maatstaf. Het hof had de totaalindruk van de auteursrechtelijk beschermde combinatie moeten vergelijken met de totaalindruk van het lesmateriaal van Snappet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.39 Subonderdeel 4.3 is een voortbouwende klacht dat bij het slagen van één van de vorige klachten ook de voortbouwende oordelen in rov. 5.36 worden geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.40 Volgens mij kunnen deze klachten niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang. Wij zagen hiervoor in 3.13, zoals subonderdeel 4.1 op zich terecht aanvoert, dat de totaalindrukken-maatstaf uit de rechtspraak over TV-formats en industriële vormgeving, ongeschikt lijkt voor minder overzichtelijke werken zoals de Leerroutes in onze zaak. Daarbij is het immers goed mogelijk dat, ondanks dat de totaalindrukken duidelijk van elkaar verschillen, toch sprake is van inbreuk, wanneer in voldoende mate auteursrechtelijk beschermde trekken zijn overgenomen. Dat laatste is, zoals subonderdeel 4.1 terecht stelt, uiteindelijk beslissend voor de inbreukvraag. In zoverre lijkt mij onderdeel 4 op zich terecht op te komen tegen het hanteren van de totaalindrukken-maatstaf in deze zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niettemin ontberen GEU c.s. volgens mij belang bij de klachten van onderdeel 4, omdat het totaalindrukkenoordeel niet zelfstandig draagt in deze zaak. Zie ik het goed, dan ligt in rov. 5.31-5.34 het feitelijke oordeel besloten dat het lesmateriaal van Snappet onvoldoende auteursrechtelijk beschermde trekken van de Leerroutes heeft overgenomen om van een inbreuk te kunnen spreken. De door het hof geconstateerde punten van overeenstemming in rov. 5.33 zien in hoofdzaak op niet beschermde elementen en het hof werkt vervolgens een evenlange rij verschilpunten uit. In rov. 5.34 beslist het hof dat de overeenstemmingspunten betrekking hebben op niet beschermde elementen (hoofdzakelijk didactisch van aard, zou je kunnen zeggen), om dan te vervolgen met: “Wat overblijft is overeenstemming op het niveau van de concrete opgaven”, maar die overeenstemming beoordeelt het hof feitelijk als “gering”, nu er “in het oog springende verschillen” bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierin ligt het kennelijke feitelijke oordeel besloten dat er in zo geringe mate sprake is van overneming van auteursrechtelijk beschermde trekken, dat dat per saldo onvoldoende is om inbreuk aan te kunnen nemen. De totaalindrukoverweging in de voorlaatste zin van rov. 5.34 had evengoed achterwege gelaten kunnen worden (en in rov. 5.31 niet voorop behoren te worden gezet, maar ik geef toe, het is wel gebeurd). Het evenbedoelde kennelijke oordeel uit rov. 5.33-5.34 draagt het geen-inbreukoordeel zelfstandig, wat er verder zij van gehanteerde voor dit soort werken minder geschikte totaalindrukken-maatstaf. Zie ik dit goed, dan brengt dat mee dat bij geen van de subonderdelen van onderdeel 4 belang bestaat, nu het kernoordeel niet steekhoudend wordt bestreden in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ik dat niet goed, dan zou subonderdeel 4.1 als gezegd doel treffen, maar zou subonderdeel 4.2 inhoudelijk in mijn ogen mogelijk evenmin slagen, omdat het (in hoge mate feitelijke) oordeel dat de totaalindrukken afwijken op zich best kan worden gedragen door het oordeel dat sprake is van “in het oog springende verschillen.” In mijn hoofdroute treft subonderdeel 4.3 geen doel, maar als ik dat niet goed zie, slaagt subonderdeel 4.3 ook, voor zover het voortbouwt op subonderdeel 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.41 Onderdeel 5 bestrijdt diverse oordelen van het hof in rov. 5.13 e.v. over de auteursrechtelijke bescherming van verschillende elementen van de Leerroutes. De uitwerking van de cassatiebezwaren hiertegen volgt in de subonderdelen 5.1-5.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.42 Het hof heeft in rov. 5.13-5.29 uitvoerig gemotiveerd geoordeeld dat van de afzonderlijke door de Uitgeverijen benoemde elementen i tot en met iv (weergegeven in rov. 5.4) alleen element iv “de wijze waarop aan de lesdoelen invulling wordt gegeven, zoals door het gebruik van een ankerverhaal en concrete opgaven” een auteursrechtelijk beschermd element is. Dit feitelijke oordeel kan in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht (vgl. hiervoor in 3.14). Op de keper beschouwd beoogt het onderdeel een nieuwe feitelijke beoordeling van de auteursrechtelijke beschermingsomvang van de elementen die tezamen de Leerroutes vormen, maar dat gaat de taak van de cassatierechter te buiten. Voor het geval de klachten van onderdeel daar niet al op stuklopen, bespreek ik de afzonderlijke subonderdelen hier inhoudelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.43 De subonderdelen 5.1-5.6 zien op element i: thema’s en themawoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.44 Subonderdeel 5.1 richt een motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 5.15, herhaald in 5.17, dat makers rekening hebben te houden met hetgeen de kinderen volgens SLO dienen te leren. Dat is zonder nadere maar niet gegeven motivering onbegrijpelijk volgens GEU c.s. Zij hebben volgens de klacht consequent uiteengezet dat SLO de referentieniveaus voor het basisonderwijs vaststelt, maar niet voorschrijft hoe die niveaus moeten worden bereikt, laat staan welke thema's en themawoorden (waar het volgens de klacht in de bestreden overwegingen om gaat) moeten worden gebruikt. SLO ontwikkelt wel niet-verplichte tussendoelen en leerlijnen (“TULE”), maar scholen en educatieve uitgeverijen zijn vrij in hun keuze om hiervan al dan niet gebruik te maken; de tussendoelen en leerlijnen zijn bovendien algemener van aard, terwijl de uiteindelijke keuze voor thema's, de lessenstructuur, de selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van lesdoelen en invulling daarvan wordt bepaald door de makers van de Leerroutes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen de achtergrond van deze stellingen, waarvan de juistheid door het hof in rov. 2.18-2.21 is aangenomen en waarvan in elk geval de onjuistheid door het hof niet is vastgesteld, is onbegrijpelijk dat het hof bij zijn oordeel over de auteursrechtelijke beschermbaarheid van thema's en themawoorden overweegt dat rekening gehouden moet worden met “hetgeen de kinderen volgens SLO dienen te leren”. Hetzij is het hof zonder toereikende motivering voorbijgegaan aan de stellingen van GEU c.s. dat SLO niets (bindends) vaststelt over thema's en themawoorden, danwel is zonder nadere toelichting niet begrijpelijk waarom de te bereiken referentieniveaus invloed zouden hebben op de keuze voor concrete thema's en themawoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45 Deze motiveringsklacht is volgens mij tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft in rov. 5.14 uitdrukkelijk onder ogen gezien dat de makers van de Leerroutes in het selecteren en indelen van de thema’s onmiskenbaar keuzes kunnen maken. Naar het oordeel van het hof heeft Snappet echter afdoende onderbouwd dat de makers bij deze keuzes beperkt zijn door het feit dat de thema’s dienen aan te sluiten bij: (i) de belevingswereld van de kinderen waarvoor de Leerroutes worden gemaakt, (ii) hun reeds bestaande woordenschat, en (iii) hetgeen zij volgens SLO dienen te leren. Anders dan het subonderdeel betoogt, is het hofoordeel in rov. 5.14, 5.15 en 5.17 dat de makers van de Leerroutes bij deze keuzes rekening hebben te houden met hetgeen de kinderen volgens SLO dienen te leren, niet onbegrijpelijk. In cassatie staat onbestreden het volgende vast:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De eisen aan het primaire onderwijs gelden op hoofdlijnen, onder meer inhoudende dat leerlingen gedurende acht aaneensluitende jaren onderwijs moeten volgen en dat scholen bepaalde kerndoelen en referentieniveaus moeten nastreven, een leerlingvolgsysteem moeten hanteren en een eindtoets moeten afnemen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Referentieniveau 1F is het niveau dat aan het eind van de basisschool moet zijn behaald. De wijze waarop de kerndoelen en referentieniveaus moeten worden behaald is niet vastgelegd. Uitgeverijen van lesmaterialen dienen hun methodes te richten op het bereiken van de referentieniveaus.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De kerndoelen en referentieniveaus zijn door SLO nader uitgewerkt in leer(stof)lijnen, fundamentele doelen (voor rekenen) en tussendoelen per twee leerjaren (voor taal).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>In het project TULE (Tussendoelen en Leerlijnen) heeft SLO de kerndoelen voor het basisonderwijs uitgewerkt. TULE laat zien hoe de inhoud van het curriculum over de groepen 1 tot en met 8 verdeeld zou kunnen worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Ten behoeve van hun leerlingvolgsysteem toetsen de meeste scholen hun leerlingen in ieder geval twee keer per jaar. Daarbij maken zij veelal gebruik van toetsen ontwikkeld door het Cito. Cito publiceert welke kennis zij toetst in welke toets. De toetsen worden mede gebaseerd op de kerndoelen en referentieniveaus.</div>\n<p class=\"lf-p\">GEU c.s. hebben, zoals door de klacht ook wordt onderkend, aangevoerd dat SLO de referentieniveaus voor het basisonderwijs heeft vastgesteld. Kennelijk is het hof (met de rechtbank en Snappet) van oordeel dat deze door SLO vastgestelde referentieniveaus, ondank het globale karakter daarvan, de keuze van de Uitgeverijen ten aanzien van het selecteren en indelen van thema’s beperken. Dit aan de feitenrechter voorbehouden oordeel is ook zonder nadere motivering goed te volgen, mede omdat niet in geschil is dat uitgeverijen van lesmaterialen hun methodes dienen te richten op het bereiken van deze referentieniveaus. Dit beperkt dus in zoverre de keuzevrijheid. De omstandigheid (dat door GEU c.s. is aangevoerd) dat de wijze waarop de referentieniveaus en kerndoelen moeten worden bereikt, niet (dwingend) is voorgeschreven door SLO, doet daar volgens mij onvoldoende aan af (al zou gelet op grief III van Snappet een nadere motivering hier niet hebben misstaan). Dit brengt immers niet met zich mee dat de (wél dwingend) door SLO vastgestelde referentieniveaus (en de daarmee samenhangende kerndoelen) de keuze van de Uitgeverijen ten aanzien van het selecteren en indelen van thema’s niet in meer of mindere mate (kunnen) beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.46 Daar komt bij dat niet in geschil is dat de kerndoelen en referentieniveaus door SLO nader zijn uitgewerkt in leer(stof)lijnen, fundamentele doelen (voor rekenen) en tussendoelen per twee leerjaren (voor taal). Op zichzelf is juist (dat GEU c.s. hebben aangevoerd) dat scholen en educatieve uitgeverijen in beginsel vrij zijn in hun keuze om hier al dan niet gebruik van te maken, maar praktisch lijkt niet goed denkbaar dat educatieve uitgeverijen daar geen gebruik van maken. In zoverre is het bestreden oordeel dat de makers rekening hebben te houden met hetgeen de kinderen volgens SLO dienen te leren des te beter te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.47 Ik teken daar nog bij aan dat uit de toelichting op Taal Actief uit 1993 van Malmberg – waarnaar het hof in rov. 5.14 expliciet verwijst – volgt dat bij de keuze van de thema’s rekening is gehouden met de themavelden die de SLO in het kader van sociale wereldoriëntatie heeft geformuleerd: mens en levensonderhoud, mens en medemens, mens en macht, mens en cultuur, de mens als individu, mens en ruimte, mens en tijd. Deze door SLO geformuleerde themavelden heeft de maker van de Leerroute neergelegd in Taal Actief in zoverre dus beperkt in zijn keuzes. Dat illustreert mijns inziens ook dat het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.48 Subonderdeel 5.2 richt een rechts- en motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 5.16 dat Snappet volgens het hof (onder verwijzing naar de verklaring van [betrokkene 1] en de WAK) terecht betoogt dat de keuze voor thema's en themawoorden in de Leerroutes primair didactische keuzes zijn, die van belang zijn voor het behalen van de leerdoelen op het gebied van woordenschat, en dat met de keuze voor de thema's en themawoorden wordt bepaald welke woorden worden aangeleerd en welke niet. De rechtsklacht houdt in dat voor zover het hof heeft bedoeld dat het bepalen “welke woorden worden aangeleerd en welke niet” een didactische keuze is (met de daaraan volgens het hof in rov. 5.11 verbonden rechtsgevolgen), het hof miskent dat didactiek, kort gezegd, ziet op hoe (via welke werkwijze) iets wordt aangeleerd, en niet wat (zoals: welke specifieke woorden) wordt aangeleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht formuleert het ook anders: het hof zou hebben miskend dat “welke woorden worden aangeleerd en welke niet” geen didactische keuze is die volgens de in rov. 5.11 geformuleerde maatstaf niet of verminderd voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt; in zoverre past het hof volgens de klacht zijn in rov. 5.11 vermelde maatstaf verkeerd toe. De motiveringsklacht klaagt dat voor zover het hof onder didactische keuzes wel heeft bedoeld te verstaan “welke woorden worden aangeleerd en welke niet”, die uitleg van het woord “didactisch” (in elk geval zonder nadere motivering) onbegrijpelijk is. Dit zou zo zijn in het licht van (i) de essentiële stelling van GEU c.s. over wat “didactiek” is, die door het hof niet is verworpen en/of (ii) de verklaring van [betrokkene 1], waaraan het hof in rov. 5.16 refereert, waarin volgens de klacht ook deze uiteenzet dat didactiek, kort gezegd, gaat over de methode (in de zin van: werkwijze) waarmee een bepaald leerdoel wordt bereikt (en dus niet: de concrete uitwerking van die methode voor zover die resulteert in te leren/behandelen stof zoals de gekozen themawoorden).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.49 Deze klachten ontberen volgens mij feitelijke grondslag. Het hof niet geoordeeld dat het bepalen “welke woorden worden aangeleerd en welke niet” een didactische keuze is. Het hof heeft geoordeeld dat de keuzes voor thema's en themawoorden in de Leerroutes (primair) didactische keuzes zijn, die van belang zijn voor het behalen van de leerdoelen op het gebied van woordenschat. Daar lopen deze klachten al op stuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.50 Ik begrijp het bestreden oordeel zo dat het hof van oordeel is dat de keuzes voor bepaalde thema's en themawoorden in de Leerroutes primair worden bepaald door de te behalen kerndoelen en referentieniveaus (rov. 2.18), meer in het bijzonder de tussendoelen per twee leerjaren (voor taal) die door SLO zijn geformuleerd als uitwerking van de te behalen kerndoelen en referentieniveaus (rov. 2.19). Met de kwalificatie “didactisch” van de keuzes voor bepaalde thema’s en themawoorden in de Leerroutes heeft het hof blijkens rov. 5.11 tot uitdrukking gebracht dat deze keuzes niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, omdat het auteurs van leermiddelen vrij moet staan – indien zij leerlingen bepaalde woorden willen aanleren met het oog op de te behalen leerdoelen – dezelfde keuzes voor bepaalde thema’s en themawoorden in de Leerroutes te maken, nu die keuzes van belang zijn voor het behalen van de leerdoelen op het gebied van woordenschat (kerndoelen en referentieniveaus of tussendoelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is niet onjuist, en het hof heeft evenmin de in rov. 5.11 geformuleerde maatstaf onjuist toegepast. Daarbij is van belang dat de oordelen dát de keuzes voor thema's en themawoorden in de Leerroutes van belang zijn voor het behalen van de leerdoelen op het gebied van woordenschat, en dát met deze keuzes wordt bepaald welke woorden worden aangeleerd en welke niet, op zichzelf in cassatie ook niet worden bestreden. Dat de betreffende keuzes niet passen binnen de door GEU c.s. gestelde (of de volgens de klacht door [betrokkene 1] gehanteerde) definitie van didactiek, doet, voor zover al juist, aan het niet in aanmerking komen voor auteursrechtelijke bescherming van de betreffende keuzes niet af, zodat het oordeel ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is in het licht van die stellingen (of de verklaring van [betrokkene 1] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">De klachten van subonderdeel 5.2 zijn ook daarom tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.51 Subonderdelen 5.3 en 5.4 richten rechts- en motiveringsklachten tegen de passage in rov. 5.17 dat “Hetzelfde geldt voor de daaraan gekoppelde keuze voor themawoorden.”. Zij berusten op de lezing dat het hof daarmee bedoelt dat de ten aanzien van de themawoorden gemaakte keuzes in het licht van het feit dat het steeds gaat om woorden die dienen aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen waarvoor de betreffende Educatieve Uitgave wordt gemaakt, bij hun reeds bestaande woordenschat en bij hetgeen zij volgens SLO dienen te leren, voor zover niet al didactisch bepaald, banaal en triviaal zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.52 De eerste motiveringsklacht van subonderdeel 5.3 is geformuleerd voor het geval het hof met de verwijzing naar “hetzelfde” iets anders voor ogen had. Volgens de klacht is het oordeel van het hof dan onbegrijpelijk, omdat dan niet uit het arrest valt op te maken waar “hetzelfde” naar verwijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.53 Deze kennelijk zekerheidshalve voorgedragen klacht lijkt mij feitelijke grondslag te ontberen: het arrest biedt geen aanknopingspunten voor de lezing dat het hof met de bestreden passage iets anders heeft bedoeld dan de subonderdelen 5.3 en 5.4 tot uitgangspunt nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54 Subonderdeel 5.3 vervolgt met de rechtsklacht dat het hof heeft miskend dat het voor auteursrechtelijke bescherming vereiste kenmerk dat het voortbrengsel een eigen intellectuele schepping van de maker is die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije creatieve keuzes van de maker bij de totstandkoming van het werk, een kenmerk is dat uit het voortbrengsel zelf is te kennen. Het hof had om te beoordelen of de Leerroutes met betrekking tot de keuze voor de (thema's en de) themawoorden aan de werktoets voldoen, dan ook de (concrete) Leerroutes zelf op dit punt moeten beoordelen. In elk geval ten aanzien van de themawoorden heeft het hof dat niet gedaan. In rov. 5.14-5.17 overweegt het hof niets aan de hand van de werkelijke inhoud van de Leerroutes over de concrete, in de Leerroutes opgenomen themawoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst slechts naar een aantal “secundaire bronnen”, waarin in algemene zin iets wordt verteld over de in de Leerroutes opgenomen themawoorden. Uit die algemene opmerkingen kan volgens de klacht echter niet worden afgeleid dat de Uitgeverijen zodanig beperkt waren bij het maken van keuzes voor het opnemen van bepaalde themawoorden in de Leerroutes dat niet van voldoende vrije en creatieve keuzes kan worden gesproken; om tot een oordeel daarover te komen, had het hof concreet moeten ingaan op de specifieke, in de Leerroutes gemaakte keuzes voor themawoorden, bijvoorbeeld aan de hand van het (door het hof in rov. 5.17 genoemde, maar inhoudelijk niet besproken) overzicht van themawoorden in prod. 74 en de daarover door GEU c.s. ingenomen stellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.55 Deze klacht gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. We hebben in 3.4 onder ogen gezien dat het persoonlijk stempel van de maker moet blijken uit het voortbrengsel zelf, niet uit daarbuiten gelegen omstandigheden. Omgekeerd kan echter wel uit de ontstaansgeschiedenis van het voortbrengsel of andere omstandigheden van het geval blijken dat het persoonlijk stempel dat het voortbrengsel lijkt te bezitten, in werkelijkheid niet op creatieve keuzes berust (maar bijvoorbeeld is ingegeven uit didactische overwegingen). Daarop loopt deze rechtsklacht stuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.56 Subonderdeel 5.3 klaagt tot slot dat het oordeel in elk geval onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof in de daaraan voorafgaande zinnen in rov. 5.17 – waar het hof volgens de klacht, na de verhandeling op de basis van de “secundaire” bronnen in rov. 5.14-5.16, aandacht besteedt aan de stelling van GEU c.s. dat de beperking in de keuzevrijheid voor thema's en themawoorden geen wezenlijke beperking is, dat er een groot aantal woorden is om uit te kiezen en dat er nog steeds sprake is van voldoende vrije en creatieve keuzes – niets overweegt over de concrete, in de Leerroutes gehanteerde themawoorden (maar alleen over thema's). Het hof noemt weliswaar prod. 74 (die over themawoorden gaat), maar motiveert zijn oordeel “Dit betoog overtuigt echter niet” vervolgens met overwegingen over de gekozen thema's (niet: themawoorden). Het oordeel geeft dus onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het hof leidend tot het oordeel dat “hetzelfde geldt” voor de aan de thema's gekoppelde themawoorden, aldus de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.57 Dat lijkt mij niet. De thema’s en de daaraan gekoppelde themawoorden hangen nauw met elkaar samen en vormen gezamenlijk één element van de Leerroute (rov. 5.4). In cassatie wordt niet of tevergeefs bestreden: a. Het door het hof tot uitgangspunt genomen feit dat het bij de keuze voor thema's en themawoorden in de Leerroutes steeds gaat om thema’s/woorden die dienen aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen waarvoor de betreffende Educatieve Uitgave/Leerroute wordt gemaakt, bij hun reeds bestaande woordenschat en bij hetgeen zij volgens SLO dienen te leren (rov. 5.14, 5.15 en 5.17; zie ook hiervoor bij de bespreking van subonderdeel 5.1). b. Dat de keuze voor thema's en themawoorden in de Leerroutes primair didactische keuzes zijn, die van belang zijn voor het behalen van de leerdoelen op het gebied van woordenschat, en dat met de keuze voor de thema's en themawoorden wordt bepaald welke woorden worden aangeleerd en welke niet (rov. 5.16; zie ook hiervoor bij de bespreking van subonderdeel 5.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bestreden rov. 5.17 verwerpt het hof de stelling van GEU c.s. dat de beperking in de keuzevrijheid voor thema's en themawoorden geen wezenlijke beperking is, dat er een groot aantal woorden is om uit te kiezen en dat er nog steeds sprake is van voldoende vrije en creatieve keuzes. In zijn motivering van deze verwerping betrekt het hof prod. 74 van GEU c.s. die over themawoorden gaan; hieruit volgt dat het hof die productie uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien, en de daaraan door GEU c.s. verbonden stellingen (in ieder geval impliciet) heeft verworpen. Volgens het hof zijn de gemaakte keuzes ten aanzien van zowel de thema’s als de daaraan gekoppelde themawoorden in het licht van het hiervoor achter a. weergegeven feit – voor zover niet al didactisch bepaald – banaal en triviaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijk is het hof van oordeel, anders dan GEU c.s. hadden betoogd, dat er ten aanzien van deze keuzes geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen. Dit aan de feitenrechter voorbehouden oordeel is ook zonder nadere toelichting volgens mij voldoende begrijpelijk. Dat het hof zijn (wel gegeven) motivering in rov. 5.17 vooral heeft toegespitst op thema’s doet het gelijkluidende oordeel ten aanzien van de (daaraan gekoppelde) themawoorden in mijn ogen nog niet onbegrijpelijk zijn, mede vanwege de nauwe samenhang daartussen. Ten overvloede wijs ik er nog op dat, anders dan de klacht lijkt te suggereren, de door het hof in rov. 5.14 genoemde en in zijn oordeel betrokken producties niet alleen zien op thema’s maar ook op themawoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motiveringsklacht is zodoende tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.58 Subonderdeel 5.4 formuleert een aantal nader uitgewerkte rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 5.17 dat “hetzelfde geldt” voor de aan de thema’s gekoppelde keuze voor themawoorden (vgl. laatste zin rov. 5.17), gegeven de uiteenzetting van GEU c.s. over de bij de themawoorden gemaakte keuzes. De klacht laat zich lastig samenvatten zonder nuanceringen en grafische weergaven te verliezen, zodat ik hier deels uit citeer: “De Uitgeverijen hebben aangevoerd dat de makers van Leerroutes grote vrijheid hebben bij het bepalen van de themawoorden. Welke woorden dit precies zijn, wordt niet voorgeschreven. Ook niet door didactiek, praktische overwegingen of eisen van SLO of Cito. Zij hebben dit onder meer geïllustreerd aan de hand van een ‘ankerverhaal’ in Leerroute Taal Actief voor groep 4 (een uitgave van Malmberg); in de ‘ankerverhalen’ in die methode, geschreven door bekende kinderboekenschrijvers, wordt het thema uiteengezet en worden de eerste themawoorden geïntroduceerd. De makers hebben ervoor gekozen om in week 3 binnen het thema “dierenmanieren” een ankerverhaal te gebruiken waarin de staart van een paard in verband worden gebracht met de snaren van een strijkstok van een viool. Op die manier gaan de leerlingen onder andere aan de slag met de themawoorden “viool”, “snaren”, “strijkstok” en “manen”. De Uitgeverijen hebben dat vergeleken met het (sub)thema “dieren” in de Leerroute Taal op maat, waarin bij datzelfde thema voor andere themawoorden wordt gekozen. Dat is één voorbeeld. De Uitgeverijen hebben zich daarnaast beroepen op productie 74 (die het hof wel noemt maar waar het hof vervolgens geen aandacht aan besteedt): een uitvoerig overzicht waarin alle woorden die voorkomen in de woordenschatlessen van de Leerroutes onderling zijn vergeleken. In die productie (en in de pleitnotities in appel van de Uitgeverijen) is dat als volgt gevisualiseerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit blijkt dat als gekeken wordt hoeveel woorden uit Taal actief ook in Taal op maat worden behandeld en vice versa, de overlap laag is (9% en 13%). Tevens is in productie 74 een vergelijking gemaakt met de woorden uit de LVS-toetsen van Cito. Hieruit blijkt dat Taal actief slechts 6% en Taal op maat slechts 7% van de woorden bevat die in de LVS-toetsen van Cito worden behandeld. Hieruit blijkt dat de overeenstemming niet wordt ingegeven door de woorden die Cito opneemt in haar toetsen, zo hebben de Uitgeverijen aangevoerd. De Uitgeverijen hebben voorts betoogd dat themawoorden als volgt worden gekozen: “54. Om een idee te krijgen van het creatieve proces om 12 themawoorden voor een ankerverhaal voor Taal Actief te verzinnen, is het leerzaam de e-mail die conceptauteur John Lommen in 2010 stuurde aan zijn uitgever (productie 89) te lezen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">55.</span>Een kinderboekenauteur is met een idee gekomen voor een ankerverhaal. Om themawoorden bij dit idee te selecteren, raadpleegt Lommen als conceptauteur acht bronnen, onder meer reacties van kinderen op sites over kleding en trends, gaat naar de bibliotheek, leent een stapel boeken, loopt het Junior woordenboek na etc. Zo komt hij tot 40-80 geschikte woorden. Dan volgt “het meeste werk”. Hij moet beoordelen met welke woorden hij “mooie structuren kan maken”, bijvoorbeeld woorden in een parachute: een overkoepelend woord dat in verbinding staat met andere woorden. Vervolgens moet de kinderboekenauteur met de twaalf woorden die Lommen aanlevert een verhaal schrijven. Lommen zal woest worden wanneer zijn keuzes banaal of triviaal zouden worden genoemd, zoals Snappet doet.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat de in de verschillende Leerroutes gemaakte keuzes voor de themawoorden banaal en triviaal zijn, is volgens het subonderdeel – tegen de achtergrond van deze stellingen “met name de enorme verschillen in gemaakte keuzes, zelfs bij een, naar het (onbegrijpelijke) oordeel van het hof, grote overlap van de gekozen thema's in de Leerroutes”, onjuist: het oordeel hanteert volgens die klacht een te hoge drempel voor auteursrechtelijke bescherming; die bescherming ontbreekt als een vorm zo banaal of triviaal is, dat daarin geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen, maar daarvan is hier volgens de klacht geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Althans is zonder nadere maar niet gegeven motivering onbegrijpelijk “waarom de, per Leerroute zeer verschillende, op een weloverwogen beoordelingsproces gebaseerde (…), keuzes voor specifieke verzamelingen van themawoorden zo banaal of triviaal zouden zijn, dat daarin geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande zou temeer, althans in elk geval, gelden nu uit de “secundaire bronnen” die het hof in rov. 5.14-5.16 aanhaalt, veeleer zou volgen “dat bij de totstandkoming van de Leerroutes tal van vrije en creatieve keuzes van themawoorden gemaakt zijn uit een zeer groot corpus van mogelijke bruikbare themawoorden”; in de handleiding bij Taal op maat is vermeld dat een selectie van relevante woorden is gemaakt, waarbij onder andere gebruik is gemaakt van de lijst van Schrooten en Vermeer en de WAK; uit de verantwoording bij de WAK blijkt dat het corpus van de WAK“een enorme keuze aan woorden en onderwerpen biedt die in de wereld van zes- tot twaalfjarige kinderen van belang zijn”. De toelichting op Taal in beeld vermeldt dat de keuze van de doelwoorden is afgestemd op de thema's van de diverse blokken in de methode en de woordenschatvaardigheden die op dat moment centraal staan en dat daarnaast rekening is gehouden met de moeilijkheidsgraad en frequentie van woorden op een bepaalde leeftijd. Taal in beeld heeft gezocht naar variatie in woordsoorten (zoals werkwoorden, zelfstandige naamwoorden en bijwoorden) en woordcombinaties (uitdrukkingen en gezegden). Zonder nadere maar niet gegeven motivering valt volgens het subonderdeel niet in te zien dat het maken van de keuzes uit de “zeer grote keuzemogelijkheden die hier zijn beschreven” niet als voldoende vrije en creatieve keuzes zou kunnen gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande zou temeer, althans in elk geval, gelden nu uit bovenstaande vergelijking zou volgen “dat Snappet maar liefst 49% van de themawoorden uit Taal Actief en 41% van de themawoorden uit Taal op maat gebruikt, dus veel meer dan de Leerroutes onderling vergeleken; dit illustreert dat de Uitgeverijen zeer verschillende vrije en creatieve keuzes hebben kunnen maken ten aanzien van de themawoorden (en dat Snappet weer andere keuzes heeft gemaakt, namelijk tot het overnemen van bijna de helft van de themawoorden van elk van de respectieve Leerroutes)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het hof de keuze van themawoorden als “didactisch bepaald” (en daarmee niet auteursrechtelijk beschermd) aanmerkt, kan dit oordeel niet in stand blijven op de gronden uiteengezet in subonderdelen 2.1-2.2 en/of 5.2, aldus de afsluitende klacht van subonderdeel 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.59 Deze klachten treffen evenmin doel. Om met de afsluitende klacht te beginnen: het hof heeft in rov. 5.16 de keuze voor de (thema’s en) themawoorden in de Leerroutes – primair – als “didactische” keuzes, en daarmee als niet auteursrechtelijk beschermd, aangemerkt, zie hiervoor in 3.50. De afsluitende klacht is een herhaling van zetten van subonderdelen 2.1-2.2 en/of 5.2 en deelt het lot van die al besproken klachten. Het in mijn ogen tevergeefs bestreden oordeel in rov. 5.16 kan de conclusie van het hof in rov. 5.18, dat het element dat ziet op het gebruik van (thema’s en) themawoorden een onbeschermd element van de leerroutes is, zelfstandig dragen. Dit brengt mee dat de overige klachten van subonderdeel 5.4 volgens mij al tevergeefs zijn voorgesteld, omdat deze zijn gericht tegen een niet zelfstandig dragende grond. Daar ketsen de (overige) klachten al op af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.60 Maar ook indien moet worden aangenomen dat het oordeel in rov. 5.16 de conclusie in rov. 5.18 niet zelfstandig kan dragen, missen de (overige) klachten volgens mij doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.61 Voor zover de klachten voortbouwen op het niet tot cassatie leidende subonderdeel 5.3, delen deze het lot daarvan. Daarbij heeft het hof, anders dan het subonderdeel aanvoert, de genoemde stellingen en in dat kader prod. 74 uitdrukkelijk onder ogen gezien (“De Uitgeverijen betogen dat de beperking in de keuzevrijheid voor thema’s en themawoorden, geen wezenlijke beperking is. Er is immers een groot aantal woorden om uit te kiezen. Aldus is er volgens hen nog steeds sprake van voldoende vrije en creatieve keuzes. Ter illustratie wijzen zij op het door hen als productie 74 overgelegde overzicht, waaruit volgens hen blijkt dat er in de verschillende Leerroutes ook daadwerkelijk veelal andere keuzes worden gemaakt. (…)” ), maar gewogen en te licht bevonden. Het subonderdeel mist dus feitelijke grondslag voor zover het aanvoert dat het hof geen acht heeft geslagen op deze stellingen. Het hof hoefde ook niet alle door GEU c.s. aangedragen stellingen, waaronder het genoemde voorbeeld, uitdrukkelijk in zijn motivering te betrekken om tot een afgewogen gemotiveerd oordeel te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62 Wat in het subonderdeel verder wordt aangevoerd over de “secundaire bronnen” mist ook feitelijke grondslag: in de door het middel genoemde vindplaatsen is een dergelijke stellingname van GEU c.s. niet te lezen. Bedoelde “secundaire bronnen” zien overigens ook niet op het hofoordeel in rov. 5.17, maar op de niet of tevergeefs bestreden hofoordelen in rov. 5.14-5.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.63 Ten overvloede na hetgeen in 3.42 is opgemerkt: subonderdeel 5.4 koerst in wezen aan op een nieuwe feitelijke beoordeling van de auteursrechtelijke beschermingsomvang van de Leerroutes en dat gaat de grenzen van de cassatietoetsing te buiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.64 Subonderdeel 5.5 richt rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 5.17 dat de ten aanzien van de thema's gemaakte keuzes voor zover niet al didactisch bepaald, banaal en triviaal zijn nu het steeds gaat om woorden die dienen aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen, bij hun bestaande woordenschat en bij wat zij volgens SLO dienen te leren. De uitwerking van de cassatiebezwaren hiertegen volgt in een aantal nadere klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.65 Het subonderdeel klaagt ook hier net als in subonderdeel 5.4 in de eerste plaats voortbouwend dat voor zover het hof de keuze van thema’s als “didactisch bepaald” (en daarmee niet auteursrechtelijk beschermd) aanmerkt, dit niet in stand kan blijven om de redenen aangegeven in subonderdelen 2.1-2.2 en/of 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.66 Deze herhaling van zetten is een variant op de voortbouwende klacht van subonderdeel 5.4 en kan op overeenkomstige gronden als daar aangegeven niet slagen. Ook voor de thema’s geldt dat het volgens mij tevergeefs bestreden oordeel in rov. 5.16 zelfstandig de conclusie uit rov. 5.18 kan dragen. Dit betekent dat de overige klachten van subonderdeel 5.5 volgens mij al stranden, omdat deze zijn gericht tegen een niet zelfstandig dragende grond. Voor zover dit anders zou zijn volgt nu een inhoudelijke bespreking van die klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.67 Subonderdeel 5.5 vervolgt met de klacht dat voor zover het hof de keuze van thema's als “banaal en triviaal” of als niet “voldoende vrij en creatief” beschouwt, dit oordeel onbegrijpelijk of althans onjuist is. Deze algemene klacht wordt als volgt uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.68 De eerste motiveringsklacht ziet op de passage in rov. 5.17 dat de door de Uitgeverijen gebruikte thema's en subthema's duidelijk zien op de belevingswereld van kinderen, ingevuld naar hun leeftijd. Dat kan volgens de klacht niet dienen als een van de twee (cumulatieve) onderdelen van de motivering van “dit oordeel”. Het hof zou hier een cirkelredenering hanteren: het stelt voorop dat de makers bij de keuzes voor thema's beperkt zijn door het feit dat de thema's dienen aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen (rov. 5.14-5.16). Vervolgens bespreekt het hof in rov. 5.17 het betoog van GEU c.s. dat deze beperking niet wezenlijk is en dat er nog steeds sprake is van voldoende vrije en creatieve keuzes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betoog overtuigt volgens het hof niet, omdat (in de tweede plaats) de door de Uitgeverijen gebruikte thema's en subthema's duidelijk zien op de belevingswereld van kinderen. Het hof motiveert het uitgangspunt van zijn oordeel (“keuzes beperkt door aansluiting bij belevingswereld van kinderen”) volgens de klacht dus door vast te stellen dat de gemaakte keuzes aansluiten bij de belevingswereld van kinderen. Die vaststelling zegt echter niets over of binnen de beperking dat thema's moeten aansluiten bij de belevingswereld van kinderen, de gemaakte keuzes voldoende vrij en creatief zijn. De belevingswereld van kinderen is volgens de klacht een zeer breed, divers, en niet uniform of objectief bepaalbaar gegeven, waarbinnen veel verschillende keuzes kunnen worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit tast volgens de klacht al het oordeel van het hof aan over de thema's in rov 5.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.69 Deze klacht treft volgens mij geen doel. Het hof heeft in rov. 5.14-5.15 geoordeeld dat bij het selecteren en indelen van de thema’s de makers onmiskenbaar keuzes kunnen maken, maar dat – onder verwijzing naar de daar besproken producties – Snappet afdoende heeft gesubstantieerd dat de makers bij die keuzes beperkt zijn doordat de thema’s dienen aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen, bij hun al bestaande woordenschat en bij wat zij volgens SLO moeten leren. In rov. 5.17 bespreekt het hof vervolgens het betoog van GEU c.s. dat deze beperking in de keuzevrijheid voor thema’s en themawoorden geen wezenlijke beperking oplevert, omdat er volgens hen een groot aantal woorden is om uit te kiezen en er zodoende volgens hen nog steeds sprake is van voldoende vrije en creatieve keuzes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwerpt dit betoog met twee argumenten. Met het bestreden tweede argument (“In de tweede plaats zien de door Uitgeverijen gebruikte thema's en subthema's duidelijk op de belevingswereld van kinderen (bijvoorbeeld familie, dieren, vrije tijd, reizen), ingevuld naar de leeftijd van de kinderen (bijvoorbeeld binnen het thema “vrij” het subthema “afspraken maken” voor groep 1 en “avondje uit” voor groep 8; het subthema “winkel” voor groep 4 en “reclame” voor groep 7)”) stelt het hof vast dat – anders dan GEU c.s. hadden betoogd – (ook) uit de door de Uitgeverijen gebruikte thema's en subthema’s volgt dat deze duidelijk zien op de belevingswereld van kinderen, ingevuld naar hun leeftijd en dat mede daarom sprake is van banale en triviale keuzes, voor zover die niet al didactisch zijn bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is geen cirkelredenering, maar een bevestiging van het eerdere hofoordeel op grond van de stellingen van Snappet dat hiervan sprake is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.70 Ook mist de klacht feitelijke grondslag waar het ervan uit gaat dat de belevingswereld van kinderen een zeer breed, divers, en niet uniform of objectief bepaalbaar gegeven is, waarbinnen veel verschillende keuzes kunnen worden gemaakt en er daarom sprake is van voldoende vrije en creatieve keuzes. Volgens het hof is dat immers niet het geval conform de twee in rov. 5.17 uitgewerkte argumenten en in het licht van het gegeven dat het hier steeds gaat om woorden die moeten aansluiten bij de kinderbelevingswereld waarvoor de methodes gemaakt worden, met hun dito al bestaande woordenschat en wat zij volgens SLO moeten leren - en dan ook nog eens een keer voor zover die keuzes niet al didactisch zijn bepaald. Dat oordeel is voorbehouden aan de feitenrechter en in mijn ogen ook voldoende begrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.71 Het subonderdeel vervolgt met de motiveringsklacht dat het oordeel van het hof temeer onbegrijpelijk is voor zover het is gestoeld op het andere onderdeel van de motivering: dat er een grote overlap is tussen de thema's die de Uitgeverijen gebruiken. Dat zou het hof uitsluitend baseren op de overzichten van thema's in Leerroutes Taal op maat en Taal actief in rov. 2.7 en 2.8, en prod.127 van Snappet. Uit die prod. 127 blijkt volgens de klacht echter dat wanneer de thema's in de boeken van Taal Actief en Taal op Maat per leerjaar worden vergeleken over de gehele periode van Groep 4 tot en met Groep 8 “slechts” 7 van de 40 (Taal Actief) c.q. van de 66 (Taal op Maat) thema's in hetzelfde leerjaar in beide Leerroutes worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de andere thema's al in beide methodes worden gebruikt, is dat niet in hetzelfde leerjaar. Ook uit rov. 2.7 en 2.8 blijkt niet (wat men volgens de klacht wel zou verwachten als, zoals het hof heeft aangenomen, de keuzevrijheid wezenlijk beperkt zou zijn doordat de thema's zien op de belevingswereld van de kinderen, ingevuld naar de leeftijd van de kinderen) dat in dezelfde leerjaren dezelfde (sub)thema's worden behandeld. Ook is de invulling van de subthema's en de verdeling daarvan over de leerjaren verschillend. Het enkele feit dat, als men, zoals het hof kennelijk voor ogen heeft gestaan, alle thema's uit de boeken van alle leerjaren samen beschouwt, er grote overlap is tussen de thema's, brengt nog niet mee dat er binnen de beperking dat thema's moeten aansluiten bij de belevingswereld van kinderen, de concrete gemaakte keuzes, inclusief de verdeling van de gekozen thema's over en binnen de leerjaren, zoals die blijken uit de overzichten in rov. 2.7 en 2.8 en productie 127 van Snappet, niet voldoende vrij en creatief zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Althans hanteert het hof met zijn oordeel ten onrechte een te hoge drempel voor auteursrechtelijke bescherming door deze bescherming af te wijzen terwijl niet gezegd kan worden dat sprake is van (concrete) keuzes die zo banaal of triviaal zijn, dat daarin geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.72 Deze klachten falen omdat zij, zoals hiervoor in 3.42 uiteengezet, in wezen een feitelijke herbeoordeling in cassatie vragen. Verder mist hetgeen de klacht aanvoert ten aanzien van (in ieder geval) prod. 127 van Snappet feitelijke grondslag: in de door het middel genoemde vindplaatsen is een dergelijke stellingname van GEU c.s. niet te lezen. Daarnaast gaat de klacht uit van een te beperkte lezing, omdat het hof zijn oordeel over de bij de thema's gemaakte keuzes niet alleen heeft gegrond op het gegeven dat het moet gaan om woorden die moeten aan bij de kinderbelevingswereld, maar óók op de grond dat deze moeten aansluiten bij de bestaande woordenschat van die kinderen en op wat zij volgens SLO moeten leren. De klacht mist ook in zoverre dan feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.73 Subonderdeel 5.6 bevat de alleen voortbouwende klacht dat bij het slagen van één van de klachten van subonderdeel 5.5 ook het oordeel van het hof in rov. 5.17 dat “hetzelfde geldt” voor de themawoorden niet in stand kan blijven. Dat behoeft geen afzonderlijke bespreking, nu geen van deze klachten volgens mij tot cassatie kunnen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.74 Subonderdelen 5.7 en 5.8 richten zich met klachten tegen passages uit rov. 5.23-5.26 op de vraag of het element “lesdoelen” auteursrechtelijke bescherming geniet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.75 Subonderdeel 5.7 klaagt in de eerste plaats dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat selectie, volgorde en herhalingspatroon van de lesdoelen naar hun aard is ingegeven door wat volgens de makers van de Leerroutes didactisch het beste is, nog niet meebrengt dat daarmee auteursrechtelijke bescherming op dit punt is uitgesloten. Integendeel, dat er keuzes zijn gemaakt “door wat volgens de makers van de Leerroutes didactisch het beste is”, onderstreept nu juist dat er (subjectieve) vrije en creatieve keuzes gemaakt kunnen worden, ook al zijn die keuzes ingegeven door didactische overwegingen. GEU c.s. verwijzen daartoe naar subonderdeel 2.1. Subonderdeel 5.7stelt vervolgens dat de verwijzing in rov. 5.26 naar het Football Dataco-arrest dat niet anders maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarin ging het over de situatie waarin aan het oorspronkelijkheidscriterium niet wordt voldaan wanneer voor de samenstelling van een databank technische overwegingen, regels of beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid. In dat verband overwoog het HvJEU dat de omstandigheid dat de samenstelling van de databank, afgezien van het creëren van de gegevens die zij bevat, aanzienlijke inspanningen en deskundigheid van de maker vergt op zichzelf geen grond kan opleveren voor de auteursrechtelijke bescherming ervan overeenkomstig de Richtlijn, wanneer deze inspanningen en deskundigheid niet gepaard zijn gegaan met originaliteit bij de keuze en de rangschikking van die gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil met onze zaak is nu juist dat hierin geen sprake is van technische overwegingen, regels of beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.76 Ook deze klachten zie ik niet slagen. De eerste rechtsklacht bouwt voort op het niet tot cassatie leidende subonderdeel 2.1 en deelt in het lot daarvan. De eerste en tweede rechtsklacht kunnen (verder) niet tot cassatie leiden, omdat het hof in onze zaak terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat er geen sprake is van auteursrechtelijke bescherming indien bepaalde ‘didactische’ keuzes – net als technische overwegingen, regels of beperkingen – geen ruimte laten voor creatieve vrijheid, zoals we hiervoor al hebben gezien (vgl. in 3.24, 3.29en 3.50). Die situatie doet zich hier volgens het hof voor bij de keuzes uit rov. 5.24. Voor de klacht uitgaat van een andere lezing mist het volgens mij feitelijke grondslag.Verder gaat de tweede rechtsklacht uit van een verkeerde lezing van rov. 5.26. Het hof verwijst daar namelijk niet naar het Football Dataco-arrest ter onderbouwing van zijn oordelen in rov. 5.24; de verwijzing dient alleen ter onderbouwing van het oordeel in rov. 5.26 dat voor de beoordeling of sprake is van auteursrechtelijk beschermde elementen van het werk niet relevant is dat het ontwikkelen van de thema's en lessenstructuur en het selecteren, benoemen en het bepalen van de volgorde van het herhalingspatroon van de leerdoelen expertise, inspanningen en investeringen vereist. De juistheid van dát oordeel wordt door het middel terecht niet bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.77 Subonderdeel 5.8 richt rechts- en motiveringsklachten tegen de motivering in rov. 5.24 van de conclusie in rov. 5.25 dat het element “lesdoelen” auteursrechtelijk onbeschermd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.78 De eerste motiveringsklacht is geformuleerd voor het geval het hof met de overwegingen dat (i) het lesdoel zelf (zoals “cijferend optellen en aftrekken met kommagetallen”) of (ii) een louter functionele uitwerking daarvan niet auteursrechtelijk te beschermen is, tot uitdrukking bedoelt te brengen dat GEU c.s. dat wél hebben betoogd. Volgens de klacht heeft het hof dan een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan GEU c.s.’ stellingen, omdat zij geen bescherming hebben geclaimd van individuele lesdoelen of van louter functionele uitwerkingen daarvan. De vrije en creatieve keuzes zitten volgens GEU c.s. in de selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van de lesdoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.79 Deze klacht mist volgens mij al weer feitelijke grondslag: het arrest biedt geen aanknopingspunten voor de lezing dat het hof de stellingen van GEU c.s. zo heeft begrepen als in de klacht betoogd. In de bestreden passage brengt het hof alleen tot uitdrukking dat wat Snappet hierover heeft betoogd juist is (“Naar het oordeel van het hof voert Snappet hier terecht tegen aan dat (…))”.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.80 En als dit al anders zou zijn, dan mist de klacht denk ik belang: uit rov. 5.23-5.24 volgt namelijk dat het hof de stellingen van GEU c.s. als in de klacht omschreven uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien, maar heeft verworpen. Dat wat het hof heeft overwogen over de auteursrechtelijke bescherming van individuele lesdoelen en louter functionele uitwerkingen daarvan, doet aan die verwerping niets af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.81 De tweede motiveringsklacht ziet op de passage in rov. 5.24 dat de verschillen in prod. 50 van de Uitgeverijen banaal en triviaal zijn, zodat daaraan geen relevante betekenis toekomt. Dat is volgens GEU c.s. onbegrijpelijk in het licht van hun stellingen. Anders dan het hof lijkt te menen, hebben GEU c.s. niet gesteld dat bijvoorbeeld de enkele keuze om eerst woorden met een “ei” en “ij” te leren en daarna woorden met “au” en “ou” of andersom, op zichzelf auteursrechtelijk beschermd zou zijn. GEU c.s. hebben aan de hand van uitvoerige producties betoogd dat het gaat om de selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van de lesdoelen in de hele Leerroute en dus niet om de enkele keus om het ene lesdoel eerder te behandelen dan het andere, maar om het totaal van honderden keuzes binnen één Leerroute, zoals geïllustreerd in prods. 50 en 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.82 Het wordt eentonig, maar ook dit mist in mijn ogen feitelijke grondslag. Uit rov. 5.23, waar het hof het standpunt van GEU c.s. heeft weergeven, volgt dat het hof uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien dat het GEU c.s. gaat om de selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van de lesdoelen en zodoende om het totaal aan keuzes binnen de hele Leerroute en niet om de enkele keus om het ene lesdoel eerder te behandelen dan het andere.Het hof heeft in rov. 5.24 gemotiveerd geoordeeld dat, anders dan GEU c.s. hadden betoogd, het hier niet gaat om keuzes die (voldoende) vrij en creatief zijn, nu deze keuzes enerzijds didactisch zijn bepaald en anderzijds banaal en triviaal van aard zijn. Met de passage “bijvoorbeeld de keuze om eerst woorden met een “ei” en “ij” te leren en daarna woorden met “au” en “ou” of andersom”, heeft het hof klaarblijkelijk alleen tot uitdrukking gebracht wat het verstaat onder keuzes van die laatste categorie. Anders dan de klacht aanvoert, blijk hier niet van een miskenning van het standpunt van GEU c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.83 Het subonderdeel klaagt vervolgens dat, voor zover het hof zou hebben gemeend dat ook die selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van de lesdoelen“banaal en triviaal” is, het hof ten onrechte een te strenge maatstaf heeft gehanteerd, dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd (nu de motivering beperkt is tot het bespreken van losse voorbeelden) waarom die selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van de lesdoelen “banaal en triviaal” zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.84 Dit lijkt mij evenmin doel te kunnen treffen. Uit rov. 5.24 volgt dat het hof van oordeel is dat het hier niet gaat om keuzes die (voldoende) vrij en creatief zijn. Van een te strenge maatstaf is geen sprake; de rechtsklacht licht ook niet toe waarom dit wel zo zou zijn, en voldoet dan ook niet aan de daaraan te stellen eisen.Ook de motiveringsklacht mist doel: het oordeel dat de betreffende keuzes – voor zover niet didactisch bepaald – banaal en triviaal van aard zijn, is, met het gegeven voorbeeld, ook zonder nadere toelichting voldoende begrijpelijk. In het bijzonder hoefde het hof zijn oordeel niet bij iedere keuze of alle door GEU c.s. gegeven voorbeelden nader te motiveren (vlg. ook hiervoor in 3.14).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.85 Subonderdeel 5.8 klaagt ten slotte dat het oordeel dat de selectie en volgorde van de lesdoelen “in hoge mate” wordt bepaald door de kerndoelen, referentieniveaus, leer(stof)lijnen, fundamentele doelen en tussendoelen onbegrijpelijk is, op dezelfde gronden als in subonderdeel 5.1 betoogd. Verder zou onbegrijpelijk zijn dat dit oordeel zou worden bevestigd in punt 4 van de als prod. 66 van GEU c.s. overgelegde verklaring van auteur [betrokkene 1] die daar volgens de klacht, kort gezegd, alleen refereert aan de gewenste beheersniveaus voor het eind van het primair onderwijs (na 8 jaar), en enkele referentiekaders die zien op groepen van 2 jaar, en die daarnaast juist de verschillen tussen methodes en de creativiteit van de auteurs benadrukt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.86 Deze klachten bouwen voort op het niet tot cassatie leidende subonderdeel 5.1, zodat ook deze tevergeefs zijn voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.87 Ik vind het feitelijke hier aangevallen oordeel over de bevestiging in [betrokkene 1] ’ verklaring ook niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.88 Hoe dan ook mist deze klacht belang: deze verklaring is volgens het hof alleen een bevestiging en draagt dus niet zelfstandig. Het is in wezen een overweging ten overvloede in mijn ogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.89 Subonderdeel 5.9 richt zich met klachten tegen passages uit rov. 5.29 en 5.33 onder (de eerste) e) (overeenkomsten) tegen het oordeel over de (bevestigend beantwoorde) vraag of het element “invulling lesdoelen door o.a. ankerverhaal en concrete opgaven” auteursrechtelijk beschermd is. Die passages (hiervoor weergegeven in 2.31) zien in hoofdzaak op de aard van de opgaven. Ter voorkoming van terugbladeren:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>rov. 5.29: Het element “invulling lesdoelen door o.a. ankerverhaal en concrete opgaven” is gelet op het voorgaande een auteursrechtelijk beschermd element. Die bescherming reikt echter niet zover dat de Uitgeverijen ook auteursrechtelijke bescherming toekomt ten aanzien van de aard van de opgaven. Zij kunnen een ander niet verbieden bij het rekenonderwijs bijvoorbeeld ook een getallenlijn, een kralenketting of pizzapunten te gebruiken of bij het taalonderwijs bijvoorbeeld ook een beschrijving van iets te geven of een woordweb te maken. Deze aard van de opgaven is immers niet het resultaat van de creatieve arbeid van de makers van de Leerroutes. Het betreft (...) bekende soorten oefeningen die vrij beschikbaar moeten zijn voor makers van lesmaterialen. De auteursrechtelijke bescherming die de Uitgeverijen genieten ziet alleen op de concrete uitwerking van de opgaven in de Leerroutes (vormgeving, tekst, illustraties);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>rov. 5.33 e): de opgaven sluiten zowel in het rekenonderwijs als in het taalonderwijs qua aard veelal aan bij de opgaven die op hetzelfde moment in de Leerroutes worden aangeboden (zie productie 22 (…), en producties 71, 76, 77, 97 en 98 van de Uitgeverijen). Zo biedt Snappet c.s. een oefening aan met een kralenketting, met geld of met een bepaalde rekenwijze op hetzelfde moment dat een Leerroute dat doet. In het taalonderwijs kan als voorbeeld worden genoemd het aanbieden door Snappet c.s. van een opgave waarin een beschrijving moet worden gegeven van een dier, op hetzelfde moment dat Taal actief dat doet, en het aanbieden van een opgave door Snappet c.s. waarin met een klasgenoot moet worden samengewerkt op hetzelfde moment dat Taal actief dat doet.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.90 Het subonderdeel vangt aan met de vaststellingen dat (i) het hof in rov. 5.33 onder (de eerste) e) verwijst naar de overeenstemming tussen de concrete opgaven van Snappet en die in de Leerroutes op hetzelfde moment worden aangeboden, (ii) het hof daar spreekt over opgaven die “qua aard” veelal aansluiten bij de opgaven die op hetzelfde moment in de Leerroutes worden aangeboden, en (iii) het hof in rov. 5.29 heeft geoordeeld dat de Uitgeverijen ten aanzien van “de aard” van de opgaven geen auteursrechtelijke bescherming toekomt. Het subonderdeel berust op de lezing dat het hof aldus heeft bedoeld dat het hier – bij de voorbeelden genoemd in prods. 22, 71, 76, 77, 97 en 98 – niet gaat om overeenkomsten in auteursrechtelijk beschermde onderdelen van de Leerroutes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met dit oordeel heeft het hof volgens de klacht een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de stellingen van GEU c.s., heeft het een onjuiste (want te strenge) maatstaf voor auteursrechtelijke bescherming gehanteerd of heeft het onvoldoende gemotiveerd waarom de hier bedoelde invulling van de lesdoelen (waarvan het hof in rov. 5.34 volgens de klacht heeft vastgesteld dat Snappet die heeft overgenomen) niet aan de maatstaf voldoet. GEU c.s. hebben zich volgens de klacht niet beroepen op de auteursrechtelijke bescherming van, bijvoorbeeld, het enkele gebruik in een opgave van “een getallenlijn” of om van de leerling te vragen “een beschrijving van iets te geven”. GEU c.s. hebben zich beroepen op de bescherming van de concrete uitwerking van de opgave, niet alleen in de vormgeving, tekst, en illustraties in de opgave op zichzelf (wat door het hof wél als auteursrechtelijk beschermd is aangemerkt), maar vooral ook op de bescherming van de invulling van lesdoelen door middel van voorbeelden of door plaatsing in een bepaalde context.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus niet op de bescherming van “het onderscheiden van standaard Nederlands en streektalen”, maar wel van de specifieke uitwerking daarvan in de opgave door specifiek het Limburgs te gebruiken, en binnen het Limburgs de uitspraak van “ui” als “oe”. Niet op de bescherming van het schrijven van een (stap-voor-stap) handleiding voor een ander, maar de uitwerking om een handleiding te schrijven voor het verzorgen van een huisdier tijdens de vakantie. Niet op de bescherming van een brief om iemand over te halen iets te gaan doen, maar specifiek op de bescherming van een brief om iemand over te halen naar een feest te komen. Niet op de bescherming van het gebruik van een sommetje om te leren delen, maar om specifiek het voorbeeld te gebruiken van een deelsom rond kaartjes voor een (achtbaan in een) pretpark.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door niet ook al deze vrije, creatieve keuzes, zo niet afzonderlijk dan toch wel tezamen, in rov. 5.29 als auteursrechtelijk beschermd element aan te merken, is een te strenge werktoets gehanteerd, of – door alleen maar te verwijzen naar enkele ‘losse’ voorbeelden (waar het betoog van GEU c.s. niet op was gericht) – zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91 Dit is wel een twijfelpunt, maar de klachten gaan volgens mij niet op. Uit rov. 5.27-5.29 volgt volgens mij dat het hof bedoelde stellingen van GEU c.s. over de bescherming van de concrete uitwerking van de opgaven in de Leerroutes uitdrukkelijk heeft gewogen, maar te licht bevonden in rov. 5.31-5.34 – en dus niet alleen besproken in rov. 5.33 onder (de eerste) e), waar de klacht kennelijk vanuit gaat. Het hof heeft verder expliciet onder ogen gezien dat er – naast de in rov. 5.33 genoemde overeenkomsten ter zake niet beschermde elementen, waaronder het moment waarop de opgaven worden aangeboden en de aard ervan – óók overeenstemming is op het niveau van de concrete opgaven op een of meer punten die wél voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen; ook in zoverre mist de klacht volgens mij feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het kennelijk oordeel van het hof in rov. 5.31-5.34 zijn in het lesmateriaal van Snappet wel in enige mate, maar niet in voldoende mate auteursrechtelijk beschermde trekken van de Leerroutes overgenomen om tot inbreuk te kunnen oordelen, zoals we hiervoor hebben gezien in 3.40. Dit feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk, mede gelet op het oordeel in rov. 5.34 dat de overeenstemming op het niveau van de concrete opgaven gering is, alsook gelet op de in rov. 5.33 geconstateerde en in cassatie niet bestreden in het oog springende verschillen, waaronder die ten aanzien van de uitwerking van de concrete opgaven, vgl. rov. 5.33 onder (de tweede) e). Dat en waarom dit hofoordeel in mijn ogen door de beugel kan, is hiervoor uiteengezet bij de bespreking van onderdeel 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook subonderdeel 5.9 is zodoende tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.92 Subonderdeel 5.10 behelst de alleen maar voortbouwende klacht dat bij gegrondbevinding van een of meer klachten uit subonderdelen 5.1-5.9 ook niet in stand kunnen blijven de oordelen in rov. 5.30 over drie niet beschermde elementen en één wel beschermd element en in rov. 5.34 over het onderscheid tussen beschermde en onbeschermde elementen. Nu de onderdelen 5.1-5.9 niet opgaan, behoeft dit geen afzonderlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.93 Onderdeel 6 bevat ten slotte de algemene voortbouwende klacht dat bij gegrondbevinding van een of meer van de klachten van de onderdelen 1-5 ook de ‘slotsom’ in rov. 5.44, de beslissing over de proceskosten in rov. 5.45 en het dictum niet in stand kunnen blijven. Ook dat deelt het lot van de voorgaande klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Bespreking van het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep Inleiding 4.1 Het incidentele cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen, waarvan de eerste drie subonderdelen hebben en alleen onderdeel 4 onvoorwaardelijk is voorgesteld. Onderdeel 1 bestrijdt de verwerping in rov. 5.3 van de grieven 2, 3a en 3b van Snappet wegens gebrek aan belang. Onderdeel 2 keert zich tegen het oordeel in rov. 5.6 dat het verweer van Snappet faalt dat er zoveel makers aan de Leerroutes hebben gewerkt dat totaal onduidelijk is wiens “persoonlijke stempel” daarop rust. Onderdeel 3 komt op tegen het oordeel in rov. 5.30 dat de combinatie van het beschermde element “invulling van de lesdoelen” (element iv) met de niet beschermde elementen i tot en met iii een eigen, oorspronkelijk karakter en persoonlijk stempel van de maker niet geheel kan worden ontzegd en daarom auteursrechtelijk beschermd is en de Leerroutes dus als werken hebben te gelden. Het onvoorwaardelijke onderdeel 4 bestrijdt de proceskostenveroordeling in rov. 5.45, te weten dat het redelijk en evenredig is om GEU c.s. te veroordelen in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep tot het maximum van € 40.000,-- volgens categorie complex (categorie II bodemzaken sub d) en uitgangspunt 9 van de Indicatietarieven in IE-zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking van de klachten De voorwaardelijke onderdelen 1, 2 en 3 4.2 Aan deze voorwaardelijke klachten wordt niet toegekomen als geen van de principale klachten opgaan. Alleen voor het geval een of meer principale cassatieklachten doel treffen, volgt hier een bespreking daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Onderdeel 1 bestrijdt de verwerping in rov. 5.3 van de grieven 2, 3a en 3b van Snappet wegens gebrek aan belang, omdat de vorderingen van GEU c.s. bij eindvonnis zijn afgewezen, GEU c.s. terecht hebben aangevoerd dat Snappet niet duidelijk heeft gemaakt welk belang zij desalniettemin heeft bij een beoordeling of op een Leerroute ‘sec’ auteursrecht kan rusten, en of Snappet B.V. en Stichting Snappet tijdens de pilot inbreuk hebben gemaakt op de auteursrechten op opgaven uit Rekenrijk en Spelling in beeld, terwijl Snappet ook geen conclusie heeft verbonden aan de grieven 2, 3a en 3b. De uitwerking volgt in de subonderdelen 1a, 1b en 1c.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 Subonderdeel 1a stelt dat het hof heeft miskend dat het belang van Snappet bij deze grieven in het incidentele appel primair gelegen is in een bekrachtiging van het dictum van het eindvonnis in conventie met verbetering van de gronden, en subsidiair erop is gericht het hof te laten afwijken van de bestreden oordelen van de rechtbank als (één of meer) grieven van het principaal appel gegrond werden bevonden. Aldus waren de grieven van Snappet in incidenteel appel volgens de klacht niet beperkt tot de situatie dat het hof de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de vorderingen van GEU c.s. zou bekrachtigen, “maar werden deze grieven tevens aangevoerd met inachtneming van de herstel-/herkansingsfunctie van het hoger beroep, op grond waarvan het hof de (on)juistheid van de in appel bestreden oordelen kon en moest herbeoordelen om de gronden voor afwijzing van de vorderingen, in zoverre, te verbeteren (herstellen).” Subonderdeel 1b betoogt dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de door Snappet gegeven toelichting op de grieven 2, 3a en 3b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de klacht laat deze toelichting geen andere uitleg toe dan dat het belang van Snappet bij haar grieven 2, 3a en 3b was om een ‘verbetering van de gronden’ voor de beslissing tot afwijzing van de vorderingen van GEU c.s. te krijgen bij een bekrachtiging van het vonnis c.q. bij hernieuwde beoordeling door het hof van de toewijsbaarheid van die vorderingen. Subonderdeel 1c voert tot slot aan dat het oordeel van de rechtbank, dat Snappet in de pilot door verveelvoudiging van opgaven van de uitgaven Rekenrijk en Spelling in Beeld inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten op deze opgaven, innerlijk tegenstrijdig is met de in cassatie onbestreden oordelen van het hof in rov. 5.38 (bedoeld is: rov. 5.36) dat de door GEU c.s. aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om te concluderen dat Snappet in de pilotfase onrechtmatig jegens GEU c.s. heeft gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de klacht is deze onbegrijpelijkheid ontstaan door het niet behandelen van de grieven 2, 3a en 3b.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Deze klachten, die zich lenen voor een gezamenlijke bespreking, zie ik niet opgaan. Art. 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. Deze regel geldt ook voor hoger beroep (art. 3:59 BW). Een partij kan hoger beroep dus alleen aanwenden als die partij daarbij voldoende belang heeft, dat wil zeggen dat het hoger beroep voor die partij enig nuttig effect teweegbrengt. Ontbreekt dit belang en wordt daarop een beroep gedaan, dan leidt dit tot verwerping van het hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Het onderdeel stelt dat Snappet een verbetering van gronden wil en dat de herstel-/herkansingsfunctie van het appel geschonden zou zijn, maar waarom Snappet – ondanks de voor haar gunstige afwijzing door de rechtbank van de vorderingen van GEU c.s. waarvan Snappet in hoger beroep bekrachtiging vordert – een verbetering van de gronden of een herstel/herkansing wil, en welk (rechtens te respecteren) belang Snappet daarbij zou hebben, blijft ook in cassatie onduidelijk. Snappet volstaat in cassatie met een herhaling van de stellingen uit haar incidentele grieven. Snappet bestrijdt als zodanig ook niet (voldoende kenbaar) dat, zoals het hof heeft overwogen, Snappet geen conclusies aan haar incidentele grieven heeft verbonden. Ik benadruk verder dat Snappet in hoger beroep ook geen wijziging, maar bekrachtiging van het dictum van de uitspraak in conventie heeft gevorderd. Zodoende heeft het hof in mijn ogen terecht en op voldoende begrijpelijke wijze kunnen oordelen dat Snappet geen belang heeft bij haar incidentele grieven 2, 3a en 3b.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Het hoger beroep heeft devolutieve werking. Dit houdt in dat door het instellen van het hoger beroep in beginsel de gehele zaak, zoals voorgebracht bij de eerste rechter, ter beslissing voorligt. Deze devolutieve werking wordt voor de appellant beperkt door de verplichting om grieven aan te voeren. Appellant wenst immers vernietiging van het dictum van de uitspraak in eerste aanleg te bereiken. Voor zover de geïntimeerde zich kan vinden in het dictum van de uitspraak, hoeft hij of zij geen hoger beroep in te stellen. Met andere woorden: voor elke wijziging van het dictum van een uitspraak is een daarop gericht appel noodzakelijk. Het hoger beroep mag echter niet tot een voor appellant ongunstiger uitspraak leiden (het verbod van reformatio in peius). Indien in het dictum van de uitspraak in het nadeel van de geïntimeerde is beslist, kan dit alleen ten gunste van geïntimeerde veranderd worden door het instellen van incidenteel hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8 De devolutieve werking van het appel heeft een positief en een negatief aspect. Het positieve aspect behelst dat in beginsel het gehele geschil zoals het zich in eerste instantie heeft ontwikkeld, door het instellen van het hoger beroep wordt “afgewenteld” van de rechter in eerste aanleg en aan het oordeel van de appelrechter onderworpen wordt. Het negatieve aspect houdt in dat appellant de rechtsstrijd afbakent en zijn beroep tot een gedeelte van de beslissing moet beperken door het grievenstelsel. De devolutieve werking brengt mee dat, binnen de grenzen die door appellant zijn getrokken in het petitum van de appeldagvaarding en de memorie van grieven of het appelrekest, alle in eerste instantie door partijen aangevoerde – niet prijsgegeven – stellingen in hoger beroep alsnog dan wel opnieuw moeten worden beoordeeld door het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9 De klachten van onderdeel 1 (i.h.b. subonderdeel 1a) lijken deze devolutieve werking van het hoger beroep te miskennen. Dat lijkt in ieder geval zo te zijn waar het aanvoert dat het hof heeft miskend dat het belang van Snappet bij haar incidentele grieven 2, 3a en 3b (subsidiair) “erop is gericht het hof te laten afwijken van de bestreden oordelen van de rechtbank als (één of meer) grieven van het principaal appel gegrond werden bevonden”. Voor dat doel waren immers in onze zaak geen incidentele grieven vereist vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep. Snappet hoeft zelf geen incidentele grieven aan te voeren tegen voor haar ongunstige beslissingen in eerste aanleg die vallen binnen het door de grieven van GEU c.s. bestreken gebied. Ik benadruk hierbij nogmaals dat in het dictum van de uitspraak in conventie niet in het nadeel van Snappet is beslist en zij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van dit dictum.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10 Het hof heeft verder in rov. 5.30 geoordeeld dat de Leerroutes moeten worden aangemerkt als auteursrechtelijk beschermde werken. Hierin ligt al een verwerping in besloten van de incidentele grief 2 van Snappet – dat de rechtbank in rov. 4.10 eindvonnis ten onrechte de mogelijkheid heeft opengelaten dat een Leerroute sec een auteursrechtelijk beschermd werk kan zijn. Ook in zoverre kan de klacht niet tot cassatie leiden wegen gebrek aan belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11 Subonderdeel 1c mist daarnaast feitelijke grondslag. Het oordeel van de rechtbank in rov. 4.13 ziet op auteursrechtinbreuk en niet op ander onrechtmatig handelen. Het oordeel van het hof in rov. 5.36 ziet echter niet op auteursrechtinbreuk, maar op onrechtmatig handelen op een (van de) andere door GEU c.s. gestelde grond(en): het onrechtmatig profiteren van de prestatie van een ander in de bijzondere omstandigheden van het geval of het nodeloos creëren van verwarringsgevaar. Van de beweerdelijke tegenstrijdigheid is alleen al daarom geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.12 De slotsom is dat de klachten van onderdeel 1 tevergeefs zijn voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.13 Onderdeel 2 keert zich tegen het oordeel in rov. 5.6: “5.6. Ook het verweer van Snappet c.s. dat er zoveel makers aan de Leerroutes hebben gewerkt dat totaal onduidelijk is wiens “persoonlijke stempel” daarop rust, faalt. Waar meerdere makers een werk tot stand hebben gebracht is sprake van een gemeenschappelijk werk, waarvan moet worden bepaald of daarop het persoonlijk stempel van de gemeenschappelijke makers rust. Wie van de makers heeft bijgedragen aan welk onderdeel van het werk doet in dit geval niet ter zake.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14 Subonderdeel 2a bestrijdt dit oordeel met een rechtsklacht. Volgens Snappet geldt ook in gevallen als deze – waar meerdere makers een werk tot stand hebben gebracht en sprake is van een ‘gemeenschappelijk werk’ – dat voor auteursrechtelijke bescherming voor elke betrokken maker, individueel, moet (kunnen) worden vastgesteld dat aan de in rov. 5.7 en 5.10 genoemde werktoets is voldaan. Het werk en de afzonderlijke bijdragen daarin dienen volgens de klacht een uitdrukking te vormen van de persoonlijkheid van de daarbij betrokken makers. Het hof zou ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat alleen moet worden bepaald of op het (gemeenschappelijk) werk ‘het persoonlijk stempel van de gemeenschappelijke makers’ rust. Subonderdeel 2b bouwt hierop voort. Het klaagt in de eerste plaats dat het hof in zijn verdere beoordeling van het geschil daardoor uitging van een verkeerde, te ruime, maatstaf. Het klaagt verder dat het hof zijn arrest in het licht van het (door het hof bedoelde) verweer van Snappet onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat uit de motivering niet zou kunnen worden opgemaakt “dat, waarom en in hoeverre op grond van de werktoets (rov. 5.7 en 5.10) een ‘persoonlijke stempel’ van elke maker op het werk van GEU c.s. rust.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.15 Dit lijkt mij niet op kunnen gaan. De subonderdelen 2a en 2b nemen tot uitgangspunt dat in onze zaak sprake is van een gemeenschappelijk werk, maar dat is onjuist en daar stuiten de klachten al op af. Als in cassatie onbestreden staat namelijk vast dat de betreffende individuele uitgeverijen van GEU c.s. krachtens art. 7 Aw (werkgeversauteursrecht) of door overdracht (individueel of single) auteursrechthebbende zijn op de betreffende respectieve Leerroutes (rov. 5.5). Bij een gemeenschappelijk werk is sprake van één werk en één auteursrecht dat aan verscheidene makers gezamenlijk toekomt, dat in principe ook alleen door hen gezamenlijk kan worden geëxploiteerd, en dat in geval van inbreuk door ieder afzonderlijk kan worden gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van verschillende makers, zoals de klachten veronderstellen, is hier echter geen sprake (meer), omdat in cassatie vaststaat dat de betreffende uitgeverijen krachtens art. 7 Aw of door overdracht (single) auteursrechthebbende zijn geworden op de betreffende Leerroutes (ook al zijn die feitelijk in teamverband tot stand gebracht, dat staat daar juridisch los van). Vandaar ook dat het hof in de laatste zin van rov. 5.6 overweegt dat in onze zaak niet ter zake doet wie van de makers heeft bijgedragen aan welk onderdeel van het werk. Dat vloeit namelijk logisch voort uit de vaststelling een overweging eerder dat sprake is van (single) auteursrecht bij de betreffende educatieve uitgeverijen ex art. 7 Aw (werkgeversauteursrecht) of door overdracht van de betreffende voormalige auteursrechthebbenden (op deelwerken mogelijk) aan die uitgeverijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werktoets met de daarvoor geldende vereisten EIS of EOK&amp;PS in auteursrechtelijk vakjargon-steno is in 3.3 e.v. besproken. Voor de vraag of een gemeenschappelijk werk (waarvan in onze zaak als gezegd juridisch geen sprake is) auteursrechtelijk beschermd is (de werktoets), is relevant of dat werk het resultaat is van creatieve keuzes. Dat moet worden beoordeeld aan de hand van het werk zelf. Anders dan de subonderdelen 2a en 2b tot uitgangspunt nemen, is voor de werktoets niet relevant wie in een bepaald werk bepaalde creatieve keuzes heeft gemaakt. De klachten lijken de werktoets te verwarren met de vraag wie auteursrechthebbende is en gaan ten onrechte ervan uit dat het hier gemeenschappelijke werken betreft, nu dat niet (meer) zo is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van het hof is dan ook juist en de subonderdelen 2a en 2b zijn tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.16 Ook subonderdeel 2c miskent dat hier juridisch sprake is van single auteursrecht op de betreffende Leerroutes bij de respectieve educatieve uitgeverijen met de motiveringsklacht dat niet is gemotiveerd door het hof waarom hier sprake zou zijn van een gemeenschappelijk werk. Het hof bespreekt in rov. 5.6 evenwel het verweer van Snappet, dat het daar weergeeft, maar beslist dat dat geen issue is in onze zaak (lees als gezegd: gelet op rov. 5.5, omdat is overgedragen aan of sprake is van werkgeversauteursrecht van de betreffende educatieve uitgeverijen). Daar strandt die klacht al op. Voor zover hier in wezen zou worden geklaagd dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de Leerroutes (onscheidbare) gemeenschappelijke werken zijn, en geen scheidbare werken, of dat het hof het verschil tussen onscheidbare en scheidbare werken heeft miskend, bestaat geen belang bij die klacht, omdat die kwestie helemaal niet speelt bij overgedragen of uit hoofde van werkgeversauteursrecht ontstaan single auteursrecht zoals in onze zaak aan de orde, zodat dat verder onbesproken kan blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.17 Onderdeel 3 komt op tegen het oordeel in rov. 5.30 dat de combinatie van het beschermde element “invulling van de lesdoelen” (element iv) met de niet beschermde elementen i tot en met iii (net) de werktoetsdrempel over komen. Het onderdeel richt hier in drie subonderdelen klachten tegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.18 Subonderdeel 3a klaagt dat dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is, nu de daarvoor gegeven motivering in rov. 5.13-5.29 dit oordeel niet kan dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.19 Deze motiveringsklacht, voor zover deze al de vereiste bepaaldheid en precisie heeft (de klacht luidt alleen dat de aan het oordeel ten grondslag liggende gedachtengang niet uit de motivering zou volgen) treft in mijn ogen geen doel. De hofanalyse over het werkkarakter van de Leerroutes – die ieder bestaan uit de combinatie van het beschermde element “invulling van de lesdoelen” (element iv) met de niet beschermde elementen i tot en met iii – is dat hier net voldaan is aan de werktoets (de combinatie is niet geheel een werkkarakter te ontzeggen, dus de Leerroutes zijn in combinatie nog juist als werken te beschouwen). Dit oordeel is in zoverre in lijn met het betoog van GEU c.s. dat de unieke combinatie van deze vier elementen (waarvan één element auteursrechtelijk beschermd is) voor in ieder geval een beperkt deel (niet geheel kunnen worden ontzegd) het gevolg is van creatieve keuzes van de maker en een oorspronkelijk karakter heeft. Dit aan de feitenrechter voorbehouden oordeel is ook zonder nadere toelichting goed te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.20 Subonderdeel 3b bouwt voort op het vorige onderdeel, nu de klacht begint met “Daarmee” en lijkt als ik het goed zie niet meer in te houden dan dat onbegrijpelijk zou zijn dat het hof tot een ander oordeel is gekomen dan door Snappet bepleit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21 Voor zover met “Daarmee” wordt voortgebouwd op de klacht uit het vorige subonderdeel, faalt dit ook. Een oordeel is niet al onbegrijpelijk omdat het anders is dan door een partij bepleit en is volgens mij zo volgt uit de bespreking van het vorige subonderdeel goed te volgen. Waarom welke overwegingen precies onbegrijpelijk zouden zijn tegen welke concrete stellingen van Snappet, doet de klacht niet uit de doeken, zodat dat een verdere grond tot afwijzing oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.22 Subonderdeel 3c bestrijdt het oordeel met de rechtsklacht dat Snappet ten onrechte niet tot bewijslevering is toegelaten conform haar aanbod dat de keuze en/of de volgorde van de aan te leren onderwerpen of leerdoelen en de combinatie van de onderwerpen/leerdoelen geen auteursrechtelijk beschermde werken (kunnen) zijn, c.q. kunnen opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23 Deze klacht voldoet (ook) niet aan de daaraan te stellen eisen, omdat (bij gebreke van een motiveringsklacht) niet duidelijk wordt gemaakt op grond van welke rechtsregel het hof gehouden zou zijn Snappet toe te laten tot bewijslevering, zodat de klacht daar al op afstuit. Daarnaast lijkt mij de klacht te miskennen dat een rechtsoordeel zich niet leent voor bewijslevering. Het aangeboden bewijs betreft bovendien het horen van getuigen-deskundigen, dat gelet op de bewoordingen (ook GEU c.s. heeft dat zo opgevat) kwalificeert als een deskundigenbewijsaanbod en dat hoeft niet te worden gehonoreerd door een rechter in feitelijke instanties. De wijze waarop de rechter van die bevoegdheid tot al dan niet honoreren gebruik maakt, kan in cassatie niet getoetst worden. Snappet heeft tot slot aangeboden “(…) waar nodig en gewenst (aanvullend) schriftelijk bewijs in het geding te brengen. (…)”. Het stond het hof ook vrij om dit aanbod te passeren. Indien Snappet haar stellingen nader had willen onderbouwen met (aanvullend) schriftelijk bewijs, had zij dit tijdig in de procedure moeten doen. Deze klacht is op deze gronden tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onvoorwaardelijke onderdeel 4 (proceskostenveroordeling) 4.24 Het onvoorwaardelijke onderdeel 4 klaagt dat de proceskostenveroordeling ex art. 1019h Rv ten onrechte is gemaximeerd op het indicatietarief voor een complexe zaak, omdat de werkelijke proceskosten hadden moeten worden toegewezen. De klacht formuleert dat zo: het hof heeft: “(…) zijn oordelen ten onrechte en onbegrijpelijk gebaseerd op de aanvankelijke stelling van GEU c.s. de krachtens art. 1019h Rv te bepalen kosten van het principaal appel en incidenteel appel te maximeren ten belope van € 40.000,--. Bij pleidooi hebben GEU c.s. dat standpunt echter verlaten (…). Het oordeel dat het hof GEU c.s. volgde in haar stelling dat deze zaak diende te worden ingedeeld in de categorie complex (categorie II bodemzaken sub d) met als maximum € 40.000,--, is aldus onbegrijpelijk in het licht van haar latere standpunt bij pleidooi dat zij onder art. 1019h Rv aanspraak maken op de daadwerkelijk gemaakte proceskosten in plaats van het maximale indicatietarief’. Nu tussen partijen niet (meer) in discussie was dat onder art. 1019h Rv de vergoeding van de volledige proceskosten in het principaal en in het incidenteel appel werd gevorderd, had het hof GEU c.s. daartoe behoren te veroordelen ten belope van het door Snappet gevorderde en door GEU c.s. niet betwist volledige bedrag aan proceskostenvergoeding.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25 Voor het geval Uw Raad in het principaal cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing overgaat, raakt dit ook de proceskostenveroordeling, en moet het hof waarnaar is verwezen daarover opnieuw beslissen. Dan zou de klacht hier al op afketsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26 Maar ook buiten dit geval kan de klacht volgens mij niet tot cassatie leiden. De rechter heeft de taak ambtshalve te beslissen over de toewijsbaarheid van de proceskosten en de hoogte daarvan. In onze zaak heeft het hof dat gedaan. Het hof heeft geoordeeld dat het bij de begroting van de proceskosten voorbijgaat aan de niet-IE grondslag, dat het salaris van de advocaat volledig wordt begroot aan de hand van de Indicatietarieven in IE-zaken, dat de zaak dient te worden ingedeeld in de categorie complex (categorie II bodemzaken sub d) met als maximum € 40.000,00 en dat dit maximum, gelet op uitgangspunt 9 van de Indicatietarieven en de samenhang tussen het principaal en incidenteel hoger beroep, betrekking heeft op het principaal en incidenteel hoger beroep tezamen. Ook achtte het hof dat maximum redelijk en evenredig. Daarmee is het hof uitgegaan van een juiste maatstaf. De begroting van proceskosten is een beslissing van feitelijke aard die geen motivering behoeft. De door het hof gegeven motivering is overigens voldoende begrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27 Ten overvloede merk ik nog op dat de klacht daarnaast feitelijke grondslag mist waar het poneert dat het hof zijn oordeel heeft “gebaseerd” op een stelling van GEU c.s. Met de passage dat het hof GEU c.s. volgt in hun stelling dat de onderhavige zaak dient te worden ingedeeld in de categorie complex, heeft het hof alleen tot uitdrukking gebracht dat het hof tot eenzelfde kwalificatie is gekomen; dus niet gebaseerd op, maar in lijn met.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.28 Voor zover de klacht betoogt dat GEU c.s. tijdens het pleidooi in hoger beroep hun standpunt hebben “verlaten” dat de zaak moet worden ingedeeld in de categorie complex, mist dit ook feitelijke grondslag. GEU c.s. hebben bepleit om niet het maximum van de volgens hen toepasselijke categorie – complex – toe te passen, maar om boven dat maximum uit te komen. Zij hebben daarmee, zoals ook volgt uit de bijbehorende voetnoot, een beroep gedaan op de uitzondering vermeldt in punt 7 onder (b) van de Indicatietarieven. Daarmee hebben zij echter geen andere categorie bepleit. Gelet op dit een en ander is, anders dan het onderdeel opwerpt, niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.45 tot uitgangspunt heeft genomen dat GEU c.s. zich op het standpunt hebben gesteld dat de zaak dient te worden ingedeeld in de categorie complex; dat is immers wat GEU c.s. hebben gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.29 Daarnaast miskent het onderdeel dat bedoelde stellingname van GEU c.s. bij pleidooi in hoger beroep ziet op de situatie dat GEU c.s. in het gelijk zou worden gesteld en niet op de situatie in onze zaak dat Snappet (grotendeels) in het gelijk wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.30 Voor zover de klacht betoogt dat tussen partijen niet (meer) in geschil was of de volledige proceskosten (in het principaal en in het incidenteel appel) moeten worden toegewezen, mist dat ten slotte ook feitelijke grondslag: Snappet heeft daar bij pleidooi in hoger beroep namelijk zelf bezwaar tegen gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten 4.31 GEU c.s. maken bij repliek in cassatie onder 38 bezwaar tegen de aanspraak op volledige proceskostenvergoeding van Snappet in cassatie volgens art. 1019h Rv, omdat er in cassatie geen sprake is van een “bijzonder geval” dat een hogere vergoeding dan het maximale indicatietarief rechtvaardigt. GEU c.s. menen dat de gebruikelijke Indicatietarieven behoren te gelden, waarbij zij zich refereren aan het oordeel van Uw Raad over de complexiteitscategorie. De enige motivering die Snappet bij s.t. 5.3 geeft voor haar aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten is “Gezien de omvang van de zaak en de belangen die er op het spel staan is de zaak te kwalificeren als een complexe zaak”. Dat komt te mager voor om af te wijken van de maximale Indicatietarieven. Ik zou mij daarom kunnen voorstellen dat Uw Raad een proceskostenveroordeling uitspreekt conform de maximale Indicatietarieven waarbij deze zaak in mijn ogen als “complex” kwalificeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Conclusie Ik concludeer tot verwerping van het principaal cassatieberoep en tot verwerping van het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vgl. procesinleiding p. 1 en verweerschrift in cassatie p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In appel was ook Noordhoff Uitgevers B.V. (hierna: Noordhoff) partij. Waar hierna in par. 2 wordt gesproken over GEU c.s. en de Uitgeverijen dient mede te worden gelezen Noordhoff, met uitzondering van het hierna in 2.32gestelde. In cassatie is Noordhoff geen partij meer. Ter voorkoming van misverstanden: eiseressen in het principaal cassatieberoep duiden zich gezamenlijk aan als “de Uitgeverijen”, waarmee dan bedoeld wordt: GEU c.s. in de zin van deze conclusie zoals bij de partij-aanduiding gedefinieerd. Waar geciteerd wordt uit de cassatiestukken van GEU c.s. dient voor ‘de Uitgeverijen’ in voorkomend geval dan ook te worden gelezen: ‘GEU c.s.’ Dit is in lijn met de processtukken in cassatie; het hof definieert deze partijen gezamenlijk als: Snappet c.s. (in enkelvoud).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 januari 1979, ECLI:NL:HR:1079:AB7291, NJ 1979/339, m.nt. L. Wichers Hoeth.</p>\n<p class=\"lf-p\">De feiten zijn ontleend aan rov. 2.1-2.26 van het bestreden arrest: Hof Den Haag 23 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3060. Zie voor de feitenvaststelling in eerste aanleg rov. 2.1-2.22 van het vonnis van Rb. Den Haag 9 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:13329. Het procesverloop is gebaseerd op rov. 3.1-3.9 van het vonnis en rov. 3.1-3.3 en 4.1-4.4 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier was ook Thieme Meulenhoff B.V. (hierna: Thieme) nog partij, maar de vorderingen van Thieme jegens Snappet spelen in appel en in cassatie geen rol meer en blijven verder onbesproken. Zie ook vtn 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vonnis vtn 2 met verwijzing naar HvJEG 16 juli 2009, C-5/08, ECLI:EU:C:2009:465, NJ 2011/288, m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2009/78, m.nt. F.W. Grosheide (Infopaq).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vonnis vtn 3 met verwijzing naar HvJEU 1 december 2011, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts (Painer).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vonnis vtn 4 met verwijzing naar HvJEU 1 maart 2012, C-604/10, ECLI:EU:C:2012:115, NJ 2012/433, m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/3, m.nt. A. Ringnalda, Computerrecht 2012/78, m.nt. C.T.W. Peijnenburg (Football Dataco).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vonnis vtn 5 met verwijzing naar HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7508, NJ 2007/37 (Technip/ […]).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest vtn 1 met verwijzing naar HvJEG 16 juli 2009, C-5/08, ECLI:EU:C:2009:465, NJ 2011/288, m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2009/78, m.nt. F.W. Grosheide (Infopaq International/Danske Dagblades Forening) en HvJEU 1 december 2011, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts (Painer/Standard Verlags GmbH).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest vtn 2 met verwijzing naar HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz (Stokke/H3 Products).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest vtn 3 met verwijzing naar HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153, NJ 2008/556, m.nt. E.J. Dommering, IER 2008/58, m.nt. J.M.B. Seignette, AA20080819, m.nt. P.B. Hugenholtz (Endstra).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest vtn 4 met verwijzing naar HR 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8940, NJ 2006/585, m.nt. J.H. Spoor, AA20060821, m.nt. P.B. Hugenholtz (Lancôme/Kefoca).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest vtn 5 met verwijzing naar HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1942, NJ 1996/546, m.nt. D.W.F. Verkade (Decaux/Mediamax).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest vtn 6 met verwijzing naar HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8456, IER 2003/17, m.nt. F.W. Grosheide (Una Voce Particolare).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 1 Auteurswet. Het Nederlandse auteursrecht is inmiddels vergaand Europees geharmoniseerd door de Auteursrechtrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HvJEU 11 juni 2020, C-833/18, ECLI:EU:C:2020:461, RvdW 2020/971 (Brompton Bicycle), punt 22; HvJEU 12 september 2019, C-683/17, ECLI:EU:C:2019:721, NJ 2020/90, m.nt. J. Spoor (Cofemel), punten 29 en 32; HvJEU 13 november 2018, C-310/17, ECLI:EU:C:2018:899, NJ 2019/320, m.nt. J.H. Spoor, IER 2019/10, m.nt. F.W. Grosheide onder IER 2019/9, AA20190390, m.nt. D.J.G. Visser (Levola/Smilde (Heksenkaas)), punten 33, 35-40; HvJEU 7 augustus 2018, C-161/17, ECLI:EU:C:2018:634, NJ 2019/371, m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2019/11, m.nt. J.M.B. Seignette (Renckhoff), punt 14; HvJEU 1 december 2011, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts (Painer), punten 88-89 en 94; HvJEG 16 juli 2009, C-5/08, ECLI:EU:C:2009:465, NJ 2011/288, m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2009/78, m.nt. F.W. Grosheide (Infopaq), punten 37 en 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook art. 2 van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HvJEU 11 juni 2020, C-833/18, ECLI:EU:C:2020:461, RvdW 2020/971 (Brompton Bicycle), punt 23; HvJEU 12 september 2019, C-683/17, ECLI:EU:C:2019:721, NJ 2020/90, m.nt. J. Spoor (Cofemel), punt 30; HvJEU 7 augustus 2018, C-161/17, ECLI:EU:C:2018:634, NJ 2019/371, m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2019/11, m.nt. J.M.B. Seignette (Renckhoff), punt 14; HvJEU 1 december 2011, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts (Painer), punt 94.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3), rov. 3.4; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), rov. 4.2; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke), rov. 4.2; HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1036, NJ 2015/178, m.nt. D.W.F. Verkade, IER 2014/6, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Vuurkorf), rov. 4.1.2; HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2737, NJ 2015/179, m.nt. D.W.F. Verkade (Rubik/Beckx Trading).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153, NJ 2008/556, m.nt. E.J. Dommering, IER 2008/58, m.nt. J.M.B. Seignette, AA20080819, m.nt. P.B. Hugenholtz (Endstra), rov. 4.3; HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7508, NJ 2007/37 (Technip/ […]), rov. 3.4; HR 4 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0104, NJ 1991/608, m.nt. D.W.F. Verkade, IER 1991/38, m.nt. F.W. Grosheide, AA19920031, m.nt. H. Cohen Jehoram (Romme/Van Dale), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153, NJ 2008/556, m.nt. E.J. Dommering, IER 2008/58, m.nt. J.M.B. Seignette, AA20080819, m.nt. P.B. Hugenholtz (Endstra), rov. 4.5.1. Vgl. art. 13 Aw.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153, NJ 2008/556, m.nt. E.J. Dommering, IER 2008/58, m.nt. J.M.B. Seignette, AA20080819, m.nt. P.B. Hugenholtz (Endstra), rov. 4.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153, NJ 2008/556, m.nt. E.J. Dommering, IER 2008/58, m.nt. J.M.B. Seignette, AA20080819, m.nt. P.B. Hugenholtz (Endstra), rov. 4.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3), rov. 3.4; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), rov. 4.2; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke), rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8940, NJ 2006/585, m.nt. J.H. Spoor, AA20060821, m.nt. P.B. Hugenholtz (Lancôme/Kefoca), rov. 3.3.2; HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3), rov. 3.4; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), rov. 4.2; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke), rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3), rov. 3.4; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), rov. 4.2; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke), rov. 4.2. Zie ook HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2737, NJ 2015/179, m.nt. D.W.F. Verkade (Rubik/Beckx Trading), rov. 4.2. Vgl. HvJEU 22 december 2010, C-393/09, ECLI:EU:C:2010:816, NJ 2011/289, m.nt. P.B. Hugenholtz, Computerrecht 2011/35, m.nt. J.I. Krikke (Softwarová, BSA).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2737, NJ 2015/179, m.nt. D.W.F. Verkade (Rubik/Beckx Trading), rov. 4.2 in fine.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3), rov. 3.4; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), rov. 4.2; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke), rov. 4.2. Vgl. HR 8 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX3171, NJ 2006/493, TBR 2008/19, m.nt. C.A. Adriaansens (Slotermeervilla's), rov. 3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 11 juni 2020, C-833/18, ECLI:EU:C:2020:461, RvdW 2020/971 (Brompton Bicycle).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar HvJEU 12 september 2019, C-683/17, ECLI:EU:C:2019:721, NJ 2020/90, m.nt. J. Spoor (Cofemel), punt 31 en aldaar aangehaalde jurisprudentie: HvJEU 1 maart 2012, C-604/10, ECLI:EU:C:2012:115, NJ 2012/433, m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/3, m.nt. A. Ringnalda, Computerrecht 2012/78, m.nt. C.T.W. Peijnenburg (Football Dataco), punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar HvJEU 2 mei 2012, C-406/10, ECLI:EU:C:2012:259, NJ 2013/270, m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2012/52, m.nt. F.W.E. Eijsvogels, Computerrecht 2012/121, m.nt. M. Truyens (SAS Institute), punten 33 en 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar HvJEU 22 december 2010, C-393/09, ECLI:EU:C:2010:816, NJ 2011/289, m.nt. P.B. Hugenholtz, Computerrecht 2011/35, m.nt. J.I. Krikke (Softwarová, BSA), punten 48 en 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaste rechtspraak, zie o.m. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8661, NJ 2013/504, m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/40, m.nt. F.W.E. Eijsvogels ([…] / […]), rov. 3.5; HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1942, NJ 1996/546, m.nt. D.W.F. Verkade (Decaux/Mediamax), rov. 3.4; HR 28 juni 1946, ECLI:NL:HR:1946:79, NJ 1946/712 (Van Gelder/Van Rijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8661, NJ 2013/504, m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/40, m.nt. F.W.E. Eijsvogels ([…] / […]), rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3), rov. 3.4; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), rov. 4.2; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke), rov. 4.2. HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1942, NJ 1996/546, m.nt. D.W.F. Verkade (Decaux/Mediamax), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht, 2019, p. 183; Geerts &amp; Verschuur, Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, 2020, p. 549.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht, 2019, p. 190 en vtn 64 met verdere verwijzingen. Zie ook W. Grosheide, Totalitair Auteursrecht(?), in: Album Amicorum Feer Verkade, BIE 2008, p. 158-164.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1942, NJ 1996/546, m.nt. D.W.F. Verkade (Decaux/Mediamax), rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8456, IER 2003/17, m.nt. F.W. Grosheide, AMI 2003/1, nr.1, m.nt. D.J.G. Visser (Una Voce Particolare).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3), rov. 3.4; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), rov. 4.2; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke), rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), rov. 5.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. (voor- en tegenstanders): Verkade in zijn noot onder HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1942, NJ 1996/546, m.nt. D.W.F. Verkade (Decaux/Mediamax); A.A. Quaedvlieg, Een stijlloze totaalindruk. Het herkennen van plagiaat na Decaux/Mediamax, Informatierecht/AMI, 1996, nr. 10, p. 195-199; Grosheide en Visser in hun annotaties onder HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8456, IER 2003/17, m.nt. F.W. Grosheide, AMI 2003/1, nr. 1, m.nt. D.J.G. Visser (Una Voce Particolare); Ch. Gielen, De totaalindruk in het auteursrecht, IER 2004/55; W. Grosheide, Verwarringsgevaar en totaalindruk in het auteursrecht in historisch perspectief, in: A.M.E. Verschuur, P.G.F.A. Geerts en R.C.K. van Oerle (red.), gIElen, een bekend begrip, 2005 (Gielen-bundel);</p>\n<p class=\"lf-p\">A.A. Quaedvlieg, De totaalindruk, kern van het bewerkingsrecht, ook in de Gielen-bundel; W. Grosheide, Totalitair Auteursrecht(?), in: Album Amicorum Feer Verkade, BIE 2008, p. 158-164; J.H. Spoor, Hoezo, totaalindrukken?, in: N.A.N.M. van Eijk en P.B. Hugenholtz (red.), Dommering-bundel, 2008, p. 321-333; L. Quanjel-Schreurs, Harry Potter en de strijd tegen het Lexicon, IER 2009/37; Hugenholtz in zijn noot onder HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke); A.A. Quaedvlieg, Ideeën, techniek en stijl als dark matter van de auteursrechtelijke beschermingsomvang, AMI 2015/2, p. 29-37; R. de Zwaan, De totaalindruk: onjuist maar niet onbruikbaar, AMI 2016/5, p. 113-120;</p>\n<p class=\"lf-p\">H. Spoor, D.W.F. Verkade en D.J.G. Visser, Auteursrecht: Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankrecht, 2019, p. 191 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.n. voor complexe werken buiten het terrein van de industriële vormgeving onderschrijf ik de kritiek van genoemde gezaghebbende auteurs als: niet bij uitstek geschikt. Maar omdat in onze zaak het totaalindruk-oordeel van het hof volgens mij niet zelfstandig draagt, zoals we bij de bespreking van onderdeel 4 van het principale cassatieberoep zullen zien, laat ik het bij deze signalering.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.H. Spoor, Hoezo, totaalindrukken?, in: N.A.N.M. van Eijk en P.B. Hugenholtz (red.), Dommering-bundel, 2008, p. 327.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ch. Gielen, De totaalindruk in het auteursrecht, IER 2004/55, onder 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders: A.A. Quaedvlieg, De totaalindruk, kern van het bewerkingsrecht, in de Gielen-bundel, hiervoor al aangehaald, , die de totaalindruk als kern van het bewerkingsrecht van art. 13 Aw beschouwt (zie i.h.b. p. 233).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. Ch. Gielen, De totaalindruk in het auteursrecht, IER 2004/55, onder 6; J.H. Spoor, Hoezo, totaalindrukken?, in: N.A.N.M. van Eijk en P.B. Hugenholtz (red.), Dommering-bundel, 2008, p. 321-333; Hugenholtz in zijn noot onder HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke).</p>\n<p class=\"lf-p\">Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht, 2019, p. 193-194. In gelijke zin Verkade in zijn NJ-noot onder HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1942, NJ 1996/546(Decaux/Mediamax), nrs 7-8; de IER-noot van Grosheide onder HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8456, IER 2003/17 (Una Voce Particolare), nr. 6 en de AMI-noot van Visser onder datzelfde arrest, AMI 2003/1, nr. 1, waarin de vraag wordt opgeworpen hoe de totaalindrukken-maatstaf in de praktijk, met name bij meer complexe werken, moet worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3), rov. 3.4; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), rov. 4.2; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke), rov. 4.2. Vgl. HR 5 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7291, NJ 1979/339, m.nt. L. Wichers Hoeth (Heertje/Hollebrand).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3), rov. 3.4; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), rov. 4.2; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke), rov. 4.2; HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659, m.nt. D.W.F. Verkade, IER 1993/35, m.nt. S. de Wit, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3), rov. 3.4; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), rov. 4.2; HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Hauck/Stokke), rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, NJ 2010/388, m.nt. E.A. Alkema, AB 2010/190, m.nt. F.J. van Ommeren, Gst. 2010/63, m.nt. J.L.W. Broeksteeg, NTM/NJCM-bull. 2010, p. 485, m.nt. R. Nehmelman en A.J.Th. Woltjer, JB 2010/115, m.nt. R.J.B. Schutgens, JBPR 2010/32, m.nt. M.O.J. de Folter (Staat en SGP/Clara Wichmann c.s.), rov. 4.3.2. Vgl. ook HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756, NJ 2011/473, m.nt. H.J. Snijders, JBPR 2010/30, m.nt. W.P. Wijers (Stg. Baas in Eigen Huis/Plazacasa), rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus het Stg. Baas in Eigen Huis/Plazacasa-arrest, t.a.p. vorige vtn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. A.W. Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:305a BW, aant. 9.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een kleine letter, waarmee volgens de klacht gedoeld werd op leden van GEU die zelf geen partij zijn in deze procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een hoofdletter, waarmee volgens de klacht gedoeld werd op de individuele eiseressen in deze procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mva/inc 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem mva/inc 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem mva/inc 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de aangehaalde tekst van de cva/cve rec staat hier vtn 13: “Hoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756, RvdW 2010, 360 (Stichting/Plazacasa) en de daarbij conclusie van A-G Huydecoper.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. cva/rec 23. Vgl. eveneens mva/inc 14: “Ten aanzien van haar ontvankelijkheid merkt de GEU c.s. (in aanvulling op onder meer par. 9 - 29 CvA in reconventie GEU) nog het volgende op.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt opnieuw naar mva/inc 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snappet refereert zich overigens op dit punt aan het oordeel van Uw Raad, vgl. s.t. Snappet 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding in cassatie vtn 11 tekent daar nog bij aan: “Of in de klassieke Nederlandse terminologie, die hetzelfde betekent: een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin pltna cassatie GEU c.s. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 4.4 van de rechtbank waarnaar het hof in rov. 5.11 uitdrukkelijk verwijst, en de laatste volzin van rov. 5.11 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 4.4 van het eindvonnis van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het hiervoor in 3.6 aangehaalde arrest Brompton Bicycle, punt 24, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. pltna cassatie GEU c.s. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de jurisprudentie vermeld in vtn 30 en besproken hiervoor in 3.5 ten aanzien van technische elementen van het werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. pltna cassatie GEU c.s. 8 en 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin dupliek in cassatie Snappet 1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank had in rov. 4.4 eindvonnis nog overwogen dat keuzes die alleen zijn ingegeven door didactische inzichten, geen eigen intellectuele schepping kunnen vormen of daaraan kunnen bijdragen. Ik lees het bestreden oordeel met Snappet zo dat het hof dit heeft aangescherpt: het moet hier gaan om keuzes die louter een didactisch doel dienen of te zeer het resultaat zijn van een door een te behalen didactisch doel beperkte keuze, dan treedt het auteursrecht terug. In gelijke zin dupliek in cassatie Snappet 1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin s.t. Snappet 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het hiervoor in 3.6 aangehaalde arrest Brompton Bicycle, punt 27, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. hiervoor in 3.4 en 3.5 en genoemd in vtn 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de verwijzingen in rov. 5.11 naar “didactische inzichten”, “didactische strategieën”, “didactische doelstelling” en “didactische kennis en inzichten” volgens de klacht suggereren, evenals de verwerping van auteursrechtelijke beschermbaarheid van ‘didactische’ doelen / eisen / inzichten / keuzes / overwegingen / uitgangspunten in rov. 5.16, 5.17, 5.20, 5.21, 5.24, 5.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bijzonder de verwijzingen naar 'didactische' doelen / eisen / inzichten / keuzes / overwegingen / uitgangspunten in rov. 5.16, 5.17, 5.20, 5.21, 5.24, 5.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor in 3.4 en vtn 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 5.34, eerste en tweede volzin: “Uit het voorgaande blijkt dat de punten van overeenstemming betrekking hebben op niet beschermde elementen (thema’s en themawoorden, lessenstructuur (moment waarop de opgaven worden aangeboden), lesdoelen en aard van de opgaven). Wat overblijft is (….)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de vindplaatsen o.m. hiervoor in vtn 21. Vgl. ook de in cassatie onbestreden laatste drie volzinnen (i.h.b. de voorlaatste volzin) van rov. 5.10 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), rov. 5.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusie van A-G Verkade, punt 4.22 vóór HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman, IER 2013/50, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Stokke/Fikszo), 6.3.1. Zie ook HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholtz onder NJ 2013/503, AMI 2013/5, nr. 8, m.nt. K.J. Koelman (Stokke/H3), rov. 3.5.3, slot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. s.t. Snappet 4.17-4.18. Vgl. ook de conclusie van A-G Hammerstein, punt 2.5 voor HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2737, NJ 2015/179, m.nt. D.W.F. Verkade (Rubik/Beckx Trading) ten aanzien van het werkbegrip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding vtn 12 vermeldt nog: “Een voorbeeld van wat in deze zaak het geval zou kunnen zijn: het gebruik van hetzelfde voorbeeld / dezelfde uitwerking in een opgave, bij hetzelfde lesdoel, binnen hetzelfde thema op hetzelfde moment kan, zeker naarmate Snappet dat voldoende vaak heeft gedaan, het oordeel rechtvaardigen dat inbreuk wordt gemaakt op het auteursrecht op de Leerroute (vergelijk bijvoorbeeld de vele overeenstemmingen, door het hof vastgesteld in r.o. 5.33 sub e).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding vtn 12, weergegeven in de vorige voetnoot, mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag, waarbij van belang is dat het hof in rov. 5.32, slotzin, heeft onderzocht of de combinatie van de thema’s en themawoorden, de lessenstructuur, de lesdoelen en de wijze waarop aan de lesdoelen invulling wordt gegeven, één-op-één door Snappet is overgenomen. Dat is naar het oordeel van het hof niet (voldoende) gebeurd. Overigens ontbreken vindplaatsen uit de stukken in feitelijke instanties waar dit door GEU c.s. zou zijn aangevoerd. In gelijke zin s.t. Snappet 4.28-4.29. Vgl. evenwel subonderdeel 5.9, laatste klacht hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waaraan het hof toevoegt dat die bescherming niet zover reikt dat de Uitgeverijen ook auteursrechtelijke bescherming toekomt ten aanzien van de aard van de opgaven, vgl. rov. 5.29, tweede volzin e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dienovereenkomstige oordeel in rov. 5.14 wordt niet met zoveel woorden bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mvg 22-33 en 164-170.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die zien op taal (waaronder spelling), zie rov. 5.13 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 2.18-2.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. mvg 23 en 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het oordeel van de rechtbank in rov. 4.3 eindvonnis. Uit de verwerping van grief III van GEU c.s. volgt dat het hof de rechtbank op dit punt volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. mvg 21 en 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mvg 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 120A van Snappet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mvg 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar prod. 66 van de Uitgeverijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. s.t. Snappet 4.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de klacht: een verklaring van [betrokkene 1] , de toelichting op Taal in beeld, de handleiding bij Taal op maat, en de verantwoording bij de WAK.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mvg 59-61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht, 2019, p. 97.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor in 3.4 en rov. 5.10 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. rov. 5.14, derde gedachtestreepje (de toelichting op Taal in beeld van Malmberg): “De keuze van de doelwoorden in Taal in beeld is afgestemd op de thema’s van de diverse blokken in de methode en de woordenschatvaardigheden die op dat moment centraal staan. Daarnaast is rekening gehouden met de moeilijkheidsgraad en frequentie van woorden op een bepaalde leeftijd (gebaseerd op onderzoek van Schrooten en Vermeer en Digiwak (de woordenlijst Amsterdamse Kinderen). Heel algemeen vallen de doelwoorden uiteen in drie categorieën:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>algemene dagelijkse woorden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>schooltaalwoorden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>woorden die nodig zijn om te kunnen reflecteren op taal.</div>\n<p class=\"lf-p\">Binnen deze categorieën heeft Taal in beeld gezocht naar variatie in woordsoorten (zoals werkwoorden, zelfstandige naamwoorden en bijwoorden) en woordcombinaties (uitdrukkingen en gezegden). Taal in beeld ontleent de omschrijving van woordbetekenissen aan de Junior Van Dale. (…)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.w. dat de ten aanzien van de themawoorden gemaakte keuzes in het licht van het feit dat het steeds gaat om woorden die dienen aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen waarvoor de betreffende Educatieve Uitgave wordt gemaakt, bij hun reeds bestaande woordenschat en bij hetgeen zij volgens SLO dienen te leren, voor zover niet al didactisch bepaald, banaal en triviaal zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mvg 58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 2.4 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">En verder nog: omgeving, hoeven, hoefsmid, inenten, strelen, een tip geven, tokkelen. Verder wordt verwezen naar pltna HB GEU c.s. 30-33 met volgens de klacht nog enkele andere voorbeelden van themawoorden die niet direct bij het thema passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals: aaien, bespreken, dierenarts, hondenhok, huisdier, mand, onderzoeken, staart, uitlaten, vacht, verzorgen, voer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mvg 59-61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar pltna HB GEU c.s. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mvg 82-83.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar pltna HB GEU c.s. 54-55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals het hof volgens de klacht in rov. 5.10 terecht heeft overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar het hiervóór aangehaalde citaat van John Lommen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 5.14, derde gedachtestreepje.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov 5.14, vierde gedachtestreepje.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de klacht omvat die 10.000 woorden; verwezen wordt naar rov. 2.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov 5.14, tweede gedachtestreepje.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mvg 82.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. s.t. Snappet 4.39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mvg 58-61, 82-83; pltna HB GEU c.s. 29, 54-55.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin s.t. Snappet 4.39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mvg 57, 174.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van [betrokkene 1] , de toelichting op Taal Actief van Malmberg, de toelichting op Taal in beeld van Malmberg, de handleiding bij Taal op Maat van Noordhoff en de verantwoording bij de WAK, die ook is opgedeeld in thema’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de klacht: Mijn school, Dieren(manieren) en Winkel in Groep 4; (Droom)beroepen in Groep 5; Geld (en sparen) in Groep 6; Uitvinden in Groep 7; Media (/Nieuws en reclame) in Groep 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mvg 56 en pltna HB GEU c.s. 79-80.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 1 maart 2012, C-604/10, ECLI:EU:C:2012:115, NJ 2012/433, m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/3, m.nt. A. Ringnalda, Computerrecht 2012/78, m.nt. C.T.W. Peijnenburg (Football Dataco).</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin s.t. Snappet 4.42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 5.23-5.24. Verder wordt verwezen naar mvg 63-66, 86-87, 135, 177-178, 186-188; mvainc 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mvg 63-66, 86-87.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding vtn 34 voegt daar aan toe: “Voor zover niet didactisch ingegeven”; verwezen wordt naar subonderdeel 5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die verklaring (prod. 66 GEU c.s., punt 4) luidt zo: “4. Inhoud van de leerstof Er zijn drie belangrijke bronnen die de inhoud van het taalaanbod mede bepalen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>12 Kerndoelen Nederlandse taal (Kerndoelen Primair Onderwijs, OCW 2006);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Tussendoelen en leerlijnen bij kerndoelen Nederlands (Stichting Leerplanontwikkeling / Expertisecentrum Nederlands, 2006);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Referentiekader Taal (Stichting Leerplanontwikkeling, 2010) Toelichting: In Referentiekader Taal zijn talige onderwerpen beschreven en verdeeld in groepen van twee leerjaren: groep 1-2, 3-4, 5-6 en 7-8. Bij de beschrijving staan de gewenste beheersniveaus voor het eind van het primair onderwijs aangegeven: 1F (fundamenteel niveau = wat bijna alle leerlingen moeten beheersen) en 2F/1S (streefniveau = wat ±75% van de leerlingen dan moeten beheersen). Enkele methoden bieden in het basisaanbod de leerstof op 1F-niveau aan en de extra stof op 2F-niveau. Andere methoden bieden de basisstof op 2F-niveau en de extra instructie en oefenstof op 1F-niveau. Dit verschil hangt samen met de opvattingen van de makers van de methode: leerstof op het niveau van de leerlingen aanbieden, of leerstof iets boven het niveau van de leerlingen aanbieden om de leerlingen uit te dagen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Enkele methoden bieden in groep 8 ook enige leerstof op een nog hoger niveau (2S/3F-niveau) voor leerlingen die doorstromen naar havo of vwo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast bieden de meeste methoden onderwerpen aan die niet in het referentiekader voorkomen, maar toch belangrijk geacht worden door de makers van de methode. Het betreft meestal onderwerpen uit taalbeschouwing, bijvoorbeeld onderwerpen die aanleiding geven tot nadenken over de diversiteit in taalgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bovengenoemde taalmethoden wordt eerst per taaldomein een onderscheid gemaakt in hoofddoelen of functies en subdomeinen. Vervolgens worden bij elk subdomein leerdoelen geformuleerd die in een leerlijn worden geplaatst en verdeeld over de leerjaren. Ten slotte worden binnen elk leerjaar de leerdoelen verdeeld over de thema’s; binnen de thema’s vindt de toedeling per les plaats. De beschrijving van de leerdoelen per les staan in de handleiding in termen voor de leerkracht en in het leerlingenboek in begrijpelijke kindertaal. Hierin zit een grote dosis creativiteit van de conceptauteurs en auteurs om de vertaalslag te maken van kerndoel naar leerdoel met leerverwervende lesactiviteiten. Hieronder staan twee ingekorte lesvoorbeelden hoe twee taalmethoden op verschillende wijze hetzelfde kerndoel uitwerken in een leerdoel en lesactiviteiten in het taalboek (de mondelinge instructie van de leerkracht is buiten beschouwing gelaten). (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de voorbeelden in mvg 68, mvainc 59, pltna HB 41-45 en de daar en door het hof genoemde prods. 22, 71, 76, 77, 97 en 98.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mva 17.8-17.11 i.h.b. 17.10-17.11 (toelichting op grief 2) en mva 16.25, 17.13-17.17; pltna HB Snappet 7.3 (toelichting op grieven 3a en 3b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie s.t. GEU c.s. 2.8 en dupliek in cassatie 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie E. van Geuns &amp; M.V.E.E. Jansen, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 332 Rv, aant. 21 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/180.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/180 met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin s.t. GEU c.s. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2.22 e.v. van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:1515) voor HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:398, RvdW 2019/397, JIN 2019/70, m.nt. R.A.G. de Vaan, ben ik ingegaan op de devolutieve werking van het hoger beroep. Ik recapituleer dat in 4.7 en 4.8 van de onderhavige conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. van Geuns &amp; M.V.E.E. Jansen, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 9. Zie ook H.J. Snijders, Civiel appel, 2009, nr. 216.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hammerstein, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 4a.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. van Geuns &amp; M.V.E.E. Jansen, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 9 en 15, onder verwijzing naar HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2498, NJ 1998/439.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/135.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. van Geuns &amp; M.V.E.E. Jansen, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 14, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. van Geuns &amp; M.V.E.E. Jansen, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 14 en 15. Zie in dit kader HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526, NJ 1993/566, m.nt. C.J.H. Brunner, AA19920497, m.nt. J. Hijma (IZA/Vrerink).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hammerstein, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 4b en 4c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/125, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt uitgedrukt door de regel tantum devolutum quantum appellatum. Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/125, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/125, met verdere verwijzingen. Zie ook E. van Geuns &amp; M.V.E.E. Jansen, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 9 en 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.5 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat wordt besproken in rov. 4.14 e.v. eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat wordt besproken in rov. 5.31-5.34 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mva 7.13-7.16; pltna HB Snappet 2.3 e.v. en vtn 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht, 2019, p. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin s.t. GEU c.s. 2.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die zin s.t. GEU c.s. 2.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar HR 25 maart 1949, ECLI:NL:HR:1949:134, NJ 1950/643, m.nt. D.J. Veegens (La Belle et la Bête).</p></div>", "next": 239449}