{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Subonderdeel 2.1 stelt voorop dat rov. 4.4-4.6 betreffen “de in onderdeel 1 behandelde oordelen inzake bevrijdend verweer en daaraan gerelateerde onderwerpen alsmede het oordeel in rov. 4.4 dat Alfa verhaalsonderzoek naar [betrokkene 1] heeft laten doen door een deurwaarderskantoor, hetgeen in 2016 op niets is uitgelopen”. Bij zijn oordeel in rov. 4.7 heeft het hof volgens de klacht de “essentiële” stelling van [eiser] gepasseerd “dat het onderzoek naar de schuld van [betrokkene 1] (en niet enkel de verhaalbaarheid op [betrokkene 1] ) relevant is voor het antwoord op de vraag wanneer en in hoeverre Alfa alsnog wel [eiser] zou kunnen aanspreken”. Deze stelling is volgens de klacht in de eerste plaats essentieel, omdat gegrondbevinding van deze stelling tot een ander oordeel kan leiden: niet is gebleken dat [betrokkene 1] geen schuld heeft, zodat aldus niet de overeengekomen opschortende voorwaarde is vervuld waaronder [eiser] alsnog wel zou kunnen worden aangesproken. Bovendien is deze stelling essentieel, omdat de schuldvraag relevant is vanwege het subsidiaire karakter van de borgtocht: een toerekenbaar tekortschieten van hoofdschuldenaar [A] is vereist, waarvan geen sprake is wanneer [betrokkene 1] schuld heeft (verwezen wordt naar subonderdeel 2.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.48 In de eerste plaats betekent als hiervoor aangegeven eventuele “schuld” van [betrokkene 1] volgens mij niet dat geen sprake zou zijn van toerekenbaar tekortschieten van [A] vanwege de geschetste toerekening; die “schuld” levert geen overmacht op voor [A] , integendeel zou ik menen. Daar strandt deze klacht al op.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.49 Onderdeel 2.1 geeft bovendien geen vindplaats van de door [eiser] geponeerde “essentiële stellingname”. Ik heb een spoortje hiervan mogelijk aangetroffen in twee passages in cva 5 en in mva p. 2, laatste alinea. In cva 5 gaat het om de passage : “Het aandeel van [betrokkene 1] bij de gepleegde fraude en de hoogte van het fraudebedrag zijn vooralsnog onbekend en dienen volgens gedaagde met betrekking tot de schuldvraag te worden afgewacht.” In mva p. 2, laatste alinea gaat het om een bijzin, die onderdeel is van [eiser] ’ stellingname dat het door de Belastingdienst verrichte fraudeonderzoek is geëntameerd “(…) naar aanleiding van de door Alfa en [eiser] gedane aangifte en de door de curator in het faillissement van [A] gedane melding van faillissementsfraude. Volgens [eiser] betreft het één en hetzelfde onderzoek welke door de rechtbank op juiste gronden als onderdeel van de gemaakte afspraken is bestempeld, dit ter beantwoording van de vraag in hoeverre de vordering van Alfa op [eiser] uit hoofde van de borgstelling opeisbaar is.” [onderstreping A-G]. Een zo terloops aangekaarte en niet nader uitgewerkte kwestie hoefde door het hof niet als essentieel te worden aangemerkt, zodat deze klacht in mijn ogen ook feitelijke grondslag ontbeert. De aankleding die het cassatiemiddel hieraan geeft in de vorm van “doorwerking” van de schuldvraag, is in mijn ogen geen onderdeel geweest van het partijdebat in feitelijke aanleg. Ook daar stuit volgens mij heel onderdeel 2 al op af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.50 Een andere zienswijze hierover is deze. De bedoelde stellingname van [eiser] in cva 5 maakt onderdeel uit van het in rov. 4.5-4.6 besproken én verworpen bevrijdend verweer van [eiser] , dat afronding van het fraudeonderzoek door de Belastingdienst naar [betrokkene 1] onderdeel zou zijn van gemaakte nadere afspraken tussen partijen. Het hof heeft dit bevrijdend verweer/deze “essentiële” stelling gepasseerd, omdat [eiser] onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing hiervan (rov. 4.6, tweede alinea, eerste volzin e.v.). Naar het oordeel van het hof is het fraudeonderzoek door de Belastingdienst naar [betrokkene 1] niet relevant voor de vraag of en in hoeverre Alfa [eiser] zou kunnen aanspreken. Het hof benadrukt dit ook in de laatste volzin van rov. 4.6. Uit mijn bespreking van onderdeel 1 volgt dat het passeren van het bevrijdend verweer van [eiser] , waaronder deze aldus begrepen “essentiële” stelling vanwege onvoldoende substantiëring (niet aan stelplicht voldaan), in cassatie tevergeefs wordt aangevallen. Ook in die sleutel treffen geen van de klachten van onderdeel 2 doel. Het hof heeft de zo begrepen “essentiële” stelling van [eiser] uitdrukkelijk onder ogen gezien en op goede grond verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.51 Voor zover in deze klacht besloten ligt dat het hof alleen constateert dat Alfa’s verhaalbaarheidsonderzoek op [betrokkene 1] op niets is uitgelopen, maar niet voldoende kenbaar oordeelt dat ook Alfa’s fraudeonderzoek naar [betrokkene 1] is afgerond (een dergelijke klacht is wat meer aangekleed terug te vinden in subonderdeel 2.2), heeft te gelden dat deze a contrario-redenering afstuit op het impliciete oordeel dat ook Alfa’s fraudeonderzoek wel degelijk is afgewacht, nu het hof in rov. 4.7 oordeelt dat het antwoord op de opeisbaarheidsvraag bevestigend luidt. Als dit oordeel gelezen wordt in verband met rov. 4.6 waarin het hof terugverwijst naar rov. 4.4 onder i waarin sprake is van zowel de uitkomst van Alfa’s fraudeonderzoek als de eventuele verhaalbaarheid van haar vordering op [betrokkene 1] , dan wordt duidelijk dat de mogelijk zo als “essentieel” bedoelde stelling van [eiser] over het afwachten van Alfa’s fraudeonderzoek ook door het hof is meegewogen en impliciet is verworpen in rov. 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders gezegd: uit mvg 11 en rov. 4.4 volgt dat het (in rov. 4.4 onder i. bedoelde) fraudeonderzoek door Alfa heeft geleid tot haar aangifte tegen [betrokkene 1] op 7 april 2015. Alfa heeft de uitkomt van haar eigen fraudeonderzoek naar [betrokkene 1] dus wel degelijk aangedragen als de tussen partijen overeengekomen opschortende voorwaarde die is vervuld waardoor de vordering op [betrokkene 1] opeisbaar is. Uit rov. 4.5-4.7 volgt dat het hof daarin is meegegaan. In zoverre mist de andersluidende klacht op dit punt uit subonderdeel 2.2 feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.52 Ten overvloede teken ik aan dat subonderdeel 2.2 verder voortbouwt op de premisse dat op zich vast zou staan dat in onze zaak sprake is van een overeengekomen opschortende voorwaarde (bestaan staat vast, waardoor de bewijslast van de inhoud op Alfa zou rusten), maar bij de bespreking van onderdeel 1 hebben we gezien dat daarvan in onze zaak op het punt van de door [eiser] gestelde nadere opschortende voorwaarde geen sprake is. Het subonderdeel wandelt door op dit foutieve spoor met een herhaling van zetten over het besproken arrest uit 2016 en het Probis/ […] -arrest en de daaruit voortvloeiende bewijslastverdeling en constateert dan dat in rov. 4.3 is geoordeeld dat een basis ontbreekt voor de uitleg van de afspraak dat invordering achterwege zou blijven na het fraudeonderzoek, ongeacht de uitkomst daarvan. Volgens de klacht houdt dit in dat niet louter het onderzoek moet zijn afgerond, maar dat Alfa ook moet stellen en bij betwisting moet bewijzen wat de uitkomst is van dat onderzoek is. We hebben bij de bespreking van onderdeel 1 gezien dat wel sprake is van een bevrijdend verweer en dat daar een andere bewijslastverdeling bij hoort, zodat deze klacht niet kan slagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.53 Bovendien lijkt mij dat het hof in rov. 4.3 [eiser] ’ stelling verwerpt dat hij indertijd met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] van Alfa heeft afgesproken dat Alfa zou afzien van de borg en finale kwijting zou verlenen in ruil voor volledige medewerking. Het hof stelt vast dat tijdens de comparitie bij de rechtbank Alfa deze stelling heeft betwist en [eiser] heeft erkend dat de afspraak was dat invordering voorlopig achterwege zou blijven in afwachting van de uitkomsten van het fraudeonderzoek naar [betrokkene 1] . Het hof stelt ook vast dat [eiser] in hoger beroep een afwijkend standpunt heeft ingenomen, maar het hof houdt hem aan zijn uiting ter comparitie in eerste aanleg dat invordering voorlopig achterwege zou blijven. In dat verband memoreert het hof nog dat uit de weergave van de verklaring van [eiser] in het proces-verbaal niet volgt dat Alfa heeft toegezegd dat invordering achterwege zou blijven na het onderzoek, ongeacht de uitkomst daarvan. Voor die uitleg van de afspraak ontbreekt een basis aldus het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54 Deze verwerping van [eiser] ’ stelling houdt – anders dan het middel zonder nadere toelichting opwerpt – uiteraard niet in dat Alfa zodoende zou moeten stellen en bij betwisting bewijzen “wat de uitkomst is van dat onderzoek”, laat staan dat die uitkomst – volgens de klacht: de vraag of [betrokkene 1] “schuld” heeft aan de fraude – relevant is voor de vraag of en in hoeverre [eiser] dan alsnog kan worden aangesproken. Een basis voor die uitleg van rov. 4.3 ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.55 Subonderdeel 2.2 bouwt nog nader door op deze besproken onjuiste uitleg van rov. 4.3, ook met een motiveringsklacht, welke klachten om de hiervoor besproken redenen niet kunnen slagen, terwijl van onbegrijpelijkheid geen sprake is. Dit zijn de belangrijkste aspecten van het uitvoerige subonderdeel 2.2. Verdere bespreking van de nadere min of meer voortbouwende deelklachten uit dit subonderdeel lijkt mij bij deze stand van zaken onnodig. Dat geldt ook voor de herhaling van zetten uit subonderdeel 2.3. Voor zover in subonderdeel 2.2 nog wordt gepoogd ingang te doen vinden dat als opschortende voorwaarde zou gelden of is beantwoord wat het aandeel van [betrokkene 1] is in de fraude, mist dat feitelijke grondslag, nu een dergelijke voorwaarde geen voorwerp was van het geschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.56 Subonderdelen 2.4 en 2.5 bouwen met verdere deelklachten voort op dezelfde premisse dat de schuldvraag van [betrokkene 1] aan de fraude relevantie zou hebben voor de opeisbaarheid van de borgtocht. We hebben gezien dat dat in mijn ogen niet klopt en daar stuiten deze nadere onderdelen al op af. In subonderdeel 2.4 wordt geklaagd dat het hof de besproken arresten uit 2001 en 2016 zou hebben miskend en dat vormt in zoverre een herhaling van zetten van onderdelen 1 en 2.2 die afketst op de daar besproken gronden. Dat sprake zou zijn van ontoereikende motivering, zoals subonderdeel 2.5 aandraagt, zie ik evenmin. Het hofoordeel over de opeisbaarheidsvraag is goed te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.57 Onderdeel 3 betreft klachten tegen het oordeel in rov. 4.15-16 over de ingangsdatum van de wettelijke rente, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten en bevat drie subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.58 Subonderdeel 3.1 is geformuleerd voor het geval “wel op het onderzoek van Bureau Economische Handhaving diende te worden gewacht en Alfa vervolgens grond zou hebben om [eiser] aan te spreken”. Volgens de klacht is het oordeel van het hof in rov. 4.14, dat de wettelijke rente met ingang van 6 mei 2017 toewijsbaar is, dan onjuist of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Dit onderzoek is op 9 januari 2018 afgerond, zodat Alfa haar veertiendagenbrief niet eerder dan op 9 januari 2018 had kunnen verzenden en daarmee de wettelijke rente pas op 23 januari 2018 zou kunnen ingaan. Voor de rente over eventuele buitengerechtelijke kosten geldt dezelfde datum, aldus de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.59 Dit mist feitelijke grondslag: uit rov. 4.6 slot volgt als hiervoor al besproken dat het onderzoek van de Belastingdienst volgens het hof juist niet afgewacht hoefde te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.60 Subonderdeel 3.2 klaagt dat het hof in rov. 4.15 ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de buitengerechtelijke kosten toewijsbaar zijn. Dit is volgens de klacht in essentie zo omdat Alfa niet zou hebben gesteld dat de brief van 14 april 2017 meer bevat “dan de mededeling dat alsnog wel invordering zou plaatsvinden”en een dergelijke eenvoudige brief geacht wordt een verrichting te zijn waarvoor de proceskosten op grond van art. 6:96 BW een vergoeding plegen in te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.61 De klacht is tevergeefs voorgesteld. Volgens art. 6:96 lid 5 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Stb. 2012/141) worden de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 1 juli 2012 berekend volgens een staffel en zijn deze aan een maximum gebonden. Wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser in redelijkheid tot het verrichten van incassohandelingen is overgegaan, zijn de volgens dit besluit genormeerde incassokosten door de schuldenaar verschuldigd, ongeacht de aard en omvang van de verrichte incassohandelingen. Voor de consument-schuldenaar geldt echter dat de schuldeiser eerst nog een veertiendagenbrief moet sturen (art. 6:96 lid 6 BW). Deze brief is naar zijn aard ook zelf een incassohandeling. Dat betekent dat de consument-schuldenaar deze incassokosten pas verschuldigd wordt, indien hij zijn schuld niet binnen veertien dagen voldoet nadat hij de veertiendagenbrief heeft ontvangen. Nadere incassohandelingen zijn niet vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62 In onze zaak staat vast: (i) dat Alfa op 14 april 2017 een brief heeft gestuurd aan [eiser] waarin staat dat zij nog een vordering op [A] heeft van € 66.601,24 waarvoor de aan haar verpande debiteurenportefeuille geen verhaal biedt, met het verzoek aan [eiser] de borgsom van € 50.000,- te betalen en de aanzegging van € 1.275,- aan buitengerechtelijke kosten indien niet uiterlijk op 5 mei 2017 is betaald (rov. 3.4 en 4.15), (ii) dat Alfa de vordering op [eiser] op 14 april 2007 kon opeisen, zoals zij met haar brief van die datum heeft gedaan (rov. 4.7), en (iii) [eiser] niet heeft betaald (rov. 3.4 slot). Gelet hierop is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof het door [eiser] gevorderde bedrag van € 1.275,- aan buitengerechtelijke incassokosten heeft toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.63 Anders dan de klacht lijkt te suggereren, zijn voor toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten naast de brief van 14 april 2017 geen nadere incassohandelingen van Alfa vereist. Evenmin is de incassohandeling bij brief van 14 april 2017 een verrichting waarvoor de in de artt. 237-240 Rv bedoelde (proces)kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Op grond van de laatste volzinnen van art. 6:96 lid 5 BW en art. 241 Rv mist de eerste volzin van art. 241 Rv toepassing: de buitengerechtelijke incassokosten verschieten dus niet van kleur als het tot een procedure komt. De ratio daarvan is dat met de normering en maximering van de buitengerechtelijke incassokosten wordt geabstraheerd van de individuele incassohandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.64 Subonderdeel 3.3 luidt als volgt : “Het hof heeft in rov. 4.16 ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk geoordeeld dat [eiser] de proceskosten in eerste aanleg dient te voldoen. Die uitspraak van de rechtbank hield echter, op grond van de destijds aan de rechtbank beschikbare informatie, terecht een kostenveroordeling voor Alfa in. Alfa heeft niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek van Bureau Economische Handhaving ten tijde van de procedure in eerste aanleg nog niet was afgerond. Dit staat dus tussen partijen vast. Alfa bevestigt in hoger beroep nogmaals dat dit onderzoek nog ten tijde van de procedure in eerste aanleg liep. Alfa heeft in haar dagvaarding niets gesteld over enig onderzoek, waarna [eiser] zich vervolgens heeft beroepen op het nog lopende onderzoek van Bureau Economische Handhaving en Alfa vervolgens ter comparitie verklaart dat invordering van de borgtocht voorlopig achterwege zou blijven in afwachting van de uitkomsten van het fraudeonderzoek naar [betrokkene 1] , alsmede dat Alfa ook zelf een fraudeonderzoek had opgestart en tevens dat het fraudeonderzoek naar [betrokkene 1] nog loopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alfa heeft ter comparitie derhalve verklaard dat het onderzoek zou worden afgewacht en dat dat onderzoek nog loopt alsmede dat Alfa daarnaast ook nog zelf een onderzoek had opgestart. [eiser] heeft dit ook zo opgevat, nu hij ter comparitie bevestigde dat het onderzoek nog zou worden afgewacht en hij zich reeds had verweerd meteen beroep op het nog lopende onderzoek van Bureau Economische Handhaving. Uit het procesdossier blijkt niet dat Alfa de rechtbank heeft meegedeeld dat het proces-verbaal een onjuiste weergave zou betreffen van hetgeen is verklaard. De vordering van Alfa in eerste aanleg was daarmee (ook volgens Alfa) pas opeisbaar op het moment van afronding van het onderzoek van Bureau Economische Handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu tussen partijen vast staat dat dit onderzoek ten tijde van de procedure in eerste aanleg nog niet was afgerond, was de vordering van Alfa destijds nog niet opeisbaar en heeft de rechtbank deze vordering terecht afgewezen. Aldus dient Alfa voor de proceskosten in eerste aanleg als de in het ongelijk gestelde partij te worden aangewezen en dient Alfa in plaats van [eiser] in de proceskosten in eerste aanleg te worden veroordeeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.65 Ook deze klacht mist feitelijke grondslag. Uit rov. 4.6 slot en rov. 4.7 volgt dat het onderzoek door de Belastingdiens niet afgewacht hoefde te worden en de vordering van Alfa op [eiser] in ieder geval op 14 april 2017 – en dus ook al in eerste aanleg – opeisbaar was. Zodoende is Alfa’s vordering in prima ten onrechte afgewezen wegens niet-opeisbaarheid en is Alfa dus ten onrechte veroordeeld in de proceskosten van die instantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.66 Onderdeel 4 bevat de alleen voortbouwende klacht dat bij het slagen van één van de eerdere klachten ook rov. 4.7-4.14, 4.16 en het dictum niet in stand kunnen blijven. Nu volgens mij geen van die klachten doel treft, slaagt ook de voortbouwende klacht niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten zijn ontleend aan rov. 3.1-3.5 van het bestreden arrest: Hof ‘s-Hertogenbosch 26 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1632. Zie voor de feitenvaststelling in eerste aanleg rov. 2.1-2.8 van het vonnis in eerst aanleg: Rb. Oost-Brabant 27 december 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6882 (niet gepubliceerd). Het procesverloop is gebaseerd op rov. 2.1-2.3 en 3.6 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij MvG 1 geeft Alfa (in zoverre niet door [eiser] weersproken) aan dat dit werkkapitaalfinanciering door Alfa aan [A] betrof o.g.v. handelsvorderingen op debiteuren van [A] d.m.v. voorschotbetalingen op facturen van [A] aan klanten van [A] , waartegenover de debiteurenvorderingen van [A] openbaar werden verpand aan Alfa. Daarnaast is [eiser] als DGA van [A] gelijktijdig de nu centraal staande borgtocht aangegaan. De factoringovereenkomst is als prod. 2 bij inl. dgv. overgelegd, de borgtochtovereenkomst als prod. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alfa heeft bij MvG 7 aangegeven dat [betrokkene 1] – in de stukken in feitelijke aanleg overigens ook aangeduid als “ [betrokkene 1] ” of “ [betrokkene 1] ” – “(…) gefraudeerd heeft met offertes, nepfacturen ter financiering bij Alfa heeft ingediend en betalingen van debiteuren van [A] B.V. middels cashbetalingen aan zich heeft toegeëigend.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie inl. dagv. 1.3-1.4; 2.1 en mvg 5. Zie ook cva 2 en rov. 3.1 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat van Alfa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.5 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cva 5 en 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">P-v comparitie p. 2 P-v comparitie, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mvg 9-17; 24-30 en 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mva p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook A-G Hartlief in zijn conclusie voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, RvdW 2020/940, JBPr 2020/76, m.nt. H.W. Wiersma, punten 3.3-3.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stein/Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2021, par. 7.2.1; H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst &amp; B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 126; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/276-287; H.A. Stein, Procederen en Bewijzen, 2016, p. 143; Pitlo/Rutgers &amp; Krans, Bewijs, 2014, nrs. 28-31.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.A. Stein, Procederen en Bewijzen, 2016, p. 143.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Hartlief in zijn conclusie voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, RvdW 2020/940, JBPr 2020/76, m.nt. H.W. Wiersma, punt 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem. Zie ook H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst &amp; B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 46 en Boonekamp, Stelplicht &amp; Bewijslast, 2.2 (inleiding).</p>\n<p class=\"lf-p\">H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst &amp; B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 28; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/288; Boonekamp, Stelplicht &amp; Bewijslast, 2.2 (inleiding).</p>\n<p class=\"lf-p\">H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst &amp; B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 28 en 46; A-G Hartlief in zijn conclusie voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, RvdW 2020/940, JBPr 2020/76, m.nt. H.W. Wiersma, punt 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst &amp; B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 47; M. Kremer, Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 150, aant. 1; Van den Brink, bewerkt door Valk, Stelplicht &amp; Bewijslast, commentaar op art. 6:74 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boonekamp, Stelplicht &amp; Bewijslast, 2.2 (inleiding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0491, NJ 1992/319, rov. 3; HR 4 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2796, NJ 1999/549, m.nt. W.M. Kleijn, AA19990288, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.7; HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7803, RvdW 2006/951, rov. 3.5.2 en HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3526, RvdW 2007/699, rov. 3.3.2. Zie ook J. Ekelmans, In eerste aanleg. De grenzen van het debat voor de civiele rechter in eerste aanleg (Serie Burgerlijk Procesrecht &amp; Praktijk nr. 16), 2015, p. 15-17, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst &amp; B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 28; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/288; Boonekamp, Stelplicht &amp; Bewijslast, 2.3 (inleiding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0727, NJ 1992/813, Ars Aequi AA19930653, m.nt. G.R. Rutgers (Van der Pasch /Van der Velden), rov. 3.2; HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357, NJ 2002/494, m.nt. W.D.H. Asser (Probis/ […]), rov. 3.5; HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3807, NJ 2003/468, rov. 4.4; HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1083, NJ 2007/203, m.nt. M.R. Mok (Noordnederlands Effektenkantoor/ […]), rov. 3.3. Zie verder Asser Procesrecht/Asser 3 2017/288 en Boonekamp, Stelplicht &amp; Bewijslast, 2.3 (inleiding) met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Hartlief in zijn conclusie voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, RvdW 2020/940, JBPr 2020/76, m.nt. H.W. Wiersma, punt 3.8. Zie ook Asser Procesrecht/Asser 3 2017/283 en 287 en H.W.B. thoe Schwartzenberg/ J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst &amp; B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 124.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Asser 3 2017/289.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1083, NJ 2007/203, m.nt. M.R. Mok (Noordnederlands Effektenkantoor/ […]), rov. 3.3 en HR 2 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3668, NJ 2007/587 en JBPR 2008/901, m.nt. H.W. Wiersma, rov. 3.4.3. Zie ook A-G Hartlief in zijn conclusie voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, RvdW 2020/940, JBPr 2020/76, m.nt. H.W. Wiersma, punt 3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin o.m. A-G Hartlief in zijn conclusie voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, RvdW 2020/940, JBPr 2020/76, m.nt. H.W. Wiersma, punt 3.10; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/289; Ekelmans, In eerste aanleg. De grenzen van het debat voor de civiele rechter in eerste aanleg (Serie Burgerlijk Procesrecht &amp; Praktijk nr. 16), 2015, p. 157 en de noot van H.W. Wiersma (punten 1-2) onder HR 2 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3668, NJ 2007/587 en JBPR 2008/901, m.nt. H.W. Wiersma.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst &amp; B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 28-29; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/283 en Boonekamp, Stelplicht &amp; Bewijslast, 2.3 (inleiding).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5156, NJ 2005/468 ([…] / […]), rov. 4.5.1. Zie ook.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst &amp; B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 53 en Boonekamp, Stelplicht &amp; Bewijslast, 2.3 (inleiding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Pitlo/Rutgers &amp; Krans, Bewijs, 2014, nr. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juni 1927, ECLI:NL:HR:1927:2, NJ 1927, p. 1048.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusie van A-G Noyon voor HR 10 juni 1927, ECLI:NL:HR:1927:2, NJ 1927, p. 1048.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357, NJ 2002/494, m.nt. W.D.H. Asser (Probis/ […]). In de literatuur wordt deze uitspraak abusievelijk ook wel gedateerd op 20 maart 2001 met verwijzing naar ECLI:NL:HR:2001:AB0610; dat betreft echter een uitspraak van de strafkamer van 20 maar 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze plaats staat de volgende vtn 6: “Mon. Nieuw BW A-24 (Asser), p. 42.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 7: “In HR 21 oktober 1988, NJ 1989, 80 kwam deze vraag met betrekking tot een ontbindende voorwaarde aan de orde. Dat arrest biedt m.i. echter nauwelijks steun in de onderhavige zaak. De Hoge Raad heeft zich in deze zaak, waarin een partij bij een koopovereenkomst met een ontbindende voorwaarde van non-financiering een beroep deed op die voorwaarde, alleen uitgesproken over de bewijslastverdeling ten aanzien van de vervulling van de voorwaarde, waarvan het bestaan en de inhoud vaststonden. Hij besliste dat de bewijslast met betrekking tot de feiten waaruit het vervuld zijn van een ontbindende voorwaarde blijkt, in beginsel rust op de partij die een beroep op die ontbindende voorwaarde doet. In HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 813 oordeelde de Hoge Raad dat uit de hoofdregel van artikel 177 Rv niet kan worden afgeleid dat de wederpartij de feiten moet bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van de door eiser te bewijzen feiten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 8: “Voor een overzicht, zie: MünchKomm-Westermann § 158 nr. 49; Ch. Heinrich, Die Beweislast bei Rechtsgeschäften, Köln/Berlin/Bonn/München, 1996, p. 155 e.v.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 9: “Staudinger/Bork (1996), Vor § 158, nr. 50; Baumgärtel-Laumen, § 158 nr. 7; MünchKomm-Westermann§ 158 nr. 49.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 10: “Soergel-Wolf, vor § 158, nr. 47.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 11: “Rosenberg, Beweislast (1965), p. 247, 272; Soergel-Wolf vor § 158, nr. 47.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 12: “BGH NJW 1985, 497.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 13: “Mijn cursivering — A-G.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 14: “Asser/Hartkamp 4–1, 2000, nrs. 307 en 384; Losbl. verbintenissenrecht (Broekema-Engelen), aant. 22, 52 en 53 bij art. 6:74 BW.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 15: “Parl. gesch. Boek 6, blz. 258; Asser/Hartkamp 4–1, 2000, nr. 307.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de conclusie staat abusievelijk: “vervuiling”.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Bakels in zijn conclusie voor HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357, NJ 2002/494, m.nt. W.D.H. Asser (Probis/ […]), punten 2.1-2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357, NJ 2002/494, m.nt. W.D.H. Asser (Probis/ […]), rov. 3.4-3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser in zijn noot onder HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357, NJ 2002/494, m.nt. W.D.H. Asser (Probis/ […]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze plaatst in het citaat staat vtn 12: “Ook in de zaak waarop het arrest van 7 december 2001 betrekking had, had de eisende partij gesteld dat een onvoorwaardelijke overeenkomst tot stand was gekomen, hetgeen door de gedaagde partij was betwist. Het hof had de bewijslast ten aanzien van de vraag of de verbintenis onvoorwaardelijk was, bij de eisende partij gelegd. Daarover werd in cassatie echter niet geklaagd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 13: “Zie de door Bakels aangehaalde vindplaatsen, waarvan in het bijzonder C. Heinrich, Die Beweislast bei Rechtsgeschäften (1995), p. 158–163.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228, NJ 2016/440, JBPR 2016/66, m.nt. F.J.P. Lock, JOR 2016/354, m.nt. A.J. Verdaas, JIN 2016/200, m.nt. E.J.H. Zandbergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld is het hiervoor in 3.15 besproken arrest: HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357, NJ 2002/494, m.nt. W.D.H. Asser (Probis/ […]), zie vtn 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik teken voor een juist begrip nog aan dat bij deze overwegingen door Uw Raad veronderstellenderwijs is aangenomen dát er sprake is van een overeenkomst van geldlening, zie rov. 3.3.1 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin de conclusie van A-G Valk voor HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:868, RvdW 2017/564 (81 RO), punt 2.14. In lagere rechtspraak daterend van voor dit arrest van 30 september 2016 werd verschillend gedacht over de vraag op wie de bewijslast van het bestaan van een opschortende voorwaarde rust:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De bewijslast rust op de eisende partij en niet op de verweerder die zich op het bestaan van de opschortende voorwaarde beroept: Hof Den Bosch 17 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1942, rov. 6.5.5; Hof ’Den Bosch 26 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1655, rov. 3.5.4; Hof Den Haag 26 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1063, rov. 23; Hof ’Den Bosch 28 juli 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2888, rov. 3.7.5; Hof Den Haag 29 november 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU6776, rov. 4-6 en Hof Leeuwarden 2 juni 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BI7581, rov. 6</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De bewijslast rust op de verweerder die zich op het bestaan van de opschortende voorwaarde beroept: Hof Den Bosch 16 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:473, rov. 3.13; Hof Amsterdam 3 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4506, rov. 3.8 en Hof ’Den Bosch 9 december 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5168, rov. 3.6.6.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op deze plaats staat in het citaat vtn 2: “Zie Baumgärtel/Laumen/Prütting 2007, § 158 randnummer 5 en 7.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Asser 3 2017/289. Zie ook Stein/Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2021, par. 7.2.1 (“doet de gedaagde een beroep op een opschortende voorwaarde die nog niet in vervulling zou zijn gegaan, dan is dat een ‘nee, want-verweer’.”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Instemmend over hetgeen Lock in (punt 8 van) zijn noot opmerkt: A-G De Bock in haar conclusie voor HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:96, NJ 2019/58, JIN 2019/50, m.nt. M.A.J.G. Janssen, JBPr 2019/18, m.nt. B.T.M. van der Wiel en L.V. van Gardingen, punt 3.16 (“De opmerkingen van Lock zijn terecht. In ieder geval is het niet goed denkbaar dat een partij die betwist dat een overeenkomst tot stand is gekomen en tevens aanvoert dat als er al een overeenkomst zou zijn, deze voorwaardelijk is aangegaan, stelplicht en bewijslast zou krijgen van het bestaan van de voorwaardelijke overeenkomst.”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lock in zijn noot onder HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228, NJ 2016/440, JBPR 2016/66, m.nt. F.J.P. Lock, JOR 2016/354, m.nt. A.J. Verdaas, JIN 2016/200, m.nt. E.J.H. Zandbergen, punten 7-16.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.M. Olthof, GS Vermogensrecht, art. 3:38 BW, aant. 9.1 In het citaat staat hier vtn 1: “HR 7 december 2001, NJ 2002/494 (Probis/ […] ) en HR 30 september 2016, NJ 2016/440. Feitenrechtspraak in dezelfde zin: Rb. Rotterdam 14 december 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:9895.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 2: “HR 21 oktober 1988, NJ 1989,80 (Schilperoort/De Nijs) met betrekking tot een financieringsvoorbehoud; HR 9 september 2005, NJ 2005/468 ( […] / […] ) en HR 22 april 2011, NJ 2011/188 (Batavus/Race Productions).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 3: “Ook dat is zo beslist in HR 7 december 2001, NJ 2002/494 (Probis […] ) voor de opschortende voorwaarde en in HR 9 september 2005, NJ 2005/468 ( […] / […] ) voor de ontbindende voorwaarde.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 4: “HR 22 april 2011, NJ 2011/188 (Batavus/Race Productions).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 5: “Dat is eveneens beslist in HR 9 september 2005, NJ 2005/468 ( […] / […] ). Idem in: HR 17 april 2009, NJ 2009/196 (Verwijmeren/Van Rijen) ten aanzien van een financieringsvoorbehoud.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 6: “Aldus A-G Keus in zijn conclusie voor HR 9 september 2005, NJ 2005/468 ( […] / […] ).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 7: “A-G Keus neemt in zijn conclusie voor HR 9 september 2005, NJ 2005/468 ( […] / […] ) onder 3.10 aan dat voor de hand ligt de bewijslast van het overeengekomen zijn van de opschortende voorwaarde bij de eisende partij te leggen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 8: “A-G Bakels wijst er in zijn conclusie voor HR 7 december 2001, NJ 2002/494 (Probis/ […] ) onder 2.4 op dat de heersende Leugnungstheorie in Duitsland met zich brengt dat de schuldenaar de aanwezigheid van een voldoende concrete voorwaarde dient te stellen en de schuldeiser de onvoorwaardelijkheid van de verbintenis, dan wel de vervulling van de gestelde opschortende voorwaarde. Aldus ook: H. Stolz, De voorwaarde in het vermogensrecht 2015, 4.3, p. 378. Zie voor toepassingen van deze benadering in de feitenrechtspraak o.a.: Hof ’s-Hertogenbosch 17 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1942; Hof ’s-Hertogenbosch 26 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1655 en Hof Den Haag 26 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1063.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 9: “In deze zin W.D.A. Asser in zijn noot onder HR 7 december 2001, NJ 2002/494 (Probis/ […] ).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 10: “HR 10 juni 1927 NJ 1927, p. 1048.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 11: “Zie in dit verband ook de conclusie van A-G Huydecooper voor HR 10 augustus 2012 NJ 2012/483 (onder 41) die de discussie over een (kennelijk) opschortende voorwaarde voor een huurbetalingsverplichting plaatst in het kader van uitleg en aanneemt dat de bewijslast rust op de schuldeiser voor de door hem voorgestane uitleg, terwijl de Hoge Raad aanneemt dat op de schuldenaar de bewijslast rust van de door hem gestelde overeengekomen voorwaarde.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Boonekamp, Stelplicht &amp; Bewijslast, commentaar op art. 6:22 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.L. Valk, T&amp;C BW, commentaar op art. 6:22 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier in de geciteerde tekst vtn 6: “HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228, NJ 2016/440, met een beroep op HR 10 juni 1927 NJ 1927, p. 1048. De stelplicht en bewijslast omtrent de vervulling van de voorwaarde berust in geval van een opschortende voorwaarde op eiser.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 7: “M.M. Olthof, GS Vermogensrecht, art. 3:38 BW, aant. 3.4.1.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem vtn 8: “Vergelijk voor de stelplicht en bewijslast in geval van ontbindende en opschortende voorwaarden nader: Boonekamp, Stelplicht &amp; Bewijslast, commentaar op art. 6:22 BW.”</p>\n<p class=\"lf-p\">W.L. Valk, Stelplicht &amp; Bewijslast, commentaar op art. 3:296 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor in 3.15 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht onderbouwt dit als volgt: uit het procesdossier blijkt niet dat Alfa heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen is afgesproken dat invordering van de borgtocht achterwege zou blijven in afwachting van de uitkomsten van het fraudeonderzoek naar [betrokkene 1] (verwezen wordt naar rov. 4.1 eindvonnis). De grief van Alfa ziet erop dat niet dit onderzoek van het Bureau Economische Handhaving diende te worden afgewacht, maar het eigen onderzoek van Alfa (verwezen wordt naar mvg. 26-29).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 4.5 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar onderdeel 2 en verder naar cva 5; mva p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228, NJ 2016/440, JBPR 2016/66, m.nt. F.J.P. Lock, JOR 2016/354, m.nt. A.J. Verdaas, JIN 2016/200, m.nt. E.J.H. Zandbergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar art. 7A:1796-1798 en 7A:1800 BW i.h.b. art. 7A:1798 BW en rov. 3.6.2 van het arrest uit 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juni 1927, ECLI:NL:HR:1927:2, NJ 1927, p. 1048.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de hiervoor besproken en geciteerde noot van Lock onder dit arrest in JBPR 2016/66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar Asser Procesrecht/Asser 3 2017/57 en 289; Boonekamp, Stelplicht &amp; Bewijslast, 3 (inleiding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0727, NJ 1992/813, Ars Aequi AA19930653, m.nt. G.R. Rutgers (Van der Pasch /Van der Velden) en HR 22 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6597, NJ 2011/188, JBPR 2011/42, m.nt. H.L.G. Wieten (Batavus/Race Productions).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar Hof ’Den Bosch 26 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1655 en Hof ’Den Bosch 28 juli 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2888. Verder wordt verwezen naar conclusie A-G Keus 9 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT5156, punten 3.8-3.12 en de conclusie van A-G Bakels voor Probis/ […].</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar Hof ’Den Bosch 9 december 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5168 en Hof Amsterdam 3 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4506.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’Den Bosch 27 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3172. Verder wordt verwezen naar rov. 5, 6.2 en 6.3 van het tussenarrest van 15 november 2016 in die zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie inl. dagv. 1.3-1.4; 2.1 en mvg 5. Zie ook cva 2, rov. 3.2 van het eindvonnis en rov. 3.1 van het arrest. [eiser] heeft ook aangevoerd dat partijen zouden hebben afgesproken dat Alfa definitief zou afzien van de borg en finale kwijting zou verlenen in ruil voor volledige medewerking, vgl. hiervoor in 2.6, 2.8 en 2.11. Het hof heeft dit verweer verworpen in rov. 4.3, en daartegen richt het middel geen klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bespreking van onderdeel 2 zal blijken dat de daartegen gerichte klachten in mijn ogen tevergeefs zijn voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 21 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC4875, NJ 1968/290, m.nt. H. Drion; HR 10 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5357, NJ 2012/483 en HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:979, RvdW 2013/1254 (Farmerhoeve). Zie over genoemde rechtsregel en deze arresten ook de JBPR-noot van Lock (punt 14) onder het besproken arrest HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228, NJ 2016/440, JBPR 2016/66, m.nt. F.J.P. Lock, JOR 2016/354, m.nt. A.J. Verdaas, JIN 2016/200, m.nt. E.J.H. Zandbergen, hiervoor geciteerd in 3.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze ongeschreven regel van bewijslastverdeling nader de noot van Drion onder HR 21 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC4875, NJ 1968/290, m.nt. H. Drion en de noot van Lock (punt 14) onder HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228, NJ 2016/440, JBPR 2016/66, m.nt. F.J.P. Lock, JOR 2016/354, m.nt. A.J. Verdaas, JIN 2016/200, m.nt. E.J.H. Zandbergen, hiervoor geciteerd in 3.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bespreking van onderdeel 2 zal blijken dat de daartegen gerichte cassatieklachten in mijn ogen tevergeefs zijn voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar cva 5; mva p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar cva 5 en 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cva 5 en 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geciteerd hiervoor in 2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft dit betoog van [eiser] besproken en verworpen in rov. 4.3 (onder het kopje: ‘Toezegging dat van vordering wordt afgezien?’), en tegen die verwerping richt het middel geen klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Castermans &amp; Krans, in: T&amp;C Burgerlijk Wetboek art. 7:855 BW, aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor dit stelsel Asser/Van Schaik 7-VIII 2018/76, 91, 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geciteerd in 2.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aangifte impliceert dat uit het onderzoek van Alfa volgt dat [betrokkene 1] hieraan schuldig is. In gelijke zin ook procesinleiding cassatie, subonderdeel 2.2, p. 9-10: “Sterker, uit de feiten dat Alfa aangifte heeft gedaan tegen [betrokkene 1] van fraude, verduistering, diefstal en valsheid in geschrifte (…) bevestigen althans maken aannemelijk dat [betrokkene 1] (althans volgens Alfa) juist wel schuld heeft (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. mvg 14, 16-17, 25-30 en 37, geciteerd in 2.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 4.4 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit blijkt volgens de klacht ook niet uit de brief zelf (procesinleiding cassatie vtn 65). Verwezen wordt naar prod. 7 bij dagv. EA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2019/160, m.nt. C.W.M. Lievers, rov. 4.5.3; HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6164, NJ 2005/216, JA 2005/37, m.nt. F.Th. Kremer, JBPR 2005/36, m.nt. M.R. Ruygvoorn, rov 5.3.2 en HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7004, NJ 2003/566, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Forfaitaire percentages van de hoofdsom. Zie art. 1 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarvan mag niet ten nadele van de consument-schuldenaar worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405, NJ 2014/406, m.nt. van S.D. Lindenbergh, Prg. 2014/192, m.nt. P.J.M. Ros, JBPR 2014/51, m.nt. A.W. Jongbloed, JOR 2015/27, m.nt. M.R. Ruygvoorn, JIN 2014/157, m.nt. J. Blom en N.J. Meuwese (Fa-Med/X).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toegewezen bedrag van € 1.275,- is overeenkomstig de normen/staffel in art. 1 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lindenbergh, T&amp;C BW, commentaar op art. 6:96 BW, aant. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 4.2 en 5.2 van het eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 4.1 van het eindvonnis; mvg 26-29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar mvg 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar cva 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar p-v comparitie, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar p-v comparitie, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar cva 5; mva p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar HR 24 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1891, NJ 1996/163; HR 23 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5521, NJ 1987/962.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eindvonnis is gewezen op 27 december 2017; de comparitie heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2017.</p></div>", "next": 0}