{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 23706, 12, p. 26. Zie ook o.a. Kamerstukken II 1996/97, 23706, 12, p. 27, waarin is aangegeven dat het notariaat een monopoliepositie behoudt ten aanzien van vele werkzaamheden die meebrengen dat burgers soms aanzienlijke bedragen aan de notaris zullen moeten toevertrouwen en dat een dergelijke positie alleen te rechtvaardigen is wanneer de wet zelf voldoende waarborgen schept dat dit vertrouwen niet kan worden beschaamd in het in de praktijk nu eenmaal niet geheel uit te sluiten geval dat de notaris insolvent raakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 23706, 3, p. 10, 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. A. Steneker, Kwaliteitsrekening en afgescheiden vermogen (diss.), Deventer: Kluwer 2005, p. 23-24 en E.E. Maathuis, ‘De achteraf bezien onvervulde voorwaarde en de kwaliteitsrekening’, NTBR 2021/13, par. 2.1 met verwijzing naar T.J. Bos, ‘Gelijk oversteken’ in het notariaat’, in: F.W.J.M. Schols &amp; M.C.M. Waaijer (red.), Financiële zorgplicht van de notaris (KNB Preadviezen), Den Haag: Sdu 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zin van de Wet op het financieel toezicht, aldus ook Waaijer &amp; Melis 2019, par. 22.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt in de wetsgeschiedenis aangegeven dat op de kwaliteitsrekening vooral gelden zullen worden gestort die de notaris in verband met de overdracht van registergoederen onder zich moet houden, zoals de koopsom, de overdrachtsbelasting en de makelaarscourtage. Zie Kamerstukken II 1993/94, 23706, 3, p. 31. Volgens Avezaat is het aan de notaris om te beoordelen of bepaalde gelden wel of niet thuishoren op de kwaliteitsrekening. Deze beoordeling zal volgens hem afhangen van de omstandigheden van het geval. Zie R.M. Avezaat, De kwaliteitsrekening, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2002, p. 62.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Kamerstukken II 1993/94, 23706, 3, p. 30, 32; HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441, NJ 2002/371, rov. 3.3; HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4948, NJ 2011/372, rov. 3.4.2; HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1139, NJ 2017/436, rov. 3.4.2; de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2020:800) voor HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, RvdW 2021/428, onder 2.11; en Waaijer &amp; Melis 2019, par. 22.2.4. Blijkens art. 25 lid 5 Wna kan er geen derdenbeslag worden gelegd onder de in art. 25 lid 1 Wna bedoelde bank op het aandeel van een rechthebbende in de kwaliteitsrekening. Is onder de notaris derdenbeslag gelegd op het aandeel van een rechthebbende in de kwaliteitsrekening, dan kan de notaris die overeenkomstig art. 476a en 477 Rv verklaring heeft gedaan of die is veroordeeld overeenkomstig art. 477a Rv, zonder opdracht van de rechthebbende overeenkomstig de verklaring of veroordeling betalen aan de executant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, NJ 2004/196, rov. 3.3.4. Omdat het vorderingsrecht op de bank toekomt aan de rechthebbenden en niet gerekend wordt tot het afgescheiden vermogen van de notaris, noemen Kortmann en Faber de kwaliteitsrekening ex art. 25 Wna een “pseudokwaliteitsrekening”. Zie S.C.J.J. Kortmann &amp; N.E.D. Faber, ‘De kwaliteitsrekening en art. 22 van het ontwerp van de Wet op het notarisambt’, WPNR 1998/6303, p. 138. Zie in vergelijkbare zin o.a. Steneker 2005, p. 207-208.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441, NJ 2002/371, rov. 3.3: “Blijkens deze bepaling [art. 25 Wna, A-G] is de notaris als lasthebber van de gerechtigden tegenover de kredietinstelling bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening.” Zie verder o.a. Heyman, Bartels &amp; Tweehuysen 2019, nr. 2.2.1, die uiteenzetten dat deze exclusieve bevoegdheid van de notaris tot beheer en beschikking over de kwaliteitsrekening weliswaar zekere overeenkomsten vertoont met een privatieve last, maar bij art. 25 Wna rechtstreeks berust op de wet, waarbij aan toepassing (naar analogie) van de regels betreffende lastgeving in Boek 7 BW niet wordt toegekomen, alsmede Waaijer 2019, par. 22.2.3 (“Voorts volgt uit het tweede lid dat de bevoegdheid van de notaris tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening een privatieve is. Het privatieve karakter volgt rechtstreeks uit de wet. Art. 7:420 BW is hier niet van toepassing. Uitsluitend de notaris kan het vorderingsrecht namens de rechthebbenden uitoefenen. Jegens de bank kan uitsluitend de notaris optreden voor de schuldeisers”), Avezaat 2002, p. 62 en E.C.M. Wolfert, De kwaliteitsrekening (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 140.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Kamerstukken II 1996/97, 23706, 12, p. 33; Heyman, Bartels &amp; Tweehuysen 2019, nr. 221; Waaijer &amp; Melis 2019, par. 22.2.4; Wolfert 2007, p. 22; en Avezaat 2002, p. 67. Aangenomen wordt dat deze vordering op de notaris tot uitbetaling van dat aandeel ex art. 25 lid 4 Wna onderscheiden moet worden van genoemde vordering op de bank welke ex art. 25 lid 3 Wna toebehoort aan de gezamenlijke rechthebbenden. Zie o.a. Maathuis 2021, par. 2; Heyman, Bartels &amp; Tweehuysen 2019, nr. 222; en Steneker 2005, p. 209-210.</p>\n<p class=\"lf-p\">Chr.M. Stokkermans, ‘The Key of Dreams, over de notariële kwaliteitsrekening’, WPNR 2018/7205, p. 648. De beschikkingsbevoegdheid over de kwaliteitsrekening is een aan de notaris in zijn hoedanigheid van ambtsdrager toekomend recht dat ook buiten de failliete boedel blijft, zodat de curator in het faillissement van de notaris met de kwaliteitsrekening niets te maken heeft. De curator moet er wel voor zorgen dat de tot beheer van het protocol van de notaris bevoegde waarnemer (art. 29 lid 7 Wna) toegang heeft tot de kwaliteitsrekening. Zie o.a. Waaijer &amp; Melis 2019, par. 22.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 23706, 3, p. 28. Zie verder o.a. Heyman, Bartels &amp; Tweehuysen 2019, nr. 223 en Steneker 2005, p. 24. Kortmann &amp; Faber merken overigens op dat van een separatistenpositie of bevoorrechte positie ten opzichte van schuldeisers van de notaris geen sprake is aangezien de vordering uit hoofde van de kwaliteitsrekening aan de rechthebbenden toekomt. Zie Kortmann &amp; Faber 1998, p. 142.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 23706, 3, p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik kan dit verder laten rusten. Zie voor een en ander nader o.a. Heyman, Bartels &amp; Tweehuysen 2019, nrs. 223, 225; Waaijer &amp; Melis 2019, par. 22.2.4; Tuil 2017, p. 302; B. Bierens, Revindicatoire aanspraken op giraal geld (diss.), Deventer: Kluwer 2009, par. 5.3.2; Wolfert 2007, p. 123; en Avezaat 2002, p. 63-64, 67. De minderheidsopvatting wordt verdedigd door Steneker. In die opvatting zijn de koper en verkoper gezamenlijk gerechtigd tot de vordering ter grootte van de op de kwaliteitsrekening gestorte koopsom, ieder voor de onverdeelde helft. Tot ieders vermogen behoort dan de helft van de gestorte koopsom. Daarnaast hebben beide partijen recht op toedeling van het gehele bedrag onder opschortende voorwaarden, voor de koper inhoudende dat sprake is van een correcte levering en voor de koper dat geen sprake is van een correcte levering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierdoor kan tot de vervulling van een van deze voorwaarden geen van partijen de koopsom opvorderen. Zie Steneker 2005, p. 24-26, 208-211. Deze opvatting leunt op HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441, NJ 2002/371, rov. 3.3, waarin sprake was van twee voorwaardelijk gerechtigden tot het saldo van de rekening, namelijk een onder ontbindende voorwaarde en een onder de daarmee corresponderende opschortende voorwaarde; de Hoge Raad oordeelde dat tussen de rechthebbenden sprake was van een gemeenschap. Zie ook HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4948, NJ 2011/372, rov. 3.4.2-3.4.3. In HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1139, NJ 2017/436, rov. 3.3.2, 3.4.2-3.4.3 lezen verschillende schrijvers dat de Hoge Raad een spiegelbeeldige gerechtigdheid ter zake een bijzondere kwaliteitsrekening niet (meer) als een gemeenschap aanmerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser/S. Perrick, Gemeenschap (3-V), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 98; Heyman, Bartels &amp; Tweehuysen 2019, nr. 230; en Tuil 2017, p. 307. Ook in HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, RvdW 2021/428 merkt de Hoge Raad de rechtsverhouding tussen de koper en de verkoper niet aan als een gemeenschap. Zie verder noot 33 in de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2020:800) voor HR 16 april, ECLI:NL:HR:2021:588, RvdW 2021/428, met verdere verwijzingen naar relevante literatuur. Een derde opvatting wordt gegeven door Snijders. Hij gaat uit van twee spiegelbeeldige voorwaarden die elkaar uitsluiten, maar dat staat er z.i. niet aan in de weg dat er ook tussen beide voorwaardelijk gerechtigden een gemeenschap bestaat, al is dat wellicht een gemeenschap waarop titel 3.7 niet onverkort van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie zijn annotatie onder 8 bij HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441, NJ 2002/371. Over het algemeen wordt overigens aangenomen dat door storting door de koper van de koopsom op de kwaliteitsrekening, de koopsom uit zijn macht raakt. Zie o.a. de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2020:800) voor HR 16 april, ECLI:NL:HR:2021:588, RvdW 2021/428, 2.16.1-2.16.3, met verwijzing naar HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7887, NJ 2011/366, rov. 4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nrs. 2.3-2.4, reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nrs. 8 (“Waar het Kadaster niet de ‘cliënt’ is van de notaris, strekt artikel 25 Wna derhalve niet tot bescherming van het Kadaster”), 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. reactie zijdens het Kadaster n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nrs. 2.1-2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.i. valt daarom ook niet in te zien waarom, zoals door [verweerder] in deze procedure gesteld (zie schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nr. 2.5), reeds zou “vaststaan” dat onder meer de belastingdienst en de makelaar geen rechthebbende op de gelden op de kwaliteitsrekening kunnen zijn en daarom ook niet valt in te zien dat het Kadaster zo’n (“gunstiger”) positie zou kunnen innemen. Ik laat dan nog daar dat [verweerder] niet geheel consequent is in zijn stellingname, waar hij in de schriftelijke opmerkingen, nr. 2.15, zonder toelichting, naast “de partijen bij de notariële akte”, ook “de hypotheekhouders en de beslagleggers” aanmerkt als rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening, waarbij het vervolgens in noot 9 bij de desbetreffende zin weer alleen gaat over “[d]e enige spreekwoordelijke uitzonderingen” die “betreffen de hypothecaire geldverstrekkers aan de zijde van koper en/of verkoper”, etc. Ik laat dan nog daar dat ex art. 25 lid 4 Wna de notaris zelf ook rechthebbende kan zijn op het saldo van de kwaliteitsrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarbij zij aangetekend dat ik de daarin bedoelde rechthebbende, evenals die bedoeld in art. 25 lid 3, tweede zin Wna, versta als deel uit te maken van de gezamenlijke rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 lid 3, eerste zin Wna. Het gaat hier m.i. in wezen steeds om hetzelfde rechthebbende-begrip.</p>\n<p class=\"lf-p\">In reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nr. 9 onderkent [verweerder] dat art. 25 lid 3, eerste twee zinnen Wna niet specificeert “wie de rechthebbende is”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 23706, 3, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals ook blijkt uit 3.3 hiervoor, gaat het bij die “bij de notaris gestorte gelden” normaaltypisch om meer dan alleen de voor de verkoper bestemde koopsom, zodat genoemd vertrouwen op meer ziet dan alleen het uiteindelijk ook terechtkomen bij de verkoper van die koopsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 23706, 3, p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 23706, 3, p. 28. Zie HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, NJ 2004/196, rov. 3.3.2 en 3.3.4, waarin de Hoge Raad een deel van dit citaat weergeeft en erop wijst dat de wetgever dit ten grondslag heeft gelegd aan de invoering van de notariële kwaliteitsrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 23706, 12, p. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 23706, 12, p. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 23706, 3, p. 31. Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld (“zoals”, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt logischerwijs niet anders door de opmerking in de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II 1993/94, 23706, 3, p. 31) dat op de kwaliteitsrekening alleen van derden afkomstige gelden thuishoren, dus niet van de notaris zelf (“Artikel 22 [art. 25 Wna, A-G] laat niet toe dat de notaris eigen geld voor derden afzondert”), en dat die van derde afkomstige gelden daarop door hen in beginsel rechtstreeks dienen te worden gestort, wat de slotzin van art. 25 lid 1 Wna verklaart (“Vandaar het voorschrift van de laatste zin van lid 1: vermelding op het briefpapier”) alsmede art. 25 leden 4 en 5 Wna (“Rechtstreekse storting kan echter in het ongerede raken. Op de notaris is daarom de verplichting gelegd om, bij een abuis, zelf voor storting op de derdenrekening zorg te dragen. Hetzelfde geldt wanneer de notaris het geld in chartale vorm ontvangt, hetgeen hij niet steeds zal kunnen weigeren”). Dit een en ander ziet daarop immers niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nr. 2.7, reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nrs. 8, 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, RvdW 2021/428.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reactie zijdens [verweerder] naar aanleiding van schriftelijke opmerkingen, nrs. 10-11. Andere Hoge Raad-rechtspraak inzake art. 25 Wna noemt [verweerder] niet in zijn schriftelijke opmerkingen en reactie n.a.v. schriftelijke opmerkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, RvdW 2021/428, rov. 3.1.4, met verwijzing naar HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441, NJ 2002/371 en HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4948, NJ 2011/372.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook deze maatstaf noemt [verweerder] niet in zijn schriftelijke opmerkingen en reactie n.a.v. schriftelijke opmerkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, RvdW 2021/428, rov. 3.1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, RvdW 2021/428, rov. 3.1.6. Zie verder o.a. Heyman, Bartels &amp; Tweehuysen 2019, nr. 236, waarin ook HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7887, NJ 2011/366, rov. 4.14, wordt genoemd. Zie ook Waaijer &amp; Melis 2019, par. 22.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangenomen wordt dat de koopsom dan in de macht van de verkoper is geraakt, zodat ingevolge art. 25 lid 4 Wna “uit de aard van zijn recht” niet langer “anders voortvloeit”, en hij door instructie van de notaris over de koopsom kan beschikken door het verlangen van uitbetaling. In het tijdvak tussen de momenten waarop de koopsom uit de macht van de koper en in de macht van de verkoper is geraakt, kan geen van partijen daarover beschikken. Het aandeel in de vordering tot het beloop van de koopsom valt in dat tijdvak nog in het vermogen van de koper, maar aangenomen wordt dat hij ingevolge art. 25 lid 4 Wna geen recht heeft op uitkering. Zie o.a. de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2020:800) voor HR 16 april, ECLI:NL:HR:2021:588, RvdW 2021/428, onder 2.11. In de opvatting van Steneker hebben in het bedoelde tijdvak koper en verkoper allebei een recht op toedeling van de met de koopsom corresponderende vordering onder opschortende voorwaarden, waardoor zij de koopsom niet reeds kunnen opvorderen. Zie A. Steneker, ‘Opschorting en uitbetaling’, in: F.W.J.M. Schols &amp; B.C.M. Waaijer (red.), Financiële zorgplicht van de notaris. KNB Preadviezen 2018, Den Haag: Sdu 2018, p. 72-74 en noot 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, RvdW 2021/428, rov. 3.1.7, ook voor nadere overwegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest ziet aldus, kort gezegd, op de vraag wie van de koper en verkoper bij de koop en verkoop van een onroerende zaak gerechtigd is tot de restantkoopsom op de kwaliteitsrekening van de notaris. A-G Wissink verwoordt het in zijn conclusie voor dit arrest (ECLI:NL:PHR:2020:800, inleiding) aldus dat voorligt of de notaris de op zijn kwaliteitsrekening gehouden restantkoopsom voor een onroerende zaak moet uitkeren aan de verkoper, omdat uit de narecherche bleek dat de levering vrij en onbezwaard heeft plaatsgevonden, of aan de koper, omdat nadien bleek dat de beoogde overdracht is mislukt door het ontbreken van een titel. De notaris deed het laatste. Het hof oordeelt dat het de notaris niet vrijstond om de restantkoopsom (de door de koper op de kwaliteitsrekening gestorte koopsom, minus betaling door de notaris aan de hypotheekhouder van de verkoper, zodat de onroerende zaak onbezwaard door de verkoper aan de koper kon worden geleverd) aan de koper te betalen, omdat nadat de notaris heeft vastgesteld dat de onroerende zaak onbezwaard is overgedragen de verkoper onvoorwaardelijk rechthebbende tot de koopsom is geworden en een latere vernietiging van de titel daaraan niets af doet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad oordeelt dat de notaris wel mocht overgaan tot betaling aan de koper. Daarbij betrekt de Hoge Raad wat hij oordeelt in rov. 3.1.4-3.1.5 (zie de weergegeven citaten in de hoofdtekst van deze conclusie), en voorts dat als bij de narecherche is vastgesteld dat de levering vrij en onbezwaard heeft plaatsgevonden en op dat moment evenmin blijkt van andere beletselen, kan worden aangenomen dat de overdracht is bewerkstelligd, zodat vanaf dat moment de verkoper uitbetaling van de koopsom kan verlangen (rov. 3.1.6), dat de notaris echter niet tot uitbetaling aan de verkoper mag overgaan indien tegen het moment van uitbetaling de veronderstelling dat de vrije en onbezwaarde levering tot eigendomsoverdracht heeft geleid, onjuist is gebleken (rov. 3.1.7), dat de voorwaarde waaronder de verkoper gerechtigd was tot de restantkoopsom op de kwaliteitsrekening (namelijk levering die overdracht heeft bewerkstelligd) achteraf bezien toch niet in vervulling is gegaan en dat na kennisname van de notaris van het ontbreken van de titel, de verkoper dus geen recht had op uitbetaling ex art. 25 lid 4 Wna (rov. 3.1.8), en dat het oordeel van het hof daarom berust op een onjuiste rechtsopvatting (rov. 3.1.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de respectievelijke wenken bij HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, RAV 2021/52 en RN 2021/66. Zie verder L.C.A. Verstappen, ‘Centavos zaak’, WPNR 2021/7330, waarin Verstappen onder punt 6 rov. 3.1.5 van het arrest zo opvat dat de Hoge Raad daarin oordeelt dat na storting van de koopsom op de kwaliteitsrekening zowel de koper als de verkoper tot het beloop van het bedrag van de koopsom voorwaardelijk gerechtigd is tot het saldo op de kwaliteitsrekening, en onder punt 9 rov. 3.1.4 van het arrest (en de rechtsoverwegingen van de arresten waarnaar de Hoge Raad in rov. 3.1.4 verwijst) zo interpreteert dat de Hoge Raad daarin niet differentieert tussen verschillende partijen (zoals de betrokken financiers, de Staat vanwege overdrachtsbelasting, eventueel betrokken makelaars en het Kadaster vanwege de inschrijving van de akten), maar het houdt bij het in art. 25 Wna gebezigde begrip rechthebbende en dat de notaris slechts in opdracht van de rechthebbende betalingen mag doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voor de verkoper bestemde geldbedrag, dat in de hiervoor geciteerde overweging van de Hoge Raad wordt geduid als de op de kwaliteitsrekening gestorte koopsom, wordt door Stokkermans de “netto-koopsom” genoemd. Het verschil tussen de netto-koopsom en de (hogere) “bruto-koopsom” noemt hij het “tarra-deel”, hetgeen ziet op de kosten die ten laste van de bruto-koopsom worden gebracht, met andere woorden: kosten die in verband met de transactie (zoals de koop en verkoop van een registergoed) gemaakt worden. Zie Stokkermans 2018, p. 650, noot 20: “Tarra is het verschil tussen bruto en netto. Bij betaling van een koopsom via de kwaliteitsrekening ziet het tarra-deel op de kosten die ten laste van de bruto-koopsom worden gebracht; de netto-koopsom is voor de verkoper bestemd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">M.i. volgt de restrictieve benadering van [verweerder] ook niet uit HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441, NJ 2002/371 en HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4948, NJ 2011/372. In de eerstgenoemde zaak was, kort gezegd en voor zover hier relevant, sprake van de verkoop van een woonhuis, waarop een curator beslag had laten leggen vanwege een vordering op de verkoper. Om de levering vrij van beslag mogelijk te maken, kwamen de verkoper met zijn echtgenote en de curator in een depot-overeenkomst overeen een deel van de koopsom bij de notaris te deponeren, welk bedrag door de notaris op een kwaliteitsrekening werd gestort. De Hoge Raad oordeelde dat rechthebbenden op het saldo van de bijzondere rekening degenen zijn ten behoeve van wie gelden op die rekening zijn bijgeschreven, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden (rov. 3.3), en bevestigde de gedachtegang van de rechtbank dat, voor zover hier relevant, de verkoper, zijn echtgenote en de curator door het sluiten van de depot-overeenkomst, het in depot geven van het deel van de koopsom en het vervolgens doen bijschrijven van dit bedrag door de notaris op de kwaliteitsrekening hebben bewerkstelligd dat partijen rechthebbenden zijn geworden op het saldo van deze rekening (rov. 3.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het laatstgenoemde arrest ging het om de executie van een onroerende zaak door een hypotheekhouder, waarbij de opbrengst (koopsom minus betaling hypotheekhouder en minus executiekosten) op een kwaliteitsrekening van de notaris werd gestort, omdat tussen de beslagleggers op de onroerende zaak geen overeenstemming kon worden bereikt over de verdeling. De Hoge Raad overweegt, voor zover hier relevant, dat rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening zijn degenen ten behoeve van wie gelden op de die rekening zijn bijgeschreven, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden (rov. 3.4.2), en dat ten aanzien van de opbrengst de geëxecuteerde een voorwaardelijk recht heeft op toedeling van een eventueel, na verdeling onder de beslagleggers als andere rechthebbenden en overige rechthebbenden, zoals degenen wier beperkt recht op de geëxecuteerde zaak is vervallen, van de opbrengst resterend overschot (rov. 3.4.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kortmann &amp; Faber 1998, p. 137.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door Steneker gebruikt in de zin van degene(n) die, ten minste in economische zin, gerechtigd is (zijn) tot (een deel van) het tegoed op een kwaliteitsrekening. Waar de bank waarbij de kwaliteitsrekening wordt aangehouden degene is jegens wie die gerechtigdheid bestaat (zie onder 3.5 hiervoor), gaat het dus om degene(n) die gerechtigd is (zijn) tot (een deel van) het tegoed op een kwaliteitsrekening. Zie o.a. Steneker 2005, p. 15, ook over de “vordering” of “aanspraak” van een belanghebbende (het recht dat een belanghebbende kan doen gelden ten aanzien van het bedrag dat te zijnen behoeve op de kwaliteitsrekening staat, in de zin van (een aandeel in een gemeenschappelijke) vordering op de bank), een “voorwaardelijke vordering” van een belanghebbende (een voorwaardelijke vordering tot toedeling door de tussenpersoon van de gemeenschappelijke vordering op de bank), en de “rekeninghouder” of “tussenpersoon” (de persoon die de kwaliteitsrekening in eigen naam, met vermelding van zijn hoedanigheid, heeft geopend en die is belast met het beheer en de beschikking over de kwaliteitsrekening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Steneker 2005, p. 34, die dit (mede gelet op p. 16, 19) ook relevant acht voor art. 25 Wna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ten aanzien van de notaris en art. 25 lid 4 Wna o.a. Steneker 2005, p. 212: “De notaris kan, gelet op art. 25 lid 4 laatste volzin Wna, ook zelf belanghebbende zijn bij de kwaliteitsrekening. Dat is het geval wanneer ten behoeve van hem gelden op de kwaliteitsrekening worden bijgeschreven. Hij wordt daarmee zelf rechthebbende op een aandeel in de vordering op de bank (art. 25 lid 3 Wna).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie H.J. Snijders &amp; E.B. Rank-Berenschot, Goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 453, in noot 132 onder verwijzing naar HR 29 april 2011, ECLl:NL:HR:2011:BP4948, NJ 2011/372. In zijn annotatie onder genoemd arrest merkt H.J. Snijders onder meer op, in nr. 5: “De storting van het depot behelst ook geen verkrijging door de notaris voor de belanghebbenden: de partij die stort of - zoals hier - ten behoeve waarvan gestort is, blijft of - zoals hier - wordt rechthebbende onder ontbindende voorwaarde; zijn wederpartij wordt door de storting op de depotrekening rechthebbende onder opschortende voorwaarde; deze wederpartij wordt dus onder opschortende voorwaarde betaald, maar niet geleverd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/A.I.M. van Mierlo &amp; K.J. Krzeminski, Zekerheidsrechten (3-VI), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 5a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Verstappen 2021, p. 487, onder verwijzing naar onder meer art. 507b lid 1 Rv, waaruit volgens Verstappen blijkt dat de notaris een deel van de koopprijs voor anderen dan de (ver)koper houdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie L.C.A. Verstappen, Modellen voor de Rechtspraktijk, Deventer: Kluwer 2020, I.7.1.7 Koopovereenkomst van een onroerende zaak (actueel t/m 1 september 2020), p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Verstappen 2020, I.3.4.7 Uitgebreide akte tot levering van een onroerende zaak, p. 3-4. Zie ook de toelichting onder 1 op p. 16: “Dit model is een algemeen model van een akte tot levering, waarin de meest gangbare bepalingen voorkomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting daarop schrijft Verstappen als auteur van deze modellen dat wanneer deze bepaling niet wordt opgenomen, discutabel is voor wie de notaris de koopprijs precies houdt gelet op het eindvonnis van de rechtbank in de onderhavige zaak, en dat de beslissing van de rechtbank discutabel is omdat de inschrijvingskosten evenals bijvoorbeeld de overdrachtsbelasting “niet door de notaris verschuldigd zijn, maar door de koper”. Zie Verstappen 2020, I.3.4.7 Uitgebreide akte tot levering van een onroerende zaak, toelichting onder 11 op p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Waaijer &amp; Melis 2019, par. 22.1, 22.2.4. Ook schrijft Waaijer dat als de hypotheekverstrekker gelden stort die aangewend worden om de koopsom van een over te dragen onroerende zaak te voldoen, het aandeel van de koper in de gemeenschap niet wordt bepaald met inachtneming van die door de hypotheekverstrekker gestorte gelden, omdat de positie van de hypotheekverstrekker en andere derden die ten behoeve van de koper storten, anders onbegrijpelijk zwak blijken: zij zouden dan geen deelgenoten zijn, wat zij volgens Waaijer nu juist wel zijn. Waaijer neemt daarom aan dat het gebruik van de woorden “te zijnen behoeve” in art. 25 lid 3 Wna zien op het geval dat een bedrag in contanten in handen van de notaris wordt gegeven, die dat bedrag vervolgens op de kwaliteitsrekening stort. Heyman, Bartels &amp; Tweehuysen 2019, p. 226 geven blijk van een andere opvatting. Volgens hen is de gerechtigdheid van de fiscus tot de kwaliteitsrekening wat betreft de overdrachtsbelasting bij een geslaagde overdracht ook af te leiden uit de formulering van art. 25 lid 3 Wna: het bedrag is “te zijnen behoeve” op de rekening overgemaakt. Zie ook hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 101 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stokkermans 2018, p. 650-651, 652. [verweerder] ziet daaraan voorbij, in de schriftelijke opmerkingen, nr. 2.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Avezaat 2002, p. 64-66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij wijzen erop dat de rechtbank in de onderhavige procedure in deze zin ter zake van kadastrale rechten geoordeeld heeft en stellen dat hetzelfde moet gelden voor het bedrag aan kosten dat begrepen is in de hypothecaire lening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Heyman, Bartels &amp; Tweehuysen 2019, nrs. 250-251.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Wolfert 2007, p. 21-22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nrs. 2.5 en 2.7. In nr. 2.5 verwijst [verweerder] naar hetgeen namens hem is aangevoerd tijdens de comparitie van partijen van 29 mei 2018, als blijkt uit het proces-verbaal op p. 5 sub 2: “Het Kadaster is geen rechthebbende als bedoeld in artikel 25 van de Wet op het Notarisambt en kan geen rechtstreekse aanspraak maken op het saldo op de kwaliteitsrekening(en). De kadasterkosten zijn aan het Kadaster verschuldigd door de onderneming van de notaris (in dit geval Anotaris B.V.) en de notaris belast die kosten door aan zijn klant. Alleen het geld dat wordt gehouden voor de partijen bij de akten is aan te merken als derdengeld. Het geld dat de notaris in rekening brengt aan partijen en namens partijen aan derden betaalt, is niet aan te merken als derdengeld. Dat geld stort de notaris door naar zijn kantoorrekening en daarvan betaalt hij zijn kosten: salarissen, personeel, schoonmaakkosten, maar ook bijvoorbeeld kadasterkosten. (...).” Deze stelling van [verweerder] lijkt mij overigens tegenstrijdig: kantoorkosten (waaronder [verweerder] dus ook kadasterkosten schaart) zijn naar de aard kosten die de notaris in eigen naam heeft gemaakt, zodat niet valt in te zien waarom de notaris die kosten dan vervolgens aan derden, waaronder dus mede het Kadaster, namens die “partijen bij de akten” zou betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nrs. 2.7 (slotzin), 2.11 (slotzin), 2.2 en reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nr. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 23706, 3, p. 10: “Aangezien notarissen doorgaans grote sommen geld van derden tijdelijk onder zich hebben ter doorbetaling aan andere partijen, wordt tevens een regeling voorgesteld die beoogt deze bedragen buiten het eigen vermogen van de notaris te houden en te vrijwaren van verhaal door zijn schuldeisers.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser/Van Mierlo &amp; Krzeminski 2020, nr. 5a: “Schuldeisers van de rekeninghouder kunnen geen verhaal zoeken op de derdengelden op de kwaliteitsrekening. Op de gelden op een kwaliteitsrekening van een notaris, deurwaarder, advocaat of accountant kunnen zich daarentegen slechts de schuldeisers van de belanghebbenden verhalen”; W.H.M. Reehuis &amp; A.H.T. Heisterkamp, Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 743a: “Uit het vorengaande volgt dat het saldo op de desbetreffende rekening niet blootstaat aan verhaal door de schuldeisers van genoemde beroepsuitoefenaars”; en Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 2013, nr. 574: “Men is het erover eens dat deze aan derden toekomende gelden niet vatbaar mogen zijn voor verhaal door de schuldeisers van de beroepsbeoefenaar en niet in diens faillissement behoren te vallen.” Zie verder o.a. R.E. Van Esch, Giraal betalingsverkeer, Elektronisch betalingsverkeer, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 243; H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen &amp; G.J. Meijer, Nederlands Burgerlijk Procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 610-611; en R.M. Wibier, Alternatieven voor zekerheid op bankrekeningen, Deventer: Kluwer 2007, p. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nr. 8.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nr. 2.6 en reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nrs. 1-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ruime zin kan de verplichting van de notaris als opdrachtnemer (art. 7:400 e.v. BW) worden omschreven als het verlenen van juridische bijstand bij door andere partijen te verrichten rechtshandelingen. Zie o.a. Waaijer &amp; Melis 2019, par. 7.1 en 28.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lastgeving is, kort gezegd, ex art. 7:414 BW een overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij(en), de lastgever(s), verbindt om voor rekening van de lastgever(s) een of meer rechtshandelingen te verrichten (lid 1), waarbij de overeenkomst de lasthebber kan verplichten in eigen naam of in naam van de lastgever(s) te handelen (lid 2), en voorts de situatie moet worden onderscheiden waarin de overeenkomst de lasthebber de vrijheid laat in eigen naam dan wel in naam van de lastgever te handelen (de lastgeving houdt dan tevens volmacht in, maar verplicht de lasthebber niet van deze volmacht gebruik te maken). Zie voor dit laatste o.a. Asser/T.F.E. Tjong Tjin Tai, Opdracht (7-IV), Deventer: Wolters Kluwer 2018, nr. 228 en Asser/S.C.J.J. Kortmann &amp; J.S. Kortmann, Volmacht en vertegenwoordiging (3-III), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Van Es 2020, art. 3:89 BW, aant. 4.12. Hij wijst daarbij ook op het “proleptisch taalgebruik” in art. 3:89 lid 1 BW waar deze bepaling verwijst naar “verkrijger” en “vervreemder”, waarmee de wet “uiteraard de verkrijger-in-spe en de vervreemder-in-spe” bedoelt. Ik verwijs kortheidshalve naar verkrijger en vervreemder. Zie over lastgeving bijv. ook Reehuis &amp; Heisterkamp 2019, nr. 195.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs erop dat een volmacht ook stilzwijgend kan worden verleend (art. 3:61 lid 1 BW), dat de vraag of volmacht is verleend (en wat de inhoud daarvan is) in een concreet geval moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van art. 3:33 en 3:35 BW, en dat aangenomen wordt dat de bevoegdheid om voor rekening van een ander te handelen als regel insluit dat ten name van de principaal mag worden gehandeld, dus een volmacht insluit (de opdrachtgever kan volmacht uitsluiten; het ontbreken van een volmacht kan ook uit de aard van de rechtsverhouding voortvloeien). Zie o.a. Asser/Kortmann &amp; Kortmann 2017, nr. 28. Zie verder o.a. Jac. Hijma, C.C. van Dam, W.A.M. van Schendel &amp; W.L. Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 35, Asser/Tjong Tjin Tai 2018, nr. 228 en A.C. van Schaick, Volmacht (Mon. BW B5), Deventer: Kluwer 2011, nrs. 17-18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie W.G. Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken (Mon. Priv. nr. 9), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 339. Zie ook A.A. van Velten, ‘Bescherming bij overdracht van onroerende zaken’, in: J. de Jong, H.D. Ploeger, A.A. van Velten, J.A. Zevenbergen (red.), Naar een meer positief stelsel van grondboekhouding? (Vereniging voor Burgerlijk Recht Preadviezen), Deventer: Kluwer 2003, p. 15: “De vervreemder of de verkrijger kan de akte (lees: een afschrift of uittreksel daarvan) doen inschrijven, aldus de laatste zin van het eerste lid van art. 3:89 BW; in de praktijk is het altijd de notaris die namens partijen voor inschrijving zorg draagt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.M.G.B. van Drunen, Faillissement en beslag bij vastgoedtransacties, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Verstappen 2020, I.3.4.7 Uitgebreide akte tot levering van een onroerende zaak, p. 8. Zie ook onder 3.10 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld zal zijn: in te doen schrijven (aan te bieden aan het Kadaster ter inschrijving) in de openbare registers. Zie verder o.a. Heyman, Bartels &amp; Tweehuysen 2019, nrs. 140, 150 en 214, die schrijven dat de levering van onroerende zaken uit twee (hoofd)elementen bestaat, te weten de leveringsakte en de inschrijving daarvan, en dat zowel het opmaken van de leveringsakte als de aanbieding ter inschrijving als rechtshandeling is te kwalificeren, welke aanbieding ter inschrijving door of namens een partij kan geschieden. Ook Croes en Klomp menen dat de aanbieding ter inschrijving in de openbare registers kwalificeert als een (eenzijdige) rechtshandeling, zodat slechts een wilsverklaring van (een der) betrokken partijen nodig is om de levering te voltooien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie P.A.M. Croes en R.J.Q. Klomp, Privaatrecht als opdracht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2012, par. 12.4. Door Spierings wordt hierop (kennelijk eenstemmig) gewezen. Zij wijst voorts erop, onder verwijzing naar Helder 2017, aant. 2, dat het aanbieden inhoudt het overhandigen aan het Kadaster met de bedoeling van inschrijving, en dat uit het aanbieden de wil kan worden afgeleid van de inschrijver om de rechtsgevolgen in het leven te roepen die de wet verbindt aan het inschrijven van het betreffende feit. Zie C. Spierings, De eenzijdige rechtshandeling (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 96. Dat de aanbieding ter inschrijving als een rechtshandeling kwalificeert, strookt ook met bijvoorbeeld art. 17 van de modelakte tot levering van een onroerende zaak van de Modellen voor de Rechtspraktijk, de andere genoemde literatuur, alsmede de wetsgeschiedenis waarin, ter zake de overdracht van een registergoed, de verstrekking van een volmacht wordt gevergd door degenen die ingevolge de wet de aanbieding ter inschrijving kunnen doen, aan degene die die inschrijving doet (zie de volgende noot en het citaat in de hoofdtekst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat hier sprake is van een rechtshandeling, waarvan ook het Kadaster uitgaat (zie o.a. schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nrs. 7.2.1, 8.2.3-8.2.4, is door [verweerder] in zijn schriftelijke opmerkingen en reactie n.a.v. schriftelijke opmerkingen ook niet weersproken. Zie ook noot 136 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie C.J. van Zeben, J.W. du Pon &amp; M.M. Olthof (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, Deventer: Kluwer 1981, p. 133-134.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nrs. 7.2.1, 8.2.3-8.2.4, waarop in de reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen niet, althans niet inhoudelijk (vergelijk nr. 12, slotzin, waaronder “vgl. het citaat in alinea 8.2.4 SO”), wordt ingegaan. [verweerder] stelt in nr. 18 aldaar wel (bloot) in algemene zin: “Bij die opdracht aan het Kadaster handelt de notaris/het notariskantoor op eigen naam. De omstandigheid dat hij zowel met de inschrijving als met de recherche de belangen van zijn cliënten behartigt, maakt dat niet anders.” In schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nr. 2.7 (slotzin) wordt enkel verwezen naar “de contractuele verhouding tussen het Kadaster en de notaris”, zonder toelichting; in reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nr. 8 enkel naar de notaris als “de opdrachtgever en daarmee in zekere zin de cliënt van het Kadaster”, eveneens zonder toelichting (idem in nr. 12, tweede alinea). Die (verder niet gemotiveerde) veronderstelling ligt bijvoorbeeld ook ten grondslag aan reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nrs. 6, 13-17, 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen ik hier(na) opmerk in het kader van de leveringsakte, geldt m.i. ook voor de vestigingsakte. Op de voet van art. 3:98 BW vindt, tenzij de wet anders bepaalt, al hetgeen in afdeling 2 van titel 4 omtrent de overdracht van een goed is bepaald, overeenkomstige toepassing op de vestiging, de overdracht en de afstand van een beperkt recht op een zodanig goed. Dit betekent dat art. 3:89 lid 1 BW van overeenkomstige toepassing is op de vestiging van een beperkt recht op een onroerende zaak en dat zowel de gever als nemer van het beperkte recht de vestigingsakte kan doen inschrijven. Zie o.a. Rodriques Lopes 2017, p. 424. Nu breed wordt aangenomen dat de notaris namens partijen de leveringsakte ter inschrijving aanbiedt (zie hiervoor), ligt het in de rede dat ook voor de vestigingsakte aan te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt bevestigd door verschillende gangbare vestigingsakten van de Modellen voor de Rechtspraak, waarin clausules zijn opgenomen op grond waarvan partijen bij die vestigingsakten aan de notaris volmacht geven om een afschrift daarvan in de openbare registers van het Kadaster in te schrijven. Zie o.a. Verstappen 2020, I.3.9.49 (Bankhypotheek), art. 11, I.3.9.46 (Schuldbekentenis met hypotheekverlening annex verpanding wegens ter leen ontvangen gelden), art. 12, I.3.8.1 (Uitgebreid model vestiging van het recht van vruchtgebruik op allerlei goederen), art. 14, I.5.8.1 (Vestiging zelfstandig recht van opstal), art. 8, I.5.6.6 (Vestiging van verschillende erfdienstbaarheden), art. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarbij, aldus het Kadaster en kort gezegd (zie nader schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nr. 8.4.3), de notaris de leveringsakten ter inschrijving pleegt aan te bieden via een tussen hem en het Kadaster bestaand digitaal kanaal, op basis van een tussen hen bestaande, daartoe strekkende, te onderscheiden overeenkomst, wat (ook) m.i. naar de aard niet prohibitief is voor, kort gezegd, het ter zake handelen van de notaris namens die partijen. Ook hieromtrent lees ik geen, althans geen inhoudelijke respons in de reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen. Zie ook onder 3.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar dat, naar volgt uit het voorgaande, valt aan te merken als de standaardpraktijk, ligt het in de rede dat het Kadaster ook mag uitgaan van zulk (bevoegd) handelen ‘in naam van’, zoals het Kadaster in wezen ook zegt te doen (zie onder 3.11 hiervoor). Uit de aan het Kadaster aangeboden (en door het Kadaster ingeschreven) notariële akte volgt wie de partijen daarbij zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De handeling van de gevolmachtigde geldt dan immers rechtens als handeling van de volmachtgever. Zie o.a. Asser/Kortmann &amp; Kortmann 2017, nr. 20. Zij zijn dan de betrokkenen zoals bedoeld in art. 108 lid 1 Kadasterwet, die ter zake onder de naam van kadastraal recht aan “de Dienst” (het Kadaster) vanwege het verrichten door het Kadaster van werkzaamheden ter uitvoering van de taken vergoedingen zijn verschuldigd overeenkomstig door het Kadaster vastgestelde regels. Bij wetswijziging van 1 januari 2004 (Stb. 2003, 410) is de term “betrokkenen” in de redactie van art. 108 lid 1 Kadasterwet opgenomen. Bij wetswijzing van 1 januari 1994 (Stb. 1993, 693) luidde deze bepaling: “Onder de naam van kadastraal recht zijn degenen die de Rijksdienst om het verrichten van werkzaamheden hebben verzocht daarvoor aan de Staat vergoedingen verschuldigd op de voet van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.” Bij wetswijziging van 1 mei 1994 (Stb. 1994, 125) is de tekst van art. 108 lid 1 Kadasterwet gewijzigd in: “Onder de naam van kadastraal recht zijn belanghebbenden aan de Dienst wegens het verrichten door de Dienst van werkzaamheden ter uitvoering van het bij of krachtens deze wet bepaalde, vergoedingen verschuldigd op de voet van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.” Over “belanghebbenden” is in de wetsgeschiedenis opgemerkt: “In beginsel moet iedereen die van de kadastrale dienstverlening gebruik maakt, daarvoor betalen.” Zie Kamerstukken I 1993/94, 23007, 88e, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook art. 3:20 BW. Voor genoemde redactionele aanpassing van art. 108 lid 1 Kadasterwet bij wetswijziging van 1 januari 2004 (vervanging van “belanghebbenden” door “betrokkenen”) zijn door de wetgever in de wetsgeschiedenis geen inhoudelijke redenen gegeven. Zie Kamerstukken II 2002/03, 28748, 3, p. 12, 27, en voorts Kamerstukken II 2002/03, 28748, A, p. 1-4 voor een bespreking van art. 108 Kadasterwet. De wetgever heeft met de aanpassing op dit punt dus kennelijk geen inhoudelijke wijziging van art. 108 lid 1 Kadasterwet beoogd, zodat aangenomen kan worden dat degenen die gebruik maken van de kadastrale dienstverlening - in het onderhavige geval, gelet op het voorgaande, de koper en verkoper - daarvoor moeten betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de stellingen van [verweerder] wordt dat dus ook niet duidelijk (evenmin uit die van het Kadaster, maar het Kadaster bepleit ook geen benadering die daartoe aanleiding geeft, anders dan [verweerder] ). Zie ook schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nr. 2.21, waar [verweerder] opmerkt dat het Kadaster “in ieder geval ter zake van de recherchekosten niet als rechthebbende [kwalificeert]”, nu ten aanzien daarvan “toch zelfs in gemoede niet [kan] worden volgehouden dat de partijen bij de akte “betrokkenen” in het kader van die kosten zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noten 120-121 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nr. 8.4.3, mede over “een periodieke verzamelfactuur” (waarop elk product of dienst van het Kadaster afzonderlijk wordt getarifeerd en vermeld, waarbij het niet gaat om inschrijvingen van leveringsaktes zoals bedoeld in art. 3:89 lid 1 BW (in verbinding met art. 3:98 BW)). Zoals daar vermeld, wordt die factuur “verzonden naar het kantoor van de notaris”. Daaraan ziet [verweerder] voorbij, in nr. 5 van zijn reactie n.a.v. schriftelijke opmerkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de notaris het ertoe leidt dat met deze zijdens partijen gefourneerde gelden die inschrijvingskosten worden voldaan, volgt mede uit reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nr. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser/Tjong Tjin Tai 2018, nr. 98.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 28 september 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0095, NJ 1991/473; HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0070, NJ 1991/474; HR 27 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0557, NJ 1993/188; en HR 29 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2658, NJ 1999/287. Aangenomen wordt dat dit niet slechts jegens de koper, maar ook jegens de verkoper geldt, die bescherming verdient tegen zijn wanprestatie. Zie o.a. Waaijer &amp; Melis 2019, par. 2.4.2.1. Zie verder o.a. Asser/Tjong Tjin Tai 2018, nr. 202 met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik citeer uit zijn opinie van 19 maart 2019, productie H1 bij memorie van grieven zijdens het Kadaster: “23. Het honorarium van de notaris (…) mag de notaris naar zijn kantoorrekening overboeken omdat dit het bedrag is dat hem toekomt ingevolge de opdracht van zijn cliënten, de verkoper en de koper. Datzelfde geldt voor de recherchekosten (…). Dat is in feite honorarium ter dekking van de specifieke kosten verbonden aan het doen van onderzoek bij het Kadaster (eerste inzage, herrecherche en narecherche). Het in rekening gebrachte bedrag omvat vaak zowel de kosten die in verband hiermee door het Kadaster aan de notaris in rekening worden gebracht als werkzaamheden die de notaris in dit kader verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veelal wordt over het totaalbedrag BTW gerekend, dus ook over het kadastrale tarief deel. Juister zou zijn dat tarief afzonderlijk zonder BTW op de afrekening te zetten en het honorarium van de notaris voor deze werkzaamheden met BTW te vermelden. 24. De inschrijvingskosten van de levering (…) zijn (…) kosten die het Kadaster in rekening brengt. Deze bedragen worden verschuldigd door de partijen bij de akte en zijn niet belast met BTW. (…)” Ook in zijn nadere opinie van 30 oktober 2020, productie H3 bij akte zijdens het Kadaster van 16 november 2020, luidt de conclusie “dat het Kadaster is aan te merken als rechthebbende in de zin van art. 25 Wna van de gelden die zich bevinden op de kwaliteitsrekening van de notaris en bestemd zijn om de overdracht betreffende kadastrale inschrijvingskosten te voldoen.” Zie ook memorie van grieven zijdens het Kadaster, nr. 57, waar het Kadaster o.a. concludeert dat hij rechthebbende is in de zin van art. 25 lid 3 Wna en dat hij ten bedrage van “de verschuldigde inschrijvingskosten” een aandeel heeft in de gemeenschap van de rechthebbenden op het saldo dat op de kwaliteitsrekening van de notaris staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik lees die niet in schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nrs. 7.2.1, 8.2.3-8.2.4. Wat het Kadaster daar opmerkt in nrs. 2.4-2.5, maakt het voorgaande niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik beperk mij in deze conclusie, gelet op de door het hof gestelde prejudiciële vraag, tot de positie van het Kadaster.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling vermeldt niet van wie die zekerheid kan worden verlangd door het Kadaster, wel dat die zekerheid (alleen) dan kan worden verlangd door het Kadaster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder 3.5 hiervoor voor de bredere betekenis van het zijn van rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna. Ik ga overigens ervan uit dat indien onverhoopt het saldo van de kwaliteitsrekening ontoereikend blijkt te zijn zoals bedoeld in art. 25 lid 4, tweede en derde zin Wna, het Kadaster zich, mede gelet op art. 6:2 BW in verbinding met art. 6:248 BW, niet om die reden voor verhaal wendt tot de cliënten van de notaris (de partijen bij de notariële akte/transactie) die immers, conform de nota van afrekening, het voor het Kadaster bestemde bedrag aan inschrijvingskosten reeds hebben gestort op de kwaliteitsrekening. Ik wijs in dat verband ook op art. 25 lid 3, derde zin Wna. Zie wederom onder 3.5 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat door het Kadaster aan problematiek en cijfermatig is uiteengezet in diens schriftelijke opmerkingen, nrs. 10.4-10.3 en reactie n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nrs. 4.2-4.5, laat zich dan, wat betreft de inschrijvingskosten (zie noot 48 hiervoor), die per geval aanzienlijk hoger zijn dan inzagekosten (welke kosten ex art. 7 lid sub a jo. 17 lid 2 Tarievenregeling Kadaster per digitaal uit te voeren recherche gebruikelijk neerkomen op € 2,95 per hypothecair uittreksel, € 2,95 per kadastraal uittreksel en € 1,80 per kadastrale kaart), naar de aard voor de toekomst (althans goeddeels) vermijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar kennelijk volgt uit o.a. reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nr. 6, gericht tegen schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nr. 6, gaat ook [verweerder] ervan uit dat als het Kadaster ter zake wel rechthebbende is op het saldo van de kwaliteitsrekening, het de notaris niet zonder meer vrijstaat de door een betrokken partij op de kwaliteitsrekening gestorte gelden aan te wenden om via zijn kantoorrekening vergoedingen aan het Kadaster te voldoen (in welk licht ook nr. 14 zich laat verstaan).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat lees ik ook niet in hetgeen [verweerder] naar voren heeft gebracht in zijn schriftelijke opmerkingen en reactie n.a.v. schriftelijke opmerkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover ook onder 3.3-3.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze basis is dus een wezenlijk andere dan de gedachte, die door [verweerder] niet ten onrechte is afgewezen in zijn reactie n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nrs. 15-16, dat “de enkele omstandigheid dat het Kadaster zijn kosten vergoed zou krijgen vanaf de kwaliteitsrekening” in juridisch opzicht “impliceert” dat “het Kadaster daarom een rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening zou zijn”, of dat de tuchtrechtelijke verplichting van de notaris om aan de cliënt doorbelaste verschotten “daadwerkelijk te gebruiken ter voldoening van de verschuldigde kosten in juridisch opzicht “impliceert” dat “de uiteindelijke ontvanger van die verschotten/gelden een rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening is.” Dat is trouwens ook niet waar het Kadaster zijn betoog in de onderhavige procedure, in totaliteit bezien, aan ophangt (nog overigens aan de in reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nr. 13 bedoelde “omstandigheid dat de Kadasterkosten vrijgesteld zijn van de afdracht van btw”; wat [verweerder] daar ter zake opmerkt, doet niet af aan de hier door mij bereikte conclusie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Men kan ook zeggen dat per dat moment de voorwaarde wordt vervuld die maakt dat het Kadaster ter zake niet langer voorwaardelijk rechthebbende is, maar onvoorwaardelijk. Dit valt niet per se samen met bevestigende beantwoording van de vraag of het registergoed conform de koopovereenkomst tussen de partijen bij de notariële akte/transactie is overgedragen (of bezwaard): wanprestatie ter zake van de ene partij jegens de ander (of van de notaris als opdrachtnemer) laat op zich onverlet dat het Kadaster dan aan zijn verplichting ter zake heeft voldaan. Zie ook de volgende noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per welk moment de partij bij de notariële akte/transactie die het desbetreffende bedrag op de kwaliteitsrekening heeft gestort met het oog op voldoening van genoemde inschrijvingskosten aan het Kadaster logischerwijs niet meer als rechthebbende ter zake in de zin van art. 25 Wna zou zijn aan te merken, en de notaris dat bedrag dus niet langer voor die partij houdt. In die zin kan hier gesproken worden van een ‘omslagpunt’ en kan hier ook een parallel worden getrokken met HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, RvdW 2021/428, waarin in rov. 3.1.5, kort gezegd, is aangenomen dat de verkoper rechthebbende wordt op het saldo van de kwaliteitsrekening ten belope van de koopsom op het moment waarop de verkoper aan zijn (contractuele) verplichting heeft voldaan de onroerende zaak vrij en onbezwaard te leveren aan de koper. Zie ook onder 3.9 hiervoor. Zie in dit verband ook schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nrs. 7.3.1-7.3.2, waarop [verweerder] in zijn reactie n.a.v. schriftelijke opmerkingen niet heeft gereageerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nr. 2.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nrs. 9.1-9.2. Dit is door [verweerder] niet weersproken in zijn reactie n.a.v. schriftelijke opmerkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Genoemd worden onder meer betalingen in opdracht van de rechthebbende voor zover het betreft een betaling aan de VvE, de gemeente of een ander publiekrechtelijk orgaan, semioverheden, woningbouwverenigingen, degene die recht heeft op achterstallige erfpachtcanon of retributie, de bemiddelaar of adviseur die bij de akte betrokken is geweest, degene die een overbruggingskrediet heeft verstrekt, de aannemer bij een koop/aannemingsovereenkomst bij nieuwbouw mits het vervallen termijnen betreft, en betalingen aan een collega-notaris. Zie ook schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nr. 9.2. Door de Kamer voor het notariaat wordt aangenomen dat deze opsomming niet-limitatief is. Zie de beslissing van 10 mei 2021, ECLI:NL:TNORSHE:2021:14, onder 4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nr. 9.1. [verweerder] heeft zich hierover niet uitgelaten, ook niet in zijn schriftelijke opmerkingen, nr. 2.13 of in zijn reactie n.a.v. schriftelijke opmerkingen. Zie verder o.a. Asser/E. Korthals Altes &amp; H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken (7), Deventer: Wolters Kluwer 2015, nrs. 108-122.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit bij het opstellen van het Bud onder ogen is gezien, blijkt niet uit de tekst ervan of de toelichting erop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik kan laten rusten of, zoals aangevoerd door het Kadaster (zie schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nrs. 9.4-9.5, waarover reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nrs. 19-20, alsmede reactie zijdens het Kadaster n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nr. 3.2), een beperkte definitie van rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna zoals vertolkt in art. 1 Bud en verdedigd door [verweerder] al is verworpen in HR 23 juni 2017, ECLI:NL:2017:1139, NJ 2017/436, rov. 3.3.3 (“(...) Deze klacht miskent dat de bankrekening van de Stichting een algemene kwaliteitsrekening is, waarvan het saldo niet alleen toekomt aan X en/of de Ontvanger, maar aan verschillende cliënten en andere derden gezamenlijk. Het vorderingsrecht ter zake van het saldo van die rekening behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden, waarbij het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de rekening is gestort (vgl. art. 25 lid 3 Wna. Het onderdeel treft dan ook geen doel”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens laat het Bud wel de ruimte aan de notaris om vanaf de kwaliteitsrekening een betaling te verrichten aan het Kadaster vanwege genoemde dienstverlening door het Kadaster (ook al is het Kadaster dan, in die kennelijke lijn van het Bud, geen rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening in de zin van art. 25 Wna), nu de notaris betalingen mag doen aan een ander dan een rechthebbende (zoals ingevuld door het Bud) die in nauw verband staan met de transactie zelf en waarvan het bestaan ook eenvoudig controleerbaar is, waaraan bij zo’n betaling aan het Kadaster naar de aard is voldaan. Zie ook schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nr. 9.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">RvS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4231. Dit betrof, kort gezegd, een hoger beroep van een bezwaarprocedure bij de rechtbank naar aanleiding van het besluit van (het bestuur van) het Kadaster tot afwijzing van een verzoek tot vermindering van het totaalbedrag van 41 in rekening gebrachte kadastrale rechten voor het inmeten van evenzoveel kadastrale percelen ten behoeve van de vestiging van twee rechten van erfpacht. Zie rov. 1 voor het juridische kader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nr. 2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat in RvS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4231, rov. 3.3 te lezen valt, is, kort gezegd, de stelling van het Kadaster “in verweer” dat de cliënt van de notaris in de desbetreffende kwestie (zie noot 166 hiervoor) niet-ontvankelijk zou zijn, want geen belang zou hebben zoals dáár bedoeld, omdat de desbetreffende factuur van het Kadaster gericht was aan (het kantoor van) de notaris. Het Kadaster deed destijds dus een (niet gehonoreerde) poging om, op basis van deze stelling inzake de gerichtheid van de desbetreffende factuur aan (het kantoor van) de notaris, het door een van de partijen aangetekende bezwaar (beroep) in genoemde kwestie te laten stranden. Het stond het Kadaster vrij dat te doen. Zie ook schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nr. 8.4.3, waarop ik geen respons lees in reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, alsmede reactie zijdens Kadaster n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nr. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nr. 2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam (notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer) 24 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4744, rov. 5.2.2: “Niet in geschil is dat voor het Kadaster bestemde gelden in formele zin geen derdengelden zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie schriftelijke opmerkingen zijdens het Kadaster, nr. 8.3.5, waarop ik geen respons lees in reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, alsmede reactie zijdens het Kadaster n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nr. 3.4. Het Kadaster wijst daar ook erop dat het gerechtshof daar wel uitdrukkelijk oordeelt, kort gezegd, dat deze met een specifiek doel geïnde gelden niet ter voldoening van andere (kantoor)kosten mogen worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nr. 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Leeuwarden 27 maart 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BW0021, in het bijzonder rov. 12. [verweerder] onderkent dat trouwens ook. Zie schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nr. 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook schriftelijke opmerkingen zijdens [verweerder] , nrs. 2.14-2.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook reactie zijdens het Kadaster n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nrs. 3.1 en 4.1-4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nr. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nr. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook noten 144 en 151 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie reactie zijdens [verweerder] n.a.v. schriftelijke opmerkingen, nr. 3.</p></div>", "next": 0}